Hosea
Inleiding 1 Oproep en bedrog 2 De afvalligen 3 Door God gekend 4 Nogmaals de geest van hoererij 5 De val van Israël en Juda 6 De HEERE onttrekt Zich aan hen 7 Gevolgen van trouweloos handelen 8 Laat de bazuin klinken 9 God maakt Zijn plannen bekend 10 Grenzen verleggen 11 God oefent recht 12 Mot en verrotting 13 Verkeerde uitwerking van de tucht 14 God als leeuw 15 God trekt Zich terug, totdat …
Inleiding

De profeet vervolgt zijn aanklacht. In dit hoofdstuk wordt ook het koningshuis erbij betrokken. De leiders zetten het volk op het verkeerde spoor, maar dat maakt het volk niet minder schuldig. Van allen wordt gezegd dat zij de HEERE niet kennen (vers 44Hun daden zijn er niet op gericht
zich tot hun God te bekeren,
want de geest van hoererij is in hun midden,
en de HEERE kennen zij niet.
)
.

Wanneer de HEERE probeert hen door tucht tot inkeer te brengen, zoeken ze hulp bij de omringende volken (vers 1313Toen Efraïm zijn ziekte zag
en Juda zijn gezwel,
ging Efraïm naar Assyrië
en stuurde hij boden naar koning Jareb.
Maar die zal u niet kunnen genezen,
en van u het gezwel niet wegnemen.
)
. Zo diep is het volk gezonken en zo diep kunnen ook wij zinken. Zijn ook wij niet geneigd onze hulp eerder bij anderen dan bij de Heer te zoeken?


Oproep en bedrog

Hoor dit, priesters! Sla er acht [op], huis van Israël!
Neem ter ore, huis van de koning!
Want het gericht gaat u aan,
omdat u een strik geworden bent voor Mizpa,
een uitgespannen net op de Tabor.

De profeet gaat verder met dat waarmee hij in het vorige hoofdstuk is begonnen. Hij is daar begonnen met het aanspreken van de priesters en het volk. Hij voegt er nu het huis van de koning aan toe. Hij roept hen op: “Hoor dit…”, “sla [er] acht [op] …”, “neem ter ore …”. Je hoort het hem smeken: ‘Luister toch alsjeblieft allemaal eens goed naar mij!’ Hij richt zich vooral tot hen die het voorbeeld moeten geven in het goede, zoals de priesters en de koning. In de praktijk zijn zij juist tot een strik voor het volk geworden.

Zij die door hun positie in een directe betrekking staan tot God, zijn de meest schuldigen. Priesters, de godsdienstige leiders, en regeerders, de staatkundige leiders, worden aangesproken. Maar ook het gewone volk ontkomt niet aan de ernstige prediking van Hosea. Alle lagen van het volk zijn doortrokken van het kwaad van afgoderij en van allerlei andere vormen van kwaad die daaruit voortvloeien. Aan allen wordt rechtstreeks het oordeel aangezegd.

Hosea herinnert de leiders aan de hun toevertrouwde taak om het recht te handhaven en eerlijk recht te spreken. De praktijk is dat iedereen die met een rechtszaak tot hen komt, zich in een valstrik begeeft. De leiders verdraaien het recht en mergelen het volk uit. “Mizpa” doet denken aan de dagen van Samuel. Het is een van die plaatsen waar Samuel aan Israël leiding geeft (1Sm 7:1616Hij ging van jaar tot jaar [het land] rond, langs Bethel, Gilgal en Mizpa, en hij gaf leiding aan Israël in al die plaatsen.), waar het volk naar hem komt met hun rechtszaken. Op de berg “Tabor” wordt Israëls leger verzameld in de tijd dat Debora Israël richt (Ri 4:4-6,144En Debora, een vrouw die een profetes was, de vrouw van Lappidoth, die gaf in die tijd als richter leiding aan Israël.5Zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de rechtspraak naar haar toe.6Zij stuurde [een bode] en liet Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes-Naftali, roepen en zei tegen hem: Heeft de HEERE, de God van Israël, niet geboden: Ga, trek op naar de berg Tabor en neem tienduizend man met u mee, van de nakomelingen van Naftali en van de nakomelingen van Zebulon?14En Debora zei tegen Barak: Sta op, want dit is de dag waarop de HEERE Sisera in uw hand gegeven heeft. Is de HEERE niet uitgetrokken voor u uit? Toen daalde Barak van de berg Tabor af met tienduizend man achter zich.).

Beide plaatsen hebben daardoor een bijzondere, nationale en religieuze betekenis. Daar waar het volk zou mogen rekenen op rechtvaardige rechtspraak, doen de leiders aan rechtsverkrachting, alleen om hun macht en rijkdom te vermeerderen. Het volk wordt erheen gelokt. Maar in plaats van het recht te krijgen waarvoor ze komen, worden de mensen naar allerlei afgodische en schandelijke praktijken geleid.

Werken met vertrouwde namen en bekende begrippen is een tactiek die de vijand graag hanteert om argeloze zielen in zijn greep te krijgen. Het is op zich niet voldoende om naar de plaats te gaan waar onze voorouders de Heer hebben gediend en ontmoet. We moeten er ook van overtuigd zijn dat de Heer op die vertrouwde plaats nog steeds wordt gediend.

We hebben er niets te zoeken als die plaatsen zijn verworden tot plaatsen waar het zondige vlees wordt gediend en de belangen van de mensen worden nagestreefd. Ieder van ons mag zich wel eens afvragen: ‘Ben ik op de plaats waar ik de Heer wil dienen soms “een strik” of “een uitgespannen net” voor een ander, doordat mijn gedrag of woorden niet overeenstemmen met mijn belijdenis?


De afvalligen

2De afvalligen zijn afgedaald om te slachten,
maar Ik zal een vermaning voor hen allen zijn.

De afvalligen zijn de koning, de priesters en het volk die van God afvallig zijn geworden en zich tot de afgoden hebben gewend. Ze dalen af naar de plaatsen waar de afgoden zijn om daar hun offers te slachten. De plaatsen van afgoderij zijn vaak hooggelegen plaatsen, maar God noemt het een afdalen naar die plaatsen. De weg van God af is altijd een weg naar beneden.

Tegenover dit afvallige gedrag plaatst God Zichzelf als ‘een vermaning’. God zegt niet dat Hij hen zal vermanen, maar dat Hij Zelf een vermaning is. Hij spreekt geen vermaning uit, maar wijst op Zichzelf. Alles wat van God zichtbaar wordt, waarin Hij Zich openbaart, is een vermaning voor het afvallige volk. Uit al Zijn eigenschappen, zoals Zijn barmhartigheid, liefde en gerechtigheid spreekt vermaning. De tegenstelling tussen de eerste en de tweede regel is groot.


Door God gekend

3Ikzelf ken Efraïm
en Israël is voor Mij niet verborgen.
Werkelijk, nu bedrijft Efraïm hoererij,
Israël verontreinigt zich.

Wat God hier over Efraïm zegt, doet denken aan wat David zegt, dat de HEERE hem door en door kent (Ps 139:1-41Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
2Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
3U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.
4Al is er [nog] geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
)
. Maar er is een groot verschil tussen Efraïm en David. In Psalm 139 getuigt David van Gods alwetendheid. Hij is zich ervan bewust dat God hem volkomen kent. Het maakt hem klein en tegelijk vol vertrouwen. Bij Efraïm of Israël is dat anders. Zij zijn zich niet bewust dat God hen kent en al hun daden ziet (vgl. Hs 7:22Maar zij zeggen niet in hun hart
[dat] Ik al hun kwaad in gedachten houd.
Nu dan, hun daden omringen hen,
ze zijn voor Mijn aangezicht [bedreven].
)
. God kent hen, maar zij kennen Hem niet (vers 44Hun daden zijn er niet op gericht
zich tot hun God te bekeren,
want de geest van hoererij is in hun midden,
en de HEERE kennen zij niet.
)
.

God zegt dat Hij de hoererij van Efraïm en de verontreiniging van Israël kent. Hij noemt hun daden. Dat God Zijn volk door en door kent, bewijst Hij door ze hun zonden voor te houden. Er is niets voor Hem verborgen. “Werkelijk”, er is geen enkele twijfel over hun zonden. Ze zijn verontreinigd en daarom kan God hen niet in Zijn tegenwoordigheid dulden.

Het is genade dat God Zijn volk op hun zonden wijst. Hij wil hen ertoe brengen dat ze de zonden zullen zien zoals Hij die ziet, zodat ze die belijden en Hij kan vergeven. Daartoe komt een heel volk of een enkel mens alleen als er, zoals David doet, in oprechtheid gebeden wordt: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg” (Ps 139:23-2423Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.
)
.


Nogmaals de geest van hoererij

4Hun daden zijn er niet op gericht
zich tot hun God te bekeren,
want de geest van hoererij is in hun midden,
en de HEERE kennen zij niet.

Helaas is een gezindheid als die van David het volk volkomen vreemd. Zij handelen op een manier waaruit absoluut niet is af te leiden dat ze zich willen bekeren. Ze zijn gewoon verstrikt in de zonden, ze zijn er volledig in vastgelopen. De uitweg zien ze niet en ze willen die ook niet zien. Ze zijn helemaal in de macht van een geest van ontucht die “in hun midden” is.

Dit gaat verder dan de eerdere vermelding van die geest (Hs 4:1212Mijn volk raadpleegt zijn hout,
en zijn stok moet het hem bekendmaken.
Want de geest van de hoererijen heeft hen misleid,
zodat zij in hoererij hun God verlaten.
)
, die werkzaam is en hen doet dwalen. Hier lezen we dat die geest te midden van hen woont. Dat gaat nog een stap verder. Als die geest in hun midden een plaats heeft gekregen, wordt daarmee de deur naar het kennen van de HEERE dichtgedaan.

Een aangrijpend en afschrikwekkend voorbeeld zien we in Judas, de discipel die de Heer Jezus heeft verraden. Eerst lezen we van hem: “En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren” (Jh 13:22En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,). Dit is vergelijkbaar met de geest van hoererij die doet dwalen. Maar vervolgens lezen we: “En na het stuk brood, toen voer de satan in hem” (Jh 13:27a27En na het stuk brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zei tot hem: Wat je doet, doe dat snel.). De satan kwam in hem en nam de controle over zijn leven in handen. Gelukkig mag een kind van God weten: “Hij Die in u is [dit is de Geest van God], is groter dan hij die in de wereld is [dit is de duivel]” (1Jh 4:44U bent uit God, kinderen, en hebt hen overwonnen, omdat Hij Die in u is, groter is dan hij die in de wereld is.).


De val van Israël en Juda

5De trots van Israël getuigt openlijk tegen hem.
En Israël en Efraïm zullen struikelen om hun ongerechtigheid,
en met hen zal ook Juda struikelen.

De hoogmoed van Israël is niet iets wat alleen maar in het hart aanwezig is. Hun hele opstelling straalt hoogmoed uit. Het volk loopt als het ware met de neus in de lucht en kijkt verachtelijk op anderen neer. Er is een totaal gebrek aan nederigheid en verslagenheid over de zonden die openlijk bedreven worden. Het lijkt er zelfs op dat men prat gaat op wat men doet. Zij zijn immers het uitverkoren volk van God?

Maar als wordt vergeten wat dat uitverkoren zijn inhoudt, is het gevolg hoogmoed. Alles wat God aan Zijn volk geschonken heeft, wordt door hen gezien als iets waar ze recht op hebben. Weg is de afhankelijkheid van en dankbaarheid jegens God.

Er is dan ook geen kracht meer om staande te blijven tegenover de vijand. Struikelen is het gevolg. Wie zijn hand loswringt uit Gods hand, zal niet ver komen. Nog even een flinke mond opzetten, mogelijk nog een tijdje indruk maken, maar dan is het gebeurd. Een volk zonder God gaat verloren. Zo is het met Israël gegaan en zo zal het met de christenheid gaan.

Ook de christenheid beroemt zich op haar voorrechten alsof ze die verdiend heeft (Rm 11:19-2019U zult dan zeggen: Er zijn takken afgebroken, opdat ik zou worden geënt.20Inderdaad! Zij zijn afgebroken door het ongeloof en u staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees;). Dit is ook persoonlijk toe te passen. Ga ik hoogmoedig met iets om wat God me heeft gegeven, bijvoorbeeld met de positie die ik bekleed? Dan is de val nabij. Eerder heeft de HEERE Juda gewaarschuwd om Israël niet na te doen (Hs 4:1515Als u, Israël, hoererij wilt bedrijven,
laat Juda toch niet [mede]schuldig worden!
Kom toch niet naar Gilgal,
ga niet naar Beth-Aven,
en zweer niet: [Zo waar] de HEERE leeft!
)
, maar tevergeefs. Juda struikelt met Israël.


De HEERE onttrekt Zich aan hen

6Met hun schapen en hun runderen
zullen zij de HEERE gaan zoeken,
maar zij zullen [Hem] niet vinden:
Hij heeft Zich aan hen onttrokken.

Hosea’s prediking lijkt effect te hebben. Israël gaat op zoek naar de HEERE. Ze hebben zelfs offerdieren bij zich. Maar helaas, ze willen offeren zonder berouw over hun zonden en daarom zoeken zij de HEERE tevergeefs. Het is een kloppen en roepen: ‘Heer, Heer doe ons open’, maar Hij zal zeggen: ‘Ik ken u niet’ (Mt 25:11-1211Daarna echter kwamen ook de overige maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons open!12Hij echter antwoordde en zei: Voorwaar, ik zeg u: ik ken u niet. –).

Het is belangrijk hóe we Hem zoeken. Ze komen “met hun schapen en hun runderen”. Daarmee willen ze God tevredenstellen, het oordeel afkopen en Zijn gunst juist kopen. Maar dan geeft God ‘niet thuis’. Ze komen als mensen die menen ergens recht op te hebben en niet in nederigheid. De uiterlijke vormen zijn er wel, maar God is er niet. Hij onttrekt Zich aan hen.

Dat het volk de HEERE zoekt, maar Hem toch niet vindt, lijkt in strijd met de toezegging van Heer Jezus dat “ieder … die zoekt, vindt” (Mt 7:88Want ieder die bidt, ontvangt; en die zoekt, vindt; en die klopt, zal worden opengedaan.). Maar de vergelijking gaat niet op. In Mattheüs 7 heeft de Heer het over oprechte, eerlijk zoekende mensen. Als zulke mensen zoeken, zullen ze altijd vinden. Die belofte geldt niet voor onoprechte mensen, die God willen gebruiken voor de vervulling van hun eigen plannen.

Zo kunnen ook wij niet wat God heeft gezegd in de Bijbel naar onze eigen ideeën uitleggen en teksten gebruiken zoals ze ons het beste uitkomen. Gods Woord is alleen bedoeld voor mensen die Hem echt op Zijn Woord nemen. Zij mogen erop rekenen dat God Zich aan Zijn Woord houdt.

Wat voor Israël geldt, geldt ook voor naamchristenen. Als zij in de tijd van oordelen zich verheffen op de voorrechten die hun zijn verleend, zullen ook zij het meemaken dat God Zich aan hen onttrekt, of Zich van hen losmaakt, zoals het ook vertaald kan worden. In plaats van zich onder de tucht van God te buigen, die Hij vanwege ontrouw soms moet brengen, kunnen plaatselijke gemeenten ertoe komen zich te verheffen op hun (ingebeelde) geweldige inzichten en vooruitgang.

In de gemeente in Laodicéa treffen we die geest van hoogmoed ook aan (Op 3:14-2214En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicéa: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het begin van de schepping van God:15Ik weet uw werken, dat u niet koud bent en niet heet. Was u maar koud of heet!16Daarom omdat u lauw bent en niet heet of koud, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.17Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent,18raad Ik u aan goud van Mij te kopen, gelouterd door vuur, opdat u rijk wordt; en witte kleren, opdat u bekleed wordt en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt; en ogenzalf om uw ogen te zalven, opdat u kunt kijken.19Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.20Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik <ook> bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij.21Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met Mijn Vader op Zijn troon.22Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.). Terwijl de Heer Jezus hen aanspreekt, staat Hij buiten de deur: Hij moet kloppen om binnengelaten te worden (Op 3:2020Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik <ook> bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij.). God onttrekt Zich aan ontrouwe christenen. Hij onttrekt Zich niet aan ongelovigen. Door hen wil Hij Zich juist laten vinden. Daarvoor openbaart Hij Zich in het evangelie aan hen.


Gevolgen van trouweloos handelen

7Zij hebben trouweloos gehandeld tegen de HEERE,
want zij hebben bastaardkinderen verwekt.
Nu zal de nieuwemaan hen met hun stuk [land] verteren!

Het trouweloze handelen tegen de HEERE is tot uiting gekomen door hun afgoderij. In plaats van Hem te vereren zijn ze vreemde goden nagelopen en hebben die geëerd. Het resultaat wordt gezien in hun kinderen. Als de ouders God niet zoeken, maar zich buigen voor de goden van de volken om hen heen, zullen de kinderen dat ook doen.

Het is altijd eenvoudiger een afgod te dienen dan de levende God. Een afgod kies je zelf en als hij je niet bevalt, kies je gewoon een andere. Desnoods maak je er zelf een. Maar als je te maken hebt met de levende God, is er geen eigen keus. Dan is de vraag belangrijk: Wil je Hem gehoorzamen?

Het volk heeft God de rug toegekeerd. In hun vervreemding van God hebben ze ook hun kinderen niet verteld over de God van Israël. De kinderen kennen de levende God dus niet. Ze zijn een geslacht van “bastaardkinderen” geworden, een van God vervreemd geslacht.

De toepassing ligt voor de hand. Wat wij als ouders zoeken en willen bezitten, zal door onze kinderen worden overgenomen. Daarom moeten we ons steeds afvragen: Wat leren we onze kinderen, waar brengen we ze, wat geven we ze, wat zien ze van ons?

In het laatste deel van dit vers wordt een straf aangekondigd. Als kinderen niet meer naar God vragen omdat ouders God niet meer erkennen, is alle hoop vervlogen. Als ouders hun kinderen het verkeerde voorbeeld geven, zal de hoop op verbetering bij het volgende geslacht slechts ijdel zijn. De “nieuwemaan” spreekt van een nieuw begin, van hoop. Bij nieuwemaan is van de maan niets te zien, maar tegelijk betekent die positie van de maan dat het licht weer gaat komen en dat is een aanleiding tot vreugde-uitingen (Ps 81:44Blaas [op] de bazuin bij nieuwemaan,
bij vollemaan, op onze feestdag.
)
.

Van nieuwe hoop, van een nieuw begin, is in de dagen van Hosea echter geen sprake. Integendeel, wat vernieuwing aankondigt, zal slechts verwoesting brengen. Die verwoesting zal niet alleen de mens treffen die God de rug heeft toegekeerd. Ook alles wat de ontrouwe mens onder zijn beheer heeft, zal aan het oordeel worden prijsgegeven. De mens zal samen met zijn bezit, “hun [stuk] land”, omkomen, verteerd worden.


Laat de bazuin klinken

8Blaas de bazuin in Gibea,
de trompet in Rama,
sla alarm in Beth-Aven:
Achter u, Benjamin!

Het aangekondigde oordeel, aan het eind van het vorige vers, wordt gevolgd door krijgsrumoer in dit vers. De bazuin roept niet op tot een feest, maar blaast een alarmsignaal. De vijand is in aantocht! Verwoesting dreigt!

De twee genoemde steden staan symbool voor de situatie waarin het volk verkeert. “Gibea” spreekt van diep verval. Wat daar in het verleden is gebeurd (Ri 19:22-3022Terwijl zij hun hart vrolijk maakten, zie, toen omsingelden de mannen van de stad, verdorven lieden, het huis en bonsden op de deur. En zij spraken de oude man, de heer des huizes, aan en zeiden: Breng de man die in uw huis gekomen is, naar buiten, zodat wij gemeenschap met hem kunnen hebben.23Maar de man, de heer des huizes, ging naar buiten, naar hen toe, en zei tegen hen: Nee, mijn broeders, doe toch geen kwaad, nu deze man in mijn huis gekomen is. Bega zo'n dwaasheid niet.24Zie, mijn dochter, een maagd, en zijn bijvrouw, die zal ik wel naar buiten brengen. Verkracht die dan [maar] en doe met hen wat goed is in uw ogen. Maar doe deze man die dwaasheid niet aan.25De mannen wilden echter niet naar hem luisteren. Toen greep de man zijn bijvrouw en bracht [haar] naar buiten, naar hen toe. Vervolgens hadden zij gemeenschap met haar en deden zij de hele nacht met haar wat zij wilden, tot 's morgens toe. En bij het aanbreken van de dageraad lieten zij haar gaan.26Toen het ochtend werd, kwam de vrouw [terug] en viel neer voor de ingang van het huis van de man, waar haar heer verbleef, [en lag daar] totdat het licht werd.27Toen haar heer 's morgens opstond en de deuren van het huis opendeed en naar buiten ging om zijns weegs te gaan, zie, [daar] lag de vrouw, zijn bijvrouw, bij de ingang van het huis, met haar handen op de drempel.28En hij zei tegen haar: Sta op, en laten wij gaan. Maar er kwam geen antwoord. Toen legde hij haar op de ezel. En de man stond op en ging naar zijn [woon]plaats.29Zodra hij in zijn huis kwam, nam hij een mes, greep zijn bijvrouw en deelde haar met haar beenderen [en al] in twaalf stukken. Vervolgens stuurde hij die naar elk gebied van Israël.30En het gebeurde dat iedereen die het zag, zei: Zoiets is niet gebeurd of gezien, vanaf de dag dat de Israëlieten uit het land Egypte zijn weggetrokken tot op deze dag. Neem het [ter harte], beraadslaag en spreek!), zal bij ieder die eraan denkt het schaamrood op de kaken doen komen. Daarom moet juist dáár de bazuin worden geblazen. De gewetens moeten worden wakker geschud, er moet worden opgeroepen tot bezinning. Het gevolg moet belijdenis zijn van het verlaten van God en het plegen van afgoderij en de erkenning dat Zijn oordeel rechtvaardig is.

In “Rama” moet de trompet worden geblazen. Het is de plaats waar Samuel heeft gewoond en waar hij aan Israël leiding heeft gegeven (1Sm 7:1717Daarna keerde hij terug naar Rama, want daar was zijn huis en daar gaf hij leiding aan Israël, en hij bouwde daar een altaar voor de HEERE.). Het is ook de plaats waar het volk bij hem is gekomen om een koning te eisen zoals de volken om hen heen (1Sm 8:55Zij zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een koning over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken.). Ook “Beth-Aven”, dat eerst Bethel (= huis Gods) heette, en “Benjamin”, dat tot de twee stammen behoort, worden gewaarschuwd. Het oorlogsgevaar dreigt van alle kanten. Hosea ziet in de geest de vijand naderen. Hij rukt op, zowel van voren als van achteren. Stad na stad valt. De vijand neemt geleidelijk aan alle steden in bezit.

Het is een beeld van hoe het in het leven van iemand kan gaan die bij Gods volk hoort. Eerst gaat hij werelds denken, vervolgens merk je het aan zijn manier van spreken en ten slotte komt het ook in zijn handelen tot uiting. Hij is van God afgeweken. Daarom is het ook in onze tijd noodzakelijk dat het Woord van God, als een krachtige bazuin, zijn geluid laat horen om zo Zijn volk te waarschuwen voor de listen van de vijand (2Tm 4:22predik het Woord, wees paraat, gelegen [en] ongelegen; weerleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en lering.).


God maakt Zijn plannen bekend

9Efraïm zal tot een woestenij worden
op de dag van de bestraffing.
Onder de stammen van Israël
maak Ik bekend wat zeker is.

Wat Hosea voor zijn geestesoog als dreigend gevaar ziet opdoemen, zal eens zeker gebeuren. Het is vastbesloten. Het oordeel over de zondaars is zeker. Het is daarom zaak aan de komende toorn te ontvluchten, want de dag van het oordeel komt. Het is een bijzondere genade van God dat Hij bekendmaakt wat zeker is, dat Hij laat weten wat Hij van plan is, ook als het gaat om het oordeel.

God waarschuwt vaak, want Hij wil niet dat de zondaar omkomt, maar dat deze zich bekeert en leeft. Maar over het hardnekkig volgen van een zondige weg en het volharden in een leven in de zonde moet Hij Zijn oordeel laten komen. Hij laat het nooit bij dreigementen, maar voert ze ook uit als er geen inkeer komt.


Grenzen verleggen

10De vorsten van Juda zijn
als verleggers van grenzen.
Over hen zal Ik Mijn verbolgenheid uitstorten als water.

Het onheil dat het noordelijke rijk heeft getroffen, wil Juda uitbuiten om zijn terrein te vergroten. Maar wie op zo’n gemene manier gebiedsuitbreiding probeert te krijgen, roept Gods oordeel over zich af. Verschillende keren wordt uitdrukkelijk tegen deze vorm van landroof gewaarschuwd. Er wordt zelfs een vloek uitgesproken over wie zoiets doet (Dt 19:1414U mag de grens[steen] van uw naaste, die de voorouders geplaatst hebben, niet verleggen in uw erfelijk bezit dat u ontvangt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om het in bezit te nemen.; 27:1717Vervloekt is wie de grens[steen] van zijn naaste verlegt! En heel het volk moet zeggen: Amen.; Jb 24:22[Er zijn mensen die] grenzen aantasten;
zij roven een kudde en weiden die.
; Sp 22:2828Verleg de aloude grens[stenen] niet
die uw vaderen hebben geplaatst.
)
.

God heeft aan elke stam zijn eigen erfdeel gegeven. Iemand anders mocht zich daarvan niet zomaar een stuk toe-eigenen. Wie werkelijk waarde hecht aan wat hij van God heeft gekregen, zal zich ervoor hoeden dat anderen hem iets daarvan ontnemen. In Naboth hebben we een voorbeeld van iemand die zich de waarde van zijn erfdeel bewust is. Als koning Achab het van hem wil kopen of ruilen tegen een ander stuk land, weigert Naboth dat (1Kn 21:1-31Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!). Hij moet zijn weigering met de dood bekopen (1Kn 21:4-134Toen kwam Achab thuis, somber gestemd en woedend vanwege het woord dat Naboth uit Jizreël tot hem had gesproken; dat deze had gezegd: Ik geef u het erfelijk bezit van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde zijn gezicht af en nam geen voedsel tot zich.5Toen kwam Izebel, zijn vrouw, bij hem. Zij sprak tot hem: Wat is er, dat uw geest somber gestemd is en dat u geen voedsel tot u neemt?6Hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth uit Jizreël heb gesproken en tegen hem heb gezegd: Geef mij uw wijngaard voor geld. Of, als u dat liever hebt, zal ik u er een wijngaard voor in de plaats geven. Hij heeft echter gezegd: Ik geef u mijn wijngaard niet.7Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet ú nu het koningschap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.8Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.9In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.10En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel gezegd. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.12Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.13Toen kwamen er twee mannen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.). Achab toont geen enkel respect voor de grenslijnen die God heeft getrokken.

Dit gebrek aan respect voor door God ingestelde grenzen is ook tekenend voor de eenentwintigste eeuw waarin wij leven. Niet dat oprechte christenen bewust erop uit zouden zijn die grenzen uit te wissen. Toch zal de oplettende christen waarnemen dat de oorspronkelijke grenzen steeds meer vervagen en dat nieuwe grenzen zich aftekenen. Het door de grenzen omsloten gebied wordt opgerekt. Denk bijvoorbeeld aan huwelijk en samenwonen.

Voor de opmerkzame, trouwe bijbellezer is het geen punt. Alleen het huwelijk is de door God ingestelde vorm waarin man en vrouw seksualiteit beleven. Vandaag worden door steeds meer christenen argumenten aangevoerd om ongehuwd samenwonen te zien als een huwelijk. Zo is de grens van het huwelijk opgerekt en heeft men samenwonen ook binnen die grens gebracht. En wat te denken van het al dan niet gehuwd samenwonen van twee mannen of twee vrouwen? De grenzen worden steeds verder opgerekt en verlegd.

Kijk ook eens naar het verschil tussen man en vrouw, bijvoorbeeld waar het gaat om de samenkomsten van de gemeente. Vroeger was het zwijgen van de vrouw in de gemeente geen punt (1Ko 14:3434Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt.). Nu is dat allemaal niet zo duidelijk meer. Hele discussies worden er gehouden over hoe je dit precies zou moeten zien. Of eigenlijk gaat het er meer over hoe je het in elk geval niet moet zien. In plaats van een duidelijke verklaring van dit vers worden er talloze verklaringen gezocht en gevonden om duidelijk te maken hoe onduidelijk dit vers eigenlijk wel is. Dus, zo is dan de conclusie, je mag niet zeggen wat het wel betekent. En als je al zou willen zeggen wat het betekent, moet je zeggen: ‘Ik denk dat het dit betekent.’

De relativering van het Woord van God heeft toegeslagen en verslaat zijn duizenden. Er is een steeds terugkerend patroon bij het verleggen van de grenzen waar te nemen. Eerst worden er zaken ter discussie gesteld. Het punt komt steeds terug op de agenda. Dat proces voert tot een verandering van gedachten. Als de geesten er rijp voor zijn, worden die zaken in praktijk gebracht.

Het zijn niet de onwetenden of de laagste klassen van de bevolking die verantwoordelijk zijn voor grensverlegging. Het zijn de vorsten van Juda, de leiders van een stam die door God buitengewoon bevoorrecht is. In Juda ligt Jeruzalem met haar tempel en eredienst. Maar hoe groter de voorrechten, des te groter ook de afwijking als het hart niet in gemeenschap blijft met God. De leiders zijn het volk voorgegaan op de weg van ontrouw, een weg waarop wat God heeft gezegd met voeten wordt getreden. Iedereen is uit op eigen belang.

Zeker, deze houding zal in vrome bewoordingen verpakt zijn, zodat het op het eerste gezicht echt lijkt te gaan om de eer van God. Maar de realiteit zal vroeg of laat openbaar worden en het einde ervan is de dood. Over deze dingen komt onherroepelijk Gods oordeel als de wateren van de zondvloed. Zij die door God gestelde grenzen doorbreken, zullen door Hem ter verantwoording worden geroepen.


God oefent recht

11Efraïm is onderdrukt,
[zijn] recht verbroken,
want hij heeft het zo gewild:
hij heeft gewandeld overeenkomstig het gebod.

Bij de onderdrukking die Efraïm is overkomen, kunnen we denken aan invallen van Tiglath-Pileser (2Kn 15:2929In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en [ook] Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead, Galilea en het hele land van Naftali; [en] hij voerde [de inwoners] weg naar Assyrië.). Als God het recht uitoefent, wordt hij, die niet aan dat recht beantwoordt, verbroken. God verdrukt Efraïm omdat zij ervoor hebben gekozen Jerobeam te volgen in zijn afgodendienst te Bethel en te Dan (1Kn 12:28-3328Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.31Hij maakte ook een [gods]huis op de [offer]hoogten en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk, die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.32Verder stelde Jerobeam een feest in [voor] in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda [gevierd werd], en hij besteeg [dan] het altaar. Zo deed hij [ook] in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de [offer]hoogten die hij gemaakt had.33Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn [eigen] hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.). Ze hebben “overeenkomstig het gebod” van Jerobeam gewandeld en zijn niet meer naar Jeruzalem gegaan.


Mot en verrotting

12Daarom ben Ik voor Efraïm als een mot,
en voor het huis van Juda als een verrotting.

De HEERE vergelijkt Zichzelf hier met een mot en een proces van verrotting. Beide zien op een vernielende, verdervende macht. Een mot vreet de kleding op, zodat je op een gegeven moment naakt komt te staan. Het proces van verrotting gebeurt van binnenuit en knaagt aan het gebeente. Mot en verrotting stellen verderfelijke invloeden voor, die zich langzaam maar zeker een weg banen. Een mot baant al vretend geleidelijk zijn weg en een proces van verrotting knaagt innerlijk aan het volksbestaan.

Het meest aangrijpende is dat de verdervende macht de HEERE Zelf aan het werk is! Uiterlijk en innerlijk wordt het volk door God geoordeeld. Buitenlandse vijandschap en binnenlandse onrust komen uiteindelijk van Hem als straf voor het zondige volk.

Hoeveel gemeenten hebben al hun kracht verloren door onderlinge jaloersheid en hebben ervaren dat “afgunst … verrotting van de beenderen” is (Sp 14:30b30Een gezond hart is het leven voor het lichaam,
maar afgunst is verrotting van de beenderen.
)
? Soms zijn ze zelfs te gronde gegaan. Een gemeenschap lijdt er geweldig onder als de ene leider jaloers wordt op de invloed die een andere leider heeft. Dat is ook zo, als leiders tegen elkaar worden uitgespeeld. Paulus waarschuwt de gemeente in Korinthe hiervoor (1Ko 3:3-43want u bent nog vleselijk. Want als er jaloersheid en twist onder u is, bent u dan niet vleselijk en wandelt u niet naar [de] mens?4Want wanneer iemand zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: Ik van Apollos, bent u dan niet menselijk?).

Helaas hebben we als christenen niet naar dit woord geluisterd. Verdeeldheid, ook als gevolg van jaloersheid, schaadt het getuigenis van God in deze wereld. Er is geen kracht meer om samen Hem groot te maken.

Ook in het huwelijk heeft jaloersheid uiteindelijk een verwoestende uitwerking. Het verteert de kracht om aan het huwelijk te bouwen. In plaats van opbouwen wordt er gesloopt. Als jaloersheid niet wordt overwonnen in de kracht van Gods Woord en Gods Geest zal dat huwelijk ten slotte schipbreuk leiden.


Verkeerde uitwerking van de tucht

13Toen Efraïm zijn ziekte zag
en Juda zijn gezwel,
ging Efraïm naar Assyrië
en stuurde hij boden naar koning Jareb.
Maar die zal u niet kunnen genezen,
en van u het gezwel niet wegnemen.

De bedoeling van de tucht van mot en verrotting is, dat het volk zich bewust wordt van zijn zwakheid en de bron van kracht bij de HEERE zal zoeken. Maar wat hebben ze gedaan? Ze zijn naar de Assyriërs gegaan.

Zeker, door de tucht die over hem is gekomen, heeft Efraïm ingezien dat hij ziek is. Maar in plaats van zich voor genezing tot zijn God te wenden heeft hij zich tot mensen gekeerd (2Kn 15:1919[Toen] kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land op; en Menahem gaf Pul duizend talent zilver, zodat deze op zijn hand zou zijn om het koninkrijk vast te doen zijn in zijn hand.). Hij beseft niet dat zijn ziekte niet door mensen te genezen is omdat de ziekte van de HEERE komt. Efraïm vraagt zich niet af waarom hij ziek is en zoekt de oplossing van zijn probleem buiten de HEERE om.

Velen doen vandaag precies hetzelfde. Als een afgeweken gelovige steun zoekt bij de wereld, zal hij dezelfde ervaring opdoen als Efraïm. De wereld helpt wel, maar dit gaat ten koste van zijn geestelijke zegeningen.

“Koning Jareb” betekent ‘Koning Strijdzuchtige’ en is een profetische aanduiding voor de koning van Assyrië. Ze zoeken hun steun daar waar ze alleen maar de dood hebben te verwachten (vgl. 2Kr 28:1616In die tijd stuurde koning Achaz [een verzoek] aan de koningen van Assyrië om hem te helpen.). Zo gaat het altijd met een volk dat van God vervreemd is. Vleselijk gezinde harten zien wel hun ziekte of wonden, maar zien niet de oorzaak ervan. Steun zoeken bij mensen in plaats van bij God leidt altijd tot teleurstelling.


God als leeuw

14Want Ik zal voor Efraïm zijn als een felle leeuw,
voor het huis van Juda als een jonge leeuw.
Ik, Ik verscheur en ga;
Ik sleep weg en er zal geen redder zijn.

Hier stelt de HEERE Zich als een leeuw voor. De leeuw stelt een snel, plotseling en vreselijk oordeel voor. Ook hier is het doel het volk tot inkeer te brengen. Als mot en verrotting het beoogde doel niet bereiken, komt God met krachtiger middelen, voorgesteld in de leeuw.

Zo gaat het ook in het leven van de mens. Soms fluistert God ons door Zijn Woord iets in het oor. Hij probeert daarmee ons geweten te bereiken. Maar als we doorgaan op de ingeslagen weg zonder naar Zijn zachte stem te luisteren, moet God met stemverheffing gaan spreken, soms moet Hij zelfs bulderen. God gebruikt dan het lijden als een megafoon, zoals wel eens is gezegd. Dan kan het in ons leven plotseling erg tekeergaan en hevig gaan stormen. God spreekt dan duidelijk. Laten we toch luisteren als Hij spreekt, zacht of hard.

Bij Israël ziet Hij geen andere weg dan hen weg te slepen uit het land dat zij zozeer verontreinigd hebben. Niemand kan dat voorkomen. Maar Hij laat Zijn volk niet wegvoeren zonder er Zelf ook weg te gaan. Hij gaat ook heen en trekt Zich terug om af te wachten wat de uitwerking van Zijn bemoeienissen zal zijn.


God trekt Zich terug, totdat …

15Ik ga en keer terug naar Mijn woonplaats,
totdat zij zich schuldig weten en Mijn aangezicht zoeken.
In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken.

God heeft Zich uit Israël teruggetrokken. Zijn heerlijkheid is van Israël geweken en teruggegaan naar Zijn woonplaats, de hemel (Ez 10:4,18-194Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:22-2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Hij zal pas tot Israël terugkeren als ze hun schuld tegenover Hem beseffen. Dat Hij Zich niet definitief aan het volk heeft onttrokken, komt prachtig tot uitdrukking in het woord “totdat”. Dit woord geeft hoop. Het geeft een keerpunt aan. Dat keerpunt is wel afhankelijk van schulderkenning (Lk 15:2020En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig.).

Als de Heer Jezus de weerspannigheid van Jeruzalem beschrijft en Hij haar, als gevolg daarvan, moet verlaten, gebruikt Hij hetzelfde, voorwaardelijke “totdat” als Hosea (Mt 23:37-3937Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.38Zie, uw huis wordt aan u <woest> overgelaten.39Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer’.). Totdat zij zich schuldig voelen aan afgoderij en zich ook schuldig voelen aan hun verwerping van hun Messias, tot zolang kan God Zich niet over Zijn volk ontfermen. Ook in Hosea 1 is dat aan de orde geweest. Daar hebben we ook gezien dat er wel een toekomst is voor het volk, want het zal weer als Gods volk worden aangenomen (Rm 11:25-3225Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan;26en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.27En dit is voor hen het verbond Mijnerzijds, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen’.28Wat het evangelie betreft, zijn zij wel vijanden ter wille van u, maar wat de verkiezing betreft, geliefden ter wille van de vaderen.29Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.30Want evenals u voorheen niet in God geloofd hebt, maar nu barmhartigheid hebt verkregen door het ongeloof van dezen,31zo hebben nu ook dezen niet geloofd dat u barmhartigheid [verkregen hebt], opdat ook <zij> nu barmhartigheid verkrijgen.32Want God heeft allen onder [het] ongeloof besloten, opdat Hij aan allen barmhartigheid zou bewijzen.).

Als Gods aangezicht en bescherming zich terugtrekken, betekent dat voor Israël de verstrooiing uit het land. Als ze met God wandelen, kan niets hen deren. Maar de zonde maakt scheiding tussen hen en God. Als God Zich terugtrekt, hebben we alles verloren. Het juiste onderscheid tussen goed en kwaad is weg. Bovenal is de liefde verdwenen. Als God weggaat, neemt Hij alles mee wat waardevol en kostbaar is, al het goede.

God verlaat de mens pas dan, wanneer deze eerst Hem heeft verlaten en Hij alles geprobeerd heeft om de mens weer terug te brengen in de juiste verhouding tot Hem. Dat doet Hij door voor hen te zijn als een vermaning (vers 22De afvalligen zijn afgedaald om te slachten,
maar Ik zal een vermaning voor hen allen zijn.
)
, als een mot en een verrotting (vers 1212Daarom ben Ik voor Efraïm als een mot,
en voor het huis van Juda als een verrotting.
)
en ten slotte als een leeuw (vers 1414Want Ik zal voor Efraïm zijn als een felle leeuw,
voor het huis van Juda als een jonge leeuw.
Ik, Ik verscheur en ga;
Ik sleep weg en er zal geen redder zijn.
)
.

“De benauwdheid” zal plaatsvinden tijdens de grote verdrukking. Die tijd wordt “een tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
genoemd. De Heer Jezus spreekt over dezelfde periode in Zijn grote profetische rede in Mattheüs 24-25 en zegt daarvan: “Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet is geweest van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen” (Mt 24:2121Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.).

Na afloop van die periode, die drieënhalf jaar zal duren, zal het volk, dat wil zeggen het gelovig overblijfsel, zich schuldig voelen. Zij zullen tot belijdenis komen en verlangend uitzien naar God Die hen zal redden uit hun nood. God zal dat doen door de Heer Jezus voor de tweede keer naar de aarde te zenden. Hij komt dan niet om te lijden en te sterven voor de zonden, maar om het kwaad te oordelen en te gaan heersen (Zc 12:1010Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.; 14:3-53Dan zal de HEERE uittrekken en tegen die heidenvolken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd.4Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.5Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!; Hb 9:2828zo zal ook Christus, éénmaal geofferd om [de] zonden van velen te dragen, [de] tweede keer zonder zonde verschijnen tot behoudenis aan hen die Hem verwachten.).

Als God terugkeert naar Zijn plaats in Israël, is dat om Zijn volk te zegenen. Hij wacht in genade op hun bekering. Als uiteindelijk dat ogenblik is aangebroken, zal Hij opstaan van Zijn plaats en Zijn volk helpen in hun nood. Dat zal Hij doen door Zijn vijanden te oordelen: “Want zie, de HEERE gaat uit Zijn plaats om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden” (Js 26:2121Want zie, de HEERE gaat uit Zijn plaats
om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden.
De aarde zal het bloed dat erop [vergoten is], aan het licht brengen.
Zij zal haar gedoden niet langer bedekt houden.
)
.


Lees verder