Hosea
Inleiding 1 De rechtszaak van de HEERE 2 Diverse ongerechtigheden 3 Gevolgen van de zonde 4 De schuld is niet af te schuiven 5 Struikelen 6 Geen kennis 7 Misbruik maken van wat God geeft 8 Het ‘voordeel’ van de zonde 9 Volk en leider 10 Niet verzadigd en niet talrijk worden 11 Bescherm je hart 12 Afgoderij en hoererij 13 Offerplaatsen 14 God trekt Zijn handen van het volk af 15 Niet naar Gilgal en niet naar Bethel 16 In de ruimte 17 Efraïm en de afgoden 18 De vorsten 19 Offers die beschaamd maken
Inleiding

Na de eerste drie hoofdstukken, die de inleiding op het boek vormen, volgt nu het hoofddeel van Hosea’s profetie. Hierin doet de Heilige Geest een verontwaardigd beroep op Israëls geweten vanwege het toenemende kwaad. De eerste hoofdstukken spelen zich af in de periode van de regering van Jerobeam II. Wat nu volgt in Hosea 4:1-6:3 verplaatst ons naar een later deel van de geschiedenis van Israël, het tienstammenrijk. Dat blijkt uit de zinspelingen op de koningsmoorden.

“Bloedbad volgt op bloedbad” (Hs 4:22Vloeken, liegen,
moorden, stelen en overspel plegen
zijn wijdverbreid;
bloedbad volgt op bloedbad.
)
is zo’n zinspeling. Hierbij kunnen we denken aan Zacharia, de laatste nakomeling uit het geslacht van Jehu, die door Sallum wordt vermoord, en aan Sallum die op zijn beurt door Menahem wordt vermoord. De opvolger van Menahem, zijn zoon Pekahia, wordt door Pekah vermoord en die wordt op zijn beurt door Hosea, de laatste koning van het tienstammenrijk, vermoord. De geschiedenis van deze koningsmoorden wordt in 2 Koningen 15 beschreven (2Kn 15:8-10,13-14,25,308In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël in Samaria, zes maanden.9Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zoals zijn vaderen gedaan hadden: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.10Sallum, de zoon van Jabes, spande tegen hem samen. Hij sloeg hem neer in aanwezigheid van het volk en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda, en hij regeerde een volle maand in Samaria.14Menahem, de zoon van Gadi, trok op uit Tirza, kwam in Samaria en versloeg Sallum, de zoon van Jabes, in Samaria; hij doodde hem en werd koning in zijn plaats.25En Pekah, de zoon van Remalia, zijn officier, spande tegen hem [samen] en sloeg hem neer in Samaria, in de burcht van het huis van de koning, samen met Argob en met Arje, en met hem vijftig man van de nakomelingen van de Gileadieten. Zo doodde hij hem en werd koning in zijn plaats.30En Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia; hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia.). De profeet Hosea noemt hun namen niet; hij wil het volk alleen hun morele toestand voorhouden.

In dit deel van de profetie wordt veel gesproken over de leidslieden van het volk en andere hoofdverantwoordelijken, zoals de priesters en de profeten. Van het schitterende toekomstperspectief, waarmee elk van de eerste drie hoofdstukken eindigt, is in de dagen van de profeet niet veel te zien. Toch doorbreekt regelmatig een straal van hoop de reeks van aanklachten die de profeet over het volk uitgiet. Deze stralen van hoop zijn kenmerkend voor alle ‘schrijvende’ profeten.

De gang van zaken bij het gewone volk en de handelwijze van de godsdienstige leiders komen in dit hoofdstuk aan de orde. In felle woorden wordt de aanklacht gedaan. Vers 66Mijn volk is uitgeroeid,
omdat het zonder kennis is.
Omdat ú de kennis verworpen hebt,
heb Ik u verworpen om als priester voor Mij te dienen.
Omdat u de wet van uw God hebt vergeten,
zal Ik ook uw kinderen vergeten.
geeft de kern weer van alle afwijking en verval: er is geen kennis. Als er geen kennis is van wat God wil, komt men tot de meest zondige praktijken.

Door de hardnekkigheid van hun zondige gedrag moet God het oordeel brengen. Hij zal Zijn handen van hen aftrekken en hen aan henzelf overlaten. Dit uiteindelijke oordeel komt als volgt tot stand:
1. Eerst geeft God aan dat Hij niet meer naar hen wil luisteren.
2. Daarna, in vers 1414Ik zal niet meer omzien naar uw dochters
omdat zij hoererij bedrijven,
en naar uw schoondochters,
omdat zij overspel plegen,
want zij zonderen zichzelf af met de hoeren,
zij offeren met de tempelhoeren.
Zo zal het volk [dat] geen inzicht heeft, ten val komen.
, zegt Hij dat oordeel geen zin heeft.
3. Ten slotte komt Hij, in de verzen 17-1817Efraïm is verknocht aan de afgoden;
laat hem met rust!18Is hun drinkgelag voorbij,
[dan] geven zij zich over aan hoererij.
Hun vorsten – een schande – houden van [het woord]: Geef.
, met het ergste oordeel door het volk aan zichzelf over te laten. Een mens of een volk kan namelijk geen erger oordeel treffen dan aan zichzelf te worden overgelaten, zonder enige hulp.

Wat we in de verzen 1-21Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten,
want de HEERE heeft een rechtszaak
met de inwoners van [dit] land,
omdat er geen trouw, geen goedertierenheid
en geen kennis van God in het land is.2Vloeken, liegen,
moorden, stelen en overspel plegen
zijn wijdverbreid;
bloedbad volgt op bloedbad.
lezen, herinnert aan Romeinen 3. Daar staat een beschrijving van wat een mens zonder God is en doet (Rm 3:9-199Wat dan? Zijn wij uitnemender? Helemaal niet. Wij hebben immers tevoren zowel Joden als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder [de] zonde zijn,10zoals geschreven staat: ‘Er is geen rechtvaardige, ook niet één;11er is niemand die verstandig is; er is niemand die God zoekt;12allen zijn zij afgeweken; samen zijn zij nutteloos geworden; er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één’;13‘hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog’; ‘addergif is onder hun lippen’;14‘hun mond is vol vervloeking en bitterheid’;15‘hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;16vernieling en ellende is op hun wegen;17en [de] weg van [de] vrede hebben zij niet gekend’;18‘geen vrees voor God staat hun voor ogen’.19Nu weten wij, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond wordt gestopt en de hele wereld strafschuldig wordt voor God.). Die beschrijving geldt voor alle mensen, zonder uitzondering. Maar Hosea spreekt Gods volk aan. Dat maakt zijn aanklacht des te indringender.


De rechtszaak van de HEERE

1Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten,
want de HEERE heeft een rechtszaak
met de inwoners van [dit] land,
omdat er geen trouw, geen goedertierenheid
en geen kennis van God in het land is.

De eerste oproep die tot het hele volk wordt gedaan is die om te horen. Van wie mag God meer verwachten dat zij naar Hem zullen luisteren dan van hen die belijden Zijn volk te zijn? Ze willen wel luisteren naar een troostwoord. Maar willen ze ook luisteren als er vermaning komt, als er een aanklacht tegen hen wordt ingediend? De HEERE is de aanklager. Aanvankelijk klinkt de aanklacht nog vrij algemeen.

Hosea wijst in dit vers op zaken die hij bij het volk mist. Ze zouden er wel moeten zijn! In het volgende vers spreekt hij over zaken die wel bij het volk aanwezig zijn, terwijl die er juist niet behoren te zijn.

1. Het eerste wat ontbreekt, is “trouw”. Hiermee worden zowel betrouwbaarheid als oprechtheid en eerlijkheid bedoeld.
2. Ook de “goedertierenheid” ontbreekt, wat wil zeggen dat goedheid en welwillendheid niet worden gevonden.
3. Als derde gemis wordt “kennis van God” genoemd. Deze kennis, die in de toekomst wel aanwezig zal zijn (Hs 2:1919In trouw zal Ik u voor Mij als bruid nemen;
en u zult de HEERE kennen.
)
, ontbreekt hier volledig. Dit gemis aan kennis komt voort uit innerlijke vervreemding van God, dat wil zeggen dat het hart niet meer op God is gericht. Het gevolg kan niet anders zijn dan geestelijke verwildering.

In dit hoofdstuk staat het gebrek aan de kennis van God centraal (verzen 1,6,141Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten,
want de HEERE heeft een rechtszaak
met de inwoners van [dit] land,
omdat er geen trouw, geen goedertierenheid
en geen kennis van God in het land is.6Mijn volk is uitgeroeid,
omdat het zonder kennis is.
Omdat ú de kennis verworpen hebt,
heb Ik u verworpen om als priester voor Mij te dienen.
Omdat u de wet van uw God hebt vergeten,
zal Ik ook uw kinderen vergeten.14Ik zal niet meer omzien naar uw dochters
omdat zij hoererij bedrijven,
en naar uw schoondochters,
omdat zij overspel plegen,
want zij zonderen zichzelf af met de hoeren,
zij offeren met de tempelhoeren.
Zo zal het volk [dat] geen inzicht heeft, ten val komen.
)
. Alle wantoestanden zijn daarvan een gevolg. Als de kennis van God ontbreekt, kan er niets goeds worden verwacht. Met kennis wordt niet een verstandelijke kennis bedoeld. Die komen we zelfs bij de duivel tegen. Het gaat hier om een diepe, innige, persoonlijke relatie, een kennen met het hart. Om zulk kennen te kunnen ervaren is het noodzakelijk het Woord van God te bestuderen. Bij iemand die eerlijk is, zal zijn kennis van God zichtbaar worden in zijn manier van leven.

God kennen én in het kwaad leven passen niet bij elkaar. Wie gewoon is zonden te bedrijven, kent God niet. Paulus wijst meerdere keren op deze onwetendheid als oorzaak van zondige opvattingen en een daaruit voortvloeiend zondig gedrag (1Ko 15:3434Wordt nuchter zoals het behoort en zondigt niet; want sommigen zijn onwetend aangaande God; ik zeg het tot uw beschaming.; Ef 4:17-1917Dit nu zeg en betuig ik in [de] Heer, dat u niet meer moet wandelen evenals de volken wandelen in [de] vruchteloosheid van hun denken,18verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.19Afgestompt in hun gevoelens hebben zij zich overgegeven aan de losbandigheid om alle onreinheid gretig te bedrijven.; 1Th 4:1313Maar wij willen niet dat u onwetend bent, broeders, wat betreft hen die ontslapen, opdat u niet bedroefd bent, zoals ook de overigen die geen hoop hebben.).


Diverse ongerechtigheden

2Vloeken, liegen,
moorden, stelen en overspel plegen
zijn wijdverbreid;
bloedbad volgt op bloedbad.

Als trouw, goedertierenheid en kennis van God ontbreken, is er ruim baan voor allerlei ongerechtigheden of zonden. Als de band met God is doorgesneden, heeft dat ook kwalijke gevolgen voor de verhoudingen tussen mensen onderling. Waar Gods rechten worden miskend, wordt wat normaal is tussen mensen ook uit het oog verloren. Dat zien we al bij Adam en Eva. Zodra zij van God zijn afgeweken, vallen ze ook elkaar af. Ze geven elkaar de schuld. Ook bij hun kinderen wordt het niet erkennen van Gods rechten zichtbaar. Kaïn slaat Abel dood.

Uit de zonden die Hosea met korte, krachtige woorden opsomt, blijkt hoe het volk de wet van God met voeten treedt. Verschillende geboden, waarop hieronder kort wordt ingegaan, worden hier op grove wijze overtreden:
1. “vloeken”, dat is zweren om een leugen te bevestigen, is een overtreding van het derde gebod,
2. “liegen” van het negende,
3. “moorden” van het zesde,
4. “stelen” van het achtste en
5. “overspel plegen” of echtbreken van het zevende (Ex 20:1-171Toen sprak God al deze woorden:2Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.3U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.4U zult voor uzelf geen beeld maken, [geen] enkele afbeelding [van] wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,6maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.7U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.8Gedenk de sabbatdag, dat [u] die heiligt.9Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,10maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. [Dan] zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, [noch] uw slaaf, noch uw slavin, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is.11Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.12Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.13U zult niet doodslaan.14U zult niet echtbreken.15U zult niet stelen.16U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.17U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is.).

De overtreding van het zesde gebod, moorden, wordt door Hosea extra benadrukt. De uitdrukking “bloedbad volgt op bloedbad” luidt letterlijk ‘bloedige daad raakt aan bloedige daad’. Blijkbaar is het moorden een heel gewone zaak geworden die veelvuldig plaatsvindt. Het lijkt alsof de ene moord de volgende aanraakt, alsof het een soort moordestafette is. Hierdoor is het land van bloedschuld vervuld (2Kn 21:1616Bovendien vergoot Manasse heel veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem [daarmee] vervuld had, van het ene einde tot het andere einde, afgezien van zijn [andere] zonde, waarmee hij Juda deed zondigen, door te doen wat slecht was in de ogen van de HEERE.; Ps 106:3838Zij vergoten onschuldig bloed,
het bloed van hun zonen en dochters.
Zij offerden [hen] aan de afgoden van Kanaän,
zodat het land door deze bloedschulden ontheiligd werd.
)
.

Met vloeken wordt het zweren van een eed bedoeld. Hiermee wordt bekrachtigd wat gezegd is. We moeten in dit verband vooral denken aan leugenachtige uitspraken die voor absoluut waar moeten doorgaan. Dit staat in verband met het derde gebod: “U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt” (Ex 20:77U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.; vgl. Lv 19:1212U mag geen valse eed afleggen in Mijn Naam, en zo de Naam van uw God ontheiligen. Ik ben de HEERE.).

De Heer Jezus leert ons de ware bedoeling van dit gebod (Mt 5:33-3733U hebt eveneens gehoord dat tot de ouden gezegd is: U zult geen valse eed zweren, maar de Heer uw eden houden.34Maar Ik zeg u helemaal niet te zweren, niet bij de hemel, want hij is [de] troon van God;35niet bij de aarde, want zij is [de] voetbank voor Zijn voeten; niet bij Jeruzalem, want zij is [de] stad van de grote Koning;36niet bij uw hoofd zult u zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken.37Laat uw woord ja echter ja zijn, [en uw] nee nee; en wat meer is dan dit, is uit de boze.). De eed waarover het daar gaat, heeft betrekking op het onderling verkeer tussen mensen in het leven van alle dag. Er zijn mensen die hun woorden met het zweren van een eed kracht willen bijzetten. Dat gebeurt vooral als hun eerlijkheid in twijfel wordt getrokken. De Heer verbiedt dit soort zweren (of vloeken).

Het is een bewijs van zwakheid of mogelijk zelfs leugenachtigheid als wij onze woorden vergezeld laten gaan van allerlei krachttermen om daarmee geloofwaardigheid te willen afdwingen. De Heer zegt: “Laat uw woord ja echter ja zijn, [en uw] nee nee; en wat meer is dan dit is uit de boze” (Mt 5:3737Laat uw woord ja echter ja zijn, [en uw] nee nee; en wat meer is dan dit, is uit de boze.). Men moet ons kennen als mensen die te vertrouwen zijn in wat ze zeggen. Niet leugenachtig, niet dubbelzinnig, maar betrouwbaar, eerlijk. Kent iedereen ons zo?

Nauw verwant aan vloeken of zweren is liegen. Het gaat hier om duidelijk en bewust onwaarheid spreken. Wie dat doet, overtreedt het negende gebod: “U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste” (Ex 20:1616U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.). Vloeken of zweren is meer een persoonlijke zaak; bij liegen is ook een ander betrokken. De waarheid wordt geweld aangedaan, meestal om de ander in een kwaad daglicht te stellen. Dit gebeurt om er zelf beter van te worden of in elk geval niet slechter. Meer nog dan bij vloeken of zweren blijkt hier de verdorven verhouding tussen de leden van Gods volk.

In de gemeente in Efeze is ook sprake van dit kwaad. En vandaag, zo kan wel worden gezegd, komt het voor in de gemeente in ‘Overal’. Paulus heeft voor die situatie de volgende aanbeveling: “Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar” (Ef 4:2525Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar.). De leugen moet voor God worden beleden als zonde en op die manier worden weggedaan.

Het is trouwens kortzichtig om als leden van de gemeente tegen elkaar te liegen. We zijn immers “leden van elkaar”. De gemeente wordt in de Bijbel vergeleken met een lichaam (Ef 1:22-2322En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,23die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult.; Ko 1:1818En Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij Die [het] begin is, [de] Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen.). Het is zonder meer dwaas als het ene lid van mijn lichaam iets doet waardoor een ander lid beschadigd wordt of pijn lijdt. Daardoor loopt het hele lichaam schade op.

Welnu, zo is het ook gesteld in onze verhouding ten opzichte van elkaar als leden van het lichaam van Christus. Maar daar moet dan iets positiefs voor in de plaats komen. We moeten de waarheid en over de waarheid spreken met elkaar. Dat bouwt op. Waarover en hoe praten wij met elkaar?

Bij liegen tegen de naaste wordt de naaste kwaad gedaan. Moord gaat nog een stapje verder. Wie iemand vermoordt, belet hem verder te leven. Dan wordt het zesde gebod overtreden: “U zult niet doodslaan” (Ex 20:1313U zult niet doodslaan.). Niet alleen wordt de persoon het leven benomen, het is voor hem ook niet meer mogelijk te genieten van wat God gegeven heeft. Het is Gods bedoeling dat Zijn volk leeft in een land dat overvloeit van melk en honing. Daaraan komt voor de vermoorde persoon een abrupt einde.

Misschien dat wij niet vlug de kans lopen een ander in letterlijke zin te vermoorden. Toch komt het woord van Johannes in zijn eerste brief wel dichtbij als hij zegt: “Ieder die zijn broeder haat, is een mensenmoordenaar, en u weet dat geen mensenmoordenaar eeuwig leven in zich heeft wonen” (1Jh 3:1515Ieder die zijn broeder haat, is een mensenmoordenaar, en u weet dat geen mensenmoordenaar eeuwig leven in zich heeft wonen.). Het is niet Gods bedoeling dat wij proberen onze broeder en zuster in geestelijke zin het leven te benemen, maar juist het leven voor hem of haar zo aangenaam mogelijk te maken. Dat kan alleen als er in plaats van haat, liefde in onze harten is. Als de liefde in onze harten werkzaam is, zullen wij, in plaats van onze broeder het leven te benemen, zelfs in staat zijn ons eigen leven voor onze broeder af te leggen.

De liefde die in staat is dit op te brengen, hebben we leren kennen in de Heer Jezus, Die Zijn leven daadwerkelijk voor ons heeft afgelegd (1Jh 3:1616Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons heeft afgelegd; ook wij behoren het leven voor de broeders af te leggen.). Alleen door te zien op Hem kunnen we het opbrengen onszelf helemaal voor onze broeder of zuster weg te cijferen opdat zij van het ware leven, het leven met de Heer Jezus, kunnen genieten. Geven wij onze broeder en zuster de ruimte om te leven?

Stelen wil zeggen aan een ander iets ontnemen wat hem toebehoort. Dit is een overtreding van het achtste gebod: “U zult niet stelen” (Ex 20:1515U zult niet stelen.). Het gaat wel minder ver dan moord, want daarbij neem je iemand zijn leven af. Bij stelen gaat het om iemands eigendommen, waarvoor de dief geen respect heeft.

In het al eerder aangehaalde Efeziërs 4 staat iets voor iedereen die zijn handen niet kan thuishouden: “Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft” (Ef 4:2828Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft.). Ook hier wordt aan de ene kant de zonde veroordeeld, terwijl er iets positiefs voor in de plaats wordt gesteld.

De opdracht is dat er gewerkt moet worden. In praktische zin is dat een verstandige zaak. Wie niets doet, loopt groot gevaar op een verkeerde manier aan inkomsten te komen. Door te werken kan iemand in zijn eigen onderhoud voorzien. Maar werken is geen ‘must’ om alleen in de eigen behoeften te kunnen voorzien. Paulus, geleid door de Heilige Geest, zegt dat de gelovigen moeten werken, juist ook om mee te delen aan anderen die gebrek hebben.

Dit is nu typisch christelijk. Daar komt de ander eerst en dan pas denk je aan jezelf. Zo werkt dat in Gods gemeente. Wat doen wij met onze bezittingen, zowel stoffelijk als geestelijk? Stellen wij die ook ter beschikking van onze medegelovigen?

Bij stelen gaat het meestal om materiële zaken, maar het is ook mogelijk om in immaterieel opzicht te stelen. We kunnen ook iemands woorden stelen: ”Daarom zie, Ik zál de profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen” (Jr 23:3030Daarom zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.). Het gaat erom dat we dingen kunnen zeggen waaruit blijkt dat we alleen een ander napraten, zonder dat we er zelf over hebben nagedacht en ze tot ons geestelijk bezit hebben gemaakt. We kunnen ook iemands eer stelen, dat wil zeggen, met de eer gaan strijken die iemand anders toekomt. In plaats daarvan wordt tegen ons gezegd dat we “eer” moeten geven “aan wie eer” toekomt (Rm 13:77Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].).

Dan nog iets. De Heer Jezus heeft ieder lid van de gemeente een gave gegeven. De bedoeling daarvan is dat ieder lid de andere leden daarmee dient. Iemand anders dienen betekent dat door onze dienst de ander beter kan functioneren, dat wil zeggen zijn of haar taak meer tot eer van de Gever kan verrichten. Zo zijn alle leden een gave aan elkaar. Als we die gave gebruiken ‘tot verheerlijking’ van onszelf of we doen helemaal niets met onze gave, dan plegen we diefstal. We beroven de gemeente van het gebruik van de gave. Een gave is niet iets om ons op te beroemen. Hij is ook maar gekregen (1Ko 4:77Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?). Wat doen wij met onze gave?

Hosea besluit zijn opsomming van zonden met overspel plegen, een overtreding van het zevende gebod: “U zult niet echtbreken” (Ex 20:1414U zult niet echtbreken.). Over het huwelijk en de ontrouw daarin is bij de bespreking van Hosea 1 en Hosea 3 al veel gezegd. In de verhoudingen die tussen mensen kunnen bestaan, is het huwelijk de meest hechte. De huwelijksband is niet alleen hecht, hij is in Gods oog onverbrekelijk. “Wat dan God heeft samengevoegd, laat een mens dat niet scheiden” (Mt 19:66Dus zijn zij niet meer twee maar één vlees. Wat dan God heeft samengevoegd, laat een mens dat niet scheiden.). Let wel, er staat “wat”, niet ‘wie’. Het woord “wat” geeft aan dat het gaat om de instelling van het huwelijk op zich. Wat door de band van het huwelijk is samengevoegd, mag niet worden gescheiden.

Nu is ook hier, net als in het geval van moord, misschien het gevaar van overspel niet direct aanwezig. Maar laten we ons niet vergissen. De Heer Jezus wijst op dit gevaar in de bergrede: “U hebt gehoord dat gezegd is: U zult geen overspel plegen. Maar Ik zeg u, dat ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, al overspel met haar heeft gepleegd in zijn hart” (Mt 5:27-2827U hebt gehoord dat gezegd is: U zult geen overspel plegen.28Maar Ik zeg u, dat ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, al overspel met haar gepleegd heeft in zijn hart.).

Als de Heer dat al tegen Zijn discipelen zegt, is het zeker voor ons geen overbodige luxe dit woord ter harte te nemen. De wereld waarin we leven, is voor een groot deel op seks gericht. Onderzoeken wijzen uit dat ook mensen die zich christen noemen, regelmatig naar seksprogramma’s kijken. Onderzoeken die erop gericht zijn in kaart te brengen hoeveel christenen via internet pornosites bezoeken, liegen er ook niet om.

De Heer Jezus geeft de oplossing, waardoor we niet in dit gevaar hoeven te vallen. Die oplossing is dat we zonder pardon alles wegdoen uit ons leven wat ons tot zonde kan verleiden. “Als nu uw rechteroog u een aanleiding tot vallen is, trekt het uit en werp het van u; … En als uw rechterhand u een aanleiding tot vallen is, hak die af en werp die van u” (Mt 5:29-3029Als nu uw rechteroog u een aanleiding tot vallen is, trek het uit en werp het van u; want het is nuttig voor u, dat een van uw leden vergaat en niet uw hele lichaam in [de] hel wordt geworpen.30En als uw rechterhand u een aanleiding tot vallen is, hak die af en werp die van u; want het is nuttig voor u, dat een van uw leden vergaat en niet uw hele lichaam naar [de] hel gaat.).


Gevolgen van de zonde

3Daarom treurt het land,
en ieder die erin woont, verkommert,
met de dieren van het veld en de vogels in de lucht.
Zelfs de vissen in de zee worden weggenomen.

Als de mens zijn verbinding met God verbreekt, heeft dat dramatische gevolgen voor de verhoudingen tussen de mensen onderling. Dat zien we in het vorige vers. Maar dat is niet het enige gevolg. Het handelen van de mens die leeft in de zonden, heeft ook gevolgen voor zijn natuurlijke omgeving, de schepping. Als gevolg van de zonden die in vers 22Vloeken, liegen,
moorden, stelen en overspel plegen
zijn wijdverbreid;
bloedbad volgt op bloedbad.
worden genoemd, heeft God het land moeten oordelen door het de regen te onthouden (1Kn 17:1-71En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: [Zo waar] de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!2Daarna kwam het woord van de HEERE tot hem:3Ga weg vanhier, keer u naar het oosten en verberg u bij de beek Krith, die aan de overzijde van de Jordaan [stroomt].4En het zal gebeuren dat u uit de beek zult drinken. Verder heb Ik de raven geboden om u daar te onderhouden.5Hij ging dan [op weg] en deed overeenkomstig het woord van de HEERE. Hij ging wonen bij de beek Krith, die aan de overzijde van de Jordaan [stroomt].6En de raven brachten hem 's morgens brood en vlees en 's avonds brood en vlees, en hij dronk uit de beek.7En het gebeurde na verloop van vele dagen dat de beek uitdroogde, want er was geen regen in het land [gevallen].; Jl 1:10-12,17-2010Het veld is verwoest,
de grond treurt,
want het koren is verwoest,
de nieuwe wijn opgedroogd,
de olie verkommerd.11Akkerbouwers staan beschaamd,
wijnbouwers weeklagen
over de tarwe en over de gerst,
want de oogst op het veld is verloren.12De wijnstok is verdord
en de vijgenboom is verwelkt,
de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom,
alle bomen van het veld zijn verdord.
Ja, de vreugde is verdord,
[geweken] van de mensenkinderen.17De zaadkorrels zijn verschrompeld
onder hun aardkluiten,
de voorraadschuren verwoest,
de graanschuren afgebroken,
want het koren is verdord.
18Hoe kreunt het vee!
De kudden rundvee zijn in verwarring,
want ze hebben geen weide.
Zelfs kudden kleinvee moeten boeten.19Tot U, HEERE, roep ik,
want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd,
en een vlam heeft alle bomen van het veld verzengd.20Zelfs de dieren van het veld
schreeuwen naar U,
want de waterstromen
zijn uitgedroogd.
Een vuur heeft
de weiden van de woestijn verteerd.
)
. Het resultaat daarvan, de droogte, geeft het land een troosteloze aanblik. Land-, lucht- en zeedieren sterven uit. Alle leven verdwijnt.

Door het hele Oude Testament heen zijn de zonde van het volk en de toestand van het land nauw met elkaar verbonden. Als Gods volk naar Hem luistert, is er overvloed; als ze ongehoorzaam zijn, wordt het land ‘geslagen’ en is er schaarste.

Wat voor Israël geldt, geldt ook voor de hele schepping: “Want wij weten dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe” (Rm 8:2222Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.). Dit is het gevolg van het handelen van de mens (Rm 8:2020Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),). Daardoor levert de schepping nu haar overvloed niet, zoals dat in het vrederijk wel zal gebeuren. Ook de verstoorde verhoudingen in het dierenrijk zijn een gevolg van de zonde van de mens.

De mens is oorspronkelijk gesteld om te heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen” (Gn 1:2828En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!). Als de mens God trouw was blijven dienen, zou dat zegen voor de schepping betekend hebben. Maar de mens heeft door te zondigen de schepping meegesleept in zijn afval van God. God heeft de mens op de aarde geplaatst om die te bebouwen en te bewaren en te heersen over de dieren (Gn 2:1515De HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden.). Daarvan is niets terechtgekomen. Net zoals vroeger in Israël zijn ook in onze tijd de gevolgen van de zonde in de schepping zichtbaar.


De schuld is niet af te schuiven

4Maar laat niemand een rechtszaak voeren,
laat niemand [een ander] ter verantwoording roepen,
want uw volk is als zij die een priester aanklagen.

Daar zitten ze in de beklaagdenbank, allemaal. Het is een hele rij: volk, vorsten, priesters, profeten. Je ziet ze naar elkaar kijken. Maar dat hoeven ze echt niet te doen. Niemand hoeft een beschuldigende vinger naar een ander uit te steken. Ze zijn allemaal schuldig, niemand gaat vrijuit. Elkaar aanklagen zou de zaak alleen maar slechter maken. Soms heeft een aanklacht als resultaat dat men inziet dat de beschuldiging terecht is. Maar aanklagen heeft ook in dat opzicht geen zin meer omdat er geen hoop is op herstel.

De priesters moeten wel worden aangeklaagd, een aanklacht die God Zelf voor Zijn rekening neemt. Zij zijn hoofdverantwoordelijk voor het verval omdat zij daarin zijn voorgegaan. Het betreft hier geen priesters van de HEERE, maar hen die dienen in de afgodsheiligdommen te Bethel en Dan en op andere plaatsen. Dat hele, valse priestergeslacht, dat het volk misleidt, zal door God verdelgd worden.

Wij leven aan het einde van de christelijke bedeling. We kunnen ons afvragen, hoe we de oren nog open krijgen voor de boodschap van God. Als van veel kansels wordt gepredikt dat je de Bijbel niet in alles serieus moet nemen, is het logische gevolg dat de mensen niets meer serieus nemen van wat de predikanten verkondigen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de kerken leeglopen. Er kleeft door de valse prediking ‘bloedschuld’ aan de handen van de voorgangers. Hetzelfde geldt voor evangelische en charismatische kringen waar met een ‘welvaartsprediking’ de gevoelens en niet de gewetens worden aangesproken en waar ook de dwaalleer van de alverzoening er als zoete koek ingaat.

Wat de inhoud van de prediking echter ook is, degene die luistert naar een prediking, heeft zelf de verantwoordelijkheid om, aan de hand van het Woord van God, te toetsen of wat wordt gezegd waar is. Ieder die zich christen noemt, is persoonlijk verantwoordelijk voor wat hij gelooft of niet gelooft.

De constatering dat de kerken leeglopen, heeft sommigen ertoe gebracht naar populaire middelen te grijpen om de kerken weer vol te krijgen. Het moet aantrekkelijk worden gemaakt om te komen luisteren. Er wordt aan pr gedaan alsof de kerk een bedrijf is. Een reclamefilmpje met BN-ers (Bekende Nederlanders) moet mensen overhalen ter kerke te gaan.

De boodschap moet worden aangepast, of in elk geval de verpakking. Popgroepen moeten de kerkdiensten ‘opleuken’. Daardoor wordt de boodschap letterlijk overschreeuwd door de verpakking. God komt er niet meer doorheen met Zijn Woord. In bepaalde gevallen heeft het zelfs geen zin meer erop te wijzen. Laat dan de aanklacht maar achterwege.


Struikelen

5Daarom zult u overdag struikelen.
Zelfs de profeet zal 's nachts met u struikelen,
en Ik zal uw moeder uitroeien.

Als iemand overdag struikelt, gebeurt dat meestal door onoplettendheid. Men kan natuurlijk ook letterlijk blind zijn. De Heer Jezus past dit toe op de weg die Hij gaat. Hij laat Zich leiden door Zijn Vader en wandelt in Zijn licht. Daardoor weet Hij volmaakt wat Hij moet doen zonder te struikelen (Jh 11:9-109Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand overdag wandelt, struikelt hij niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet;10maar als iemand ‘s nachts wandelt, struikelt hij, omdat het licht niet in hem is.).

Hierin is Hij een voorbeeld voor ons. Voor ons is Hij het licht van de wereld. Hij zegt tegen ons: “Wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben” (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.). Wie zonder licht is, hetzij door blindheid, hetzij door volslagen duisternis om hem heen, is gedoemd te struikelen. Voor wie blind is, maakt het geen verschil of het dag is of nacht. Dag en nacht zijn dan aan elkaar gelijk.

De priesters en profeten, die voorbeelden in het goede zouden moeten zijn, doen het volk dwalen. Over de leidslieden in Zijn dagen zegt de Heer Jezus: “Laat hen [begaan]. Zij zijn blinde leidslieden <van blinden>. Als nu een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een kuil vallen” (Mt 15:1414Laat hen [begaan]. Zij zijn blinde leidslieden <van blinden>. Als nu een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een kuil vallen.). Evenals in de dagen van Hosea heeft de Heer Jezus de hoop op herstel van deze farizeeën opgegeven. Daarom zegt Hij: “Laat hen begaan.” Maar ook evenals in Hosea klaagt Hij juist deze leidslieden aan als Hij hen aanspreekt met: “Wee u, blinde leidslieden” en: “Dwazen en blinden” en: “Blinde leidslieden” (Mt 23:16,17,2416Wee u, blinde leidslieden, die zegt: Wie bij het tempelhuis zweert – dat is niets; wie echter bij het goud van het tempelhuis zweert, is gebonden.17Dwazen en blinden, want wat is groter: het goud of het tempelhuis dat het goud heeft geheiligd?24Deze dingen <nu> zou men moeten doen en de andere niet nalaten. Blinde leidslieden, die de mug uitzift maar de kameel doorzwelgt.).

De soort profeten over wie Hosea het heeft, komen we ook tegen in 1 Koningen 22 (1Kn 22:66Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, ongeveer vierhonderd man, en zei tegen hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik [ervan] afzien? Zij zeiden: Trek op, want de Heere zal hen in de hand van de koning geven.). Soortgelijke priesters heeft Jerobeam I vroeger aangesteld, geheel naar eigen gedachten. Ze zijn uit alle lagen van het volk gekomen (1Kn 12:25-3325Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wonen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde Penuel.26En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.27Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.28Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.31Hij maakte ook een [gods]huis op de [offer]hoogten en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk, die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.32Verder stelde Jerobeam een feest in [voor] in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda [gevierd werd], en hij besteeg [dan] het altaar. Zo deed hij [ook] in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de [offer]hoogten die hij gemaakt had.33Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn [eigen] hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.; 13:3333Jerobeam keerde na deze gebeurtenis niet terug van zijn kwade weg, maar stelde opnieuw uit alle geledingen van het volk priesters aan voor de [offer]hoogten. Wie [maar] wilde, wijdde hij en [die] werd [dan een van de] priesters van de hoogten.). Er zijn geen priesters meer uit het door God uitverkoren geslacht. Die hebben allemaal de wijk genomen naar Juda, omdat Jerobeam en zijn zonen hen uit de priesterdienst voor de HEERE verstoten hadden” (2Kr 11:13-1613Verder voegden de priesters en de Levieten, die in heel Israël waren, zich vanuit heel hun gebied bij hem.14Want de Levieten verlieten hun weidegronden en hun bezit, en gingen naar Juda en naar Jeruzalem, omdat Jerobeam en zijn zonen hen uit de priesterdienst voor de HEERE verstoten hadden.15Hij had voor zichzelf priesters aangesteld voor de [offer]hoogten, voor de demonen en voor de kalveren die hij gemaakt had.16Na hen kwamen uit alle stammen van Israël zij die zich met [heel] hun hart toelegden op het zoeken van de HEERE, de God van Israël, naar Jeruzalem, om de HEERE, de God van hun vaderen, offers te brengen.).

Ongetwijfeld hebben ook de meeste ware profeten van de HEERE het in Israël niet kunnen uithouden. Alleen profeten als Hosea en vroeger Elia en Elisa zijn daar te vinden omdat ze de opdracht van de HEERE hebben ontvangen daar te prediken. Mocht er nog een beetje hoop zijn dat het volk als geheel dan toch wel gespaard zou blijven, dan wordt ook die hoop weggenomen. Van het geheel is geen hulp te verwachten, want God zal het geheel uitroeien. De valse priesters en profeten zullen tezamen met het ontrouwe volk, “de moeder”, worden verdelgd.


Geen kennis

6Mijn volk is uitgeroeid,
omdat het zonder kennis is.
Omdat ú de kennis verworpen hebt,
heb Ik u verworpen om als priester voor Mij te dienen.
Omdat u de wet van uw God hebt vergeten,
zal Ik ook uw kinderen vergeten.

Gebrek aan kennis bij het volk komt vooral voor rekening van de priesters. Juist zij hebben, samen met de Levieten, de opdracht aan het volk Gods de wet te leren (Dt 33:8,108Over Levi zei hij:
Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;
U stelde hem op de proef in Massa,
U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.
10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
; Ez 44:2323Zij moeten Mijn volk [het onderscheid] leren tussen heilig en onheilig, en hun [het onderscheid] laten weten tussen onrein en rein.; Ml 2:77Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
)
. Gods oordeel over de priesters houdt in dat Hij hen uit Zijn nabijheid zal verwijderen. Het grote voorrecht van de priesters is immers dat zij in de tegenwoordigheid van God mogen zijn? Maar God kan hen daar niet langer dulden. Hij spreekt nog wel over “Mijn volk” (vgl. vers 1212Mijn volk raadpleegt zijn hout,
en zijn stok moet het hem bekendmaken.
Want de geest van de hoererijen heeft hen misleid,
zodat zij in hoererij hun God verlaten.
)
, maar het zal niet lang meer duren of Hij zal hen “Lo Ammi”, ‘niet Mijn volk’ moeten noemen.

Het gebrek aan kennis komt niet omdat ze geen licht hebben, maar omdat ze het licht haten. Ze zijn niet op een dwaalweg omdat ze de weg niet weten, maar omdat ze geen enkel verlangen hebben Gods weg te gaan. Zij zijn geworden als de mensen van wie Job zegt: Toch zeggen zij tegen God: Wijk van ons, want wij vinden geen vreugde in de kennis van Uw wegen” (Jb 21:1414Toch zeggen zij tegen God: Wijk van ons,
want wij vinden geen vreugde in de kennis van Uw wegen.
)
.

De houding en het gedrag van priesters en volk hebben niet alleen gevolgen voor henzelf. Als ouders de kennis van God verwerpen, kunnen ze ook niets aan hun kinderen overdragen. De gevolgen van een Godloze opvoeding laten zich gemakkelijk raden: ook de kinderen zullen niet vragen naar God. Als kinderen in de gezinnen van Gods volk niet leren hun Schepper te gedenken, mogen ze niet verwachten dat hun Schepper hen gedenkt.

Een voorbeeld van door God verworpen priesterzonen zien we in de zonen van Eli. Eli heeft zijn zonen geen kennis van God bijgebracht. Dit is Gods verwijt aan hem (1Sm 2:2929Waarom schopt u dan tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn graanoffer, dat Ik [in Mijn] woning geboden heb, en eert u uw zonen meer dan Mij, door u vet te mesten met het beste van alle graanoffers van Mijn volk Israël?). De houding van Eli bepaalt het gedrag van zijn zonen. En door hun gedrag gaat men in Israël het offer minachten (1Sm 2:1717Zo was de zonde van deze jongemannen voor het aangezicht van de HEERE erg groot, want de mensen verwierpen [hierdoor] het offer van de HEERE.). De verachting die Eli’s zonen voor het offer tonen, wordt Eli aangerekend. God kan niet anders doen dan Eli en zijn huis het priesterschap ontnemen (1Sm 2:30-3130Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen [zelf] veracht worden.31Zie, de dagen komen dat Ik uw arm zal afhakken, en de arm van uw familie, zodat er geen oud man in uw huis zijn zal.; 3:12-1412Op die dag zal Ik over Eli alles gestand doen wat Ik tegen zijn huis gesproken heb, [van] het begin tot het einde.13Want Ik heb hem bekendgemaakt dat Ik over zijn huis voor eeuwig gericht zal oefenen, omwille van de ongerechtigheid die hij geweten heeft; want toen zijn zonen zich vervloekt gemaakt hebben, heeft hij hen niet eens zuur aangekeken.14En daarom heb Ik het huis van Eli gezworen: De ongerechtigheid van het huis van Eli zal in eeuwigheid niet verzoend worden door slachtoffer of door graanoffer!).

De kennis van het Woord van God is voor ieder lid van Gods volk van het grootste belang. Alleen door het lezen en bestuderen van de Bijbel is het mogelijk tot eer van God te leven. Maar ook hier speelt de tijdgeest Gods volk parten. Er wordt nauwelijks meer gevraagd naar bijbelstudielectuur. Men is meer uit op boeken die gemakkelijk lezen en aansluiten bij het gevoel. Die markt is nog lang niet verzadigd. Natuurlijk zijn er ook goede, geloofsopbouwende boeken, zeker als het gaat om boeken die vanuit een herderlijke bewogenheid met de kudde geschreven zijn. Dat blijkt dan uit het aantal verwijzingen naar de Bijbel.

Vaak is het zo dat men afhaakt zodra er enige inspanning wordt gevraagd. Soms wordt zelfs het verwijt gemaakt dat je niet bij alles een bijbeltekst moet aanhalen. Nu is het ook weer niet zo, dat het altijd even wijs is om lukraak teksten te citeren. Waar het om gaat, is de houding die we vandaag in de christenheid tegenkomen. Er is nauwelijks meer interesse voor het graven in het Woord van God, terwijl juist door bijbelstudie Gods gedachten ons meer eigen worden.

Deze list van de satan doet het goed. De oproep van Jesaja moet ook nu weer worden gehoord: [Terug] naar de wet en het getuigenis! Als zij niet overeenkomstig dit woord spreken, zal er voor hen geen dageraad zijn” (Js 8:20). Terug naar de Schrift! Wie meent het zonder te kunnen, zal het licht niet zien, maar in de duisternis blijven ronddolen en er eeuwig in verblijven.

Hoe we op een goede en vruchtbare manier de Bijbel kunnen bestuderen en daarna ook anderen met Gods Woord kunnen dienen, zien we bij Ezra. In zijn omgang met het Woord van God zien we drie elementen die van doorslaggevend belang zijn: Ezra had immers zijn hart erop gericht
1. om de wet van de HEERE te onderzoeken,
2. om die te doen en
3. om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen” (Ea 7:1010Ezra had immers zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen.).

Hier wordt duidelijk dat het in de eerste plaats gaat om de kennis van het hart (vgl. Ef 1:17-1817opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem,18verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,) en niet om pure hoofdkennis. Als het hart in de juiste gezindheid is, is er eerst het verlangen om “te onderzoeken”, vervolgens om zelf “te doen”, dat is in praktijk te brengen wat uit Gods Woord is geleerd, om dan ten slotte het geleerde en in praktijk gebrachte ook aan Gods volk “te onderwijzen”.


Misbruik maken van wat God geeft

7Hoe talrijker zij werden, hoe meer zij tegen Mij zondigden.
Ik zal hun eer inruilen voor schande.

“Talrijker … werden” doet denken aan getalsmatige groei. Maar bij het woord “talrijker” zit ook de gedachte aan een toenemen in eer en aanzien. Hoe het ook zij, of ze nu in aantal toenemen of in waardigheid en mogelijk macht, het resultaat is een toename in de zonde. Als we de geschiedenis van de mensheid bezien, blijkt telkens weer dat verkregen grootheid door de mens is misbruikt tot zelfverheffing, terwijl God wordt vergeten.

Maar God zal hen tegenkomen. Als hun aantal hun eer is, zal God dit aantal zo verminderen dat hun aantal een schande wordt. Zijn ze trots op hun aanzien? Wel, God zal hen verachtelijk maken, zodat ieder die hen ziet het hoofd zal schudden. Beroemen ze zich op hun rijkdom? God zal hen arm maken. God treft de mens juist in de dingen waarop hij zich beroemt.

Dat zien we bijvoorbeeld bij het oordeel van de eerstgeborenen in Egypte, vlak voor de bevrijding van Israël (Ex 11:4-64En Mozes zei: Zo zegt de HEERE: Omstreeks middernacht zal Ik uittrekken door het midden van Egypte5en alle eerstgeborenen in het land Egypte zullen sterven, van de eerstgeborene van de farao af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de slavin die achter de handmolen zit, en alle eerstgeborenen van het vee.6Er zal een luid geschreeuw zijn in heel het land Egypte, zoals er [nog] nooit geweest is en zoals er [ook] nooit meer zijn zal.; 12:29-3029En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, vanaf de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zou zitten, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die zich in de gevangenis bevond, en alle eerstgeborenen van het vee.30Toen stond de farao 's nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren. En er was een luid geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waarin geen dode was.). Op die eerstgeborenen hebben de Egyptenaren hun hoop gevestigd. Maar God “trof alle eerstgeborenen in hun land, de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht” (Ps 105:3636Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht.
)
. Maar God doet dit pas na vele waarschuwingen. Zo gaat Hij ook om met Zijn volk Israël en met de gemeente. Alles waarop een mens, vooral de christen, zich beroemt ten koste van God, moet Hij wegnemen.


Het ‘voordeel’ van de zonde

8Zij eten de zonde van Mijn volk,
en zij verlangen naar hun ongerechtigheid.

Als een lid van het volk zondigt, moet er een zondoffer worden gebracht. Het offerdier gaat naar de priester die het voor de zonde offert. Van dat zondoffer moet de priester eten. Zo heeft God het voorgeschreven (Lv 6:26,2926De priester die het als zondoffer offert, moet het [ook] eten. Op de heilige plaats moet het gegeten worden, in de voorhof van de tent van ontmoeting.29Al wie mannelijk is onder de priesters mag het eten. Het is allerheiligst.). Voor de priesters betekent een zonde broodwinning. Hoe meer het volk zondigt, hoe meer zij te eten hebben.

Dat staat tegenover Gods bedoeling met het voorschrift om van het zondoffer te eten. God wil door dit voorschrift bereiken dat de priester door van het zondoffer te eten zich met die zonde vereenzelvigt, dat hij er als het ware innerlijk de afschuw van voelt.

Wat Hosea zegt, beantwoordt daar niet aan, maar geeft een ander beeld. Letterlijk zegt hij dat zij de zonden van het volk ‘verslinden’. Ze zijn er gulzig op uit dat het volk zondigt om er maar zoveel mogelijk winst van te krijgen. Ze smullen er niet alleen letterlijk van, maar ook figuurlijk: ze genieten als ze de zonde van anderen zien.

Ook wij zijn in staat veroordelend te spreken over de zonden van anderen en er toch heimelijk van te genieten (Rm 1:3232die, hoewel zij de eis van het recht van God kennen – dat zij die zulke dingen bedrijven, [de] dood verdienen –, ze niet alleen doen, maar ook een welgevallen hebben aan hen die ze bedrijven.). Dat is een kwalijke zaak. Het is nog kwalijker als de zonde van de ander ons op de een of andere manier voordeel oplevert.

Het kwaad waar Hosea op wijst, is te vergelijken met de aflaat van de roomse kerk. De aflaat is een briefje dat je kunt kopen waarop staat dat een bepaalde schuld is kwijtgescholden. Hoe groter de misdaad, hoe hoger het bedrag. Het is getekend door een kerkelijke leider. Dit gebruik is geruime tijd naar de achtergrond verdwenen, maar de laatste tijd wordt er weer meer op gewezen. Dit gebruik sluit aan op de behoeften van de mens om iets te doen of te betalen voor iets wat verkeerd is gegaan. De roomse kerk vaart er wel bij. Hoe meer mensen zondigen en daarvoor een aflaat willen, des te meer komt er in de kas van de kerk.

In plaats van de stem te verheffen tegen de zonde en ervoor te waarschuwen wordt op deze manier de zonde in bedekte termen gestimuleerd. Natuurlijk wordt gezegd dat het verkeerd is wat is gebeurd. Maar alleen als er oprechte belijdenis voor God is en het besef wat het Christus heeft gekost om voor die zonde het oordeel te dragen, zal de uitwerking zijn dat men meer begrip krijgt van de ernst van de zonde.

Zolang er een bepaalde tegenprestatie voor een bedreven zonde wordt gevraagd, heeft men nog niets begrepen van het werk van Christus. Het gevolg is dat men ook de zonde niet ziet zoals God die ziet. Daardoor kan er met de zonde handel worden gedreven. Zonde bedrijven is een bezigheid geworden waar de kerk, of de geestelijkheid, een slaatje uit kan slaan.


Volk en leider

9En het zal zijn: zoals het volk is, zo is de priester.
Ik zal hem zijn wegen vergelden
en hem voor zijn daden doen boeten.

Hier geldt het gezegde dat een volk de leiding krijgt die het verdient. Tussen die beiden bestaat een wisselwerking. Het volk wil graag leiders hebben die hen naar de mond praten en de leiders vinden een gewillig oor voor hun verdorven leringen (2Tm 4:3-43Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;4en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden.). Het volk wil niet aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid om als volk van God te leven. Daarom kiezen ze leiders die de zonde geen zonde noemen of de zonde zelfs goedpraten. Dat heeft als gevolg dat het ‘kerkvolk’ geen rekening houdt met de wil van God. Zo worden leiders verleiders. God zal hun verkeerde wegen en daden aan hen bezoeken.

Hierin zit een belangrijke waarschuwing voor iedereen die een vooraanstaande positie te midden van Gods volk bekleedt en die is dat iemand de weg van God niet alleen verlaat. Er zijn altijd mensen die op die weg volgen. Er is ook een belangrijke waarschuwing voor het volk van God. De leiders hebben niet als enigen de schuld. Het volk heeft een eigen verantwoordelijkheid. Als zij hun leiders volgen op hun verkeerde weg, doen ze dat omdat die weg hun bevalt.

Het is belangrijk dat we bidden voor hen die leiding geven, opdat zij dat zullen doen “in [de] Heer” (1Th 5:1212Wij nu vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden en u leiding geven in [de] Heer en u terechtwijzen,). “In [de] Heer” wil zeggen dat het leiding geven niet moet gebeuren in eigen kracht, maar in de kracht van de Heer. Eigen inzichten moeten onderworpen worden aan Hem. Hij alleen kan het goede inzicht in problemen geven. Daarom moet leiding geven gebeuren in volle afhankelijkheid van de Heer. De manier waarop leiding wordt gegeven, moet als het ware omgeven zijn door Zijn aanwezigheid. Dat zal zo zijn als het gebeurt in Zijn gezindheid.


Niet verzadigd en niet talrijk worden

10Zij zullen eten, maar niet verzadigd worden,
hoererij bedrijven, maar zich niet uitbreiden,
want zij hebben nagelaten de HEERE te vereren.

De bezoeking en vergelding die in het vorige vers zijn aangekondigd, worden in dit vers uitgewerkt. De priesters en het volk kunnen dan wel denken dat de zonde voordeel oplevert, maar nooit zullen ze er een voldaan gevoel aan overhouden (vgl. Mi 6:1414Zelf zult u eten, maar niet verzadigd worden,
uw [gevoel van] leegte zal in uw binnenste blijven.
U zult [iets] wegleggen, maar [het] niet in veiligheid brengen,
en wat u in veiligheid zult brengen, zal Ik overgeven aan het zwaard.
)
. Dat ze onverzadigbaar zijn, is het gevolg van het oordeel van God.

In letterlijke zin kunnen we hierbij denken aan een speciale vloek van God, waardoor de heilzame werking van het voedsel wordt weggenomen of zelfs in het tegendeel verandert. Zofar zinspeelt in zijn (onjuiste) beoordeling van Job op deze mogelijkheid (Jb 20:14-1514[dan] zal zijn voedsel in zijn ingewanden veranderen;
gif van adders zal het in zijn binnenste zijn.
15Hij heeft vermogen verslonden, maar zal het uitspuwen;
God zal het uit zijn buik verdrijven.
)
. Samen met zijn twee vrienden beschuldigt hij Job van heimelijke zonden. De aanwijzingen daarvoor meent hij te zien in het lijden dat Job doormaakt. Misschien heeft Hosea, toen hij dit opschreef, gedacht aan wat door Zofar ten onrechte op Job wordt toegepast.

In elk geval geeft de zonde nooit de bevrediging waarnaar wordt gezocht. Hetzelfde geldt voor de ontucht die bedreven wordt, mogelijk met het oog op een talrijk nageslacht. God zal ervoor zorgen dat er niets van overblijft. Hoe zou God hun wandel en handel kunnen zegenen, terwijl zij met Hem geen rekening houden? Aan het vereren van de HEERE denken zij niet. Al hun daden zijn erop gericht zoveel mogelijk zichzelf te bevoordelen, zowel wat betreft bezit als wat betreft aanzien.


Bescherm je hart

11Hoererij, wijn en nieuwe wijn nemen het hart [in beslag].

Israël heeft de vermaning van Salomo aan zijn zoon niet ter harte genomen (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
. In plaats van hun hart te beschermen hebben ze het opengezet voor de vijanden “hoererij, wijn en nieuwe wijn”. Die hebben hun hart in beslag genomen. Het begrip ‘hart’ betekent het centrum van de menselijke persoonlijkheid, verbonden met gevoel en verstand. Als hoererij, wijn en nieuwe wijn eenmaal in het hart zijn toegelaten, gaan ze de hele mens – dat wil zeggen zijn gevoel, zijn verstand en zijn wil – beheersen en maken hem tot een slaaf.

Wie wel eens met zulke mensen te maken heeft, doet de schokkende ontdekking hoe willoos zij zijn. Ze hebben geen kracht meer om met de zonde te breken. Het mag een wonder heten als mensen van deze verslaving afkomen. De meesten redden dat niet op eigen kracht. Zeker is er kracht in de Heer om te helpen, maar vaak schakelt Hij daarbij mensen in. Iemand die jaren verslaafd was aan van alles en nog wat, deed in een nieuwsbrief de volgende uitspraak: ‘Je moet het haten om het te laten.’ Het is een gevleugeld woord geworden onder zijn lotgenoten.

Als het hart niet in gemeenschap met de Heer blijft, is er geen juist zicht meer op de alledaagse dingen van het leven. Het gebrek aan een bezonnen beoordeling vindt vooral zijn oorzaak in een losbandig omgaan met het huwelijk, “hoererij”, en een overmatig verlangen naar aardse genoegens, “wijn en nieuwe wijn”. Als het hart daarop is gericht, is het weg bij God.

Hij vraagt juist ons hart: “Mijn zoon, geef mij je hart” (Sp 23:26a26Mijn zoon, geef mij je hart,
en laten je ogen behagen scheppen in mijn wegen.
)
. Als wij ons hart aan Hem geven, zal onze hele handel en wandel op Hem gericht zijn en daardoor wordt Hij geëerd.


Afgoderij en hoererij

12Mijn volk raadpleegt zijn hout,
en zijn stok moet het hem bekendmaken.
Want de geest van de hoererijen heeft hen misleid,
zodat zij in hoererij hun God verlaten.

De gevolgen die ontstaan als het hart niet meer op God gericht is, worden hier zichtbaar. Het volk, dat God nog smartelijk “Mijn volk” noemt, neemt zijn toevlucht tot waarzeggerij, de algemene praktijk van de heidense, afgodische volken. Ze vragen om leiding aan een stuk hout! God wordt ingeruild voor een houten afgodsbeeld en een toverstok. Hoe minder er rekening wordt gehouden met God, des te meer ruimte komt er voor bijgeloof. Jeremia stelt dit dwaze bijgeloof scherp aan de kaak (Jr 2:27a27Tegen een stuk hout zeggen ze: U bent mijn vader,
en tegen een steen: U hebt mij gebaard,
want Mij keren zij de nek toe
en niet het gezicht,
op het moment echter dat onheil hen [treft], zeggen ze:
Sta op en verlos ons.
)
.

De dwaasheid van dit handelen wordt door Jesaja op sarcastische wijze geschilderd (Js 44:14-1714Hij hakt voor zichzelf ceders om,
neemt een cipres of een eik,
en kweekt [die] voor zichzelf op tussen de bomen van het woud;
hij plant een olm en de regen maakt [die] groot.
15Ze dienen de mens tot brandhout,
hij neemt ervan en warmt zich erbij,
hij steekt het ook aan en bakt brood.
Ook maakt hij er een god van en buigt zich [ervoor],
hij maakt er een gesneden beeld van en knielt ervoor neer.
16De helft ervan verbrandt hij in het vuur.
Bij die helft eet hij vlees,
braadt een braadstuk en wordt verzadigd.
Ook warmt hij zich en zegt: Ha,
ik word warm, ik zie vuur!
17Van de rest ervan maakt hij een god, zijn gesneden beeld.
Hij knielt ervoor neer, buigt zich,
bidt het aan en zegt:
Red mij, want u bent mijn god.
)
. Hij maakt hun onzinnigheid duidelijk door te zeggen dat de mens de helft van een stuk hout gebruikt als brandhout, om zich daarbij te warmen of om er brood op te bakken, maar van de andere helft maakt hij een god voor wie hij zich neerbuigt. Ieder mens met een beetje verstand, ziet de bespottelijkheid ervan in. Maar ja, wat wil je als je hart in beslag is genomen door hoererij, wijn en nieuwe wijn (vers 1111Hoererij, wijn en nieuwe wijn nemen het hart [in beslag].). Dan verval je tot zulke dwaasheden. De mens kan nu eenmaal niet zonder een voorwerp van verering. Als hij God niet vereert (vers 10b10Zij zullen eten, maar niet verzadigd worden,
hoererij bedrijven, maar zich niet uitbreiden,
want zij hebben nagelaten de HEERE te vereren.
)
, vervalt hij tot afgoderij en bijgeloof.

Afgoderij en bijgeloof staan niet op zichzelf. Zij worden gevoed door “de geest van de hoererijen”, die de hele atmosfeer doortrekt. Allen die zich niet aan Gods gezag onderwerpen, zich daar in feite aan onttrekken, komen onder het beslag van die geest van hoererijen en worden erdoor beïnvloed. Dit voert tot geestelijk overspel. Op het terrein van de zonde is altijd een satanische geest actief, aan wie iemand die zich op dat terrein begeeft, zich uitlevert. Daarvoor is men wel zelf verantwoordelijk.

Zij die de uitspraken van God in Zijn Woord negeren en te rade gaan bij de wereld en het vlees, raadplegen in feite hun hout en vragen om voorlichting aan hun stok. Ook hier is de parallel tussen de dagen van Hosea en die van ons helder. Het is voor een geest van hoererijen mogelijk geworden om in de christenheid werkzaam te zijn. Steeds meer wordt het contact met de wereld gezocht.

De aangevoerde motieven, als zou het gaan om vanuit dat contact de wereld onder de invloed van het christendom te brengen, deugen niet. De Heer Jezus zegt van Zijn discipelen: “Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben” (Jh 17:1616Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben.). Wie dat vergeet en de wereld gaat nadoen om succes te hebben, zelfs al gaat dat met de mooiste motieven om bijvoorbeeld ingang voor het evangelie te krijgen, raakt onder de invloed van de geest van hoererijen. Die voert ertoe dat zij in hoererij hun God verlaten”. We moeten niet wijzer willen zijn dan wat God ons in Zijn Woord zegt.


Offerplaatsen

13Op de toppen van de bergen offeren zij,
op de heuvels brengen zij reukoffers,
onder eik, populier en terebint,
omdat hun schaduw goed is.
Daarom bedrijven uw dochters hoererij
en plegen uw schoondochters overspel.

In de wet waarschuwt God Zijn volk om al die plaatsen waar de volken afgoderij bedrijven, volledig te vernielen (Dt 12:22U moet al de plaatsen waar de volken van wie u [het land] in bezit neemt, hun goden gediend hebben, volledig vernielen, op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.). Vervolgens vertelt Hij hoe Hij het wél wil hebben (Dt 12:5-6a5Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.6Daarheen moet u uw brandoffers brengen, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers van uw hand, uw gelofte[offers], uw vrijwillige gaven en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee.). God heeft Jeruzalem uitgekozen als enige plaats van aanbidding. Israël, de tien stammen, heeft die plaats na de scheuring de rug toegekeerd. Als vervanging daarvoor heeft Jerobeam I Bethel en Dan bedacht, met de gouden kalveren als voorwerpen om te aanbidden. Maar daarbij is het niet gebleven. Ook op andere plaatsen hebben zij, naar heidens model, afgodische offerdiensten ingevoerd. Met het invoeren van de heidense praktijken hebben ze ook hun dochters meegesleept in hun hoererij.

Het volk vindt het daar aangenaam toeven. Het voelt aan als een beschermende schaduw tegen de hete stralen van de zon. Het is er aangenaam, omdat het geweten heerlijk buiten schot blijft; aangenaam, omdat je in een zelfbedachte eredienst alles naar je eigen hand kunt zetten; aangenaam, omdat je gevoel daar lekker aan zijn trekken komt. In verfijndere vorm kunnen we dit alles, in allerlei variaties, op het christelijk erf waarnemen.

De christenheid is doordrenkt van het gevoel ‘ieder voor zich en God voor ons allen’. Dat mag aardig klinken, maar deze opvatting is in strijd met Gods wil. Niemand heeft het recht zelf een eredienst te bedenken. Ook is het niet juist zich zomaar aan te sluiten bij een al bestaande, maar door mensen bedachte eredienst omdat hij zich daarin het meest kan vinden, zich het prettigst voelt, waar “hun schaduw goed is”.

In Deuteronomium 12 spoort de HEERE de Israëliet aan op zoek te gaan naar de plaats waar Hij woont (Dt 12:5-7,10-14,265Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.6Daarheen moet u uw brandoffers brengen, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers van uw hand, uw gelofte[offers], uw vrijwillige gaven en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee.7En daar moet u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, eten en u verblijden, u en uw gezinnen, over alles wat u ter hand genomen hebt [en] waarin de HEERE, uw God, u gezegend heeft.10Maar u zult de Jordaan oversteken en gaan wonen in het land dat de HEERE, uw God, u in erfelijk bezit geeft. Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom [u], en u zult veilig wonen.11Dan zal daar de plaats zijn die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofte[offers] die u de HEERE belooft,12en [daar] zult u zich verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zonen en uw dochters, uw slaven en uw slavinnen, en de Leviet die binnen uw poorten is, want hij heeft geen aandeel of erfelijk bezit [samen] met u.13Wees op uw hoede dat u uw brandoffers niet brengt op elke plaats die u ziet,14maar [alleen] op de plaats die de HEERE in een van uw stammen zal uitkiezen. Daar moet u uw brandoffers brengen en daar moet u doen alles wat ik u gebied.26Maar de heilige [gaven] die u hebt, en uw gelofte[offers], moet u opnemen en [ermee] naar de plaats komen die de HEERE zal uitkiezen.). Later blijkt dat Jeruzalem te zijn. In het Nieuwe Testament is er ook een plaats waarvan de Heer Jezus heeft gezegd: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Uit het verband waarin dit vers staat, blijkt dat het gaat om het samenkomen van de plaatselijke gemeente. Daar mogen de offers van lof en dank worden gebracht. Daar kan de schaduw van de Geliefde worden ervaren, zoals de bruid dat in Hooglied zegt (Hl 2:33Als een appelboom tussen de bomen van het woud,
zo is mijn Liefste tussen de jongemannen.
Ik verlang er sterk naar in Zijn schaduw te zitten,
en Zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte.
)
.

God verlangt ernaar met de Zijnen samen te komen, niet op elke willekeurige plaats, maar op de plaats waar Hij kan wonen. Dat wil zeggen, op de plaats waar Hij rust heeft omdat men zich aan Hem onderwerpt. Als niet Hij en Zijn Woord norm zijn, maar de dienst wordt aangepast aan de smaak van de mens, mag het negatieve resultaat geen verbazing wekken: Daarom bedrijven uw dochters hoererij en plegen uw schoondochters overspel.” Van een eredienst die veel elementen bevat die het vlees strelen, zal de uitwerking zijn dat onze kinderen voor niets anders dan voor het vlees gaan leven.


God trekt Zijn handen van het volk af

14Ik zal niet meer omzien naar uw dochters
omdat zij hoererij bedrijven,
en naar uw schoondochters,
omdat zij overspel plegen,
want zij zonderen zichzelf af met de hoeren,
zij offeren met de tempelhoeren.
Zo zal het volk [dat] geen inzicht heeft, ten val komen.

Dat God de dochters in hun hoererij en overspel niet met Zijn oordeel bezoekt, wil niet zeggen dat Hij hun daden door de vingers ziet. God kan nooit zonde tolereren of op zijn beloop laten. Als God Zijn handen van iemand aftrekt, betekent dat niet dat Hij toegeeflijk is. Hij handelt zo bij wijze van oordeel, omdat de persoon onverbeterlijk is. Door zo iemand aan de zonde prijs te geven bezegelt God de keus die ten gunste van de zonde is gemaakt (vgl. Rm 1:2828En daar het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verkeerd denken, om dingen te doen die niet betamen;).

Het Zich terugtrekken door God heeft – naast de kwestie met de (schoon)dochters – nog een reden. De ouderen gaan de jongeren voor in die zonde. Als kinderen zulke voorbeelden hebben, is hun dan iets kwalijk te nemen als zij zich op dezelfde of nog ergere wijze aan hoererij en overspel schuldig maken? Zeker, volwassen kinderen hebben hun eigen verantwoordelijkheid. Maar zij die hen in het bedrijven van de zonde voorgaan, zijn schuldiger. Waar ouderen voorgaan, is het wel heel lastig om jongeren op de zonde te wijzen.

De bandeloosheid viert hoogtij. In navolging van de schandelijke Kanaänitische normen vindt men bij de offerplaatsen vrouwen die ‘gewijd’ zijn aan de afgod en zich overgeven aan prostitutie. Tot zulk gedrag komt een volk dat heeft “nagelaten de HEERE te vereren” (vers 1010Zij zullen eten, maar niet verzadigd worden,
hoererij bedrijven, maar zich niet uitbreiden,
want zij hebben nagelaten de HEERE te vereren.
)
. De val van Israël is onvermijdelijk geworden en niet meer te stuiten.


Niet naar Gilgal en niet naar Bethel

15Als u, Israël, hoererij wilt bedrijven,
laat Juda toch niet [mede]schuldig worden!
Kom toch niet naar Gilgal,
ga niet naar Beth-Aven,
en zweer niet: [Zo waar] de HEERE leeft!

“Gilgal” is de plaats waar God het volk zich voor de tweede keer heeft laten besnijden. Hierdoor zou de smaad van Egypte worden afgewenteld (Jz 5:2-92In die tijd zei de HEERE tegen Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, voor de tweede keer.3Toen maakte Jozua voor zich stenen messen en besneed de Israëlieten op de Heuvel van de voorhuiden.4Dit was de reden waarom Jozua hen besneed: heel het volk dat uit Egypte getrokken was, de mannen, alle strijdbare mannen, waren onderweg gestorven in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren.5Immers, al het volk dat er uittrok, was besneden. Al het volk echter dat onderweg geboren was in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.6Want de Israëlieten waren veertig jaar onderweg in de woestijn, totdat heel het volk van strijdbare mannen die uit Egypte getrokken waren, omgekomen was. Zij hadden niet naar de stem van de HEERE geluisterd, [en daarom] had de HEERE hun gezworen dat Hij aan hen het land dat de HEERE aan hun vaderen gezworen had ons te geven, niet zou laten zien, een land dat overvloeit van melk en honing.7Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld. Jozua heeft hen besneden, omdat zij de voorhuid hadden, want zij hadden hen onderweg niet besneden.8En het gebeurde, toen zij het besnijden van heel het volk voltooid hadden, dat zij op hun plaats bleven in het kamp tot zij genezen waren.9Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag.). Bethel is de plaats waar hun voorvader Jakob de beloften van God heeft ontvangen (Gn 28:10-1910Jakob nu vertrok uit Berseba en ging naar Haran.11Hij bereikte de plaats waar hij overnachtte, want de zon was ondergegaan. Hij nam [een] van de stenen van die plaats, maakte [daar] zijn hoofdkussen [van], en legde zich op die plaats te slapen.12Toen droomde hij, en zie, op de aarde stond een ladder, waarvan de top de hemel raakte, en zie, de engelen van God klommen daarlangs omhoog en omlaag.13En zie, de HEERE stond boven aan die [ladder] en zei: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven.14Uw nageslacht zal [talrijk] zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden. In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.15En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!16Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, en ik heb het niet geweten.17Daarom was hij bevreesd en zei hij: Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.18Daarna stond Jakob 's morgens vroeg op. Hij nam de steen waar hij zijn hoofdkussen [van] gemaakt had, zette die overeind als een gedenkteken en goot er olie op.19Hij gaf die plaats de naam Bethel, hoewel de naam van de stad eerst Luz was.). Maar Gilgal, nota bene de plaats van waaruit het land veroverd werd, is verworden tot een plaats van afgoderij. En Bethel, dat ‘huis van God’ betekent, heeft een gouden kalf gekregen. Daarom noemt de profeet het hier “Beth-Aven”, dat betekent ‘huis van ongerechtigheid’. Niet God woont daar, maar de ongerechtigheid heeft er haar intrek genomen.

Ze deinzen er zelfs niet voor terug de heilige Naam van de HEERE te verbinden met hun afgodische praktijken. Ze zweren bij Zijn Naam. Daardoor verbinden ze de Naam van de HEERE met zonde, wat natuurlijk afschuwelijk is. Het zweren van een eed is op zich niet zondig, als het maar in oprechtheid voor Gods aangezicht gebeurt.

Israël en Juda worden in dit vers nog apart genoemd. Er is nog onderscheid tussen de beide rijken. Tijdens de laatste dagen van de profeet Hosea beleeft Juda een tijd van opwekking onder Hizkia en nog later onder Josia. Dan worden wel de gruwelen weggedaan uit het land, maar helaas niet uit de harten. Juda zal ook struikelen (Hs 5:55De trots van Israël getuigt openlijk tegen hem.
En Israël en Efraïm zullen struikelen om hun ongerechtigheid,
en met hen zal ook Juda struikelen.
)
. Toch is het alsof de profeet met een schuin oog naar Juda kijkt en de mensen daar waarschuwt niet mee te gaan in de afval van God.

Het kan zijn dat mensen uit Juda naar plaatsen in het tienstammenrijk gaan om mee te feesten en dat Hosea hen op het oog heeft. Bethel ligt tegen de grens van Juda aan. Het zoeken van contact met wat zondig is, brengt in gevaar die zonde zelf te gaan bedrijven. “Verkeerde omgang bederft goede zeden” (1Ko 15:3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.). Waar je mee omgaat, word je mee besmet.

Hoewel Hosea hoofdzakelijk in het noordelijk rijk profeteert, verheft hij soms ook zijn waarschuwende stem tot Juda. Hier waarschuwt hij het zuidelijk gelegen koninkrijk om zijn noorderbuur niet te volgen in diens afschuwelijke vormen van aanbidding.

Om ergens vrij van te blijven kun je er het beste zo ver mogelijk van verwijderd blijven. Het is levensgevaarlijk om louter uit nieuwsgierigheid zondige plaatsen te bezoeken. De sfeer kan iemand zomaar in zijn greep krijgen en voor men het in de gaten heeft, doet men mee. Dit geldt voor plaatsen waar de wereld zijn vermaak in zoekt. Maar het geldt ook voor allerlei godsdienstige manifestaties waar kundig op de emoties wordt ingespeeld. Emoties hebben zeker hun plaats in het dienen en eren van God. Maar zodra ze de norm voor het dienen en eren van God worden, wordt het hart weggevoerd van de enige echte norm: het Woord van God. Daarin staat de scheiding tussen wat van God en wat niet van God is duidelijk aangegeven.

De gelovige wordt gewaarschuwd zich ver te houden van alles wat uit ongeloof is voortgekomen, terwijl er mooie beloften aan gehoorzaamheid worden verbonden (2Ko 6:14-1814Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?16En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.17Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.). Hoewel dat gedeelte gaat over de verbinding met de wereld, is de toepassing ervan op zaken die binnen de christenheid worden gevonden, maar uit de wereld stammen, zeker gerechtvaardigd.


In de ruimte

16Want Israël is opstandig
als een onhandelbare koe.
Nu zal de HEERE hen weiden
als een lam in het ruime [veld].

Na de waarschuwing aan het adres van Juda richt de profeet zich in dit vers weer tot Israël, het noordelijke rijk. Zoals “een onhandelbare koe” het juk afschudt, zo weigert Israël het juk van gehoorzaamheid aan God te dragen. Willen ze vrij zijn? Nou, ze zullen het zijn. ‘Maar’, zo lijkt Hosea met een zeker sarcasme te zeggen, ‘als jullie je als een onhandelbare, weerspannige koe gedragen, moeten jullie niet denken dat de HEERE jullie als makke schapen zal behandelen.’ De HEERE zal met hen handelen zoals een herder handelt met een eigenzinnig lam. Het lam mag zijn eigen gang in het ruime veld gaan, waar het vanwege gebrek aan bescherming zeker zal omkomen.

Zo is het ook nu nog. Wie het in de buurt van de Heer te benauwd vindt, mag ‘de ruimte’ opzoeken; niemand wordt gedwongen Hem te dienen. Wie Zijn juk als knellend ervaart, kan het afwerpen. Maar laat zo iemand wel bedenken: ‘Ga ik bij de Heer vandaan, dan ga ik onvermijdelijk het verderf tegemoet.’ Een aan zichzelf overgelaten lam is reddeloos verloren. “Een lam in het ruime [veld]” is de prooi van alle vijandige dieren.


Efraïm en de afgoden

17Efraïm is verknocht aan de afgoden;
laat hem met rust!

Efraïm, de invloedrijkste stam, vertegenwoordigt hier de tien stammen. In plaats van verknocht te zijn aan God is Efraïm met hart en ziel gehecht aan de afgoden. “Verknocht” wil zeggen ‘innig gehecht zijn aan’. De afgodendienaar is niet de man die gebroken heeft met godsdienst, maar deze beoefent. Voor Paulus is dat, in zijn gesprek met de heidense inwoners van Athéne, een welkom aanknopingspunt. Als hij door de stad loopt, ziet hij veel afgodsbeelden. Naar aanleiding daarvan begint hij zijn evangelieverkondiging in die stad met: “Mannen van Athéne, ik zie aan alles dat u de goden bijzonder toegewijd bent” (Hd 17:2222Terwijl nu Paulus midden op de Areópagus stond, zei hij: Mannen van Athéne, ik zie aan alles dat u de goden bijzonder toegewijd bent.). Van daaruit gaat hij hun de voor hen onbekende God prediken.

Afgoderij is een valse voorstelling en weergave van God. Als bijvoorbeeld de Heer Jezus, Die als Enige het beeld van God is, slechts gezien wordt als een goed mens, wordt afgoderij bedreven. Dan heeft men een valse voorstelling van God.

Trouw zijn aan de ware God kan nooit leiden tot een compromis. Nooit kunnen we de Heer Jezus gaan vergelijken met Boeddha, Mohammed en andere afgoden. Het doet Hem enorm tekort. Hij staat buiten en boven elke vergelijking. We kunnen de Mohammedaan en de Joodse rabbi als mens respecteren, maar nooit met hen op een gemeenschappelijk, godsdienstig platform staan. Zij zijn verknocht aan een valse voorstelling van God, dus aan een valse god.

Als de zaak met Israël toen en met de christenheid vandaag er zo voor staat, kan God niet anders dan het kwaad de vrije teugel geven. Dat kwaad zal zich ten volle openbaren en God zal Zijn rechtvaardige oordeel erover voltrekken. Als God Efraïm, of wie dan ook, zo’n rust geeft, is dat omdat Hij alle hoop op verbetering heeft opgegeven. Als God Zijn handen terugtrekt en de mens aan zichzelf overlaat, is dat een vreselijke zaak voor een mens (vgl. verzen 4,14a4Maar laat niemand een rechtszaak voeren,
laat niemand [een ander] ter verantwoording roepen,
want uw volk is als zij die een priester aanklagen.14Ik zal niet meer omzien naar uw dochters
omdat zij hoererij bedrijven,
en naar uw schoondochters,
omdat zij overspel plegen,
want zij zonderen zichzelf af met de hoeren,
zij offeren met de tempelhoeren.
Zo zal het volk [dat] geen inzicht heeft, ten val komen.
; Dt 32:2020Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen;
Ik zal zien wat hun einde is,
want zij zijn een totaal verdorven generatie,
kinderen in wie geen [enkele] trouw is.
)
. De Heer Jezus zegt over de onverbeterlijke farizeeën net zoiets: “Laat hen [begaan]” (Mt 15:1414Laat hen [begaan]. Zij zijn blinde leidslieden <van blinden>. Als nu een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een kuil vallen.). Zij die niet door hun zonden verontrust worden, zullen erdoor te gronde gaan.


De vorsten

18Is hun drinkgelag voorbij,
[dan] geven zij zich over aan hoererij.
Hun vorsten – een schande – houden van [het woord]: Geef.

Als ze uitgedronken zijn en dronken zijn, zijn alle remmen los en geven ze zich over aan hoererij. Hun leven in liederlijkheid kent geen grenzen. Hun vorsten gaan hun daarin voor. Het woord voor “vorsten” kan ook worden vertaald met ‘schilden’. De vorsten zouden, net als schilden, een bescherming voor het volk moeten zijn (vgl. Ps 47:1010De edelen van de volken voegen zich
[bij] het volk van de God van Abraham;
want de schilden van de aarde zijn van God.
Hij is zeer [hoog] verheven!
)
. Maar in plaats van beschermend op te treden geven ze zichzelf over aan hoererij.

Alles is gericht op de bevrediging van de eigen lage begeerten. Daarbij eisen ze met het woord ‘geef’ alles op wat daartoe dient. Met een dergelijk leefgedrag gaat schaamteloosheid gepaard, die leidt tot schande. Het is maar niet af en toe een zonde van overspel, maar ze zondigen voortdurend. Het zijn mensen die zonder pauze zondigen, “die niet ophouden te zondigen” (2Pt 2:1414Zij hebben overspelige ogen, die niet ophouden te zondigen; zij verlokken onstandvastige zielen en hebben een hart geoefend in hebzucht, kinderen van [de] vervloeking.).


Offers die beschaamd maken

19Wind heeft hen op zijn vleugels gebonden:
zij zullen zich schamen vanwege hun offers.

Hosea beschrijft hier in zinnebeeldige taal hoe het volk in een snelle en schandelijke verwoesting zal worden weggevaagd. God zal hen “als [in] brandende [toorn] levend wegvagen” (Ps 58:1010Voordat uw [kook]potten de doornstruik voelen,
zal Hij hen als [in] brandende [toorn] levend wegvagen.
)
met Zijn oordeel over hen. Zij weigeren van God vrede en gerechtigheid te leren en moeten daarom overgegeven worden aan een “wind”, dat is de koning van Assyrië. Deze vijand zal hen volledig omsluiten, hen uit hun land wegvoeren en verstrooien.

Dan zullen ze inzien dat al hun offers aan de afgoden geen baat hebben gehad. Ze zullen beschaamd staan over hun eigen dwaasheid door zo aan de afgoden verknocht te zijn. Het blijken goden te zijn die geen enkele kracht bezitten om hulp te kunnen bieden. Door op die afgoden te steunen hebben ze God tot hun vijand gemaakt, God, Die wel machtig is, maar Die Zijn macht nu tegen hen gebruikt en hen verstrooit.

Wij mogen ons wel afvragen aan wie wij onze offers geven. Als we niet oppassen, zullen wij ook beschaamd worden. Hoeveel van onze tijd, energie en van ons geld hebben wij ‘geofferd’ aan de bevrediging van onze eigen genoegens en aan de wereld?


Lees verder