Hosea
Inleiding 1 Van voorrecht naar verderf 2 Afgodsbeelden naar eigen inzicht 3 Wie afgoderij bedrijft, vervliegt als een damp 4 Er is niemand buiten God 5 Hij kent ons 6 Het vergeten van de HEERE 7-8 Gods vergelding van hun ondankbaarheid 9 God als Helper 10 Eigen keus geeft geen steun 11 God gaf een koning en nam hem weer weg 12 Wat verborgen is, komt aan het licht 13 Barensweeën, maar geen nieuw leven 14 De dood heeft niet het laatste woord 15 Droogte en plundering
Inleiding

Ook in dit hoofdstuk komen de twee dingen aan de orde die in de profetie van Hosea als het ware om de voorrang strijden. Aan de ene kant is daar Gods verontwaardiging over de zonde van Zijn volk en Zijn rechtvaardige toorn daarover. Aan de andere kant zien we Zijn liefde en verlangen om, naar Zijn raadsbesluiten, dit volk te zegenen, wat Hij zal doen als het zich in de toekomst tot Hem heeft bekeerd. Deze twee kanten worden in de van Hosea bekende abrupte wisselingen naar voren gebracht. Mensen worden niet graag gewezen op hun zonden of de gevaren die deze opleveren. Maar God wordt niet moe van het waarschuwen.

Als een laatste donderbui kondigt de profeet het oordeel over Efraïm aan. Koning of vorst kan hun geen nut brengen. Assyrië, dat met een verschroeiende oostenwind wordt vergeleken, zal het landvolkomen verwoesten. Maar tussen de oordeelsregels door zijn enkele stralen van de toekomstige zegen te ontdekken. God zal hen niet volkomen aan het dodenrijk prijsgeven. Hij heeft voorzien in een oplossing. Christus heeft door Zijn werk op Golgotha de dood verslonden tot overwinning. De heerlijke resultaten daarvan worden in Hosea 14 gegeven.


Van voorrecht naar verderf

1Telkens wanneer Efraïm sprak, was er schrik,
hij verhief zich in Israël;
hij maakte zich echter schuldig aan de Baäl,
en hij stierf.

De profeet gaat verder met het uiteenzetten van de toestand van Efraïm, maar nu meer vanuit historisch perspectief. In het begin was Efraïm – hier gezien als stam en niet als natie van de tien stammen – steeds de eerste en sprak met gezag. Hij had een bevoorrechte plaats in Israël gekregen. Zo noemt God hem Zijn “lievelingskind” (Jr 31:2020Is Efraïm voor Mij [niet] een dierbare zoon,
is hij [voor Mij niet] een lievelingskind?
Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek,
denk Ik nog voortdurend aan hem.
Daarom is Mijn binnenste bewogen over hem,
Ik zal Mij zeker over hem ontfermen,
spreekt de HEERE.
)
. Leiders als Jozua en Debora kwamen uit Efraïm. Het zijn allemaal dingen waarop het vlees zich kan beroemen.

Dat is dan ook gebeurd. De Efraïmieten hebben hun bevoorrechte plaats misbruikt. Ze menen door hun positie ook meer rechten te hebben. Ze zijn jaloers als andere stammen hun positie niet erkennen (Ri 8:1-31Toen zeiden de mannen van Efraïm tegen hem: Wat is dit wat u ons hebt aangedaan, dat u ons niet hebt geroepen toen u tegen Midian ging strijden? En zij kregen grote onenigheid met hem.2Hij daarentegen zei tegen hen: Wat heb ik nu gedaan vergeleken met u? Is de nalezing van Efraïm niet beter dan de wijnoogst van Abiëzer?3God heeft de vorsten van Midian, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven. Wat heb ik dan kunnen doen vergeleken met u? Toen hij dit gezegd had, bedaarde hun woede tegen hem.). Die jaloersheid is zover gegaan, dat later, zoals beschreven in het boek Richteren, een burgeroorlog ontstaat die aan liefst tweeënveertigduizend mensen het leven kost (Ri 12:1-61Toen werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen en zij staken [de Jordaan] over naar het noorden. En zij zeiden tegen Jefta: Waarom bent u opgetrokken om tegen de Ammonieten te strijden, zonder ons te roepen om met u mee te gaan? Wij zullen uw huis met u [erin] met vuur verbranden.2Maar Jefta zei tegen hen: Ik en mijn volk hadden grote onenigheid met de Ammonieten. Toen héb ik u geroepen, maar u hebt mij niet uit hun hand verlost.3En toen ik zag dat u ons niet verloste, stelde ik mijn leven in de waagschaal en trok ik tegen de Ammonieten op; en de HEERE gaf hen in mijn hand. Waarom bent u dan op deze dag naar mij toe gekomen om tegen mij te strijden?4Daarop riep Jefta alle mannen van Gilead bijeen en streed tegen Efraïm. En de mannen van Gilead versloegen Efraïm, want [omdat] Gilead tussen Efraïm en Manasse ligt, zeiden zij: U bent vluchtelingen uit Efraïm!5Gilead ontnam de Efraïmieten namelijk de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan. En het gebeurde, wanneer vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij oversteken, dat de mannen van Gilead tegen hem zeiden: Bent u een Efraïmiet? [En wanneer] hij zei: Nee,6zeiden zij tegen hem: Zeg eens: Sjibboleth. Wanneer hij dan zei: Sibboleth, en [het woord dus] niet goed uit kon spreken, grepen zij hem en doodden hem bij de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan. In die tijd vielen er van Efraïm tweeënveertigduizend [man].). Efraïm wordt opgeblazen, hij verheft zichzelf. Dat leidt tot de scheuring van het rijk. De eerste koning van het tienstammenrijk, Jerobeam, komt uit Efraïm.

De geschiedenis van Efraïm is de geestelijke geschiedenis van velen die goed zijn begonnen, maar slecht zijn geëindigd. De oorzaak daarvan is dat ze niet hebben geluisterd naar de vermaning om “met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven” (Hd 11:2323Toen hij daar aankwam en de genade van God zag, verblijdde hij zich en vermaande allen met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven.).

Efraïm heeft een roemrijk verleden, maar een droevig heden. Dat heden begint met het invoeren van de afgoderij door koning Jerobeam. Hij plaatst kalveren in Bethel en Dan (1Kn 12:28-3028Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.). Daarmee zet de dood van het volk in. Op de weg die is ingeslagen, kan de Baäl voet aan de grond krijgen. Die wordt dan ook sinds Achab gediend. Efraïm sterft steeds verder weg. Dat sterven typeert een leven zonder God. God, de levende God, geeft leven; afgoden zijn dood en brengen ook de dood.

In de gemeente werkt dit niet anders. Diótrefes is in geestelijk opzicht een nakomeling van Efraïm. Hij wil de eerste zijn (3Jh 1:99Ik heb aan de gemeente <een en ander> geschreven; maar Diótrefes, die graag onder hen de eerste is, neemt ons niet aan.). Er zijn in de geschiedenis van de christenheid vele ‘Diótrefessen’ geweest, allemaal mensen die zichzelf een plaats van gezag hebben aangematigd. Die houding voert, via het grote Babylon, dat “zichzelf verheerlijkt heeft” en in haar hart zegt: “Ik zit als koningin” (Op 18:77Naarmate zij zichzelf verheerlijkt heeft en weelderig geleefd heeft, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want zij zegt in haar hart: Ik zit als koningin en ben geen weduwe en zal helemaal geen rouw zien.), uiteindelijk tot het oordeel over een Christusloze christenheid in de eindtijd.

Steeds laat de geschiedenis zien dat na zegen zelfverheffing komt, gevolgd door afgoderij en de geestelijke dood met ten slotte het oordeel van God. Het verlaten van God begint altijd met zelfverheffing, wat uiteindelijk tot de dood voert.

In tegenstelling tot de christenheid is er in de toekomst voor Efraïm herstel. Het zal, bevrijd van zijn jaloersheid, worden hersteld in zijn land (Js 11:1313Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen,
en wie Juda in het nauw drijven, zullen uitgeroeid worden.
Efraïm zal niet [langer] jaloers zijn op Juda,
en Juda zal Efraïm niet [meer] in het nauw drijven.
)
.


Afgodsbeelden naar eigen inzicht

2En nu zijn zij doorgegaan met zondigen:
zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt
van hun zilver, en afgods[beelden] naar hun inzicht,
allemaal werk van vaklieden.
Zij zeggen van hen:
Mensen die offeren,
kussen kalveren.

Het handelen naar eigen inzicht met het oog op eigen voordeel heeft Hosea al eerder aan de kaak gesteld (Hs 8:44Zíj hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om;
zij hebben vorsten aangesteld, maar zonder Mij erin te kennen.
Van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelf afgods[beelden] gemaakt,
zodat zij uitgeroeid zullen worden.
)
. Maar zonder resultaat. Efraïm gaat voort met zondigen. Het gaat van kwaad tot erger.

Zo spreekt Paulus ook tot Timotheüs over de ontwikkelingen in de christenheid: “Maar boze mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger voortgaan, terwijl zij misleiden en misleid worden” (2Tm 3:1313Maar boze mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger voortgaan, terwijl zij misleiden en misleid worden.). Hij wijst Timotheüs in de volgende verzen erop, hoe hij kan voorkomen dat hij wordt meegesleept, namelijk door vast te houden aan de Schriften.

Efraïm, verknocht als hij is aan afgodsbeelden (Hs 4:1717Efraïm is verknocht aan de afgoden;
laat hem met rust!
)
, maakt die beelden naar hun eigen inzicht. Een gegoten beeld kan gemakkelijk worden verveelvoudigd. Eerst is er een sjabloon, een vorm. Daarvan worden afgietsels gemaakt. Zo gaat dat met elk beeld. Het is een godsdienst die in een bepaalde vorm is gegoten en die overal kan worden ingevoerd. Het is een godsdienst van dode orthodoxie die alleen uit vormen bestaat, waaraan eenieder die zich daar wel bij voelt, kan voldoen.

De vorm kan worden beschreven en iedereen kan zich daaraan houden. Enige oefening van het geweten is niet nodig. Wie zich aan de vastgestelde geboden houdt, krijgt zeker geen last van zijn geweten. Men kan zelfs menen dat ook God er tevreden mee is. Tevens kan men zichzelf, en ook anderen, ermee controleren en zo vaststellen hoe het met iemands godsdienstigheid gesteld is.

De Efraïmieten hebben er hun zilver voor over. Het mag wat kosten, maar het wordt dan wel ook hun eigen bezit. En hoewel het werk van mensenhanden is, gaan ze er met hun hele ziel en zaligheid in op.

Ieder mens heeft een ingebouwde behoefte aan God. Afgoderij is het valse antwoord op het godsdienstig bewustzijn van de menselijke natuur. Ieder mens heeft zijn god en geeft daaraan de meeste kracht van zijn leven. Voor de een is dat bijvoorbeeld muziek, voor een ander kan dat sport, kunst, zaken, gezin, huis zijn. Wanneer de mens het goede zicht op God kwijt is, maakt hij een god naar zijn eigen inzicht.

Dat heeft Jerobeam gedaan. Hij ontkent het bestaan van de HEERE niet, maar hij bedenkt in zijn eigen hart (1Kn 12:3333Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn [eigen] hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.) hoe de HEERE gediend moet worden en op welke plaats. Hij doet dat vanuit politieke motieven en richt een nieuw centrum van aanbidding op. Hij loochent de HEERE niet, maar naar zijn eigen inzicht maakt hij een gelijkenis van God. Daarmee is een valse voorstelling van God geboren. Het kwaad woekert voort en vindt bij Achab zijn hoogtepunt, of liever zijn dieptepunt. Dan worden er geen dingen aangebeden als voorwerpen die God moeten voorstellen, maar wordt de HEERE geheel vervangen door de afgod.

De vloek van afgoderij wordt altijd zichtbaar. De mens wordt aan zijn afgod gelijk, hij vereenzelvigt zich ermee. Een paar actuele voorbeelden. De spanning rond de duels van voetbalevenementen levert vaak een flink aantal hartaanvallen op. In de krant heeft eens een bericht gestaan dat het voor voetbalfans mogelijk was om zich in een oranje doodskist te laten begraven. Tijdens popconcerten gebeurt het dat fans onder de voet worden gelopen. Hun afgod wordt hun dood.

Er is sprake van een vicieuze cirkel: de mens maakt een afgod die gelijk is aan hemzelf en zelf gaat hij steeds meer op de door hemzelf gemaakte afgod lijken (Ps 115:4-84Hun afgoden zijn zilver en goud,
het werk van mensenhanden:
5zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet;
6zij hebben oren, maar horen niet;
zij hebben een neus, maar ruiken niet;
7hun handen, die tasten niet;
hun voeten, die gaan niet;
er komt geen geluid uit hun keel.
8Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.
)
. Ze tonen hun liefde, hun eerbied voor hun afgod door hem te kussen (1Kn 19:1818Maar Ik zal er in Israël zevenduizend overlaten, allen die de knieën niet gebogen hebben voor de Baäl, en allen van wie de mond hem niet gekust heeft.). God zegt echter: Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt, wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt. Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!” (Ps 2:1212Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!
)
.


Wie afgoderij bedrijft, vervliegt als een damp

3Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,
ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,
als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,
en als rook uit een venster.

Volharding in de zonde van vers 22En nu zijn zij doorgegaan met zondigen:
zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt
van hun zilver, en afgods[beelden] naar hun inzicht,
allemaal werk van vaklieden.
Zij zeggen van hen:
Mensen die offeren,
kussen kalveren.
zal maar één resultaat hebben. Het woord “daarom” waarmee vers 33Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,
ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,
als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,
en als rook uit een venster.
begint, wijst terug naar het vorige vers en geeft de reden voor wat volgt. Hosea schetst het resultaat in vier begrippen: “morgenwolk”, “dauw”, “kaf” en “rook”. Zo is Efraïm geworden. Al eeuwen, tot op vandaag, zijn ze onvindbaar. Ze zijn verdwenen zoals een morgenwolk verdwijnt, zoals de dauw oplost bij het opgaan van de zon, zoals het kaf wordt weggeblazen door de wind en zoals de rook wegvliegt uit de schoorsteen (vgl. Ps 68:33U verdrijft [hen], zoals rook verdreven wordt;
zoals was smelt voor vuur
komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.
)
. Efraïms voorspoed is net zo verdwenen als de genoemde dingen die geen enkel houvast geven en ongrijpbaar verdwijnen.


Er is niemand buiten God

4Maar Ik ben de HEERE, uw God, sinds het land Egypte.
Een God behalve Mij mag u daarom niet erkennen,
en buiten Mij is er geen Heiland.

Na deze voorstelling van de onbeduidende afgoden die geen enkele zekerheid en steun bieden, verschijnt hier God in al Zijn macht en majesteit. Hij verklaart Zijn Wezen en Zijn handelen. Het contrast is enorm! We moeten dat goed tot ons laten doordringen. Lees nog maar eens in de verzen 2-32En nu zijn zij doorgegaan met zondigen:
zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt
van hun zilver, en afgods[beelden] naar hun inzicht,
allemaal werk van vaklieden.
Zij zeggen van hen:
Mensen die offeren,
kussen kalveren.3Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,
ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,
als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,
en als rook uit een venster.
over de afgoden en de mensen die ze maken. Lees vervolgens nog eens wat God hier over Zichzelf zegt. Wie is dan nog zo dwaas om, in welke geringe mate ook, zijn liefde te blijven geven aan welke vorm van afgoderij dan ook?

God is de HEERE. Dat wil zeggen dat Hij in verbinding staat met Zijn volk. Hij alleen is hun God. Sinds Hij hen uit Egypte heeft verlost, hebben ze geen andere God gekend dan de HEERE, dat wil zeggen dat ze geen andere God als Helper en Redder hebben meegemaakt (Js 45:2121Maak bekend en breng naar voren,
ja, beraadslaag samen:
Wie heeft dit van oudsher doen horen?
[Wie] heeft dat van toen af bekendgemaakt?
Ben Ik het niet, de HEERE?
Buiten Mij is er geen andere God,
een rechtvaardig God, een Heiland;
er is niemand behalve Ik.
)
. Evenals in Hosea 12 zien we ook hier weer de herinnering aan het begin (Hs 12:1010Maar Ik ben de HEERE, uw God,
sinds het land Egypte.
Ik zal u weer in tenten doen wonen
zoals in de dagen van de samenkomst.
)
.

Zo is God ook de Vader van ieder die door de Heer Jezus uit de wereld verlost is, waarvan Egypte een beeld is (Gl 1:44Die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader,). Als God Zich zo heeft doen kennen, hoe zouden zij die in een betrekking tot Hem zijn gebracht, dan nog andere goden nalopen? Of zijn velen van hen die Hem belijden, vergeten dat in niemand anders de behoudenis is (Hd 4:1212En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden.)? Velen die belijden dat alleen de Heer Jezus hen heeft kunnen behouden, leven alsof hun redding toch afhangt van iets anders. Het beleven van die unieke redding door de Heer Jezus in het leven van elke dag, is voor velen te moeilijk. Het leven biedt, zo vinden zij, immers zoveel dat aangenaam is.

Er worden zoveel zekerheden aangeboden, dat het nauwelijks nog nodig is om voor de dagelijkse dingen op de Heer Jezus te vertrouwen. Het vertrouwen op Hem wordt ongemerkt losgelaten en we gaan steeds meer vertrouwen stellen op de dingen van dit leven. Zo wordt de afgoderij geboren. Daarom: terug naar de oorsprong, terug naar Hem Die ons heeft verlost.


Hij kent ons

5Ík heb u gekend in de woestijn,
in een land van droogte.

Efraïm wordt niet alleen herinnerd aan het begin. Het volk wordt ook herinnerd aan de zware tijd in de woestijn, na de verlossing uit Egypte. God heeft Zich doen kennen als niet zomaar een Vriend, maar als een Vriend in hun nood. Het woord “gekend” wil zeggen, dat Hij Zich hun lot heeft aangetrokken, dat Hij in ontferming op hen heeft neergezien als Zijn volk.

In “gekend” zit ook iets van verkiezing. In de woestijn hadden ze slechts ‘God en het zand’ en moesten ze wel van stap tot stap op Hem rekenen. Gods zorg is niet alleen waarneembaar in de verlossing, maar ook in alle zorg die daarna nodig is tijdens de reis naar het beloofde land.

Dit beginsel geldt ook voor ons. God wist hoe, bij onze bekering, de wereld voor ons zou veranderen. Eerst waren we vrienden van de wereld, we voelden ons er thuis. Nu we eruit bevrijd zijn door het verlossingswerk van de Heer Jezus is diezelfde wereld waar we onze vrienden hadden en die ons als zijn vrienden kende, veranderd in een omgeving waar we vijandschap ondervinden (Jh 16:3333Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.). Terwijl de wereld ons nu niet meer kent, is het een grote bemoediging te weten dat de Heer Jezus ons wel kent.


Het vergeten van de HEERE

6Net als hun weiden raakten zij verzadigd.
Toen zij verzadigd waren, verhief hun hart zich.
Daarom hebben zij Mij vergeten.

God heeft voor Zijn volk in de woestijn gezorgd. Dat kwam elke morgen tot uiting door het manna dat Hij hun gaf. “Net als hun weiden” ziet op de rust waarin zij verkeerden en waarin Hij hen verzadigde met manna. Ze hoefden niets anders te doen dan het te verzamelen en te nuttigen. Wat je in een woestijn niet verwacht aan te treffen, is er gewoon wel als de HEERE voor Zijn volk zorgt. De woestijn wordt dan een weldadige weideplaats.

Ze hebben Zijn zorg van stap tot stap ervaren. Maar hun reactie was dat hun hart zich verhief en dat ze Hem daarom vergaten. Je hoort als het ware de teleurstelling in de stem van God. Dit “vergeten” is dan ook een schuldig ‘vergeten’. God mocht verwachten dat het volk Hem, door al de goedheid die Hij hun had bewezen, voor altijd dankbaar zou blijven. Maar dat is niet gebeurd. Zo worden dan de ontrouw en de ondankbaarheid van het menselijk hart openbaar.

Mozes waarschuwt het volk ervoor dat ze niet moeten vergeten Wie hen zo verzorgd heeft en aan Wie ze hun zegeningen te danken hebben (Dt 8:11-2011Wees op uw hoede dat u de HEERE, uw God, niet vergeet, en daardoor Zijn geboden, Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, niet in acht neemt.12Wanneer u eet, verzadigd wordt, goede huizen bouwt en [daarin] woont,13uw runderen en uw kleinvee talrijk worden en [ook] uw zilver en goud toeneemt, ja, alles wat u hebt, talrijk wordt,14[pas ervoor op] dat uw hart zich dan niet verheft en u de HEERE, uw God, vergeet, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft;15Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, met gifslangen, schorpioenen en droogte, waar geen water was; Die uit hard gesteente water voor u liet komen,16Die u in de woestijn het manna liet eten, dat uw vaderen niet gekend hadden, opdat Hij u zou verootmoedigen en u op de proef zou stellen, om u uiteindelijk wel te doen;17en dat u [dan] niet in uw hart zegt: Mijn [eigen] kracht en de macht van míjn hand heeft dit vermogen voor mij verworven.18Maar u moet de HEERE, uw God, in gedachten houden, dat Hij het is Die u kracht geeft om vermogen te verwerven, opdat Hij Zijn verbond zou bevestigen, dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft, zoals het op deze dag [nog] is.19Als het echter gebeurt dat u de HEERE, uw God, helemaal vergeet, achter andere goden aan gaat, hen dient en u voor hen neerbuigt, dan verzeker ik u heden dat u zeker zult omkomen.20Zoals de heidenen die de HEERE van voor uw [ogen] uitgeroeid heeft, zo zult u [dan ook zelf] omkomen, omdat u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam bent geweest.). In zijn profetische blik naar de situatie die zich zal voordoen als het volk zijn woorden niet ter harte heeft genomen, wijst Mozes hen erop dat ze de HEERE zullen vergeten, omdat ze de zegeningen zullen genieten als iets van en voor henzelf alleen (Dt 32:15,1815Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
18De Rots Die u verwekt heeft, hebt u veronachtzaamd,
en u hebt de God Die u gebaard heeft, vergeten.
)
.

Evenals het volk kunnen ook wij slecht tegen ruimte, want we verdwalen erin. We kunnen slecht tegen vrijheid, want die leidt zo gemakkelijk tot losbandigheid. We kunnen ook slecht tegen overvloed, want we denken al gauw dat we de Heer niet meer nodig hebben.


Gods vergelding van hun ondankbaarheid

7Daarom werd Ik voor hen als een felle leeuw,
als een luipaard loerde Ik op de weg.
8Ik trof hen aan als een berin die van jongen beroofd is,
scheurde hun borstkas open,
verslond hen daar als een leeuwin.
De dieren van het veld zullen hen verscheuren.

De wijze waarop het volk heeft gereageerd op Gods zorg, zorgt ervoor dat de profeet opnieuw met de aankondiging van het oordeel komt. Van een goede Herder, Die Zijn volk weidt en verzadigt, wordt de HEERE nu een verscheurend dier voor Zijn volk. Door hun grove ondankbaarheid en het vergeten van Hem heeft God hen wel op die manier moeten behandelen. De leeuw, de luipaard, de berin, de leeuwin en de dieren van het veld, dat is het wild gedierte, ze komen allemaal voor in Israël. Ze staan bekend om de gruwelijke wijze waarop zij hun prooi doden.

Nog een woord over de leeuw als tegenstander van Gods volk. Als de duivel rondgaat “als een brullende leeuw” (1Pt 5:88Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, [de] duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden.), is er uitkomst bij de Heer. Maar als de Heer Zelf een brullende leeuw wordt, is er geen redding meer mogelijk. God stelt Zich tegenover Zijn volk vaker zo op (Hs 5:1414Want Ik zal voor Efraïm zijn als een felle leeuw,
voor het huis van Juda als een jonge leeuw.
Ik, Ik verscheur en ga;
Ik sleep weg en er zal geen redder zijn.
)
.


God als Helper

9Het is uw verderf, Israël,
[dat u zich keert] tegen Mij, tegen uw hulp!

Als iemand hulp nodig heeft, maar hij wijst die hulp bewust af, is dat de oorzaak van zijn verderf. De enige hoop en hulp voor het zondige volk is gelegen in de soevereine genade van God. Ze gaan daaraan niet alleen voorbij, ze keren zich zelfs tegen Hem. Deze houding staat gelijk aan het plegen van zelfmoord, zowel in nationaal als in geestelijk opzicht. Ze hebben hun verderf aan zichzelf te wijten, juist omdat ze hun enige Helper bewust afwijzen. De gedachte is dat zij ten onder zullen gaan omdat zij in opstand tegen God leven, terwijl ze juist alle hulp van Hem nodig hebben.


Eigen keus geeft geen steun

10Waar blijft uw koning nu?
Hij zou u toch verlossen in al uw steden?
En uw richters, tegen wie u gezegd had:
Geef mij een koning en vorsten?

Het volk heeft geen behoefte meer aan God als hun Helper. Ze wijzen Hem bewust af. Als reactie op hun houding vraagt de HEERE nu spottend naar hun koning. Juist nu moeten ze immers verlost worden van hun vijand? Maar geen mens kan Hem vervangen. Daarom kan hun koning niets voor hen doen, net zomin als de vorsten, dat zijn allen die verantwoordelijkheid dragen in het bestuur van het land. En om zulke mensen hebben ze zelf gevraagd (1Sm 8:4-84Toen kwamen alle oudsten van Israël bijeen, en zij kwamen bij Samuel in Rama.5Zij zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een koning over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken.6Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons leiding te geven, was dit woord kwalijk in de ogen van Samuel. En Samuel bad tot de HEERE.7Maar de HEERE zei tegen Samuel: Geef gehoor aan de stem van het volk in alles wat zij tegen u zeggen; want zij hebben ú niet verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn.8Overeenkomstig alles wat zij [Mij] aangedaan hebben, vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte geleid heb tot deze dag toe, door Mij te verlaten en andere goden te dienen, doen zij nu ook u aan.; 1Kn 12:8-168Maar hij verwierp de raad van de oudsten, die zij hem hadden gegeven, en pleegde overleg met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en bij hem in dienst waren.9Hij zei tegen hen: Wat raadt u aan dat wij dit volk zullen antwoorden, dat tot mij sprak: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?10De jonge mannen, die met hem waren opgegroeid, spraken tot hem: Dit moet u zeggen tegen dat volk, dat tot u heeft gesproken: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het voor ons lichter. Dit moet u tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader.11Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk [nog meer] toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.12Toen kwam Jerobeam met heel het volk bij Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning had gesproken: Kom op de derde dag bij mij terug.13En de koning gaf het volk een hard antwoord, want hij verwierp de raad van de oudsten die hem raad gegeven hadden.14Hij sprak tot hen overeenkomstig de raad van de jonge mannen: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ík zal aan uw juk [nog meer] toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.15Dus luisterde de koning niet naar het volk. Deze ommekeer kwam namelijk van de HEERE, opdat Hij Zijn woord gestand zou doen dat de HEERE door de dienst van Ahia uit Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, had gesproken.16Toen heel Israël zag dat de koning niet naar hen geluisterd had, gaf het volk de koning ten antwoord:
Wat voor deel hebben wij aan David?
Wij hebben geen erfelijk bezit met de zoon van Isaï.
Naar uw tenten, Israël!
Zorg nu voor uw eigen huis, David!
En Israël ging naar zijn tenten.
)
!


God gaf een koning en nam hem weer weg

11In Mijn toorn gaf Ik u een koning,
Ik nam [hem] weg in Mijn verbolgenheid.

Dit vers heeft betrekking op Saul. Het volk wil een koning en God geeft hun Saul als koning (1Sm 8-10). God doet dat niet van harte, maar in Zijn toorn. Het verzoek van het volk is niet gebaseerd op geloof, maar op ongeloof. God geeft Zijn volk een koning naar hun eigen ‘smaak’. Saul blijkt een koning te zijn die uiteindelijk met God en Zijn wil geen rekening houdt. Hij staat daarmee model voor het hele volk.

Zo’n koning kan God niet handhaven. Hij neemt Saul weg, verbolgen als Hij is over diens ongehoorzaamheid (1Kr 10:13-1413Zo stierf Saul vanwege zijn trouwbreuk, die hij tegenover de HEERE had gepleegd, vanwege het woord van de HEERE, dat hij niet in acht had genomen, en ook omdat hij een dodenbezweerder had geraadpleegd,14en niet de HEERE had geraadpleegd. Daarom doodde Hij hem en liet Hij het koningschap overgaan op David, de zoon van Isaï.). Hetzelfde geldt voor de koningen die over het tienstammenrijk regeren. Iedere koning is onder toelating van God op de troon gekomen. Maar omdat ze ontrouw zijn, laat God ook toe dat ze weer verdwijnen, op welke manier dan ook. Velen sterven een gewelddadige dood.

De les voor ons is dat God soms gehoor geeft aan wat we dwingend vragen. Maar Hij doet dat, opdat we door de verhoring zullen ervaren hoe groot de dwaasheid van ons vragen is geweest. Beslissend is niet wat we vragen, maar hoe we vragen en met welk doel.


Wat verborgen is, komt aan het licht

12De ongerechtigheid van Efraïm is gebundeld,
zijn zonde is opgeborgen.

In plaats van met zijn zonde voor de dag te komen en die te belijden volhardt Efraïm in zijn zonde en verbergt die. Zo gaat Efraïm om met zijn zonde. Maar God bewaart Efraïms zonde ook. De door Hosea gekozen woorden doen denken aan het oosters gebruik om geld en andere waardevolle dingen in een bundel samen te binden en ergens weg te leggen. Dat gebeurt voor de veiligheid.

De gedachte is dat God de zonden die Efraïm heeft gedaan en niet wil loslaten, als een bundel ongerechtigheid bewaart en verbergt tot de dag van de vergelding (vgl. Dt 32:33-3433Hun wijn is slangenvergif,
en een venijnig gif van adders.
34Is dat niet bij Mij opgeborgen,
verzegeld in Mijn schatkamers?
)
. Zonden die niet zijn beleden, zullen eens rechtvaardig geoordeeld worden. Aan de andere kant weten we dat wat beleden is, door God echt wordt weggedaan: “Ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee” (Mi 7:19b19Hij zal Zich weer over ons ontfermen,
Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,
ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.
)
.


Barensweeën, maar geen nieuw leven

13Barensweeën zullen hem overkomen;
hij is een kind zonder verstand:
als het [zijn] tijd is, vertoont hij zich niet,
wanneer [de schoot] zich voor kinderen ontsluit.

Barensweeën geven enerzijds een tijd van benauwdheid aan en anderzijds zijn het ‘boodschappers’ van nieuw leven. Als Hizkia zich in vergelijkbare omstandigheden bevindt als hier de tien stammen, zendt hij een boodschap naar Jesaja waarin hij zijn situatie ook beschrijft als die van een vrouw die op het punt staat om te baren (Js 37:33Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.). Uit het vervolg blijkt dat God het gebed van Hizkia verhoort en uitredding geeft. Hizkia en zijn volk krijgen als het ware nieuw leven omdat God de dreiging van de dood van Hizkia heeft doen wijken.

Het volk tot wie Hosea zich richt, reageert echter niet op die manier. De vijand, Assyrië, bedreigt ook hen. De benauwdheid, de dreiging van de dood, is volop aanwezig. Maar in plaats van dat er nieuw leven komt, gaan hier moeder en kind beiden ten onder. Ze nemen niet de toevlucht tot de HEERE.

De illustratie die Hosea gebruikt, is in zekere zin ongewoon. Hij vergelijkt Israël zowel met een vrouw in barensnood als met een kind dat geboren wordt. Van dit kind zegt Hosea dat het een onverstandig kind is, want “als het [zijn] de tijd is, vertoont het zich niet”. Dit betekent dat God straf over het volk brengt, opdat het herboren zal worden, zodat het Hem weer zal volgen zoals Hij dat graag wil. Maar ze zijn zo dwaas om deze gelegenheid niet aan te grijpen. God heeft, steeds met dit doel voor ogen, Zijn volk al op verschillende manieren getuchtigd, maar steeds zonder resultaat.


De dood heeft niet het laatste woord

14Ik zal hen verlossen uit de macht van het graf.
Ik zal hen vrijkopen uit de dood.
Dood, waar zijn uw pestziekten?
Graf, waar is uw verderf?
Berouw verbergt zich voor Mijn ogen!

Het eerste deel van het vers spreekt over het volk dat wordt verlost van de macht van het graf en van de dood. Het is bedoeld als een bemoediging voor de Godvrezenden onder het volk, om de gedachte bij hen weg te nemen dat zij mogelijk ook tot het “kind zonder verstand” van het vorige vers zouden behoren. Hun gevreesde vijanden zullen nooit macht krijgen over een volk dat door God is verlost. Het zijn gedachten die verwijzen naar de heerlijke toekomst die voor het volk is weggelegd.

Hier is, te midden van de oordelen die vlak voor de deur staan, zomaar weer een belofte voor de toekomst. Opnieuw en ongevraagd wil God Zijn volk bemoedigen. De totale hopeloosheid van de mens is voor God dé gelegenheid om voor Zijn volk aan het werk te gaan.

In 1 Korinthiërs 15 haalt Paulus dit vers uit Hosea aan. Eerst zegt hij dat de dood verslonden is tot overwinning (1Ko 15:5454En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’.). Dat zal gezien worden bij de komst van Christus. Dan wordt het resultaat van het werk van “onze Heiland Christus Jezus, Die de dood tenietgedaan en leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht heeft” (2Tm 1:1010maar die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland Christus Jezus, Die de dood tenietgedaan en leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht heeft door het evangelie,) volledig zichtbaar. Alle levenden die in Hem geloven, zullen bij Zijn komst worden veranderd en alle doden die in het geloof in Hem zijn gestorven, zullen worden opgewekt. Dan is het bewijs geleverd dat door de dood en de opstanding van Christus de dood is verslonden tot overwinning.

Dan kan Paulus ook, als een soort overwinningsroep, naar aanleiding van ons vers hier in Hosea, zeggen: “Waar is, dood, uw prikkel? Waar is, dood, uw overwinning?” (1Ko 15:5555‘Waar is, dood, uw prikkel? Waar is, dood, uw overwinning?’). Wat door Paulus uit Hosea wordt geciteerd en wordt gebruikt in verband met de opstanding uit de doden van hen die tot gemeente behoren, geldt ook in letterlijke zin voor het Israël van de toekomst. Als alles verloren lijkt, als de dood van alle kanten Zijn volk bedreigt, zal het volk door Christus verlost worden (Js 25:8-98Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.
9Op die dag zal men zeggen:
Zie, Dit is onze God;
wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen.
Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht,
wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.
)
. Ook de uiteindelijke bevrijding van Israël is gebaseerd op de opstanding van de Heer Jezus (Hs 6:22Na twee dagen zal Hij ons levend maken,
op de derde dag zal Hij ons doen opstaan
en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
)
.

Als de HEERE de zaak in de hand neemt, zal Hij niet alleen de vijanden, maar ook dood en graf onderwerpen. De vertalingen die dit vers ten gunste van Israël vertalen, besluiten met: “Berouw verbergt zich voor Mijn ogen!” Dat wil zeggen dat bij de terugkeer en de bevrijding van het volk God hen zal herstellen zonder daar berouw over te hebben.


Droogte en plundering

15Ook al draagt hijzelf tussen broeders vrucht,
de oostenwind zal komen,
de adem van de HEERE,
die opsteekt uit de woestijn.
Zijn bron zal uitdrogen
en zijn wel droogvallen.
Die zal de schat plunderen
van al zijn kostbare voorwerpen.

Het vrucht dragen verwijst mogelijk naar de tijd van voorspoed onder Jerobeam II. Al zou die tijd nog eens komen, dan zou ook daaraan weer een einde komen. Met de oostenwind worden de Assyriërs bedoeld, die in het jaar 722 v.Chr. als een sirocco, de al eerdergenoemde verzengende woestijnwind, het volk zullen wegvoeren. Deze oordeelswind wordt “de adem van de HEERE” genoemd, omdat dit oordeel van Hem uitgaat. God noemt Assyrië “de roede van Mijn toorn” (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
die Hij op Zijn volk zal afsturen (Js 10:66Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.
).

Door het optreden van Assyrië zullen “bron” en “wel” opdrogen. Heel het land zal verdorren bij gebrek aan water. Ook zal het volk al zijn kracht en voorspoed verliezen. De weg die van God afvoert, is een weg vol verlies en verderf.


Lees verder