Ezra
Inleiding 1-5 Ezra hoort van de gemengde huwelijken 6-15 Gebed van Ezra
Inleiding

Wie het welzijn zoekt van Gods volk, moet op zijn weg beproeving en droefheid verwachten. Bij hen die zojuist in Jeruzalem zijn teruggekeerd, is verootmoediging, vasten en smeking aanwezig. In Jeruzalem treffen zij echter een heel andere gezindheid aan. Hun komst is de aanleiding van het openbaren van zonde die ingang heeft gevonden. Dat zien we in dit hoofdstuk.

Het kan zijn dat gelovigen op zoek gaan naar een plaats waar de gemeente samenkomt zoals de Schrift dat aangeeft. Als ze een dergelijke plaats hebben gevonden, kan soms blijken dat er wel de belijdenis en de uiterlijke vorm is, maar dat de harten niet op de Heer Jezus zijn gericht. Soms moeten ze opmerken dat er zijn die minder geestelijk zijn en minder ijverig voor de Heer dan sommigen van hen die zij hebben moeten achterlaten.

Dan moet de test van de waarheid van Gods Woord worden toegepast. Als er met de waarheid wordt gediend, zal blijken of men alleen nog een belijdenis heeft of dat er toch werkelijk een verlangen is om naar de Schrift als gemeente samen te komen. In dit en het volgende hoofdstuk zien we dat Ezra de waarheid van Gods Woord op de ontstane situatie toepast.


Ezra hoort van de gemengde huwelijken

1Toen deze [dingen] voltooid waren, traden de vorsten op mij toe en zeiden: Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van de landen [rondom] wat hun gruwelen betreft, [namelijk] van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. 2Zij hebben immers uit hun dochters voor zichzelf en voor hun zonen [vrouwen] genomen en hebben het heilige zaad vermengd met de volken van de landen [rondom], en de vorsten en de machthebbers hebben als eersten de hand gehad in deze trouwbreuk. 3Toen ik deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel en ik trok haar van mijn hoofd en uit mijn baard, en ging ontzet zitten. 4Allen die beefden voor de woorden van de God van Israël, verzamelden zich bij mij vanwege de trouwbreuk van de ballingen, en ik bleef ontzet zitten, tot het avondoffer. 5Tegen het avondoffer stond ik op uit mijn verootmoediging, waarbij ik mijn kleed en mijn mantel had gescheurd, en ik boog mij op mijn knieën en spreidde mijn handen uit tot de HEERE, mijn God.

Zodra Ezra in Jeruzalem is aangekomen, wordt hij geconfronteerd met het kwaad dat zijn intrede heeft gedaan. Er wordt hem verteld hoe het met het volk staat (vgl. 1Ko 1:1111Want mij is over u bekendgemaakt, mijn broeders, door de [huisgenoten] van Chloë, dat er twisten onder u zijn.). De aankomst en handelwijze van het nieuwe overblijfsel brengen het kwaad aan het licht. De wet is gebroken door huwelijken aan te gaan die door de wet verboden zijn (Ex 34:12-1612Wees op uw hoede dat u geen verbond sluit met de inwoners van het land waarin u komt, anders zullen zij in uw midden tot een valstrik worden.13Maar hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan en hun gewijde palen omhakken,14– want u mag zich niet neerbuigen voor een andere god: de Naam van de HEERE is immers de Na-ijverige. Een na-ijverig God is Hij –15anders sluit u [misschien] een verbond met de inwoners van het land. Wanneer zij immers als in hoererij achter hun goden aangaan en aan hun goden offers brengen, zou men u kunnen uitnodigen en zou u van hun offer eten.16Dan zou u van hun dochters [vrouwen] nemen voor uw zonen. Hun dochters zouden als in hoererij achter hun goden aangaan, en uw zonen als in hoererij achter hun goden aan laten gaan.). Deze verboden huwelijken zijn een beeld van vriendschap met de wereld (Jk 4:44Overspeligen, weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God.; vgl. 2Ko 6:14-1514Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?).

De genoemde volken zijn allemaal volken die in de dagen van Jozua overwonnen hadden moeten zijn (Dt 7:1-61Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,2en [wanneer] de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.3U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.4Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u [al] snel wegvaagt.5Maar zo moet u met hen doen: hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen omhakken en hun beelden met vuur verbranden.6Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.). Het volk is uiterlijk dicht bij God, maar innerlijk is het ver van Hem verwijderd. Niet alleen het gewone volk, maar zelfs priesters en Levieten hebben zich bezondigd. Dit kwaad wordt pas als kwaad ontmaskerd als er trouwe mensen komen die Gods Woord als norm hanteren. Onder hen die belijden tot de Naam van de Heer Jezus samen te komen, kan het grofste kwaad zich openbaren als er geen wandel met Hem is. Trouwe mensen in de plaatselijke gemeente zullen dat kwaad aan de kaak stellen.

De oversten en overheden zijn zelfs de eersten in de ontrouw geweest (vers 22Zij hebben immers uit hun dochters voor zichzelf en voor hun zonen [vrouwen] genomen en hebben het heilige zaad vermengd met de volken van de landen [rondom], en de vorsten en de machthebbers hebben als eersten de hand gehad in deze trouwbreuk.). Door hun slechte voorbeeld hebben zij velen op het pad van de zonde gebracht. Zij die heel nauwgezet zijn om als gemeente geen verbinding met de wereld aan te gaan, doen dit soms wel in hun zaken of zelfs in hun huwelijk. Het aanwezige overblijfsel is wel met hun lichamen uit Babel gegaan, maar de geest van Babel is nog in hen.

Hun verbindingen stellen voor ons niet direct persoonlijke verbindingen voor, maar vooral beginselen die tegenover het “heilige zaad” staan. Wetticisme is bijvoorbeeld zo'n vreemde vrouw. Daarmee hebben de Galaten zich verbonden, zoals vandaag nog velen in de christenheid doen. Door middel van zijn brief aan hen wil Paulus hen ertoe brengen deze ‘vreemde vrouw’ uit te drijven. In de eerste brief aan de Korinthiërs zien we die ‘vreemde vrouwen’ bijvoorbeeld in het gebruik van verkeerde bouwmaterialen (1Ko 3:12-1712Als nu iemand op het fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stro, –13ieders werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen, omdat deze in vuur geopenbaard wordt, en hoe ieders werk is, <dat> zal het vuur beproeven.14Als iemands werk dat hij daarop gebouwd heeft, zal blijven, zal hij loon ontvangen;15als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, maar zo als door vuur heen.16Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?17Als iemand de tempel van God verderft, God zal hem verderven. Want de tempel van God is heilig, en dat bent u.), waarin we het gebruik van vreemde methoden in de (op)bouw van de gemeente kunnen zien.

Ezra is verbijsterd (vers 33Toen ik deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel en ik trok haar van mijn hoofd en uit mijn baard, en ging ontzet zitten.). Is het mogelijk dat dit overblijfsel, door God uit het vuur gerukt, de hand vergeten heeft van Hem Die het heeft bevrijd, dat zij trouwen met dochters van vreemde goden? Ezra is een man die in gemeenschap met God leeft. Hij voelt als geen ander de ernst en diepte van de zonde. Hij ook alleen kan zich met die zonde van anderen vereenzelvigen, zoals we ook zien bij Daniël, Nehemia, Mozes.

Ezra verootmoedigt zich persoonlijk, terwijl hij de zonde van het volk als de zijne draagt. Als er zonde te midden van Gods volk openbaar wordt, worden we niet in de eerste plaats opgeroepen om te handelen, maar om ons te verootmoedigen. Ezra geeft aan zijn verootmoediging uiting door het scheuren van zijn kleed en zijn mantel en het uittrekken van haar uit zijn hoofd en zijn baard. Hij slaat eerst zichzelf in plaats van direct op de schuldigen af te gaan om hen te straffen. Zo gaat hij zitten.

Door het gedrag van Ezra wordt het geweten van anderen geoefend. Na de persoonlijke verootmoediging van Ezra komen er meer die zich hierin bij hem aansluiten (vers 44Allen die beefden voor de woorden van de God van Israël, verzamelden zich bij mij vanwege de trouwbreuk van de ballingen, en ik bleef ontzet zitten, tot het avondoffer.). Zij “beefden voor de woorden van de God van Israël” (vgl. Js 66:2b2Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
, wat aangeeft dat ook zij treuren over de toestand van het volk. Door de openlijke afschuw en het verdriet over de zonde die Ezra laat zien, komen anderen bij hem. Het verdriet over “de trouwbreuk van de ballingen” verenigt hen in verootmoediging voor de HEERE. Een breuk in trouw aan de HEERE is een groot kwaad. Ontrouw in een relatie is uiterst pijnlijk en grievend voor de persoon die dit wordt aangedaan. Ezra en de anderen voelen hier mee met Gods smart. Tevens erkennen zij dat hiervoor Gods toorn over hen moet komen.

Op het tijdstip van het avondoffer stort Ezra de diepe droefheid van zijn hart uit voor God. Enerzijds is hij diep bedroefd om de zonde van het volk. Anderzijds grijpt hij de kracht van het avondoffer – dat is het dagelijks avondbrandoffer – aan om tot God te naderen met het oog op de bedreven zonden (vgl. 1Sm 7:99Toen nam Samuel een melklammetje en offerde het in zijn geheel als brandoffer voor de HEERE. Samuel riep tot de HEERE voor Israël en de HEERE verhoorde hem.; 1Kn 18:3636En het gebeurde, toen men het graanoffer bracht, dat de profeet Elia naar voren kwam en zei: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat het heden bekend worden dat U God bent in Israël, en ik Uw dienaar, en dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan.; Dn 9:2121terwijl ik [mijn] gebed uitsprak, kwam de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen gezien had, snel aangevlogen [en] raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer.; Hd 10:33zag in een gezicht duidelijk omstreeks [het] negende uur van de dag een engel van God bij zich binnenkomen, die tot hem zei: Cornelius!). Dit laat ons in beeld zien dat men boven het falen van het geheel wordt uitgetild als Christus en Zijn werk voor God voor het hart worden geplaatst. Belijdenis van zonde in het licht van het offer van Christus is de basis voor God om aan de zonde van Zijn volk voorbij te gaan.

Tegen de tijd dat het avondoffer wordt gebracht, staat Ezra uit zijn verootmoediging op (vers 55Tegen het avondoffer stond ik op uit mijn verootmoediging, waarbij ik mijn kleed en mijn mantel had gescheurd, en ik boog mij op mijn knieën en spreidde mijn handen uit tot de HEERE, mijn God.). Hij heeft een gebroken hart vanwege de zonde van het volk. Hij weet ook waar alleen hulp te vinden is. Het avondoffer is de enige grond waarop God de ontrouw van Zijn volk kan verdragen. Het avondoffer spreekt van het offer van Christus Die op het tijdstip van het avondoffer, het derde uur, geen antwoord van God heeft gekregen omdat Hij tot zonde werd gemaakt (2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.). Omdat Hij geen antwoord heeft gekregen, kan God Elia en Daniël en Ezra antwoord geven op hun gebed.

Het zelfstandig naamwoord “verootmoediging” komt in de Bijbel alleen hier voor bij Ezra. Het is de uitdrukking van het ervaren van het kwaad in Gods volk op een wijze die in overeenstemming is met Wie God is. Iemand die het kwaad zo aanvoelt, kan door God worden gebruikt als Zijn werktuig ten gunste van Zijn volk. In die gezindheid buigt Ezra zijn knieën en spreidt zijn handen uit tot de HEERE, zijn God om voor het volk te bidden. Wat een aangrijpend voorbeeld voor ons! Hoe ver staan we daar vaak vanaf. Mocht het ons verlangen zijn hierin meer op Ezra te gaan lijken.


Gebed van Ezra

6En ik zei: Mijn God, ik ben [te zeer] beschaamd en te schande geworden om mijn gezicht tot U op te heffen, mijn God, want onze ongerechtigheden zijn talrijk geworden, tot boven [ons] hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel. 7Vanaf de dagen van onze vaderen zijn wij in grote schuld tot op deze dag, en door onze ongerechtigheden zijn wij overgegeven, wij, onze koningen [en] onze priesters, in de hand van de koningen van de landen [rondom], aan het zwaard, aan gevangenschap en aan plundering en openlijke schande, zoals op deze dag. 8En nu was er voor een klein ogenblik genade van de HEERE, onze God, om ons [gelegenheid tot] ontkoming te laten en om ons vastheid te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, onze God, en ons enige opleving te geven in onze slavernij. 9Want wij zijn [wel] slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten, maar heeft Hij ons goedertierenheid bewezen bij de koningen van Perzië, door ons [enige] opleving te geven om het huis van onze God te doen herrijzen en om de ruïnes ervan te herstellen, door ons een omheining te geven in Juda en in Jeruzalem. 10En nu, wat zullen wij hierop zeggen, onze God? Wij hebben immers Uw geboden verlaten, 11die U had gegeven door de dienst van Uw dienaren, de profeten, door te zeggen: Het land dat u binnengaat om het in bezit te nemen, is een onrein land, door de onreinheid van de volken van de landen [rondom], door hun gruwelen, waarmee zij het hebben gevuld van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinheid. 12Welnu, u mag uw dochters niet aan hun zonen geven, en hun dochters mag u niet [ten huwelijk] nemen voor uw zonen; u mag tot in eeuwigheid niet naar hun welstand streven, of naar het goede voor hen, opdat u sterk zult zijn en het beste van het land zult eten, en het uw kinderen in bezit zult geven tot in eeuwigheid. 13Na alles wat door onze slechte daden en door onze grote schuld over ons gekomen is – terwijl, U, onze God, verhinderd hebt dat wij ten onder zouden gaan vanwege onze ongerechtigheden, en U ons [gelegenheid tot] ontkoming gegeven hebt zoals deze – 14zullen wij [dan] terugkeren om Uw geboden te breken en om huwelijksbanden aan te gaan met de volken [die] deze gruwelen [doen]? Zou U [dan] niet tot vernietigens toe op ons toornen, zodat er geen overblijfsel of ontkoming meer zou zijn? 15HEERE, God van Israël, U bent rechtvaardig, want er is ons [gelegenheid tot] ontkoming gelaten, zoals op deze dag. Zie ons voor Uw aangezicht in onze schuld, want er is niemand die hierom voor Uw aangezicht staande kan blijven.

Ezra maakt zich een met het volk en spreekt over “onze ongerechtigheden” en “onze schuld” (vers 66En ik zei: Mijn God, ik ben [te zeer] beschaamd en te schande geworden om mijn gezicht tot U op te heffen, mijn God, want onze ongerechtigheden zijn talrijk geworden, tot boven [ons] hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel.), ondanks het feit dat hij nog maar ongeveer een week bij hen is. Daarin ligt het geheim van zijn geestelijke kracht en is hij een echte priester voor God ten behoeve van Gods volk. Door zich een te maken met de zonden van het volk eet hij als het ware het zondoffer (Lv 6:2626De priester die het als zondoffer offert, moet het [ook] eten. Op de heilige plaats moet het gegeten worden, in de voorhof van de tent van ontmoeting.). Alleen zo kunnen ook wij voor God komen met de dingen die in het midden van de gelovigen met wie wij samenkomen, niet goed zijn.

Ezra gaat ver terug om de wortel van de huidige zonde te vinden (vers 77Vanaf de dagen van onze vaderen zijn wij in grote schuld tot op deze dag, en door onze ongerechtigheden zijn wij overgegeven, wij, onze koningen [en] onze priesters, in de hand van de koningen van de landen [rondom], aan het zwaard, aan gevangenschap en aan plundering en openlijke schande, zoals op deze dag.). De hele geschiedenis van Gods volk is een geschiedenis van zonde. De koningen en de priesters hebben daarin een grote, negatieve rol gespeeld. Zij zijn het volk voorgegaan op die weg van zonde. Denk maar aan Salomo met zijn vele vrouwen en hun afgoden die hij met liefde heeft aangehangen. Bij hem zien we hoezeer het liefhebben van vreemde vrouwen ook liefde voor de afgoden van deze vrouwen betekent (1Kn 11:1-2,4a1Koning Salomo had veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische [vrouwen],2uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde.4Het was in de tijd van Salomo’s ouderdom [dat] zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David,).

Vaak is het volk in de hand van vijandige koningen gegeven, die zwaard, gevangenschap, plundering en openlijke schande over hen brachten. Dit is nog steeds zo op het moment dat Ezra zich verootmoedigt en zijn belijdenis uitspreekt. Voor de gemeente geldt hetzelfde. In het begin al is de eerste liefde verlaten en de gemeente is daar als geheel nooit naar teruggekeerd.

Na de erkenning van Gods tucht vanwege de zonden van het volk spreekt Ezra over de genade van God (vers 88En nu was er voor een klein ogenblik genade van de HEERE, onze God, om ons [gelegenheid tot] ontkoming te laten en om ons vastheid te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, onze God, en ons enige opleving te geven in onze slavernij.). Die genade is duidelijk aanwezig in de opwekking die God Zijn volk heeft geschonken. In de wijze waarop Ezra daarover tot de HEERE spreekt, beluisteren we grote bescheidenheid. Er is geen enkel gevoel van trots, alsof de opwekking verdiend zou zijn of aan eigen inspanningen te danken is. Nee, God heeft gelegenheid tot “ontkoming” gegeven. Hij heeft Zijn volk vastheid gegeven in Zijn heilige plaats. De “opleving”, waarvan Ezra zegt dat het “[enige] opleving” is, is het gevolg van Gods genadige werk. Hier klinkt die bescheidenheid door.

Als we een opleving in de plaatselijke gemeente mogen beleven, zal die, als het goed is, ook door ons worden ervaren als een grote genade die God geeft. Er is geen enkel recht op nog een opleving. We mogen er wel voor bidden dat we in ons persoonlijk geloofsleven meer opleving ervaren. Dat zal samengaan met ijverige studie van Gods Woord en een leven waarin Christus en Zijn wil centraal staan. Als dat in de persoonlijke levens gebeurt, zal dat ongetwijfeld doorwerken in de plaatselijke gemeente.

Ezra is zich ervan bewust dat hij en Gods volk slaven van de volken zijn (vers 99Want wij zijn [wel] slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten, maar heeft Hij ons goedertierenheid bewezen bij de koningen van Perzië, door ons [enige] opleving te geven om het huis van onze God te doen herrijzen en om de ruïnes ervan te herstellen, door ons een omheining te geven in Juda en in Jeruzalem.). God heeft hun die positie moeten geven vanwege hun ontrouw. Ezra komt daar niet tegen in opstand, maar erkent de rechtvaardigheid ervan en buigt zich eronder. Het is mooi dat hij ook kan zeggen dat God hen in die positie van slavernij niet heeft verlaten. Wij kunnen de omstandigheden niet veranderen, maar we kunnen wel God bij onze omstandigheden betrekken, zodat we er met Hem doorheen kunnen gaan.

Met dankbaarheid herinnert hij aan de goedertierenheid van God die Hij Zijn volk heeft bewezen bij de heidense overheersers. Die goedertierenheid is niet dat God Zijn volk uit de slavernij bevrijdt, maar dat Hij een kleine opleving heeft gegeven ”om het huis van onze God te doen herrijzen en om de ruïnes ervan te herstellen, door ons een omheining te geven in Juda en in Jeruzalem”. Het hart van Ezra is vol van Gods huis, Gods land en Gods stad, ondanks de ellendige omstandigheden.

Nadat hij over Gods genade heeft gesproken, spreekt hij weer over de zonde van het volk, die juist tegen de achtergrond van de betoonde genade des te ernstiger uitkomt. Hij weet niet wat hij moet zeggen (vers 1010En nu, wat zullen wij hierop zeggen, onze God? Wij hebben immers Uw geboden verlaten,). Hij kan alleen maar concreet noemen waarin hij en het volk hebben gezondigd. De samenvatting ervan is dat het volk de geboden van God heeft verlaten. Ongehoorzaamheid aan wat God heeft gezegd, is de oorsprong van de zonde. Door ongehoorzaamheid aan Gods gebod is de zonde in de wereld gekomen (Gn 2:1717maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.; 3:66En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook [wat] aan haar man, die bij haar was, en hij at [ervan].; Rm 5:19a19Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens de velen tot zondaars zijn gesteld, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene de velen tot rechtvaardigen gesteld worden.).

Onbekendheid met Gods geboden kan niet als excuus worden aangevoerd. God heeft door Zijn dienaren, de profeten, het volk gewaarschuwd voor de gevaren van het land dat ze in bezit gingen nemen (vers 1111die U had gegeven door de dienst van Uw dienaren, de profeten, door te zeggen: Het land dat u binnengaat om het in bezit te nemen, is een onrein land, door de onreinheid van de volken van de landen [rondom], door hun gruwelen, waarmee zij het hebben gevuld van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinheid.). De nadruk ligt daarbij op onreinheid. Het woord ‘onrein’ wordt in dit ene vers liefst drie keer genoemd. Verontreiniging door omgang met de wereld en het overnemen van het gedachtegoed van de wereld veroorzaken een afnemend besef van Gods heiligheid. Als we onszelf niet rein van de wereld bewaren (Jk 1:2727Reine en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen te bezoeken in hun verdrukking [en] zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren.), zullen we ons aan de wereld aanpassen en met de wereld aanpappen.

God heeft tegen Zijn volk gezegd dat zij zich niet door huwelijken met de heidenvolken mogen verbinden (vers 1212Welnu, u mag uw dochters niet aan hun zonen geven, en hun dochters mag u niet [ten huwelijk] nemen voor uw zonen; u mag tot in eeuwigheid niet naar hun welstand streven, of naar het goede voor hen, opdat u sterk zult zijn en het beste van het land zult eten, en het uw kinderen in bezit zult geven tot in eeuwigheid.). Ze mogen zelfs tot in eeuwigheid niet naar de welstand of het goede voor die volken streven. Er is een eeuwige scheiding tussen Gods volk en de wereld. Alleen door het handhaven van die scheiding zullen we drie heerlijke zegeningen ontvangen:
1. We zullen sterk zijn,
2. het beste van het land eten en
3. onze kinderen het land tot in eeuwigheid in bezit geven.

Helaas is Gods volk toen en zijn velen van Gods volk nu door verkeerde verbindingen – voor ons: met de wereld – hun geestelijke kracht kwijtgeraakt. Ze genieten niet meer van het goede voedsel van het land en verspelen ook het bezit van het land voor hun nakomelingen. Hun kinderen hebben geen waardering voor een erfdeel, een verblijf in het land.

Ezra erkent nog eens dat de grote schuld die over hen is gekomen, is veroorzaakt door hun slechte daden (vers 1313Na alles wat door onze slechte daden en door onze grote schuld over ons gekomen is – terwijl, U, onze God, verhinderd hebt dat wij ten onder zouden gaan vanwege onze ongerechtigheden, en U ons [gelegenheid tot] ontkoming gegeven hebt zoals deze –). Tegelijk ziet hij de grote genade van God, dat Hij hen niet helemaal aan hun ongerechtigheden heeft prijsgegeven. God heeft in Zijn toorn aan ontferming gedacht (Hk 3:22HEERE, [toen] ik Uw tijding hoorde,
heb ik gevreesd.
HEERE, Uw werk, behoud het in het leven in het midden van de jaren,
maak [het] bekend in het midden van de jaren.
Denk in [Uw] toorn aan ontferming!
e)
. Hij heeft een mogelijkheid tot “ontkoming” uit de gevangenschap gegeven, waarvan door een overblijfsel gebruik is gemaakt. Daarmee bedoelt Ezra zowel de eerste uittocht uit Babel als zijn eigen uittocht uit Babel.

Het licht van die grote ontferming die God heeft bewezen ondanks alle en steeds terugkerende ontrouw van Zijn volk, schijnt in de ziel van Ezra. In dat licht moet het toch onmogelijk zijn, zo zegt Ezra, om opnieuw Gods geboden te breken en weer huwelijksbanden aan te gaan met de volken [die] deze gruwelen [doen]” (vers 1414zullen wij [dan] terugkeren om Uw geboden te breken en om huwelijksbanden aan te gaan met de volken [die] deze gruwelen [doen]? Zou U [dan] niet tot vernietigens toe op ons toornen, zodat er geen overblijfsel of ontkoming meer zou zijn?)? Dat is zondigen tegen de genade. Als dat gebeurt, moet Gods oordeel ten volle komen over het overblijfsel, zonder dat er nog ontkoming voor een enkeling kan zijn.

Ezra rechtvaardigt God in Zijn handelen met Zijn volk (vers 1515HEERE, God van Israël, U bent rechtvaardig, want er is ons [gelegenheid tot] ontkoming gelaten, zoals op deze dag. Zie ons voor Uw aangezicht in onze schuld, want er is niemand die hierom voor Uw aangezicht staande kan blijven.). Hij spreekt het in dit vers uit, maar zijn hele gebed ademt die geest. Tot het rechtvaardig handelen van God hoort ook het laten bestaan van de gelegenheid tot ontkoming, zoals in het geval van Ezra en de zijnen. Gods genade is altijd gebaseerd op recht. Hij ziet zonde niet door de vingers, maar vergeeft en rechtvaardigt op grond van het werk van Zijn Zoon.

De plaats van schuldbelijdenis is altijd de plaats zowel van geestelijke kracht als van herstel. Ezra is niet alleen onder de indruk van de zonde van het volk, maar ook van de grote genade en barmhartigheid van God. Beide aspecten beluisteren we in de vraag aan de “HEERE, de God van Israël” om hen toch in hun schuld voor Zijn aangezicht te zien staan. Dat zegt alleen iemand die volledig overtuigd is van zijn schuld en er tegelijk volledig van overtuigd is dat hij te doen heeft met een God van volkomen vergeving. Geen zondaar kan staande blijven of bestaan voor Gods aangezicht, behalve hij die met belijdenis van schuld tot Hem komt (Ps 130:3-43Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
4Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
)
.


Lees verder