Ezra
Inleiding 1-10 Ezra naar Jeruzalem 11-26 De brief van Arthahsasta 27-28 Reactie van Ezra
Inleiding

Hier begint het tweede deel van het boek. In het eerste deel gaat het over de herbouw van het altaar en de tempel. In het tweede deel gaat het over de zending en het werk van Ezra persoonlijk. Na de dienst van Jozua en Zerubbabel voor de bouw is nu de dienst van Ezra nodig. Zijn zorg gaat uit naar het “aanzien” van het huis van de HEERE (vers 2727Geloofd zij de HEERE, de God van onze vaderen, Die het zo in het hart van de koning heeft gegeven om het huis van de HEERE dat in Jeruzalem [staat], aanzien te geven.). Daarvoor is het nodig dat het Woord van God op het hart en het geweten van het volk wordt gelegd. Dat gaat Ezra doen.

We zijn hier ongeveer zestig jaar na de inwijding van de tempel in Ezra 6 en ca. tachtig jaar na de oproep van Kores in Ezra 1. We bevinden ons te midden van een nieuwe generatie. Hier begint een nieuw ontwaken. God wekt de geest op van een aantal Israëlieten die tot nu nog in Babel zijn gebleven en vult hun hart met het verlangen naar Jeruzalem te gaan. Ezra is daarvan de leider als een directe afstammeling uit de lijn van Pinehas, aan wie een eeuwig priesterschap is beloofd. Ezra is daarvan het bewijs (Nm 25:7-137Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.10Toen sprak de HEERE tot Mozes:11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.).

De geschiedenis van Ezra bestaat uit twee delen. Het eerste deel beschrijft zijn reis vanuit Babel (Ea 7-8). Het tweede deel gaat over zijn werk in Jeruzalem (Ea 9-10). De omstandigheden waaronder hij reist en werkt zijn gewoon. Hij wordt niet door wonderen begeleid. We zien geen ontvouwing van kracht. Zijn bronnen zijn dezelfde als die wij ook nog hebben: het Woord van God en de tegenwoordigheid van God.


Ezra naar Jeruzalem

1Na deze gebeurtenissen, tijdens het koningschap van Arthahsasta, de koning van Perzië, [kwam] Ezra, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia, 2de zoon van Sallum, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitub, 3de zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajoth, 4de zoon van Zerahja, de zoon van Uzzi, de zoon van Bukki, 5de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de hoofdpriester – 6deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een vaardig schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van Mozes, die de HEERE, de God van Israël, gegeven heeft. En de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de HEERE, zijn God, over hem [was]. 7Ook [sommigen] van de Israëlieten en van de priesters, de Levieten, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren trokken in het zevende jaar van koning Arthahsasta op naar Jeruzalem. 8[Ezra] kwam in Jeruzalem in de vijfde maand, dat was het zevende jaar van de koning. 9Op de eerste van de eerste maand was namelijk het begin van [zijn] tocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem aan, omdat de goede hand van zijn God over hem [was]. 10Ezra had immers zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen.

Het hoofdstuk begint met “na deze gebeurtenissen” (vers 11Na deze gebeurtenissen, tijdens het koningschap van Arthahsasta, de koning van Perzië, [kwam] Ezra, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia,). Dat zijn de gebeurtenissen in verband met de voltooiing en de inwijding van de tempel in het vorige hoofdstuk. Het boek Ezra eindigt dus niet met Ezra 6. Darius, over wie het gaat in Ezra 5-6, is opgevolgd door zijn zoon Ahasveros. Dit is de Ahasveros van het boek Esther. Ahasveros is weer opgevolgd door zijn zoon Arthahsasta. We komen hem ook tegen in Nehemia 2, ongeveer dertien jaar later.

God gaat in Zijn goedheid voort met te waken over Zijn volk, ondanks hun ontrouw en falen. Dat doet Hij zelfs dan als ze maar een klein overblijfsel zijn dat door Zijn genade aan het verval is ontkomen, maar dat die genade vergeet en zelf ook weer ontrouw wordt. Hij geeft Ezra in het hart aan het overblijfsel in Jeruzalem te denken. Het volk heeft geen behoefte aan macht, want die is door God aan anderen gegeven. Het heeft behoefte aan de kennis van Zijn wil en voorschriften, van Zijn gedachten in Zijn Woord (vers 2525En u, Ezra, overeenkomstig de wijsheid van uw God, die u gegeven is, stel rechters en gerechtsdienaren aan, die over het hele volk aan de overzijde van de Eufraat recht moeten spreken, over allen die de wetten van uw God kennen. En aan wie ze niet kent, moet u [ze] bekendmaken.).

Het geslachtsregister van Ezra is met zijn lengte van zestien voorouders uniek in het Oude Testament. Een aantal namen is bekend uit de geschiedenis van Israël. “Zadok” (vers 22de zoon van Sallum, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitub,) wordt geprezen om zijn trouw, “Pinehas” (vers 55de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de hoofdpriester –) om zijn ijver. “Aäron” (vers 55de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de hoofdpriester –) is een type van Christus, de bron van ware dienst.

Deze Ezra (betekent ‘hulp’), uit wiens geslachtsregister blijkt dat hij een priester is, trekt op uit Babel (vers 66deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een vaardig schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van Mozes, die de HEERE, de God van Israël, gegeven heeft. En de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de HEERE, zijn God, over hem [was].). Behalve priester – dat is hij door geboorte – is hij ook “een vaardig schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van Mozes”. Dat is niet door zijn geboorte, maar door ijverig onderzoek van de Schriften. Hij is bekwaam in de wet van Mozes, waarvan het volk is afgeweken. De wet moet nu weer in het licht geplaatst worden. Zijn studie van de Schriften heeft bij hem het verlangen gewekt om Gods volk daarmee te dienen.

Ezra heeft aan de koning gevraagd om naar Jeruzalem te mogen gaan. Daarmee heeft hij het gezag van de koning erkend als door God aan hem gegeven. Dat God het gezag daar heeft gelegd, zien we ook aan de tijdrekening. Er wordt gerekend naar de heidense overheersers van Gods volk. Ze trekken op “in het zevende jaar van koning Arthahsasta” (vers 77Ook [sommigen] van de Israëlieten en van de priesters, de Levieten, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren trokken in het zevende jaar van koning Arthahsasta op naar Jeruzalem.; vers 88[Ezra] kwam in Jeruzalem in de vijfde maand, dat was het zevende jaar van de koning.). Het bevestigt dat Israël leeft in “[de] tijden van [de] volken” (Lk 21:2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.) die zijn aangebroken toen God Nebukadnezar de wereldheerschappij gaf (Dn 2:37-3837U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven.38Overal waar de mensenkinderen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogels in de lucht in uw hand gegeven. Hij heeft u aangesteld tot heerser over dit alles. U bent dat gouden hoofd.).

De koning heeft Ezra toegestaan naar Israël te gaan, want God heeft zijn hart bewerkt omdat het verlangen van Ezra overeenstemt met Zijn verlangens. Het is goed om ons aan Gods handen toe te vertrouwen. We zijn geneigd om over slagbomen heen te springen die door mensen op onze weg zijn geplaatst. We moeten leren wachten op God, tot Hij die slagbomen wegneemt. De koning geeft hem niet alleen toestemming om te gaan, maar ook alles waar hij om heeft verzocht – zie de brief die de koning meegeeft (verzen 11-2611Dit is het afschrift van de brief die koning Arthahsasta had meegegeven aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde, een schriftgeleerde [bedreven] in de woorden van de geboden van de HEERE, en van Zijn verordeningen voor Israël.12Arthahsasta, koning der koningen, aan de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van de God van de hemel, volkomen [vrede], en op dit tijdstip.13Door mij wordt bevel gegeven dat iedereen in mijn koninkrijk van het volk Israël, ook priesters en Levieten, die vrijwillig naar Jeruzalem wenst te gaan, met u [mee] mag gaan.14Aangezien [u] vanwege de koning en zijn zeven raadsheren [bent] gezonden om onderzoek te doen in Judea en in Jeruzalem naar de wet van uw God, waarover u beschikt,15en om het zilver en goud [daarheen] te brengen dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig gegeven hebben aan de God van Israël, Wiens woning in Jeruzalem is,16en [ook] al het zilver en goud [te brengen] dat u kunt vinden in het hele gewest van Babel, mét de vrijwillige [gaven] van het volk en de priesters, die vrijwillig geven voor het huis van hun God in Jeruzalem –17daarom moet u voor dat geld zorgvuldig runderen, rammen en lammeren kopen met hun graanoffers en drankoffers, en die offeren op het altaar van het huis van uw God in Jeruzalem.18U mag met het overige zilver en goud doen wat u en uw broeders goeddunkt te doen, overeenkomstig de wil van uw God.19En de voorwerpen die u gegeven zijn voor de dienst van het huis van uw God, lever die af voor de God van Jeruzalem.20Het overige dat nodig is voor het huis van uw God, dat te uwen [laste] zou komen om te betalen, kunt u betalen uit het schathuis van de koning.21Door mij, mij koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatbewaarders aan de overzijde van de Eufraat, dat alles zorgvuldig gedaan moet worden wat de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven in] de wet van de God van de hemel, van u vraagt,22tot honderd talent zilver, tot honderd kor tarwe, tot honderd bat wijn, tot honderd bat olie; [voor] zout is er geen voorschrift [nodig].23Al wat [voortvloeit] uit het bevel van de God van de hemel, moet nauwgezet gedaan worden voor het huis van de God van de hemel, opdat er geen grote toorn zal zijn over het koninkrijk van de koning en zijn zonen.24Wij geven u ook te kennen met betrekking tot alle priesters en Levieten, zangers, poortwachters, tempeldienaren en dienaren van het huis van deze God, dat het niet toegestaan is hun belasting, heffingen of tol op te leggen.25En u, Ezra, overeenkomstig de wijsheid van uw God, die u gegeven is, stel rechters en gerechtsdienaren aan, die over het hele volk aan de overzijde van de Eufraat recht moeten spreken, over allen die de wetten van uw God kennen. En aan wie ze niet kent, moet u [ze] bekendmaken.26En al wie de wet van uw God en de wet van de koning niet houdt, laat aan hem zorgvuldig recht worden gedaan, of ter dood, of ter verbanning, of tot verbeurdverklaring van [zijn] bezit, of tot gevangenschap.).

Ezra trekt niet alleen op uit Babel. Er gaan nog andere leden van Gods volk mee. Het zijn “[sommigen] van de Israëlieten en van de priesters, de Levieten, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren” (vers 77Ook [sommigen] van de Israëlieten en van de priesters, de Levieten, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren trokken in het zevende jaar van koning Arthahsasta op naar Jeruzalem.). Dit gezelschap verlangt naar het land en de stad en het huis van God. Mogelijk dat door het onderwijs van Ezra uit de Schriften zij allen dit verlangen hebben gekregen. Ze zullen zich bewust zijn geworden door Gods Geest, dat ze in Babel niet kunnen zijn wat ze in Gods ogen zijn: Zijn volk dat Hij uitgekozen heeft om Hem te dienen in het land en op de plaats die Hij uitgekozen heeft.

De reis naar Jeruzalem duurt vier maanden (verzen 8-98[Ezra] kwam in Jeruzalem in de vijfde maand, dat was het zevende jaar van de koning.9Op de eerste van de eerste maand was namelijk het begin van [zijn] tocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem aan, omdat de goede hand van zijn God over hem [was].). Dat Ezra veilig in Jeruzalem aankomt, dankt hij aan “de goede hand van God over hem” (vers 99Op de eerste van de eerste maand was namelijk het begin van [zijn] tocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem aan, omdat de goede hand van zijn God over hem [was].). Daaraan alleen schrijft hij elke stap toe die hij voorwaarts mag doen. Dit wordt nog enkele keren genoemd (vers 2828Hij heeft mij goedertierenheid bewezen bij de koning, zijn raadgevers en alle machtige vorsten van de koning. Ik vatte moed omdat de hand van de HEERE, mijn God, over mij was en ik riep uit Israël [familie]hoofden bijeen om met mij [mee] te trekken.; Ea 8:18,22,3118En zij brachten ons, omdat de goede hand van onze God over ons was, een verstandig man, uit de nakomelingen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Serebja, met zijn zonen en zijn broers: achttien [man];22want ik schaamde mij ervoor om van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te helpen tegen de vijand onderweg. We hadden immers tegen de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over al wie Hem zoeken, maar Zijn kracht en Zijn toorn is over al wie Hem verlaten.31Vervolgens braken wij op van de rivier de Ahava op de twaalfde van de eerste maand om naar Jeruzalem te gaan, en de hand van onze God was over ons en Hij redde ons uit de hand van de vijand en van de struikrover op de weg.).

Dan zien we een mooie en leerrijke volgorde voor het bezig zijn met Gods Woord (vers 1010Ezra had immers zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen.). Bijbelstudie is niet een intellectuele, verstandelijke bezigheid, maar een persoonlijke studie voor het eigen leven en tot onderwijs voor de gemeente:
1. Het begint in het hart. Ezra heeft in de eerste plaats “zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken”. Zijn hart erop richten wil zeggen dat hij geestelijke oefening kent, zoals een Timotheüs (1Tm 4:1616Geef acht op jezelf en op de leer; volhard in deze dingen, want door dit te doen zul je zowel jezelf als hen die je horen, behouden.).
2. Het tweede is dat hij zijn hart er ook op heeft gericht “om die te doen”. Wat we uit Gods Woord hebben geleerd, zullen we eerst zelf in praktijk moeten brengen.
3. Pas daarna kan het derde komen: “Om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen.” Een goede leraar zal altijd moeten kunnen wijzen op zijn eigen voorbeeld, zoals ook Paulus verschillende keren doet (Hd 20:20,3520hoe ik van wat nuttig was niets heb nagelaten u te verkondigen en te leren in het openbaar en in de huizen,35In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.; Fp 3:1717Weest samen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen die zo wandelen als u ons tot voorbeeld hebt.; 1Th 1:5-65Want ons evangelie kwam tot u niet alleen in woord, maar ook in kracht en in [de] Heilige Geest en <in> zeer volle zekerheid; u weet immers hoe wij onder u geweest zijn ter wille van u.6En u bent navolgers geworden van ons en van de Heer, nadat u het Woord aangenomen hebt onder veel verdrukking, met blijdschap van [de] Heilige Geest,).

De dienst van Ezra is een dienst die de teruggekeerden nu juist nodig hebben. Hij is niet een intellectueel onderzoeker van de Schriften. Hij is niet iemand die onderwijst wat zijn eigen hart niet heeft geraakt en zijn eigen wegen niet bepaalt. We kunnen bijvoorbeeld spreken over de komst van de Heer, zonder dat ons eigen leven erdoor gevormd wordt. Of we spreken over de eenheid van het lichaam van Christus, terwijl we in de praktijk sektarisch handelen.


De brief van Arthahsasta

11Dit is het afschrift van de brief die koning Arthahsasta had meegegeven aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde, een schriftgeleerde [bedreven] in de woorden van de geboden van de HEERE, en van Zijn verordeningen voor Israël. 12Arthahsasta, koning der koningen, aan de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van de God van de hemel, volkomen [vrede], en op dit tijdstip. 13Door mij wordt bevel gegeven dat iedereen in mijn koninkrijk van het volk Israël, ook priesters en Levieten, die vrijwillig naar Jeruzalem wenst te gaan, met u [mee] mag gaan. 14Aangezien [u] vanwege de koning en zijn zeven raadsheren [bent] gezonden om onderzoek te doen in Judea en in Jeruzalem naar de wet van uw God, waarover u beschikt, 15en om het zilver en goud [daarheen] te brengen dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig gegeven hebben aan de God van Israël, Wiens woning in Jeruzalem is, 16en [ook] al het zilver en goud [te brengen] dat u kunt vinden in het hele gewest van Babel, mét de vrijwillige [gaven] van het volk en de priesters, die vrijwillig geven voor het huis van hun God in Jeruzalem – 17daarom moet u voor dat geld zorgvuldig runderen, rammen en lammeren kopen met hun graanoffers en drankoffers, en die offeren op het altaar van het huis van uw God in Jeruzalem. 18U mag met het overige zilver en goud doen wat u en uw broeders goeddunkt te doen, overeenkomstig de wil van uw God. 19En de voorwerpen die u gegeven zijn voor de dienst van het huis van uw God, lever die af voor de God van Jeruzalem. 20Het overige dat nodig is voor het huis van uw God, dat te uwen [laste] zou komen om te betalen, kunt u betalen uit het schathuis van de koning. 21Door mij, mij koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatbewaarders aan de overzijde van de Eufraat, dat alles zorgvuldig gedaan moet worden wat de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven in] de wet van de God van de hemel, van u vraagt, 22tot honderd talent zilver, tot honderd kor tarwe, tot honderd bat wijn, tot honderd bat olie; [voor] zout is er geen voorschrift [nodig]. 23Al wat [voortvloeit] uit het bevel van de God van de hemel, moet nauwgezet gedaan worden voor het huis van de God van de hemel, opdat er geen grote toorn zal zijn over het koninkrijk van de koning en zijn zonen. 24Wij geven u ook te kennen met betrekking tot alle priesters en Levieten, zangers, poortwachters, tempeldienaren en dienaren van het huis van deze God, dat het niet toegestaan is hun belasting, heffingen of tol op te leggen. 25En u, Ezra, overeenkomstig de wijsheid van uw God, die u gegeven is, stel rechters en gerechtsdienaren aan, die over het hele volk aan de overzijde van de Eufraat recht moeten spreken, over allen die de wetten van uw God kennen. En aan wie ze niet kent, moet u [ze] bekendmaken. 26En al wie de wet van uw God en de wet van de koning niet houdt, laat aan hem zorgvuldig recht worden gedaan, of ter dood, of ter verbanning, of tot verbeurdverklaring van [zijn] bezit, of tot gevangenschap.

De koning geeft Ezra een brief mee (vers 1111Dit is het afschrift van de brief die koning Arthahsasta had meegegeven aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde, een schriftgeleerde [bedreven] in de woorden van de geboden van de HEERE, en van Zijn verordeningen voor Israël.). Die zal voor Ezra in Israël de noodzakelijke deuren openen om zijn dienst te doen. Als inleiding op de brief lezen we het getuigenis van de Heilige Geest over Ezra. De Heilige Geest getuigt dat Ezra een grondige kennis van Gods Woord heeft. Gods Woord wordt hier op twee manieren aangeduid. Het zijn “de woorden van de geboden van de HEERE” en het zijn “Zijn verordeningen voor Israël”. Het eerste legt de nadruk op Hem van Wie de woorden afkomstig zijn en dat het geboden zijn, wat gehoorzaamheid vraagt. Het tweede geeft aan wat de bedoeling ervan is en voor wie ze bedoeld zijn. Het zijn verordeningen of leefregels die gegeven zijn voor het welzijn van Israël.

Na het getuigenis van de Heilige Geest geeft de koning in de aanhef van zijn brief een gelijkluidend getuigenis (vers 1212Arthahsasta, koning der koningen, aan de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van de God van de hemel, volkomen [vrede], en op dit tijdstip.). Dit laat zien wat voor een getuigenis van Ezra is uitgegaan te midden van de heidenwereld (vgl. 1Th 4:12a12opdat u betamelijk wandelt tegenover hen die buiten zijn en van niemand [iets] nodig hebt.; Ko 4:55Wandelt in wijsheid tegenover hen die buiten zijn, terwijl u de geschikte gelegenheid ten volle uitbuit.). Zo kent de koning hem. Arthahsasta lijkt een zekere kennis van God te hebben. Hij noemt Hem “de God van de hemel” (verzen 12,21,2312Arthahsasta, koning der koningen, aan de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van de God van de hemel, volkomen [vrede], en op dit tijdstip.21Door mij, mij koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatbewaarders aan de overzijde van de Eufraat, dat alles zorgvuldig gedaan moet worden wat de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven in] de wet van de God van de hemel, van u vraagt,23Al wat [voortvloeit] uit het bevel van de God van de hemel, moet nauwgezet gedaan worden voor het huis van de God van de hemel, opdat er geen grote toorn zal zijn over het koninkrijk van de koning en zijn zonen.), “uw God”, dat wil zeggen de God van Ezra (verzen 14,25,2614Aangezien [u] vanwege de koning en zijn zeven raadsheren [bent] gezonden om onderzoek te doen in Judea en in Jeruzalem naar de wet van uw God, waarover u beschikt,25En u, Ezra, overeenkomstig de wijsheid van uw God, die u gegeven is, stel rechters en gerechtsdienaren aan, die over het hele volk aan de overzijde van de Eufraat recht moeten spreken, over allen die de wetten van uw God kennen. En aan wie ze niet kent, moet u [ze] bekendmaken.26En al wie de wet van uw God en de wet van de koning niet houdt, laat aan hem zorgvuldig recht worden gedaan, of ter dood, of ter verbanning, of tot verbeurdverklaring van [zijn] bezit, of tot gevangenschap.), “de God van Israël” (vers 1515en om het zilver en goud [daarheen] te brengen dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig gegeven hebben aan de God van Israël, Wiens woning in Jeruzalem is,) en “de God van Jeruzalem” (vers 1919En de voorwerpen die u gegeven zijn voor de dienst van het huis van uw God, lever die af voor de God van Jeruzalem.).

Aan Ezra wordt eenzelfde soort gunst verleend (vers 1313Door mij wordt bevel gegeven dat iedereen in mijn koninkrijk van het volk Israël, ook priesters en Levieten, die vrijwillig naar Jeruzalem wenst te gaan, met u [mee] mag gaan.) als vroeger door Kores aan Gods volk in Babel (Ea 1:1-41In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].4En ieder die achtergebleven is, uit alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft, laten zijn plaatsgenoten hem helpen met zilver, met goud, met [allerlei] bezittingen en met vee, naast de vrijwillige gave voor het huis van God, Die in Jeruzalem [woont].). Zo bewerkt de Geest van God nog eens een bevrijding van een aantal leden van Zijn volk. Ook hier mag ieder vrijwillig naar Jeruzalem gaan. Wie dat wil, mag zich gesteund weten door een bevel van de koning, waardoor niemand het zal wagen verhinderingen op te werpen voor wie wil gaan. De mogelijkheid om te gaan wordt geboden, terwijl er ook bescherming is voor ieder die gaat.

Arthahsasta richt zich vervolgens tot Ezra. Hij wijst Ezra erop dat hij en zijn zeven raadsheren (vgl. Es 1:1414[met name] zij die het dichtst bij hem stonden: Carsena, Sethar, Admatha, Tarsis, Meres, Marsena en Memuchan, de zeven vorsten van Perzië en Medië, die het aangezicht van de koning [mochten] zien en een vooraanstaande positie innamen in het koninkrijk). [De koning zei:]) hem naar Jeruzalem zenden “om onderzoek te doen in Judea en in Jeruzalem naar de wet van uw God” (vers 1414Aangezien [u] vanwege de koning en zijn zeven raadsheren [bent] gezonden om onderzoek te doen in Judea en in Jeruzalem naar de wet van uw God, waarover u beschikt,). Ezra gaat niet naar Judea en Jeruzalem om te kijken of de dingen daar wel beantwoorden aan zijn ideeën, maar of het volk leeft in overeenstemming met Gods Woord. Hij “beschikt” over dat Woord en kan dat aan het volk voorhouden als norm. Hoe belangrijk is het ook voor ons dat we alles in Gods gemeente toetsen aan Gods Woord waarover we beschikken. Het in ons bezit hebben is nog iets anders dan het toe te passen op alle situaties van ons eigen leven en het leven van de gemeente.

De koning en zijn raadsheren geven Ezra ook vrijwillig zilver en goud mee (vers 1515en om het zilver en goud [daarheen] te brengen dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig gegeven hebben aan de God van Israël, Wiens woning in Jeruzalem is,). Ze geven het mee aan Ezra, maar het is bedoeld voor “de God van Israël, Wiens woning in Jeruzalem is”. Daarbij moet Ezra voegen al het zilver en goud dat hij in het hele gewest van Babel kan vinden, samen met de vrijwillige gaven van het volk en de priesters (vers 1616en [ook] al het zilver en goud [te brengen] dat u kunt vinden in het hele gewest van Babel, mét de vrijwillige [gaven] van het volk en de priesters, die vrijwillig geven voor het huis van hun God in Jeruzalem –). Het is allemaal bedoeld “voor het huis van hun God in Jeruzalem”. Het is opmerkelijk hoe vaak in deze verzen het woord “vrijwillig” voorkomt. Elke gedachte aan dwang is hier afwezig (vgl. 2Ko 9:5-75Ik achtte het dus nodig de broeders aan te sporen vooruit naar u toe te gaan en uw tevoren beloofde zegen vooraf in gereedheid te brengen, opdat dit gereed is als zegen en niet als een afgedwongen gave.6En dit [zeg ik]: Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien; en wie rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk maaien.7Laat ieder [geven] naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen; niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.6hoe de Heer Jezus Zijn discipelen daarvoor waarschuwt (Mt 6:2-4). Het gevaar van dit soort farizeïsme schuilt in ons allemaal.5staat een geschiedenis die in dit opzicht ook veelzeggend is (Hd 5:1-11). De eerste christenen blonken uit in praktische liefde ten opzichte van elkaar. Ze verkochten hun bezittingen en legden het geld aan de voeten van de apostelen (Hd 4:34-37). Ananias en Saffira wilden niet achterblijven. Zij verkochten een stuk land voor een bepaald bedrag. Laten we veronderstellen dat ze er tienduizend euro voor hadden gekregen. Ze vonden het wel wat veel om het hele bedrag te geven. Daarom gaven ze wat minder.5weer terug naar ons hoofdstuk. Ik schreef: Geef niet karig. Waarom niet? Omdat je dan ook niet veel terugkrijgt. Geven wordt namelijk vergeleken met zaaien. Wat zou je zeggen van een boer die heel zuinig doet met zijn zaad en die ondanks dat erop rekent dat hij een grote oogst zal binnenhalen? Je reactie ligt voor de hand: die boer is niet goed bij zijn hoofd. Als er weinig is gezaaid, zal er weinig worden gemaaid. De boer die een grote oogst wil, zal met gulle hand zaaien. Dat is de eenvoudige les van de natuur, die Paulus hier doorgeeft – iedereen zal dat beamen – en die hij toepast op het geven.).

Arthahsasta zegt Ezra wat hij met het geld moet doen. Hij moet voor dat geld diverse soorten offers kopen en die offeren op het altaar van het huis van uw God in Jeruzalem” (vers 1717daarom moet u voor dat geld zorgvuldig runderen, rammen en lammeren kopen met hun graanoffers en drankoffers, en die offeren op het altaar van het huis van uw God in Jeruzalem.; vgl. Dt 14:24-2624Als de weg voor u te lang is, zodat u dat [alles] niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft,25het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen.26[Daar] moet u dat geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel [maar] wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin.). Telkens wordt er de nadruk op gelegd dat God ernaar verlangt dat Zijn volk Hem in Zijn huis offers brengt. Dat zijn nu geestelijke offers, offers van lof en dank waarvan Christus en Zijn werk de inhoud zijn en die Hem gebracht worden in Zijn geestelijk huis, de gemeente.

Naast de voorgeschreven bestemming van het geld voor offers is er voor Ezra de vrijheid om met het overige geld te doen wat hem goeddunkt (vers 1818U mag met het overige zilver en goud doen wat u en uw broeders goeddunkt te doen, overeenkomstig de wil van uw God.). Dit betekent niet dat hij buiten de wil van God kan handelen, want de koning voegt eraan toe dat het moet zijn “overeenkomstig de wil van uw God”. Ook voor ons is niet in alle gevallen voorgeschreven hoe wij God moeten dienen. Er worden algemene regels gegeven, terwijl er vaak individuele vrijheid is om na geestelijke oefening en toetsing aan Gods Woord onze dank te brengen en onze dienst te verrichten.

Ezra moet er ook voor zorgen dat alles wat hem is gegeven voor de dienst van Gods huis, daar ook werkelijk terechtkomt (vers 1919En de voorwerpen die u gegeven zijn voor de dienst van het huis van uw God, lever die af voor de God van Jeruzalem.). Het bepaalt ons erbij dat wat ons is gegeven, bedoeld is om God in Zijn huis te dienen. Ons hele leven met alles wat we bezitten, behoort Hem toe. Alles staat Hem en de dienst in Zijn huis ter beschikking.

Het is goed om in onze tijd van individualisme, waarin ieder doet wat juist is in eigen ogen, daar weer op gewezen te worden. Het belang van Gods huis, de gemeente van God, moet weer door ons worden gezien. Als Gods huis weer belangrijk voor ons wordt, mogen we een beroep doen op de onbeperkte voorraden van “het schathuis van de koning”. Dat spreekt ons van Christus, “in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn” (Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.). In Hem vinden we alles wat we nodig hebben voor onze dienst in Gods huis, de gemeente van de levende God.

Arthahsasta geeft in de brief verder bevel aan alle schatbewaarders dat zij “zorgvuldig” alles moeten doen wat Ezra van hen vraagt (vers 2121Door mij, mij koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatbewaarders aan de overzijde van de Eufraat, dat alles zorgvuldig gedaan moet worden wat de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven in] de wet van de God van de hemel, van u vraagt,). Hij maakt de schatbewaarders duidelijk wat voor man Ezra is door hem aan hen voor te stellen als “de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven] in de wet van de God van de hemel”. Tevens geeft Arthahsasta aan welke middelen en in welke hoeveelheden op het verzoek van Ezra aan hem kunnen worden geleverd (vers 2222tot honderd talent zilver, tot honderd kor tarwe, tot honderd bat wijn, tot honderd bat olie; [voor] zout is er geen voorschrift [nodig].).

Arthahsasta vertelt waarom alles moet gebeuren wat hij heeft voorgeschreven (vers 2323Al wat [voortvloeit] uit het bevel van de God van de hemel, moet nauwgezet gedaan worden voor het huis van de God van de hemel, opdat er geen grote toorn zal zijn over het koninkrijk van de koning en zijn zonen.). Er is namelijk een God van de hemel Die een huis op aarde heeft. Alles wat de God van de hemel met betrekking tot Zijn huis beveelt, moet nauwgezet worden gedaan. Opmerkelijk is dat Arthahsasta het huis van God “het huis van de God van de hemel” noemt. Hij erkent daarmee de verhevenheid van God Die op aarde woont. Door met Hem rekening te houden en Hem te eren zorgt hij ervoor dat “er geen grote toorn over het koninkrijk van de koning en zijn zonen” komt. Als wij doen wat God behaagt, zal God niet alleen Zijn toorn inhouden, maar zal Hij ons zegenen.

Ook verbiedt de koning om allen die betrokken zijn bij de dienst in Gods huis belasting, heffingen of tol op te leggen” (vers 2424Wij geven u ook te kennen met betrekking tot alle priesters en Levieten, zangers, poortwachters, tempeldienaren en dienaren van het huis van deze God, dat het niet toegestaan is hun belasting, heffingen of tol op te leggen.). Dat betekent dat hij hen tot beschermelingen van zijn troon maakt. Alles wat de dienaren van Gods huis krijgen voor hun levensonderhoud, de tienden die zij van Gods volk ontvangen, is belastingvrij. Het is helemaal voor hen.

Ten slotte zegt de koning tegen Ezra dat hij “rechters en gerechtsdienaren” moet aanstellen (vers 2525En u, Ezra, overeenkomstig de wijsheid van uw God, die u gegeven is, stel rechters en gerechtsdienaren aan, die over het hele volk aan de overzijde van de Eufraat recht moeten spreken, over allen die de wetten van uw God kennen. En aan wie ze niet kent, moet u [ze] bekendmaken.). Zij moeten rechtspreken “over het hele volk … over allen die de wetten van uw God kennen”. Dit wil zoveel zeggen dat het hele volk van God geacht wordt Gods wetten te kennen. Hetzelfde geldt voor Gods volk nu, want dat wordt ook geacht Gods Woord te kennen. Gods Woord moet dat worden bekendgemaakt aan hen die het niet kennen.

Hoewel het volk geacht wordt Gods Woord te kennen, kunnen zich situaties voordoen dat in strijd met Gods Woord wordt gehandeld. Dan moet er rechtgesproken worden en worden uitgelegd waarom iets in strijd met Gods Woord is. Het is in feite de taak van iedere gelovige om recht te spreken als hij ziet dat er iets gebeurt wat in strijd is met wat God heeft gezegd (vgl. 1Ko 6:1-71Durft iemand van u, als hij een zaak heeft tegen de ander, recht te zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen?2Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld wordt geoordeeld, bent u dan onwaardig voor [de] geringste rechtszaken?3Weet u niet, dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer [de] dingen van dit leven?4Als u dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt dan daarover hen die in de gemeente niet geacht zijn!5Ik zeg het tot uw beschaming. Is er dan onder u niet één wijze, ook niet één, die uitspraak zal kunnen doen tussen zijn broeders?6Maar een broeder voert met een broeder een rechtsgeding, en dat bij ongelovigen!7Reeds in het algemeen <nu> is het een gebrek bij u, dat u rechtszaken met elkaar hebt. Waarom lijdt u niet liever onrecht? Waarom laat u zich niet liever tekortdoen?).

Behalve de wet van God is er ook de wet van de koning (vers 2626En al wie de wet van uw God en de wet van de koning niet houdt, laat aan hem zorgvuldig recht worden gedaan, of ter dood, of ter verbanning, of tot verbeurdverklaring van [zijn] bezit, of tot gevangenschap.). Het volk is niet alleen gehoorzaamheid aan God verschuldigd, maar ook aan de overheid die op aarde over hen is gesteld door God. Dat geldt ook voor ons: Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld” (Rm 13:11Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.). De overheid is ook gesteld om straf uit te oefenen als iemand de wet niet houdt. Daar wijst Arthahsasta Ezra op en daar wijst Paulus ons op (Rm 13:2-42Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.3Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.).


Reactie van Ezra

27Geloofd zij de HEERE, de God van onze vaderen, Die het zo in het hart van de koning heeft gegeven om het huis van de HEERE dat in Jeruzalem [staat], aanzien te geven. 28Hij heeft mij goedertierenheid bewezen bij de koning, zijn raadgevers en alle machtige vorsten van de koning. Ik vatte moed omdat de hand van de HEERE, mijn God, over mij was en ik riep uit Israël [familie]hoofden bijeen om met mij [mee] te trekken.

Wat de koning in de brief heeft geschreven, vervult het hart van Ezra met aanbidding (vers 2727Geloofd zij de HEERE, de God van onze vaderen, Die het zo in het hart van de koning heeft gegeven om het huis van de HEERE dat in Jeruzalem [staat], aanzien te geven.). Hij is ervan onder de indruk dat God Zich de trouwe God betoont, zowel in het verleden – Hij is “de God van onze vaderen” – als in het heden met betrekking tot Zijn huis. God heeft het hart van Arthahsasta zo bewerkt (Sp 21:11Het hart van een koning is in de hand van de HEERE [als] waterbeken,
Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
)
, dat hij wil bijdragen aan het “aanzien”, de luister, de glorie, de heerlijkheid van “het huis van de HEERE dat in Jeruzalem [staat]”. We horen in de dankzegging een man die er niet mee tevreden is dat het huis van de HEERE is herbouwd en dat het uiterlijk in orde is. Het gaat hem om Hem van Wie dit huis is en waarom Hij dit huis heeft laten bouwen.

We kunnen dit toepassen op de gemeente, Gods huis in deze tijd. Zijn wij ermee tevreden dat we als gemeente samenkomen? Misschien geven we wel toe dat het niet altijd zo is als het zou moeten zijn. Maar wat zegt een uiterlijke vorm als de harten niet dicht bij de Heer zijn? Alle dienst van het Woord behoort erop gericht te zijn het huis van God “aanzien te geven” of het luisterrijk te maken, het te versieren, de dienst erin te vermeerderen. Geestelijke strijd die is ontstaan, moeilijkheden die zijn gerezen, hebben aanleiding gegeven tot vermeerdering van de kennis van God en die versiert Zijn huis en ondersteunt de dienst daarin.

Ezra is zich bewust dat alles van God komt. God heeft het hart van de koning bewerkt (vers 2727Geloofd zij de HEERE, de God van onze vaderen, Die het zo in het hart van de koning heeft gegeven om het huis van de HEERE dat in Jeruzalem [staat], aanzien te geven.) en Hij heeft hem, Ezra, “goedertierenheid bewezen bij de koning, zijn raadgevers en alle machtige vorsten van de koning” (vers 2828Hij heeft mij goedertierenheid bewezen bij de koning, zijn raadgevers en alle machtige vorsten van de koning. Ik vatte moed omdat de hand van de HEERE, mijn God, over mij was en ik riep uit Israël [familie]hoofden bijeen om met mij [mee] te trekken.). Het is onmogelijk zoveel harten zijn te bespelen door een politieke lobby. Nee, God werkt op machtige wijze voor Zijn volk en gebruikt daarvoor wie Hij wil.

Na deze bemoedigingen vat Ezra moed. Hij ziet “de hand van de HEERE, mijn God” over zich. Dat brengt hem tot actie. Hij roept de familiehoofden bijeen om met hem op te trekken. Wat deze mannen zeggen en doen, zal voor de families waarvan zij het hoofd zijn, van beslissende betekenis zijn. Als zij meegaan, zullen ook hun families meegaan. Over hen horen we meer in het volgende hoofdstuk, waar ze met name worden genoemd.


Lees verder