Ezra
Inleiding 1-4 De ontrouw beleden 5-11 Ezra roept het volk tot belijdenis op 12-15 Het volk is bereid om te handelen 16-44 Wie vreemde vrouwen hadden
Inleiding

De verootmoediging van het vorige hoofdstuk moet leiden tot het wegdoen van het kwaad. Dat gebeurt in dit hoofdstuk.


De ontrouw beleden

1Terwijl Ezra [zo] bad en [deze] belijdenis deed en zich huilend voor het huis van God liet neervallen, voegde een zeer grote gemeente van mannen, vrouwen en kinderen uit Israël zich bij hem; want [ook] het volk huilde luid. 2Toen nam Sechanja, de zoon van Jehiël, van de nakomelingen van Elam, het woord en zei tegen Ezra: Wij zijn onze God ontrouw geweest, en wij hebben uitheemse vrouwen uit de volken van het land [bij ons] doen wonen. Evenwel, er is wat dit betreft hoop voor Israël. 3Welnu, laten wij een verbond sluiten met onze God om alle vrouwen en het uit hen geborene weg te sturen, volgens de raad van de Heere en van hen die beven voor het gebod van onze God, en er zal overeenkomstig de wet gehandeld worden. 4Sta op, want op u [rust] de zaak, en wij zullen met u zijn; wees sterk om te handelen.

Ezra belijdt zijn schuld in het openbaar (vers 11Terwijl Ezra [zo] bad en [deze] belijdenis deed en zich huilend voor het huis van God liet neervallen, voegde een zeer grote gemeente van mannen, vrouwen en kinderen uit Israël zich bij hem; want [ook] het volk huilde luid.). Zo wordt bekend voor wie hij pleit. Die mensen komen luid huilend naar hem toe. Na de belijdenis komt er geen profeet, zoals zo vaak is gebeurd, maar er is een antwoord van God in de harten van de schuldigen (vers 22Toen nam Sechanja, de zoon van Jehiël, van de nakomelingen van Elam, het woord en zei tegen Ezra: Wij zijn onze God ontrouw geweest, en wij hebben uitheemse vrouwen uit de volken van het land [bij ons] doen wonen. Evenwel, er is wat dit betreft hoop voor Israël.). De trouw van één man wordt door de HEERE gebruikt om anderen wakker te schudden, zodat ze hun toestand inzien.

Vóór de komst van Ezra schijnt het geweten van allen verdoofd te zijn geweest. Zelfs Jesua en Zerubbabel schijnen zich de heersende zonde niet te hebben aangetrokken. Mogelijk dat familiebelangen hierin een rol hebben gespeeld. Het lijkt er in elk geval op dat familiebelangen niet ondergeschikt zijn gemaakt aan Gods belangen. We zien dat later in dit hoofdstuk, als Sechanja stelling neemt tegen zijn vader Jehiël, die een van de overtreders is (vers 2626Van de nakomelingen van Elam: Mattanja, Zacharja, Jehiël, Abdi, Jeremoth en Elia.).

Het werk van Gods Geest en Zijn tussenkomst in het midden van Zijn volk worden gekenmerkt door het wegdoen van allen die niet, zoals zij, tot het volk van God behoren (vers 33Welnu, laten wij een verbond sluiten met onze God om alle vrouwen en het uit hen geborene weg te sturen, volgens de raad van de Heere en van hen die beven voor het gebod van onze God, en er zal overeenkomstig de wet gehandeld worden.). Dat is al te zien bij het priesterschap in Ezra 2. Wie dat niet kan bewijzen, wordt geweerd. Het is ook te zien bij de tempelbouw in Ezra 4. Wie niet tot Gods volk behoort, mag niet meebouwen. Hier moeten zelfs vrouwen en kinderen worden weggezonden die niet van Gods volk zijn.

Men moet zich tegen elke prijs afzonderen van wat niet tot Israël behoort. Er moet radicaal worden gehandeld met de werking van het vlees en de wereldse invloeden die ons geestelijk hinderen. Het is hard om terug te komen op stappen van ontrouw en zonde. Soms ook blijven er voor de rest van het leven bittere vruchten van de zonde bestaan.

De situatie en handelwijze zoals hier wordt beschreven, geldt onder de wet. Onder de genade is van wegzenden geen sprake. Als in een huwelijk van ongelovigen één van de twee tot bekering en geloof komt, moet de ongelovige niet worden weggestuurd, maar is de ongelovige geheiligd door de gelovige (1Ko 7:10-1610Maar aan de getrouwden beveel ik – niet ik, maar de Heer –, dat [de] vrouw niet mag scheiden van [haar] man11(en als zij toch gescheiden is, laat zij ongetrouwd blijven of zich met haar man verzoenen), en dat [de] man [zijn] vrouw niet mag verstoten.12Maar aan de overigen zeg ik, niet de Heer: Als een broeder een ongelovige vrouw heeft en deze vindt het goed bij hem te wonen, laat hij haar dan niet verstoten.13En als een vrouw een ongelovige man heeft, en hij vindt het goed bij haar te wonen, laat zij haar man niet verstoten.14Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door de broeder; anders toch waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.15Maar als de ongelovige scheidt, laat hij scheiden. De broeder of de zuster is in zulke [gevallen] niet gebonden; maar God heeft ons geroepen in vrede.16Want hoe weet u, vrouw, of u de man zult behouden? Of hoe weet u, man, of u de vrouw zult behouden?). Dit geldt alleen als het huwelijk is gesloten, terwijl beide partners nog ongelovig zijn. Het is niet van toepassing op het geval dat een gelovige met een ongelovige trouwt. Ook dan mag er niet worden weggestuurd, maar de gelovige begaat een zonde die hij of zij moet belijden (2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?).

Sechanja erkent het gezag van het Woord als hij zegt: “Er zal overeenkomstig de wet gehandeld worden.” Alleen door Gods Woord ruim baan te geven zal bewerkt worden wat tot zegen is. Daarna richt hij het woord tot Ezra, dat deze zal doen wat moet gebeuren (vers 44Sta op, want op u [rust] de zaak, en wij zullen met u zijn; wees sterk om te handelen.). Deze woorden moeten Ezra goed hebben gedaan. Het is een antwoord op zijn gebed.


Ezra roept het volk tot belijdenis op

5Toen stond Ezra op en hij deed de oversten van de priesters, van de Levieten en van heel Israël zweren om dienovereenkomstig te handelen; en zij zwoeren een eed. 6Ezra stond op van voor het huis van God en hij ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib; toen hij daar kwam, at hij geen brood en dronk hij geen water, omdat hij rouwde over de trouwbreuk van de ballingen. 7En men ging met een boodschap voor alle ballingen door Juda en Jeruzalem om in Jeruzalem bijeen te komen. 8En van al wie niet binnen drie dagen zou komen, volgens de raad van de vorsten en de oudsten, zouden al zijn bezittingen met de ban geslagen worden en hijzelf zou worden afgezonderd van de gemeente van de ballingen. 9Toen kwamen alle mannen van Juda en Benjamin bijeen in Jeruzalem, binnen drie dagen; het was de negende maand, op de twintigste van die maand. Het hele volk zat op het plein van het huis van God, bevend omwille van de zaak en vanwege de vele regen. 10Toen stond Ezra, de priester, op en zei tegen hen: U bent ontrouw geweest en u hebt uitheemse vrouwen [bij u] doen wonen, en [daarmee] de schuld van Israël vermeerderd. 11Welnu, geef de HEERE, de God van uw vaderen, de eer, en handel naar Zijn welbehagen, en zonder u af van de volken van het land en van de uitheemse vrouwen.

Naar de mens gesproken is Ezra bijna alleen. Maar God is met hem en zo gebeurt het dat de harten van het volk zich voor hem buigen (vers 55Toen stond Ezra op en hij deed de oversten van de priesters, van de Levieten en van heel Israël zweren om dienovereenkomstig te handelen; en zij zwoeren een eed.). Dan reageert Ezra door op te staan uit zijn verootmoediging (vers 66Ezra stond op van voor het huis van God en hij ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib; toen hij daar kwam, at hij geen brood en dronk hij geen water, omdat hij rouwde over de trouwbreuk van de ballingen.). Zijn droefheid duurt zolang de zonde blijft bestaan, omdat hij diep in zijn hart de oneer voelt die de Naam van God is aangedaan. Het geheim van geestelijke kracht is: alleen te zijn met God.

Het werk van Gods Geest wordt ook openbaar in de handelwijze van het volk. Zij roepen alle ballingen op naar Jeruzalem te komen om te beraadslagen over de ontstane situatie (vers 77En men ging met een boodschap voor alle ballingen door Juda en Jeruzalem om in Jeruzalem bijeen te komen.). Tucht, die helemaal verwaarloosd en nagelaten is door de geestelijke slapheid van het volk, wordt nu weer naar Gods gedachten uitgeoefend. Als nu zou worden geweigerd te luisteren naar Gods Woord, zou dat een hardheid van hart bewijzen en een eigenwillige geest, die onder zijn broeders niet kan worden gehandhaafd (vers 88En van al wie niet binnen drie dagen zou komen, volgens de raad van de vorsten en de oudsten, zouden al zijn bezittingen met de ban geslagen worden en hijzelf zou worden afgezonderd van de gemeente van de ballingen.).

De oproep vindt gehoor. Alle mannen van Juda en Jeruzalem komen binnen de gestelde termijn in Jeruzalem (vers 99Toen kwamen alle mannen van Juda en Benjamin bijeen in Jeruzalem, binnen drie dagen; het was de negende maand, op de twintigste van die maand. Het hele volk zat op het plein van het huis van God, bevend omwille van de zaak en vanwege de vele regen.). Daar verzamelen ze zich op het plein van het huis van God. Ze rillen zowel vanwege hun geweten en de pijn en het verdriet om ontstane bloedbanden te moeten verbreken als vanwege de vele regen. De hevige regen gaf hun een extra gevoel van het Goddelijk misnoegen over hun ontrouw.

Ezra richt het woord tot het bijeengekomen volk (vers 1010Toen stond Ezra, de priester, op en zei tegen hen: U bent ontrouw geweest en u hebt uitheemse vrouwen [bij u] doen wonen, en [daarmee] de schuld van Israël vermeerderd.). In zijn belijdenis in Ezra 9 heeft hij zich eengemaakt met de zonde van het volk. Daar spreekt hij tegenover God over “wij”. Dit is de ware plaats ten opzichte van God. Als hij hier tot het volk spreekt, spreekt hij over “u”. Hier spreekt hij zo, omdat hij hun hart en geweten wil raken.

Er is slechts één manier om de oprechtheid van een belijdenis te bewijzen en dat is door het kwaad weg te doen. Belijdenis alleen is niet voldoende, ze moeten zich ook onderwerpen aan Gods wil. Belijdenis zonder de zonde te oordelen is zelfbedrog. Zelfveroordeling en scheiding van het kwaad zijn nodig (Sp 28:1313Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,
maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.
)
. Ze moeten de omgang met de volken van het land opgeven en de vreemde vrouwen wegzenden. Het tweede is een gevolg van het eerste, daarom moet in deze volgorde worden gehandeld. De wortel van het kwaad moet eerst worden geoordeeld.

Het wegzenden van vrouwen en kinderen zal een aangrijpend gebeuren zijn geweest, dat met veel verdriet en smeken gepaard is gegaan. Echt berouw gaat altijd gepaard met verdriet en pijn over de zonde die is begaan.


Het volk is bereid om te handelen

12De hele gemeente antwoordde en zei met luide stem: Zo, overeenkomstig uw woord, [staat] het ons te doen. 13Het volk is echter talrijk, en het is de regentijd; en er is geen kracht om buiten te [blijven] staan. Bovendien is het geen werk voor één dag of voor twee, want wij hebben met velen in deze zaak overtreden. 14Laat onze vorsten toch aantreden voor de hele gemeente en laat allen die in onze steden [wonen] en die uitheemse vrouwen [bij zich] hebben doen wonen, op vastgestelde tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en haar rechters, totdat wij de brandende toorn van onze God vanwege deze zaak van ons afgewend hebben. 15Alleen Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, stonden hiertegen op; en Mesullam en Sabbethai, de Leviet, hielpen hen.

Zonder tegenspraak of onderhandeling om onder de gevolgen uit te komen of die te verzachten stemt het hele volk volledig in met wat is gezegd (vers 1212De hele gemeente antwoordde en zei met luide stem: Zo, overeenkomstig uw woord, [staat] het ons te doen.). Er is bereidheid om ten koste van alles met hun hele hart de beslissing van gehoorzaamheid aan Gods Woord waar te maken. Als het geweten enkele jaren eerder zo nauwgezet zou zijn geweest, wat zouden ze zichzelf dan een pijn en verdriet hebben bespaard.

Nu het hart bereid is om te doen wat noodzakelijk is, is het ook belangrijk de feitelijke omstandigheden onder ogen te zien. Er blijken omstandigheden aanwezig te zijn die een onmiddellijk wegzenden in de weg staan (vers 1313Het volk is echter talrijk, en het is de regentijd; en er is geen kracht om buiten te [blijven] staan. Bovendien is het geen werk voor één dag of voor twee, want wij hebben met velen in deze zaak overtreden.). Ook is de overtreding te omvangrijk om in één dag weg te doen. God is geduldig en barmhartig en houdt rekening met wat in het hart is besloten. Hij weet dat de schuldigen geen uitvlucht zoeken, maar wensen te gehoorzamen.

Wij moeten het geduld van Ezra tot voorbeeld nemen, opdat onze broeders die gezondigd hebben en daarover hun berouw hebben getoond, de moed niet verliezen. Het kwaad is te ernstig dan dat daar op een algemene wijze mee kan worden gehandeld, of lichtvaardig en snel. Elk geval moet zelfstandig en grondig worden geoordeeld.

Het volk stelt voor dat de vorsten het wegzenden zullen begeleiden en stap voor stap zullen uitvoeren (vers 1414Laat onze vorsten toch aantreden voor de hele gemeente en laat allen die in onze steden [wonen] en die uitheemse vrouwen [bij zich] hebben doen wonen, op vastgestelde tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en haar rechters, totdat wij de brandende toorn van onze God vanwege deze zaak van ons afgewend hebben.). Zij moeten tijden vaststellen waarop allen die uitheemse vrouwen bij zich hebben doen wonen, bij hen kunnen komen. Daarbij moeten dan ook de oudsten en rechters van de stad van herkomst aanwezig zijn. Oneerlijke behandeling moet geen kans krijgen. Elke schijn van partijdigheid moet worden vermeden. Alles moet controleerbaar zijn en vastgelegd worden, zodat latere aanspraken of bezwaren kunnen worden weerlegd. Als ze zo zullen handelen, zullen ze de brandende toorn van God die vanwege deze zaak op hen ligt, van zich afwenden.

In vers 1515Alleen Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, stonden hiertegen op; en Mesullam en Sabbethai, de Leviet, hielpen hen. worden vier namen genoemd van mannen die zich verzetten tegen de oefeningen van de gemeente. Hun namen zijn een waarschuwing voor allen. Paulus noemt, om Timotheüs voor hen te waarschuwen, ook enkele namen van tegenstanders van de waarheid (2Tm 2:1717want zij zullen voortgaan tot toenemende goddeloosheid en hun woord zal als kanker voortwoekeren. Onder hen zijn Hymenéüs en Filétus,; 4:1414Alexander de kopersmid heeft mij veel kwaad berokkend; de Heer zal hem vergelden naar zijn werken.). De satan zal er altijd voor zorgen dat er tegenstand tegen een werk van God is, maar daaraan moet niet worden toegegeven.


Wie vreemde vrouwen hadden

16De ballingen deden zo. Ezra, de priester, [en] de mannen, [te weten] de familiehoofden, zonderden zich van hen af, naar hun familie, allen bij name [genoemd]. Zij hielden zitting op de eerste dag van de tiende maand om de zaak te onderzoeken. 17En op de eerste dag van de eerste maand hadden zij [de zaak] voor alle mannen die uitheemse vrouwen [bij zich] hadden doen wonen, afgehandeld. 18Van de nakomelingen van de priesters werden er gevonden die uitheemse vrouwen [bij zich] hadden doen wonen: van de nakomelingen van Jesua, de zoon van Jozadak, en zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalia. 19Zij gaven hun hand [erop] dat zij hun vrouwen zouden doen vertrekken, en [aangezien] zij schuldig waren, [offerden zij] een ram uit het kleinvee voor hun schuld. 20Van de nakomelingen van Immer: Hanani en Zebadja. 21Van de nakomelingen van Harim: Maäseja, Elia, Semaja, Jehiël en Uzia. 22Van de nakomelingen van Pashur: Eljoënai, Maäseja, Ismaël, Nethaneël, Jozabad en Elasa. 23Van de Levieten: Jozabad, Simeï, Kelaja (dat is Kelita), Petahja, Juda en Eliëzer. 24Van de zangers: Eljasib; van de poortwachters: Sallum, Telem en Uri. 25Van Israël: van de nakomelingen van Paros: Ramja, Jezia, Malchia, Mijamin, Eleazar, Malchia en Benaja. 26Van de nakomelingen van Elam: Mattanja, Zacharja, Jehiël, Abdi, Jeremoth en Elia. 27Van de nakomelingen van Zattu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad en Aziza. 28Van de nakomelingen van Bebai: Johanan, Hananja, Zabbai [en] Athlai. 29Van de nakomelingen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub, Seal [en] Jeramoth. 30Van de nakomelingen van Pahat-Moab: Adna, Chelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Bezaleël, en Binnuï en Manasse. 31Van de nakomelingen van Harim: Eliëzer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon, 32Benjamin, Malluch [en] Semarja. 33Van de nakomelingen van Hasum: Matthenai, Mattatta, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse [en] Simeï. 34Van de nakomelingen van Bani: Maädai, Amram en Uël, 35Benaja, Bedeja, Cheluhu, 36Vanja, Meremoth, Eljasib, 37Mattanja, Matthenai en Jaäsai, 38en Bani, en Binnuï, en Simeï, 39en Selemja, en Nathan, en Adaja, 40Machnadbai, Sasai, Sarai, 41Azareël en Selemja, Semarja, 42Sallum, Amarja [en] Jozef. 43Van de nakomelingen van Nebo: Jeïel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai en Joël [en] Benaja. 44Deze allen hadden uitheemse vrouwen genomen, en [sommigen] van hen hadden vrouwen bij wie zij kinderen gekregen hadden.

De tegenstand van Jonathan en anderen (vers 1515Alleen Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, stonden hiertegen op; en Mesullam en Sabbethai, de Leviet, hielpen hen.) heeft geen effect op het volk. De ballingen laten zich niet door hen tegenhouden en doen zoals ze hebben beloofd (vers 1616De ballingen deden zo. Ezra, de priester, [en] de mannen, [te weten] de familiehoofden, zonderden zich van hen af, naar hun familie, allen bij name [genoemd]. Zij hielden zitting op de eerste dag van de tiende maand om de zaak te onderzoeken.). Er wordt een commissie gevormd en een zitting georganiseerd om de zaak te onderzoeken. Daardoor moet het wegzenden in goede orde plaatsvinden. Het wegzenden gebeurt niet zonder onderzoek. Alles gebeurt grondig, zorgvuldig en zonder haast. Ook in de gemeente mag tucht pas plaatsvinden na onderzoek door betrouwbare mensen.

Als duidelijk is welke mannen uitheemse vrouwen bij zich hebben doen wonen, gaat men over tot wegzenden. Het wegzenden moet hartverscheurende taferelen tot gevolg hebben gehad. Het is alles de vrucht van het verlaten van God en eigenwillig handelen. Na drie maanden – van de eerste dag van de tiende maand tot de eerste dag van de eerste maand – is de zaak afgehandeld en de reiniging voltooid (vers 1717En op de eerste dag van de eerste maand hadden zij [de zaak] voor alle mannen die uitheemse vrouwen [bij zich] hadden doen wonen, afgehandeld.). Wanneer men klaar is, luidt dat een nieuwe periode van geestelijke voorspoed in, wat we kunnen zien aan de uitdrukking “de eerste dag van de eerste maand”.

De eersten die worden genoemd van hen die in deze zaak hebben overtreden, zijn de priesters (vers 1818Van de nakomelingen van de priesters werden er gevonden die uitheemse vrouwen [bij zich] hadden doen wonen: van de nakomelingen van Jesua, de zoon van Jozadak, en zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalia.). Zelfs nakomelingen van Jesua, die met de eerste lichting uit Babel is gekomen, hebben uitheemse vrouwen genomen. Zij zijn het meest schuldig. Als priesters hebben zij zich niet gehouden aan de opdracht zoals die in Maleachi 2 staat (Ml 2:77Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
)
staat. Ze belijden echter hun zonde en beloven zich te reinigen door hun vrouwen weg te zenden.

Het is een droevig en verootmoedigend feit dat veel trouwe en toegewijde dienaren van de HEERE zonen hebben gehad die niet in de voetstappen van hun vader hebben gewandeld. We zien dat bijvoorbeeld bij Aäron en twee van zijn zonen, bij Samuel en zijn zonen, bij enkele zonen van David, bij Hizkia en zijn zoon. Dit moet ons tot veel gebed brengen voor de gezinnen van hen die de Heer dienen.

De overtredende priesters brengen een ram als schuldoffer (vers 1919Zij gaven hun hand [erop] dat zij hun vrouwen zouden doen vertrekken, en [aangezien] zij schuldig waren, [offerden zij] een ram uit het kleinvee voor hun schuld.). Een ram is het dier dat wordt gebruikt bij de inwijding van een priester als hij het priesterambt gaat bekleden (Lv 8:2222Vervolgens liet hij de andere ram naderbij komen, de ram van het wijdingsoffer. En Aäron met zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram.). Door een ram als schuldoffer te brengen wijden de priesters zich opnieuw aan de HEERE. Het brengen van een schuldoffer (Lv 5:14-1914De HEERE sprak tot Mozes:15Wanneer een persoon trouwbreuk pleegt en zonder opzet zonde begaat tegen de heilige dingen van de HEERE, dan moet hij als zijn schuldoffer een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee aan de HEERE brengen, tegen een door u bepaalde waarde van enkele sikkels zilver, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom, als schuldoffer.16Zo moet hij het heilige waartegen hij gezondigd heeft, vergoeden en er een vijfde [deel] aan toevoegen. Hij moet dat aan de priester geven. Zo zal de priester met de ram van het schuldoffer verzoening voor hem doen, en het zal hem vergeven worden.17En wanneer een persoon zondigt en één van alle geboden van de HEERE overtreedt, wat niet gedaan mag worden, [ook] al wist hij het niet, dan is hij [toch] schuldig en moet hij zijn ongerechtigheid dragen.18Hij moet een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee tegen een door u bepaalde waarde als schuldoffer naar de priester brengen. De priester zal zo verzoening voor hem doen voor zijn zonde, die hij zonder opzet en zonder het te weten gedaan heeft, en het zal hem vergeven worden.19Het is een schuldoffer, want hij heeft zich zeker schuldig gemaakt tegenover de HEERE.; 6:1-71De HEERE sprak tot Mozes:2Wanneer een persoon zondigt en trouwbreuk pleegt tegen de HEERE, doordat hij tegenover zijn naaste ontkent dat hem iets in bewaring gegeven of ter hand gesteld is, of dat hij iets geroofd heeft, of zijn naaste iets met geweld afgeperst heeft,3of een verloren voorwerp gevonden heeft, en hij ontkent dat en legt een valse eed af over één ding van alles wat een mens kan doen om zich daarmee te bezondigen,4dan moet het [zó] zijn – omdat hij gezondigd heeft en schuldig bevonden is – dat hij het geroofde, dat hij wegroofde, terugbrengt, of het afgeperste, dat hij met geweld afhandig maakte, of het in bewaring gegevene, dat hem in bewaring gegeven was, of het verloren voorwerp, dat hij gevonden had,5of alles waarover hij een valse eed afgelegd heeft. Daarvan moet hij de volle waarde vergoeden en er [bovendien nog] een vijfde [deel] aan toevoegen. Hij moet het geven aan degene die het toebehoorde, op de dag dat hij zijn schuldoffer brengt.6Hij moet zijn schuldoffer voor de HEERE naar de priester brengen, een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee, tegen een door u bepaalde waarde, als schuldoffer.7Zo moet de priester verzoening voor hem doen voor het aangezicht van de HEERE, en het zal hem vergeven worden ten aanzien van welke zaak dan ook waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt.) betekent dat niet alleen de zonde wordt erkend, maar ook wordt goedgemaakt.

We zijn pas vrij van onze schuld, als we zien dat de Heer Jezus het ware schuldoffer is, Die bij God in orde heeft gebracht wat wij aan schuld op ons hebben geladen. Hij is op aarde in alles volkomen aan God toegewijd (ram) geweest en heeft altijd aan God gegeven wat Hem toekomt en nog veel meer daarbij (schuldoffer).

De lijst met namen (verzen 20-4320Van de nakomelingen van Immer: Hanani en Zebadja.21Van de nakomelingen van Harim: Maäseja, Elia, Semaja, Jehiël en Uzia.22Van de nakomelingen van Pashur: Eljoënai, Maäseja, Ismaël, Nethaneël, Jozabad en Elasa.23Van de Levieten: Jozabad, Simeï, Kelaja (dat is Kelita), Petahja, Juda en Eliëzer.24Van de zangers: Eljasib; van de poortwachters: Sallum, Telem en Uri.25Van Israël: van de nakomelingen van Paros: Ramja, Jezia, Malchia, Mijamin, Eleazar, Malchia en Benaja.26Van de nakomelingen van Elam: Mattanja, Zacharja, Jehiël, Abdi, Jeremoth en Elia.27Van de nakomelingen van Zattu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad en Aziza.28Van de nakomelingen van Bebai: Johanan, Hananja, Zabbai [en] Athlai.29Van de nakomelingen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub, Seal [en] Jeramoth.30Van de nakomelingen van Pahat-Moab: Adna, Chelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Bezaleël, en Binnuï en Manasse.31Van de nakomelingen van Harim: Eliëzer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,32Benjamin, Malluch [en] Semarja.33Van de nakomelingen van Hasum: Matthenai, Mattatta, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse [en] Simeï.34Van de nakomelingen van Bani: Maädai, Amram en Uël,35Benaja, Bedeja, Cheluhu,36Vanja, Meremoth, Eljasib,37Mattanja, Matthenai en Jaäsai,38en Bani, en Binnuï, en Simeï,39en Selemja, en Nathan, en Adaja,40Machnadbai, Sasai, Sarai,41Azareël en Selemja, Semarja,42Sallum, Amarja [en] Jozef.43Van de nakomelingen van Nebo: Jeïel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai en Joël [en] Benaja.) is dit keer een heel andere dan eerdere lijsten. Eerdere lijsten bevatten namen als een eervolle vermelding voor het gaan van een weg van geloof. Deze lijst bevat namen die beschaming oproepen, hoewel het mensen betreft die zich opnieuw willen onderwerpen aan God en daardoor blijken overwinnaars over de zonde te zijn.

Op deze lijst staan de namen van mensen van wie moet worden gezegd: “Deze allen hadden uitheemse vrouwen genomen” (vers 4444Deze allen hadden uitheemse vrouwen genomen, en [sommigen] van hen hadden vrouwen bij wie zij kinderen gekregen hadden.). Er zijn niet alleen verkeerde huwelijken gesloten, maar [sommigen] van hen hadden vrouwen bij wie zij kinderen gekregen hadden”. Ook die kinderen moeten worden weggezonden. We zien hier dat hoe ernstiger de afwijking is, hoe meer vruchten van die afwijking er zijn en dat als gevolg daarvan bij het zelfoordeel de smart des te dieper is.

Aan Gods oog ontsnapt niets en niemand. “Wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus” (2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.). Het is te hopen dat ook het laatste hoofdstuk van ons leven het beste uit onze geschiedenis is. Dat houdt in dat er meer zelfoordeel zal zijn dan ooit, meer waardering van Christus, meer afzondering voor God, meer priesterlijke gevoelens, meer geschiktheid voor de dienst van God. Wat er ook in de geschiedenis is gebeurd, laten we ervoor zorgen dat we als overwinnaars eindigen.