2 Korinthiërs
1-4 De weg van Gods dienaars (I) 5-13 De weg van Gods dienaars (II) 14-16 Het ongelijke juk 17-18 Afzondering, waarvan en waartoe
De weg van Gods dienaars (I)

1Maar als medearbeiders vermanen wij [u] ook, dat u de genade van God niet tevergeefs ontvangt 2(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis), 3daar wij in geen enkel opzicht enig struikelblok vormen, opdat de bediening niet gelasterd wordt, 4maar in alles ons aanbevelen als dienaars van God, in veel volharding, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,

V11Maar als medearbeiders vermanen wij [u] ook, dat u de genade van God niet tevergeefs ontvangt. De laatste verzen van het vorige hoofdstuk houden een vermaning in voor alle mensen die nog zonder God en Christus in de wereld leven. Deze vermaning luidt: “Laat u met God verzoenen.” In het eerste vers van dit hoofdstuk staat een vermaning die aan de gelovigen in Korinthe is gericht en over hun hoofden heen aan allen die zich christen noemen. Die vermaning luidt: “Dat u de genade van God niet tevergeefs ontvangt.” Kan dat dan, de genade van God ontvangen op een manier die niets uitwerkt? Dat kan inderdaad.

Voor een kind van God is de behoudenis vast en zeker. Dat is een absolute waarheid die gegrond is op het geloof in het werk van de Heer Jezus. Dit werk is helemaal buiten jou om volbracht en door God aangenomen. Ieder die er deel aan heeft, is volmaakt gered. Maar er is nog een andere waarheid, die van de verantwoordelijkheid. Bij de voorstelling van die zijde van de waarheid gaat het erom dat anderen in jouw leven kunnen zien dat jij een kind van God bent. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de wijze waarop jij met de Bijbel omgaat. Hoe reageer jij als jou iets uit de Bijbel wordt voorgehouden?

Als iemand echt bekeerd is, zal hij de Bijbel liefhebben en graag doen wat daarin staat. Als iemand alleen maar de aangename dingen van het christen zijn wil horen en doen, kun je wel een vraagteken zetten bij zijn belijdenis dat hij een gelovige is. Van deze kant benadert Paulus de zaak hier. Tussen de ware kinderen van God kunnen ook mensen zitten die alleen maar met het verstand of met het gevoel Gods dingen benaderen, terwijl het hart en het geweten nooit in Gods licht zijn geweest. Zo iemand is nooit met werkelijk berouw over zijn zonden tot God gegaan.

Het is niet voldoende, te weten dat God genadig is. In de brief van Judas wordt zelfs gesproken over mensen “die de genade van onze God veranderen in losbandigheid” (Jd 1:44Want bepaalde mensen zijn binnengeslopen, die van ouds tot dit oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en onze enige Meester en Heer Jezus Christus verloochenen.). Iemand kan op een verkeerde manier met de genade van God omgaan. De genade van God blijft in zo’n geval zonder uitwerking of krijgt een verkeerde uitwerking.

V22(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),. Voor wie echt gelooft, volgt in vers 22(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis), een woord dat als een toetssteen dient om te weten of er sprake is van echte bekering. Het eerste deel van dit vers is een aanhaling uit Jesaja 49 (Js 49:8a8Zo zegt de HEERE:
In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord,
en op de dag van het heil heb Ik U geholpen.
Ik zal U beschermen en U geven tot een Verbond voor het volk,
om de aarde [weer] op te richten,
om de verwoeste erfelijke bezittingen te ontvangen,
)
. Daar gaat het om de verhoring door God van de Knecht van de HEERE, dat is de Heer Jezus. De Heer Jezus zegt daar dat Zijn werk geen resultaat heeft. Dan zegt God dat Hij Zijn zegen aan het werk van Zijn Zoon zal verbinden (Js 49:4-74Ik, Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid,
nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.
Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE,
en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.
5En nu zegt de HEERE,
Die Zich Mij vanaf de [moeder]schoot tot Knecht heeft geformeerd
om Jakob tot Hem terug te brengen
– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.
Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,
en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
7Zo zegt de HEERE,
de Verlosser van Israël, zijn Heilige,
tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,
tegen de Knecht van heersers:
Koningen zullen het zien en opstaan,
vorsten – zij zullen zich [voor U] neerbuigen,
omwille van de HEERE, Die getrouw is,
de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.
)
. De aangename tijd, de tijd van de verhoring, is gekomen toen de Heer Jezus door God uit de doden werd opgewekt.

Een verdere verhoring zal plaatsvinden als de Heer Jezus uit de hemel terugkomt om alles in bezit te nemen wat God Hem als loon op Zijn werk heeft gegeven. Tussen deze twee verhoringen in leven wij. Maar wat is het schitterend te zien dat er ook voor ons een aangename tijd is en een dag van behoudenis, en dat is nú. Ieder die zijn zonden belijdt en met berouw tot God gaat en Hem vraagt om behouden te worden, wordt verhoord en ontvangt de behoudenis.

Dat heeft Paulus gepredikt en dat hebben de Korinthiërs geloofd, en daaraan herinnert hij hen. Hij zegt als het ware: ‘Denk er wel om dat jullie er blijk van geven dat jullie onze prediking nooit echt geloofd hebben als jullie ons als dienaars laten vallen. Het kon dan wel eens allemaal tevergeefs zijn geweest.’

V33daar wij in geen enkel opzicht enig struikelblok vormen, opdat de bediening niet gelasterd wordt,. Paulus heeft reden om de Korinthiërs zo toe te spreken. Er zijn valse apostelen gekomen die Paulus en zijn medewerkers zwart maken, alsof zij op eigen roem en eer uit zijn. In 2 Korinthiërs 10-11 gaat Paulus daar uitvoerig op in. De Korinthiërs zijn geneigd naar deze zogenaamde predikers te luisteren. Deze predikers stellen de zaken van het geloof veel gemakkelijker voor dan Paulus heeft gedaan. En op welke wijze heeft Paulus zich dan een dienaar van God betoond? Zeker niet als iemand die zelf een gemakkelijke weg gaat, terwijl hij aan anderen predikt dat ze nauwgezet moeten leven.

Nee, de manier waarop hij leeft, is helemaal in de lijn van wat hij anderen voorhoudt. Hij doet er zijn uiterste best voor om geen struikelblok te vormen. Hij zou een struikelblok zijn wanneer hij een verschil zou laten zien tussen wat hij zei en wat hij deed. Dat zou pas echt lastering van zijn dienst tot gevolg hebben.

Dat is het juist wat zoveel mensen als kritiek uiten als je met hen spreekt over het evangelie. Ze weten dan altijd wel voorbeelden aan te halen die gaan over ‘mensen die ‘s zondags vooraan in de kerk zitten en ‘s maandags proberen je een poot uit te draaien’. Je woorden zullen nooit effect hebben als je in je leven niet waarmaakt wat je zegt. Betekent dat dan dat je volmaakt moet zijn voordat je kunt getuigen? Nee, als je het maar belijdt wanneer je een fout hebt gemaakt. Bij Paulus kon de vinger niet op een inconsequent gedrag worden gelegd, en ik hoop dat dat bij jou ook het geval is.

V44maar in alles ons aanbevelen als dienaars van God, in veel volharding, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,. Je kunt zeggen dat vers 33daar wij in geen enkel opzicht enig struikelblok vormen, opdat de bediening niet gelasterd wordt, de negatieve kant laat zien: zorgen dat er niets op je aan te merken valt. Dan komt in vers 44maar in alles ons aanbevelen als dienaars van God, in veel volharding, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, en de volgende verzen de positieve kant, hoe je kunt laten zien dat je een echte dienaar van God bent. Paulus somt in die verzen maar liefst achtentwintig kenmerken op waaruit blijkt dat hij een echte dienaar van God is.

Het begint met “volharding”. Er wordt wel eens gezegd: ‘Een goed begin is het halve werk’, maar er moet wel aan toegevoegd worden dat het daar niet bij moet blijven. De andere helft moet wel volgen.

Volharding blijkt als ze op de proef wordt gesteld, en de apostel noemt dan de dingen op waardoor dat allemaal kan plaatsvinden. Voordat je die lijst op je laat inwerken, mag je eraan denken dat God genoemd wordt “de God van de volharding” (Rm 15:55Moge nu de God van de volharding en de vertroosting u geven tegenover elkaar eensgezind te zijn in overeenstemming met Christus Jezus,). Hij wil je helpen om ondanks alle beproevingen toch vol te houden. Kijk ook maar eens welke bemoedigingen er staan in 2 Thessalonicenzen 3 en Openbaring 3 (2Th 3:55De Heer nu moge uw harten richten tot de liefde van God en tot de volharding van Christus.; Op 3:1010Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen.).

De eerste beproeving is “verdrukking”. Dat wil zeggen dat je onder druk komt te staan. Je mag denken aan gelovigen die vervolgd worden, maar je mag ook denken aan je eigen situatie. Hoe gemakkelijk kom je niet onder druk te staan omdat je weet dat er in allerlei situaties op je houding en reactie als christen wordt gelet. Luister naar wat de Heer Jezus tegen je zegt in Johannes 16: “In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Jh 16:33b33Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.).

Het tweede, “noden”, heeft meer te maken met dingen die je ontbreken en die je toch nodig hebt. Je mag erop rekenen dat God in je nood zal voorzien.

Bij “benauwdheden” mag je denken aan ‘geen ruimte hebben om je te bewegen’, je in een situatie bevinden waarin je niet goed weet hoe je je moet opstellen om de eer van de Heer hoog te houden. Je voelt je dan enorm afhankelijk van de Heer. Hij zal ervoor zorgen dat je Hem niet verloochent.

Deze eerste drie beproevingen zijn algemeen van aard. Ze horen bij elkaar en God gebruikt ze als middelen waardoor jij je volharding kunt laten zien, terwijl je bij Hem terecht kunt voor wat je nodig hebt.

Lees nog eens 2 Korinthiërs 6:1-4.

Verwerking: Hoe heb jij de genade van God ontvangen?


De weg van Gods dienaars (II)

5in slagen, in gevangenissen, in oproeren, in arbeid, in waken, in vasten; 6in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in [de] Heilige Geest, in ongeveinsde liefde, 7in [het] woord van [de] waarheid, in [de] kracht van God; door de wapens van de gerechtigheid in de rechterhand en linkerhand; 8door heerlijkheid en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en [toch] waarachtigen; 9als onbekenden en [toch] bekenden; als stervend, en zie, wij leven; als getuchtigd en [toch] niet gedood; 10als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en [toch] alles bezittend. 11Onze mond heeft zich voor u ontsloten, Korinthiërs, ons hart staat wijd open. 12U hebt geen enge plaats in ons, maar u bent zelf enghartig. 13Maar stelt ook u, als een zelfde vergelding (ik spreek als tot kinderen), [uw hart] wijd open.

V55in slagen, in gevangenissen, in oproeren, in arbeid, in waken, in vasten;. We gaan door met de manieren waarop volharding getest wordt. De eerste drie onderdelen hebben we gehad. De volgende drie horen ook bij elkaar, dat zie je zo: “slagen”, “gevangenissen”, “oproeren”. Het zijn dingen die Paulus door andere mensen zijn aangedaan en die betrekking hebben op het lichaam. Dat zijn echt geen plagerijtjes. In het boek Handelingen lees je hoe hij is geslagen en in de gevangenis is gegooid (Hd 16:19-2419Toen nu haar meesters zagen dat hun hoop op winst weg was, grepen zij Paulus en Silas en sleepten hen naar de markt voor de overheid;20en toen zij hen bij de praetoren hadden gebracht, zeiden zij: Deze mensen, die Joden zijn, brengen onze stad in verwarring21en verkondigen gebruiken die wij niet mogen aannemen of doen, daar wij Romeinen zijn.22En de menigte stond mee tegen hen op; en de praetoren scheurden hun de kleren af en bevalen hen te geselen.23En nadat zij hun vele slagen hadden gegeven, wierpen zij [hen] in de gevangenis en bevalen de gevangenbewaarder hen zorgvuldig te bewaren.24Daar deze zo’n bevel had ontvangen, wierp hij hen in de binnenste gevangenis en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok.). Je leest daar ook hoe hij verschillende keren het middelpunt van een oproerige volksmenigte is geweest (Hd 19:29-3129En de stad raakte vol van de verwarring en zij stormden eendrachtig naar het theater en sleurden Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, reisgenoten van Paulus mee.30Toen nu Paulus zich onder het volk wilde begeven, lieten de discipelen het hem niet toe.31En ook sommigen van de oversten van Asia, die zijn vrienden waren, zonden [een boodschap] naar hem en drongen erop aan zich niet in het theater te begeven.; 21:27-3627Toen nu de zeven dagen ten einde liepen, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel, en zij brachten de hele menigte in opschudding en sloegen de handen aan hem28en schreeuwden: Mannen van Israël, helpt! Dit is de mens die allen overal leert tegen het volk en de wet en deze plaats; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontheiligd.29Want zij hadden tevoren de Efeziër Trófimus met hem in de stad gezien, van wie zij meenden dat Paulus hem in de tempel had gebracht.30En de hele stad kwam in rep en roer en er ontstond een volksoploop; en zij grepen Paulus en sleepten hem buiten de tempel, en terstond werden de deuren gesloten.31En terwijl zij hem trachtten te doden, werd aan de overste van de legerafdeling gemeld dat heel Jeruzalem in verwarring was;32deze nam onmiddellijk soldaten en hoofdlieden met zich mee en liep snel op hen af. Toen zij nu de overste en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan.33Toen naderde de overste, greep hem en beval hem met twee ketenen te boeien; en hij vroeg wie hij was en wat hij had gedaan.34In de menigte nu riepen sommigen dit, anderen dat; en daar hij het rechte niet te weten kon komen vanwege het tumult, beval hij hem in de legerplaats te brengen.35En toen hij bij de trappen was, gebeurde het dat hij door de soldaten werd gedragen vanwege het geweld van de menigte.36Want de volksmenigte volgde, terwijl zij schreeuwden: Weg met hem!).

Dan volgt er opnieuw een drietal dat bij elkaar hoort: “In arbeid, in waken, in vasten.” Er is wel een verschil met de vorige beproevingen. De vorige zijn niet-vrijwillige beproevingen. Een leven waaruit blijkt dat iemand een getuige is voor de Heer Jezus, lokt vaak een negatieve reactie uit bij andere mensen. Arbeid, waken en vasten zijn echter situaties die de dienaar om zo te zeggen zichzelf oplegt. Het zijn zaken waarin hij zich vrijwillig begeeft of die hij vrijwillig ondergaat.

Er zijn genoeg christenen die het fijn vinden dat ze gered zijn van de hel, maar die de ‘arbeid’ van het uitdragen van hun christen zijn ontlopen. Het woord ‘arbeid’ betekent ‘ingespannen werken’.

‘Waken’ is ervoor zorgen dat je niet in slaap valt omdat je weet dat er gevaren dreigen. Geestelijk op jou en mij toegepast betekent het dat we onze ogen goed openhouden en scherp erop toezien van welke kant de geestelijke gevaren kunnen komen die ertoe leiden dat we ons christen zijn op een laag pitje zetten. Je laat je dan niet in slaap sussen door allerlei gepraat van mensen die je vertellen dat je het niet zo nauw hoeft te nemen en dat alles vanzelf wel goed komt.

Voor ‘vasten’ geldt hetzelfde. Het wil zeggen dat je geen voedsel gebruikt. Heb jij wel eens enige tijd niets gegeten vanwege een geestelijke nood in jouw leven of in dat van een ander? Als je vast, is dat om voor die nood zo intensief te bidden, dat je voor die tijd van gebed van de lichamelijke behoeften afziet. Vasten is geen doel op zichzelf, maar een ondersteuning in een geestelijke strijd.

Je kunt deze drie vrijwillige dingen ontlopen. De echte dienaar van God doet dat niet en bewijst daardoor dat hij goed begrijpt waarom het in zijn leven als dienaar gaat.

V66in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in [de] Heilige Geest, in ongeveinsde liefde,. Wat in de verzen 6-106in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in [de] Heilige Geest, in ongeveinsde liefde,7in [het] woord van [de] waarheid, in [de] kracht van God; door de wapens van de gerechtigheid in de rechterhand en linkerhand;8door heerlijkheid en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en [toch] waarachtigen;9als onbekenden en [toch] bekenden; als stervend, en zie, wij leven; als getuchtigd en [toch] niet gedood;10als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en [toch] alles bezittend. verder volgt, zijn kenmerken waarnaar God bij Zijn dienaars zoekt en die door de voorgaande omstandigheden duidelijk naar voren zullen komen.

1. Het eerste is “reinheid”. Reinheid wil zeggen dat je jezelf onbesmet van de wereld bewaart, er geen vriendschap mee sluit.
2. Dan volgt “kennis”. Kennis betekent dat je God kent en dat je weet wat Hij van je vraagt. Daarvoor heb je de Bijbel.
3. “Lankmoedigheid” is het geduld dat je kunt opbrengen in de contacten die je hebt.
4. “Goedertierenheid” wil zeggen dat je door goedertieren te zijn anderen iets laat voelen van de goedheid van God.
5. De kracht om je zo te kunnen openbaren heb je niet van jezelf, maar door de “Heilige Geest”.
6. “Ongeveinsde liefde” is oprechte, ongehuichelde liefde. Liefde is de natuur van God en die mag je laten zien. Dat wil niet zeggen dat je het verkeerde goed praat of doet alsof het er niet is.
7. V77in [het] woord van [de] waarheid, in [de] kracht van God; door de wapens van de gerechtigheid in de rechterhand en linkerhand;. Daarom moet de dienaar “[het] woord van [de] waarheid” kunnen hanteren en toepassen op allerlei situaties.
8. Als hij dat doet in afhankelijkheid van God en niet met menselijke wijsheid, zal “[de] kracht van God” gevoeld worden.
9. “De wapens van de gerechtigheid” zien op het praktische leven van de dienaar. Wanneer hij niet van onrechtvaardige praktijken te beschuldigen is omdat hij aan ieder geeft waarop hij recht heeft, dan is dat een wapen waarmee hij beschuldigingen die van alle kanten geuit kunnen worden, kan afslaan. Een dienaar staat altijd aan kritiek bloot, zowel van de rechterkant als van de linkerkant. Vandaar dat hij naar beide zijden evenwichtig moet zijn om zich naar beide zijden te kunnen verdedigen.
Kritiek en tegenstand zijn zaken waarmee je gewoon rekening moet houden als je voor de Heer wilt leven en werken. Niet, dat je je boven alle kritiek verheven moet voelen. Dat zou hoogmoed betekenen.
10. V88door heerlijkheid en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en [toch] waarachtigen;. Het gaat hier om een dienaar die in alles zijn Meester wil behagen. In dat geval ga je door “heerlijkheid en oneer”, soms word je bejubeld en een andere keer juist verguisd.
11. Hoe groter dienaar iemand is, des te meer wordt er over hem gepraat, in negatieve en in positieve zin. Hij gaat “door kwaad gerucht en goed gerucht” heen; men spiegelt hem af als een verleider, maar hij is toch waarachtig.
12. V99als onbekenden en [toch] bekenden; als stervend, en zie, wij leven; als getuchtigd en [toch] niet gedood;. In de wereld is hij onbekend, maar hij is bekend bij God.
13. Wat de wereld betreft, is hij stervend, de wereld heeft niets aan hem. Dat komt omdat hij niet voor de wereld, maar voor God leeft.
14. Alles wat hem overkomt, neemt hij als tuchtiging uit Gods hand aan. Tucht is geen straf en zeker zal hij er niet door gedood worden. Tucht is altijd bedoeld als opvoeding. Voor die opvoeding gebruikt God allerlei middelen, zoals die welke je in de verzen 4-54maar in alles ons aanbevelen als dienaars van God, in veel volharding, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,5in slagen, in gevangenissen, in oproeren, in arbeid, in waken, in vasten; hebt gelezen.
Het doel dat God ermee heeft, is je ertoe te brengen het verkeerde uit je leven weg te doen zodat je meer op Hem gaat lijken. Daarom is het gevolg van tucht niet dat je erdoor gedood wordt.
15. V1010als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en [toch] alles bezittend.. Tuchtiging zelf is niet fijn om te ondergaan, ze kan je “bedroefd” maken (vgl. Hb 12:1111Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.). Maar wat je erin ervaart van de liefde en de zorg van God, maakt je “blij”.
16. Een dienaar heeft geen rijkdommen in deze wereld. Wat dat betreft, is hij “arm”. Zijn ware rijkdom is in Christus en daardoor kan hij iemand zijn die velen “rijk makend” is.
17. Het slot van vers 1010als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en [toch] alles bezittend. laat zien dat hij in deze wereld “niets hebbend” is. Zijn ware bezit is Christus. Daardoor is hij “alles bezittend”. Wie Hem heeft, heeft alles, want alles is van Hem.

Je ziet dat het geen kleinigheid is om je voor dienaar van God uit te geven. Ik hoop dat je er niet door ontmoedigd bent, maar juist door aangemoedigd wordt. Er liggen toch wel heel wat rijke beloften in opgesloten.

V1111Onze mond heeft zich voor u ontsloten, Korinthiërs, ons hart staat wijd open.. Misschien kun je je een beetje voorstellen welk een diepe indruk deze verzen op de Korinthiërs moeten hebben gemaakt. Paulus heeft zijn hart voor hen ontsloten. Hij heeft zich niet ingehouden, maar zijn hart voor hen uitgestort. Ze mogen weten wat daarin voor hen is. Hij heeft hen lief met zijn hele hart. Alles waarover hij in de vorige verzen heeft gesproken en wat hij heeft meegemaakt, heeft hij meegemaakt en beleefd ter wille van hen om hun het evangelie te kunnen brengen.

Zie je hoe hij hen persoonlijk aanspreekt als “Korinthiërs”? In nog twee brieven spreekt hij de geadresseerden zo persoonlijk aan. Hij doet dat ook bij de Galaten (Gl 3:11O onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, u wie Jezus Christus als gekruisigd voor ogen werd geschilderd?) en bij de Filippenzen (Fp 4:1515U weet ook zelf, Filippenzen, dat in [het] begin van het evangelie, toen ik van Macedonië was vertrokken, geen gemeente in rekening van uitgave en ontvangst met mij in verbinding heeft gestaan dan u alleen.). In alle drie gevallen spreekt hij vanuit een overvol hart.

V1212U hebt geen enge plaats in ons, maar u bent zelf enghartig.. Hier in Korinthe wil hij weer die speciale plaats in hun hart hebben die hij vroeger had. Nee, zij hebben beslist geen enge plaats in hem, maar zelf zijn ze wel enghartig. Zij hebben maar een klein plekje in hun hart voor Paulus. Zij kunnen hem niet meer zo erg waarderen.

V1313Maar stelt ook u, als een zelfde vergelding (ik spreek als tot kinderen), [uw hart] wijd open.. Hij doet hun dan het verzoek om hun hart weer ruim open te stellen voor hem en zijn dienst. Hij vraagt dat als een soort vergelding, als iets wat hij aan hen heeft verdiend. Hij heeft zich immers met zijn hele leven voor hen ingezet? Zullen ze hem dan niet met een speciale liefde liefhebben? Zij zijn toch zijn “kinderen”?

Je merkt aan de hele manier van schrijven dat Paulus zijn best doet om hun harten weer te winnen. Hij verlangt ernaar dat de verhouding tussen de Korinthiërs en hem weer goed is en zij weer naar zijn wijze raad gaan luisteren. Hij heeft daarbij alleen de eer van de Heer en het welzijn van de gelovigen op het oog.

Lees nog eens 2 Korinthiërs 6:5-13.

Verwerking: Wat is er in jouw leven te vinden van de opsomming in de verzen 4-104maar in alles ons aanbevelen als dienaars van God, in veel volharding, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,5in slagen, in gevangenissen, in oproeren, in arbeid, in waken, in vasten;6in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in [de] Heilige Geest, in ongeveinsde liefde,7in [het] woord van [de] waarheid, in [de] kracht van God; door de wapens van de gerechtigheid in de rechterhand en linkerhand;8door heerlijkheid en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en [toch] waarachtigen;9als onbekenden en [toch] bekenden; als stervend, en zie, wij leven; als getuchtigd en [toch] niet gedood;10als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en [toch] alles bezittend.?


Het ongelijke juk

14Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis? 15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige? 16En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.

V1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?. Over deze verzen is al heel wat gezegd en geschreven. En dat is niet voor niets: ze zijn namelijk van groot belang voor je praktische geloofsleven. Je moet letten op het grote contrast tussen deze verzen en de verzen hiervoor. In de verzen hiervoor heeft Paulus een beschrijving gegeven van het leven van een echte dienaar van God. Heb je daarin iets kunnen ontdekken wat je eer en aanzien in de wereld kan opleveren? Nee toch? Maar daarop zijn de Korinthiërs juist uit. Ze willen ook van de wereld profiteren.

Als het om Paulus en zijn dienst gaat, zijn ze eng van hart. Maar o, wat zijn ze ruimhartig als het om hun omgang met de wereld gaat. Daar kunnen ze gemakkelijk mee samengaan. Daar kun je veel voordeel van hebben en het bespaart je ook dat nare, enghartige leven met al zijn ontberingen zoals Paulus dat meemaakt.

Helaas zijn er ook nu nog christenen, zowel jonge als oudere, die zo redeneren. Natuurlijk worden die dingen niet hardop gezegd, maar in hun leven blijkt dat nog niet alle banden met de wereld zijn doorgesneden. Het gaat hier om alle samenwerkingsverbanden waardoor de gelovige niet meer het rechte pad van gehoorzaamheid aan Gods Woord kan volgen.

Dat betekent niet dat je helemaal niet met ongelovigen mag omgaan. Wanneer je bijvoorbeeld denkt aan je werk- of schoolsituatie, ligt dat anders. Met je collega’s en medescholieren leef je niet per definitie onder een ongelijk juk. Het is je plicht om naar je werk en naar school te gaan. Het is verkeerd om daar onderuit te willen.

Het gaat om verbintenissen die tot ongehoorzaamheid leiden. Deze kunnen zakelijk zijn, of betrekking hebben op vriendschappen. Het geldt zeker ook, hoewel het daar niet in eerste instantie over gaat, voor het huwelijk. Begin daarom nooit aan verkering met een ongelovige, dan zal er ook van een huwelijk nooit sprake kunnen zijn.

In het Oude Testament vind je dat God met het oog op een verbinding tussen Zijn volk en de omliggende volken op dezelfde wijze spreekt. In beeld heeft Hij dat laten zien in het voorschrift in Deuteronomium 22: “U mag niet ploegen met een rund en een ezel tegelijk” (Dt 22:1010U mag niet ploegen met een rund en een ezel tegelijk.). Een rund is een rein dier; het kon aan God geofferd worden. Een ezel is een onrein dier; het moest de nek worden gebroken of worden gelost met een lam (Ex 13:13a13Maar alles wat [de baarmoeder] van een ezelin opent, moet u vrijkopen met een lam. Als u het niet vrijkoopt, moet u het de nek breken. Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen.). Net zomin als deze twee dieren samen konden ploegen, kunnen een gelovige en een ongelovige samengaan. Met dit beeld voor ogen laat Paulus de messcherpe scheiding zien die er bestaat tussen gelovigen en ongelovigen.

Voordat ik verder op deze verzen inga, wil ik je alvast wijzen op de verzen 17-1817Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’., waar een machtige belofte staat voor iedereen die de wereld vaarwel zegt. Heb jij het er op dit moment moeilijk mee om iets los te laten wat jou nog steeds aan de wereld verbindt? Heb je geen kracht om ermee te breken? Lees dan de verzen 17-1817Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.. Dat is om je vooraf te bemoedigen.

Nu terug naar vers 1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?. Daar worden de Korinthiërs aangesproken om niet met ongelovigen onder een ongelijk juk te gaan. Weet je, als je leven niet helemaal voor de Heer Jezus is, is het automatische gevolg dat er verbindingen met de wereld komen. Om goed te laten zien waarom dit onmogelijk is, volgt een aantal vergelijkingen die aantonen waarom het niet kan. Hierdoor wordt duidelijk dat een ongelovige zich door totaal andere motieven en gevoelens laat leiden dan een gelovige.

Het uitgangspunt en het doel van ieders leven is volkomen verschillend. Een ongelovige leeft vanuit een volledig andere bron dan een gelovige. Er is het grootst denkbare verschil tussen hen. Paulus laat de uitersten zien, niet om te overdrijven, maar omdat de zaken zo liggen en niet anders. Elke andere voorstelling van zaken vertroebelt de feiten.

Dit zijn de feiten:

1. “Gerechtigheid” is doen wat in overeenstemming is met het recht van God. “Wetteloosheid” is het doen van je eigen wil, zonder dat je enig gezag boven je erkent. Wat voor “deelgenootschap” hebben die twee met elkaar? ‘Deelgenootschap’ wil zeggen dat je samen ergens een gelijk aandeel in hebt. Gerechtigheid hoort bij het nieuwe leven van de gelovige. De ongelovige heeft dit nieuwe leven niet en luistert daarom niet naar God. Hij erkent Zijn gezag ook niet. Die twee uitingen in het leven van de een en van de ander liggen ver uit elkaar.

2. “Licht” en “duisternis” geven de sfeer aan waarin beide partijen zich bevinden. Op de eerste bladzijde van de Bijbel brengt God direct, nadat Hij het licht tevoorschijn heeft geroepen, een scheiding aan tussen licht en duisternis. Nog duidelijker dan bij het eerste feit zie je bij dit feit dat het absoluut ondenkbaar is dat er enige vorm van “gemeenschap” is tussen een gelovige en een ongelovige. ‘Gemeenschap’ wil zeggen dat er iets gemeenschappelijks is, een gemeenschappelijke belangstelling. In het licht geniet een gelovige van de omgang met God. In de duisternis geniet de ongelovige van de zonde.

3. V1515En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?. “Christus” en “Belial” geven aan bij wie van de twee iemand hoort. De gelovige hoort bij Christus en de ongelovige bij Belial. Wie ‘Christus’ is, weet je. Hij is de Man naar Wie Gods hart uitgaat en naar Wie sinds je bekering ook jouw hart uitgaat. De naam ‘Belial’ komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. In het Oude Testament komt hij vaker voor. Oorspronkelijk betekende deze naam ‘waardeloosheid’ of ‘hopeloze puinhoop’; ‘opperste boosaardigheid’; ‘verwoesting’. Het is duidelijk een naam voor de satan. Kun jij ook maar één ding bedenken waarin Christus en Belial overeenstemmen?

4. “Gelovige” is de benaming voor de volgeling van Christus en “ongelovige” is de benaming voor een navolger van Belial. Een gelovige is iemand die zijn volle vertrouwen op Christus heeft gesteld, niet alleen voor de eeuwigheid, maar ook voor het dagelijkse leven. Een ongelovige kijkt niet naar Christus om. Het “deel” van de gelovige is Christus, en dat van de ongelovige is de satan.

5. V1616En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.. In “Gods tempel” wordt God door de gelovige vereerd en gediend. Daar is geen plaats voor “afgoden”. Afgoden vullen het leven van de ongelovige. Paulus zegt van de tempel van God: “Wij zijn de tempel van de levende God.” Dat wil zeggen dat de gemeente de woonplaats van God is.

Je merkt het verlangen van God om bij Zijn volk te wonen en te wandelen. Hij wil hun God zijn en Hij wil hen als Zijn volk kunnen erkennen. Met eerbied gesproken: God wil Zich er thuis voelen, Zich er vrij kunnen bewegen. Dat kan alleen als er geen storende elementen zijn. Die zijn er wel, wanneer de gelovigen zich verbinden met de wereld. In Psalm 93 staat treffend: “De heiligheid is een sieraad voor Uw huis, HEERE” (Ps 93:55Uw getuigenissen zijn zeer betrouwbaar;
de heiligheid is een sieraad voor Uw huis, HEERE,
tot in lengte van dagen.
)
.

Het logische gevolg van de opgesomde feiten kan niet anders zijn dan de oproep van vers 1717Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,. Daarmee wil ik in het volgende stukje verder gaan.

Lees nog eens 2 Korinthiërs 6:14-16.

Verwerking: In welk opzicht is er in jouw leven (misschien) nog sprake van een ongelijk juk?


Afzondering, waarvan en waartoe

17Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is, 18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.

V1717Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,. Het woord “daarom” is veelzeggend. God wil te midden van Zijn volk wonen en wandelen en dáárom kan Zijn volk zich niet verbinden met de wereld. Zijn volk moet zich radicaal gescheiden houden van de wereld en alles wat daar gevonden wordt. De voorgaande verzen hebben aangetoond dat die scheiding er is, maar Gods volk moet dat ook in de praktijk laten zien. Een gelovige moet elke verbinding verbreken waarin God geen plaats heeft, waarin geen rekening met Hem wordt gehouden.

Dit geldt in de eerste plaats voor relaties die een gelovige op vrijwillige basis is aangegaan. Het gaat om relaties waarin een gelovige met een ongelovige verantwoordelijkheid draagt en waarin compromissen moeten worden gesloten. Een ongelovige laat zich door totaal andere motieven leiden dan een gelovige. Een gelovige moet water bij de wijn doen. Josafat, een Godvrezende koning in het Oude Testament, wordt over het aangaan van een “ongelijk juk” ernstig door God vermaand (2Kr 18:33Achab, de koning van Israël, zei tegen Josafat, de koning van Juda: Wilt u met mij meegaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tegen hem: Ik ben als u, mijn volk is als uw volk: [wij gaan] met u mee in de strijd.). Hoe God daarover denkt, lees je in 2 Kronieken 19 (2Kr 19:22En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, kwam naar buiten, hem tegemoet, en zei tegen koning Josafat: Moest u de goddeloze helpen en zij die de HEERE haten, liefhebben? Hierom rust op u grote toorn van voor het aangezicht van de HEERE.). Helaas valt hij nog een keer in die fout. Lees maar na in 2 Kronieken 20 (2Kr 20:35-3735Hierna is Josafat, de koning van Juda, een verbintenis aangegaan met Ahazia, de koning van Israël. Hij was het die goddeloos handelde in [zijn] doen.36Hij ging een verbintenis met hem aan om schepen te bouwen om naar Tarsis te varen. Zij bouwden schepen in Ezeon-Geber.37Maar Eliëzer, de zoon van Dodava, uit Maresa, profeteerde tegen Josafat: Omdat u een verbintenis aangegaan bent met Ahazia, heeft de HEERE uw werken afgebroken. Toen leden de schepen schipbreuk en konden zij niet naar Tarsis varen.). Je ziet dat daar de gevolgen ernstiger zijn dan bij de eerste keer.

Het kan ook anders. Ik ken jongens die in een muziekband hebben gespeeld. Daar zijn ze na hun bekering uitgestapt. Ze maken nog muziek, maar nu met gelovigen en voor de Heer. Ik ken gelovigen die verkering hadden met een ongelovige. Toen ze het verkeerde hiervan inzagen en voor God als zonde beleden, hebben ze die relatie verbroken. Soms heeft de Heer bewerkt dat de ander later tot bekering kwam en de relatie weer aangeknoopt kon worden.

In verbinding hiermee nog een enkel woord over het huwelijk. Wanneer er eenmaal een huwelijk is gesloten, mag dat niet verbroken worden. God haat de echtscheiding (Ml 2:1616Want de HEERE, de God van Israël, zegt
dat Hij het wegsturen [van de eigen] vrouw haat,
hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad,
zegt de HEERE van de legermachten.
Wees dus op uw hoede met uw geest
en handel niet trouweloos.
)
. De opdracht ‘gaat weg uit hun midden’ geldt niet voor een eenmaal gesloten huwelijk (1Ko 7:10-1110Maar aan de getrouwden beveel ik – niet ik, maar de Heer –, dat [de] vrouw niet mag scheiden van [haar] man11(en als zij toch gescheiden is, laat zij ongetrouwd blijven of zich met haar man verzoenen), en dat [de] man [zijn] vrouw niet mag verstoten.). Al die andere verbindingen, waarin je je samen met ongelovigen inspant om een gemeenschappelijk doel te bereiken en waarin je God niet de eerste plaats kunt geven, moet je opgeven en loslaten. Je kunt daarbij denken aan een zaak die je samen met iemand anders zou willen opzetten, waarbij je samen verantwoordelijk bent voor de bedrijfsvoering. Die ander met wie je dat wilt doen, mag op grond van wat hier staat geen ongelovige zijn.

Gehoorzaamheid aan wat hier staat, heeft menigeen veel moeite gekost. Het kan pijnlijk zijn om je af te zonderen. Het kan ook pijnlijk zijn voor die ander van wie jij je afzondert, omdat die de indruk kan krijgen dat jij je beter voelt. Dat mag nooit de reden zijn. Probeer de ander duidelijk te maken waarom je in de betreffende situatie niet met hem of haar kunt samengaan. Of je begrepen zult worden, kan ik niet zeggen, maar het is je verantwoordelijkheid tegenover de Heer om je aan Zijn Woord te houden.

V1818en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.. Je zondert je ergens van af. Als het daarbij zou blijven, zou het niet meer zijn dan farizeïsme, een soort heiligingsleer die aangeeft dat je je boven anderen verheven voelt. Afzondering heeft echter geen negatief, maar een positief doel. God wil dat jij afgezonderd bent voor Hém. Om je zover te brengen doet Hij een grote belofte, waarin Hij laat zien wat Hij met je doet en wat Hij voor je wil zijn.

1. “Ik zal u aannemen.” Misschien zeg je: ‘Maar ik was toch al aangenomen?’ Ja, dat is zo, maar in dit vers gaat het erover dat je daar in de praktijk ook het genot van hebt. Wanneer jij je niet afzondert, kan God je niet laten voelen dat Hij je heeft aangenomen. Dat geldt ook voor het volgende.

2. “Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn.” Ook hier kun je zeggen: ‘Dat was toch al zo?’ Ja, maar Hij kan je niet laten voelen dat je waardevol voor Hem bent. Voorbeeldje: Mijn kinderen zijn en blijven mijn kinderen, wat ze ook doen. Toch kan ik ze mijn vaderliefde niet laten voelen als ze ongehoorzaam zijn. Zo is het ook met de Vader in de hemel. Hij kan kinderen van Hem die zich als wereldse mensen gedragen, niet als Zijn kinderen erkennen. Hij schaamt Zich voor hen. Hij wil graag dat Zijn kinderen Zijn eigenschappen laten zien.

De kracht om je af te zonderen ligt in “[de] Heer, [de] Almachtige”. ‘De Heer’ ziet op de verbinding die God had met Israël en op de beloften die Hij dat volk heeft gedaan. Al die beloften zullen worden vervuld. ‘De Almachtige’ is de naam van God waarmee Hij Zich aan Abraham bekendmaakte. Abraham is een goed voorbeeld van iemand die zich heeft afgezonderd van zijn familie en die als een afgezonderde heeft geleefd in een heidens land. Hij heeft zijn geloofsvertrouwen op God gesteld. God was voor hem Degene Die alles wat Hij beloofd heeft, ook zal waarmaken. Voor zo iemand schaamt God Zich niet om zijn God genoemd te worden (Hb 11:1616maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid.).

En wat heeft God Abraham gezegend! In Jesaja 51 staat een mooi vers: “Aanschouw Abraham, uw vader, …. Want toen hij [nog] alleen was, riep Ik hem” (Js 51:22Aanschouw Abraham, uw vader,
en Sara, [die] u gebaard heeft.
Want toen hij [nog] alleen was, riep Ik hem,
Ik zegende hem en maakte hem talrijk.
)
. Wanneer jij je afzondert, kan dat tot gevolg hebben dat je alleen komt te staan. Denk dan aan Abraham en zie wat God met hem heeft gedaan. Als je gehoorzaam bent, zul je de zegen ervan ervaren. Je zult God al wel zó goed kennen, dat je weet dat Hij alles wat jij voor Hem opgeeft, dubbel en dwars teruggeeft. God zal nooit iemand iets schuldig blijven.

Lees nog eens 2 Korinthiërs 6:17-18.

Verwerking: Wat is het resultaat als je een verkeerde verbinding verbreekt?


Lees verder