Esther
1-10 De Joden doden hun tegenstanders 11-14 Aanvullend verzoek van Esther 15-19 Rust, blijdschap en maaltijden 20-32 Instelling van het Purimfeest
De Joden doden hun tegenstanders

1In de twaalfde maand, [dat is] de maand Adar, op de dertiende dag ervan, toen [het moment] gekomen was om het woord van de koning en zijn wet uit te voeren, op de dag waarop de vijanden van de Joden hoopten hen in hun macht te krijgen, gebeurde het omgekeerde, want de Joden zelf kregen hun haters in hun macht. 2De Joden verzamelden zich in hun steden, in alle gewesten van koning Ahasveros, om de hand te slaan aan hen die hun onheil zochten. Niemand was tegen hen bestand, want angst voor hen was op alle volken gevallen. 3En al de vorsten van de gewesten, de stadhouders, de landvoogden en zij die het werk van de koning deden, ondersteunden de Joden, want angst voor Mordechai was op hen gevallen. 4Want Mordechai stond in hoog aanzien in het huis van de koning, en zijn roem verbreidde zich door alle gewesten, want deze man, Mordechai, kreeg gaandeweg meer aanzien. 5De Joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in en [zaaiden] dood en verderf, en zij deden met hun haters naar hun goeddunken. 6In de burcht Susan hebben de Joden vijfhonderd man gedood en omgebracht. 7En [ook] Parsandatha, Dalfon, Asfata, 8Poratha, Adalia, Aridatha, 9Parmastha, Arisai, Aridai en Vaizatha, 10de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de tegenstander van de Joden, doodden zij, maar ze staken hun hand niet uit naar de buit.

Dit hoofdstuk begint met een uitgebreide beschrijving van de datum (vers 11In de twaalfde maand, [dat is] de maand Adar, op de dertiende dag ervan, toen [het moment] gekomen was om het woord van de koning en zijn wet uit te voeren, op de dag waarop de vijanden van de Joden hoopten hen in hun macht te krijgen, gebeurde het omgekeerde, want de Joden zelf kregen hun haters in hun macht.). Tussen deze datum en de gebeurtenissen in de vorige twee hoofdstukken liggen ongeveer acht maanden. Hier begint dus een nieuw gedeelte. De datum is ook genoemd in het decreet van Haman van elf maanden geleden (Es 3:1313De brieven werden door ijlboden verzonden naar alle gewesten van de koning, [met het bevel] alle Joden weg te vagen, te doden en om te brengen, van jong tot oud, [met] de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun bezit te plunderen.) en het decreet van Mordechai van acht maanden geleden (Es 8:1212[Dit gold] voor één dag in alle gewesten van koning Ahasveros, voor de dertiende [dag] van de twaalfde maand, dat is de maand Adar.). Nu is die belangrijke dag aangebroken.

Het is “de dag waarop de vijanden van de Joden hoopten hen in hun macht te krijgen”. Op deze dag “gebeurde het omgekeerde, want de Joden zelf kregen hun haters in hun macht”. De dag van onderdrukking van de Joden door hun vijanden keerde om in een dag van triomf van de Joden over hun vijanden. Zowel het een als het ander gebeurt “om het woord van de koning en zijn wet uit te voeren”. Wat de vijanden wilden doen, is naar “het woord van de koning en zijn wet” (Es 3:12-1412Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in de eerste maand, op de dertiende dag ervan. Er werd geschreven, overeenkomstig alles wat Haman beval, aan de stadhouders van de koning, aan de landvoogden die in elk gewest waren, en aan de vorsten van elk volk, elk gewest in zijn [eigen] schrift en elk volk in zijn [eigen] taal. Er werd geschreven in de naam van koning Ahasveros, en het werd verzegeld met de zegelring van de koning.13De brieven werden door ijlboden verzonden naar alle gewesten van de koning, [met het bevel] alle Joden weg te vagen, te doden en om te brengen, van jong tot oud, [met] de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun bezit te plunderen.14De inhoud van het geschrevene moest als wet uitgevaardigd worden in alle gewesten en openbaar gemaakt aan alle volken, zodat ze die dag klaar zouden staan.) en wat de Joden doen, is eveneens naar “het woord van de koning en zijn wet” (Es 8:8-118Schrijft u dan zelf over de Joden zoals goed is in uw ogen, in naam van de koning, en verzegelt u het met de zegelring van de koning. Want de tekst die in naam van de koning geschreven en met de zegelring van de koning verzegeld is, kan niet herroepen worden.9De schrijvers van de koning werden in diezelfde tijd geroepen, in de derde maand, de maand Sivan, op de drieëntwintigste van die [maand]. Er werd geschreven overeenkomstig alles wat Mordechai gebood, aan de Joden, aan de stadhouders, de landvoogden en vorsten van de gewesten, van India tot Cusj, honderdzevenentwintig gewesten; elk gewest in zijn [eigen] schrift en elk volk in zijn [eigen] taal, ook aan de Joden in hun [eigen] schrift en hun [eigen] taal.10Men schreef in naam van koning Ahasveros en verzegelde het met de zegelring van de koning. Men verzond de brieven door middel van ijlboden te paard, die op de snelle koninklijke paarden reden, gefokt met merries.11[In de brieven stond] dat de koning de Joden in elke stad toestond zich te verzamelen, op te komen voor hun leven, en iedere macht die hen in het nauw zou willen brengen, uit [welk] volk of gewest [ook], weg te vagen, te doden en om te brengen, met kleine kinderen en vrouwen, en hun bezit te plunderen.).

In zijn toepassing op de gelovige zien we het wondere gevolg van Gods handelen door Christus. Door Hem en Zijn werk op het kruis is de gelovige bevrijd van de ene wetmatigheid, die van de zonde en de dood, en is die wetmatigheid vervangen door een andere wetmatigheid, die van de Geest en van leven (Rm 8:22want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood.).

Op deze bepaalde dag komen de Joden bij elkaar om allen te doden die hen kwaad willen doen (vers 22De Joden verzamelden zich in hun steden, in alle gewesten van koning Ahasveros, om de hand te slaan aan hen die hun onheil zochten. Niemand was tegen hen bestand, want angst voor hen was op alle volken gevallen.). Ze verzamelen zich in hun steden, wat de koning hun had toegestaan (Es 8:1111[In de brieven stond] dat de koning de Joden in elke stad toestond zich te verzamelen, op te komen voor hun leven, en iedere macht die hen in het nauw zou willen brengen, uit [welk] volk of gewest [ook], weg te vagen, te doden en om te brengen, met kleine kinderen en vrouwen, en hun bezit te plunderen.). Samen zijn ze sterk. Niemand is tegen hen opgewassen. Toch vormen ze ook als groep geen meerderheid. Hun kracht is de verborgen kracht van God Die angst op alle volken heeft laten vallen (vgl. Ex 15:1515Toen werden door schrik overmand
de stamhoofden van Edom.
De machthebbers van Moab
greep huivering aan.
Al de inwoners van Kanaän smolten weg [van angst].
; Jz 2:9,119en zei tegen die mannen: Ik weet dat de HEERE u dit land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land weggesmolten zijn [van angst] voor u.11Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.; 1Sm 14:1515En er ontstond schrik in het legerkamp, op het veld en onder heel het volk. De wachtpost en de plunderaars beefden zelf ook. Ja, het land sidderde, want het was een schrik van God.; 2Kr 14:1414En zij versloegen alle steden rondom Gerar, want grote vrees voor de HEERE kwam over hen. Zij plunderden al de steden, omdat zich daarin veel buit bevond.; 17:1010Toen kwam grote vrees voor de HEERE over alle koninkrijken van de landen die rond Juda lagen, zodat ze niet tegen Josafat streden.; 20:2929Grote vrees voor God kwam over alle koninkrijken van de landen, toen zij hoorden dat de HEERE tegen de vijanden van Israël gestreden had,; Ps 105:37-3837Hij leidde hen uit met zilver en goud,
onder hun stammen was niemand die struikelde.
38Egypte was blij toen zij wegtrokken,
want angst voor dit [volk] was op hen gevallen.
)
. Angst werkt verlammend. God maakt zo de volken krachteloos, waardoor ze niet bestand zijn tegen de Joden (vgl. Jz 10:88want de HEERE had tegen Jozua gezegd: Wees niet bevreesd voor hen, want Ik heb hen in uw hand gegeven. Niemand van hen zal voor u standhouden.; 21:4444En de HEERE gaf hun rondom rust, overeenkomstig alles wat Hij hun vaderen gezworen had. Niemand van al hun vijanden kon tegenover hen standhouden. Al hun vijanden gaf de HEERE in hun hand.; 23:99De HEERE heeft immers grote en machtige volken van voor uw [ogen] verdreven. En wat u betreft: niemand heeft tegenover u stand kunnen houden tot op deze dag.). De Naam van God wordt niet genoemd, maar voor het geloof is het onmiskenbaar Zijn werk dat we hier zien.

De Joden verzamelen zich “in hun steden”. Ze zoeken elkaar op in de steden die hun door de koning als woonplaats zijn gegeven. Alleen daar doden ze hun vijanden met het zwaard (vers 55De Joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in en [zaaiden] dood en verderf, en zij deden met hun haters naar hun goeddunken.). Ze zoeken de vijand niet op en dagen hem niet uit. Als wij naar plaatsen gaan zonder dat de Heer ons heeft gezegd daarheen te gaan, stellen we ons bloot aan de aanvallen van de satan en zullen we weerloos zijn. Het is belangrijk dat we naar plaatsen gaan waar we met medegelovigen kunnen samenkomen om samen de Heer te eren en elkaar te sterken in de geestelijke strijd. Als de vijand ons daar wil aanvallen, zal hij de nederlaag lijden. Om hem te weerstaan is ons “het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God” (Ef 6:1717En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,), gegeven.

Behalve van angst voor de Joden is er ook sprake van “angst voor Mordechai” (vers 33En al de vorsten van de gewesten, de stadhouders, de landvoogden en zij die het werk van de koning deden, ondersteunden de Joden, want angst voor Mordechai was op hen gevallen.). Het volk is in zichzelf zwak, maar de Mordechai van dit volk boezemt schrik in. Dat brengt alle hoogwaardigheidsbekleders en allen die voor de koning werken ertoe de Joden te ondersteunen en hen te helpen in hun strijd. Alles draait om Mordechai. Zijn positie is het fundament van het zegevieren van de Joden. Het volk dankt alles aan hem die zich volledig voor hen inzet.

Mordechai staat in hoog aanzien “in het huis van de koning” (vers 44Want Mordechai stond in hoog aanzien in het huis van de koning, en zijn roem verbreidde zich door alle gewesten, want deze man, Mordechai, kreeg gaandeweg meer aanzien.), het centrum van de macht. Daardoor verbreidt zijn roem zich door alle gewesten en krijgt hij steeds meer aanzien (vgl. 1Kr 11:99David nam gaandeweg toe in aanzien, want de HEERE van de legermachten was met hem.). Zijn persoon en zijn naam krijgen de nadruk: “Deze man, Mordechai.” Hij is het en niemand anders. Hij is hierin een beeld van de Heer Jezus, Die binnenkort openbaar in groot aanzien zal zijn en gaandeweg groter in aanzien zal worden (Lk 1:32-3332Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.; Mi 5:3b3Hij zal staan en [hen] weiden in de kracht van de HEERE,
in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.
Zij zullen [veilig] wonen, want nu zal Hij groot zijn
tot aan de einden van de aarde.
; Jh 3:3030Hij moet meer, maar ik minder worden.)
.

Naar de rechtvaardige wet van de vergelding handelen de Joden zonder medelijden met “al hun vijanden” en “hun haters” (vers 55De Joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in en [zaaiden] dood en verderf, en zij deden met hun haters naar hun goeddunken.). Door hun verbinding met Mordechai zijn zij in staat hun vijanden te verslaan. Zo zal “het overblijfsel van Jakob … onder de heidenvolken zijn, … als een leeuw onder de dieren van het woud” en al hun vijanden uitroeien (Mi 5:7-87Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,
te midden van veel volken,
als een leeuw onder de dieren van het woud,
als een jonge leeuw onder de schaapskudden,
die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,
en er is niemand die redt.8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders
en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
)
. Hun vijanden zijn niet alleen mensen die hun kwaad willen doen ter wille van het voordeel dat het hun zou brengen, maar ze worden ook gedreven door intense haat tegen de Joden. Hun handelingen zijn boos en hun motieven zijn boos.

Een telling in de burcht Susan wijst uit dat de Joden alleen daar al “vijfhonderd man gedood en omgebracht” hebben en ook “de tien zonen van Haman” (verzen 6-10,126In de burcht Susan hebben de Joden vijfhonderd man gedood en omgebracht.7En [ook] Parsandatha, Dalfon, Asfata,8Poratha, Adalia, Aridatha,9Parmastha, Arisai, Aridai en Vaizatha,10de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de tegenstander van de Joden, doodden zij, maar ze staken hun hand niet uit naar de buit.12En de koning zei tegen koningin Esther: In de burcht Susan hebben de Joden vijfhonderd man en de tien zonen van Haman gedood en omgebracht. Wat zullen ze [dan wel niet] in de overige gewesten van de koning gedaan hebben? Wat is nu uw vraag? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek nog? Het zal ingewilligd worden.). Haman is al gedood, maar nu wordt ook zijn nageslacht gedood. Haman wordt hier voor de laatste keer in dit boek genoemd. Met nog een keer de vermelding dat hij “de tegenstander van de Joden” was, verdwijnt hij, zonder nageslacht, uit de geschiedenis.

Zo worden ook eerst de leiders van de grote opstand tegen Christus en Zijn volk, het beest en de valse profeet, “geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt” (Op 19:2020En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.). Daarna worden “de overigen” (Op 19:2121En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.) gedood, dat zijn allen die deze twee zijn gevolgd en in wie hun kenmerken zichtbaar zijn geworden.

Hoewel de Joden toestemming hebben om de buit van hun tegenstanders te roven (Es 8:1111[In de brieven stond] dat de koning de Joden in elke stad toestond zich te verzamelen, op te komen voor hun leven, en iedere macht die hen in het nauw zou willen brengen, uit [welk] volk of gewest [ook], weg te vagen, te doden en om te brengen, met kleine kinderen en vrouwen, en hun bezit te plunderen.), doen ze dat niet (vers 1010de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de tegenstander van de Joden, doodden zij, maar ze staken hun hand niet uit naar de buit.; verzen 15,1615En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden in Susan driehonderd man. Zij staken echter hun hand niet uit naar de buit.16En de rest van de Joden, die in de gewesten van de koning waren, verzamelden zich om pal te staan voor hun leven en kregen rust van hun vijanden. Zij doodden onder hun haters vijfenzeventigduizend [man], maar zij staken hun hand niet uit naar de buit.). Het lijkt erop dat het volk de oude traditie in ere houdt dat de buit van de vijand aan God vervalt, hoewel daarover hier niets wordt gezegd (vgl. Jz 6:17-2117Maar de stad moet met de ban aan de HEERE gewijd zijn, [de stad] zelf en alles wat erin is. Alleen Rachab, de hoer, zal in leven blijven, zij en allen die bij haar in huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgestuurd hadden, verborgen heeft.18Past ú echter op voor wat met de ban gewijd is. Anders slaat u zichzelf met de ban, als u neemt van wat met de ban gewijd is; en dan maakt u van het leger van Israël [een] met de ban geslagen [leger] en stort u het in het ongeluk.19Maar al het zilver en goud en de koperen en ijzeren voorwerpen moeten heilig zijn voor de HEERE; ze moeten bij de schat van de HEERE komen.20Het volk juichte, toen zij op de bazuinen bliezen. En het gebeurde, zodra het volk het bazuingeschal hoorde, dat het volk een luid gejuich aanhief. En de muur stortte in en het volk klom de stad in, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.21En zij sloegen alles wat in de stad was, met de ban, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot het rund, het schaap en de ezel toe.).


Aanvullend verzoek van Esther

11Op diezelfde dag kwam bij de koning [het bericht] binnen van het aantal gedoden in de burcht Susan. 12En de koning zei tegen koningin Esther: In de burcht Susan hebben de Joden vijfhonderd man en de tien zonen van Haman gedood en omgebracht. Wat zullen ze [dan wel niet] in de overige gewesten van de koning gedaan hebben? Wat is nu uw vraag? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek nog? Het zal ingewilligd worden. 13Toen zei Esther: Als het de koning goeddunkt, laat het dan aan de Joden die in Susan zijn, toegestaan zijn om ook morgen te doen volgens de wet [die] voor vandaag [geldt]; en laat men de tien zonen van Haman aan de galg hangen. 14Toen zei de koning dat men het zo zou doen. En er werd een wet uitgevaardigd in Susan en men hing de tien zonen van Haman op.

De koning krijgt bericht van het aantal gedoden in de burcht Susan (vers 1111Op diezelfde dag kwam bij de koning [het bericht] binnen van het aantal gedoden in de burcht Susan.). Hij vertelt Esther daarover in het laatste gesprek dat we tussen hen in dit boek horen. Hij zegt erbij dat de tien zonen van Haman hetzelfde lot als hun vader hebben ondergaan. Het is alsof hij haar zekerheid wil geven dat alle gevaar uit die hoek bezworen is. De dood van de zonen van Haman is er een beeld van dat allen die de satan volgen, in zijn lot zullen delen. Zij zullen uit de mond van de Heer Jezus te horen krijgen: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid” (Mt 25:4141Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan Zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid;).

We kunnen in de zonen van Haman ook een beeld zien van de werken van het vlees. Als het vlees zich in ons wil laten gelden, zullen we ons daarvoor dood moeten houden (Rm 6:1111Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.). Dat kan, als we de Geest in ons laten werken (Rm 8:13b13want als u naar [het] vlees leeft, zult u sterven; maar als u door [de] Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult u leven.). Dan zullen we in staat zijn om onze leden die op de aarde zijn, te doden (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,).

Na zijn mededeling over de gedoden in de burcht Susan vraagt de koning zich hardop af wat er in de rest van zijn koninkrijk is gebeurd (vers 1212En de koning zei tegen koningin Esther: In de burcht Susan hebben de Joden vijfhonderd man en de tien zonen van Haman gedood en omgebracht. Wat zullen ze [dan wel niet] in de overige gewesten van de koning gedaan hebben? Wat is nu uw vraag? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek nog? Het zal ingewilligd worden.). Direct daarna stelt hij Esther de vraag die hij haar al enkele keren eerder heeft gesteld (Es 5:3,63Toen zei de koning tegen haar: Wat is er met u, koningin Esther, en wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, al was het ook de helft van het koninkrijk.6zei de koning tegen Esther bij het drinken van de wijn: Wat is uw vraag? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek? Het zal ingewilligd worden, al was het ook de helft van het koninkrijk.; 7:22zei de koning ook op de tweede dag bij het drinken van de wijn tegen Esther: Wat is uw vraag, koningin Esther? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek? Het zal ingewilligd worden, al was het ook de helft van het koninkrijk.). De vorige keren is dat gebeurd dat naar aanleiding van een vraag van Esther zelf, maar nu komt de koning zelf ongevraagd met de vraag: “Wat is nu uw vraag … en wat is uw verzoek nog?” Hij zegt haar toe haar te geven wat ze vraagt en haar verzoek in te willigen. Het is weer de uitnodiging onbeperkt te vragen met de verzekering dat hij zal geven. Het verschil met de vorige keren is dat hij er dit keer niet aan toevoegt dat ze mag vragen tot de helft van zijn koninkrijk.

Er is hier ook geen sprake van de gouden scepter. Het lijkt erop te wijzen dat Esther sinds de vorige keer voortdurend in de gunst van de koning staat en bij hem is. Het antwoord van Esther laat dat ook zien. Met verschuldigd respect – “als het de koning goeddunkt” –, maar toch ook met vrijmoedigheid – ze gaat nu direct op haar doel af –, vraagt ze twee gunsten. Ze vraagt ten eerste dat de toestemming aan de Joden om hun vijanden uit te roeien ook voor de volgende dag mag blijven gelden. Ze vraagt of de wet die alleen voor dertien Adar geldt, met een dag mag worden verlengd. Ze vraagt dat blijkbaar alleen voor Susan (verzen 15,1815En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden in Susan driehonderd man. Zij staken echter hun hand niet uit naar de buit.18En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich op de dertiende en op de veertiende van die [maand] en zij rustten op de vijftiende ervan en zij maakten die tot een dag van maaltijden en van blijdschap.). Esther wil geen extra dag van slachting, maar een extra dag waarop de Joden zich mogen verdedigen tegen allen die hen aanvallen. Ten tweede wil ze dat de tien zonen van Haman aan de galg worden gehangen.

De koning reageert, zoals hij heeft beloofd, op beide vragen toestemmend (vers 1414Toen zei de koning dat men het zo zou doen. En er werd een wet uitgevaardigd in Susan en men hing de tien zonen van Haman op.). Hij geeft bevel om beide verzoeken van Esther uit te voeren. Voor het verlengen van de geldigheid van de wet wordt een nieuwe, aanvullende wet uitgevaardigd, en de tien zonen van Haman worden opgehangen. Anders dan in de gevallen van de decreten van Haman en Mordechai worden de schrijvers niet opgeroepen. Ook worden de woorden van de wet niet precies weergegeven. Het gaat dit keer om de verlenging en niet om de inhoud. Aan de inhoud verandert niets. Ook lijkt de verlenging alleen voor de stad Susan te gelden (vers 1515En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden in Susan driehonderd man. Zij staken echter hun hand niet uit naar de buit.).


Rust, blijdschap en maaltijden

15En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden in Susan driehonderd man. Zij staken echter hun hand niet uit naar de buit. 16En de rest van de Joden, die in de gewesten van de koning waren, verzamelden zich om pal te staan voor hun leven en kregen rust van hun vijanden. Zij doodden onder hun haters vijfenzeventigduizend [man], maar zij staken hun hand niet uit naar de buit. 17[Dit gebeurde] op de dertiende dag van de maand Adar. Op de veertiende daarvan rustten zij, en zij maakten die tot een dag van maaltijden en blijdschap. 18En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich op de dertiende en op de veertiende van die [maand] en zij rustten op de vijftiende ervan en zij maakten die tot een dag van maaltijden en van blijdschap. 19Daarom maken de Joden van het platteland, die in niet ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand Adar tot [een dag van] blijdschap en maaltijden, een vrolijke dag en een dag om elkaar geschenken te sturen.

De Joden in Susan verzamelen zich, met toestemming van Ahasveros (verzen 13-1413Toen zei Esther: Als het de koning goeddunkt, laat het dan aan de Joden die in Susan zijn, toegestaan zijn om ook morgen te doen volgens de wet [die] voor vandaag [geldt]; en laat men de tien zonen van Haman aan de galg hangen.14Toen zei de koning dat men het zo zou doen. En er werd een wet uitgevaardigd in Susan en men hing de tien zonen van Haman op.), ook op veertien Adar en doden in Susan nog eens driehonderd man (vers 1515En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden in Susan driehonderd man. Zij staken echter hun hand niet uit naar de buit.). Weer wordt vermeld dat de Joden hun hand niet naar de buit uitsteken (vers 1010de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de tegenstander van de Joden, doodden zij, maar ze staken hun hand niet uit naar de buit.).

In de rest van de gewesten, dat is het hele grote gebied buiten Susan, verzamelen de Joden zich ook “om pal te staan voor hun leven” (vers 1616En de rest van de Joden, die in de gewesten van de koning waren, verzamelden zich om pal te staan voor hun leven en kregen rust van hun vijanden. Zij doodden onder hun haters vijfenzeventigduizend [man], maar zij staken hun hand niet uit naar de buit.). Dat doen ze met succes, want ze krijgen “rust van hun vijanden”. Rust is, na een tijd van harde strijd, een weldaad. Met de rust is hier ook vrede en veiligheid verbonden. De vijanden zijn uitgeschakeld, de haters leven niet meer. Dit spreekt van de rust van het vrederijk, als de Heer Jezus als de ware Vredevorst regeert en Zijn heerschappij zich uitstrekt tot het einde van de aarde.

Het aantal gedoden wordt genoemd. Deze gedode vijanden worden weer “hun haters” genoemd, wat weer aangeeft dat deze vijanden, vijanden met zulke gevoelens, zich nooit met de Joden zullen verzoenen. Voor de derde keer wordt gezegd dat de Joden hun hand niet naar de buit uitsteken. De eerste keer wordt het gezegd van de Joden in het algemeen (vers 1010de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de tegenstander van de Joden, doodden zij, maar ze staken hun hand niet uit naar de buit.), daarna speciaal van de stedelijke Joden (vers 1515En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden in Susan driehonderd man. Zij staken echter hun hand niet uit naar de buit.) en nu van de Joden van het platteland (vers 1616En de rest van de Joden, die in de gewesten van de koning waren, verzamelden zich om pal te staan voor hun leven en kregen rust van hun vijanden. Zij doodden onder hun haters vijfenzeventigduizend [man], maar zij staken hun hand niet uit naar de buit.).

Wat de rest van de Joden heeft gedaan, heeft plaatsgevonden op dertien Adar (vers 1717[Dit gebeurde] op de dertiende dag van de maand Adar. Op de veertiende daarvan rustten zij, en zij maakten die tot een dag van maaltijden en blijdschap.). De dag daarna, veertien Adar, genieten ze van een welverdiende rust. Ze maken deze rustdag tot een feestdag met maaltijden en blijdschap. Rust is een geschenk van God. Hij heeft die rust bewerkt, Hij alleen kan die rust aan Zijn volk geven (Dt 3:2020Pas wanneer de HEERE [ook] aan uw broeders rust gegeven heeft, net als aan u, en ook zij het land in bezit hebben genomen dat de HEERE, uw God, hun geven zal aan de overzijde van de Jordaan, [pas] dan mag u terugkeren, eenieder naar zijn bezit, dat ik u gegeven heb.; 12:1010Maar u zult de Jordaan oversteken en gaan wonen in het land dat de HEERE, uw God, u in erfelijk bezit geeft. Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom [u], en u zult veilig wonen.), hoewel dit werk hier niet openlijk aan Hem wordt toegeschreven.

De verzen 18-1918En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich op de dertiende en op de veertiende van die [maand] en zij rustten op de vijftiende ervan en zij maakten die tot een dag van maaltijden en van blijdschap.19Daarom maken de Joden van het platteland, die in niet ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand Adar tot [een dag van] blijdschap en maaltijden, een vrolijke dag en een dag om elkaar geschenken te sturen. zijn een samenvatting van de gebeurtenissen. Eerst wordt gezegd wat de stedelijke Joden hebben gedaan (vers 1818En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich op de dertiende en op de veertiende van die [maand] en zij rustten op de vijftiende ervan en zij maakten die tot een dag van maaltijden en van blijdschap.), daarna wat de Joden van het platteland hebben gedaan (vers 1919Daarom maken de Joden van het platteland, die in niet ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand Adar tot [een dag van] blijdschap en maaltijden, een vrolijke dag en een dag om elkaar geschenken te sturen.). Omdat de Joden in Susan een extra dag strijd hebben geleverd, rusten zij op de vijftiende van die maand en maken die dag “tot een dag van maaltijden en van blijdschap”. De Joden van het platteland maken veertien Adar “tot [een dag van] blijdschap en maaltijden, een vrolijke dag en een dag om elkaar geschenken te sturen”.

Het is opmerkelijk van hoe groot belang het feestelijke karakter van de twee rustdagen is. In de verzen 17-1917[Dit gebeurde] op de dertiende dag van de maand Adar. Op de veertiende daarvan rustten zij, en zij maakten die tot een dag van maaltijden en blijdschap.18En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich op de dertiende en op de veertiende van die [maand] en zij rustten op de vijftiende ervan en zij maakten die tot een dag van maaltijden en van blijdschap.19Daarom maken de Joden van het platteland, die in niet ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand Adar tot [een dag van] blijdschap en maaltijden, een vrolijke dag en een dag om elkaar geschenken te sturen. wordt tot drie keer vermeld dat het dagen zijn van “maaltijden en blijdschap”. Dat moet wel te maken hebben met het wegvallen van een grote dreiging. Dat kunnen we ook begrijpen, als wij ons tenminste realiseren wat het betekent dat de Heer Jezus ons verlost heeft uit de macht van hem die de macht had ons te doden, de duivel. Aan hem waren wij ons hele leven door uit vrees voor de dood in slavernij onderworpen (Hb 2:14-1514Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,15en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren.).

Door de verlossing die de Heer Jezus heeft bewerkt, zijn wij uit de macht van de satan en van het eeuwig oordeel, de hel, bevrijd. Als dat goed tot ons doordringt, kan het niet anders of wij zullen ook vol blijdschap zijn. Die blijdschap zullen we met elkaar delen door maaltijden te houden. Voor ons, christenen, is de maaltijd van de Heer een speciale gelegenheid om die grote verlossing te gedenken (1Ko 11:23-2523Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.). We mogen ook liefdemaaltijden (vgl. Jd 1:12a12Dezen zijn de vlekken in uw liefdemalen, als zij zonder vrees bij u brassen en zichzelf weiden; waterloze wolken, door winden voortgedreven, bomen in de late herfst zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld;) houden om tijdens die maaltijden met elkaar te delen wat we allemaal aan Hem te danken hebben.


Instelling van het Purimfeest

20Mordechai beschreef deze gebeurtenissen, en hij zond brieven aan al de Joden, dichtbij en ver weg, die in alle gewesten van koning Ahasveros waren, 21om voor hen vast te leggen dat zij ieder jaar de veertiende dag van de maand Adar en de vijftiende dag daarvan moesten vieren 22als de dagen waarop de Joden rust gekregen hadden van hun vijanden, in de maand die voor hen veranderd was van verdriet in blijdschap en van rouw in een feestdag, en om deze dagen te maken tot dagen van maaltijden en blijdschap, om elkaar geschenken te sturen en gaven te geven aan de armen. 23De Joden namen op zich te doen wat ze [al] begonnen waren, en wat Mordechai hun geschreven had. 24Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van alle Joden, had immers tegen de Joden [het plan] bedacht hen om te brengen, en hij had het 'pur', dat is het lot, geworpen om hen in verwarring te brengen en hen om te brengen. 25Maar toen zij, [Esther,] voor de koning was gekomen, beval hij door middel van die brieven dat het boze plan van [Haman] dat hij tegen de Joden bedacht had, op zijn [eigen] hoofd zou neerkomen, en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen. 26Daarom noemt men die dagen Purim, vanwege de naam van het 'pur'. Daarom, vanwege al de woorden van deze brief, en om wat zij daarvan [zelf] gezien hadden, en wat hun overkomen was, 27stelden de Joden vast en namen zij [de verplichting] op zich, voor zichzelf, voor hun nageslacht en voor allen die zich bij hen zouden aansluiten, dat ze nooit het vieren van deze twee dagen zouden overslaan, volgens het voorschrift daarover, en op de vastgestelde tijd, ieder jaar. 28Deze dagen zouden herdacht en gevierd worden door elke generatie, elk gezin, elk gewest en elke stad. Deze dagen van Purim zou men niet overslaan onder de Joden, en bij hun nageslacht mocht aan de herdenking daarvan geen einde komen. 29Daarna schreef koningin Esther, de dochter van Abichaïl, samen met de Jood Mordechai, met al [hun] gezag, om deze brief over Purim voor de tweede keer te bekrachtigen. 30En [Mordechai] zond de brieven aan al de Joden in de honderdzevenentwintig gewesten van het koninkrijk van Ahasveros, met woorden van vrede en trouw, 31om deze dagen van Purim te bekrachtigen op hun vastgestelde tijden, zoals de Jood Mordechai en koningin Esther voor hen vastgesteld hadden en zoals zij voor zichzelf en voor hun nageslacht de zaken over het vasten en hun weeklagen vastgesteld hadden. 32Het bevel van Esther stelde de zaken met betrekking tot dit Purim vast, en het werd in een boek geschreven.

Mordechai legt de viering van de verlossing schriftelijk vast en stelt al de Joden in alle gewesten van koning Ahasveros, “dichtbij en ver weg”, daarvan op de hoogte (verzen 20-2120Mordechai beschreef deze gebeurtenissen, en hij zond brieven aan al de Joden, dichtbij en ver weg, die in alle gewesten van koning Ahasveros waren,21om voor hen vast te leggen dat zij ieder jaar de veertiende dag van de maand Adar en de vijftiende dag daarvan moesten vieren). Geen Jood, hoever hij ook van Susan verwijderd woont, is van dit feest buitengesloten, maar hoort ervan. Het Purimfeest is voor alle Joden. Zoals hij bevel heeft gegeven voor de verlossing, zo beveelt hij de gedachtenis daaraan.

Het vaststellen van gedenkdagen is ook gebeurd bij de uittocht uit Egypte. De HEERE heeft de opdracht gegeven die verlossing te gedenken in de maand Abib, de eerste maand (Ex 13:3-43Daarna zei Mozes tegen het volk: Gedenk deze dag, waarop u uit Egypte, uit het slavenhuis, vertrokken bent, want de HEERE heeft u met sterke hand vanhier uitgeleid. Daarom mag wat gezuurd is, niet gegeten worden.4Vandaag vertrekt u, in de maand Abib.). Daarvoor is de jaarlijkse viering van het Pascha voorgeschreven (Ex 12:1-141De HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron in het land Egypte:2Deze maand zal voor u het begin van de maanden zijn. Hij zal voor u de eerste zijn van de maanden van het jaar.3Spreek tot heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende [dag] van deze maand moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin.4Maar als het gezin te klein is voor een lam, dan moet hij er [samen] met de buurman, die het dichtst bij zijn gezin [woont, één] nemen, overeenkomstig het aantal personen. U moet bij het lam rekening houden met wat ieder eten kan.5U moet een lam zonder enig gebrek hebben, een mannetje van een jaar oud. U moet [het] van de schapen of van de geiten nemen.6U moet het in bewaring houden tot de veertiende dag van deze maand, en heel de verzamelde gemeenschap van Israël zal het slachten tegen het vallen van de avond.7En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.8Zij moeten het vlees dezelfde nacht [nog] eten; op vuur gebraden, met ongezuurde [broden, en] met bittere kruiden moeten zij het eten.9U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar [alleen] op vuur gebraden, [met] zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.10U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de [volgende] morgen van over is, moet u met vuur verbranden.11En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.12Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.13En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf [teweegbrengt], als Ik het land Egypte zal treffen.14Deze dag moet voor u een gedenk[dag] worden. U moet hem vieren als een feest voor de HEERE. U moet hem vieren als een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.). Het Pascha vindt voor ons zijn tegenhanger in Christus: Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht” (1Ko 5:77Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.). Het avondmaal is een gedachtenismaal, waarbij we terugdenken aan de dood van Christus aan Wie wij de verlossing te danken hebben (1Ko 11:23-2623Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.26Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.).

Het Pascha en andere gedenkdagen zijn voorgeschreven in de wet van Mozes (Lv 23). Van het Purimfeest als gedenkfeest staat niets in de wet van Mozes. Het Purimfeest komt voor het eerst in de Bijbel hier voor. Het is een nieuw feest. De eerdere feesten vallen allemaal in de eerste zeven maanden van het jaar. Het Purimfeest valt in de laatste maand van het jaar en komt dan ook niet in conflict met enig ander feest.

Mordechai wijst er in zijn schrijven op dat de te vieren dagen gehouden moeten worden als dagen waarop de Joden rust hebben gekregen van hun vijanden (vers 2222als de dagen waarop de Joden rust gekregen hadden van hun vijanden, in de maand die voor hen veranderd was van verdriet in blijdschap en van rouw in een feestdag, en om deze dagen te maken tot dagen van maaltijden en blijdschap, om elkaar geschenken te sturen en gaven te geven aan de armen.). Ook de maand waarin de dagen vallen, krijgt nadruk. Het “is de maand die voor hen veranderd was van verdriet in blijdschap en van rouw in een feestdag”. Hierdoor verklaart hij dat het niet om slechts twee dagen gaat, maar dat de hele maand, de laatste maand van het jaar, het stempel van de grote omkeer ten goede draagt.

Aan de maaltijden en de blijdschap die er op die dagen zijn, wordt uitbundig uiting gegeven door het zenden van geschenken aan elkaar én door “gaven te geven aan de armen”. Dit laatste is bedoeld om hen die niet in staat zijn feest te vieren, in staat te stellen eraan deel te nemen. Het geven van geschenken aan elkaar is een uitwisseling van geschenken. Je geeft iets en je krijgt iets. Dat is niet zo met het geven van gaven aan de armen. Daar wordt alleen gegeven. Het volk leert hier geven zonder iets terug te verwachten. Dat leert de Heer Jezus ons ook (Lk 6:33-3533En als u goeddoet aan hen die u goeddoen, wat voor dank hebt u? Ook de zondaars doen hetzelfde.34En als u leent aan hen van wie u hoopt [terug] te ontvangen, wat voor dank hebt u? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen.35Hebt daarentegen uw vijanden lief, en doet goed, en leent zonder iets terug te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult zonen van [de] Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.).

Wat Mordechai beveelt, sluit aan bij wat het volk al begonnen is te doen (vers 2323De Joden namen op zich te doen wat ze [al] begonnen waren, en wat Mordechai hun geschreven had.). Daarom is dit bevel geen harde zaak. Elk bevel van de Heer Jezus sluit aan bij de verlangens van hen die bij Hem horen. Het vieren van het avondmaal, waarvan Hij heeft gezegd “doet dit tot Mijn gedachtenis” (1Ko 11:24-2524en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.), is geen onaangename plicht, maar een groot verlangen van allen die Hem liefhebben. Het is dan ook onbegrijpelijk dat er in de christenheid groepen zijn die zeggen dat elke week het avondmaal vieren een beetje te veel van het goede is.

In de verzen 24-2524Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van alle Joden, had immers tegen de Joden [het plan] bedacht hen om te brengen, en hij had het 'pur', dat is het lot, geworpen om hen in verwarring te brengen en hen om te brengen.25Maar toen zij, [Esther,] voor de koning was gekomen, beval hij door middel van die brieven dat het boze plan van [Haman] dat hij tegen de Joden bedacht had, op zijn [eigen] hoofd zou neerkomen, en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen. volgt een samenvatting van de gebeurtenissen die tot de instelling van het Purimfeest hebben geleid. Het is een samenvatting van wat in Esther 3-8 is beschreven. Haman wordt hier “de tegenstander van alle Joden” (vers 2424Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van alle Joden, had immers tegen de Joden [het plan] bedacht hen om te brengen, en hij had het 'pur', dat is het lot, geworpen om hen in verwarring te brengen en hen om te brengen.) genoemd, wat aansluit bij de brief van Mordechai, die ook gericht is “aan al de Joden” (vers 2020Mordechai beschreef deze gebeurtenissen, en hij zond brieven aan al de Joden, dichtbij en ver weg, die in alle gewesten van koning Ahasveros waren,). Haman heeft het plan beraamd de Joden om te brengen en daarvoor “het ‘pur’, dat is het lot” geworpen. Dat heeft hij gedaan om hen “in verwarring te brengen en hen om te brengen”. Hier wordt voor de tweede keer (Es 3:77In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het 'pur', dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, [tot] de twaalfde maand, dat is de maand Adar.) het woord “pur” gebruikt. Het komt in het volgende gedeelte nog zes keer voor, waarvan vijf keer in het meervoud (‘purim’).

Vervolgens wordt Esther als pleitbezorgster voor de Joden bij de koning genoemd (vers 2525Maar toen zij, [Esther,] voor de koning was gekomen, beval hij door middel van die brieven dat het boze plan van [Haman] dat hij tegen de Joden bedacht had, op zijn [eigen] hoofd zou neerkomen, en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.). Op haar verzoek laat de koning brieven uitgaan die tot gevolg hebben dat het kwaad dat Haman heeft bedacht, op zijn eigen hoofd is neergekomen. Het resultaat is dat Haman en zijn zonen aan de galg zijn gehangen. Mordechai wordt niet genoemd en ook de verdediging van de Joden niet. Het hoofdthema van de samenvatting is Haman, zijn plan en zijn einde. Met de dood van Haman en zijn zonen is een einde gekomen aan alle angst.

Het Purimfeest houdt de belofte van God in dat Hij Zijn volk volkomen zal verlossen. Het is de zekerheid dat God in de grootste nood Zijn volk zal uitredden. Het volk zal in de eindtijd deze ervaring nog een keer opdoen, in wat genoemd wordt de “benauwdheid voor Jakob” (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
waaruit God Zijn volk zal verlossen.

De samenvatting vormt de achtergrond van de naam die aan deze feestdagen wordt gegeven. Dat blijkt uit het woord “daarom” waarmee vers 2626Daarom noemt men die dagen Purim, vanwege de naam van het 'pur'. Daarom, vanwege al de woorden van deze brief, en om wat zij daarvan [zelf] gezien hadden, en wat hun overkomen was, begint. Het woord ‘purim’ is het meervoud van ‘pur’. De dagen worden Purim genoemd omdat het om meerdere dagen gaat.

De woorden van de brief van Mordechai én wat ze zelf hebben gezien en beleefd, brengen de Joden tot het besluit om dit Purimfeest van twee dagen “op de vastgestelde tijd ieder jaar” te vieren (verzen 26-2726Daarom noemt men die dagen Purim, vanwege de naam van het 'pur'. Daarom, vanwege al de woorden van deze brief, en om wat zij daarvan [zelf] gezien hadden, en wat hun overkomen was,27stelden de Joden vast en namen zij [de verplichting] op zich, voor zichzelf, voor hun nageslacht en voor allen die zich bij hen zouden aansluiten, dat ze nooit het vieren van deze twee dagen zouden overslaan, volgens het voorschrift daarover, en op de vastgestelde tijd, ieder jaar.). Ze houden dit feest dus niet alleen omdat Mordechai dat schriftelijk heeft bevolen, maar ook omdat ze hebben meegemaakt wat in dit feest wordt herdacht. Dit laat ons in beeld de prachtige combinatie van het geschreven Woord van God en onze gevoelens zien. Het lezen en bestuderen van Gods Woord mag geen louter verstandelijke aangelegenheid zijn, maar moet ons hart raken. De verplichting om dit feest te vieren geldt niet alleen voor henzelf, maar is ook “voor hun nageslacht en voor allen die zich bij hen zouden aansluiten”.

De regel is dwingend voor elke volgende “generatie, elk gezin, elk gewest en elke stad” (vers 2828Deze dagen zouden herdacht en gevierd worden door elke generatie, elk gezin, elk gewest en elke stad. Deze dagen van Purim zou men niet overslaan onder de Joden, en bij hun nageslacht mocht aan de herdenking daarvan geen einde komen.). Het Purimfeest is blijvend (in alle tijden) en overal (alle plaatsen) geldig. Tijd en ruimte zijn onbegrensd. De dubbele ontkenning voor de handhaving van de viering onderstreept het verbod er ooit mee op te houden. Het betekent dat het Purimfeest door hen en hun nageslacht nooit mag worden overgeslagen en nooit mag eindigen.

Het feest moet jaarlijks en van geslacht tot geslacht door de Joden worden gevierd ter gedachtenis aan dit wonderwerk dat God voor hen gedaan heeft. Het moet een blijvende herinnering zijn die elke generatie doorgeeft aan de volgende generatie, opdat elke nieuwe generatie daardoor ertoe wordt gebracht haar hoop op God te stellen (Ps 78:5-75Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob,
een wet vastgesteld in Israël;
die heeft Hij onze vaderen geboden
om ze hun kinderen bekend te maken,
6opdat de volgende generatie [ze] zal kennen,
de kinderen die geboren zullen worden,
[en] zij opstaan en [ze weer] aan hun kinderen vertellen;
7zodat zij hun hoop op God stellen
en Gods daden niet vergeten,
maar Zijn geboden in acht nemen,
)
.

Het gedeelte van de verzen 20-3220Mordechai beschreef deze gebeurtenissen, en hij zond brieven aan al de Joden, dichtbij en ver weg, die in alle gewesten van koning Ahasveros waren,21om voor hen vast te leggen dat zij ieder jaar de veertiende dag van de maand Adar en de vijftiende dag daarvan moesten vieren22als de dagen waarop de Joden rust gekregen hadden van hun vijanden, in de maand die voor hen veranderd was van verdriet in blijdschap en van rouw in een feestdag, en om deze dagen te maken tot dagen van maaltijden en blijdschap, om elkaar geschenken te sturen en gaven te geven aan de armen.23De Joden namen op zich te doen wat ze [al] begonnen waren, en wat Mordechai hun geschreven had.24Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van alle Joden, had immers tegen de Joden [het plan] bedacht hen om te brengen, en hij had het 'pur', dat is het lot, geworpen om hen in verwarring te brengen en hen om te brengen.25Maar toen zij, [Esther,] voor de koning was gekomen, beval hij door middel van die brieven dat het boze plan van [Haman] dat hij tegen de Joden bedacht had, op zijn [eigen] hoofd zou neerkomen, en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.26Daarom noemt men die dagen Purim, vanwege de naam van het 'pur'. Daarom, vanwege al de woorden van deze brief, en om wat zij daarvan [zelf] gezien hadden, en wat hun overkomen was,27stelden de Joden vast en namen zij [de verplichting] op zich, voor zichzelf, voor hun nageslacht en voor allen die zich bij hen zouden aansluiten, dat ze nooit het vieren van deze twee dagen zouden overslaan, volgens het voorschrift daarover, en op de vastgestelde tijd, ieder jaar.28Deze dagen zouden herdacht en gevierd worden door elke generatie, elk gezin, elk gewest en elke stad. Deze dagen van Purim zou men niet overslaan onder de Joden, en bij hun nageslacht mocht aan de herdenking daarvan geen einde komen.29Daarna schreef koningin Esther, de dochter van Abichaïl, samen met de Jood Mordechai, met al [hun] gezag, om deze brief over Purim voor de tweede keer te bekrachtigen.30En [Mordechai] zond de brieven aan al de Joden in de honderdzevenentwintig gewesten van het koninkrijk van Ahasveros, met woorden van vrede en trouw,31om deze dagen van Purim te bekrachtigen op hun vastgestelde tijden, zoals de Jood Mordechai en koningin Esther voor hen vastgesteld hadden en zoals zij voor zichzelf en voor hun nageslacht de zaken over het vasten en hun weeklagen vastgesteld hadden.32Het bevel van Esther stelde de zaken met betrekking tot dit Purim vast, en het werd in een boek geschreven. is begonnen met een brief van Mordechai en eindigt hier met een gemeenschappelijke brief van “koningin Esther, de dochter van Abichaïl samen met de Jood Mordechai” (vers 2929Daarna schreef koningin Esther, de dochter van Abichaïl, samen met de Jood Mordechai, met al [hun] gezag, om deze brief over Purim voor de tweede keer te bekrachtigen.). In deze brief bekrachtigen zij met al hun gezag de instelling van het Purimfeest. De Joden in het hele rijk krijgen dit schrijven. Niemand mag er onwetend over zijn dat deze dagen zijn vastgesteld en moeten worden gehouden (verzen 30-3130En [Mordechai] zond de brieven aan al de Joden in de honderdzevenentwintig gewesten van het koninkrijk van Ahasveros, met woorden van vrede en trouw,31om deze dagen van Purim te bekrachtigen op hun vastgestelde tijden, zoals de Jood Mordechai en koningin Esther voor hen vastgesteld hadden en zoals zij voor zichzelf en voor hun nageslacht de zaken over het vasten en hun weeklagen vastgesteld hadden.).

Het is de tweede keer dat Esther “de dochter van Abichaïl” wordt genoemd. De eerste keer is dat bij de gelegenheid dat zij kandidaat is om de plaats van Vasthi in te nemen (Es 2:1515En toen de beurt van Esther kwam – de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai die haar als dochter had aangenomen – om bij de koning te komen, verzocht zij om niets [anders] mee te nemen dan wat Hegai, de hoveling van de koning, de bewaarder van de vrouwen, zei. En Esther verwierf genade in de ogen van ieder die haar zag.). Dan is zij nog helemaal onbekend. Nu is zij koningin en geeft het volk het voorschrift met betrekking tot het Purimfeest. De toevoeging van de naam van haar vader maakt duidelijk waar haar afkomst ligt; ze maakt deel uit van haar eigen volk. Hetzelfde geldt voor de toevoeging van “Jood” aan de naam “Mordechai”. Hij is groot in het wereldrijk van de Meden en Perzen, maar hoort bij zijn eigen volk. Dat geldt ook voor Christus aan Wie wij onze behoudenis te danken hebben. Van Hem lezen we: “Want de behoudenis is uit de Joden” (Jh 4:2222U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de behoudenis is uit de Joden.). Dat mogen we nooit vergeten.

De brief bevat ook “woorden van vrede en trouw”. De “woorden van vrede” betreffen de toestand van vrede en rust die is ontstaan op veertien Adar na de gewelddadigheden op dertien Adar. De “woorden van … trouw” slaan op het trouw in acht blijven nemen van de voorschriften van het Purimfeest. De toepassing voor ons is dat woorden van vrede en woorden van trouw of waarheid bij ons ingang krijgen als de Heer Jezus en Zijn volk, de gemeente, hun plaats in ons hart hebben.

In de brief wordt ook geschreven over het vasten en het daarbij behorende luide weeklagen. Wat geschreven is over het vasten, sluit aan bij het vasten waartoe Esther de Joden vóór haar bezoek aan de koning heeft opgeroepen (Es 4:1616Ga, verzamel alle Joden die zich in Susan bevinden, en vast voor mij: eet niet en drink niet, drie dagen [lang], nacht en dag. Ook ikzelf zal zo vasten, samen met mijn dienaressen, en dan zal ik naar de koning gaan, wat niet overeenkomstig de wet is. Als ik dan omkom, [dan] kom ik om.). Het weeklagen sluit aan bij de klacht van Mordechai en de andere Joden bij het bekend worden van het decreet van Haman (Es 4:1,31Toen Mordechai alles te weten was gekomen wat er gebeurd was, scheurde Mordechai zijn kleren en hulde zich in zak en as. Hij ging door het midden van de stad en weeklaagde luid en bitter.3En overal, in elk gewest [en in elke] plaats waar het bevel van de koning en zijn wet was aangekomen, was er grote rouw bij de Joden, met vasten, geween en rouwklacht; velen lagen in zak en as.).

Ten slotte wordt het bevel van Esther aangaande het Purimfeest vastgesteld en in een boek geschreven (vers 3232Het bevel van Esther stelde de zaken met betrekking tot dit Purim vast, en het werd in een boek geschreven.). Dat betekent dat een kopie van de brief in de geschiedkundige jaarverslagen of kronieken van de koningen van Medië en Perzië is opgenomen, waardoor het grote belang ervan wordt onderstreept.

God doet geen wonderen voor een enkele dag, maar om in eeuwige gedachtenis gehouden te worden. Wij mogen met de Prediker zeggen: Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet [het] opdat men vreest voor Zijn aangezicht” (Pr 3:1414Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet [het] opdat men vreest voor Zijn aangezicht.
)
.


Lees verder