Esther
Inleiding 1 Haman, de Agagiet 2-7 Haman – Mordechai 8-9 Het plan van Haman 10-15 Ahasveros beveelt alle Joden weg te vagen
Inleiding

Dit hoofdstuk is aan Haman gewijd. Haman krijgt zijn hoge positie van Ahasveros. We zien hierin het beeld dat elke macht die iemand heeft, uiteindelijk van God komt. Iets anders is, hoe iemand die macht gebruikt. Haman gebruikt die tot eigen eer en om Gods volk om te brengen, omdat zij niet voor hem buigen.


Haman, de Agagiet

1Na deze gebeurtenissen maakte koning Ahasveros Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, groot en hij verhoogde hem. En hij plaatste zijn zetel boven al de vorsten die bij hem waren.

Aan de uitdrukking “na deze gebeurtenissen” (vers 11Na deze gebeurtenissen maakte koning Ahasveros Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, groot en hij verhoogde hem. En hij plaatste zijn zetel boven al de vorsten die bij hem waren.) zien we dat er een nieuw gedeelte begint, waarin nieuwe gebeurtenissen zullen plaatsvinden. We zijn hier in het begin van het twaalfde jaar van de regering van Ahasveros (vers 77In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het 'pur', dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, [tot] de twaalfde maand, dat is de maand Adar.), terwijl de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk zich rond het zevende jaar van diens regering afspelen (Es 2:1616En Esther werd [mee]genomen naar koning Ahasveros, naar zijn koninklijk huis, in de tiende maand, dat is de maand Tebeth, in zijn zevende regeringsjaar.).

Als inleiding op de nieuwe gebeurtenissen wordt onze aandacht gericht op wat Ahasveros doet met Haman, de vierde hoofdpersoon van dit boek. In een drieledige vermelding wordt opmerkelijk nadrukkelijk verteld dat Ahasveros Haman tot grote hoogte verheft. Ahasveros
1. “maakte … Haman … groot”,
2. “hij verhoogde hem”, en
3. “hij plaatste zijn zetel boven alle vorsten die bij hem waren”.

Evenals bij twee andere hoofdpersonen, Mordechai en Esther, wordt ook van Haman zijn afkomst vermeld (Es 2:5,155Er was een Joods man in de burcht Susan en zijn naam was Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, een man [uit] Benjamin,15En toen de beurt van Esther kwam – de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai die haar als dochter had aangenomen – om bij de koning te komen, verzocht zij om niets [anders] mee te nemen dan wat Hegai, de hoveling van de koning, de bewaarder van de vrouwen, zei. En Esther verwierf genade in de ogen van ieder die haar zag.).

Haman is de grote tegenspeler van Mordechai en het volk van Mordechai. Hier wordt Haman groot gemaakt door Ahasveros als voorspel voor het uitroeien van Gods volk. Hoe is het dan mogelijk dat de koning een beeld van God is? Dat begrijpen we alleen als we zien dat God soeverein is en macht geeft aan wie Hij wil. Hij heeft alles in handen.

God heeft de engel geschapen die de satan zou worden (Ez 28:14-1914U was een cherub die [zijn vleugels] beschermend uitspreidt.
[Daarvoor] heb Ik u aangesteld.
U was op Gods heilige berg,
u wandelde te midden van vurige stenen.
15Volmaakt was u in uw wegen,
vanaf de dag dat u geschapen werd,
totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd.
16Door de overvloed van uw handel
vulde men uw midden met geweld,
en ging u zondigen.
Daarom verbande Ik u van de berg van God,
en deed Ik u verdwijnen, beschermende cherub,
uit het midden van de vurige stenen.
17Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig,
u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister.
Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen,
opdat zij op u neer zouden zien.
18Vanwege de overvloed van uw ongerechtigheden door uw oneerlijke handel
ontheiligde u uw heiligdommen.
Daarom deed Ik een vuur uit uw midden oplaaien,
[en] dat verteerde u.
Ik maakte u tot [een hoop] as op de grond
voor de ogen van allen die naar u keken.
19Allen onder de volken die u kennen, zijn ontzet over u.
U bent een voorwerp van verschrikking geworden
en u zult niet [meer] bestaan tot in eeuwigheid.
)
. Hij heeft toegelaten dat de satan de heerschappij over de schepping krijgt omdat hij erin slaagt de mens te misleiden. Sinds die tijd is de satan de “god van deze eeuw” (2Ko 4:44in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die [het] beeld van God is, [hen] niet zou bestralen.) en “de overste van de wereld” (Jh 16:1111en van oordeel, omdat de overste van deze wereld is geoordeeld.) die de wereld regeert. Maar daarbij geeft God nooit de regie uit handen. Hij zal bijvoorbeeld Zelf de antichrist verwekken (Zc 11:1616Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat [dreigt] uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge [dieren] zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat [nog] overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette [dieren] eten en hun hoeven zal hij afrukken.
)
, maar Hij spreekt in het volgende vers ook het ‘wee’ over hem uit (Zc 11:1717Wee de herder van niets,
die de kudde in de steek laat!
Het zwaard zal zijn arm [treffen]
en zijn rechteroog.
Zijn arm zal helemaal verstijven,
zijn rechteroog zal helemaal dof worden.
)
. Zo zegt de Heer Jezus tegen Pilatus wanneer Hij als Gevangene voor hem staat: “U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven was gegeven” (Jh 19:1111Jezus antwoordde <hem>: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven was gegeven; daarom heeft hij die Mij aan u heeft overgeleverd, een grotere zonde.).

Het is veelzeggend dat Haman een Agagiet is. Agag is de titel van de Amalekitische koningen (Nm 24:77Water stroomt uit zijn emmers,
zijn zaad krijgt veel water;
zijn koning wordt boven Agag verheven
en zijn koningschap verheft zich.
; 1Sm 15:20,3220Toen zei Saul tegen Samuel: Ik heb toch geluisterd naar de stem van de HEERE, en ben [toch] de weg gegaan waarop de HEERE mij gezonden heeft! Ik heb Agag, de koning van de Amalekieten, meegebracht, maar de Amalekieten heb ik met de ban geslagen.32Toen zei Samuel: Breng Agag, de koning van de Amalekieten, bij mij. Agag ging fier naar hem toe, en Agag zei: De bitterheid van de dood is beslist geweken!)
. Saul, die evenals Mordechai een Benjaminiet is, moet Agag doden. Saul spaart echter zijn leven. Wat Saul uit ongehoorzaamheid nalaat, doet Samuel dan (1Sm 15:9,339Maar Saul en het volk spaarden Agag, de beste schapen en runderen, en wat bijna het beste was, de lammeren en alles wat goed was. Zij wilden die niet met de ban slaan. Maar elk gebruiksvoorwerp dat waardeloos en vergaan was, sloegen zij met de ban.33Maar Samuel zei: Zoals uw zwaard de vrouwen van hun kinderen beroofd heeft, zo zal onder de vrouwen uw moeder van haar kinderen beroofd worden. Toen hakte Samuel Agag in stukken, voor het aangezicht van de HEERE in Gilgal.).

Nu zien we in Mordechai een andere Benjaminiet (Es 2:55Er was een Joods man in de burcht Susan en zijn naam was Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, een man [uit] Benjamin,) tegenover een andere Agagiet. Omdat Saul zijn opdracht ongehoorzaam is geweest, krijgt Mordechai met Haman te maken. We krijgen hier de waarheid van het woord dat we oogsten wat we zaaien, ook in de lijn van de geslachten (Gl 6:77Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.). Zal Mordechai het beter doen dan Saul?

In Haman en Mordechai staan twee volken tegenover elkaar. Het ene is het volk van Mordechai, dat is het volk van de Joden, Gods volk; het andere is een volk dat Gods volk haat met een grote haat, dat is het volk van de Amalekieten. Die haat is uit de geschiedenis gebleken. Amalek is de eerste vijand die Israël aanvalt, terwijl het volk nog maar net uit Egypte is bevrijd (Ex 17:8,168Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim.16Hij zei: Voorzeker, de hand op de troon van de HEERE! De strijd van de HEERE zal tegen Amalek zijn, van generatie op generatie!). Met het oog daarop beveelt God Zijn volk dat Amalek moet worden uitgeroeid (Dt 25:17-1917Denk aan wat Amalek u onderweg aangedaan heeft, toen u uit Egypte wegtrok:18hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet.19Als de HEERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden van rondom, in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het [zó] zijn dat u de gedachtenis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!).

Amalek is echter nog niet uitgeroeid. Bileam spreekt over de verhoging van Amalek (Nm 24:2020Toen [Bileam] Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Amalek is de voornaamste van de heidenvolken,
maar zijn einde is dat hij ten onder gaat.
)
, hoewel de Messias uiteindelijk hoger zal zijn (Nm 24:77Water stroomt uit zijn emmers,
zijn zaad krijgt veel water;
zijn koning wordt boven Agag verheven
en zijn koningschap verheft zich.
)
. Hier zien we de verhoging van Amalek. In plaats van een verhoging van Mordechai als beloning voor het redden van het leven van de koning wordt een grote vijand van Gods volk verhoogd. Maar wat op het eerste gezicht tegen Gods beloften in lijkt te gaan, werkt mee aan de vervulling van Zijn plannen.

We zien dat bijvoorbeeld in het leven van Paulus. Als hij onderweg is als gezondene van de Heer, wordt hij gevangengenomen. Nu kan hij niet meer aan zijn opdracht voldoen en rondgaan om te prediken, want hij is gebonden. God heeft er echter een bedoeling mee. Dat is Paulus zich bewust en daarom kan hij zeggen dat zijn gevangenschap tot bevordering van het evangelie heeft gediend (Fp 1:1212En ik wil dat u weet, broeders, dat mijn omstandigheden veeleer tot vordering van het evangelie hebben gediend,).

We zien dit ook bij Israël. God heeft beloofd het volk talrijk te maken (Gn 15:55Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo [talrijk] zal uw nageslacht zijn.), maar het lijkt alsof de vijand de kans krijgt het uit te roeien (Ex 1:7,8,227werden de Israëlieten vruchtbaar en breidden zij zich overvloedig uit. Ze werden talrijk en uitermate machtig, zodat het land vol van hen werd.8Toen trad er in Egypte een nieuwe koning aan, die Jozef niet gekend had.22Toen gebood de farao heel zijn volk: Al de zonen die geboren worden, moet u in de Nijl werpen, maar al de dochters mag u in leven laten.). Het volk raakt in grote nood en roept tot God. Dat is voor God de aanleiding Zijn beloften te gaan waarmaken (Ex 2:23-2523Het gebeurde vele dagen daarna, toen de koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en het uitschreeuwden vanwege de slavenarbeid. En hun hulpgeroep vanwege de slavenarbeid steeg omhoog tot God.24Toen hoorde God hun gekerm, en God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.25En God zag naar de Israëlieten om en ontfermde Zich over hen.).


Haman – Mordechai

2En alle dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, knielden en bogen zich voor Haman neer, want zo had de koning dat bevolen ten aanzien van hem. Mordechai echter knielde niet en boog zich niet neer. 3De dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, zeiden tegen Mordechai: Waarom overtreedt u het gebod van de koning? 4Het gebeurde nu, toen zij [dit] van dag tot dag tegen hem zeiden en hij niet naar hen luisterde, dat zij het aan Haman vertelden om te zien of de woorden van Mordechai stand zouden houden, want hij had hen verteld dat hij een Jood was. 5Toen Haman zag dat Mordechai niet knielde en zich niet voor hem neerboog, werd Haman met woede vervuld. 6Maar het was in zijn ogen verachtelijk om alleen aan Mordechai de hand te slaan, want zij hadden hem verteld [tot welk] volk Mordechai [behoorde]. En Haman zocht [een manier] om alle Joden, die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, weg te vagen. 7In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het 'pur', dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, [tot] de twaalfde maand, dat is de maand Adar.

Op bevel van de koning buigen alle dienaren zich voor Haman neer (vers 22En alle dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, knielden en bogen zich voor Haman neer, want zo had de koning dat bevolen ten aanzien van hem. Mordechai echter knielde niet en boog zich niet neer.). Haman heeft een positie gekregen die erkend moet worden door allen. Alleen zij die tot Gods volk behoren, doen dat niet en mogen dat ook niet. Voor hen is dit bevel van de koning een test. Zo is het ook met de macht die de satan van God heeft gekregen. Ieder die in de macht van satan is, buigt zich voor hem. Voor de kinderen van God is het een test. Voor wie buigen zij zich?

De macht van Haman stelt het volk van God op de proef. Zo gebruikt God de satan, van wie Haman een beeld is, om Zijn volk op de proef te stellen. Ook de Heer Jezus heeft te maken gehad met de satan die met zijn verzoekingen op Hem afkomt. Zo hebben Gods kinderen te maken met een vijand die hen met alle middelen die hem maar ter beschikking staan, ertoe wil brengen het vertrouwen in God op te zeggen.

De haat van de wereld is het deel van ieder die duidelijk zijn plaats als christen inneemt. Zo’n christen verspreidt licht en dat haat de wereld die in de duisternis is. Als we dat misschien niet zo sterk ervaren, kan dat zijn omdat we ons al in zekere mate aan de wereld hebben aangepast.

Mordechai is iemand die niet met de massa meegaat. Hij buigt zich niet voor deze heerser (vers 33De dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, zeiden tegen Mordechai: Waarom overtreedt u het gebod van de koning?). Dat heeft ook de Heer Jezus, van Wie Mordechai een beeld is, nooit gedaan (Mt 4:8-108Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). Mordechai lijkt op de vrienden van Daniël die ook ingaan tegen het gebod van de koning en weigeren om te knielen voor het beeld dat hij heeft gemaakt (Dn 3:1818En zo niet, het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden.).

Als zich een plotselinge situatie voordoet dat we ons geloof moeten belijden, zullen we Gods kracht ervaren. De drie vrienden van Daniël zijn niet onvoorbereid op de confrontatie met Nebukadnezar vanwege het beeld dat hij heeft gemaakt. Ze hebben geleerd te bidden en in de praktijk zich rein te bewaren van de onreinheid van de wereld. Daarom is er innerlijke kracht om staande te blijven onder de druk van Nebukadnezar. De tijd van de nood maakt openbaar of er iets van God aanwezig is.

Van hen die zich niet buigen, zal rekenschap worden gevraagd door hen die wel buigen. Dat gebeurt om druk uit te oefenen zich ook te buigen voor de grote heerser. De trouwe christen zal deze gelegenheid gebruiken om verantwoording af te leggen van de hoop die in hem is (1Pt 3:15-1615maar heiligt Christus als Heer in uw harten, altijd bereid tot verantwoording aan ieder die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, maar met zachtmoedigheid en vrees,16en met een goed geweten, opdat in wat van u kwaad gesproken wordt <als van boosdoeners>, zij die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd worden.).

Dat er druk op Mordechai wordt uitgeoefend, blijkt uit vers 44Het gebeurde nu, toen zij [dit] van dag tot dag tegen hem zeiden en hij niet naar hen luisterde, dat zij het aan Haman vertelden om te zien of de woorden van Mordechai stand zouden houden, want hij had hen verteld dat hij een Jood was.. Ze spreken hem namelijk “van dag tot dag” aan op zijn ‘onbuigzaamheid’. Maar hij luistert niet. Hij houdt zich doof. Daarin lijkt Hij op de ware Dienaar van de HEERE, de Heer Jezus, Die Zich ook doof heeft gehouden voor alles wat tegen Hem is gezegd om Hem tot ontrouw aan Zijn God te bewegen (Js 42:1919Wie is er zo blind als Mijn dienaar,
doof zoals Mijn bode [die] Ik zend?
Wie is blind zoals de volmaakte,
blind zoals de knecht van de HEERE?
)
. Ook zien we weer een duidelijke parallel met Jozef. Jozef wordt ook “dag in dag uit” door de vrouw van Potifar aangesproken, waarbij het haar bedoeling is om hem te verleiden met haar gemeenschap te hebben. En ook daar lezen we dat hij “niet naar haar luisterde” (Gn 39:1010En het gebeurde, toen zij Jozef dag in dag uit aansprak en hij niet naar haar luisterde om met haar te slapen [en] bij haar te zijn,). Het is belangrijk niet te luisteren naar verkeerde adviezen of aansporingen om te zondigen.

Als Mordechai standvastig blijft in zijn weigering om voor Haman te buigen, zeggen de dienaren het aan Haman. Het lijkt erop dat het Haman is ontgaan dat Mordechai niet voor hem buigt. De reden dat zij het Haman vertellen, is dat Mordechai een Jood is. Mordechai buigt niet omdat hij een Jood is. Ook voor ons is het belangrijk dat wij zeggen dat wij aan bepaalde dingen niet meedoen omdat wij bij de Heer Jezus horen.

Mordechai heeft zijn afkomst niet verzwegen, maar die beleden. Ze willen juist daarom wel eens zien of zijn woorden stand zullen houden. Zo wordt ook onze belijdenis getest. We kunnen erop rekenen dat wij het speciale doelwit van de aanvallen van de satan zullen zijn als we belijdenis afleggen van ons geloof in de Heer Jezus en dat wij tot de gemeente van de levende God behoren.

We zien dat in het vervolg van deze geschiedenis. Opmerkzaam gemaakt door de dienaren op de onbuigzaamheid van Mordechai ten opzichte van hem let Haman nu speciaal op Mordechai. Als hij ziet dat die inderdaad niet voor hem buigt, wordt hij “met woede vervuld” (vers 55Toen Haman zag dat Mordechai niet knielde en zich niet voor hem neerboog, werd Haman met woede vervuld.). Vanaf dit moment is er voor niets anders meer plaats bij hem dan woede, een woede die een uitweg zoekt.

De enige zaak die zijn woede kan bedaren, is de dood van Mordechai. En dat niet alleen. Ook het hele volk van Mordechai moet uitgeroeid worden (vers 66Maar het was in zijn ogen verachtelijk om alleen aan Mordechai de hand te slaan, want zij hadden hem verteld [tot welk] volk Mordechai [behoorde]. En Haman zocht [een manier] om alle Joden, die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, weg te vagen.). Bezield van deze gedachte zoekt Haman naar een manier om “het volk van Mordechai weg te vagen”. En dat niet plaatselijk, alleen in de burcht Susan, maar “in heel het koninkrijk van Ahasveros”.

Hier zien we duidelijk dat Haman een beeld van de satan is. Zou het volk worden omgebracht, dan zou de Messias niet geboren kunnen worden. We zien dat ook bij Herodes, die een gewillig instrument in de hand van de satan is, als hij de Heer Jezus, als Deze pas is geboren, wil doden (Mt 2:1616Toen werd Herodes, daar hij zag dat hij door de wijzen was misleid, zeer toornig; en hij zond [knechten] en doodde alle jongens die in Bethlehem en in het hele gebied daarvan waren, van twee jaar en daaronder, overeenkomstig de tijd die hij bij de wijzen nauwkeurig onderzocht had.).

Haman wil het hele volk van de Joden ombrengen (Ps 83:4-54Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk
en beraadslagen tegen Uw beschermelingen.
5Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn
en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.
)
. Het volk van Mordechai deelt in de haat van Haman tegen Mordechai. Hier zien we de verbinding tussen de Heer Jezus en Zijn volk. Christus en de Zijnen zijn een. Zo krijgt Saulus van de verheerlijkte Heer te horen: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” (Hd 9:44en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?), terwijl hij bezig was de gemeente te vervolgen. Dat de toorn van de duivel zowel de Heer Jezus als Zijn volk betreft, zien we ook in de eindtijd, wanneer de draak, dat is de duivel, niet alleen het Kind, dat is Christus, wil verslinden, maar ook allen die bij Hem horen, dat is het gelovig overblijfsel van Israël (Op 12:4b,174En zijn staart sleepte het derde deel van de sterren van de hemel mee en wierp ze op de aarde. En de draak stond vóór de vrouw die zou baren, om zodra zij haar Kind zou baren, [Het] te verslinden.17En de draak werd toornig op de vrouw en hij ging weg om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, hen die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben;).

Hoe komt Haman tot deze opstelling? Hij heeft gezien dat er één persoon is die het waagt hem te trotseren. In zijn trots en toorn is het hem echter te gering dat slechts één persoon boet. Zijn gekwetste trots roept om wraak. Hij neemt geen genoegen met slechts één persoon. Hij wil zijn als God, zoals eens de satan, en alles aan zich onderwerpen. Wie het waagt zich tegen hem te verzetten, moet het veld ruimen. Satan biedt nooit een alternatief en kan dat ook niet. Hij heeft een verdorven aard en verderft wie in zijn macht is (vgl. Jh 10:10a10De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.). Wie zich niet buigt, zoekt hij te verderven. Wie zich voor hem buigt, wie hij in zijn greep heeft, sleept hij mee in het verderf.

Om tot de uitvoering van zijn gruwelijke moordplan te komen laat Haman in zijn tegenwoordigheid het lot werpen (vers 88Toen zei Haman tegen koning Ahasveros: Eén volk is er dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan [die van] alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten.). Dat laat hij doen, geleid door zijn bijgelovige, heidense, duistere denken, om de meest geschikte dag voor de realisatie van zijn verdelgingsplan te bepalen. Deze occulte gang van zaken bewijst eens te meer dat Haman een dienaar van de satan is. God staat echter boven hem en de satan.

Het mag toch wel heel opmerkelijk genoemd worden dat het lot uiteindelijk op de dertiende dag van de twaalfde maand valt. Er wordt begonnen met het werpen van het lot in de eerste maand, de maand Nisan, dat is de maand van het Pascha, wat doet denken aan de verlossing van Gods volk uit Egypte. Voor elke dag van die maand wordt het lot geworpen, maar geen enkele dag blijkt geschikt te zijn. Zo gaat het ook met elke dag van de tweede maand en alle dagen van de daarop volgende maanden. Tot het lot ten slotte de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand Adar, als gunstige dag aanwijst.

De tijd waarin het lot wordt geworpen, is “het twaalfde jaar van koning Ahasveros”, dus een datering die aangeeft dat het gezag in handen van de volken is en niet in die van Gods volk. De maanden worden echter genoemd met de Hebreeuwse naam, een datering die voor Gods volk geldt. Hier zien we dat achter deze demonische handeling God alles bestuurt. Haman zal de uitkomst als een gunstig voorteken hebben gezien, want daardoor krijgt hij de nodige tijd om zijn verdorven voornemen uit te voeren. Hij heeft er echter geen besef van dat dit uitstel zowel zijn ondergang wordt als de bevrijding van de Joden tot gevolg zal hebben. Hij werpt wel het lot, maar de HEERE bestuurt het (Sp 16:3333Het lot wordt in de schoot geworpen,
maar elke beslissing daardoor komt van de HEERE.
)
.

Het lot maakt in Israël de wil van God aan het volk bekend. We zien dat bijvoorbeeld in de geschiedenis van Achan (Jz 7:16-1816Toen stond Jozua 's morgens vroeg op, en hij liet Israël per stam aantreden; en de stam van Juda werd aangewezen.17Toen hij het geslacht van Juda naar voren liet komen, wees [het lot] het geslacht van Zarchi aan. Toen hij het geslacht van Zarchi naar voren liet komen, man voor man, werd Zabdi aangewezen.18Toen hij diens familie naar voren liet komen, man voor man, werd Achan aangewezen, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda.) en bij de verdeling van het land (Jz 15:11Het lot voor de stam van de nakomelingen van Juda, naar hun geslachten, was: tot de grens van Edom, zuidwaarts [tot aan] de woestijn Zin, in het uiterste zuiden.; 16:11Daarna kwam het lot uit op de nakomelingen van Jozef: [de grens] loopt vanaf de Jordaan bij Jericho, ten oosten van het water van Jericho, van Jericho omhoog naar de woestijn, door het bergland van Beth-El.; 18:1010Toen wierp Jozua het lot voor hen in Silo, voor het aangezicht van de HEERE. En Jozua verdeelde daar voor de Israëlieten het land, volgens hun indelingen.). In de Bijbel wordt voor het laatst het lot geworpen als er een opvolger voor Judas moet worden gekozen (Hd 1:2626En zij wierpen het lot over hen en het lot viel op Matthias; en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.). Wij hebben het lot niet nodig, want we hebben het complete Woord van God. Nu wordt Gods wil ons in Zijn Woord gegeven, die ons duidelijk wordt door de Heilige Geest.


Het plan van Haman

8Toen zei Haman tegen koning Ahasveros: Eén volk is er dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan [die van] alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten. 9Als het de koning goeddunkt, laat er dan geschreven worden dat men hen ombrengt. Dan zal ik tienduizend talent zilver afwegen op de handen van hen die het werk doen, om die naar de schatkist van de koning te brengen.

Nadat Haman het lot heeft geworpen en de dag van de verdelging van de Joden heeft vastgesteld, gaat hij naar koning Ahasveros (vers 88Toen zei Haman tegen koning Ahasveros: Eén volk is er dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan [die van] alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten.). Zijn bedoeling is om toestemming voor zijn plan te krijgen. Listig als hij is, noemt Haman niet de naam van het volk. Hij wil het volk als een staatsgevaarlijk volk neerzetten. Het is een anoniem volk dat als een kankergezwel zijn kankercellen door het hele rijk van de koning heeft uitgezaaid.

Hij wijst er eerst op dat er een volk is dat “verstrooid en verspreid” onder alle andere volken leeft. Ze zitten overal. Ook door hun wetten is dat volk anders dan andere volken (vgl. Dt 4:88En welk groot volk is er dat [zulke] rechtvaardige verordeningen en bepalingen heeft als heel deze wet, die ik u heden voorhoud?; Ps 147:19-2019Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend,
Israël Zijn verordeningen en Zijn bepalingen.
20Zo heeft Hij voor geen enkel [ander] volk gedaan;
die kennen Zijn bepalingen niet.
Halleluja!
)
. Ten slotte is het zo kwalijk met dit volk gesteld, dat niemand van dat volk “de wetten van de koning uitvoert”. Het past de koning dan ook niet, zo luidt zijn conclusie, hen met rust te laten. Als de koning hen wel met rust laat, zal dit volk voor grote moeilijkheden in zijn rijk gaan zorgen en is het met de rust in zijn rijk voorbij.

Hij heeft een goede oplossing en die is dat het volk wordt omgebracht (vers 99Als het de koning goeddunkt, laat er dan geschreven worden dat men hen ombrengt. Dan zal ik tienduizend talent zilver afwegen op de handen van hen die het werk doen, om die naar de schatkist van de koning te brengen.). Als de koning daarvoor nu even schriftelijk bevel geeft, zal het helemaal goed komen. Over de kosten hoeft de koning ook niet in te zitten. Haman verklaart zich bereid tot een forse investering in de schatkist van de koning. Dan kunnen met dat geld de handen worden gevuld van hen die het vuile werk moeten doen. Het hoeft dus niet ten laste van de koning te komen.

Wat Haman in vers 88Toen zei Haman tegen koning Ahasveros: Eén volk is er dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan [die van] alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten. tot Ahasveros zegt, bedoelt hij om het volk in diskrediet te brengen, maar in feite is het een groot compliment. Het is een volk, waarvan God heeft gezegd dat het alleen woont (Nm 23:9b9Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
)
. Dit zou de wereld vandaag ook van de christenen moeten kunnen zeggen. Door de verlossing heeft God Zijn volk, de gemeente, van alle andere volken afgezonderd. Bij redding hoort afzondering of heiliging. Afzondering is het gevolg van de verlossing (1Ko 6:1111En dit waren sommigen [van u]; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd door de Naam van de Heer Jezus <Christus> en door de Geest van onze God.). Wie gered is, is geheiligd. Dit wil zeggen dat hij voor God is en niet meer van de wereld. God heeft Abraham uit Ur gevoerd en Zijn volk uit Egypte en ons uit de wereld (vgl. Gl 1:44Die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader,).

Het plan van Haman laat ons de diep bedorven gedachten van de satan zien. Er wordt het volk van God geen misdaad ten laste gelegd, iets waardoor zij strafbaar zijn. Er wordt ook geen voorwaarde gesteld, waaraan ze moeten voldoen om hun leven te redden. Nee, zij moeten sterven, sterven zonder genade, uitsluitend omdat zij Joden zijn. Zo hebben de vijanden van de gemeente altijd geroepen om “het bloed van de getuigen van Jezus” (Op 17:66En ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En toen ik haar zag, verwonderde ik mij met grote verwondering.). Die vijanden zijn als de bloedzuiger, die roept: “Geef, Geef” (Sp 30:1515De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, Geef.
Deze drie dingen worden niet verzadigd,
vier zeggen niet: Het is genoeg.
)
.


Ahasveros beveelt alle Joden weg te vagen

10Toen nam de koning zijn zegelring van zijn hand en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van de Joden. 11En de koning zei tegen Haman: Laat het zilver u geschonken zijn, en het volk, om daarmee te doen wat goed is in uw ogen. 12Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in de eerste maand, op de dertiende dag ervan. Er werd geschreven, overeenkomstig alles wat Haman beval, aan de stadhouders van de koning, aan de landvoogden die in elk gewest waren, en aan de vorsten van elk volk, elk gewest in zijn [eigen] schrift en elk volk in zijn [eigen] taal. Er werd geschreven in de naam van koning Ahasveros, en het werd verzegeld met de zegelring van de koning. 13De brieven werden door ijlboden verzonden naar alle gewesten van de koning, [met het bevel] alle Joden weg te vagen, te doden en om te brengen, van jong tot oud, [met] de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun bezit te plunderen. 14De inhoud van het geschrevene moest als wet uitgevaardigd worden in alle gewesten en openbaar gemaakt aan alle volken, zodat ze die dag klaar zouden staan. 15De ijlboden vertrokken, gedreven door het bevel van de koning, en de wet was in de burcht Susan uitgevaardigd. En de koning en Haman zaten te drinken, maar de stad Susan was in verwarring.

De koning geeft Haman de vrije hand om zijn plan uit te voeren en geeft hem zijn zegelring als bewijs van de volmacht om het te doen (vers 1010Toen nam de koning zijn zegelring van zijn hand en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van de Joden.). Van Haman wordt weer gezegd van wie hij afstamt en wat hij is. Hij is in zijn natuur “de Agagiet”, de eeuwige vijand, en in zijn werk “de tegenstander van de Joden”.

Wat Ahasveros doet, is ook wat God heeft gedaan in de geschiedenis van Job. Hij geeft de satan de vrije hand om Job te treffen in alles waarin Hij het de satan toestaat (Jb 1:1212De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.; 2:66En de HEERE zei tegen de satan: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven.). God doet dit hier ook met Zijn volk. In het overgeven van het volk van de Joden in de hand van Haman zien we een beeld van God Die Zijn volk prijsgeeft aan hun vijanden (Ps 44:12-1312U geeft ons over als schapen om op te eten,
U verstrooit ons onder de heidenvolken.
13U verkoopt Uw volk voor weinig geld,
U verhoogt hun prijs niet.
)
.

Ahasveros laat zich niet omkopen door Haman (vers 1111En de koning zei tegen Haman: Laat het zilver u geschonken zijn, en het volk, om daarmee te doen wat goed is in uw ogen.). Zo is ook de inzet van Gods volk niet een zaak die op een overeenkomst tussen God en de satan berust. Wat Hij over Zijn volk zal brengen, moet over hen komen, want hij kan Zijn volk niet op een andere manier in de juiste verhouding tot Zichzelf brengen. Daarvoor gebruikt Hij de satan. We moeten er ook aan denken dat het bevel wordt uitgevaardigd wegens Mordechai. Dat laat ons zien dat het overblijfsel zal lijden wegens hun verbinding met de Heer Jezus.

We weten uit het verloop van de geschiedenis de uiteindelijke beslissing van Ahasveros over zowel het lot van Gods volk als het lot van Haman. Wat we tot nu toe hebben gezien, is de voorbereiding op wat Ahasveros uiteindelijk zal doen. Dat laat ons zien dat Ahasveros toch een beeld van God is, Die als de Hoogste boven alle hooggeplaatsten staat.

We zien dat op treffende wijze bij de dood van de Heer Jezus. Petrus zegt daarvan dat Hij “door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood” is (Hd 2:23b23Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood.). Hij zegt er echter bij, en laat dat er zelfs aan voorafgaan, dat de Heer Jezus “door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven” is (Hd 2:23a23Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood.). Hier zien we enerzijds de raad van God en anderzijds de verantwoordelijkheid van de mens. Alleen God kan deze twee zijden met elkaar combineren op een wijze dat aan beide volkomen recht wordt gedaan.

De schrijvers van de koning worden geroepen (vers 1212Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in de eerste maand, op de dertiende dag ervan. Er werd geschreven, overeenkomstig alles wat Haman beval, aan de stadhouders van de koning, aan de landvoogden die in elk gewest waren, en aan de vorsten van elk volk, elk gewest in zijn [eigen] schrift en elk volk in zijn [eigen] taal. Er werd geschreven in de naam van koning Ahasveros, en het werd verzegeld met de zegelring van de koning.). Dat gebeurt op de dertiende dag van de eerste maand, de dag van de voorbereiding van het Pascha dat de volgende dag wordt gehouden (Lv 23:55In de eerste maand, op de veertiende [dag] van de maand, tegen het vallen van de avond, is het Pascha voor de HEERE.). Op de dag dat Gods volk bezig moet zijn met de voorbereiding tot herdenking van de bevrijding, worden hier de voorbereidingen getroffen voor het uitroeien van Gods volk. We zien dit ook bij de beraadslagingen om de Heer Jezus te doden (Lk 22:1-2a1Het Feest van de ongezuurde broden nu, Pascha geheten, was nabij.2En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem zouden ombrengen; want zij waren bang voor het volk.).

Alles wat Haman beveelt, wordt opgeschreven. Het schrijven wordt gericht aan alle hoogwaardigheidsbekleders in het hele rijk van Ahasveros. Het bevel wordt in elke taal afzonderlijk bekendgemaakt. Ieder ontvangt ‘de eer’ om aan de uitvoering van het bevel mee te werken, om niemand te kwetsen en zo tegen zich in het harnas te jagen. Elk stuk krijgt de naam van Ahasveros.

Dan worden de brieven door ijlboden verspreid over de honderdzevenentwintig gewesten (vers 1313De brieven werden door ijlboden verzonden naar alle gewesten van de koning, [met het bevel] alle Joden weg te vagen, te doden en om te brengen, van jong tot oud, [met] de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun bezit te plunderen.). Nog eens wordt de nadruk gelegd op de inhoud van het schrijven. Het gaat om niets minder dan “alle Joden weg te vagen, te doden en om te brengen, van jong tot oud, [met] de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag”. Een extra aansporing om de Jodenwet uit te voeren is de toestemming “hun bezit te plunderen”. Deze lopers hebben een heel duistere en daarmee heel andere boodschap dan de Heer Jezus, Die door Zijn ‘lopers’ het evangelie laat prediken om mensen uit te nodigen voor de bruiloft van de Koning.

Hoe hopeloos de situatie voor de Joden is, wordt door vers 1414De inhoud van het geschrevene moest als wet uitgevaardigd worden in alle gewesten en openbaar gemaakt aan alle volken, zodat ze die dag klaar zouden staan. nog eens duidelijk. De hele wereld wordt bij wet bevolen zich tegen hen te keren. Iedereen kan voorbereidingen treffen om op de door Haman bepaalde dag klaar te staan om toe te slaan. Het loopt God echter niet uit de hand. De tegenhanger zien we als later met dezelfde woorden wordt gezegd dat er een schrijven als wet uitgevaardigd wordt, waarin staat dat de Joden “die dag klaar zouden staan om zich te wreken op hun vijanden” (Es 8:1313De inhoud van het geschrevene moest als wet uitgevaardigd worden in elk gewest en openbaar gemaakt aan alle volken, zodat de Joden die dag klaar zouden staan om zich te wreken op hun vijanden.). God heeft de regie in handen. Hij laat iemand als Haman opkomen en maakt hem groot om al de nood over de Joden te brengen, met als uiteindelijke doel hun de zegen te geven die Hij hun heeft beloofd. Die zegen is verbonden met de Messias, de Heer Jezus, Die uit dit volk geboren zal worden. Hij is de bron van alle zegen.

De ijlboden gaan op weg, extra aangespoord tot haast door het bevel van de koning (vers 1515De ijlboden vertrokken, gedreven door het bevel van de koning, en de wet was in de burcht Susan uitgevaardigd. En de koning en Haman zaten te drinken, maar de stad Susan was in verwarring.). Terwijl de koning en Haman zitten te drinken, geraakt de stad Susan in verwarring. Niet alleen de Joden komen in opschudding, maar de hele stad Susan. Dit is een indirect bewijs van het goede getuigenis dat de Joden daar hadden.

We zien in dit vers een tegenstelling tussen de rust op de plaats waar de besluiten vandaan komen (het paleis) en de verwarring op de plaats waar het besluit geldt (de stad). God is niet in verwarring over wat Hij Zich heeft voorgenomen, zelfs niet als de satan daar een bepaalde rol in speelt en zelfs meent dat hij zijn plan om Gods volk uit te roeien toch maar goed voor elkaar heeft.

Het Hebreeuwse woord voor ‘verwarring’ komt, behalve in Joël 1 (Jl 1:1818Hoe kreunt het vee!
De kudden rundvee zijn in verwarring,
want ze hebben geen weide.
Zelfs kudden kleinvee moeten boeten.
)
, opmerkelijk genoeg alleen nog voor in de geschiedenis van de bevrijding van Israël uit Egypte. God legt de farao dit woord in de mond. De farao gebruikt dit woord om daarmee de situatie te beschrijven waarin Gods verloste volk zich bevindt als het in de woestijn is, op weg naar de Rode Zee: De farao zal dan van de Israëlieten zeggen: Zij zijn in het land verdwaald [letterlijk ‘verward’]. De woestijn heeft hen ingesloten” (Ex 14:33De farao zal dan van de Israëlieten zeggen: Zij zijn in het land verdwaald. De woestijn heeft hen ingesloten.). We zien ook hier hoe God tegen de zaak aankijkt en hoe die door mensen wordt ervaren. God is nooit in verlegenheid over situaties waarover wij in verwarring zijn of in paniek raken.


Lees verder