Openbaring
1-8 De verzegelden uit Israël 9-17 De grote menigte uit de volken
De verzegelden uit Israël

1Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom. 2En ik zag een andere engel opkomen van [de] opgang van [de] zon, die [het] zegel van [de] levende God had; en hij riep met luider stem tegen de vier engelen wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen, 3en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld. 4En ik hoorde het getal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van [de] zonen van Israël – 5uit [de] stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit [de] stam Ruben twaalfduizend, uit [de] stam Gad twaalfduizend, 6uit [de] stam Aser twaalfduizend, uit [de] stam Nafthali twaalfduizend, uit [de] stam Manasse twaalfduizend, 7uit [de] stam Simeon twaalfduizend, uit [de] stam Levi twaalfduizend, uit [de] stam Issaschar twaalfduizend, 8uit [de] stam Zebulon twaalfduizend, uit [de] stam Jozef twaalfduizend, uit [de] stam Benjamin twaalfduizend verzegelden.

Hier begint wat je kunt noemen een tussenzin, voordat het zevende zegel wordt geopend. In deze tussenzin, die bestaat uit heel Openbaring 7, hoor je wat de gelovigen meemaken in de tijd van het zesde zegel. Je zult er ook lezen hoe zij in die vreselijke tijd door God bewaard worden. Het illustreert op prachtige wijze dat God te midden van de toorn aan ontferming denkt (Hk 3:22HEERE, [toen] ik Uw tijding hoorde,
heb ik gevreesd.
HEERE, Uw werk, behoud het in het leven in het midden van de jaren,
maak [het] bekend in het midden van de jaren.
Denk in [Uw] toorn aan ontferming!
)
.

Dit hoofdstuk is als het ware een antwoord op de vraag die aan het eind van het vorige hoofdstuk is gesteld: ‘Wie kan bestaan?’ (Op 6:1717want de grote dag van Hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?). Het antwoord luidt: Een grote menigte heiligen, zowel uit Israël (verzen 1-81Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom.2En ik zag een andere engel opkomen van [de] opgang van [de] zon, die [het] zegel van [de] levende God had; en hij riep met luider stem tegen de vier engelen wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen,3en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld.4En ik hoorde het getal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van [de] zonen van Israël –5uit [de] stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit [de] stam Ruben twaalfduizend, uit [de] stam Gad twaalfduizend,6uit [de] stam Aser twaalfduizend, uit [de] stam Nafthali twaalfduizend, uit [de] stam Manasse twaalfduizend,7uit [de] stam Simeon twaalfduizend, uit [de] stam Levi twaalfduizend, uit [de] stam Issaschar twaalfduizend,8uit [de] stam Zebulon twaalfduizend, uit [de] stam Jozef twaalfduizend, uit [de] stam Benjamin twaalfduizend verzegelden.) als uit de volken (verzen 9-179Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en [alle] geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met lange witte kleren en [met] palmtakken in hun handen.10En zij riepen met luider stem de woorden: Het heil aan onze God Die op de troon zit en aan het Lam.11En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer voor de troon en aanbaden God12en zeiden: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheid! Amen.13En een van de oudsten antwoordde en zei tegen mij: Dezen die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen?14En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.15Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit zal Zijn tent over hen uitbreiden.16Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte;17want het Lam Dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.), kan voor God en het Lam bestaan. Deze beide groepen gelovigen zullen door de grote verdrukking heen gaan. Zij sterven niet als martelaars, maar gaan levend het vrederijk in. De eerste groep wordt verzegeld voordat ze de grote verdrukking ingaan, de tweede groep wordt voorgesteld als komend uit de grote verdrukking.

V11Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom.. Dat het tafereel dat Johannes nu te zien krijgt, volgt op het voorgaande, blijkt uit het woord “hierna”. Johannes ziet na het Lam te hebben gezien Dat zegels opent, nu “vier engelen”. Als in Openbaring 8 de bazuinoordelen losbarsten, gebeurt het blazen van de bazuinen door engelen (Op 8:2,62En ik zag de zeven engelen die vóór God staan en hun werden zeven bazuinen gegeven.6En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, maakten zich gereed om te bazuinen.). Hier zie je ook engelen. Engelen worden ingezet door het Lam om Zijn werk te doen. Dat werk bestaat uit het beschermen van de heiligen (Hb 1:1414Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?) en het oordelen van het kwaad in overeenstemming met de reinheid van de hemel, de woonplaats van de engelen.

De vier engelen “staan op de vier hoeken van de aarde”. Dat betekent dat de hele aarde hun werkterrein is (vgl. Js 11:1212Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
)
. Het getal ‘vier’ dat hier in dit vers drie keer voorkomt, spreekt van wat algemeen, universeel, is. Terwijl ze daar staan, houden ze “de vier winden van de aarde” vast, zodat deze winden geen verwoestend werk kunnen doen. Het verzegelen van de uitverkorenen van God gebeurt in stilte.

Als de vier winden gaan waaien, zullen dieren als symbolen van heersers van wereldrijken uit de volkenzee opstijgen. Daarover lees je in Daniël 7 (Dn 7:2-32Daniël nam het woord en zei: Ik zag ’s nachts in mijn visioen, en zie, de vier winden van de hemel zweepten de grote zee op,3en vier grote dieren stegen op uit de zee, die van elkaar verschilden.; vgl. Jr 49:3636Ik zal over Elam doen komen vier [storm]winden,
van de vier einden van de hemel,
en Ik zal hen verstrooien
naar al deze wind[streken].
Er zal geen volk zijn
waarheen de verdrevenen uit Elam niet zullen komen.
)
. Hier worden ze nog tegengehouden. God bepaalt de tijd van hun opkomst, maar ook van hun beteugeling ten gunste van de Zijnen (Ps 105:1515Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
)
. Ze worden ‘vastgehouden’, want ze proberen zich los te rukken. Maar het is onmogelijk zich te ontrukken aan de greep van de Almachtige.

V22En ik zag een andere engel opkomen van [de] opgang van [de] zon, die [het] zegel van [de] levende God had; en hij riep met luider stem tegen de vier engelen wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen,. Dan ziet Johannes “een andere engel opkomen”. Hij komt uit het oosten, van de kant waar de zon opgaat. Als de zon opgaat, gloort er een nieuwe dag. Dit spreekt van het opgaan van “de Zon der gerechtigheid” (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
, dat is Christus, Die de duisternis verdrijft en de volle dag doet aanbreken. Deze ‘andere engel’ is geen beeld van Christus. Hij plaatst zich in het volgende vers met de vier engelen op gelijk niveau als hij spreekt over ‘wij’ en ‘onze God’.

De engel heeft “[het] zegel van [de] levende God” bij zich. Een zegel is een eigendomsmerk. ‘Het zegel van de levende God’ maakt duidelijk dat wie het draagt, Hem toebehoort en door Hem gekend is (vgl. 2Tm 2:1919Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.). Het zegel betekent daardoor tegelijk ook veiligheid (vgl. Ez 9:44En de HEERE zei tegen Hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een merkteken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over al de gruweldaden die in het midden ervan gedaan worden.). Het is het zegel van de levende God, dat betekent dat de dragers ervan onaantastbaar zijn voor de dood.

Als God ‘de levende God’ wordt genoemd, is dat ook om het contrast tussen Hem en de dode afgoden te benadrukken (1Th 1:99want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om [de] levende en waarachtige God te dienen). Zo wordt Hij ook genoemd in verband met Israël in de dagen van Jozua en Hizkia (Jz 3:1010Vervolgens zei Jozua: Hierdoor zult u weten dat de levende God in uw midden is en dat Hij de Kanaänieten, de Hethieten, de Hevieten, de Ferezieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten geheel en al van voor uw [ogen] zal verdrijven.; 2Kn 19:4,164Misschien zal de HEERE, uw God, al de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is?16Neig, HEERE, Uw oor en luister; open, HEERE, Uw ogen en zie. Hoor de woorden van Sanherib, die hij gestuurd heeft om de levende God te honen.), dat is aan het begin (Jozua) en aan het einde (Hizkia) van zijn geschiedenis in het land. Zoals Hij in de dagen van Jozua en Hizkia ten gunste van Zijn volk heeft ingrepen, zo zal Hij dat ook doen in de tijd van de grote verdrukking. In die tijd zal Hij Zijn volk door de algemene afgodische verering van de antichrist en het beest heenleiden en bewaren.

De engel heeft een bevel namens God voor de vier engelen die macht hebben over de winden. De winden willen verwoesten, maar kunnen dit niet omdat ze door de engelen in toom worden gehouden. Pas als de engelen hen loslaten, kunnen ze hun schadelijke werk doen. Dit betekent dat niet de winden, maar de engelen de macht hebben om schade toe te brengen aan de aarde en de zee. Zo hebben engelen ook macht over vuur (Op 14:1818En een andere engel, die macht had over het vuur, <kwam> uit het altaar; en hij riep met luider stem tegen hem die de scherpe sikkel had en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.) en over water (Op 16:55En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: U bent rechtvaardig, U Die bent en Die was, de Heilige, omdat U zó geoordeeld hebt.). Ze handelen echter niet op eigen initiatief, maar staan onder het gezag van God.

V33en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld.. Zij die worden verzegeld, zijn “de slaven van onze God”. Het zijn uitverkoren personen uit de twaalf stammen van Israël (vers 44En ik hoorde het getal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van [de] zonen van Israël –) die God dienen. Hun dienst lijkt te bestaan uit het bekendmaken van Zijn Naam, het prediken van de levende God, terwijl alles om hen heen met Hem heeft afgerekend. Zij prediken zowel in Israël als in de hele wereld en zetten de dienst voort waarmee de twaalf apostelen zijn begonnen toen de Heer Jezus hen uitzond (Mt 10:2323Wanneer zij u nu in deze stad vervolgen, vlucht in de andere; want voorwaar, Ik zeg u: u zult met de steden van Israël geenszins zijn klaargekomen voordat de Zoon des mensen komt.; 24:1414En dit evangelie van het koninkrijk zal over het hele aardrijk worden gepredikt tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen.). Het lijkt erop dat het resultaat van hun prediking ‘de grote menigte’ is waarover het in het tweede deel van dit hoofdstuk gaat.

Wat dit zegel precies is, staat er niet bij. Mogelijk is het de Naam van God en het Lam die zij op hun voorhoofden krijgen (vgl. Op 14:11En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met hem honderdvierenveertigduizend, die Zijn Naam en de Naam van Zijn Vader hadden, geschreven op hun voorhoofden.; 22:44en zij zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.; 3:1212Wie overwint, die zal Ik maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God en hij zal geenszins meer daaruit weggaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God, en Mijn nieuwe Naam.). Daar is wel wat voor te zeggen als je bedenkt dat de goddelozen de naam van het beest op hun voorhoofd dragen (Op 13:1616En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;; 14:9,119En een andere, een derde engel volgde hen en zei met luider stem: Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en op zijn voorhoofd of zijn hand [het] merkteken ontvangt,11En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid; en zij hebben dag en nacht geen rust, zij die het beest en zijn beeld aanbidden, en ieder die het merkteken van zijn naam ontvangt.; 20:44En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en [ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren.). Ze worden verzegeld “aan hun voorhoofden”. Daardoor is het een voor iedereen duidelijk waarneembaar teken dat zij hun gedachten op God hebben gericht en dat God hen als de Zijnen erkent (vgl. Op 13:1616En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;). Zij vormen een openlijk getuigenis voor Zijn Naam in elk deel van de wereld waarheen zij zijn verstrooid. De engel bevestigt dat deze verzegeling de reden is waarom de winden werden tegengehouden.

V44En ik hoorde het getal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van [de] zonen van Israël –. Het aantal verzegelden wordt meegedeeld. Het zijn er honderdvierenveertigduizend. Er wordt ook meegedeeld wie het zijn. Het zijn “[de] zonen van Israël”. Ook wordt nog gezegd dat ze uit elke stam komen. Uit de verdere mededelingen blijkt dat uit elke stam hetzelfde aantal verzegelden komt: twaalfduizend.

De getallen hebben een symbolische betekenis, waarbij niet hoeft te worden uitgesloten dat ze letterlijk moeten worden genomen. Het is mogelijk dat honderdvierenveertigduizend slaven van God in de tijd van de grote verdrukking zullen uitgaan in Israël en de hele wereld om Zijn Naam te prediken. Maar de symbolische betekenis is belangrijk. Het getal twaalf, dat ook in de veelvouden honderdvierenveertigduizend en twaalfduizend op de voorgrond staat, is in de Bijbel steeds het getal van volmaakte regering en bestuur.

Dit getal staat op bijzondere wijze met Israël in verbinding. Aan het begin van de geschiedenis van dit volk staan de twaalf aartsvaders. Het volk bestaat uit twaalf stammen. Het borstschild van de hogepriester had twaalf stenen die het hele volk vertegenwoordigden. Uit dit volk werden twaalf apostelen geroepen. De twaalfduizend uit elk van de stammen van Israël wijzen op een wereldwijde regering, want het terrein van hun dienst is de hele wereld.

V5-85uit [de] stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit [de] stam Ruben twaalfduizend, uit [de] stam Gad twaalfduizend,6uit [de] stam Aser twaalfduizend, uit [de] stam Nafthali twaalfduizend, uit [de] stam Manasse twaalfduizend,7uit [de] stam Simeon twaalfduizend, uit [de] stam Levi twaalfduizend, uit [de] stam Issaschar twaalfduizend,8uit [de] stam Zebulon twaalfduizend, uit [de] stam Jozef twaalfduizend, uit [de] stam Benjamin twaalfduizend verzegelden.. Er staan in de Bijbel bijna dertig lijsten met de namen van de zonen van Jakob, waarbij de volgorde van de namen niet steeds dezelfde is en soms ook een enkele naam door een andere wordt vervangen. De lijst die Johannes geeft, wordt aangevoerd door Juda. Niet Ruben, de eerstgeborene, staat voorop, maar Juda, de koningsstam. Dat is ook begrijpelijk want Juda is de stam waaruit de Koning der koningen, Christus, naar het vlees is voortgekomen (Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.; Gn 49:99Juda is een leeuwenwelp;
van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
)
.

De stam Dan wordt niet genoemd. Waarom dat zo is, wordt niet vermeld. Het kan zijn dat de reden is dat Dan de afgoderij in Israël heeft ingevoerd (Ri 18:22-3122Toen zij ver bij het huis van Micha vandaan waren, werden de mannen die in de huizen bij het huis van Micha woonden, bijeengeroepen. Zij haalden de Danieten in23en riepen de Danieten toe, waarop die zich omkeerden en tegen Micha zeiden: Wat is er met u, dat u [al die mensen] bijeengeroepen hebt?24Daarop zei hij: U hebt mijn goden, die ik gemaakt heb, meegenomen, evenals de priester, en bent weggegaan. Wat heb ik nu nog? Waarom zegt u dan tegen mij: Wat is er met u?25Maar de Danieten zeiden tegen hem: Laat uw stem niet horen bij ons, want anders zullen mannen, verbitterd van gemoed, u aanvallen, en [dan] zult u uw leven verliezen en het leven van uw gezin.26Daarop gingen de Danieten huns weegs, en Micha, die zag dat zij sterker waren dan hij, keerde om en ging terug naar zijn huis.27Zij hadden dus meegenomen wat Micha had gemaakt, alsook de priester die hij had gehad, en kwamen in Laïs, bij een rustig en onbezorgd volk, en zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard. En de stad verbrandden zij met vuur.28En er was niemand die [hen] redde, want het lag ver van Sidon vandaan en zij hadden niets met [andere] mensen van doen. Het lag in het dal dat bij Beth-Rechob ligt. Daarna herbouwden zij de stad en gingen er wonen.29Zij gaven de stad de naam Dan, naar de naam van hun vader Dan, die een zoon van Israël was. Vroeger was de naam van de stad echter Laïs.30En de Danieten richtten het gesneden beeld voor zich op. En Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen, waren priesters voor de stam van de Danieten, tot op de dag dat het land in ballingschap werd gevoerd.31Zo richtten zij het gesneden beeld voor zich op dat Micha gemaakt had, al de dagen dat het huis van God in Silo was.). Dat betekent niet dat Dan zijn plaats in het land verliest, want hij zal zijn erfdeel in het vrederijk hebben (Ez 48:1-21Dit zijn de namen van de stammen: Van het uiterste noorden, langs de weg van Hethlon, Lebo-Hamath [en] Hazar-Enon, de grens van Damascus, naar het noorden langs Hamath, dat zal [Dan van] de oostzijde [tot] de west[zijde] toebehoren: Dan één [gebied].2En [grenzend] aan het gebied van Dan, van de oostzijde tot de westzijde: Aser één [gebied].). Het gaat er alleen om dat God uit zijn stam niemand kan gebruiken om als Zijn verzegelde van Hem te getuigen als de afgoderij algemeen is. In de plaats van Dan komt Manasse, de zoon van Jozef.

Lees nog eens Openbaring 7:1-8.

Verwerking: Hoe kun jij je ‘zegel’ laten zien, dat wil zeggen hoe kun jij laten zien dat je van de levende God bent?


De grote menigte uit de volken

9Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en [alle] geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met lange witte kleren en [met] palmtakken in hun handen. 10En zij riepen met luider stem de woorden: Het heil aan onze God Die op de troon zit en aan het Lam. 11En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer voor de troon en aanbaden God 12en zeiden: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheid! Amen. 13En een van de oudsten antwoordde en zei tegen mij: Dezen die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen? 14En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam. 15Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit zal Zijn tent over hen uitbreiden. 16Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte; 17want het Lam Dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.

V99Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en [alle] geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met lange witte kleren en [met] palmtakken in hun handen.. Zoals al is gezegd aan het begin van het vorige stukje, gaat het in dit hoofdstuk om twee groepen gelovigen. De groep die in het vorige gedeelte onder je aandacht is geweest, bestaat uit gelovigen uit Israël. Het onderscheid tussen die groep en de groep die je nu voor je hebt, is dat het hier gaat om een menigte uit elke natie en niet uit Israël. Het is ook een groep die ontelbaar is, terwijl die uit Israël wel is geteld. Nog een verschil is dat de eerste groep het zegel krijgt voordat de grote verdrukking begint, terwijl de tweede groep naar voren komt als de grote verdrukking voorbij is (vers 1414En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.).

Het feit dat de eerste en de tweede groep van gelovigen onderscheiden worden voorgesteld, is ook een bewijs dat de tijd van de gemeente voorbij is, want daarin is geen onderscheid tussen Jood en Griek (Gl 3:2828Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije, daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus.; Ko 3:1111Daarin is niet Griek en Jood, besnijdenis en onbesnedenheid, barbaar, Scyth, slaaf, vrije; maar Christus is alles en in allen.). Een ander opmerkelijk feit is dat het niet om opgewekte gelovigen gaat, maar om op aarde levende gelovigen. Er zijn geen aanwijzingen dat ze gestorven zijn en ook niet dat ze verheerlijkte lichamen bezitten. Ze staan ook op aarde vóór de troon, ze zitten niet op tronen.

Ze dragen “witte kleren” en hebben “palmtakken in hun handen”. De witte kleren spreken van reinheid die ze hebben gekregen door het bloed van het Lam (vers 1414En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.). Daardoor worden ze door God aanvaard. De palmtakken in de handen is een beeld van de overwinning die ze hebben behaald over alle tegenstand waaraan ze blootgesteld zijn geweest. De witte kleren zijn hun gegeven, de palmtakken hebben ze verdiend.

V1010En zij riepen met luider stem de woorden: Het heil aan onze God Die op de troon zit en aan het Lam.. Ze geven alle eer voor hun heil of behoudenis aan God en aan het Lam, want Zij hebben hen door de grote verdrukking heen geleid en bewaard voor alle vijandschap. Daardoor gaan zij nu als levenden het volle “heil”, dat is de behoudenis van het vrederijk, binnen. Ze zijn zich bewust dat ze alles aan God en aan het Lam te danken hebben en dat uiten ze ook.

V11-1211En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer voor de troon en aanbaden God12en zeiden: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheid! Amen.. De lofprijzing van hen die tijdens de grote verdrukking zijn bewaard, vindt weerklank in de hemel bij alle engelen. Engelen zijn door God in die tijd gebruikt als de uitvoerders van Zijn oordelen, maar zij zijn ook de beschermers van hen die het heil of de behoudenis beërven (Hb 1:1414Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?). Zij staan “rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens”. De oudsten hebben hun lofprijzing laten horen in Openbaring 5 (Op 5:9-109En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,10en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.) en de vier levende wezens in Openbaring 4 (Op 4:88En de vier levende wezens hadden elk afzonderlijk zes vleugels, rondom en van binnen waren zij vol ogen en zij hebben geen rust, dag en nacht, en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, Die was en Die is en Die komt.). Hier doen de engelen het, zoals ook in Openbaring 5 (Op 5:11-1211En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,12en zij zeiden met luider stem: Het Lam Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof.).

Hun lofprijzing begint met “amen” en eindigt er ook mee. Zij stemmen in met de lofprijzing van de ontelbare menigte. Ook bevestigen ze hun eigen lofprijzing ermee, omdat Hij alles tot een goed einde heeft gebracht. Hun lofprijzing is zevenvoudig, zoals in Openbaring 5 (Op 5:1212en zij zeiden met luider stem: Het Lam Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof.). Alles wat zij zeggen, behoort aan God en schrijven zij Hem toe. Al deze eigenschappen of kenmerken zijn openbaar geworden in Zijn handelen, in het vervullen van Zijn plannen. Laat deze zevenvoudige uiting nog maar eens op je inwerken en zeg bij elk aspect tegen God: ‘Dit komt U toe!’

V1313En een van de oudsten antwoordde en zei tegen mij: Dezen die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen?. Mogelijk is er verbazing op het gezicht van Johannes gekomen bij het zien van dit tafereel. Hij weet niet wat hij hiervan moet denken. Wat zijn dit voor mensen en waar komen ze vandaan? Een van de oudsten heeft dit opgemerkt en reageert daarop. Hij brengt onder woorden wat Johannes bezighoudt. Het is ook voor ons goed om te letten op iemands gezicht als we iets vertellen over Gods Woord wat hij misschien voor het eerst hoort.

V1414En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.. Johannes probeert niet zijn onwetendheid te verbergen door een poging een antwoord te formuleren. Met het uitspreken van de woorden “mijn heer, u weet het”, erkent hij met het nodige respect het inzicht van de oudste. Hij neemt de plaats van een leerling in. Dat is de juiste houding en gezindheid om onderwijs te ontvangen en dat onderwijs ook te begrijpen.

In zijn antwoord gaat de oudste eerst in op de laatste vraag, dat is de vraag waar zij vandaan komen. Hij zegt dat het gaat om mensen “die uit de grote verdrukking komen” en in die tijd tot geloof zijn gekomen door het getuigenis van de ‘broeders van de Heer’ (Mt 25:31-4031Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.). Hij spreekt over dé grote verdrukking. Het lidwoord “de” maakt duidelijk dat het niet om een of andere onbepaalde verdrukking gaat, maar om de bekende verdrukking, de tijd van benauwdheid (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
; Dn 12:11In die tijd zal Michaël opstaan,
de grote vorst,
hij die stáát voor uw volksgenoten.
Het zal een benauwde tijd zijn,
zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest
tot op die tijd.
In die tijd zal uw volk ontkomen,
ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek.
; vgl. Mt 24:2121Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.)
.

Dan beantwoordt de oudste de vraag wie het zijn. Dat doet hij door te wijzen op hun kleding en wat daarmee is gebeurd. Ze hebben lange, het hele lichaam bedekkende kleding. Die kleding is gereinigd en wit gemaakt. Het middel waardoor dat is gebeurd, is “het bloed van het Lam”. Kleding stelt je gedrag voor, het is wat de mensen van je zien. Door je gedrag maak je bekend wie je bent. Het gedrag van de ongelovige is zondig. Als gelovige ben je een nieuwe schepping en dat zal je omgeving zien aan je gedrag.

Dat deze menigte de kleren heeft gewassen in het bloed van het Lam, houdt een belangrijke waarheid in. Die waarheid is dat het bloed niet alleen de gelovigen van de gemeente van zonden reinigt, maar dat het bloed het enige middel tot reiniging van welke zonde van welke gelovige in welke tijd ook is. Ieder die gered is, is dat op grond van het vergoten bloed van het Lam, of het nu om oudtestamentische of om nieuwtestamentische gelovigen gaat of om gelovigen van na de opname van de gemeente. Dat de daarmee verbonden zegeningen verschillend zijn, staat hier buiten.

V1515Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit zal Zijn tent over hen uitbreiden.. Vanwege hun reiniging door het bloed van het Lam kunnen zij vóór de troon van God zijn en Hem dienen. In hun witte kleren zijn zij geschikt gemaakt om in Zijn tegenwoordigheid te zijn. Ze zijn daar dan ook niet op grond van verdienste, maar door genade. Die genade maakt ook gewillig om God te dienen. Het dienen gebeurt in de tempel van God op aarde, zowel door Joden (Lk 2:3737En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.) als door heidenen (Js 56:66En de vreemdelingen die zich bij de HEERE voegen
om Hem te dienen en om de Naam van de HEERE lief te hebben,
om Hem tot dienaren te zijn;
allen die de sabbat in acht nemen, zodat zij hem niet ontheiligen,
en die aan Mijn verbond vasthouden:
; Js 2:22Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
; Zc 14:1616Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren.)
. Ze zullen deze dienst zonder onderbreking, “dag en nacht”, uitoefenen (vgl. Lk 2:36-3836En er was een profetes, Anna, een dochter van Fanuël, uit [de] stam van Aser; deze was op zeer hoge leeftijd gekomen, nadat zij na haar maagdelijke staat zeven jaar met [haar] man had geleefd.37En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.38En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij en loofde God en sprak over Hem tot allen die [de] verlossing van Jeruzalem verwachtten.). Wat een voorrecht!

Op Zijn beurt zal de Heer Jezus hen dienen. Hij is eerst de Heerser, dan Degene Die ze aanbidden en dan is Hij hun Beschermer en Weldoener. Hij zal hen doen genieten van Zijn tegenwoordigheid en bescherming (Js 4:5-65dan zal de HEERE over elke plaats op de berg Sion en over de samenkomsten ervan overdag een wolk scheppen en rook, en ‘s nachts een schijnsel van vlammend vuur; ja, over alles wat heerlijk is, zal een beschutting zijn.6Dan zal een hut dienen tot schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de vloed en tegen de regen.). Door Zijn tent over hen uit te breiden zullen zij altijd in het verborgene van Zijn tent zijn (Ps 27:55Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
)
. In die tent hebben ze hun toevlucht gezocht in de benauwdheid en nu mogen ze er altijd in gerustheid in wonen. Dat geldt ook voor jou. Jouw omgang met de Heer zal in de volmaaktheid niet anders zijn dan nu. Alleen de omstandigheden zijn anders, Hij niet. Alles is volmaakt en zal ongestoord worden genoten.

V1616Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte;. Na de grote verdrukking waarin ze groot gebrek hebben geleden (Op 13:1717<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.), breekt een tijd aan waarin het hun aan niets zal ontbreken. Aan alle honger, dorst en hitte die ze hebben geleden, zal door de ontferming van God een einde zijn gekomen (Js 49:1010Zij zullen geen honger hebben of dorst lijden,
hitte en zon zullen hen niet steken,
want hun Ontfermer zal hen leiden,
Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.
)
.

V1717want het Lam Dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.. Deze verandering in hun situatie is het gevolg van de regering van het Lam. Alle zegeningen beginnen met de troon (vers 1515Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit zal Zijn tent over hen uitbreiden.) en voeren naar de troon terug, omdat het Lam daar is. Hij zal de Herder zijn Die Zijn schapen weidt. Hij zorgt ervoor dat zij aan niets gebrek hebben. Daarvoor zal Hij “hen leiden naar bronnen van levenswateren”. Dat spreekt van een overvloed aan leven dat vrij beschikbaar is. Daarmee staat een overvloedige verkwikking ter beschikking die het leven tot een grote vreugde maakt.

Die verkwikking kun je nu al vinden in het Woord van God dat een bron vol levenswater is, want het gaat daarin over Hem Die het levende water is. Tot op de laatste bladzijde van dit boek nodigt Hij uit om bij Hem te komen en te drinken (Op 22:1717En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.). Die uitnodiging geldt wel de onbekeerde mens, maar hij is toch ook van toepassing op de gelovige. Als je van Hem drinkt, kun je, hoewel je nog in een wereld vol verdriet bent, in je hart toch een onuitsprekelijke vreugde hebben (2Ko 6:1010als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en [toch] alles bezittend.; 1Pt 1:88Hoewel u Hem niet gezien hebt, hebt u Hem lief; hoewel u Hem nu niet ziet, maar gelooft, verheugt u zich in Hem met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde,).

Uit het leven van deze menigte is elke moeite verdwenen. Er wordt niet meer aan gedacht (Js 65:1717Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet [meer] gedacht worden,
ze zullen niet [meer] opkomen in het hart.
)
. De herinnering eraan wordt door God Zelf weggewist. Hij doet het als het ware met Zijn eigen hand. Hij doet dat niet, om zo te zeggen, met één grote zwaai. Nee, Hij heeft aandacht voor “elke traan”. Elke traan die op aarde door een van Zijn kinderen voor Zijn aangezicht is vergoten, is door Hem gekend en wordt door Hem eigenhandig weggenomen (Ps 56:99Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?
)
. De tijd van verdriet is voorbij, de ‘zangtijd’ is aangebroken (Hl 2:11-1211Want zie, de winter is voorbij.
De regen[tijd] is over, [helemaal] voorbijgegaan.
12De bloemen laten zich zien op het land,
de zangtijd is aangebroken,
het koeren van de tortelduif wordt in ons land gehoord.
)
.

Pas dan zal aan alle ellende voor de gelovigen een einde zijn gekomen. Dit is een van de vele aanwijzingen dat een evangelie dat ‘Welvaart NU’ verkondigt, het zogenaamde ‘welvaartsevangelie’ (‘prosperity gospel’), een vals evangelie is.

Lees nog eens Openbaring 7:9-17.

Verwerking: Welke zegeningen zijn het deel van de grote menigte en welke daarvan zijn ook jouw deel? Dank God ervoor.


Lees verder