Openbaring
1-4 Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde 5-10 Ik maak alles nieuw 11-18 De heilige stad, het nieuwe Jeruzalem 19-27 God de Almachtige is haar tempel
Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

1En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer. 2En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is. 3En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>. 4En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn, <want> de eerste dingen zijn voorbijgegaan.

V11En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.. Als alle kwaad en alle kwaaddoeners hun eeuwige, onveranderlijke, vreselijke bestemming hebben gekregen, wordt de blik van Johannes gericht op een compleet nieuwe hemel en een compleet nieuwe aarde. “De eerste hemel en de eerste aarde” hebben hun tijd gehad, ze zijn weggevlucht (Op 20:1111En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.) en door vuur vergaan (2Pt 3:7,127Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde Woord opgespaard voor [het] vuur en worden bewaard tot [de] dag van [het] oordeel en van [de] ondergang van de goddeloze mensen.12terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.). Daardoor is er plaatsgemaakt voor “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”.

Het grote verschil met de eerste aarde is dat de zee, die er in het vrederijk nog is (Ez 47:2020En de westzijde: de Grote Zee van de grens tot recht tegenover Lebo-Hamath. Dat is de westzijde.; Zf 2:66Het gebied aan de zee zal worden
tot weiden met putten voor herders
en kooien voor kleinvee.
; Zc 9:1010Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde.
; 14:88Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
)
, er in de eeuwigheid niet meer is. Ook de woelige, opstandige volken, waarvan de zee een beeld is, en de goddelozen, die als de zee zijn (Js 57:2020Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee,
want die kan niet tot rust komen,
en zijn water woelt modder en slijk op.
)
, zijn er niet meer. Er is een constante toestand van volkomen rust. De ware theocratie is aangebroken. God regeert, of beter, bestuurt, want het gaat hier meer om God Die woont in rust, terwijl er niets meer te beteugelen valt, want er is niets meer wat nog in opstand kan komen. Dan zal gerechtigheid op aarde wonen (2Pt 3:1313Wij echter verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.) en er niet slechts heersen zoals in het vrederijk. Alles beantwoordt innerlijk en uiterlijk aan Gods Wezen.

De oude schepping is vergankelijk (Ps 102:2626U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
; Mt 24:3535De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.; 1Ko 7:3131en zij die de wereld gebruiken, als hadden ze die niet in eigendom; want het uiterlijk van deze wereld gaat voorbij.; 1Jh 2:1717En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.)
en daardoor voorbijgaand. De nieuwe schepping is volkomen nieuw en van blijvende, eeuwige aard. De nieuwe is niet een vervanging door het veranderen en verbeteren van de oude, maar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn er nooit eerder geweest. Het tweede is niet alleen anders dan het eerste, het is ook beter dan het eerste. Zo is wat God in de verlossing heeft bewerkt, anders en beter dan wat de mens door de zonde is kwijtgeraakt. God heeft niet alleen het probleem van de zonde opgelost, maar er iets veel heerlijkers voor in de plaats gegeven.

Het tweede heeft bij God altijd de voorkeur boven het eerste. Je vindt vaak in de Schrift dat de tweede of later geborene de voorkeur krijgt boven de eerstgeborene. Kijk bijvoorbeeld maar naar Abel die de voorkeur krijgt boven Kaïn, Izak boven Ismaël, Jakob boven Ezau, Efraïm boven Manasse, David boven zijn oudere broers (vgl. Jb 42:1212En de HEERE zegende het latere [leven] van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend juk runderen en duizend ezelinnen.; 1Ko 15:4747De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel.; Hb 8:66Maar nu heeft Hij een zoveel uitnemender bediening verkregen als Hij ook Middelaar is van een beter verbond, dat op betere beloften is gegrondvest.).

V22En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is.. Na het heerlijke totaalbeeld van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ziet Johannes een stad. Deze stad is het centrum van heel dat nieuwe tafereel. Ook in de nieuwe orde van zaken, waar geen zonde meer is, is er plaats voor heiligheid. De stad is “de heilige stad”. Heilig is afgezonderd. Afzondering heeft niet altijd te maken met afzondering van kwaad. Als God bijvoorbeeld de zevende dag heiligt, wil dat zeggen dat Hij deze dag een aparte plaats geeft ten opzichte van de andere dagen (Gn 2:33En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.). Zo neemt deze stad in heel dat nieuwe bestel een aparte plaats in.

Deze stad is “het nieuwe Jeruzalem” wat wijst op het contrast met het oude Jeruzalem. Het is een beweeglijke stad. Ze daalt “uit de hemel” neer, want de hemel is het land waar ze thuishoort. Ze komt “van God”, want de oorsprong van de stad ligt in God, in Zijn raadsbesluit. Het nieuwe Jeruzalem daalt neer zonder op aarde te komen, om als het ware een verbinding te vormen tussen de hemel en de aarde, om ze met elkaar te verbinden.

De stad ziet er uit “als een bruid die voor haar man versierd is”. Deze beschrijving maakt duidelijk dat dit nieuwe Jeruzalem de gemeente is. Ze bezit na duizend jaar nog dezelfde stralende schoonheid die ze had tijdens haar bruiloft (Op 19:77Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt;). De tand des tijds heeft op haar schoonheid geen enkele invloed gehad. Tot in alle eeuwigheid zal ze die schoonheid bezitten.

De stad is ‘heilig’ en wordt vergeleken met ‘een bruid’. Dat betekent dat God, Die licht – heiligheid heeft met God als licht te maken – en liefde is, in die stad wordt gezien. Hier is de gemeente volkomen geschikt om met Hem verbonden te zijn, omdat ze volmaakt beantwoordt aan Zijn Wezen. Zo beantwoordt ze ook volkomen aan Zijn verlangens, ze past bij Hem, is Hem gelijk (Ef 5:31-3231‘Daarom zal een man <zijn> vader en <zijn> moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn’.32Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en op de gemeente.; 1Jh 3:33En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is.).

Dit nieuwe Jeruzalem moet wel worden onderscheiden van het hemelse Jeruzalem (Hb 12:2222maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,). Met het hemelse Jeruzalem wordt de woonplaats van alle hemelse heiligen bedoeld. Het hemelse Jeruzalem is de hemelse hoofdstad van waaruit tijdens het vrederijk wordt geregeerd. Het is het regeringscentrum waarin gelovigen uit het Oude Testament en uit het Nieuwe Testament hun plaats en taak hebben. Het nieuwe Jeruzalem bestaat alleen uit hen die de gemeente van de levende God zijn, de woonplaats van God in de Geest.

Ook als er sprake is van ‘het Jeruzalem dat boven is’ (Gl 4:2626maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is onze moeder.), is dat iets anders dan wat hier het ‘nieuwe Jeruzalem’ wordt genoemd. Het Jeruzalem ‘dat boven is’, is niet zozeer een stad met regeringskenmerken, maar duidt meer op een sfeer waarin de gelovigen leven. Die sfeer is een sfeer van vrijheid die staat tegenover de wet. Het Jeruzalem dat boven is, wordt dan ook in contrast gesteld met het aardse Jeruzalem, dat de sfeer van de wet voorstelt.

V33En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.. Nadat Johannes deze prachtige en omvangrijke nieuwe dingen heeft gezien, hoort Hij een luide stem. Die stem komt met een verklaring vanuit de troon, de zetel van de regering van God. De regering van God is tot haar eindbestemming gekomen, heeft haar doel bereikt. De verklaring luidt dat God bij de mensen woont. Hij doet dat in “de tabernakel”. Daarmee wordt de gemeente bedoeld, want dat is de woonplaats van God in de Geest (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.).

Er worden meer benamingen gebruikt voor Gods woonplaats, zoals een tempel en een huis. Dat juist hier van “de tabernakel” als woonplaats gesproken wordt, betekent dat het om de verplaatsbaarheid van de woonplaats gaat, zoals de tabernakel tijdens de woestijnreis van het volk Israël.

Het is mooi om eraan te denken dat het woord ‘tabernakel’ ook te zien is in wat je leest over het wonen van de Heer Jezus onder ons. Als je leest “het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond” (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.), staat er letterlijk ‘het Woord is vlees geworden en heeft onder ons getabernakeld’, dat is ‘in een tent gewoond’.

De tabernakel spreekt van de wijze waarop God bij Zijn volk woont. De tabernakel in het Oude Testament is een beeld van Gods woonplaats. De echte woonplaats van God zie je in de Heer Jezus en in de gemeente.

Dan is het opmerkelijk dat er staat dat God “bij de mensen” woont. Dat het voor God een bijzondere vreugde is bij de mensen te wonen, kun je wel zien aan het feit dat het in dit ene vers drie keer genoemd wordt. Al deze mensen samen zijn Zijn volk. Er is geen sprake meer van afzonderlijke volken. Volken zijn ontstaan door de zonde, maar alle gevolgen van de zonde zijn weggedaan. Er is dan ook geen verschil meer tussen Israël en de volken. Israël zal geen bevoorrechte plaats meer innemen.

Israël had te maken met Gods raadsbesluiten vanaf de grondlegging van de wereld (Mt 13:3535opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet, die zei: ‘Ik zal mijn mond opendoen in gelijkenissen; ik zal dingen uitspreken die van [de] grondlegging <van [de] wereld> af verborgen zijn geweest’.; 25:3434Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;) en had een aards en tijdelijk bestaan. Al het aardse en tijdelijke zal er dan niet meer zijn. Er zijn alleen nog mensen, gelovigen afkomstig uit alle tijden, zonder onderscheid. Het enige onderscheid dat zal blijven, betreft het nieuwe Jeruzalem, de gemeente, die dateert van vóór de grondlegging van de wereld.

Het vers eindigt met een uitdrukking van de bijzondere intimiteit tussen God en Zijn volk. “God Zelf”, zonder tussenpersoon, zoals Mozes of Elia of een hogepriester zijn geweest, “zal bij hen zijn”. Er is niemand meer via wie God met Zijn volk in verbinding staat. Hij is de God van dat ene grote volk. En dat ene grote volk heeft en kent niemand anders dan alleen Hem als hun God.

V44En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn, <want> de eerste dingen zijn voorbijgegaan.. Als die heerlijke situatie is aangebroken, zal elke herinnering aan droefheid, die onlosmakelijk met de eerste dingen verbonden was, weggedaan zijn. De beschrijving van de heerlijkheid van de eeuwigheid komt voor ons nog het best tot zijn recht door te zeggen wat daar allemaal niet is. De heerlijkheid van wat er wel is, kunnen we nog niet bevatten (vgl. 2Ko 12:44dat hij werd opgenomen in het paradijs en onuitsprekelijke woorden hoorde, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.). Maar we kunnen wel begrijpen dat daar niet meer zal zijn wat ons leven op aarde nu vaak nog zo moeilijk en moeizaam maakt en wat ons naar de hemel doet hunkeren. Deze beschrijving is op zich dan ook al een hele bemoediging. De vijf woorden die zeggen wat er niet meer zal zijn, tekenen nu het hele wereldgebeuren en de hele wereldgeschiedenis, sinds de zondeval.

In Openbaring 7 is al aangekondigd dat God elke traan van de ogen zal afwissen, zoals een moeder de tranen van het gezicht van haar kind afwist (Op 7:1717want het Lam Dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.). Hij wist “elke traan” weg, waarna nooit meer een traan zal opwellen. Alles wat nu nog tranen veroorzaakt, is dan voorgoed verdwenen. Dan zal ieder mens in volkomen harmonie met God leven, volkomen in overeenstemming met God en volkomen eensgezind met ieder ander mens. Als de zonde er niet meer is, is er ook geen dood meer en ook niets meer wat aan de dood verbonden is als pijn en verdriet, waarvan tranen de uiting zijn. Het komt ook nooit meer terug, want “de eerste dingen zijn” definitief “voorbijgegaan”.

Lees nog eens Openbaring 21:1-4.

Verwerking: Wat doet jou het meest naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde verlangen?


Ik maak alles nieuw

5En Hij Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alles nieuw. En Hij zei <tegen mij>: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. 6En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet. 7Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal Hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn. 8Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood. 9En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen. 10En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God

V55En Hij Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alles nieuw. En Hij zei <tegen mij>: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig.. Nu spreekt “Hij Die op de troon zat”. Zitten op de troon betekent dat Hij alle macht heeft en alles bestuurt naar Zijn wil en daarmee tot Zijn doel komt. Hoe dat nieuwe eruit zal zien, kunnen we ons niet voorstellen. Je kunt het vergelijken met een tarwekorrel. Als je daarnaar kijkt, kun je je ook niet voorstellen dat daaruit een aar groeit. Of als je naar een rups kijkt, kun je je ook niet voorstellen dat daaruit een vlinder voortkomt. Paulus gebruikt tal van beelden om het verschil tussen aardse en hemelse dingen duidelijk te maken (1Ko 15:35-4935Maar, zal iemand zeggen: Hoe worden de doden opgewekt en met wat voor lichaam komen zij?36Dwaas! Wat u zaait, wordt niet levend, tenzij het sterft;37en wat u zaait, niet het lichaam dat zal worden zaait u, maar slechts een korrel, hetzij van tarwe of van een van de andere [granen].38Maar God geeft er een lichaam aan zoals Hij heeft gewild, en aan elk van de zaden een eigen lichaam.39Alle vlees is niet hetzelfde vlees, maar een ander is [dat] van mensen, en een ander is [het] vlees van dieren, en een ander is [het] vlees van vogels, en een ander [dat] van vissen.40En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse [lichamen] is verschillend, en die van de aardse is verschillend.41[Er is] een andere heerlijkheid van [de] zon, en een andere heerlijkheid van [de] maan, en een andere heerlijkheid van [de] sterren; want [de ene] ster verschilt van [de andere] ster in heerlijkheid.42Zo is ook de opstanding van de doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, er wordt opgewekt in onvergankelijkheid;43er wordt gezaaid in oneer, er wordt opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, er wordt opgewekt in kracht;44er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, er wordt een geestelijk lichaam opgewekt. Als er een natuurlijk lichaam is, dan is er ook een geestelijk [lichaam].45Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, [werd] tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest.46Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke.47De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel.48Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijken; en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelsen.49En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen.), maar ons bevattingsvermogen is te klein om het allemaal voor ons te zien. We weten in elk geval dat alle droevige dingen weg zijn en “alles nieuw” zal zijn.

Het is niet nieuw in tegenstelling tot oud, maar nieuw als iets wat nooit heeft bestaan, noch in soort, noch in zichzelf, want niets en niemand zal ooit oud worden in de nieuwe schepping. Waarvoor de mens zich altijd tevergeefs heeft ingespannen, zal dan door God tot stand worden gebracht. De mens kan geen einde maken aan de dood en de dingen die daarmee zijn verbonden omdat de zonde in hem woont. Voor de mens blijft die situatie een ijdele droom, maar voor het geloof is het de grote realiteit.

Na deze heerlijke toezegging dat Hij alles nieuw maakt, krijgt Johannes voor de derde keer de opdracht te schrijven (Op 14:1313En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Schrijf: gelukkig de doden die in [de] Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hun arbeid; want hun werken volgen hen.; 19:99En hij zei tegen mij: Schrijf: gelukkig zij die geroepen zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam. En hij zei tegen mij: Dit zijn de waarachtige woorden van God.). Door het op te schrijven ligt het vast. Als we deze dingen soms wat vergeten, kunnen we het telkens nalezen. Om elke onzekerheid weg te nemen wordt er als een bekrachtiging aan toegevoegd dat deze woorden “getrouw en waarachtig” zijn.

V66En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.. Dan klinkt als een machtige afsluiting de uitroep: “Zij zijn gebeurd!” Op dat ogenblik is alles nieuw geworden. Dan wordt het volle resultaat gezien van het werk van Hem Die eens riep: “Het is volbracht!” (Jh 19:3030Toen Jezus dan de zure wijn had genomen, zei Hij: Het is volbracht! En Hij boog Zijn hoofd en gaf Zijn geest over.). De rust, de vrede en de harmonie die op dat werk gegrond zijn, zullen zonder onderbreking alle eeuwigheid door worden genoten door God en de mensen bij wie Hij woont.

Hij Die het heeft gesproken, is de eeuwige God, “de Alfa en de Oméga”. Hij vervult van A tot Z –“Alfa” is de eerste letter en “Oméga” de laatste letter van het Griekse alfabet – wat Hij heeft gezegd. Het wil zeggen dat Hij Zijn Woord tot op de letter vervult. Hij is ook “het Begin en het Einde”, dat wil zeggen dat Hij aan het begin van alles staat, en aan het einde van alles staat Hij er nog. Er is niets vóór Hem en er is niets ná Hem. Alles wordt met Hem in verbinding gehouden van eeuwigheid af en tot in eeuwigheid. Er is een eeuwigheid, omdat Hij de Eeuwige is.

Op dit adembenemende moment, waar de tijd en alles wat daarmee te maken heeft, is verdwenen, komt als het ware spontaan een uitnodiging aan ieder die hieraan nog geen deel heeft. Als er lezers zijn die hieraan nog geen deel hebben, dan kan het niet anders of er is het verlangen gekomen daaraan deel te krijgen. Dat kan! Als er dorst is naar de levende God (Ps 42:33Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
)
, zal Hij die dorst lessen, zoals de dorst van de Samaritaanse vrouw door de Heer Jezus werd gelest (Jh 4:1414maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.).

V77Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal Hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.. Behalve dorst is er ook strijd nodig om deel te krijgen aan die heerlijkheid. Er is namelijk tegenstand in de vorm van personen of leringen die het deel krijgen aan die heerlijkheid in de weg staan en willen verhinderen. Maar er zijn krachtige wapens beschikbaar die de overwinning zeker maken. Zo wordt het beërven van deze dingen gegeven aan hen die door het geloof de wereld hebben overwonnen (1Jh 5:44Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof.). Zij hebben overwonnen door het bloed van het Lam (Op 12:1111En zijzelf hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot [de] dood toe.). Zij zijn meer dan overwinnaars door Hem Die hen heeft liefgehad (Rm 8:3737Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.).

De overwinnaars zullen trouw blijven tot het einde, tot die heerlijke erfenis in bezit kan worden genomen. Dan zal de nieuwe schepping beleefd worden in de nauwste verbinding met God en tot vreugde voor God. Dit is de enige plaats in de geschriften van Johannes waar van onze positie als zonen sprake is. Het is ook een persoonlijke betrekking. Ieder zal een eigen betrekking met God hebben en God met hem. Hij zal niet opgaan in de massa van mensen bij wie God woont (vers 33En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.).

V88Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood.. Na de uitvoerige, maar tegelijk zeer beperkte beschrijving van de heerlijkheid die het deel is van de gelovigen, volgt het deel van de ongelovigen. Het contrast is enorm en zal nooit tenietgedaan worden. Het zal tot in eeuwigheid bestaan. Dit is het deel van hen die geen overwinnaars zijn en die geen dorst hebben gehad naar God.

De eerste categorie mensen van wie gezegd wordt wat hun deel is, zijn “de bangen”, de lafaards. De bangen hebben nooit de Heer Jezus durven belijden. Zij staan aan de kant van de vijanden en zullen met hen omkomen. Ook de andere categorieën zullen Gods koninkrijk niet beërven (1Ko 6:1010Dwaalt niet! Geen hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, zij die bij mannen liggen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars of rovers zullen Gods koninkrijk beërven.).

Er is sprake van “hun deel”. Dat sluit zielsvernietiging uit. Het sluit ook uit dat ze na verloop van tijd alsnog aan de zegen deel zullen krijgen. De leer van de alverzoening is een ernstige aantasting van het gezag van Gods Woord en doet afbreuk aan de zwaarte en volmaaktheid van het werk van Christus. Het plaatsvervangend lijden van Christus zou niet nodig zijn geweest als alle mensen uiteindelijk toch deel zouden krijgen aan de eeuwige heerlijkheid. Maar allen die geen deel hebben aan het werk van Christus omdat ze het hebben afgewezen, zullen in de tweede dood zijn. Het gevolg is een definitief van alle leven afgesneden zijn, waaraan ze ook nooit meer deel zullen krijgen.

V99En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen.. Met vers 88Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood. is een chronologisch gedeelte afgesloten dat eindigt in de eeuwigheid. Wat hierna komt, kan daarop geen vervolg zijn, want na de eeuwige toestand komt er niet nog iets anders. We worden vanaf vers 99En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen. dan ook mee teruggenomen naar de tijd die onmiddellijk aan de eeuwige toestand voorafgaat, het vrederijk. Er volgt een beschrijving van de heerlijkheid van de gemeente als de hemelse stad, dat is als de plaats van waaruit Christus’ regering over de aarde plaatsvindt.

Vers 99En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen. begint met bijna dezelfde woorden die je ook in Openbaring 17 hebt gelezen (Op 17:11En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer die op vele wateren zit,). Het begint hier, evenals in Openbaring 17:1, met “een van de engelen die de zeven schalen hadden”. Maar er wordt hier aan toegevoegd dat ze “vol van de zeven laatste plagen” waren. De volle schalen worden getoond om te laten zien dat de stad pas kon komen, nadat de oordelen van God over de aarde waren gegaan. Verder zie je dat in beide gedeelten de beschrijving volgt van een vrouw en een stad. Als je beide gedeelten met elkaar vergelijkt, zie je zowel een verband met als een groot verschil tussen wat je inmiddels weet van het grote Babylon en wat je zult zien van het nieuwe Jeruzalem.

De gemeente wordt hier voorgesteld als “bruid” en als “vrouw”. Mogelijk ziet ‘bruid’ op haar heerlijkheid naar de wereld toe en ‘vrouw’ op de intieme betrekking tot het Lam, de Bruidegom. ‘Bruid’ kan ook zien op de eerste liefde voor die ene Man Die zij boven alles liefheeft en ‘vrouw’ op het vervulde verlangen van de liefde en de voortduring ervan. Beide aspecten blijven eeuwig van toepassing.

V1010En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God. In Openbaring 17 is Johannes in een woestijn gevoerd (Op 17:33En hij voerde mij weg in [de] Geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was [en] zeven koppen en tien horens had.). Hier bevindt hij zich op een verheven positie. Vanaf de berg mag hij de bruid, de vrouw van het Lam zien. Maar wat ziet hij? Hij ziet een stad. Dat wil zeggen dat de vrouw die de gemeente is, ook het kenmerk van een stad heeft. Johannes krijgt de stad te zien zoals God haar van eeuwigheid af gezien heeft. Zo mocht Mozes vanaf een berg het beloofde land zien (Dt 34:11Toen beklom Mozes, vanuit de vlakten van Moab, de berg Nebo, de top van de Pisga, die recht tegenover Jericho ligt. En de HEERE liet hem heel het land zien: [van] Gilead tot Dan,) en zag Ezechiël het toekomstige aardse Jeruzalem en de nieuwe tempel vanaf een hoge berg (Ez 40:22In visioenen van God bracht Hij mij naar het land van Israël. Hij zette mij op een zeer hoge berg, met daarop aan de zuidzijde iets als het bouwsel van een stad.).

De positie van Johannes is nog veel hoger dan van die beiden, want hij mag het nieuwe, hemelse Jeruzalem aanschouwen dat uit de hemel neerdaalt van God. Zoals de stad in de eeuwigheid neerdaalt van God (vers 22En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is.), zo daalt ze ook neer in het vrederijk.

De gemeente is de woonplaats van God van waaruit zegen naar de aarde gaat, zowel in het vrederijk als in de eeuwigheid. Ook hier is zij “de heilige stad”, de stad die God voor Zichzelf apart heeft gezet om Zijn stad, Zijn woonplaats te zijn. Het is de stad met de naam “Jeruzalem”, dat betekent ‘grondslag van de vrede’. In en door de gemeente zal de naam van de stad haar betekenis waarmaken. De stad is zowel de woonplaats van God als de plaats waar Zijn troon staat. De stad is daardoor ook het centrum van waaruit Hij regeert en bestuurt tot zegen van de mensen.

De laatste keer dat een stad in verbinding met de aarde wordt genoemd, is Babylon. De eerste stad die in verbinding met de aarde wordt genoemd, is de stad die Kaïn bouwt (Gn 4:1717En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch. [Kaïn] was een stad aan het bouwen, en hij noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch.). Steden op aarde zijn niet gebouwd tot eer van God. De stad die God bouwt, is van oorsprong hemels en verspreidt de eer van God en Christus.

Lees nog eens Openbaring 21:5-10.

Verwerking: Wat doet het jou als je denkt aan de toekomst van de ongelovigen?


De heilige stad, het nieuwe Jeruzalem

11en de heerlijkheid van God had. Haar lichtglans was aan zeer kostbaar gesteente gelijk, als een kristalheldere jaspissteen. 12Zij had een grote en hoge muur, zij had twaalf poorten en aan de poorten twaalf engelen en daarop namen geschreven, welke <de namen> van de twaalf stammen van [de] zonen van Israël zijn. 13Aan [de] oostkant drie poorten, aan [de] noordkant drie poorten, aan [de] zuidkant drie poorten en aan [de] westkant drie poorten. 14En de muur van de stad had twaalf fundamenten en daarop [de] twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. 15En hij die met mij sprak, had een gouden meetrietstok, opdat hij de stad en haar poorten en haar muur zou meten. 16En de stad ligt in het vierkant, en haar lengte is even groot als haar breedte. En hij mat de stad met de rietstok: twaalfduizend stadiën; haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk. 17En hij mat haar muur: honderdvierenveertig el, een maat van een mens, dat is van een engel. 18En de bouwstof van haar muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.

V1111en de heerlijkheid van God had. Haar lichtglans was aan zeer kostbaar gesteente gelijk, als een kristalheldere jaspissteen.. De stad heeft “de heerlijkheid van God”. Dat gaat verder dan het kleed van de bruid, dat door haarzelf is geweven, hoewel dat kleed haar door God is gegeven. In Christus zien we de lichtglans van de heerlijkheid van de kennis van God (2Ko 4:66Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus.). Hier heeft de gemeente die heerlijkheid. De gemeente is net zo volkomen in harmonie met God, als Christus dat is. Zoals de heerlijkheid van God in Christus te zien is, zo is die heerlijkheid van God ook in haar te zien (vgl. Jh 17:2222En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven, opdat zij een zijn zoals Wij een zijn:). Wat in de Heer Jezus geopenbaard is, zal in deze stad terug te zien zijn.

Als je bedenkt dat dit geldt voor mensen die van nature geen deel hadden aan de heerlijkheid van God (Rm 3:2323Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,), is dat dan geen onbeschrijflijke genade? Het is inderdaad niets anders dan genade waardoor je daaraan deel hebt gekregen (2Ko 4:66Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus.). Daardoor kun je nu roemen in de hoop op de heerlijkheid van God (Rm 5:1111En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in God door onze Heer Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.) die in dit gedeelte werkelijkheid is geworden.

De heerlijkheid van God, zoals die in Openbaring 4 tot uiting komt (Op 4:33en Die daarop zat, was van aanzien een jaspis- en sardiussteen gelijk; en rondom de troon was een regenboog, van aanzien een smaragd gelijk;), is op allerlei wijzen ook het deel van de gemeente. De jaspissteen die daar wordt genoemd, vind je ook hier, en ook verderop, in de verzen 18-1918En de bouwstof van haar muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.19De fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd,. Deze steen is te vergelijken met de ons bekende diamant, die zo geslepen kan worden, dat op vele wijzen de weerkaatsing van het licht in allerlei schitterende kleuren plaatsvindt. Die lichtglans, die straks in volle ongehinderde heerlijkheid zichtbaar zal zijn, behoort de gemeente nu al uit te stralen (vgl. Fp 2:1515opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in [de] wereld,). Dat kan alleen door de Geest (Hd 7:5555Hij echter, vol van [de] Heilige Geest, staarde naar de hemel en zag [de] heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan Gods rechterhand,; 2Ko 3:1818Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door [de] Heer, [de] Geest.).

V1212Zij had een grote en hoge muur, zij had twaalf poorten en aan de poorten twaalf engelen en daarop namen geschreven, welke <de namen> van de twaalf stammen van [de] zonen van Israël zijn.. De gemeente is gebouwd op een manier die de heerlijkheid van God kan weerspiegelen of doorgeven, zonder iets wat deze heerlijkheid onderbreekt of verduistert. Daarvoor bezit zij een muur, poorten en fundamenten. Een muur zorgt voor veiligheid (Zc 2:55En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,
een muur van vuur rondom,
en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.
)
en heiligheid en maakt scheiding tussen het heilige en het onheilige (Ez 42:2020Aan de vier zijden mat Hij het [tempelterrein]. Er liep een muur, helemaal rondom, [met] een lengte van vijfhonderd [el] en een breedte van vijfhonderd [el], om onderscheid te maken tussen het heilige en het onheilige.). In deze stad zijn alle heiligen verzameld die God in hun leven op aarde verheerlijkt hebben. De muur zorgt ervoor dat er niets in de stad kan komen wat er niet thuishoort (Ps 122:33Jeruzalem is gebouwd als een stad
die hecht samengevoegd is.
)
, wat nu nog wel in de gemeente mogelijk is (Gl 2:44en [dat] vanwege de binnengeslopen valse broeders, die zich hadden binnengedrongen om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons tot slavernij te brengen.; Jd 1:44Want bepaalde mensen zijn binnengeslopen, die van ouds tot dit oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en onze enige Meester en Heer Jezus Christus verloochenen.).

Maar het is een muur met poorten. Poorten staan in verband met regering. Vroeger werd er in de poorten van steden rechtgesproken (Ru 4:11Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.). De grote nadruk op de poorten onderstreept de betekenis van de stad als bestuursorgaan. De poorten laten het goede binnen en houden het kwade buiten. Een poort betekent ook een beveiligde en gecontroleerde toegang tot de tempel.

Poorten vormen een verbinding tussen de stad en de aarde tijdens het vrederijk. De engelen zijn dienaars bij de poorten, zij zijn de wachters. Hun taak als kanalen van Gods zegen zoals in het Oude Testament is voorbij. Die taak is voor de gemeente (Hb 2:55Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk waarover wij spreken,). De muur met zijn poorten is tot meerdere heerlijkheid van God (Js 60:1818Er zal niet meer gehoord worden van geweld in uw land,
van verwoesting of rampen binnen uw grenzen,
maar uw muren zult u noemen Heil,
en uw poorten Lof.
)
.

Op de poorten staan namen geschreven. Dat heeft te maken met de gewoonte dat poorten wel werden genoemd naar de steden waar ze naartoe leiden. De Damascuspoort is bijvoorbeeld de poort waardoor je op de weg naar Damascus komt. Zo wijzen de poorten met de namen van de twaalf stammen van de zonen van Israël erop dat de zegeningen van de gemeente in de eerste plaats zullen uitgaan naar Israël.

V1313Aan [de] oostkant drie poorten, aan [de] noordkant drie poorten, aan [de] zuidkant drie poorten en aan [de] westkant drie poorten.. Het is met de heilige stad Jeruzalem, de tabernakel van God (vers 33En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.), hetzelfde als met de tabernakel in de woestijn. In elke windrichting waren drie stammen opgesteld en de tabernakel stond in het midden (Nm 2:1717Daarna moet de tent van ontmoeting opbreken, [met] het kamp van de Levieten, in het midden van de [andere] kampen. Zoals zij hun kamp opslaan, zo moeten zij opbreken, ieder op zijn [eigen] plaats, bij hun vaandels.). Alle zegen gaat uit van het centrum en alle aanbidding komt tot dit centrum.

1. Het begint met de “oostkant”, de kant waar de zon opgaat. Het licht van de nieuwe dag van het vrederijk is aanwezig.
2. De “noordkant” doet denken aan de tijd dat God Zijn volk door middel van volken uit het noorden moest oordelen vanwege hun ontrouw, een tijd die voorbij is.
3. De “zuidkant” spreekt van zomerwarmte, de zomer die is aangebroken.
4. De “westkant” is de kant waar de zon ondergaat, wat laat zien dat er ook aan het vrederijk een einde komt.

Er is een toepassing te maken voor de verkondiging van het evangelie in onze tijd en ook voor de gemeente nu. Wij moeten alle volken met het evangelie zien te bereiken en ook alle leeftijdsgroepen en sociale lagen van de bevolking, dat wil zeggen iedereen, zonder onderscheid. Een gemeente moet zowel een hoge muur als goed functionerende poorten hebben. Soms hebben gemeenten zoveel open poorten dat er van een muur geen sprake meer is. Het kan ook andersom. Dan heeft een gemeente alleen een hoge muur en geen enkele poort. In beide gevallen is er geen afzondering voor de Heer.

V1414En de muur van de stad had twaalf fundamenten en daarop [de] twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam.. Na de poorten wordt nader over de muur gesproken. De fundamenten zijn niet de twaalf zonen van Israël, maar “de twaalf apostelen van het Lam”. De twaalf zonen van Israël zijn nooit verbonden geweest aan het Lam op aarde. De twaalf apostelen zijn, nadat de Heilige Geest is gekomen en de gemeente is ontstaan, de fundamentleggers van de gemeente geworden (Ef 2:2020opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is,). Het fundament is Christus (1Ko 3:1111Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus.). Dit is de stad met fundamenten waarnaar Abraham heeft uitgezien (Hb 11:1010want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.).

V1515En hij die met mij sprak, had een gouden meetrietstok, opdat hij de stad en haar poorten en haar muur zou meten.. Dan merkt Johannes op dat de engel “een gouden meetrietstok” heeft. De meetstok is van goud en beantwoordt daarmee aan de heerlijkheid van God. De stad en haar poorten en haar muur moeten gemeten worden met een Goddelijke maat. Eerder heeft Johannes de opdracht gekregen om het aardse Jeruzalem te meten (Op 11:11En mij werd een rietstok gegeven, aan een staf gelijk, en gezegd: Sta op en meet de tempel van God en het altaar en hen die daarin aanbidden.). Alleen is daar geen sprake van een meetrietstok van goud en ook moet Johannes een bepaald deel niet meten.

Als God iets meet of laat meten, wil Hij daarmee zeggen dat het Hem toebehoort en door Hem wordt erkend (vgl. Zc 2:1-2,121[Opnieuw] sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.2Toen zei ik: Waar gaat U heen? Hij zei tegen mij: [Ik ga] Jeruzalem opmeten om te zien hoe groot zijn breedte en hoe groot zijn lengte zal zijn.12De HEERE zal Juda in eigendom nemen
[als] Zijn deel in het heilige land.
Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
; Ez 40:3,53Hij bracht mij erheen, en zie, een Man. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van koper en in Zijn hand was een linnen koord en een meetlat. En Hij stond in de poort.5En zie, er was een muur aan de buitenzijde van het huis, [die er] helemaal omheen [liep]. Nu was er in de hand van die Man een meetlat van zes el, per el [een el] en een handbreedte [lang]. Hij mat de breedte van het bouwwerk: één lat, en de hoogte: één lat.)
. ‘Meten’ wil ook zeggen de positie en de roeping van de stad bepalen met de grenzen die daarbij horen. Er moet worden vastgesteld dat de stad en alles wat daarin is, alles wat er wordt beslist – waarvan de poort spreekt –, in overeenstemming is met de heerlijkheid van God. Hetzelfde geldt voor de heiligheid van de stad, waarvan de muur spreekt.

V1616En de stad ligt in het vierkant, en haar lengte is even groot als haar breedte. En hij mat de stad met de rietstok: twaalfduizend stadiën; haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk.. De stad is niet alleen vierkant – wat aangegeven wordt door de vermelding “haar lengte is even groot als haar breedte” –, ze is ook kubusvormig, want ook haar hoogte heeft dezelfde afmeting. Dat doet denken aan het heilige der heiligen, dat naar zijn afmetingen ook een kubus was (vgl. 1Kn 6:2020Het binnenste heiligdom vooraan was twintig el in [zijn] lengte, twintig el in [zijn] breedte en twintig el in zijn hoogte. Hij overtrok die met bladgoud. Ook overtrok hij het altaar van ceder[hout daarmee].; Ez 41:44Verder mat Hij de lengte ervan: twintig el, en de breedte: twintig el vóór de tempel. Toen zei Hij tegen mij: Dit is het heilige der heiligen.). Door haar lengte en breedte staat ze in verbinding met de aarde en door haar hoogte in verbinding met de hemel.

De “twaalfduizend stadiën” die de engel meet, zijn te vergelijken met ongeveer tweeduizend tweehonderdtwintig kilometer. Dat de stad volmaakt gelijke zijden heeft, zegt iets over het volkomen evenwicht in alles wat God tot stand brengt. Hij geeft aan elke waarheid van Zijn Woord het juiste gewicht. Dat zien we in de uitvoering ervan. Nooit benadrukt Hij de ene waarheid ten koste van een andere.

Dat de stad te meten is, geeft aan dat ze begrensd is. Dat geldt voor alles, wat met de mens te maken heeft. Alleen God is oneindig en de mens is per definitie beperkt. Tegelijk is de gemeente volmaakt in overeenstemming met de eeuwige raadsbesluiten van God en is de maat ervan niet te meten (vgl. Ef 3:18-1918opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is,19en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God.).

V1717En hij mat haar muur: honderdvierenveertig el, een maat van een mens, dat is van een engel.. Met de “honderdvierenveertig el” zal waarschijnlijk de dikte van de muur worden bedoeld die daarmee tussen de vijfenzestig en zeventig meter bedraagt. Het is in elk geval een volkomen maat – honderdvierenveertig is twaalf keer twaalf. Tegelijk houdt het ook in dat ieder mens zich slechts een beperkte voorstelling kan vormen van de ‘afmetingen’ van de gemeente. In deze maat worden “een mens” en “een engel” op hetzelfde niveau geplaatst. Ze zijn allebei schepselen en daardoor begrensd in het doorgronden van alle heerlijkheid van God.

V1818En de bouwstof van haar muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.. In vers 1111en de heerlijkheid van God had. Haar lichtglans was aan zeer kostbaar gesteente gelijk, als een kristalheldere jaspissteen. heb je gezien dat jaspis een beeld is van de lichtglans van de heerlijkheid van God. De muur van de stad is van ditzelfde materiaal. De heerlijkheid van God werkt als een beschermings- en scheidingswand. De heerlijkheid van God verbiedt en verhindert dat er iets onreins de stad binnengaat. Als de heerlijkheid van God zich ook meer onder ons openbaarde, zou er veel worden tegengehouden wat niet in het licht van die heerlijkheid past (Hd 5:1313en van de overigen durfde niemand zich bij hen te voegen, maar het volk achtte hen hoog;; Gn 28:1717Daarom was hij bevreesd en zei hij: Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.).

Dit is de vierde keer dat er over de muur van de stad wordt gesproken:
1. In vers 1212Zij had een grote en hoge muur, zij had twaalf poorten en aan de poorten twaalf engelen en daarop namen geschreven, welke <de namen> van de twaalf stammen van [de] zonen van Israël zijn. is het kenmerk van de muur genoemd: groot en hoog.
2. In vers 1414En de muur van de stad had twaalf fundamenten en daarop [de] twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. worden de fundamenten van de muur genoemd.
3. In vers 1717En hij mat haar muur: honderdvierenveertig el, een maat van een mens, dat is van een engel. wordt over de muur gesproken in verbinding met haar maat.
4. Ten slotte spreekt vers 1818En de bouwstof van haar muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk. over de bouwstof, het materiaal, waaruit de muur bestaat.

De stad is van “zuiver goud, aan zuiver glas gelijk”, dat wil zeggen dat stad van doorschijnend goud is. In de oude schepping is dat niet mogelijk, maar in de nieuwe wel. Het maakt duidelijk dat de stad gemaakt is van materiaal dat volkomen transparant is, zonder enige donkere plek, zonder enige vlek of iets onreins. De stad is in deze eigenschap gelijk aan God. Hoe zou de stad van God iets kunnen bezitten wat duister of bevlekt is? Alles is doorschijnend en beantwoordt aan de heerlijkheid van God.

Lees nog eens Openbaring 21:11-18.

Verwerking: Welke aspecten van de stad worden genoemd en wat stellen ze voor?


God de Almachtige is haar tempel

19De fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd, 20het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist. 21En de twaalf poorten waren twaalf parels, elk afzonderlijk van de poorten was uit één parel. En de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas. 22En een tempel zag ik in haar niet, want de Heer, God de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. 23En de stad heeft de zon of de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar en haar lamp is het Lam. 24En de naties zullen door haar licht wandelen en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid tot haar. 25En haar poorten zullen overdag geenszins gesloten worden, want geen nacht zal daar zijn. 26En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de naties tot haar brengen. 27En geenszins zal iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.

V19-2019De fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd,20het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist.. Dan wordt het fundament nader bekeken. Het fundament is met allerlei edelgesteenten versierd, ja, het bestaat uit edelgesteente. Het blijkt een fundament van twaalf lagen te zijn. Elke laag is een fundament, zodat de stad op twaalf fundamenten ligt. Die fundamenten zijn niet verborgen in de grond, maar zijn zichtbaar. De stad is in haar hele omvang zichtbaar, omdat ze wordt gezien als neerdalend van God uit de hemel, zonder op de aarde te komen.

De volgorde van de fundamenten wordt gegeven:
1. Het “eerste fundament”, het onderste, waarop alle andere fundamenten gelegd worden, is weer de “jaspis”, het beeld van de heerlijkheid van God. De kleur is die van een doorzichtige kristal.
2. “Het tweede” fundament is “saffier”. De kleur van saffier is prachtig blauw.
3. “Chalcedon”, het edelgesteente waaruit “het derde” fundament bestaat, komt hier de enige keer voor in de Bijbel. De kleur ervan is groen-blauw.
4. De kleur van de “smaragd”, “het vierde” fundament, is stralend groen.
5. De kleur van de steen “sardonyx”, “het vijfde” fundament, kan licht gevlamd zwart, bruin, rood en wit gestreept zijn.
6. De “sardius”, “het zesde” fundament, moet een prachtige rode kleur hebben.
7. De “chrysoliet”, “het zevende” fundament, is goudgeel van kleur.
8. De kleur van “beril”, “het achtste” fundament, kan verschillend zijn. Deze edelsteen heeft onder andere een rode, blauwe, groene, gele, paarse en zelfs een kleurloze variant.
9. De “topaas”, “het negende” fundament, is diep, schitterend geel.
10. De “chrysopraas”, “het tiende” fundament, is naar de betekenis van zijn naam goudgroen.
11. De kleur van de “hyacint”, “het elfde” fundament, is (mij) onbekend.
12. De “amethist”, “het twaalfde” fundament, is violetkleurig.

Hoewel niet van elke edelsteen de precieze kleur bekend is, krijg je toch wel een indruk van de overweldigende glans en schittering die de kleuren van de op elkaar liggende fundamenten uitstralen. Ze gaan in elkaar over en elke kleur versterkt de andere kleuren. Het moet een lust voor het oog zijn om daarnaar te kijken. Het gaat om bouwstoffen die nooit vergaan en om kleuren die nooit verbleken. Het geheel openbaart de macht en de wijsheid van de Schepper.

In Ezechiël 28 kom je ook twaalf edelstenen tegen (Ez 28:4,134Door uw wijsheid en door uw inzicht hebt u zich een vermogen verworven en gezorgd voor goud en zilver in uw schatkamers.13u was in Eden, de hof van God.
Allerlei edelgesteente was uw sieraad:
robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx
en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.
Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.
Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.
)
. Die edelstenen weerspiegelen de heerlijkheid van de schepping. Ook in Exodus 28 vind je twaalf edelstenen (Ex 28:17-2117Dan moet u hem opvullen met een [edel]steenvulling, vier rijen [edel]stenen: een rij van een robijn, een topaas en een karbonkel; [dit is] de eerste rij.18De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant.19De derde rij: een hyacint, een agaat en een amethist.20Ten slotte de vierde rij: een turkoois, een onyx en een jaspis; ze moeten in hun zettingen in goud gevat zijn.21En de stenen moeten twaalf [in getal] zijn, overeenkomstig de namen van de zonen van Israël, overeenkomend met hun namen. [De stenen] moeten zegelgraveringen krijgen, ieder met zijn naam. Zij zijn voor de twaalf stammen bestemd.). Daar zijn ze verbonden aan het borstschild van de hogepriester en weerspiegelen zij de heerlijkheid van zijn dienst die hij ten behoeve van de twaalf stammen van Israël verricht.

De edelstenen zijn allemaal verschillend. Wij zullen allemaal bekleed zijn met de heerlijkheid van God, maar nooit zal vergeten worden hoe de heerlijkheid van God op aarde in iedere verloste op unieke wijze tot uitdrukking is gekomen. Samen vormen ze een unieke weergave van de heerlijkheid van God. Ieder kind van God kan in zijn leven iets van Gods heerlijkheid laten zien. In de edelgesteenten stelt goud de gemeenschappelijke heerlijkheid voor – de hele stad is van goud (vers 1818En de bouwstof van haar muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.). De edelstenen zelf stellen de heerlijkheid voor die iedere individuele gelovige bezit en die hem enerzijds van iedere andere gelovige onderscheidt, terwijl hij anderzijds de andere gelovige ermee aanvult en diens heerlijkheid versterkt.

V2121En de twaalf poorten waren twaalf parels, elk afzonderlijk van de poorten was uit één parel. En de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas.. “De twaalf poorten” bestaan elk uit een parel. Dat herinnert aan de waarde die de gemeente voor de Heer Jezus heeft. De gemeente is voor Hem een “zeer kostbare parel” (Mt 13:4646toen hij nu één zeer kostbare parel gevonden had, ging hij weg en verkocht alles wat hij had, en kocht die.). De twaalf poorten zullen voor eeuwig naar alle kanten in de hele schepping eraan herinneren dat Hij Zichzelf voor haar heeft gegeven. Als voor Hem de gemeente een zo kostbare parel is, kan dan voor ons de gemeenschap van de heiligen onbelangrijk of onbetekenend zijn (vgl. Hb 10:2525en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn, maar [elkaar] vermanen en dat zoveel temeer naarmate u de dag ziet naderen.) of zouden we er het minste lid van verachten (Mt 18:1010Let erop dat u niet een van deze kleinen veracht; want Ik zeg u, dat hun engelen in [de] hemelen altijd het aangezicht zien van Mijn Vader Die in [de] hemelen is. [Vers)?

Nog een bijzonder kenmerk van de stad is dat er maar één straat is. Het is onmogelijk om te verdwalen of van de weg af te raken. Alle gelovigen gaan daar één weg. Het is onmogelijk dat er verdeeldheid komt. Zoals de stad van zuiver goud is, goud dat als doorzichtig glas is (vers 1818En de bouwstof van haar muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.), is ook de straat van “zuiver goud, als doorzichtig glas”. De straat verwijst naar je wandel in deze stad. Daar zal geen gevaar voor verontreiniging aanwezig zijn, want je bent daar in overeenstemming met de gouden doorzichtigheid van de straat. Tegelijk is het een oproep om nu al zo te wandelen als je daar zult doen.

V2222En een tempel zag ik in haar niet, want de Heer, God de Almachtige, is haar tempel, en het Lam.. Johannes ziet in de stad geen tempel. Het gaat dan ook niet over het aardse Jeruzalem waarover de profeten spreken, want daarin zal wel een tempel zijn (Ezechiël 40-43). Een tempel herinnert aan de zonde, want de tempel is een afgezonderde plaats in de stad. Dat betekent ook dat er een zekere afstand is tussen God en Zijn volk. Het voorhangsel in de tempel legt extra nadruk op de scheiding tussen God en Zijn volk.

Die afstand en die scheiding zijn er niet tussen de gemeente en God en het Lam. God woont in de gemeente en Hij is Zelf de tempel ervan evenals het Lam (vgl. Js 8:1414Hij zal tot een heiligdom [voor u] zijn,
tot een steen des aanstoots,
en tot een rots waarover men struikelt
voor de beide huizen van Israël,
tot een strik en een val voor de inwoners van Jeruzalem.
)
. De gemeente is in de directe, onmiddellijke tegenwoordigheid van God en het Lam, zonder enige afstand of scheiding.

V2323En de stad heeft de zon of de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar en haar lamp is het Lam.. De stad als geheel is de tempel van God. God woont in de stad en daardoor is de stad de tempel. Er is geen afzonderlijke tempel. Zo is er ook geen afzonderlijk licht, zoals de zon of de maan, dat van buitenaf de stad beschijnt. Als God in de stad woont, is Hij haar licht. Zijn heerlijkheid kan nooit door iets anders wat een grotere heerlijkheid zou hebben, worden verlicht. De glans van Zijn heerlijkheid ligt over de hele stad.

En waarin is de glans van Zijn heerlijkheid te zien? In het Lam. De heerlijkheid van God zal de stad altijd alleen bereiken door het Lam (2Ko 4:66Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus.). Wij kennen en zien de Vader alleen door de Zoon (Jh 14:6,96Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.9Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader?). De zon en de maan zijn middelen om het licht door te geven in de schepping. In Genesis 1 zie je dat er eerst licht is op de eerste dag en dat daarna op de vierde dag de zon en de maan door God tevoorschijn worden geroepen.

Maar de stad van God wordt niet verlicht door natuurlijke, geschapen middelen. Er is een directe van God Zelf afkomstige verlichting. Dat het Lam de lamp is, duidt wel aan dat het Lam het middel is, maar dat verandert niets aan het feit dat Gods licht direct aanwezig is, want het Lam in Wie dit licht zichtbaar is, is tevens God.

V2424En de naties zullen door haar licht wandelen en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid tot haar.. De gemeente geeft het licht van de heerlijkheid van God, dat door het Lam over haar ligt, door naar de aarde. De gemeente is voor de volken als de zon. Door het licht van het Lam geeft de gemeente licht waarin de naties zullen wandelen. De gemeente, dat zijn wij, zal het kanaal zijn waardoor de zegen vanuit de hemel aan de aarde wordt doorgegeven. Zelf zullen wij in onze verheerlijkte lichamen zegeningen genieten die de aardse zegeningen te boven gaan.

De koningen van de aarde zullen hun aardse heerlijkheid tot haar brengen (vgl. Ps 72:10-1110De koningen van Tarsis en de kustlanden
zullen schatting brengen;
de koningen van Sjeba en Seba
zullen schatten aanvoeren.
11Ja, alle koningen zullen zich voor Hem neerbuigen,
alle heidenvolken zullen Hem dienen.
; Js 60:3,5-7,93En heidenvolken zullen naar uw licht gaan
en koningen naar de glans van uw dageraad.5Dan zult u het zien en stralen,
uw hart zal diep ontzag hebben en zich verruimen,
want de menigte van de zee zal zich naar u toekeren,
het vermogen van de heidenvolken zal naar u toe komen.
6Een menigte kamelen zal u bedekken,
de jonge kamelen van Midian en Efa.
Zij allen uit Sjeba zullen komen,
goud en wierook zullen zij aandragen,
zij zullen de loffelijke daden van de HEERE boodschappen.
7Alle schapen van Kedar zullen voor u bijeengebracht worden,
de rammen van Nebajoth staan u ten dienste;
ze zullen als een welgevallig [offer] komen op Mijn altaar
en Ik zal aan Mijn luisterrijk huis aanzien geven.9Voorzeker, de kustlanden zullen Mij verwachten,
en de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn
om uw kinderen van verre te brengen,
hun zilver en hun goud met hen,
naar de Naam van de HEERE, uw God,
naar de Heilige van Israël, want Hij heeft u verheerlijkt.
)
. Hoe we ons dat precies moeten voorstellen, is mij niet duidelijk. Misschien moeten we denken aan de verschijning van hemelse heiligen aan deze volken op aarde. De gemeente zal immers als de vrouw van het Lam met Christus mee regeren. Deze hemelse heiligen vertegenwoordigen Christus. Door hen als kanalen van hemelse zegen te erkennen zullen de volken Christus eren.

V2525En haar poorten zullen overdag geenszins gesloten worden, want geen nacht zal daar zijn.. Waar het licht van God heerst, is geen duisternis aanwezig. De dag zal niet meer worden gevolgd door de nacht. De morgen zonder wolken (2Sm 23:44Hij is als het licht van de morgen,
[wanneer] de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
[als] de glans na de regen,
[die] groen [laat opkomen] uit de aarde.
)
, de dag zonder iets wat schaduw of duisternis veroorzaakt, is voor de hemelse gemeente aangebroken. Alles is volkomen doorschijnend. Er zal geen vrees voor dieven zijn die ’s nachts zouden willen binnendringen, want alle duisternis is verdwenen en voorgoed voorbij (1Jh 2:8b8Anderzijds is het een nieuw gebod dat ik u schrijf, dat waar is in Hem en in u, omdat de duisternis voorbijgaat en het waarachtige licht al schijnt.). De stad zal een en al licht en heerlijkheid zijn.

V2626En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de naties tot haar brengen.. Nog eens wordt gezegd dat de heerlijkheid en de eer van de naties tot haar worden gebracht. Het maakt duidelijk hoezeer de gemeente in het vrederijk het middelpunt van zegen is. Ze is in zichzelf niet de bron ervan, want alle zegen komt van God. Maar ze is wel het middel waardoor God Zijn zegen naar de aarde doet gaan.

De naties zullen dat beantwoorden met gepaste geschenken. Het zullen niet zozeer materiële geschenken zijn, als wel de erkenning dat zij geen heerlijkheid en eer bezitten die tot eigen grootmaking dient, alsof zij die aan zichzelf te danken zouden hebben. Zo hebben de naties zich wel gedragen in de tijd van de verwerping van Christus. Toen werd de gemeente niet geacht, maar verworpen en vervolgd. Nu is het precies omgekeerd. God zorgt ervoor dat Zijn gemeente geëerd wordt naar de mate waarin haar oneer is aangedaan (vgl. Op 3:99Zie, Ik geef [enigen] uit de synagoge van de satan, die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen; zie, Ik zal maken dat zij komen en zich neerbuigen voor uw voeten en erkennen dat Ik u heb liefgehad.).

V2727En geenszins zal iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.. In de stad kan alleen binnengaan wat bijdraagt aan de heerlijkheid van de stad. Wat aan de heerlijkheid van de stad afbreuk zou doen, kan er onmogelijk binnengaan. Alles wat met de zonde in verbinding staat en waarvan de elementen nog wel op aarde aanwezig zijn, krijgt geen kans de hemelse stad binnen te dringen. Als er ook maar iets onheiligs probeert binnen te gaan, of iemand die verkeerde dingen doet, zal het licht dat direct openbaar maken. Niets van wat bij de duisternis hoort, zal het lukken om ongemerkt de stad binnen te gaan. Het licht is tegelijk haar veiligheid.

Maar er zijn er die wel de stad binnengaan. Het betreft gelovigen, personen “die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam”. Het zijn niet de naties van de aarde, want vlees en bloed kunnen er niet binnengaan. Ook zijn het niet de gelovigen van de gemeente, want zij zijn de stad. Welke gelovigen zijn het dan wel? Het zijn alle gestorven gelovigen uit het Oude Testament en de martelaars die na de opname van de gemeente zijn omgebracht. Zij maken geen deel uit van de gemeente, maar hebben wel deel aan alle zegeningen die God heeft beloofd aan allen die hun vertrouwen op Hem hebben gesteld. Die zegeningen zullen ze genieten in het hemelse deel van het vrederijk.

Lees nog eens Openbaring 21:19-27.

Verwerking: Wat is er anders in het nieuwe Jeruzalem in vergelijking met het oude Jeruzalem?


Lees verder