Hebreeën
1-8 Echt of schijn 9-20 Gods belofte staat vast
Echt of schijn

1Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten [rusten] en voortgaan tot het volkomene, zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, 2van een leer van reinigingen, van handoplegging, van dodenopstanding en van eeuwig oordeel. 3En dit zullen wij doen, als God het tenminste vergunt. 4Want het is onmogelijk hen die eens verlicht zijn geweest en van de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoten van [de] Heilige Geest geworden zijn, 5en [het] goede Woord van God en [de] krachten van [de] toekomstige eeuw geproefd hebben 6en afgevallen zijn, nog eens te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God kruisigen en openlijk te schande maken. 7Want [de] grond die de dikwijls daarop komende regen indrinkt en nuttig gewas voortbrengt voor hen ten behoeve van wie hij ook bebouwd wordt, ontvangt zegen van God; 8maar als hij dorens en distels voortbrengt, is hij verwerpelijk en [de] vervloeking nabij, en het einde ervan [leidt] tot verbranding.

V11Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten [rusten] en voortgaan tot het volkomene, zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God,. De schrijver vervolgt in het eerste deel van dit hoofdstuk zijn vermaningen van de slotverzen van het vorige hoofdstuk. Hij wil graag dat zijn lezers beseffen dat ze niet moeten blijven ‘hangen’ in “het woord van het begin van Christus”. Hiermee bedoelt hij alles wat over en door Christus is gezegd in verband met Zijn komst op aarde. Je kunt denken aan de aankondiging door Johannes de doper en ook aan de prediking van Christus Zelf. Natuurlijk is alles wat daarover in de Bijbel staat Gods Woord en daarom belangrijk, maar het is wel allemaal verbonden met het Oude Testament en met de regering van Christus over Zijn aardse volk.

Er is echter door de verwerping van Christus een totaal andere situatie ontstaan en daarop wil de schrijver de harten van de gelovigen richten. Hij wil dat ze “voortgaan tot het volkomene” of, zoals ook vertaald kan worden, ‘tot de volwassenheid’. Het ‘volkomene’ is de kennis van Christus in verband met de plaats die Hij nu inneemt, verheerlijkt in de hemel.

Het woord “voortgaan” slaat op de geestelijke groei van de gelovige naar dat ‘volkomene’ toe. Dat wil zeggen dat je Hem in de heerlijkheid het voorwerp van je geloof en het doel van je leven maakt. Dan wil je niet achteruit, terug naar een tastbare godsdienst, maar vooruit, met het verlangen steeds meer van Hem en de heerlijke gevolgen van Zijn werk te leren kennen.

Wat je in het tweede deel van vers 11Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten [rusten] en voortgaan tot het volkomene, zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, en in vers 22van een leer van reinigingen, van handoplegging, van dodenopstanding en van eeuwig oordeel. leest, slaat dan ook niet op het christendom, maar op het Jodendom. De schrijver wil het daar niet opnieuw over hebben, want dat kennen ze vanuit hun verleden als Joden.

Zo weten ze van “bekering van dode werken”. Dat gaat over berouw over werken die gedaan zijn uit eigen wil, in onafhankelijkheid van God. Ook over “geloof in God” hoeven ze niet opnieuw onderwezen te worden. Daarmee zijn ze van jongs af aan vertrouwd. Bekering en geloof zijn niet specifiek christelijke waarheden. Ze waren en zijn in alle tijden nodig wil een zondig mens in verbinding met een heilig God komen.

V22van een leer van reinigingen, van handoplegging, van dodenopstanding en van eeuwig oordeel.. De “leer van reinigingen” – en beslist niet, zoals ook wel wordt vertaald: leer van dopen! – wijst op voorschriften die God aan Israël heeft gegeven aangaande het wassen met water. Daarbij gaat het erom zaken of mensen die verontreinigd zijn door verbinding met de zonde, rein te maken, zodat ze weer in dienst van God gebruikt konden worden (Nm 19:1818En iemand die rein is, moet hysop nemen en [die] in dat water dopen, en [dat] moet hij op de tent sprenkelen, en op al de voorwerpen, en op de personen die daar aanwezig waren, ook op hem die de beenderen, de vermoorde, de dode of het graf aangeraakt heeft.).

De leer “van handoplegging” slaat op wat bijvoorbeeld bij het offeren moet gebeuren. Handoplegging betekent ‘zich een maken’, in dit geval met het offer (Lv 1:44Daarna moet hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen, zodat het hem ten goede zal komen door verzoening voor hem te bewerken.; 4:1515Vervolgens moeten de oudsten van de gemeenschap hun handen op de kop van de jonge stier leggen, voor het aangezicht van de HEERE. Daarna moet men de jonge stier slachten voor het aangezicht van de HEERE.).

De Joden zijn ook vertrouwd met de leer “van dodenopstanding” (Jh 11:2424Martha zei tot Hem: Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag.), evenals met de leer “van eeuwig oordeel” (Js 14:9-119Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering,
om [u] tegemoet te gaan, wanneer u zou komen.
Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker,
al de leiders van de aarde.
Het laat van hun tronen opstaan
al de koningen van de volken.
10Zij zullen allemaal het woord nemen
en zeggen tegen u:
Ook u bent [nu] zo zwak geworden als wij,
u bent aan ons gelijk geworden!
11Uw trots ligt neergeworpen in het graf,
[met] de klank van uw luiten.
Onder u is [een bed van] maden gespreid,
en wormen zijn uw deken.
; 38:1818Immers, het graf zal U niet loven,
de dood U niet prijzen;
wie in de kuil neerdalen,
zullen op Uw waarheid niet hopen.
; 66:2424En zij zullen [de stad] uit gaan en zien
de dode lichamen van de mannen die tegen Mij in opstand zijn gekomen;
want hun worm zal niet sterven
en hun vuur zal niet uitgeblust worden,
en zij zullen voor alle vlees een afgrijzen zijn.
)
.

Alle genoemde kenmerken zijn dan ook niet zozeer christelijk, maar juist typisch Joods. Daarom wil de schrijver dit allemaal laten rusten.

V33En dit zullen wij doen, als God het tenminste vergunt.. Als hij zegt “dit zullen wij doen”, wil hij daarmee niet zeggen dat hij er later nog wel eens op terug zal komen. Nee, het woord ‘dit’ slaat op ‘het voortgaan tot het volkomene’ van vers 11Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten [rusten] en voortgaan tot het volkomene, zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God,. “Als God het tenminste vergunt”, wil hij de lezers in gedachten meenemen naar de hemel, naar de Heer Jezus in de heerlijkheid.

V44Want het is onmogelijk hen die eens verlicht zijn geweest en van de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoten van [de] Heilige Geest geworden zijn,. Hij drukt zich bewust zo uit om aan te geven dat hij daarbij afhankelijk is van Gods kracht, omdat de geestelijke toestand van sommige van de Hebreeën het op dit moment niet toelaat zijn voornemen uit te voeren. Dat komt omdat er onder zijn lezers mensen zijn – en die zijn er ook nu – die slechts uiterlijk het christendom hebben aangenomen, terwijl er innerlijk niets is veranderd.

Zij oefenen een verkeerde invloed uit op de echte gelovigen, die daardoor ook traag zijn geworden in hun volgen van de verworpen, maar verheerlijkte Messias. Daarom spreekt de schrijver in algemene bewoordingen allen aan. Daarbij onderstreep ik dat de onmogelijkheid om nog eens vernieuwd te worden tot bekering alleen hen betreft die uiterlijk wel deelhebben aan de voorrechten van de verzen 4-54Want het is onmogelijk hen die eens verlicht zijn geweest en van de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoten van [de] Heilige Geest geworden zijn,5en [het] goede Woord van God en [de] krachten van [de] toekomstige eeuw geproefd hebben, maar innerlijk geen nieuw leven hebben.

Alle kenmerken die in de verzen 4-54Want het is onmogelijk hen die eens verlicht zijn geweest en van de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoten van [de] Heilige Geest geworden zijn,5en [het] goede Woord van God en [de] krachten van [de] toekomstige eeuw geproefd hebben worden genoemd, zijn uiterlijke kenmerken. Ze gelden voor alle belijdende christenen, dat wil zeggen zowel voor echte christenen als voor naamchristenen. Naamchristenen zijn christenen die het alleen in naam en niet in werkelijkheid zijn. Kennis, vreugde, verlichting, voorrechten en kracht zijn aanwezig, maar geen geestelijk leven. Het zijn mensen die
- tranen hebben als Ezau (Hb 12:1717want u weet dat hij ook daarna, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats voor berouw, hoewel hij die met tranen zocht.),
- de dood van de oprechten willen sterven als Bileam (Nm 23:10b10Wie heeft het stof van Jakob geteld,
en het aantal, het vierde deel van Israël?
Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven
en mijn einde zijn als dat van hem.
)
,
- willen dat Godvrezende mensen voor hen bidden als de farao (Ex 8:88Toen liet de farao Mozes en Aäron roepen en zei: Bid vurig tot de HEERE dat Hij de kikkers van mij en mijn volk wegneemt; dan zal ik het volk laten gaan, zodat zij offers aan de HEERE kunnen brengen.) en Simon de tovenaar (Hd 8:2424Simon echter antwoordde en zei: Bidt u voor mij tot de Heer, opdat mij niets overkomt van wat u hebt gesproken.),
- profeteren als Kajafas (Jh 11:49-5249Maar een van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei tot hen:50U weet niets, en u bedenkt niet, dat het nuttiger voor ons is dat één Mens sterft voor het volk en niet de hele natie verloren gaat.51Dit nu zei hij niet uit zichzelf, maar daar hij hogepriester in dat jaar was, profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk;52en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot een zou vergaderen.),
- graag het Woord van God horen als Herodes (Mk 6:2020want Herodes was bang voor Johannes, daar hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem; en toen hij hem had gehoord, was hij in grote verlegenheid; en hij hoorde hem graag.)
en die toch niets meer zijn dan klinkend metaal of een schetterende cimbaal.

“Eens verlicht” wil zeggen dat ze licht hebben ontvangen over de Persoon van Christus, Zijn werk, Zijn verheerlijking, maar dat het alleen een verstandelijk verlicht zijn betreft, terwijl het licht niet hun geweten heeft beschenen.

“Van de hemelse gave geproefd” betekent dat ze een bepaalde smaak hebben gekregen van wat God in Christus heeft geschonken, mogelijk ook van de hemelse positie die Christus, de Messias, nu inneemt. Ze hebben er echter niet van gegeten, zich er niet mee vereenzelvigd.

“Deelgenoten van de Heilige Geest” zijn zij, die zich bevinden op het terrein waar de Heilige Geest werkt. Het houdt niet noodzakelijk in dat de Heilige Geest ook in de persoon woont.

V55en [het] goede Woord van God en [de] krachten van [de] toekomstige eeuw geproefd hebben. “[Het] goede Woord van God … geproefd” betekent dat men heeft begrepen hoe kostbaar het Woord is, maar hoeft niet te betekenen dat men door middel daarvan levend is gemaakt.

“[De] krachten van [de] toekomstige eeuw” zijn de wonderen die zullen plaatsvinden in de toekomende eeuw, als de triomferende Messias, de Zoon van God, alle macht van de vijand totaal zal vernietigen. De Hebreeën hebben zulke wonderen gezien toen de Heer Jezus op aarde was en ook tijdens de begindagen van het christendom.

V66en afgevallen zijn, nog eens te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God kruisigen en openlijk te schande maken.. Aan al deze kenmerken heeft iedere christen deel omdat hij leeft in de kring waar deze dingen worden gevonden. Zelfs al is er geen geestelijk leven, dan ervaart ieder deze invloeden. Maar alleen voor iemand die geen geestelijk leven bezit, geldt dat hij zal afvallen van die kring met die kenmerken. Hij kan die de rug toekeren en teruggaan naar zijn vroegere kring van belijdenis.

De mensen om wie het hier gaat, behoorden eerst bij het volk van God dat de Zoon van God heeft gekruisigd. Vervolgens hebben ze dit als zonde erkend en zijn ze de Heer Jezus als Messias gaan belijden. Maar nu bedrijven ze dezelfde misdaad willens en wetens zelf door terug te keren naar dat volk, terwijl zij het christendom met de verheerlijkte Heer de rug toekeren. Het betreft niet mensen die in onwetendheid handelen. Voor zulke mensen bad de Heer Jezus “zij weten niet wat zij doen”, terwijl afvalligen tegen beter weten in handelen.

‘Afvalligen’ zijn zij die verlicht waren en Christus als de Zoon van God hebben erkend, Zijn kruisiging als zonde hebben beleden, maar daarop terugkomen en Hem toch voor een verrader houden Die terecht is gekruisigd. Dit zijn geen onwetenden.

Sommigen in de christenheid verkeren in dezelfde positie. Ze zijn bekendgemaakt met de waarheden aangaande Christus, maar komen ertoe, tegen beter weten in, Zijn maagdelijke geboorte te loochenen, evenals Zijn volmaakte leven, Zijn Godheid, Zijn verzoenend sterven en Zijn lichamelijke opstanding. Voor zulke mensen is het onmogelijk dat zij nog eens vernieuwd worden tot bekering, dat wil zeggen dat zij opnieuw tot inkeer komen van hun huidige dwaling. Ze hebben de waarheid gekend, die beleden, daarna weer verworpen en staan die nu tegen. Deze rebellie openbaart een verhard hart dat nooit meer tot bekering kan komen.

V77Want [de] grond die de dikwijls daarop komende regen indrinkt en nuttig gewas voortbrengt voor hen ten behoeve van wie hij ook bebouwd wordt, ontvangt zegen van God;. De schrijver maakt met een voorbeeld uit de natuur duidelijk hoe het zit met het bezit van het leven uit God of het ontbreken daarvan. Het leven van de belijder wordt vergeleken met de “grond die de dikwijls daarop komende regen indrinkt”. In de regen zie je de bediening van het Woord, dat met water wordt vergeleken (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,). De toestand van de grond wordt door de dikwijls daarop vallende regen openbaar.

De ‘regen’, dat wil zeggen de zegen van de hemel, daalt op de ziel van de belijder neer in de vorm van Goddelijk licht, de hemelse gave, de Heilige Geest, het goede Woord van God en de krachten van de toekomstige eeuw. Bij de echte christen zal het gevolg van deze ‘regen’ vrucht voor God zijn in het brengen van lofoffers en het volgen van de Heer Jezus. Bij de naambelijder, de afvallige, blijkt dat de regen geen vrucht uit zijn leven voortbrengt. Dat komt omdat er niets in de grond zelf aanwezig is wat vrucht kan voortbrengen: er is geen nieuw leven, geen inwonende Heilige Geest.

V88maar als hij dorens en distels voortbrengt, is hij verwerpelijk en [de] vervloeking nabij, en het einde ervan [leidt] tot verbranding.. De naamchristen brengt nooit nuttig gewas voort, want de grond deugt niet. Uit hem komen alleen dorens en distels voort, de gevolgen van de zondeval (Gn 3:17-1817En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten,
is de aardbodem omwille van u vervloekt;
met zwoegen zult u daarvan eten,
al de dagen van uw leven;
18dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
)
. Wat in verbinding met de zonde staat, staat onder de vloek en zal uiteindelijk terechtkomen in een eeuwige vloek en verbranding.

Lees nog eens Hebreeën 6:1-8.

Verwerking: Welke overeenkomsten en verschillen zijn er tussen de echte en de valse christen?


Gods belofte staat vast

9Maar, geliefden, wij zijn wat u betreft overtuigd van de betere en met [de] behoudenis verbonden dingen, ook al spreken wij zo. 10Want God is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten en de liefde die u betoond hebt voor Zijn Naam, doordat u de heiligen gediend hebt en dient. 11Maar wij begeren dat ieder van u tot [het] einde toe dezelfde ijver betoont tot de volle zekerheid van de hoop, 12opdat u niet traag wordt maar navolgers van hen die door geloof en geduld de beloften beërven. 13Want toen God aan Abraham de belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij geen meerdere kon zweren, bij Zichzelf 14en zei: ‘Zeker zal Ik u rijk zegenen en zeer zal Ik u vermenigvuldigen’. 15En zo, door geduld te hebben, verkreeg hij de belofte. 16Want mensen zweren bij een meerdere en de eed is voor hen tot bevestiging, [het] eind van alle tegenspraak. 17Daarom heeft God, omdat Hij de erfgenamen van de belofte de onveranderlijkheid van Zijn raad overvloediger wilde bewijzen, Zich met een eed verbonden, 18opdat wij door [deze] twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke vertroosting hebben, wij die de toevlucht hebben genomen om de voorgestelde hoop aan te grijpen. 19Deze hebben wij als een anker van de ziel, dat zeker en vast is en ingaat tot binnen het voorhangsel, 20waar Jezus als Voorloper voor ons is ingegaan, naar de orde van Melchizédek Hogepriester geworden tot in eeuwigheid.

V99Maar, geliefden, wij zijn wat u betreft overtuigd van de betere en met [de] behoudenis verbonden dingen, ook al spreken wij zo.. In het vorige gedeelte heeft de schrijver op indringende en ernstige wijze naar voren gebracht hoe vreselijk het is om uiterlijk bij de christenen te horen, maar innerlijk niet wedergeboren te zijn. Als je dat zo hebt gelezen, zou je aan jezelf gaan twijfelen of het allemaal wel echt is. Het kan je net zo gaan als zij aan wie de brief oorspronkelijk is gericht. Zij hebben het immers zo moeilijk, er is veel tegenstand en de beloofde zegen lijkt zo ver weg. Maar nu hoor je ineens dat de schrijver wat de lezers van zijn brief betreft ervan overtuigd is dat hij met echte gelovigen te maken heeft.

Dat hij toch zo heeft geschreven, is met het oog op de gevaren van afval onder druk van buitenaf. Met zijn waarschuwing heeft hij de enkeling op het oog die gevaar loopt af te vallen. Toch heeft hij zijn waarschuwing in algemene termen gegeven omdat ieder zich aangesproken moet weten. Het moet ook jou ervan doordringen dat je het in eigen kracht niet redt.

Na de waarschuwing spreekt hij nu over de vruchten van het nieuwe leven die zichtbaar zijn in de levens van deze Joodse christenen. Zijn overtuiging ten aanzien van de echtheid van hun geloof ligt niet in grote geloofsdaden die zij hebben verricht, maar dat zij in eenvoud hun medegelovigen hebben gediend. Dat zullen anderen bij jou ook opmerken. Hij noemt hen “geliefden” om hen zijn liefde te laten voelen. Ook al heeft hij op ernstige wijze moeten spreken over het lot van de afvalligen, wat hen betreft is hij ervan overtuigd dat zij met “betere” dingen verbonden zijn. Het ‘betere’ is alles wat verbonden is met de hemelse positie die de Messias nu inneemt.

Evenzo is hij er wat hen betreft van overtuigd dat zij de “behoudenis”, dat is het einddoel van de reis die de christen op aarde maakt, zullen bereiken. Zo richt hij hun oog op de bevrijding uit de aardse omstandigheden om deel te hebben aan het vrederijk aan de zijde van de Messias in de hemel.

V1010Want God is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten en de liefde die u betoond hebt voor Zijn Naam, doordat u de heiligen gediend hebt en dient.. Misschien zijn de Hebreeën bang dat God vergeten is wat zij voor Zijn Naam, dat wil zeggen tot Zijn eer, hebben gedaan. Ze zien immers zo weinig van Zijn goedkeuring. Bij hun Joodse denken past de gedachte dat trouw aan God en het opkomen voor de eer van Zijn Naam door Hem beloond worden. Maar in plaats van de rust en de voorspoed die ze mogelijk hebben verwacht, wordt het leven alleen maar moeilijker. De schrijver verzekert hun dat God niet onrechtvaardig is. Hij beloont wat voor Zijn Naam is gebeurd, al kan de beloning nog een poosje op zich laten wachten. Ze hebben de Zijnen gediend, en dat doen ze nog. Daarin hebben ze Hem gediend en dienen ze Hem nog. God is niet onrechtvaardig om dat te vergeten (Mt 25:4040En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.).

V1111Maar wij begeren dat ieder van u tot [het] einde toe dezelfde ijver betoont tot de volle zekerheid van de hoop,. Waar het nu op aankomt, is daarin te volharden met dezelfde ijver die zij in het begin aan de dag hebben gelegd. Ze zijn al traag geworden in het horen (Hb 5:1111Over Hem hebben wij veel te zeggen, dat ook moeilijk te verklaren is, omdat u traag bent geworden in het horen.). Het gevaar dat ze het ook zullen worden in hun werken, is dan ook niet denkbeeldig.

De aansporing tot volharding komt tot ieder persoonlijk, “ieder van u”. Het is mooi om goed te beginnen, maar er moet “tot [het] einde toe” worden volgehouden. Weer wordt de blik gericht op de tijd dat “de volle zekerheid van de hoop” in vervulling zal gaan. Het einde is de verschijning van Christus tot oprichting van Zijn vrederijk, wanneer Hij als de ware Melchizédek als Koning-Priester zal regeren en Zijn volk zal zegenen.

V1212opdat u niet traag wordt maar navolgers van hen die door geloof en geduld de beloften beërven.. Daarom moeten ze niet traag worden, wat gebeurt als de aardse dingen de plaats gaan innemen van de hemelse die eens het hart vulden. Vooral door het terugkeren naar een tastbare godsdienst wordt de geestelijke groei enorm geremd.

Om hen te stimuleren met ijver voort te gaan op de weg die ze zijn ingeslagen, wijst de schrijver hen erop navolgers te worden van hen die in dezelfde positie zijn geweest als zij. Zij kennen toch het Oude Testament? Wel, daarin staan voorbeelden genoeg van gelovigen “die door geloof en geduld de belofte” hebben beërfd. God had hun iets beloofd en zij hebben God vertrouwd dat Hij zou geven wat Hij heeft beloofd. En ondanks het verstrijken van de tijd zijn ze geduldig blijven vertrouwen op de belofte. Ze hebben die belofte als een erfenis ontvangen, terwijl ze eraan hebben vastgehouden dat God die belofte zeker zal vervullen, zelfs over hun dood heen.

V1313Want toen God aan Abraham de belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij geen meerdere kon zweren, bij Zichzelf. Het grote voorbeeld van iemand aan wie God iets beloofd heeft en die door God is gesterkt in zijn geloof, is Abraham. De Joodse christenen verkeren in dezelfde positie als hij. Hij moest ook rusten in de beloften, zonder te bezitten wat beloofd was. God had Zijn belofte zelfs met het zweren van een eed bevestigd om Abraham volkomen zekerheid te geven.

Het geeft aan dat God wel weet hoe moeilijk het is voor de Zijnen om geduldig te blijven vertrouwen op de vervulling van de beloften. Om de zekerheid van de eed nog eens extra kracht bij te zetten wijst de schrijver erop dat God “bij Zichzelf” heeft gezworen. Een hogere instantie is er niet. Het allerhoogste gezag stelt Zichzelf garant voor de uitvoering van de belofte.

V14-1514en zei: ‘Zeker zal Ik u rijk zegenen en zeer zal Ik u vermenigvuldigen’.15En zo, door geduld te hebben, verkreeg hij de belofte.. Je ziet dat elke twijfel uitgesloten wordt. God had aan Abraham al een zoon beloofd toen hij nog kinderloos was. Toen had Abraham God geloofd (Gn 15:1-61Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.2Toen zei Abram: Heere, HEERE, wat zult U mij [dan] geven, aangezien ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis deze Eliëzer uit Damascus zal zijn?3Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen nageslacht gegeven, en zie, iemand die in mijn huis geboren is, zal mijn erfgenaam zijn.4Maar zie, het woord van de HEERE [kwam] tot hem: Deze [man] zal uw erfgenaam niet zijn, maar [iemand] die uit uw [eigen] lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn.5Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo [talrijk] zal uw nageslacht zijn.6En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat [tot] gerechtigheid.). Dat geloof in God hield hem vast toen God hem vroeg zijn enige zoon te offeren (Hb 11:1818van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken,). Op grond daarvan gaf God Abraham een nieuwe belofte, en wel die van een rijke zegen en een rijk nageslacht (Gn 22:16-1716Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,17zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.). Die belofte ondersteunde God met de krachtigste eed. Abraham heeft de vervulling niet meegemaakt. De belofte en de eed waren voor hem voldoende om in het geloof verder te leven en te sterven, in de zekerheid dat de vervulling komt.

V1616Want mensen zweren bij een meerdere en de eed is voor hen tot bevestiging, [het] eind van alle tegenspraak.. God doet er alles aan om Zijn volk ervan te overtuigen dat Hij echt zal doen wat Hij heeft gezegd. Hij past Zich aan bij wat onder mensen gangbaar is door het zweren van een eed. Bij mensen is een eed het eind van alle tegenspraak (vgl. Ex 22:1111dan moet de eed bij de HEERE tussen hen beiden beslissen, of hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar de bezittingen van zijn naaste. De eigenaar daarvan is [daaraan] onderworpen en [de ander] hoeft het niet te vergoeden.). Uit alles zie je hoezeer Hij Zijn volk tegemoetkomt.

V1717Daarom heeft God, omdat Hij de erfgenamen van de belofte de onveranderlijkheid van Zijn raad overvloediger wilde bewijzen, Zich met een eed verbonden,. Je ziet dat Hij hen nog eens nadrukkelijk “erfgenamen van de belofte” noemt. Alsof het niet voldoende is dat Hij als de almachtige God iets heeft beloofd, bevestigt Hij Zijn belofte met een eed. Een belofte is een verklaring van een voornemen. Een eed vestigt de aandacht op de persoon die zich openlijk en ernstig achter de verklaring plaatst. Omdat God weet hoe moeilijk het voor de Zijnen is om langdurig geduldig op de vervulling te wachten, doet Hij er alles aan om “de onveranderlijkheid van Zijn raad overvloediger” te bewijzen.

V1818opdat wij door [deze] twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke vertroosting hebben, wij die de toevlucht hebben genomen om de voorgestelde hoop aan te grijpen.. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, wijst de schrijver erop dat God niet kan liegen (Nm 23:1919God is geen man, dat Hij liegen zou,
of een mensenkind, dat Hij [ergens] berouw over hebben zou.
Zou Híj [iets] zeggen en [het] dan niet doen?
Zou Híj spreken en het niet gestand doen?
; 1Sm 15:2929Ook liegt de Onveranderlijke van Israël niet, en Hij heeft er geen berouw over; want Hij is geen mens, dat Hij ergens berouw over hebben zou.; Sp 19:2121In het hart van de mens zijn veel plannen,
maar de raad van de HEERE, die houdt stand.
; Tt 1:22in [de] hoop van [het] eeuwige leven dat God, Die niet kan liegen, beloofd heeft vóór [de] tijden van de eeuwen; maar op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn Woord geopenbaard door [de] prediking)
. God pleegt geen meineed. Zo staan belofte en eed als “twee onveranderlijke dingen” garant voor de vervulling van Gods raad.

Van deze wetenschap en zekerheid gaat “een sterke vertroosting” uit. Ze stonden in gevaar de moed te laten zakken en op te geven. In die situatie is vertroosting nodig (1Th 5:1414En wij vermanen u, broeders, wijst de ongeregelden terecht, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, weest lankmoedig jegens allen.). Dan is het nodig de blik gericht te krijgen op de hemelse Heer en op de zekerheid dat alles wat met Hem verbonden is, in vervulling zal gaan (vgl. 1Th 4:1818Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)).

De Joodse christenen hebben de toevlucht genomen tot de Heer Jezus, ze hebben zich laten dopen en de zonde van het volk in de verwerping van hun Messias geoordeeld. Daarmee hebben ze de hoop die in het verschiet ligt, aangegrepen en zien ze uit naar de komst van de Koning-Priester om Zijn vrederijk op te richten. Hij is de hoop van de toekomstige heerlijkheid (Ko 1:2727Aan hen heeft God willen bekendmaken welke de rijkdom is van de heerlijkheid van deze verborgenheid onder de volken, welke is Christus in u, de hoop van de heerlijkheid.).

V19-2019Deze hebben wij als een anker van de ziel, dat zeker en vast is en ingaat tot binnen het voorhangsel,20waar Jezus als Voorloper voor ons is ingegaan, naar de orde van Melchizédek Hogepriester geworden tot in eeuwigheid.. Deze hoop is als een anker, waardoor het schip te midden van de woelingen toch vast op zijn positie blijft liggen. Het anker ligt achter het voorhangsel, in de hemel. Hier vindt de zwakste gelovige de sterkste verzekering van zijn geloof, zonder op aarde iets te zien van de vervulling van de beloften. In de hemel zie je de Heer Jezus Die daar al is binnengegaan als Voorloper voor allen die Hem daarheen nog zullen volgen. Waar Hij al als de Hogepriester is binnengegaan, mogen wij Hem nu al in de geest, en zullen wij Hem binnenkort ook letterlijk, volgen.

Voor de Joodse christenen is de ‘voorloper’ een totaal nieuwe gedachte. In het Oude Testament gaat de hogepriester niet als voorloper het heiligdom binnen, maar als vertegenwoordiger. Hij gaat de plaats binnen waar niemand hem kan volgen. Maar Christus is ingegaan in het heiligdom en de Zijnen volgen Hem naar binnen.

Het is ook bemoedigend om bij het anker binnen het voorhangsel te denken aan de verbinding die er is tussen jou op aarde en de Heer Jezus in de hemel. Een voorbeeld dat ik eens las, geeft dat goed weer. Als een groot schip een kleine haven moet binnenvaren, wordt het anker van dat grote schip door een klein bootje naar de haven gebracht. In de haven wordt het anker uitgeworpen, waarna het schip zichzelf door de kabel aan het anker naar binnen trekt.

De zekerheid dat wij in de hemel zullen komen, ligt in het feit dat de Voorloper daar al is. Dat wordt in de laatste regel nog eens bevestigd door nog eens Psalm 110 aan te halen (Ps 110:44De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen berouw van hebben:
U bent Priester voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek.
; Hb 5:66Zoals Hij ook op een andere [plaats] zegt: ‘U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’.)
. Daardoor blijft de aandacht van de Joodse christen onverminderd gericht op de Heer Jezus in de hemel en op de toekomst, want Hij is tot in eeuwigheid met het hemelse heiligdom verbonden. Door steeds zo Hem te zien zal hij bevrijd worden van het Jodendom en gesterkt worden in het hemelse karakter van het christendom dat hij heeft aangenomen.

Lees nog eens Hebreeën 6:9-20.

Verwerking: Schrijf alle zekerheden op die in dit gedeelte staan dat God Zijn beloften waarmaakt en dank Hem daar regelmatig voor.


Lees verder