Hebreeën
1-4 Leven door geloof (I) 5-8 Leven door geloof (II) 9-16 Leven door geloof (III) 17-23 Leven door geloof (IV) 24-30 Leven door geloof (V) 31-40 Leven door geloof (VI)
Leven door geloof (I)

1Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet. 2Want in dit [geloof] hebben de ouden getuigenis verkregen. 3Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is. 4Door [het] geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

Je gaat aan een prachtig en tevens enorm bemoedigend hoofdstuk beginnen. Het staat vol voorbeelden van personen die hebben geleefd vanuit het geloof. In hun leven zijn de kracht en de werking van het geloof gebleken. Het hele hoofdstuk gaat dan ook over niets anders dan over geloof. Al deze voorbeelden haalt de schrijver aan om de Hebreeën en ook jou te laten zien waartoe iemand die door het geloof leeft, in staat is.

Dit geloof is geen ander dan wat jou tot God bracht en waarmee jij je vertrouwen stelde op God voor de vergeving van je zonden. Dat was het begin van je geloof. Maar geloof blijft altijd actief. Geloven in God is Hem vertrouwen, Hem betrouwbaar achten, er zeker van zijn dat Hij helpt en doet wat Hij zegt. De toekomst wordt door het geloof heden en het onzichtbare wordt er zichtbaar door. En de moeilijkheden die je tegenkomt, zijn uitdagingen voor het geloof. Moeilijkheden zijn als het ware voedsel voor het geloof. Het geloof vindt juist in de moeilijkheden aanleiding zich te bewijzen.

V11Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.. Dit vers is wel eens de definitie van het geloof genoemd, maar dat is niet juist. Geloof is niet te definiëren. Geloof is een werkzame kracht met het oog op de toekomst en met het oog op het heden. Geloof richt het oog vooruit, naar het beloofde, en is er zeker van dat het eenmaal bereikt zal worden: het “is [de] zekerheid van wat men hoopt”. Geloof richt het oog ook omhoog, naar God en Christus: het is “de overtuiging van wat men niet ziet”. Anders gezegd: geloof ziet voorwaarts en opwaarts.

In de verzen 1-71Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.2Want in dit [geloof] hebben de ouden getuigenis verkregen.3Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.4Door [het] geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.5Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.6Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.7Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is. zie je dat het geloof allesbepalend is in de verhouding tussen de mens en God en wel vanaf het begin tot het eind. Het gaat over de schepping, zonde en offer, leven en wandelen tot een welbehagen voor God, het getuigenis tegenover de wereld, het oordeel over de wereld en ten slotte het vrederijk. In al deze aspecten staat de Zoon centraal. De schepping toont de Zoon als Schepper. Het offer toont de Zoon als Verlosser. Een leven en wandel tot welbehagen van God worden volmaakt gezien in de Zoon. In de wereld heeft Hij een volmaakt getuigenis afgelegd van Wie God is. De Zoon zal de wereld oordelen en Hij zal ook het vrederijk oprichten.

Verder wijst de schepping vooruit naar de herschepping, waarvan de Zoon de Erfgenaam is. Op grond van het offer zal eenmaal alles aan de Zoon onderworpen zijn. In de wegneming van Henoch (vers 55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.) zie je een beeld van de opname van de gemeente, het hemelse volk van God. De gemeente is verbonden met de Zoon en deelt in alles wat het deel is van de Zoon en wat Hij in het vrederijk zal krijgen. Noach (vers 77Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is.) is een type van het aardse volk in het vrederijk, van de gelovigen die door de oordelen heen de aarde beërven.

De rode draad die door alles heenloopt, is die van geloof. Deze rode draad verbindt alles met elkaar. Als je de verzen 1-71Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.2Want in dit [geloof] hebben de ouden getuigenis verkregen.3Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.4Door [het] geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.5Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.6Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.7Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is. samenvat, kun je het volgende zeggen. Het geloof ziet
1. dat de zichtbare dingen zijn ontstaan uit wat niet zichtbaar is;
2. dat het offer de enige grondslag is om voor God te kunnen bestaan;
3. dat een wandel tot welbehagen van God mogelijk is door te geloven dat Hij is (omhoog zien);
4. dat een nieuwe wereld wacht (vooruit zien).

V22Want in dit [geloof] hebben de ouden getuigenis verkregen.. Dit is het geloof dat de ouden, de geloofshelden uit het Oude Testament, de vroegere generaties van Israël, bezaten. Zij hebben er steeds weer blijk van gegeven zeker te zijn van wat zij hoopten en overtuigd te zijn van wat zij niet zagen. Daarom hebben zij van God getuigenis verkregen. God heeft hun in hun geweten Zijn goedkeuring gegeven. Dat doet Hij nog steeds in ieder die leeft in dagelijks vertrouwen op Hem in welke omstandigheden hij ook verkeert.

V33Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.. Na de inleidende eerste twee verzen krijg je voorbeelden van de werking van het geloven. Het eerste voorbeeld is dat je alleen door te geloven kunt begrijpen hoe de werelden zijn bereid, namelijk door Gods Woord. Hier is nog geen sprake van geloofshelden uit het Oude Testament. Hier gaat het over jezelf, over jouw inzicht in de bereiding van de wereld. Alles wat je ziet, is niet ontstaan uit iets anders wat zichtbaar is, maar uit de Onzichtbare. Dat beginsel geldt voor alles wat met de praktijk van het geloven te maken heeft. In het geloofsleven wordt niets tot stand gebracht uit wat om ons heen zichtbaar is, maar alleen uit de onzichtbare God Die ook de werelden bereid heeft.

God heeft gesproken en daardoor is al het zichtbare ontstaan. Zo gaat dat als God spreekt. Zijn spreken is vol gezag en gevolg. Hij spreekt en het is er (Gn 1:33En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.; Ps 33:9). Zo heeft Hij de werelden – sterrenwereld, engelenwereld, mensenwereld – “bereid”, dat wil zeggen in orde gebracht, gerangschikt, alles op zijn plaats gezet. Dat kun je alleen “begrijpen” of innerlijk, geestelijk zien, als je gelooft. Het geloof stelt vast dat God alles precies daar heeft geplaatst waar Hij het hebben wilde (Op 4:1111U bent waard, onze Heer en God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestonden zij en zijn zij geschapen.). Van een geleidelijke ontwikkeling, evolutie, is bij de schepping geen sprake.

In dit derde vers wordt in één zin afgerekend met de dwaze redeneringen van de mens die eindeloos naar verklaringen zoekt voor het bestaan van de dingen en steeds tot dwaze, zogenaamde, conclusies komt. Het ene uitgedachte systeem is nog dwazer dan het andere om een verklaring te geven van wat eenvoudig is als God op Zijn Woord wordt geloofd. Het heelal is geen scheppende oorzaak. Het is zelf geschapen en werkt door een aantal wetmatigheden die God het heeft opgelegd.

V44Door [het] geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.. God gebruikt Zijn schepping als platform waarop de werking van het geloof wordt tentoongespreid. Vervolgens heeft Hij daarop de mens geschapen. Met die mens wilde God omgang, contact, hebben. Door de zonde die in de wereld is gekomen, is dit contact, je kunt ook zeggen deze gemeenschap, wreed verstoord. Nu kon de mens niet meer naderen tot God. Nog erger: de in zonde gevallen mens kon voor God niet bestaan.

God zou hem van dit platform moeten wegvagen. Maar God heeft in Zijn liefde en genade een uitweg gegeven. Hij heeft een Lam als slachtoffer beschikbaar gesteld voor de gevallen mens, opdat deze op een rechtvaardige grondslag toch voor Zijn aangezicht zou kunnen bestaan.

En nu komt in Abel het voorbeeld van de kracht van het geloof in het slachtoffer. Abel heeft het inzicht van een door God onderwezen geweten. Hij erkent Gods oordeel over de zonde. Hij gaat naar God en belijdt dat hij een zondaar is. Maar hij komt met een plaatsvervanger, een offer dat hij als het ware tussen zich en God plaatst. Hierdoor ontvangt hij het getuigenis dat hij rechtvaardig is. Dit getuigenis is in overeenstemming met het rechtvaardig oordeel van God. God moet het oordeel uitoefenen. Hij oordeelt het offer en daardoor kan Abel vrijuit gaan. Niet alleen het offer wordt aangenomen, maar ook Abel zelf die met het offer komt.

Als jij tot God gaat op grond van het offer van de Heer Jezus, getuigt God van het offer dat het rechtvaardig is én Hij getuigt van jou dat jij rechtvaardig bent. Jouw gerechtigheid heeft de waarde en de volmaaktheid van het offer, dat wil zeggen van Christus Die Zich aan God heeft geofferd. Jij bent nu voor God overeenkomstig de volmaaktheid van het werk van Christus. Wat dat betekent, heb je al uitvoerig in deze brief gezien.

De eerste geloofsheld is Abel. In hem zie je een gelovige die in Gods tegenwoordigheid plaatsneemt op de grondslag van een plaatsvervangend offer. Ook zijn broer Kaïn komt ter sprake. Ook hij heeft een offer gebracht. Maar het offer van Abel is beter of meerder dan dat van hem. Het offer van Abel heeft een meerwaarde. De meerwaarde ligt daarin dat Abel een offer slacht naar het voorbeeld dat God heeft gegeven na de zondeval (Gn 3:2121En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen [daarmee].), terwijl Kaïn komt met zijn eigen goede werken die ook nog eens van een vervloekte aarde komen.

Abels offer is, naar het lijkt, niet voor een speciale zonde, maar hij brengt het in het besef dat een mens alleen op die grond voor God kan bestaan. Het offer van Abel wordt aanvaard. Mogelijk valt het vuur van God erop, zichtbaar, net als bij de tabernakel (Lv 9:2424Een vuur ging uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde het brandoffer en de vetdelen op het altaar. Toen heel het volk [dit] zag, juichten zij en wierpen zich met het gezicht [ter aarde].), de tempel (2Kr 7:11Toen Salomo geëindigd had [dit gebed] te bidden, kwam het vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de slachtoffers, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde het huis.) en bij de offers van David en Elia (1Kr 21:2626Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Toen hij de HEERE aanriep, antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar.; 1Kn 18:3838Toen viel er vuur van de HEERE neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof. Zelfs het water in de geul likte het op.).

Kaïn erkent het bestaan van God en wenste in Zijn gunst te komen, maar hij erkent niet dat hij een zondaar is. Hij keert God de rug toe. Het verschil tussen de offeraars ligt in het geloof. Abels geloof én zijn offer maken dat God hem rechtvaardig verklaart.

Abel moet zijn geloofsleven met de dood door moordenaarshand bekopen. Zijn getuigenis op aarde is op die manier gestopt, maar niet de boodschap die ervan uitgaat. Die weerklinkt door de eeuwen heen op een wijze die anders niet mogelijk was geweest. God gebruikt het werk van de satan volkomen tegen diens wil tot meerdere glorie van Zijn Naam.

Lees nog eens Hebreeën 11:1-4.

Verwerking: Wat doe jij met geloof, hoe werkt het bij jou?


Leven door geloof (II)

5Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had. 6Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken. 7Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is. 8Door [het] geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar [de] plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou.

V55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.. In het voorbeeld van Abel heb je gezien dat de dood van een onschuldige plaatsvervanger het middel is waardoor God jou heeft aangenomen. Bij Henoch zie je een volgende stap. Wie rechtvaardig is verklaard, wandelt in geloof. De naam Henoch betekent ‘onderwezen’. Wie is onderwezen in de waarde van het offer, leert wandelen door geloof en wordt weggenomen door middel van datzelfde geloof. Jij bent door het offer van de Heer Jezus principieel bevrijd van de macht van de dood. Alles wat bij de oude mens behoort, is door dat offer weggedaan (Rm 6:66daar wij dit weten, dat onze oude mens met [Hem] gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen.). De duivel, die de macht van de dood had, is tenietgedaan (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,). De overwinning over de dood is zo volkomen, dat je naar de hemel gaat zonder zelfs door de dood te gaan, als God dat bepaalt.

Dat gebeurt met Henoch en dat zal gebeuren bij de opname van de gelovigen (1Th 4:15-1715(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.). Elia is ook zonder te sterven naar de hemel gegaan (2Kn 2:1,111Het gebeurde nu, toen de HEERE Elia in een storm zou opnemen in de hemel, dat Elia met Elisa uit Gilgal wegging.11Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.). Henoch en Elia hebben beiden in een tijd van grote goddeloosheid geleefd. Evenals Elia is Henoch een profeet van het oordeel (Jd 1:14-1514En ook Henoch, [de] zevende van Adam af, heeft van dezen geprofeteerd door te zeggen: Zie, [de] Heer is gekomen te midden van Zijn heilige tienduizenden,15om oordeel uit te oefenen tegen allen en elke ziel te bestraffen om al hun werken van goddeloosheid die zij goddeloos bedreven hebben, en om alle harde [woorden] die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.). Dit oordeel is in de eerste plaats gekomen door de zondvloed. Maar zijn profetie strekt zich vooral uit naar de eindtijd, naar de wederkomst van Christus. Iemand die met God leeft, krijgt van Hem inzicht in de toekomst, waarvan Christus het Middelpunt is.

Nu staat hier van Henoch “dat hij God behaagd had”. Als je in Genesis 5 leest wat er over Henoch wordt gezegd, dan lees je daar dat Hij met God wandelde (Gn 5:2424Henoch wandelde met God, en hij was niet [meer], want God nam hem weg.). Zoals vaker haalt de schrijver in deze brief de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta, aan. Daarin is ‘wandelen met God’ vertaald met ‘God behagen’. Dat neemt de schrijver onder de leiding van Gods Geest hier dan ook over. Dat houdt in dat ‘wandelen met God’ gelijkstaat aan ‘God behagen’.

Bij wandelen moet je dan ook denken aan de hele manier van leven. Henoch betrekt God bij alle aspecten van zijn leven. Zijn wandel heeft God als voorwerp. Het is wel eens zo voorgesteld dat Henoch in zijn wandeling met God zó dicht bij de hemel komt, dat God tegen hem zegt: ‘Kom maar binnen.’ Ik denk dat het ook zo met ons als leden van de gemeente zou moeten gaan. De opname van de gemeente zou ons niet moeten verrassen of overvallen, maar zou in het verlengde moeten liggen van een wandel met God. Een wandel met God kan niet anders dan je steeds dichter bij de hemel brengen.

Henoch krijgt van God het getuigenis dat hij Hem behaagt “vóór zijn wegneming”. Zijn geloof openbaart zich tijdens zijn leven dat aan zijn wegneming voorafgaat.

V66Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.. Zonder geloof is een wandel als die van Henoch onmogelijk. Iemand die niet gelooft, is absoluut onbekwaam tot een wandel waar God met vreugde naar kijkt. De wandel van Henoch heeft God behaagd omdat die wandel Hem deed denken aan die van de Heer Jezus toen Hij op aarde was. Voor God is de toekomst namelijk heden. Hij zag vooruit naar de wandel van de Heer Jezus. Daarom maakt Hij er melding van. Zo behoort het te zijn bij iedere gelovige (1Th 4:11Overigens nu, broeders, vragen en vermanen wij u in [de] Heer Jezus Christus, dat, zoals u van ons hebt ontvangen hoe u moet wandelen en God behagen, zoals u ook wandelt, u daarin nog meer zult toenemen.).

Je kunt alleen met God wandelen, als je gelooft “dat Hij is”. Dat is iets anders en gaat veel verder dan geloven dat Hij er is. De demonen geloven ook dat God er is, dat Hij bestaat (Jk 2:1919U gelooft dat God één is? Daar doet u goed aan; de demonen geloven dat ook en zij sidderen.), maar het heeft geen enkel effect op hun boosaardige verzet tegen God. Geloven ‘dat God is’, wil zeggen dat je Zijn aanwezigheid in je leven werkelijk beleeft en dat Zijn aanwezigheid het belangrijkste is waar het in je leven om gaat. Dan geloof je dat Hij belangstelt in je wandel en er kennis van neemt. Je nadert tot Hem en zoekt Hem omdat je Hem vertrouwt en weet dat Hij hen beloont die Hem ernstig zoeken. Het zoeken van geloofsgemeenschap met de Heer kent een rijke beloning.

V77Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is.. Het kenmerk van het geloof van Henoch is zijn verborgen omgang met God. Bij Noach zie je hoe zijn geloof hem brengt tot een openbaar getuigenis van God tegenover de wereld. God heeft Noach een aanwijzing gegeven over dingen die hij (nog) niet met zijn natuurlijke ogen kon waarnemen. God heeft hem verteld over de zondvloed die Hij over de wereld ging brengen vanwege het onverbeterlijk boze gedrag van de mens. Als Noach dat gehoord heeft, wordt hij een prediker van de gerechtigheid (2Pt 2:55en als Hij [de] oude wereld niet gespaard, maar Noach, een prediker van [de] gerechtigheid, een van de acht, behoed heeft toen Hij [de] zondvloed over [de] wereld van [de] goddelozen bracht;; 1Pt 3:1919in Welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft tot de geesten in gevangenschap,). Tegelijk is hij doorgegaan met luisteren naar God.

Het gevolg daarvan is dat hij niet alleen predikt, maar ook iets doet. Zijn getuigenis bestaat uit een daad van gehoorzaamheid. In opdracht van God bouwt hij de ark. Dat is een frappant getuigenis dat hij van deze wereld niets meer verwacht, want die zal door de oordeelswateren vergaan. Tevens geeft hij door de bouw van de ark aan dat hij zijn hoop richt op een nieuwe wereld. Zowel het oordeel van de zondvloed als de nieuwe wereld heeft hij slechts door het geloof kunnen zien. Dat heeft hem gemaakt tot “een erfgenaam van de gerechtigheid” die zo kenmerkend is voor een wereld die door het oordeel van God gereinigd is van het kwaad. Als een ware rechtvaardige zou hij het aardrijk beërven (Ps 37:2929De rechtvaardigen zullen de aarde bezitten
en voor eeuwig daarop wonen.
)
.

Dit voorbeeld is ter bemoediging van de Hebreeuwse gelovigen, en van ons. De Hebreeën vroegen zich misschien af waarom ze een minderheid waren als ze toch gelijk hadden. Het voorbeeld van Noach moet hen bemoedigen. Slechts acht personen zijn gered (1Pt 3:2020die destijds ongehoorzaam waren toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten in [de] dagen van Noach, terwijl [de] ark gereedgemaakt werd waarin weinigen, dat is acht zielen, gered werden door water.), terwijl de rest van de wereld is vergaan. Noach en zijn gezin zijn dan ook een beeld van het Joodse overblijfsel. Zij stellen het overblijfsel van Israël voor dat door de grote verdrukking zal gaan – wat wordt voorgesteld in de zondvloed – en bij de komst van de Heer Jezus het vrederijk zal binnengaan. Deze gebeurtenissen volgen in de heilsgeschiedenis na de opname van de gemeente die is voorgesteld in Henoch.

Noach is niet door angst en vrees tot zijn daad van de bouw van de ark gebracht, maar door zijn eerbied voor Gods Woord. Zo behoort ook jouw wandel in het geloof plaats te vinden als uitvloeisel van het respect dat je hebt voor wat God heeft gezegd. Uit je wandel blijkt hoe je staat tegenover wat God in Zijn Woord tegen je zegt.

Opmerkelijk is nog dat Noach niet alleen voor zichzelf, maar ook voor “zijn huis” een ark gereedmaakt. Hierin zie je dat God iemand met zijn hele huis wil redden. Dat legt op het gezinshoofd een extra verantwoordelijkheid.

Dit ene vers over Noach levert een aantal aspecten van geloof die de moeite waard zijn om te noemen.
1. Eerst is daar de grond van zijn geloof: hij is gewaarschuwd door God.
2. Dan lees je over het terrein waarop zijn geloof zich richt: dingen die nog niet gezien worden.
3. Vervolgens merk je de oefening van zijn geloof: hij heeft eerbied voor God.
4. Dan zie je het werk van zijn geloof: hij bereidt een ark voor zich en zijn huis.
5. Daarop volgt het resultaat van zijn geloof: hij redt zijn huis.
6. Zijn hele handelen legt getuigenis van het geloof af: hij veroordeelt de wereld.
7. Ten slotte ontvangt hij de beloning van het geloof: hij wordt een erfgenaam van de gerechtigheid.

Je kunt zeggen dat in de verzen 1-71Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.2Want in dit [geloof] hebben de ouden getuigenis verkregen.3Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.4Door [het] geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.5Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.6Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.7Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is. in de verschillende gebeurtenissen en personen de algemene beginselen van het geloof worden voorgesteld. In het gedeelte dat nu komt, de verzen 8-228Door [het] geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar [de] plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou.9Door [het] geloof verbleef hij als vreemdeling in [het] land van de belofte als in een vreemd [land] en woonde in tenten met Izaäk en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde belofte;10want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.11Door [het] geloof ontving hij, hoewel Sara zelf onvruchtbaar was, kracht om te verwekken, en [dat] boven [de] bepaalde leeftijd, omdat hij Hem trouw achtte Die het beloofd had.12Daarom zijn er ook van één, en dat van een afgestorvene, geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand aan de oever van de zee, dat ontelbaar is.13In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.14Want wie zulke dingen zeggen, tonen duidelijk dat zij een vaderland zoeken.15En als ze terugdenken aan dat waaruit zij weggetrokken zijn, zouden zij tijd hebben terug te keren;16maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid.17Door [het] geloof heeft Abraham, toen hij beproefd werd, Izaäk geofferd, en hij die de beloften aangenomen had, offerde zijn eniggeborene,18van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken,19waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.20Door [het] geloof zegende Izaäk Jakob en Ezau ook aangaande toekomstige dingen.21Door [het] geloof zegende Jakob bij zijn sterven elk van de zonen van Jozef en hij aanbad [leunend] op het uiteinde van zijn staf.22Door [het] geloof maakte Jozef bij zijn levenseinde melding van de uittocht van de zonen van Israël en gaf bevel aangaande zijn gebeente., gaat het vooral over de volharding van het geloof. De voorbeelden laten gelovigen zien die als pelgrims wandelen in de kracht van het geloof dat God Zijn beloften zal vervullen, al lijkt die vervulling nog zo ver weg.

Je leest in dit gedeelte zeven keer de uitdrukking “door geloof”. De voorbeelden die de schrijver naar voren brengt, zijn de bij de Hebreeën zeer bekende aartsvaders.

Bij Abraham lees je vier keer over geloof. Dat is
1. bij zijn roeping en gehoorzaamheid (vers 88Door [het] geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar [de] plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou.),
2. in verbinding met zijn vreemdelingschap (verzen 9-109Door [het] geloof verbleef hij als vreemdeling in [het] land van de belofte als in een vreemd [land] en woonde in tenten met Izaäk en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde belofte;10want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.),
3. als het gaat om leven uit de dood (verzen 11-1211Door [het] geloof ontving hij, hoewel Sara zelf onvruchtbaar was, kracht om te verwekken, en [dat] boven [de] bepaalde leeftijd, omdat hij Hem trouw achtte Die het beloofd had.12Daarom zijn er ook van één, en dat van een afgestorvene, geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand aan de oever van de zee, dat ontelbaar is.) en – na een tussenzin in de verzen 13-1613In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.14Want wie zulke dingen zeggen, tonen duidelijk dat zij een vaderland zoeken.15En als ze terugdenken aan dat waaruit zij weggetrokken zijn, zouden zij tijd hebben terug te keren;16maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid.
4. als hij beproefd wordt (verzen 17-1917Door [het] geloof heeft Abraham, toen hij beproefd werd, Izaäk geofferd, en hij die de beloften aangenomen had, offerde zijn eniggeborene,18van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken,19waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.).

De overige drie keer gaan
5. over het geloof van Izaäk die door het geloof blijk geeft van kennis van Gods wegen (vers 2020Door [het] geloof zegende Izaäk Jakob en Ezau ook aangaande toekomstige dingen.),
6. over het geloof van Jakob aan het einde van zijn geloofsweg vol ervaringen (vers 2121Door [het] geloof zegende Jakob bij zijn sterven elk van de zonen van Jozef en hij aanbad [leunend] op het uiteinde van zijn staf.) en
7. over het geloof van Jozef die vooruitziet naar de verlossing van Gods volk (vers 2222Door [het] geloof maakte Jozef bij zijn levenseinde melding van de uittocht van de zonen van Israël en gaf bevel aangaande zijn gebeente.).

De toepassing op de Hebreeën, en ook op jou, is duidelijk. Iedere geloofsheld uit het verleden illustreert bepaalde aspecten van het geloof die ook de Hebreeën zouden moeten kenmerken. Het verwijst allemaal naar de toekomstige eeuw en wel in het bijzonder naar de hemelse zijde ervan.

V88Door [het] geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar [de] plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou.. De geloofshelden uit de verzen 4-74Door [het] geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.5Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.6Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.7Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is. zijn niet geroepen om iets te verlaten, Abraham wel. Als God hem roept, gaat hij, ook al weet hij niet waar hij zal terechtkomen. Het geloof van Abraham blijkt uit een volkomen vertrouwen op God. Hij heeft niets om zich naar te richten, hij weet niets en kent geen naam of bijzonderheden van het land waarheen hij geleid wordt. Hij heeft voldoende aan God. Hij vraagt niet: ‘Waarheen?’ Zijn geloof is niet vermengd met eigen berekeningen. Hij vertrouwt op het woord van de onbedrieglijke God.

Het leven van Abraham is het grote voorbeeld van de nieuwtestamentische gelovige (Rm 4:1111En hij ontving [het] teken van [de] besnijdenis als zegel van de gerechtigheid van het geloof, dat [hij had] in de onbesneden staat, opdat hij vader zou zijn van allen die in onbesneden staat geloven, opdat <ook> hun <de> gerechtigheid zou worden toegerekend;) die ook geroepen is (Rm 8:3030En hen die Hij tevoren heeft bestemd, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, die heeft Hij ook verheerlijkt.; 1Ko 1:22aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan [de] geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, in elke plaats, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, zowel hun als onze [Heer]:; 1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,). Het kernpunt in de roeping is de belofte. Om de belofte te ontvangen moet je alles opgeven. Dat doe je alleen als je erop vertrouwt dat Hij Die je roept, alles is en dat Hij een betere wereld voor je heeft, een wereld vervuld van Zijn heerlijkheid in Christus.

De gehoorzaamheid van Abraham is een onmiddellijke. Ze is niet ingegeven door de aantrekkelijkheid van wat hem wordt voorgesteld, maar door de heerlijkheid van Hem Die spreekt (Hd 7:2-4a2En hij zei: Mannen broeders en vaders, hoort. De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij woonde in Haran,3en zei tot hem: ‘Ga uit uw land en <uit> uw familie en kom in het land dat Ik u zal wijzen’.4Toen vertrok hij uit [het] land van [de] Chaldeeën en ging in Haran wonen. En nadat zijn vader was gestorven, bracht Hij hem vandaar over in dit land waarin u nu woont.).

Lees nog eens Hebreeën 11:5-8.

Verwerking: Welke aspecten van het geloof kom je in dit gedeelte tegen en welke daarvan zijn voor jou van belang?


Leven door geloof (III)

9Door [het] geloof verbleef hij als vreemdeling in [het] land van de belofte als in een vreemd [land] en woonde in tenten met Izaäk en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde belofte; 10want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is. 11Door [het] geloof ontving hij, hoewel Sara zelf onvruchtbaar was, kracht om te verwekken, en [dat] boven [de] bepaalde leeftijd, omdat hij Hem trouw achtte Die het beloofd had. 12Daarom zijn er ook van één, en dat van een afgestorvene, geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand aan de oever van de zee, dat ontelbaar is. 13In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren. 14Want wie zulke dingen zeggen, tonen duidelijk dat zij een vaderland zoeken. 15En als ze terugdenken aan dat waaruit zij weggetrokken zijn, zouden zij tijd hebben terug te keren; 16maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid.

V99Door [het] geloof verbleef hij als vreemdeling in [het] land van de belofte als in een vreemd [land] en woonde in tenten met Izaäk en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde belofte;. Als Abraham komt op de plaats waar God hem heeft heengebracht, ontvangt hij niets (Hd 7:55En Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs geen voetbreed, en Hij beloofde het hem tot een bezitting te geven en zijn nageslacht na hem, terwijl hij geen kind had.). Dat is een nieuwe geloofsoefening. Diezelfde geloofsoefening heb jij ook. Je hebt je bekeerd en mag weten dat je daarmee het eigendom bent van de Heer Jezus Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Maar wat zie je daar op dit moment van? Op dit moment ben je een vreemdeling op aarde zonder burgerrechten. Je bent hier niet thuis.

Een Engels lied dat we nogal eens met de jeugd zingen, geeft het goed weer: ‘This world is not my home, I’m just a passing through’ (‘Deze wereld is niet mijn thuis, ik trek er slechts doorheen’). Wel mag je vooruitzien naar straks, wanneer de Heer Jezus de wereld in bezit zal nemen. Dan zul je de wereld met Hem mogen bezitten.

Tot die tijd geeft de belofte van dat bezit je de kracht om hier als vreemdeling te verblijven. Het vreemdelingschap van Abraham wordt onderstreept doordat hij in tenten woont. Een huis is het symbool van een vaste woonplaats, terwijl een tent het tijdelijke karakter van een verblijfplaats aangeeft. Ook zijn zoon Izaäk en zijn kleinzoon Jakob hebben zo geleefd. Ook zij hebben, als mede-erfgenamen van dezelfde belofte, het beloofde niet in bezit gekregen. Mocht Abraham verwacht hebben dat zij dan wel de vervulling zouden krijgen, dan was dat een nieuwe geloofsoefening.

V1010want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.. Abraham is er niet door ontmoedigd. Hij blijft uitzien naar wat God heeft beloofd. Al bezit hij niets, zijn genegenheden hebben een vast karakter. Hij verlangt naar een beter land en klampt zich rechtstreeks en volkomen vast aan God. Als jij op God vertrouwt en alles opgeeft voor Hem, win je er altijd bij en leer je meer van de wegen van Zijn macht. Abraham heeft door het geloof geleerd boven een vervulling in zijn dagen uit te zien naar iets beters dan een bezit op aarde. Heeft hij niet de God van de heerlijkheid gezien (Hd 7:22En hij zei: Mannen broeders en vaders, hoort. De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij woonde in Haran,)? Dat heeft een ongekende, en in het Oude Testament niet geopenbaarde, reikwijdte aan zijn geloof gegeven. Dat zie je hier. Abraham kijkt hoger dan een aards volk en een aards land. Hij ziet een hemelse stad, dat is het hemelse centrum van de toekomstige eeuw, het vrederijk.

Het is een “stad die de fundamenten heeft”. Dit staat tegenover het wonen in tenten op aarde. Van die stad is God zowel de “Ontwerper” (of technicus, kunstenaar, architect, iemand die de bouwplannen ontwerpt) als de “Bouwmeester”. Dan moet dat een volmaakte stad zijn. Het kan niet anders of elke grootsheid van hedendaagse steden, ontworpen door onvolkomen mensen, verbleekt daarbij en verliest elke aantrekkingskracht. Het moet ook een lust zijn om in Gods stad te wonen. Iedere bewoner zal zich er volkomen thuis voelen. Alles van en in die stad draagt het kenmerkt van de Ontwerper en Bouwer ervan.

V1111Door [het] geloof ontving hij, hoewel Sara zelf onvruchtbaar was, kracht om te verwekken, en [dat] boven [de] bepaalde leeftijd, omdat hij Hem trouw achtte Die het beloofd had.. In dit vers is het de vraag of het over het geloof van Abraham gaat of over dat van Sara. Vanouds is de gedachte dat het om Sara gaat, maar het lijkt niet onmogelijk te zijn dat het toch om Abraham gaat. Omdat ik het moeilijk vind een gefundeerde keus te maken, wil ik bij dit vers van beiden iets zeggen.

Als Sara de mededeling hoorde dat ze een kind zal baren, geeft ze niet direct blijk van geloof in de belofte (Gn 18:1212Daarom lachte Sara in zichzelf: Zal ik nog liefdesgenot hebben, nu ik oud geworden ben en [ook] mijn heer oud is?). Ze is nota bene negentig jaar (Gn 17:1717Toen wierp Abraham zich met het gezicht [ter aarde] en lachte. Hij zei in zijn hart: Zal bij een honderdjarige een kind geboren worden en zal Sara, die negentig jaar oud is, baren?) en dus veel te oud om nog zwanger te kunnen worden. Maar in de beschrijving van de geboorte van Izaäk lees je dat God naar Sara omziet en aan haar doet, zoals Hij gesproken heeft (Gn 21:1-21De HEERE nu zag om naar Sara, zoals Hij gezegd had; de HEERE deed bij Sara zoals Hij gesproken had.2Sara werd zwanger en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, op de vastgestelde tijd die God hem genoemd had.). Het lijkt er dan ook op dat Sara uiteindelijk toch geloof heeft gehad in de toezegging van God. In zijn eerste brief steunt Petrus die gedachte, door haar voor te stellen als een vrouw die haar hoop op God had gevestigd (1Pt 3:5-65Want zo versierden zich vroeger ook de heilige vrouwen die hun hoop op God stelden, terwijl zij aan hun eigen mannen onderdanig waren;6zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem ‘heer’ noemde; en haar kinderen bent u geworden, als u goeddoet en geen enkele verschrikking vreest.). Haar geloof heeft kracht geput uit de trouw van God aan Zijn belofte. Daardoor heeft zij kracht gekregen om het zaad van Abraham te ontvangen.

Uit deze gebeurtenis blijkt ook het geloof van Abraham. Van hem lees je niet dat hij heeft getwijfeld aan Gods toezegging. Je leest juist dat hij niet heeft getwijfeld aan de belofte van God (Rm 4:19-2119En niet zwak in het geloof lette hij <niet> op zijn eigen <al> afgestorven lichaam, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en <niet> op het afgestorven zijn van de moederschoot van Sara;20en hij twijfelde niet aan de belofte van God door het ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God heerlijkheid gaf21en ten volle verzekerd was, dat wat Hij beloofd heeft, Hij ook machtig is te doen.). Hij wist van zichzelf goed dat het verwekken van een kind onmogelijk was. Hij was immers honderd jaar (Gn 17:1717Toen wierp Abraham zich met het gezicht [ter aarde] en lachte. Hij zei in zijn hart: Zal bij een honderdjarige een kind geboren worden en zal Sara, die negentig jaar oud is, baren?; 21:55Abraham was honderd jaar oud, toen zijn zoon Izak hem geboren werd.). Dat was voor zijn geloof echter geen verhindering om God te vertrouwen dat Hij in staat was om nageslacht te geven. Nee, juist omdat de vervulling van de belofte van nageslacht lichamelijk onmogelijk was, richtte hij zich helemaal op God. Abraham achtte God trouw en in staat, want Hij had het beloofd.

V1212Daarom zijn er ook van één, en dat van een afgestorvene, geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand aan de oever van de zee, dat ontelbaar is.. Daarom heeft deze ene man – “één” is in het Grieks mannelijk en moet daarom op Abraham slaan – een niet te tellen nageslacht gekregen. Van deze ene wordt ook nog eens onderstreept dat hij “een afgestorvene” was. Dat wijst er met nadruk op dat God leven geeft uit de dood. De zoon van Abraham, de zoon van de belofte, komt als het ware voort uit de dood, en als gevolg daarvan ook zijn hele nageslacht.

Dit wijst vooruit naar wat God heeft gedaan met de opstanding van Christus. De opstanding van Christus is het begin van een totaal nieuwe situatie, het begin van de vervulling van al Gods beloften die in het vrederijk zijn voltooiing zal vinden. Dan zal het nageslacht dat in de hemelen, “sterren”, en op de aarde, “zand”, is, al Gods zegeningen in volle omvang genieten.

V1313In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.. Zoals al gezegd, onderbreekt de schrijver in vers 1313In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren. zijn betoog om daar in vers 1717Door [het] geloof heeft Abraham, toen hij beproefd werd, Izaäk geofferd, en hij die de beloften aangenomen had, offerde zijn eniggeborene, mee verder te gaan. In deze onderbreking maakt hij enkele opmerkingen over het geloofsleven van de aartsvaders. Ze hebben niet alleen in geloof geleefd, ze zijn ook in geloof gestorven. Wat hun beloofd is, hebben ze tijdens hun leven niet ontvangen. Maar daardoor zijn ze het beloofde bij hun dood niet kwijt. Ze hebben het meegenomen in het graf. “Zij zagen het in de verte.” Hun geloof zag voorwaarts en ze hebben in geloof omhelsd wat ze in geloof hebben gezien. Daarvan hebben ze ook getuigd. Zij “beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren”, dat wil zeggen dat ze openlijk voor dit geloof zijn uitgekomen, ze hebben het niet voor zich gehouden (Gn 23:44Ik ben slechts een vreemdeling en bijwoner bij u, maar geef mij toch bij u een eigen graf zodat ik mijn dode kan uitdragen en begraven.; Ps 119:1919Ik ben een vreemdeling op de aarde,
verberg Uw geboden niet voor mij.
)
.

In hun manier van leven zie je dat ze geen thuis op aarde hadden, maar er vreemdelingen en bijwoners waren. Ze eisten geen rechten op, want die hadden ze niet en ze hebben zich ook niet verbeeld die te hebben. Dat is met veel christenen wel anders.

V1414Want wie zulke dingen zeggen, tonen duidelijk dat zij een vaderland zoeken.. De belijdenis van hen die in geloof gestorven zijn, was geen lippenbelijdenis die door hun praktijk weersproken werd. In hun praktijk zag je wat ze met hun mond beleden. Zij toonden duidelijk dat zij op zoek waren, dat wil zeggen dat zij verlangden, naar een vaderland. Dat doe je alleen als je zeker weet dat je daar nog niet bent.

V1515En als ze terugdenken aan dat waaruit zij weggetrokken zijn, zouden zij tijd hebben terug te keren;. Hun zoektocht bracht hen niet op de gedachte terug te keren naar het vaderland dat ze hadden verlaten. De begeerten van het vlees, de aantrekkelijkheden van de wereld, de verplichtingen van familierelaties, de zakelijke beslommeringen van het leven, het waren allemaal op verschillende wijzen en verschillende tijden een aanleiding om terug te keren. Toch deden ze het niet.

Het verschil tussen Lot en Abraham is hiervan een goed voorbeeld. Lot is met Abraham meegegaan, op reis naar het door God beloofde land. Maar hij heeft er geen verlangen naar. Als hij er eenmaal is aangekomen, maar elders een mooi gebied ziet, kiest hij dáárvoor (Gn 13:10-1110En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte.11Daarom koos Lot voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en Lot trok naar het oosten; en zij werden van elkaar gescheiden.). Abraham had terug kunnen gaan, hij was zijn land niet uitgegooid, hij was er zelf weggetrokken. Maar Abraham blijft voortgaan, verlangend naar de stad van God.

V1616maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid.. De aartsvaders verlangden niet terug naar hun oude vaderland, maar zagen uit naar een hemels, dat is een beter vaderland. Door daarnaar te verlangen eerden ze God. Hij had hun iets beters in het vooruitzicht gesteld en ze geloofden Hem op Zijn woord. Hun geloof was zo groot, dat zij inzagen dat Zijn beloften meer betekenden dan de letterlijke beschrijving ervan aangaf. Achter de beschrijving van de heerlijke beloften zagen ze Hem Die ze zal vervullen en er tegelijk het middelpunt van is.

Veel dingen in het christendom zijn ‘beter’ dan in het Jodendom, waarbij nu ook ‘een beter vaderland’. Dit vaderland is niet de hemel. Het gaat om de opstanding. Het is de plaats waar de opgestane en verheerlijkte heiligen tot in eeuwigheid zullen verblijven. In het kader van deze brief is dit hemelse vaderland het ‘toekomstige aardrijk’, of ‘de toekomstige eeuw’, en wel de hemelse zijde daarvan. Dit is het vrederijk, de dag van de Heer Jezus, waarnaar de aartsvaders hebben uitgezien (Jh 8:5656Uw vader Abraham verheugde zich erop dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en zich verblijd.). Het geloof van de aartsvaders zag de werkelijkheid, niet slechts iets vaags.

God schaamt Zich niet voor zulke gelovigen. Hij draagt, om zo te zeggen, met vreugde hun naam als ‘achternaam’. Zo is het toch, als je leest dat Hij de ‘God van Abraham’ is. Zou Hij ook met vreugde jouw naam als ‘achternaam’ dragen, denk je? Dat zal Hij zeker als jij ook die werkelijkheid van dat hemelse vaderland en die hemelse stad ziet en daarnaar leeft. Zijn stad is klaar om jou te ontvangen. God heeft daarvoor gezorgd. Het is de erfenis die is weggelegd in de hemelen en daar goed voor jou wordt bewaard (1Pt 1:44tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in [de] hemelen weggelegd voor u,).

Lees nog eens Hebreeën 11:9-16.

Verwerking: Welke geloofskenmerken komen in het leven van Abraham tot uiting en wat kun jij daarvan leren?


Leven door geloof (IV)

17Door [het] geloof heeft Abraham, toen hij beproefd werd, Izaäk geofferd, en hij die de beloften aangenomen had, offerde zijn eniggeborene, 18van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken, 19waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft. 20Door [het] geloof zegende Izaäk Jakob en Ezau ook aangaande toekomstige dingen. 21Door [het] geloof zegende Jakob bij zijn sterven elk van de zonen van Jozef en hij aanbad [leunend] op het uiteinde van zijn staf. 22Door [het] geloof maakte Jozef bij zijn levenseinde melding van de uittocht van de zonen van Israël en gaf bevel aangaande zijn gebeente. 23Door [het] geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het kind mooi was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.

V1717Door [het] geloof heeft Abraham, toen hij beproefd werd, Izaäk geofferd, en hij die de beloften aangenomen had, offerde zijn eniggeborene,. Na de tussenzin van de verzen 13-1613In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.14Want wie zulke dingen zeggen, tonen duidelijk dat zij een vaderland zoeken.15En als ze terugdenken aan dat waaruit zij weggetrokken zijn, zouden zij tijd hebben terug te keren;16maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid. gaat de schrijver nu iets zeggen over de afzonderlijke aartsvaders en hoe zij God geloofden. De eerste is weer Abraham. Je hebt al verschillende bewijzen van zijn geloof voor je aandacht gehad. Dat zijn indrukwekkende bewijzen, vind je niet? Nu haalt de schrijver nog een voorbeeld van zijn geloof aan dat van ongekende grootte is. Dit bewijs van zijn geloof hangt weer samen met de zoon die hij en Sara hebben gekregen.

Wanneer hij en Sara te oud zijn om nog kinderen te krijgen, blijft hij geloven dat God hem toch een zoon kan geven. God heeft het immers beloofd. En aangezien God trouw is aan wat Hij heeft beloofd, is het een kwestie van wachten op Zijn tijd om het beloofde te geven. Voor Abraham is het echt waar dat wat bij mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God (Mk 10:2727Jezus keek hen aan en zei: Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want alles is mogelijk bij God.). Maar nu vraagt God hem om zijn zoon te offeren. Dat is een beproeving van ongekende zwaarte.

De eerste beproeving staat in verband met de belofte van een zoon wanneer hij en Sara te oud zijn om kinderen te krijgen. Hij krijgt de zoon door geloof. Nu vraagt God hem deze zoon te offeren, terwijl deze zoon toch de erfgenaam is, door wie God al Zijn beloften zal gaan waarmaken. Dit kan toch niet waar zijn?! Deze beproeving van zijn geloof is nog zwaarder dan de vorige. Toch offert Abraham zijn zoon als God dat van hem vraagt (Gn 22:1-101En het gebeurde na deze dingen dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.2Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u zal noemen.3Toen stond Abraham 's morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten met zich mee, en Izak, zijn zoon. Hij kloofde hout voor het brandoffer, stond op en ging naar de plaats die God hem genoemd had.4Op de derde dag sloeg Abraham zijn ogen op, en hij zag die plaats in de verte.5Abraham zei tegen zijn knechten: Blijven jullie hier met de ezel, dan zullen ik en de jongen daarheen gaan. Als wij ons neergebogen hebben, zullen wij bij jullie terugkeren.6Daarop nam Abraham het hout voor het brandoffer en legde dat op zijn zoon Izak. Hijzelf nam het vuur en het mes in zijn hand. Zo gingen zij beiden samen verder.7Toen sprak Izak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader! Hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon. Hij zei: Zie, hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?8Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen verder.9En zij kwamen op de plaats die God hem genoemd had. Abraham bouwde daar het altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar, boven op het hout.10Toen strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten.). Met dit offer heeft Abraham alle beloften die hij heeft aangenomen, op het altaar gelegd. Hem is een nageslacht beloofd en ook een land, maar hij geeft het in Izaäk allemaal aan God terug als Hij erom vraagt. Hij offert “zijn eniggeborene” (Gn 22:22Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u zal noemen.).

V1818van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken,. Dat heeft hij niet impulsief gedaan. Hij heeft over de vraag van God nagedacht. Hij zal geworsteld hebben met de vraag hoe God dit nu kon vragen. Dat klopte toch niet met Zijn eerdere toezeggingen? God zou Zijn beloften toch in Izaäk waarmaken en niet in een andere zoon, bijvoorbeeld Ismaël? Nee, God had uitdrukkelijk de naam van Izaäk genoemd, toen Hij zei: “In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden.” Zo heeft hij overwogen, dat is een overtuiging gevormd door overleg en berekening.

Dan kon er maar één antwoord zijn en dat is dat God Izaäk uit de doden zou opwekken. Daarom zegt hij in Genesis 22 tegen zijn knechten: “Als wij ons neergebogen hebben, zullen wij bij jullie terugkeren” (Gn 22:55Abraham zei tegen zijn knechten: Blijven jullie hier met de ezel, dan zullen ik en de jongen daarheen gaan. Als wij ons neergebogen hebben, zullen wij bij jullie terugkeren.). Hij getuigt ervan dat hij én Izaäk, “wij”, zullen terugkeren. Dat betekent dat hij geloofde in de macht van God, een macht die zo groot is, dat Hij “zelfs” doden kan opwekken.

Het geloof van Abraham is ook daarom zo groot, omdat niet bekend is dat Abraham een voorbeeld van dodenopwekking heeft meegemaakt. Door zijn overwegingen over wat God heeft gezegd en over Zijn macht om Zijn woord uit te voeren, is hij tot deze conclusie gekomen. Echt geloof is geen ‘wishful thinking’, of visualiseren van dingen waardoor je ‘claimt’ wat je wilt, als je verbeelding maar sterk en aanhoudend genoeg is. Echt geloof klemt zich altijd vast aan de een of andere uitspraak van God in Zijn Woord. Door een dergelijk geloof wordt God op bijzondere wijze geëerd.

V1919waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.. Toen Abraham zijn zoon Izaäk op het hout bond en het mes ophief om zijn zoon te slachten, wist hij niet dat God tegen hem zou zeggen dat hij Izaäk niet hoefde te offeren (Gn 22:11-1211Maar de Engel van de HEERE riep tot hem vanuit de hemel en zei: Abraham, Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.12Toen zei Hij: Steek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat u godvrezend bent en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt.). Voor God was het bewijs geleverd van het geloof dat Abraham in Hem had als de God van de opstanding. In zekere zin heeft Abraham Izaäk uit de dood teruggekregen. Wel heeft God Abraham een pijn bespaard die Hij Zichzelf niet zou besparen. God gaf Zijn Zoon in de dood.

Voor de Hebreeën is dit voorbeeld van het geloof van Abraham een grote bemoediging. Zij hebben immers ook zolang geleefd in het geloof dat hun wondere nationale erfenis een gift van God is. Nu moeten ze die opgeven. Ze zijn er weggetrokken, maar toch blijft wat ze achter zich hebben gelaten, wel aan hen trekken. Om het echt los te laten en prijs te geven is het nodig om te geloven in een God die betere beloften voor hen heeft dan alles wat ze prijsgeven.

V2020Door [het] geloof zegende Izaäk Jakob en Ezau ook aangaande toekomstige dingen.. Ook Izaäk heeft dingen gedaan die alleen door geloof mogelijk zijn. Hij heeft zijn beide zonen gezegend aangaande toekomstige dingen. Uit de zegen die hij ieder van zijn beide zonen geeft, blijkt zijn geloof in de beloften van God. In de zegen die hij aan Jakob geeft, blijkt dat Jakob in de lijn van de beloften staat. Hij draagt de zegen van Abraham op Jakob over: de belofte van nageslacht en het land.

Hij zegent Ezau ook, maar met een andere zegen. Uit de zegen aan Ezau blijkt dat Izaäk hem bewust buiten de lijn van de belofte houdt. Ook dat getuigt van zijn geloof. Hoewel hij in zijn zwakheid de voorkeur geeft aan Ezau boven Jakob, sluit hij zich wat de zegen betreft aan bij Gods gedachten. Het is belangrijk om je in de beoordeling van Gods beloften niet door menselijke zwakheid te laten leiden, maar door Gods gedachten. Dan kom je goed uit.

V2121Door [het] geloof zegende Jakob bij zijn sterven elk van de zonen van Jozef en hij aanbad [leunend] op het uiteinde van zijn staf.. Bij Jakob blijkt zijn geloof ook uit de zegen die hij geeft. Ook Jakob zegent twee zonen. Het zijn niet zijn eigen zonen, maar twee van zijn kleinzonen, de zonen van Jozef. En evenals Izaäk geeft hij de jongste een grotere zegen dan de oudste. Het zijn de zonen van Jozef, de gewijde of uitverkorene onder zijn broers (Gn 49:2626De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.
; Dt 33:1616met het beste van de aarde en haar volheid,
en [met] de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde.
Laat het komen op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers!
)
en die tot eerstgeborene is gesteld (1Kr 5:1-21De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël – hij was namelijk de eerstgeborene, maar omdat hij het bed van zijn vader geschonden had, is zijn eerstgeboorterecht aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël, gegeven, maar niet [zo], dat deze in het geslachtsregister als eerstgeborene werd ingeschreven,2want Juda werd machtig onder zijn broers, en een uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht was van Jozef –). In de zegen van zijn beide zonen geeft Jakob aan Jozef de dubbele zegen van de eerstgeborene (Dt 33:1717Hij heeft de pracht van de eerstgeborene van zijn rund,
en zijn hoorns zijn hoorns van de wilde os;
daarmee zal hij volken stoten, allemaal,
tot aan de einden der aarde.
Dit zijn de tienduizenden van Efraïm,
en dit zijn de duizenden van Manasse!
)
. Jozef is een prachtig beeld van de Heer Jezus, dé Eerstgeborene Die God binnenkort in de wereld zal invoeren (Hb 1:66En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.).

In verbinding met Jozef wordt Jakob een aanbidder. In het geloof ziet hij hoe de raad van God en Zijn wegen die tot de vervulling van Zijn raad voeren, in de ware Jozef samenvallen. Het is Gods bedoeling dat de Hebreeën en wij Hem eren en aanbidden voor de vervulling van Zijn raad en de wegen die Hij daarvoor gaat. De staf van Jakob is het symbool van zijn lange geschiedenis. Daarop leunt hij als pelgrim en als kreupele. Als hij aan het einde van zijn leven is, leunt hij daar nog steeds op, nu niet meer om te wandelen, maar om te aanbidden. Onze levensweg mondt uit bij de Heer. Dan zullen wij Hem aanbidden voor al de genade waarmee Hij ons onderweg heeft omringd om ons te brengen in het land dat Hij ons heeft beloofd.

V2222Door [het] geloof maakte Jozef bij zijn levenseinde melding van de uittocht van de zonen van Israël en gaf bevel aangaande zijn gebeente.. Is het geloof van Jakob verbonden met de persoon van de ware Jozef, het geloof van Jozef is verbonden met Gods volk en Gods land. Hij ziet in het geloof de verlossing van het volk uit Egypte en de invoering in het land Kanaän. Alle heerlijkheid die hij in Egypte bezit, zinkt in het niet bij de komende heerlijkheid van Israël onder de heerschappij van de Messias die hij in het geloof vooruitziet. Daar wil hij bij zijn en met het oog daarop geeft hij het bevel dat zijn gebeente moet worden meegenomen uit Egypte naar het beloofde land. Wat een blijk van zijn geloof in de opstanding!

De Hebreeër moet ook leren afzien van de wereld, waarvan Egypte een beeld is, en vooruitzien naar alles wat hij door zijn verbinding met de dood en opstanding van de Heer Jezus heeft gekregen. En geldt voor jou niet hetzelfde? Zijn dood is jouw dood en Zijn opstanding is die van jou. In Zijn opstanding zullen allen levend gemaakt worden die met Hem verbonden zijn om in Zijn koninkrijk te delen (1Ko 15:20-2820(Maar nu, Christus is opgewekt uit [de] doden, als Eersteling van hen die ontslapen zijn.21Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een mens.22Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.23Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst.24Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht tenietgedaan heeft.25Want Hij moet regeren, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.26Als laatste vijand wordt de dood tenietgedaan.27Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.28Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.)).

V2323Door [het] geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het kind mooi was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.. Het gedeelte dat we hebben gehad, heeft het geloof in werking getoond met het oog op de toekomst, dat wil zeggen geloof als de “zekerheid van wat men hoopt” (vers 1a1Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.). In het gedeelte dat nu volgt in de verzen 23-3823Door [het] geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het kind mooi was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.24Door [het] geloof weigerde Mozes, toen hij groot geworden was, een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden,25omdat hij er de voorkeur aan gaf met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van [de] zonde,26en de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte, want hij zag op de beloning.27Door [het] geloof verliet hij Egypte, zonder de toorn van de koning te vrezen; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare.28Door [het] geloof heeft hij het Pascha gevierd en het sprenkelen van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet aanraakte.29Door [het] geloof gingen zij door de Rode Zee als door een droog land, waardoor de Egyptenaren, toen zíj het probeerden, verzwolgen werden.30Door [het] geloof vielen de muren van Jericho, nadat men er zeven dagen omheen getrokken was.31Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.32En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken als ik vertel van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en de profeten,33die door middel van [het] geloof koninkrijken onderwierpen, gerechtigheid oefenden, [de] beloften ontvingen, leeuwenmuilen toestopten,34[de] kracht van [het] vuur blusten, [de] scherpte van [het] zwaard ontvluchtten, uit zwakheid krachten verkregen, in [de] oorlog sterk werden, legers van vreemden op de vlucht dreven.35Vrouwen kregen hun doden door opstanding terug; anderen echter werden gefolterd zonder de verlossing aan te nemen, opdat zij een betere opstanding verkregen.36En anderen ondergingen [de] beproeving van bespottingen en geselingen; ja zelfs van boeien en gevangenschap.37Zij werden gestenigd, in stukken gezaagd, <verzocht,> met [het] zwaard vermoord, zij liepen rond in schapenvachten, in geitenvellen, leden gebrek, werden verdrukt, mishandeld –38de wereld was hen niet waard –, zij dwaalden rond in woestijnen, bergen, spelonken en de holen van de aarde., stelt de schrijver een aantal voorbeelden van het geloof voor die duidelijk maken hoe geloof werkt als “overtuiging van wat men niet ziet” (vers 1b1Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.). We krijgen, om het anders te zeggen, na het geloof dat voorwaarts ziet, nu het geloof dat opwaarts ziet.

Geloof dat opwaarts ziet, vertrouwt erop dat God in de moeilijkheden aanwezig is en kracht geeft om er doorheen te gaan. Hier zie je de energie van het geloof dat rust in God te midden van de omstandigheden. Dit geloof overwint de macht van de duivel en de aantrekkelijkheden en moeilijkheden van de wereld.

Het eerste voorbeeld is dat van Mozes. Een vergelijking tussen het geloof van Mozes en dat van Abraham maakt het verschil tussen ‘voorwaarts geloof’ en ‘opwaarts geloof’ mooi duidelijk. Je kunt zeggen dat het geloof van Abraham verbonden was met de toekomstige wereld en dat van Mozes met de tegenwoordige wereld. Het geloof van Abraham zag uit naar de toekomstige wereld en het geloof van Mozes overwon de tegenwoordige wereld. De overeenkomst is dat geen van beiden de vervulling van Gods beloften bij hun leven heeft beleefd.

Voordat de schrijver ingaat op het geloof van Mozes, wijst hij op het geloof van de ouders van Mozes. Door hun geloof trotseren zij het gebod van de machtige farao. Normaliter moet men luisteren naar het wettige gezag, maar dit is een situatie dat men God meer gehoorzaam moet zijn dan mensen (Hd 4:1919Petrus en Johannes echter antwoordden en zeiden tot hen: Of het recht is voor God naar u meer te horen dan naar God, moet u beoordelen;; 5:2929Petrus en de apostelen echter antwoordden en zeiden: Men moet God meer gehoorzamen dan mensen.). Het geloof van de ouders ontdekken in dit kind iets bijzonders voor God. “Zij zagen dat het kind mooi was”, niet mooi zonder meer, maar het is mooi voor God (Hd 7:2020In deze tijd werd Mozes geboren en hij was buitengewoon mooi; hij werd drie maanden opgevoed in het huis van zijn vader.). Daarom leveren ze hem niet uit aan moordenaarshanden, maar verbergen hem thuis.

Dat is geen eenvoudige zaak geweest, temeer omdat hun huis, naar het schijnt, dicht bij het paleis van de koning stond. Ze rekenen er echter op dat God voor hem zal zorgen.

Dit is een prachtig voorbeeld voor alle jonge ouders die zich bewust zijn van de moordzucht van de wereld waarin ze leven en waarin zij hun kinderen moeten leren hun weg te vinden. Geloof rekent op God voor bewaring en spant zich in om het kind te beschermen en te begeleiden op zijn levensweg.

Lees nog eens Hebreeën 11:17-23.

Verwerking: Welke aspecten van geloofsvertrouwen op God met betrekking tot de toekomst worden hier voorgesteld? Wat leer jij daaruit voor de praktijk van je geloofsleven?


Leven door geloof (V)

24Door [het] geloof weigerde Mozes, toen hij groot geworden was, een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden, 25omdat hij er de voorkeur aan gaf met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van [de] zonde, 26en de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte, want hij zag op de beloning. 27Door [het] geloof verliet hij Egypte, zonder de toorn van de koning te vrezen; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare. 28Door [het] geloof heeft hij het Pascha gevierd en het sprenkelen van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet aanraakte. 29Door [het] geloof gingen zij door de Rode Zee als door een droog land, waardoor de Egyptenaren, toen zíj het probeerden, verzwolgen werden. 30Door [het] geloof vielen de muren van Jericho, nadat men er zeven dagen omheen getrokken was.

V2424Door [het] geloof weigerde Mozes, toen hij groot geworden was, een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden,. Door hun geloof hebben de ouders van Mozes de vrees voor de wereld overwonnen. Mozes groeit op in een totaal andere omgeving en situatie dan zijn ouders. Toch zie je in zijn leven hetzelfde geloof werkzaam dat je in de voorgaande verzen in zijn ouders hebt gezien. Omdat zijn omstandigheden zo anders zijn, blijkt zijn geloof op een andere manier. Zijn grote vijand is de gunst van de wereld en zijn geloof overwint die vijand.

Je ziet dat de eerste jaren van zijn opvoeding door zijn Godvrezende ouders een diepgaand werk in hem hebben gedaan. Als hij dan ook “groot geworden” is – ‘groot’ wijst zowel op zijn volwassenheid als op zijn hoge positie aan het hof van de farao –, weigert hij “een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden”. Deze weigering is geen ‘ondankbaarheid’ voor alles wat hij aan het hof heeft genoten. Hij is gestolen en keert terug naar zijn oorsprong omdat dat de plaats is waar God hem wil gebruiken en niet aan het hof.

Natuurlijke gevoelens of verstandelijke overwegingen hebben hem niet aan het hof gehouden. Hij heeft niet geredeneerd dat God het toch maar mooi zo had geregeld dat hij in een invloedrijke positie was terechtgekomen. Dat was toch niet voor niets. Zou hij zijn invloed aan het hof niet kunnen gebruiken ten gunste van zijn volk? Maar Mozes wil geen gunsteling van de farao zijn, terwijl zijn volk verdrukt en uitgemoord wordt. Hij wil bij zijn volk zijn, er deel van uitmaken.

Het is wel eens zo gezegd: ‘De voorzienigheid van God bracht hem aan het hof van de farao en zijn geloof bracht hem eruit.’ Met de uitdrukking ‘de voorzienigheid van God’ wordt bedoeld dat God gebeurtenissen en omstandigheden bestuurt. Daardoor is Mozes aan het hof van de farao terechtgekomen. Maar het vertrek van Mozes is geen gevolg van de voorzienigheid van God. Mozes vertrekt van het hof van de farao op grond van een keus die gebaseerd is op zijn geloof.

V2525omdat hij er de voorkeur aan gaf met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van [de] zonde,. Mozes weigert iets, maar hij kiest ook voor iets. In geloof kiest hij de weg van Gods volk. Hij is ervan overtuigd dat aan dat volk de toekomst is en niet aan Egypte. Hij kiest voor het oog voor het slechtste dat hij maar kan kiezen, voor het meest verachte volk van het land, voor de ongewenste vreemdelingen, die worden onderdrukt en zware slavenarbeid moeten verrichten. Het volk zelf is ten einde raad.

Mozes ziet het verdriet, de schande en het lijden van Israël in het licht van Gods keus. Geloof kiest altijd waar God voor heeft gekozen. Het staat altijd aan de kant van God al lijkt het een keus die alleen maar verlies oplevert. Geloof kiest voor God omdat het Gods bedoelingen van goedheid voor Zijn volk kent en weet dat Hij die bewaart voor de dag van macht en heerlijkheid.

Mozes had van de zonde kunnen genieten, want zonde is iets wat je kunt genieten. Maar hij beseft dat zonde slechts tijdelijk, voorbijgaand, is en nooit echt bevredigend genot geeft. De zonden waarover het hier gaat, zijn niet wat wij wel ‘grove zonden’ noemen, maar zonden die samenhangen met een succesvol leven in de wereld. Denk maar aan het genieten van aanzien, van het hebben van macht, invloed, roem en rijkdom.

V2626en de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte, want hij zag op de beloning.. Je zult het genot van die zonden alleen opgeven als je er iets anders, wat groter is, voor in de plaats neemt. Dat heeft Mozes gedaan. Hij heeft de schatten van Egypte ingeruild tegen “de smaad van Christus”. De smaad van Christus heeft hij “groter rijkdom” geacht “dan de schatten van Egypte”. Wat een belediging voor de farao en wat een overwinning voor Christus! Maar wat zou jij liever hebben: een inscriptie in een Egyptisch graf of genoteerd staan in het boek van God? Wat Mozes heeft gekozen, is duidelijk. Daardoor is hij in plaats van een mummie een beroemde Godsman geworden.

Mozes heeft die keus gemaakt omdat hij op niets anders zag dan “op de beloning”. Hij keek vooruit naar het hemelse land van de belofte. In dat licht leerde hij onderscheid te maken tussen de materiële schatten van Egypte en de geestelijke schatten in Christus. Met Christus te zijn op aarde betekent wel smaad, maar in Hem heeft God alle beloften ja en amen gemaakt (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.). Dus als je kiest voor het smaad lijden van en met Christus, sta je aan de goede kant en ben je op de goede weg naar het goede doel. Smaad hoort bij de weg naar de vervulling van de beloften.

V2727Door [het] geloof verliet hij Egypte, zonder de toorn van de koning te vrezen; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare.. Geloof is de innerlijke kracht die in staat stelt om zowel hindernissen (de toorn van de koning, de Rode Zee, Jericho) als de begeerten (de tijdelijke genietingen van de zonde, de rijkdommen van Egypte) te overwinnen. Het geloof verwezenlijkt de tussenkomst van God zonder Hem te zien en verlost zodoende van alle vrees voor de macht van de mens. Dat geloof doet Mozes Egypte verlaten, nadat hij de Egyptenaar heeft doodgeslagen.

In Exodus wordt zijn vertrek als een vlucht beschreven (Ex 2:1515Toen nu de farao van deze zaak hoorde, wilde hij Mozes doden, maar Mozes vluchtte voor de farao en vestigde zich in het land Midian, en zat bij een put.). Hij vlucht uit vrees voor de farao omdat hij de Egyptenaar gedood heeft. Tegelijk is het doden van de Egyptenaar de openlijke belijdenis van Mozes dat hij tot Gods volk behoort. Vanuit dat oogpunt bezien verlaat hij in geloof het hof, “zonder de toorn van de koning te vrezen”. De doodslag laat hem vluchten, het geloof in God en zijn verbondenheid met het volk doet hem vertrekken. Hij is openlijk als Israëliet opgetreden en staat nu aan dezelfde toorn van de koning bloot als het volk.

Hij vreest echter de toorn van de koning niet omdat hij op “de Onzichtbare” ziet, Die oneindig veel groter is dan de koning van Egypte. Hij blijft “standvastig” op de Onzichtbare zien, al die jaren dat hij in Midian is. Al die tijd blijft hij erop vertrouwen dat God Zijn beloften zal vervullen. Voor jou ligt daar ook de kracht om vol te houden op de weg van het geloof, samen met de andere leden van Gods volk die ook de smaad en toorn van de wereld te verduren hebben.

V2828Door [het] geloof heeft hij het Pascha gevierd en het sprenkelen van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet aanraakte.. Als laatste wapenfeit van het geloof van Mozes noemt de schrijver het vieren van het Pascha. Opmerkelijk is dat het vieren van het Pascha hier niet aan het geloof van Israël maar aan dat van Mozes wordt toegeschreven. Zou de schrijver daarmee willen zeggen dat Israël het Pascha heeft gevierd op grond van het geloof van Mozes?

De viering van het Pascha door Mozes in Egypte is een unieke daad. Alle latere keren dat het wordt gevierd, gebeurt dat buiten het land, door een verlost volk en als een herinnering. Die ene eerste keer gebeurt de viering wegens de daadwerkelijke dreiging van het oordeel van God. God heeft dit middel gegeven om daaraan te ontkomen. Het lijkt verachtelijk en nutteloos, maar in werkelijkheid is dit het enige middel dat bescherming biedt tegen het oordeel. Alleen wie God gelooft, gebruikte het.

Bij het vieren van het Pascha hoort “het sprenkelen van het bloed”. Sprenkelen gebeurt niet in Egypte; daar wordt het bloed ‘gestreken’. Het strijken heeft slechts eenmaal plaatsgevonden en is later in de offerdienst veranderd in sprenkelen. De betekenis is in beide gevallen het brengen onder de waarde van het bloed om zo tegen het oordeel beschermd te worden. In Egypte worden de eerstgeborenen tegen het oordeel beschermd. Als eerstgeborenen zijn ook de Hebreeën en zijn alle gelovigen, “[de] gemeente van [de] eerstgeborenen” (Hb 12:2323[de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven, en tot God, [de] Rechter van allen; en tot [de] geesten van [de] tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen;), op de grondslag van het bloed ontkomen aan het oordeel.

V2929Door [het] geloof gingen zij door de Rode Zee als door een droog land, waardoor de Egyptenaren, toen zíj het probeerden, verzwolgen werden.. Dan volgen twee geloofsfeiten die Gods volk betreffen. Het eerste feit vindt plaats bij het begin van de woestijnreis en het tweede feit aan het einde ervan. De woestijnreis zelf wordt niet genoemd. Die is namelijk niet het gevolg van geloof, maar integendeel van ongeloof.

Het geloof leidt hen uit de slavernij en in het land van de belofte. Het volk heeft niet alleen het paaslam nodig om gevrijwaard te blijven van het oordeel, het heeft ook de doortocht door de Rode Zee nodig om definitief en totaal van Egypte verlost te worden. Als Israël door de Rode Zee trekt, is dat geloof. Als de Egyptenaren het doen, is dat de aanmatiging van het vlees. De vijand wordt door het oordeel verzwolgen precies op dezelfde plaats waar het volk de verlossing vindt. De plaats waar het oordeel plaatsvindt, is ook de plaats van de verlossing. Dit zie je bij het kruis waar Christus stierf.

V3030Door [het] geloof vielen de muren van Jericho, nadat men er zeven dagen omheen getrokken was.. Als de verlossing is volbracht en de bevrijding tot stand is gebracht, wil dat niet zeggen dat de moeilijkheden overwonnen zijn. Maar voor God verdwijnen de moeilijkheden. Wat voor een mens een moeilijkheid is, is het voor Hem niet. De Israëlieten ervaren dat als zij het beloofde land zijn binnengegaan. Jericho is een blokkade voor Israël om het land in te nemen. Zo zijn er op de geloofsweg voor de Hebreeën, en zijn er voor jou, hindernissen die overwonnen moeten worden op de reis naar het beloofde land. Die overwinningen worden alleen geboekt door geloof in wat God zegt.

Als de muren van Jericho vallen, is dat niet omdat ze zomaar zeven dagen om de stad heen zijn getrokken. De muren vallen omdat de Israëlieten op grond van geloof in Gods Woord om de stad heen zijn getrokken. Na zeven dagen zijn die muren nog net zo dik en onneembaar als op de eerste dag. Maar ze vallen na zeven dagen omdat ze in God geloven.

Lees nog eens Hebreeën 11:24-30.

Verwerking: Welke kenmerken van geloof zie je in dit gedeelte en wat kun jij daarvan leren?


Leven door geloof (VI)

31Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen. 32En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken als ik vertel van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en de profeten, 33die door middel van [het] geloof koninkrijken onderwierpen, gerechtigheid oefenden, [de] beloften ontvingen, leeuwenmuilen toestopten, 34[de] kracht van [het] vuur blusten, [de] scherpte van [het] zwaard ontvluchtten, uit zwakheid krachten verkregen, in [de] oorlog sterk werden, legers van vreemden op de vlucht dreven. 35Vrouwen kregen hun doden door opstanding terug; anderen echter werden gefolterd zonder de verlossing aan te nemen, opdat zij een betere opstanding verkregen. 36En anderen ondergingen [de] beproeving van bespottingen en geselingen; ja zelfs van boeien en gevangenschap. 37Zij werden gestenigd, in stukken gezaagd, <verzocht,> met [het] zwaard vermoord, zij liepen rond in schapenvachten, in geitenvellen, leden gebrek, werden verdrukt, mishandeld – 38de wereld was hen niet waard –, zij dwaalden rond in woestijnen, bergen, spelonken en de holen van de aarde. 39En deze allen die door hun geloof getuigenis hebben verkregen, hebben de belofte niet ontvangen, 40daar God voor ons iets beters had voorzien, opdat zij niet zonder ons tot volmaaktheid zouden komen.

V3131Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.. Niet alleen het geloof van het volk en de uitwerking daarvan worden bij Jericho gezien. De verovering van Jericho is ook de aanleiding voor de openbaring van het geloof van één enkele inwoner van die stad. Het geloof van Rachab laat zien dat ze voor het volk van God kiest, terwijl de macht van haar volk nog volkomen overeind staat en er bij het volk van God nog niets van de geclaimde overwinning te zien is. Maar Rachab voelt dat God met hen is. Dat bepaalt haar keus, een keus die tegen de natuurlijke keus voor het eigen volk ingaat. Daarin is ze een voorbeeld voor de Hebreeën die ook hebben gekozen vóór het schijnbaar zwakke volk van God en tégen hun ongelovige, ongehoorzame volksgenoten.

Wat Rachab doet, lijkt landverraad, maar het is een geloofsdaad. Daardoor wendt ze zich af van de wereld en een leven in de zonde, om zich te voegen bij het volk van Gód. Haar volk weet van de grote daden van God, maar wil zich niet voor Hem buigen (Jz 2:1010Want wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En [ook] wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt.). Het komt in verzet en opstand. Daar neemt zij afstand van. Ze sluit vrede met het volk van God door het opnemen van de verspieders. Daardoor maakt zij zich een met hen en neemt afstand van haar volksgenoten die hier “ongelovigen” worden genoemd. Door de verspieders onderdak te bieden stelt zij haar eigen leven in de waagschaal. Zij verbindt haar eigen lot aan dat van hen. Haar geloof wordt rijk beloond. Ze heeft zelfs een plaats in het geslachtsregister van de Heer Jezus gekregen (Mt 1:55en Salmon verwekte Boaz bij Rachab; en Boaz verwekte Obed bij Ruth; en Obed verwekte Isaï,).

V3232En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken als ik vertel van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en de profeten,. De schrijver zou wel door kunnen gaan, maar hij treedt niet langer in bijzonderheden. De tijd zou hem daarvoor ontbreken. Geleid door de Geest noemt hij nog in algemene zin een aantal voorbeelden. Uit die voorbeelden blijkt hoe het geloof in alle soorten van volharding is gebleken en hoe het de gelovigen in allerlei vormen van lijden staande heeft gehouden. Eén ding hebben ze gemeenschappelijk: geen van hen heeft iets ontvangen van wat is beloofd, zoals dat ook geldt voor de Hebreeën aan wie deze brief is gericht.

Omdat de schrijver van de brief slechts de namen noemt, wil ik ook niet uitvoerig ingaan op de geschiedenis van de personen die hij noemt. Je moet hun geschiedenis maar eens lezen. Vaak zal je duidelijk worden, waarom hij hen noemt. Soms ook zal het je, na het lezen van hun geschiedenis, verbazen dat hij ze noemt. Maar als Gods Geest namen van gelovigen uit het Oude Testament in het Nieuwe Testament aanhaalt, is dat altijd positief – op één uitzondering na: die van Elia (Rm 11:3-43‘Heer, Uw profeten hebben zij gedood, Uw altaren omgeworpen en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn leven’.4Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tot hem? ‘Ik heb Mij zevenduizend mannen doen overblijven, die hun knie voor Baal niet gebogen hebben’.). God ziet dieper dan wat aan uiterlijke geschiedenis wordt beschreven. Hij ziet wat er in het hart is voor Hem, ook als de praktijk daar soms bij achterblijft.

Laten we de lijst nagaan. Als het volk in het land is, breekt de tijd van de richters aan. Van hen worden er vier genoemd. Gideon en Barak hebben hun geloofswerk in kleine kracht gedaan. Simson en Jefta hebben ook in het geloof gehandeld, maar hun werk is duidelijk niet vlekkeloos. In beide tweetallen staat de belangrijkste voorop, terwijl chronologisch de volgorde andersom is. Van alle richters geldt dat hun bevrijdingen slechts tijdelijk zijn. Geen van hen heeft voor een duurzame vrede kunnen zorgen.

Na de richtertijd volgt de tijd van de profeten en de koningen. Van de profeten wordt Samuel genoemd, en van de koningen David. Ook hier is de chronologie omgekeerd. Eerst wordt David genoemd, daarna Samuel. David is de koning naar Gods hart en Samuel is zijn voorloper.

De profeten spraken tot het geweten van het volk. Zij sterven liever dan de leugen te prediken en gaan liever met een goed geweten naar de hemel dan dat zij met een slecht geweten op aarde blijven.

Hoewel David de koning naar Gods hart is, heeft ook hij het volk niet in de rust gebracht (Hb 4:7-87stelt Hij opnieuw een bepaalde dag vast: ‘Heden’, als Hij in David zo lange tijd daarna zegt, zoals tevoren gezegd is: ‘Heden, als u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet’.8Want als Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij daarna niet over een andere dag gesproken hebben.). De uiteindelijke rust blijft ook voor hem een zaak van geloof, waarvan de vervulling zal gebeuren door Hem, Die zowel zijn Zoon (Mt 1:11Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.) als zijn Heer is (Mt 22:41-4541Toen nu de farizeeën bijeen waren, vroeg Jezus hun aldus:42Wat denkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Van David.43Hij zei tot hen: Hoe noemt David Hem dan in [de] Geest ‘Heer’, als hij zegt:44‘[De] Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden onder Uw voeten stel’?45Als dan David Hem ‘Heer’ noemt, hoe is Hij zijn Zoon?).

V3333die door middel van [het] geloof koninkrijken onderwierpen, gerechtigheid oefenden, [de] beloften ontvingen, leeuwenmuilen toestopten,. Na deze namen volgt een aantal daden die door middel van geloof zijn gedaan. Ik wil proberen bij elke daad een voorbeeld te plaatsen:
1. “koninkrijken onderwierpen”: richters en David;
2. “gerechtigheid oefenden”: handhaven van het recht door richters en koningen;
3. “beloften ontvingen”: kan zijn het beloofde ontvangen, maar ook iets beloofd krijgen;
4. “leeuwenmuilen toestopten”: Daniël (Dn 6:22-2322Toen sprak Daniël tot de koning: O koning, leef in eeuwigheid!23Mijn God heeft Zijn engel gezonden en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten. Ze hebben mij geen letsel toegebracht, omdat ik voor Hem onschuldig ben bevonden. Ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad begaan.), Simson, David, Benaja;
5. V3434[de] kracht van [het] vuur blusten, [de] scherpte van [het] zwaard ontvluchtten, uit zwakheid krachten verkregen, in [de] oorlog sterk werden, legers van vreemden op de vlucht dreven.. “kracht van vuur blusten”: de drie vrienden van Daniël (Dn 3:14-2714Nebukadnezar antwoordde en zei tegen hen: Is het waar, Sadrach, Mesach en Abed-Nego, dat u mijn goden niet vereert en het gouden beeld dat ik heb opgericht, niet aanbidt?15Nu dan, als u bereid bent op het ogenblik dat u het geluid van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, panfluit, en allerlei muziekinstrumenten hoort, neer te vallen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb, [dan is het goed], maar als u het niet aanbidt, dan zult u op hetzelfde ogenblik midden in de brandende vuuroven worden geworpen. En wie is [dan] de god die u uit mijn handen kan verlossen?16Sadrach, Mesach en Abed-Nego antwoordden en zeiden tegen koning Nebukadnezar: Wij hoeven u hierop geen antwoord te geven.17Als het moet, kan onze God, Die wij vereren, ons verlossen uit de brandende vuuroven, en Hij zal ons, o koning, uit uw hand verlossen.18En zo niet, het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden.19Toen werd Nebukadnezar met grimmigheid vervuld, en zijn gelaatsuitdrukking tegenover Sadrach, Mesach en Abed-Nego veranderde. Hij nam het woord en zei dat men de oven zevenmaal heter moest stoken dan men gewoon was hem te stoken.20[Enkele] mannen, de sterkste mannen uit zijn leger, beval hij dat zij Sadrach, Mesach en Abed-Nego moesten binden om hen in de brandende vuuroven te werpen.21Toen werden deze mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, hun mutsen en hun [andere] kleren, en zij wierpen hen midden in de brandende vuuroven.22Omdat het woord van de koning [zo] dwingend was en de oven uitzonderlijk heet [gestookt] was, hebben de vlammen van het vuur deze mannen die Sadrach, Mesach en Abed-Nego naar boven brachten, gedood.23Maar [toen] deze drie mannen – Sadrach, Mesach en Abed-Nego – gebonden midden in de brandende vuuroven gevallen waren,24sloeg koning Nebukadnezar de schrik om het hart. Haastig stond hij op, nam het woord en zei tegen zijn raadslieden: Hebben wij niet drie mannen gebonden midden in het vuur geworpen? Zij antwoordden en zeiden tegen de koning: Jazeker, o koning!25Hij antwoordde en zei: Zie, ik zie vier mannen midden in het vuur vrij rondlopen! Zij hebben geen letsel en de aanblik van de vierde lijkt op [die van] een zoon van de goden.26Toen kwam Nebukadnezar dichter bij de opening van de brandende vuuroven. Hij nam het woord en zei: Sadrach, Mesach en Abed-Nego, dienaren van de allerhoogste God, ga naar buiten en kom [hier]! Daarop gingen Sadrach, Mesach en Abed-Nego uit het midden van het vuur.27Toen kwamen de stadhouders, de machthebbers, de landvoogden en de raadslieden van de koning bijeen. Zij zagen aan deze mannen dat het vuur geen vat had gekregen op hun lichaam: het haar van hun hoofd was niet geschroeid, en hun mantels waren niet verteerd, ja, er hing [zelfs] geen brandlucht aan hen.) die de kracht van het vuur blusten, niet het vuur zelf, want anderen werden erdoor verteerd;
6. “scherpte van zwaard ontvluchtten”: David, Elia (terwijl anderen met het zwaard werden gedood, vers 3737Zij werden gestenigd, in stukken gezaagd, <verzocht,> met [het] zwaard vermoord, zij liepen rond in schapenvachten, in geitenvellen, leden gebrek, werden verdrukt, mishandeld –);
7. “uit zwakheid krachten verkregen”: Gideon, Jonathan; zij bewezen dat het zwakke van God sterker is dan de mensen;
8. “in oorlog sterk werden”: Asa, Josafat;
9. “legers van vreemden op de vlucht dreven”: veel richters en koningen;
10. V3535Vrouwen kregen hun doden door opstanding terug; anderen echter werden gefolterd zonder de verlossing aan te nemen, opdat zij een betere opstanding verkregen.. “vrouwen kregen hun doden door opstanding terug”: weduwe in Zarfath, de Sunamietische.

In de zojuist genoemde situaties is het geloof werkzaam gebleken ten gunste van de gelovigen en dat soms op wonderlijke wijze. Nu volgen voorbeelden van situaties waarin het geloof ook werkzaam is in hen die zwaar lijden en zelfs gedood worden. Dit lijden en de dood zouden dwaasheid zijn als met de dood alles uit was.

1. “gefolterd zonder de verlossing aan te nemen”: wrede pijniging ondergaan, terwijl een voor het geloof onacceptabel aanbod, waardoor de foltering zou ophouden, wordt afgeslagen; zij geloofden in “een betere opstanding” en zagen daarnaar uit;
2. V3636En anderen ondergingen [de] beproeving van bespottingen en geselingen; ja zelfs van boeien en gevangenschap.. “beproeving van bespottingen en geselingen”: Jeremia, geloofshelden uit de Makkabeeën;
3. “boeien en gevangenschap”: idem; Jozef;
4. V3737Zij werden gestenigd, in stukken gezaagd, <verzocht,> met [het] zwaard vermoord, zij liepen rond in schapenvachten, in geitenvellen, leden gebrek, werden verdrukt, mishandeld –. “gestenigd”: Stéfanus, Zacharia, Naboth;
5. “in stukken gezaagd”: volgens de traditie: Jesaja door koning Manasse;
6. “verzocht”: onder zware geestelijke of lichamelijke druk gezet worden om het geloof te verloochenen; om een compromis te sluiten, iets te herroepen, of in elk geval hun Heer te verloochenen;
7. “met zwaard vermoord”: massamoord door het zwaard (Dn 11:33b33De verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen. Zij zullen struikelen door zwaard en vlam, door gevangenschap en beroving – dagen [lang].; Hd 12:1-21Omstreeks die tijd nu sloeg koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente om hun kwaad te doen;2en hij doodde Jakobus, de broer van Johannes, met [het] zwaard.; Jr 26:2323Die haalden Uria uit Egypte en brachten hem naar koning Jojakim. Toen sloeg hij hem met het zwaard en wierp zijn dode lichaam op de begraafplaats van het gewone volk.; terwijl anderen de scherpte van het zwaard ontvluchtten, vers 3434[de] kracht van [het] vuur blusten, [de] scherpte van [het] zwaard ontvluchtten, uit zwakheid krachten verkregen, in [de] oorlog sterk werden, legers van vreemden op de vlucht dreven.);
8. “zij liepen rond in schapenvachten, geitenvellen”: Elia, Johannes;
9. “leden gebrek”: honger en dorst;
10. “werden verdrukt”: waren onder vreemde heerschappij;
11. “mishandeld”: algemene pijniging;
12. V3838de wereld was hen niet waard –, zij dwaalden rond in woestijnen, bergen, spelonken en de holen van de aarde.. “de wereld was hen niet waard”: de wereld kende geen enkele waarde toe aan mensen die zo leefden;
13. “dwaalden rond in woestijnen, bergen, spelonken en holen van de aarde”: deze plaatsen hebben veel geloofshelden zonder thuis een schuilplaats geboden, terwijl er op hen werd gejaagd als waren zij wild gedierte.

V3939En deze allen die door hun geloof getuigenis hebben verkregen, hebben de belofte niet ontvangen,. God heeft gezien en opgemerkt dat al deze gelovigen tot het einde toe zijn blijven geloven. Ze hebben op aarde niet gekregen wat hun is beloofd. Dat hebben ze nog steeds niet, ook niet in het paradijs, waar zij nu zijn.

V4040daar God voor ons iets beters had voorzien, opdat zij niet zonder ons tot volmaaktheid zouden komen.. Zij zullen het beloofde pas krijgen als ook de Hebreeën en ook wij het ontvangen. En wanneer is dat? Als Christus komt en het vrederijk zal oprichten. Dat is “iets beters” wat God heeft voorzien. Het ‘betere’ heeft altijd te maken met Christus als de verheerlijkte Mens in de hemel. Hij heeft die plaats daar gekregen van God, terwijl Hij op aarde verworpen is.

Met die Christus ben jij verbonden, terwijl je op aarde leeft. Abraham leefde in geloof op aarde met in zijn hart een hemelse gezindheid, terwijl hij uitzag naar een hemelse stad. Maar hij was niet met de hemel verbonden door middel van een Christus Die daar werkelijk zit in heerlijkheid en hij deelde niet in de verwerping van Christus op aarde. Dat is ons deel.

Daarom is de geringste in het koninkrijk der hemelen groter dan de grootste onder hen die zijn voorgegaan (Mt 11:1111Voorwaar, Ik zeg u: onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de doper; maar de geringste in het koninkrijk der hemelen is groter dan hij.). Daarom heeft God ermee gewacht om Zijn beloften te vervullen. Hij wilde niet dat de oudtestamentische gelovigen zonder ons tot volmaaktheid zouden komen, dat wil zeggen tot die heerlijke plaats van delen in de heerschappij van Christus.

Het is het voorrecht van alle gelovigen van alle tijden om te delen in de heerschappij van Christus. Het is bovenal het voorrecht van hen die op aarde hebben gedeeld in de verwerping van Christus. Dat zijn alleen de gelovigen die deel uitmaken van de gemeente en niet de gelovigen uit de tijd van het Oude Testament of van na de opname van de gemeente.

De schrijver gaat niet verder in op de bijzondere positie van die gelovigen. Dat is niet het onderwerp in deze brief. Uit andere brieven weten we dat de gemeente op een bijzondere manier verbonden is aan de Heer Jezus (Ef 1:10-1110dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,). Zo komen allen tot volmaaktheid die in het geloof hebben geleefd en vervult God aan ieder van hen Zijn onveranderlijke beloften.

Lees nog eens Hebreeën 11:31-40.

Verwerking: Hoe konden mensen tot zulke geloofsdaden komen? Hoe kun jij tot geloofsdaden komen?


Lees verder