Hebreeën
1-3 Zevenvoudige heerlijkheid van Christus 4-5 De Zoon ver boven de engelen (1) 6-14 De Zoon ver boven de engelen (2)
Zevenvoudige heerlijkheid van Christus

1Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon, 2Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft. 3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,

V11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,. Zonder een inleidend woord begint de brief direct met te wijzen op het spreken van God. Doordat God heeft gesproken, heeft Hij Zijn gedachten bekendgemaakt. Die zou je anders niet geweten hebben. God hoefde Zijn gedachten niet bekend te maken, maar het is wel een grote genade dat Hij dit toch heeft gedaan.

De schrijver wijst zijn lezers erop dat God vroeger “tot de vaderen gesproken had”. Dat maakt duidelijk dat de lezers in de eerste plaats gelovigen uit de Israëlieten zijn. Voor hen die uit het heidendom tot bekering zijn gekomen, zou deze uitdrukking immers geen zin en betekenis hebben gehad. Ook het feit dat God “in de profeten” heeft gesproken, geeft aan dat het om lezers van Joodse herkomst gaat. Daar rekent de schrijver zichzelf ook toe. Dat kun je zien aan het woord “ons”.

In de profeten is God “vele malen en op vele wijzen” tot de vaderen gekomen. Door de loop van de tijd heeft Hij vele malen op verschillende tijdstippen en door steeds weer andere profeten tot Zijn aardse volk gesproken. Hij heeft ook op vele verschillende manieren gesproken. Je kunt daarbij denken aan waarschuwingen, onderwijzingen, visioenen, dromen, wonderen, tekenen (vgl. Hs 12:1111En Ik zal tot de profeten spreken,
en Ík zal de visioenen talrijk maken,
en Ik zal door de dienst van de profeten in gelijkenissen spreken.
)
. Al dit spreken heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd. Het volk is telkens weer en steeds verder van God afgeweken.

Nadat God in de voorbije eeuwen op deze wijze tot Zijn volk heeft gesproken, heeft Hij ten slotte tot hen gesproken in Zijn Zoon. Dit spreken gebeurde aan het einde van de tijden. Dat zijn de tijden waarin God nog tot Zijn volk sprak, maar die op hun einde liepen en definitief eindigden toen Zijn volk Zijn Zoon verwierp. Dit spreken van God in Zijn Zoon gebeurde toen de Heer Jezus op aarde was. Het was een laatste poging van Gods kant om Zijn volk tot Zich terug te brengen.

Er is echter een enorm onderscheid tussen het spreken van alle voorgaande profeten en het spreken in de Zoon. De profeten waren mensen door middel van wie God Zich tot het volk richtte. Maar de Heer Jezus, de Zoon, is geen middel door wie God spreekt. Het spreken van de Heer Jezus is het spreken van God Zelf! De profeten spraken namens God. De Heer Jezus sprak niet namens God, maar in Zijn hoedanigheid van God. Zeker deed Hij dat als Mens op aarde, maar die Mens is God de Zoon.

Dat maakt Gods spreken in de Zoon buitengewoon indrukwekkend. Als God in de Zoon spreekt, is er geen sprake meer van gedeeltelijke of tijdelijke Goddelijke uitspraken, want alle spreken van de Zoon is voortdurend en volmaakt Goddelijk. De Zoon is oneindig ver verheven boven de profeten, zoals Hij dat ook is boven alle andere personen en ook boven de engelen tegen wie de Joden zo hoog opzien.

Als de schrijver zo de Zoon in zijn betoog heeft ingevoerd, gaat hij op onnavolgbare wijze de grote verhevenheid van de Zoon beschrijven. Hij doet dat door zeven heerlijkheden van deze alles en iedereen te boven gaande Persoon aan je voor te stellen.

1. V2a2Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.. In de eerste plaats is de Zoon door God gesteld “tot Erfgenaam van alle dingen”. Als Zoon zal Hij alles wat bestaat, in heerlijkheid bezitten. Het is Gods plan alles aan Zijn Mens geworden Zoon te onderwerpen. Hij kon als Erfgenaam de erfenis pas ontvangen nadat de erflater gestorven was (Hb 9:1717want een testament wordt geldig als de dood is ingetreden, daar het nimmer kracht heeft zolang de testamentmaker leeft.)).
Het wonderlijke is nu dat Hij zowel Erflater als Erfgenaam is. En hoe heeft Hij als Erfgenaam de erfenis verkregen? Door als Erflater te sterven. Je kunt zeggen dat het Gods erfenis is en dat dus God de Testamentmaker is, terwijl Christus de Erfgenaam is. Maar Christus is Zelf God, zodat Hij door Zijn eigen dood – natuurlijk als Mens, want God kan niet sterven – de erfenis ontvangt. Dit is een voor ons verstand niet te begrijpen mysterie, maar voor het geloof is dit wonder een reden om God te aanbidden.
Daar komt nog iets wonderlijks bij. Hij is de Erfgenaam, maar door Gods wondere genade ben jij mede-erfgenaam van ‘alle dingen’, dat is het hele universum, niets uitgesloten (Rm 8:16-1716De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.17En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, als wij inderdaad met [Hem] lijden, opdat wij ook met [Hem] verheerlijkt worden.; Gl 4:77U bent dus niet meer slaaf, maar zoon; en bent u zoon, dan ook erfgenaam door God.). Geeft dat bewustzijn geen moed om te volharden?

2. V2b2Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.. Zijn tweede heerlijkheid is Zijn scheppingsmacht. Door Hem heeft God “ook de werelden [van mensen, engelen en sterren] gemaakt”. Heel het uitgestrekte systeem van dit heelal is het werk van de hand van Hem, Die tot ons heeft gesproken: de Goddelijke Christus. Zonder Hem is niet één ding geworden, dat geworden is (Jh 1:33Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.).

3. V3a3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,. Het derde is dat, wat er ook aan heerlijkheid van God naar buiten straalt, dit altijd gebeurt door de Zoon. De Zoon is “[de] uitstraling … van Zijn heerlijkheid”. Het licht van de heerlijkheid van God is zichtbaar geworden in Hem. Hij is het beeld van de onzichtbare God (Ko 1:1515Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,). Het is net zoals met de zon en zijn stralen. Waar de zon is, daar straalt hij, en waar zonnestralen zijn, daar is de zon. De stralen en de zon zijn volkomen van dezelfde aard. Het is ondenkbaar dat er zonnestralen zijn los van de zon. De stralen zijn ook niet tegen te houden of te bevuilen. Wat de mens ook deed met de Zoon op aarde, nooit konden de stralen worden tegengehouden of verduisterd of besmet.

4. V3b3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,. Maar Hij is ten vierde ook de zon zelf en niet alleen de uitstraling. Hij is niet slechts een afspiegeling van God, nee, het wezen van God is in Hem. De Zoon is “[de] afdruk van Zijn wezen”. Alles wat God in de hoge is, is Christus als Mens. Het wordt in Hem ‘afgedrukt’ (vgl. Dt 4:15-16,2515U moet, omwille van uw leven, zeer op uw hoede zijn – u hebt immers geen enkele gestalte gezien op de dag dat de HEERE bij de Horeb tot u sprak vanuit het midden van het vuur –16dat u niet verderfelijk handelt en voor u een beeld maakt, de afbeelding van enig afgodsbeeld, de vorm van een man of vrouw,25Als u kinderen en kleinkinderen verwekt zult hebben en in het land oud geworden zult zijn en verderfelijk zult handelen, [als] u een beeld zult maken, de afbeelding van enig ding, en doen wat slecht is in de ogen van de HEERE, uw God, om Hem tot toorn te verwekken,; Ex 33:9-11,20-239Zodra Mozes de tent binnenging, gebeurde het dat de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tent bleef staan en dat [de HEERE] met Mozes sprak.10En zodra heel het volk de wolkkolom zag staan bij de ingang van de tent, stond heel het volk op en boog zich neer, ieder in de opening van zijn tent.11De HEERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt. Daarna keerde hij terug naar het kamp, maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jongeman, week niet uit het midden van de tent.20Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.21Ook zei de HEERE: Zie, [hier] is een plaats bij Mij, [waar] u op de rots moet gaan staan.22En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben.23En zodra Ik Mijn hand wegneem, zult u Mij van achteren zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.). Heel het wezen van God is in Hem terug te vinden als een afdruk.
Wat zichtbaar is in de Zoon, komt volkomen overeen met en is identiek aan de onzienlijke God. Er is geen gedachte in God, of Christus is er de uitdrukking, de afdruk, van. Hij is Zelf God, evenzeer als de Vader en de Geest Die in en door Hem ook in Hun volle hoedanigheid worden geopenbaard. Je ziet de drie-enige God in Hem in alles wat Hij zegt en doet.

5. V3c3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,. Zijn vijfde heerlijkheid is dat Hij “alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht”. Dat woord, Zijn spreken, bezit Goddelijke kracht (Ps 33:6,96Door het Woord van de HEERE is de hemel gemaakt,
door de Geest van Zijn mond heel hun legermacht.
9Want Híj spreekt en het is er,
Híj gebiedt en het staat er.
)
. Hij is Schepper en houdt tevens alles in stand. Nadat Hij alles heeft geschapen, zorgt Hij ook voor wat Hij heeft geschapen, want Hij heeft alles geschapen met een doel. Alle dingen bestaan samen in Hem (Ko 1:1717En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.), alles wordt door Hem samengehouden.
Hij draagt alle dingen niet als een dode zaak op Zijn rug, opdat het niet valt, maar leidt alles naar een doel. Het dragen houdt beweging en voortgang in. Een voorbeeld daarvan zie je in Zijn dagelijkse zorg voor al de Zijnen. Op elk van de talloze gebeden die elke dag tot Hem worden gedaan voor allerlei zaken, kan Hij door het woord van Zijn kracht antwoorden. Hij zorgt voor het onderhoud van de hele schepping en elk individueel leven.

6. V3d3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,. Een zesde Goddelijke heerlijkheid wordt in Hem als Mens zichtbaar. Die heerlijkheid betreft “de reiniging van de zonden”. Het gaat hier niet om ‘onze’ zonden, maar om het feit van de reiniging van de zonden. Dat Hij die “tot stand heeft gebracht”, voegt toe aan de heerlijkheid van de Zoon. Hij deed het “door Zichzelf”. Dit onderstreept extra dat de Zoon het verlossingswerk geheel alleen en in eigen kracht heeft volbracht. Reiniging van de zonden betekent dat Hij de zonden heeft verwijderd.

7. V33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,e. Ook de zevende Goddelijke heerlijkheid zie je in Hem als Mens. Hij is “gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge”. Als Mens heeft Hij, na de reiniging van de zonden tot stand te hebben gebracht, Zijn plaats ingenomen in de hoge. Dat Hij daar is, bewijst de volmaaktheid van Zijn werk. Daardoor is volledig voldaan aan alles wat in verband staat met de majesteit van God. Daarom heeft Hij recht op die plaats. Hij zit daar, wat een houding van rust aangeeft. Hij zit aan de rechterhand, wat de plaats van eer aangeeft.

Op Hem dáár, gezeten in de hoge, worden steeds je ogen gericht als je deze brief leest. Mocht je er ooit aan twijfelen of je zonden zijn weggedaan, kijk dan naar Hem dáár. Het zien op Hem dáár maakt een einde aan alle twijfel.

Overigens wordt de Heer Jezus vier keer in deze brief gezien aan de rechterhand van God:
1. In Hebreeën 1:3, waar Hij in Zijn eigen, persoonlijke heerlijkheid daar gaat zitten, nadat Hij de reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht.
2. In Hebreeën 8:1-2 met betrekking tot Zijn hogepriesterlijke dienst.
3. In Hebreeën 10:12 met het oog op het eens voor altijd door Hem volbrachte offer, waardoor Hij als Priester kan zitten, want het offer hoeft nooit meer herhaald te worden.
4. Ten slotte in Hebreeën 12:2 waar het niet in verbinding staat met Zijn Persoon, Zijn dienst of Zijn volbrachte werk, maar met Zijn innerlijke gevoelens van ‘de vreugde die voor Hem lag’.

Lees nog eens Hebreeën 1:1-3.

Verwerking: Overdenk de diverse heerlijkheden van Christus en zeg tegen Hem hoezeer je Hem daarvoor bewondert.


De Zoon ver boven de engelen (1)

4zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender Naam geërfd heeft dan zij. 5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?

Ik denk dat het goed is om nog even stil te staan bij de wijze waarop de Heer Jezus in deze brief wordt voorgesteld. Het is niet eenvoudig om Zijn verschillende heerlijkheden te onderscheiden. Hij is immers God én Mens in één Persoon. Ik wil proberen hierover iets te zeggen. Uit de vorige verzen heb je begrepen dat Hij nu als Mens in de hemel is. Hij heeft daar als Mens Zijn plaats ingenomen, nadat Hij door Zijn werk op het kruis de reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht.

Vóór die tijd was Hij wel in de hemel, maar niet als Mens. Hij was niet van eeuwigheid af Mens. Hij is Mens geworden door Zijn geboorte op aarde. Johannes spreekt over “Jezus Christus als in [het] vlees gekomen” (2Jh 1:77Want er zijn vele verleiders uitgegaan in de wereld, die niet Jezus Christus als in [het] vlees gekomen belijden. Dit is de verleider en de antichrist.) en over “het Woord is vlees geworden” (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.). De Heer Jezus was er wel, want Hij is de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader, maar Hij werd Mens, of, zoals Johannes zegt, is “in [het] vlees gekomen” of “is vlees geworden”. Dat kan alleen gezegd worden van iemand die er als persoon al was, maar nu op een andere manier komt.

En hoe gebeurde dat? God de Heilige Geest verwekte Hem in Maria (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.). Dit betekent dat de Heer Jezus op twee manieren Zoon van God is:
1. Hij is God de Zoon vanaf alle eeuwigheid.
2. Hij is op een nieuwe wijze Zoon geworden toen Hij op aarde werd geboren. Ook als Mens is God Zijn Vader.

Zijn eeuwig Zoonschap is in deze brief steeds aanwezig. Soms komt dit ook naar voren, zoals in de vorige verzen in Zijn heerlijkheid als Schepper en als Drager van alle dingen. Maar in deze brief ligt de nadruk toch op het feit dat Hij als Mens de Zoon van God is. In Zijn Persoon zijn talloos veel heerlijkheden te vinden. Als beperkte mensen kunnen wij de omvang van al die heerlijkheden niet in zijn geheel zien. Wij kunnen die ‘ten dele’ zien (1Ko 13:99Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele,), dat wil zeggen dat wij telkens een deel van die heerlijkheid kunnen zien en bewonderen. Op deze manier gaat de schrijver hier te werk.

V44zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender Naam geërfd heeft dan zij.. We keren terug naar onze bespreking van Hebreeën 1. We zijn bij vers 44zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender Naam geërfd heeft dan zij. aangekomen, waar de schrijver op het voorgaande aansluit door nu de heerlijkheid van de Zoon te vergelijken met de engelen. Engelen namen een bijzondere plaats in het Joodse systeem in. Het aardse volk van God heeft de wet door middel van engelen ontvangen (Hd 7:5353u die de wet door beschikking van engelen hebt ontvangen en niet gehouden!; Gl 3:1919Waartoe dan de wet? Ter wille van de overtredingen werd zij er bijgevoegd, totdat het Zaad zou komen waaraan de belofte was gedaan; [de wet] die door engelen werd verordend in [de] hand van een middelaar.). En als de HEERE, Jahweh, in het Oude Testament verscheen, deed Hij dat gewoonlijk ook in de gedaante van een engel, als de Engel van de HEERE.

Voor een Jood zijn na God de engelen de hoogste wezens. Ze hebben er diep respect voor. Johannes bijvoorbeeld wilde een engel aanbidden (Op 19:1010En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden; en hij zei tegen mij: Zie toe, [doe dit] niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie.; 22:8-98En ik, Johannes, ben het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik ze hoorde en zag, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen toonde.9En hij zei tegen mij: Zie toe, [doe dit] niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders, de profeten, en van hen die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God!). Een mens is voor een Jood veel lager dan een engel. Nu is de Heer Jezus Mens geworden. Zo is Hij in de hemel. Dat levert voor het denken van de Jood een probleem op. Christus is Mens geworden en is Hij toch meer dan de engelen?

Als de eeuwige Zoon en ook als Schepper was Hij altijd boven de engelen verheven. De Joden moeten er echter nog oog voor krijgen dat Hij ook als Mens boven de engelen staat en wel omdat Hij ook als Mens de Zoon van God is. Voor de engelen is dat geen probleem. Die zien in Hem, ook toen Hij als Mens op aarde was, hun Heer en Meester. Engelen hebben Hem bij Zijn geboorte geëerd (Lk 2:10,13-1410En de engel zei tot hen: Weest niet bang, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor het hele volk zal zijn;13En plotseling was er met de engel een menigte van een hemelse legermacht, die God prees en zei:14Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in mensen van [Zijn] welbehagen.). En tijdens Zijn leven dienden ze Hem en stonden klaar dat te doen (Mt 4:1111Toen verliet de duivel Hem; en zie, engelen kwamen bij Hem en dienden Hem.; 26:5353Of meen je dat Ik Mijn Vader niet kan bidden en Hij zal Mij dadelijk meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?; vgl. 1Tm 3:1616En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.).

Nu is Hij als Mens teruggekeerd naar de hemel, ‘de hoge’ (vers 33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,), waar Hij als de eeuwige Zoon altijd is geweest. Daar heeft God Hem een heerlijkheid verleend die Hij daarvoor niet bezat. Door die plaats als Mens in te nemen, is er een dimensie toegevoegd aan de afstand in heerlijkheid die er was tussen Hem en de engelen. Dat wordt aangegeven door de woorden “zoveel meer geworden”.

Ook hier is sprake van iets ‘geworden’ zijn, wat erop duidt dat het eerst niet aanwezig was. De afstand tussen Hem en de engelen was altijd al onmetelijk groot en kan niet groter worden. Wel kan Zijn uitnemendheid boven de engelen nog meer nadruk krijgen. Dat gebeurt door de nieuwe naam die Hij heeft geërfd. Die naam is Hem door God gegeven nadat Hij was gestorven – erven staat immers met de dood in verbinding –, was opgestaan en naar de hemel was teruggekeerd. Het is de Naam die boven alle naam is (Fp 2:99Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,).

Dan is voor de schrijver het ogenblik gekomen om Zijn uitnemendheid boven de engelen te bewijzen. Hiervoor haalt hij meerdere gedeelten uit het Oude Testament aan die van de Messias spreken. De gelovigen aan wie hij schrijft, zijn daar goed mee bekend. De aangehaalde gedeelten zullen hen overtuigen. Ze geven een eensluidend getuigenis. In zeven aanhalingen uit het Oude Testament en wel uit de Griekse vertaling daarvan, de Septuaginta, wordt de alles te boven gaande verhevenheid van de Zoon aangetoond.

Om de kracht van deze aanhalingen te zien moet je wel proberen je te verplaatsen in de gelovige Jood. Ook dit is geen eenvoudig gedeelte, maar je moeite om er iets van te begrijpen zal dubbel en dwars beloond worden. Het heeft voor mij ook een aardig poosje geduurd, voordat ik een beetje ging begrijpen hoe indrukwekkend dit getuigenis uit het Oude Testament is. Ik geef je eerst de aanhalingen op een rij:

1. Hij is hoger dan de engelen, want Hij is de Zoon, en wordt door hen aangebeden (verzen 4-64zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender Naam geërfd heeft dan zij.5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?6En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’., aanhalingen uit (1) Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
; (2) 1Kr 17:1313Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was,; (3) Ps 97:77Beschaamd moeten zijn allen die beelden dienen
en zich op de afgoden beroemen.
Buig u voor Hem neer, alle goden.
);
2. Zijn troon is eeuwig, dus boven elke troon verheven (verzen 7-87En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’,8maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap., aanhalingen uit (4) Ps 104:44Hij maakt Zijn engelen [tot hulpvaardige] geesten,
Zijn dienaren [tot] vlammend vuur.
; (5) Ps 45:77Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd;
de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid.
);
3. Hij is verheven boven Zijn metgezellen (vers 99U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’., aanhaling uit (5) Ps 45:88U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
);
4. Hij is verheven boven Zijn schepping, want daaraan komt een eind (verzen 10-1210En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.11Zij zullen vergaan, maar U blijft;12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’., aanhaling uit (6) Ps 102:2626U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
);
5. Hij is verheven boven de tijd (vers 1212en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’., aanhaling uit (6) Ps 102:27-2827Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
28Maar U blijft Dezelfde,
aan Uw jaren zal geen einde komen.
);
6. Hij is verheven boven Zijn vijanden (vers 1313Tegen wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’?, aanhaling uit (7) Ps 110:11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
); en nog eens:
7. Hij is verheven boven de engelen (verzen 13-1413Tegen wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’?14Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?, aanhaling uit (7) Ps 110:11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
).

In deze aanhalingen zie je ook nog een chronologische volgorde. Ze gaan over
1. Zijn geboorte (vers 5a5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?),
2. Zijn aanwezigheid op aarde in gemeenschap met de Vader (vers 5b5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?),
3. Zijn wederkomst in de wereld (vers 66En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.),
4. Zijn koningschap in het vrederijk (vers 88maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap.) en
5. de eeuwige toestand na het vrederijk (vers 1111Zij zullen vergaan, maar U blijft;).

V5a5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?. De eerste bewijsplaats (vers 5a5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’? - Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
)
laat de verhevenheid van de Zoon boven de engelen zien door op Zijn positie als Zoon te wijzen. Nooit heeft God tegen een bepaalde engel persoonlijk gezegd: “U bent Mijn Zoon.” Engelen worden wel zonen van God genoemd (Gn 6:22dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen, dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden.; Jb 1:66Het gebeurde [op] een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam.), maar dan gaat het om zonen als schepselen, zoals ook Adam “zoon … van God” wordt genoemd (Lk 3:23,3823En Hij, Jezus, begon ongeveer dertig jaar oud te worden, en was, naar men meende, een Zoon van Jozef, de [zoon] van Eli,38van Enos, van Seth, van Adam, van God.). Hier wordt de naam ‘Zoon’ gegeven aan de Messias geboren op aarde. Het gaat dus om Zijn verhouding in de tijd. Hij was in de eeuwigheid de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader en daarbij is sinds Zijn geboorte ook Zijn verhouding als op aarde geboren Zoon gekomen.

Er wordt door sommigen geleerd dat Hij pas Zoon geworden is, toen Hij geboren was, terwijl Zijn eeuwig Zoonschap geloochend wordt. Maar als Hij pas en alleen Zoon geworden was bij Zijn geboorte, dan had de volgorde in Psalm 2 moeten zijn: ‘Ik heb U heden verwekt, U bent mijn Zoon.’ Er staat echter eerst: “U bent Mijn Zoon” (Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
)
. Vervolgens wordt vastgesteld dat die Zoon “verwekt” werd, dat wil zeggen Mens werd. Zo wordt eerst de eeuwige verhouding vastgesteld en daarna de nieuwe verhouding.

V5b5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?. De tweede aanhaling (vers 5b5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’? - 2Sm 7:1414Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.; 1Kr 17:1313Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was,) staat in de toekomende tijd: “Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn.” Dat kan niet slaan op Zijn verhouding tot Zijn Vader in de eeuwigheid, want die heeft geen begin. Het slaat op Zijn verhouding in de tijd, vanaf Zijn geboorte. God maakt hier duidelijk in welke verhouding de Messias tot Hem staat.

Deze woorden hebben in de eerste plaats betrekking op Salomo, de zoon van David. Salomo is een voorbeeld van de Heer Jezus als de Vredevorst. Daarom kan de Heilige Geest deze verzen aanhalen en ze toepassen op dé Zoon van David, de Heer Jezus (vgl. Mt 1:11Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.). Een toepassing op engelen is onmogelijk.

Weet je op wie deze aanhaling nog meer wordt toepast? Op jou en mij! Lees maar in 2 Korinthiërs 6 (2Ko 6:1818en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.). In het verband van dat gedeelte gaat het erom dat je je zó gedraagt, dat God Zich ook echt jouw Vader kan noemen en jou als Zijn zoon of dochter kan erkennen. Dan lijk je op de Heer Jezus, Die Hij ook Zoon noemt.

Lees nog eens Hebreeën 1:4-5.

Verwerking: Wat heb je geleerd over het verschil tussen de Heer Jezus en de engelen?

 

De Zoon ver boven de engelen (2)

6En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’. 7En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’, 8maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap. 9U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’. 10En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen. 11Zij zullen vergaan, maar U blijft; 12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’. 13Tegen wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’? 14Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?

V66En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.. De derde aanhaling (vers 66En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’. - Ps 97:77Beschaamd moeten zijn allen die beelden dienen
en zich op de afgoden beroemen.
Buig u voor Hem neer, alle goden.
)
gaat over het aanbidden van de Zoon. Aanbidding komt alleen een Goddelijke Persoon toe. God roept “alle” engelen hiertoe op, niet slechts een paar. Ze worden “engelen van God” genoemd, dat wil zeggen schepselen die Hem het naaste staan en de instrumenten van Zijn macht en regering zijn. In die positie moeten ze de Messias aanbidden.

God doet deze oproep, “wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld”. Dat slaat zeker op Zijn geboorte in Bethlehem. Toen bracht God Hem in de wereld en hebben de engelen God geprezen (Lk 2:1313En plotseling was er met de engel een menigte van een hemelse legermacht, die God prees en zei:). Maar God zal Hem nog een keer in de wereld inbrengen. Dan komt Hij niet meer als een Baby, maar in macht en majesteit (Op 19:11-1611En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.). Hij komt als ‘Eerstgeborene’, dat wil zeggen dat Hij te midden van anderen is en onder hen de eerste plaats heeft. Dat blijkt ook uit de beschrijving van Zijn wederkomst in Openbaring 19 (Op 19:11-1611En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.). Hij is ook de Eerstgeborene van de hele schepping (Ko 1:1515Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,), de Eerstgeborene uit de doden (Ko 1:1818En Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij Die [het] begin is, [de] Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen.; Op 1:55en van Jezus Christus, de trouwe Getuige, de Eerstgeborene van de doden en de Overste van de koningen van de aarde. Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed,) en de Eerstgeborene onder vele broeders (Rm 8:2929Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.).

V77En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’,. De vierde aanhaling (vers 77En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’, - Ps 104:44Hij maakt Zijn engelen [tot hulpvaardige] geesten,
Zijn dienaren [tot] vlammend vuur.
)
laat zien dat de engelen tot iets zijn gemaakt, namelijk tot “geesten” en “dienaars”. De Zoon is echter niet tot iets gemaakt. De boodschappers, deze onzichtbare wezens, zijn snel en onzichtbaar als de wind, maar hun werk is waar te nemen. Het zijn dienaren met een macht als vuur, vreselijk, schrikwekkend, verterend. Daarmee zijn engelen ver boven mensen verheven, maar de Zoon is weer oneindig ver boven de engelen verheven. Terwijl Hij Zoon is, worden engelen vergeleken met niet meer dan de elementaire krachten van wind en vuur.

V8-98maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap.9U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’.. De vijfde aanhaling is uit Psalm 45 (Ps 45:7-87Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd;
de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid.
8U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
)
. Psalm 45 is een Messiaanse psalm, waarin de Godheid van de Messias sterk wordt benadrukt. De psalmist spreekt de Messias aan met “God”. Zoals gezegd, is de Zoon niet tot iets gemaakt, zoals de engelen, maar God erkent Hem in wat Hij is: God. God spreekt over Zijn “troon”. Dat is Zijn aardse troon, die ophoudt te bestaan zodra Hij bezitneemt van een eeuwige troon. Het is een eeuwige troon omdat rechtmatigheid de grondslag ervan is.

De Messias oefent Zijn heerschappij, waarvan de scepter het symbool is, uit als de rechtmatige Koning. Niemand kan Hem Zijn koningschap betwisten en niemand kan de rechtvaardigheid van Zijn regering ter discussie stellen. Elke grond daarvoor ontbreekt. Wat engelen betreft, zij zitten niet op een troon, maar zij staan vóór de troon, klaar om te dienen.

Hij heeft recht op die plaats. Dat heeft Hij bewezen toen Hij op aarde was. Toen heeft Hij laten zien dat Hij gerechtigheid liefhad en wetteloosheid haatte. Daarom was Hij voor God een vreugde en daarom zalfde God Hem met vreugdeolie boven Zijn metgezellen, dat is het gelovig overblijfsel.

Het is mooi om in deze aanhaling te zien hoe aan de ene kant de Godheid van de Heer Jezus weer wordt bevestigd, evenals Zijn eeuwige troon. Aan de andere kant zie je Hem als de getrouwe Mens op aarde waar Hij Godvrezende mensen tot Zijn metgezellen maakt boven wie Hij tegelijkertijd weer hoogverheven is.

V10-1210En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.11Zij zullen vergaan, maar U blijft;12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’.. Zijn heerlijkheid wordt vervolgens nog uitgebreider voorgesteld: Hij is Jahweh. Daarover kan door de zesde aanhaling (verzen 10-1210En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.11Zij zullen vergaan, maar U blijft;12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’. - Ps 102:26-2826U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
27Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
28Maar U blijft Dezelfde,
aan Uw jaren zal geen einde komen.
)
geen enkel misverstand meer mogelijk zijn. Vóór de aanhaling staat ‘en’, waardoor deze aanhaling duidelijk op de voorgaande aansluit en toevoegt aan wat al over de Zoon is gezegd. In Psalm 102 wordt Hij niet slechts als Mens gezien, maar als Mens in de diepste vernedering, in Zijn lijden en ten slotte in Zijn dood.

Tevens wordt Hij door God erkend als de Maker van hemel en aarde. De psalm is de profetische uiting van het hart van de Heiland in het vooruitzicht van wat Hem als Mens op aarde overkomt. Je hoort er ook Gods antwoord aan Hem in. Het antwoord houdt in dat, hoe vernederd Hij ook mag zijn, Hij tegelijk de Schepper is. Dat antwoord wordt door de schrijver hier aangehaald. Je leest dat God Zijn Zoon aanspreekt met: “U, Heer.” Voor de lezers van de brief, en ook voor jou, betekent dit dat de Jezus van het Nieuwe Testament de Jahweh van het Oude Testament is.

Dan lees je in de aanhaling over “in het begin” (vgl. Gn 1:11In het begin schiep God de hemel en de aarde.; Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.). Hij staat aan het begin van alle dingen. Alle dingen hebben hun begin te danken aan Hem Die Zelf geen begin heeft. Hij heeft ook geen einde, terwijl Zijn werken dat wel hebben, want zij zullen vergaan. Spotters zeggen wel dat alles blijft zoals van het begin van de schepping (2Pt 3:44en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó [als] van [het] begin van [de] schepping.), maar ze zullen bedrogen uitkomen. De materiële wereld heeft in zichzelf geen leven en is ook niet eeuwig zoals de Schepper ervan. Hier ga je in één zin van ontstaan naar vergaan, van het eerste vers van Genesis 1 naar het eerste vers van Openbaring 21 (Gn 1:11In het begin schiep God de hemel en de aarde.; Op 21:11En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.). Het geeft de enorme tegenstelling aan die er is tussen de Schepper en de schepping.

Hij is eeuwig Dezelfde. Zijn jaren zullen eindeloos voortduren, ook nu Hij Mens geworden is, want ook als Mens kent Hij geen einde. De schepping zal veranderd worden, maar Hijzelf is de Eeuwige en Onveranderlijke. “Veranderd worden” duidt op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Op 20:1111En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.; 21:11En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.). Het zal met de schepping gaan als met een “kleed” en Hij zal met de schepping handelen als met een “mantel”. Een kleed veroudert uiteindelijk en een mantel kun je samenrollen en verwisselen. Dat is met de Zoon niet het geval. Christus is Schepper en ook Herschepper.

V1313Tegen wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’?. De zevende aanhaling (vers 1313Tegen wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’? - Ps 110:11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
)
komt overeen met de zevende heerlijkheid van de Zoon in vers 33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,. Niet alleen is Zijn Persoon heerlijk en Goddelijk, niet alleen neemt Hij de eerste plaats in ten opzichte van alle schepselen in het heelal, maar Hij heeft Zijn eigen plaats aan de rechterhand van de Majesteit in de hemelen. Hij Die in de eeuwigheid bij God was, op aarde kwam, verworpen werd, maar toch straks zal regeren, is nu aan Gods rechterhand.

Het eerste vers van Psalm 110 (Ps 110:11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
)
wordt van alle verzen uit het Oude Testament het meest in het Nieuwe Testament aangehaald. Dat komt doordat in het Oude Testament eigenlijk alleen in dit vers iets wordt gezegd over de tegenwoordige plaats van de Heer Jezus in de hemel na Zijn lijden, sterven en opstanding en voordat Hij terugkomt.

Hij zit nu, terwijl engelen altijd staan (Lk 1:1919En de engel antwoordde en zei tot hem: Ik ben Gabriël die voor God sta, en ben gezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen.; Op 8:22En ik zag de zeven engelen die vóór God staan en hun werden zeven bazuinen gegeven.). Als Michaël en zijn engelen hebben gestreden tegen de draak en zijn engelen en hebben overwonnen (Op 12:7-87En er kwam oorlog in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, en de draak voerde oorlog en zijn engelen;8en hij was niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.), zullen zij terugkeren tot Gods tegenwoordigheid om daar te gaan staan op hun plaats van nederige dienaars in afwachting van de volgende opdracht. Wat God tegen de Zoon zegt, zal Hij nooit tegen de machtigste engel zeggen.

V1414Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?. Het hoofdstuk besluit met een vraag die een conclusie inhoudt. Engelen dienen, maar Christus regeert. Engelen zijn dienaars van God, maar ook van de gelovigen. Engelen zijn geesten, zij hebben geen stoffelijke lichamen. Zij zien de gelovigen, slaan hun doen en laten gade, zoals ook 1 Korinthiërs 11 bewijst (1Ko 11:1010Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen.), en schieten hen te hulp waar nodig omdat de gelovigen metgezellen van de Zoon zijn.

De gelovigen worden hier voorgesteld als zij “die [de] behoudenis zullen beërven”. Met de behoudenis wordt in deze brief het vrederijk bedoeld. Behoudenis moet je hier dus zien als iets wat in de toekomst ligt. Behoudenis wordt ook wel gezien als iets wat je nu al bezit. Zo mag je zeker weten dat je behouden bent op grond van je bekering tot God en je geloof in de Heer Jezus (Ef 2:88Want uit genade bent u behouden, door [het] geloof; en dat niet uit u, het is de gave van God;).

Het is belangrijk dat je, om te weten wat er met de uitdrukking ‘behoudenis’ wordt bedoeld, kijkt naar het verband waarin die staat. Behoudenis betekent vaak het geplaatst worden op een nieuw terrein, buiten het bereik van boze machten en verbonden met Christus. In het aangehaalde Efeziërs 2:8 gaat het erom dat je nu al in de hemel bent, in veiligheid op een terrein waar je verbonden bent aan een verheerlijkte Christus.

Zoals gezegd, gaat het in deze brief over behoudenis als een toekomstig iets. Dat houdt in dat er soms een zware en moeilijke weg gegaan moet worden voordat die behoudenis wordt bereikt. Dit geldt in elk geval voor de Joodse gelovigen. Vandaar dat ze dringend behoefte hebben aan een dienst van versterking, vertroosting en bescherming.

De Heer gebruikt Zijn engelen onder andere om de Zijnen te dienen. Hij zet ze in, Hij stuurt ze uit. Ze gaan op Zijn bevel. Zo stuurt Hij een engel naar Cornelius (Hd 10:33zag in een gezicht duidelijk omstreeks [het] negende uur van de dag een engel van God bij zich binnenkomen, die tot hem zei: Cornelius!) en naar Filippus (Hd 8:2626Een engel van [de] Heer nu sprak tot Filippus de woorden: Sta op en ga zuidwaarts de weg op die afdaalt van Jeruzalem naar Gaza; deze is woest.). Hij zet ze in om Lazarus tot Zich te nemen (Lk 16:2222Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.). God gebruikt engelen om ons te beschermen (Mt 4:66en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.; 18:1010Let erop dat u niet een van deze kleinen veracht; want Ik zeg u, dat hun engelen in [de] hemelen altijd het aangezicht zien van Mijn Vader Die in [de] hemelen is. [Vers; Hd 12:1515Zij zeiden echter tot haar: Je spreekt wartaal. Zij nu verzekerde dat het zo was. Zij echter zeiden: Het is zijn engel.). Deze engelen zijn de uitverkoren of heilige engelen (Mt 25:3131Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;; 1Tm 5:2121Ik betuig voor God en Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, zonder iets te doen uit partijdigheid.).

Je ziet een veelheid aan diensten die engelen verrichten en dat allemaal ten behoeve van jou en mij. Daarvoor komt niet de eer aan engelen toe – die zouden ze ook afwijzen (Op 22:8-98En ik, Johannes, ben het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik ze hoorde en zag, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen toonde.9En hij zei tegen mij: Zie toe, [doe dit] niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders, de profeten, en van hen die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God!), maar aan de Heer van de engelen, de Mens Jezus Christus, de Zoon van God, de Schepper en Erfgenaam van alle dingen.

Lees nog eens Hebreeën 1:6-14.

Verwerking: Welke heerlijkheden van de Heer Jezus heb je leren kennen? Aanbid Hem daarvoor.


Lees verder