Amos
Inleiding 1 Een korf met zomervruchten 2 Rijp voor het oordeel 3 Gezang verandert in rouwklacht 4 Nog eens: Hoor! 5 De grootspraak van de mens 6 De zucht naar meer 7 Weer een eed van de HEERE 9 Duisternis op klaarlichte dag 10 Rouw in plaats van feest 11 Een honger door de HEERE gezonden 12 Zoeken en niet vinden 13 De mooie en sterke jeugd bezwijkt 14 Verkeerd gezocht
Inleiding

Amos krijgt een vierde visioen te zien. Daarin ziet hij hoe het volk rijp is voor het oordeel. Hij erkent de rechtvaardigheid ervan, want hij doet geen voorbede meer. De handelwijze van het volk wordt nog eens beschreven als een extra argument dat het oordeel terecht is. Hun gedrag vraagt erom. God zal hun situatie volkomen op zijn kop zetten. Hij zal de klaarlichte dag verduisteren met de wolken van Zijn oordeel en Hij zal hun feesten veranderen in rouwklagen.

Daaroverheen geeft Hij hun een honger en dorst naar Zijn woorden. Maar ze zijn te ver van de HEERE afgeweken om bij Hem te komen om die honger en dorst te stillen. Voor het stillen van hun honger en dorst zoeken ze de afgoden in Bethel, Dan en Berseba.


Een korf met zomervruchten

1Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie: een korf met zomervruchten.

De valse koning en de valse profeet kunnen niet voorkomen dat het oordeel komt. Integendeel, zij versnellen het. Na de heftige confrontatie die in het vorige hoofdstuk is beschreven, gaat Amos onverschrokken voort zich door de HEERE te laten gebruiken. Wie geroepen is, kan ook niet anders. Hij bindt niet in, maar brengt zijn boodschap met dezelfde bezieling. Hij gaat gewoon door waar hij is gebleven. Hij geeft het volgende visioen door.

Een echte profeet is alleen de mond te snoeren als je hem doodt. Anders zwijgt hij niet. Hij kan dat ook niet omdat de HEERE niet zwijgt en hij is Zijn mond. En ook al wordt een echte profeet gedood, dan blijft volledig intact wat hij heeft gezegd. Hij heeft immers Gods Woord gesproken en dat “blijft tot in eeuwigheid” (1Pt 1:2525maar het Woord van [de] Heer blijft tot in eeuwigheid’. Dit nu is het Woord dat u verkondigd is.).

Dit vierde visioen sluit aan op de houding van Amazia, waaruit totale onwil blijkt om te buigen voor de levende God. Zijn houding is die van het hele volk. Daarmee blijkt het volk rijp te zijn voor het oordeel, dat in het vorige vers over Amazia en zijn huis is uitgesproken. Dit oordeel wordt voorgesteld in de korf met zomervruchten, zoals de HEERE Amos nu gaat verklaren.


Rijp voor het oordeel

2Toen zei Hij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een korf met zomervruchten. Daarop zei de HEERE tegen mij:
Het einde is gekomen voor Mijn volk Israël:
Ik zal het niet langer voorbijgaan.

De vraag “wat ziet u, Amos?” (vgl. Am 7:88Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een paslood. Daarop zei de Heere: Zie, Ik ga een paslood plaatsen in het midden van Mijn volk Israël. Ik zal het niet langer voorbijgaan.), dwingt Amos ertoe nauwkeurig te kijken en antwoord te geven. Zo wordt hij intens bij het visioen betrokken. God wil dat wij echt zien wat Hij laat zien en niet onze eigen visie geven op wat Hij toont. Dit is ook van belang met het oog op wat Hij in Zijn Woord zegt. Het past ons niet te zeggen: ‘Dat zie ik niet zo’, als God duidelijk in Zijn Woord heeft laten zien hoe Hij over bepaalde dingen denkt. Zo komt ook telkens als wij het Woord van God lezen, de vraag van de Heer tot ons, waarbij Hij onze naam noemt, net als bij Amos: ‘Wat zie jij …?’

De vraag aan Amos is duidelijk en niet moeilijk te beantwoorden. Zijn antwoord is precies wat God laat zien. Daarom krijgt hij te horen wat de betekenis is. Hierin ligt ook voor ons het geheim van het opgroeien “in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus” (2Pt 3:1818maar groeit op in [de] genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot [de] dag van [de] eeuwigheid. <Amen.>). Als wij in de Bijbel ‘zien’ wat God erin laat zien, maakt Hij de betekenis ervan duidelijk. Hij geeft ons dan inzicht in Zijn gedachten.

De zomervruchten tonen aan dat het einde zeker is en ook nabij. In het Hebreeuws is er een woordspeling. Het woord voor zomervruchten wordt bijna hetzelfde uitgesproken als het woord voor ‘einde’ in: “Het einde is gekomen voor Mijn volk Israël.”

Het vonnis “Ik zal het niet langer voorbijgaan” (vgl. Am 7:88Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een paslood. Daarop zei de Heere: Zie, Ik ga een paslood plaatsen in het midden van Mijn volk Israël. Ik zal het niet langer voorbijgaan.), zal rouw over Israël brengen, zoals destijds over Egypte (vers 1010Ik zal uw feesten in rouw veranderen,
al uw liederen in klaagzangen;
om alle heupen zal Ik een rouwgewaad aanbrengen,
elk hoofd zal kaal zijn,
omdat Ik het [land] in rouw dompel als over een enig [kind],
en wat ervan overblijft zal zijn als een bittere dag.
)
. Als mensen geen einde maken aan de zonde in hun leven, moet God een einde aan de mens maken, ook al betreft het Zijn volk Israël.


Gezang verandert in rouwklacht

3De tempelliederen zullen klagend klinken
op die dag, spreekt de Heere HEERE.
Talrijk zullen de dode lichamen zijn.
Op elke plaats
werpt men ze zwijgend weg.

Het feest dat zij ter gelegenheid van de oogst in hun afgodstempel vieren, zal door het aanbreken van het einde veranderen in een rouwklacht. Maar aan dit einde denken ze niet. Ze staan geen ogenblik stil bij het naderende oordeel. En als ze er al aan denken, dan zal het hun tijd wel duren. Zo leven ze vrolijk voort in de waan van ‘na ons de zondvloed’.

Ditzelfde kwalijke denken treffen we ook aan in de christenheid, zoals dat wordt voorgesteld in de gelijkenis van de goede en boze slaaf (Mt 24:45-5145Wie is dan de trouwe en wijze slaaf, die de heer over zijn huisbedienden gesteld heeft om hun het voedsel te geven op [de] juiste tijd?46Gelukkig die slaaf, die zijn heer, als hij komt, zo bezig zal vinden.47Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezittingen zal stellen.48Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt:49Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards,50dan zal de heer van die slaaf komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een uur dat hij het niet weet,51en hij zal hem in tweeën hakken en zijn lot bij [dat van] de huichelaars stellen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.). Er is geen lied waarmee het afvallige volk van God zichzelf zo in slaap wiegt als het lied ‘mijn heer blijft uit’ (Mt 24:4848Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt:).

We kunnen dit vergelijken met de houding van het volk die Amos beschrijft en waarover hij hun verwijt dat ze ‘de boze dag ver weg’ stellen (Am 6:33[U,] die de onheilsdag ver van u afhoudt,
maar de zetel van het geweld naderbij brengt;
)
. Maar God stelt de dag van het einde vaak aan Israël voor en ook christenen moeten steeds weer worden herinnerd aan de komst van de Heer. Dit einde zal komen op een ogenblik dat men in feeststemming is en elke gedachte aan oordeel verbannen is. Maar “[de] dag van [de] Heer komt als een dief in [de] nacht. Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere en zij zullen geenszins ontkomen” (1Th 5:33Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen.).

Talrijk zijn zij die aan dit oordeel ten prooi zullen vallen (Ps 110:66Hij spreekt recht onder de heidenvolken,
vult [het slagveld] met dode lichamen
[en] verplettert [hem die] het hoofd is over een groot land.
)
. De lijken worden niet begraven, ze worden zelfs niet meer verbrand (Am 6:1010Als een familielid, of iemand die hem gaat verbranden, [iemands lichaam] opneemt om de beenderen het huis uit te dragen, zal hij tegen hem die nog binnen in huis is, zeggen: Is er nog [iemand] bij u? En die zal zeggen: Niemand. Daarop zal [de eerste] zeggen: Stil, want [dit] is niet [iets] om er de Naam van de HEERE bij te noemen!), maar verachtelijk weggeworpen. De dood regeert overal. De vadsige rust en het leven in genotzucht hebben plaatsgemaakt voor een smartelijke doodsstrijd.

De oproep tot stilte past bij dit ongewone gebeuren, waarvoor de mens alleen maar ontzag kan hebben. Elk menselijk spreken zou totale ongevoeligheid aantonen voor het vreselijke dat is gebeurd. Het past niet om in deze ogenblikken van de grootste ernst van het Goddelijk ingrijpen iets van de mens te horen (Zf 1:77Wees stil voor het aangezicht van de Heere HEERE.
Want nabij is de dag van de HEERE,
ja, de HEERE heeft een offer bereid,
Zijn genodigden geheiligd.
; Hk 2:2020Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel.
Wees stil voor Zijn aangezicht, heel de aarde!
)
. Het is de angstwekkende stilte vanwege de oordelen van God.


Nog eens: Hoor!

4Hoor dit, [u,] die de armen vertrapt, en [erop uit bent] om de zachtmoedigen van het land weg te doen,

De stilte wordt gebruikt om nog eens op te roepen om te luisteren naar Gods stem die gehoord móet worden (Am 7:1616Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!). Nu niet meer om te luisteren naar een weg om te ontkomen, maar naar de beschuldigingen en het vonnis. De aanklager neemt nog een keer het woord en hervat de beschuldigingen, voordat de rechter het vonnis uitspreekt. Er moet geluisterd worden! Amos heeft twee keer als advocaat voor het volk gepleit bij God. Het mocht niet baten.


De grootspraak van de mens

5door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.

Amos legt hier het denken van deze mensen bloot. We kunnen dit direct toepassen op onze tijd. Als we onszelf een beetje kennen en eerlijk onder de loep durven nemen, herkennen we onszelf erin. Het gaat over ons als we de tijd in de kerk of de samenkomst gebruiken om methoden uit te denken hoe we nog meer kunnen verdienen. De dag van de Heer kan niet vlug genoeg voorbij zijn, om maar weer te kunnen handeldrijven en met goddeloze praktijken ons bezit te kunnen vergroten.

In Israël doen ze dat door te knoeien met de efa, de sikkel en de weegschaal. Een efa is een inhoudsmaat waarmee koren wordt gemeten. De inhoud ervan is vermoedelijk tussen de twintig en vijfenveertig liter. Ze maken een efa waarin minder liters kunnen. De sikkel, die tussen tien tot dertien gram weegt, waarmee ze hun waar afwegen, is te zwaar, de klant krijgt ook op die manier minder waar voor zijn geld. Ze verkopen koren met gebruikmaking van hun eigen maat, terwijl ze doen alsof het naar de gangbare maat is. Met het afwegen doen ze ook zo. Hun gewicht is zwaarder zodat de te betalen prijs hoger is. Hun bedrog is dubbel. Ze geven minder en vragen meer. Bovendien geeft de weegschaal niet goed aan. Zo worden de mensen op drie manieren gepakt.

Deze wijze van handelen is voor God een gruwel (Dt 25:13-1613U mag niet twee verschillende [weeg]stenen in uw zak hebben, een grote en een kleine.14U mag in uw huis niet twee verschillende efa's hebben, een grote en een kleine.15U moet een zuivere en rechtmatige [weeg]steen hebben, u moet een zuivere en rechtmatige efa hebben, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.16Want iedereen die dat doet, iedereen die onrecht doet, is voor de HEERE, uw God, een gruwel.; Sp 20:1010Tweeërlei [weeg]steen en tweeërlei efa,
ook die beide zijn voor de HEERE een gruwel.
)
. Hier worden mensen beschreven die overal mee rekenen, behalve met God en daarom voor eeuwig mis hebben gerekend. Kennen we het niet? Keurig zingen over Jezus als het hoogste Goed, terwijl het leven ervan getuigt dat alle aardse rijkdom het hoogste goed is. Tijd in de kerk en het werk voor de Heer levert geen harde contanten op en wat niets oplevert, is verlies. Tijd is immers geld. Terwijl ze uiterlijk de sabbat houden, zijn ze innerlijk op het marktplein. Hoewel het marktplein leeg is, zijn ze in hun denken druk in de weer met hun handel. De Mammon is hun god. Wie liever koren verkoopt dan God aanbidt, is een vreemdeling bij God en een vijand van zichzelf.


De zucht naar meer

6U koopt de geringen voor geld, en de armen voor een paar schoenen. En [u zegt]: Wij verkopen het kaf van het koren.

Deze aanklacht is een herhaling (Am 2:66Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen
en de arme voor een paar schoenen.
)
. Ze willen alle bezit naar zich toetrekken. Daarbij schuwen ze niet zelfs mensen als hun bezit te nemen. Het recht van de sterkste geldt (Jb 22:88Maar was er een man met macht, voor hem was het land,
en een aanzienlijk persoon woonde er.
; Js 5:88Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
; vgl. Ne 5:2-52Er waren er die zeiden: Onze zonen, onze dochters [en] wijzelf zijn met velen. Dus moeten we aan graan zien te komen, zodat wij kunnen eten en in leven blijven.3Ook waren er die zeiden: Wij staan op het punt onze velden, onze wijngaarden en onze huizen tot onderpand te geven, zodat wij aan graan kunnen komen tegen de honger.4Verder waren er die zeiden: Wij hebben geld geleend voor de belasting aan de koning, [op] onze velden en onze wijngaarden.5Welnu, zoals het vlees van onze broeders is [ook] ons vlees; zoals hun zonen zijn [ook] onze zonen. En zie: wij staan op het punt onze zonen en onze dochters aan de slavernij te onderwerpen en er zijn er van onze dochters die [al aan de slavernij] zijn onderworpen, en dat buiten onze macht, en onze velden en onze wijngaarden [behoren] aan anderen toe.)
. Eerst worden de eigendommen genomen, daarna de vrijheid. Ze gaan er prat op dat ze afval verkopen, terwijl ze doen alsof het voedzaam graan is. Dat doen ze dan ook nog eens naast hun zwendelen met maat, prijs en gewicht.

Door het leveren van afval ontnemen ze degenen die zij in hun macht hebben gekregen ook nog hun gezondheid. Hoe gemener ze iemand hebben afgezet, des te meer beroemen ze zich op hun handigheid. Het ontbreekt hun aan fatsoen, eerlijkheid en elk besef van medemenselijkheid.

Een mens die in de ban van het geld is, zal zich ten koste van alles en iedereen willen verrijken, waarbij geen middel wordt geschuwd dit doel te bereiken. Door zulke mensen wordt de waarheid van het woord bevestigd: “Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord” (1Tm 6:9-109Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.10Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.).


Weer een eed van de HEERE

7De HEERE heeft gezworen bij de glorie van Jakob: Nooit zal Ik al hun daden vergeten!

Opnieuw zweert de HEERE dat Hij zal oordelen. Eerder zwoer Hij bij Zijn heiligheid (Am 4:22De Heere HEERE heeft gezworen bij Zijn heiligheid
dat er, zie, dagen voor u komen
dat men u zal optrekken met haken
en wie na u [overblijft], met vishaken.
)
en bij Zichzelf (Am 6:88De Heere HEERE zweert bij Zichzelf
– spreekt de HEERE, de God van de legermachten:
Ik verafschuw de glorie van Jakob,
zijn paleizen haat Ik.
Ik zal de stad uitleveren met al wat zij bevat.
)
. Hier zweert Hij “bij de glorie van Jakob”, dat is uiteindelijk ook Hij Zelf. Zo heet de HEERE “hun Eer” (Ps 106:2020Zij ruilden hun Eer in
voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet.
; Jr 2:1111Heeft een volk [ooit] goden ingeruild?
– en het zijn niet eens goden! –
Toch heeft Mijn volk zijn Eer ingeruild
voor [wat] niet van nut is.
)
. Maar Jakob, dat is het volk Israël, heeft die heerlijkheid verworpen en die met voeten getreden door al de schuldige daden die door Amos naar voren zijn gebracht. God zal Zijn eer en heerlijkheid echter handhaven in het oordeel.

Hij is niet als een aardse rechter aan wie sommige gepleegde wandaden ontgaan. Verjaring kent Hij niet. Zijn heerlijkheid is alles wat van Hem zichtbaar wordt. Hij is heerlijk in het handhaven van het recht waarbij Hij iedere daad rechtvaardig zal vergelden. Geen enkele daad blijft onbestraft of onbeloond. Als Hij dat niet zou doen, zou Hij Zijn heerlijkheid loochenen.

Voor het voltrekken van het vonnis houdt God een nauwkeurige boekhouding bij. Alle daden van de mens staan met pijnlijke precisie genoteerd (Op 20:11-1511En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.12En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.14En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.15En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.). Als de boeken opengaan en de aanklacht wordt voorgelezen, zal het in niemand opkomen zich tegen de juistheid ervan te verzetten. Het oordeel dat wordt voltrokken, zal rechtvaardig zijn, zonder een schijn van vergissing.


Duisternis op klaarlichte dag

9Op die dag zal het gebeuren,
spreekt de Heere HEERE,
dat Ik de zon midden op de dag zal laten ondergaan;
op klaarlichte dag zal Ik het land duister maken.

De uitdrukking “op die dag” ziet meestal op de eindtijd, waarnaar Amos hier voor de eerste keer in zijn profetie verwijst. Het is geen dag van vierentwintig uur, maar een periode waarin de grote afrekening van de HEERE zal plaatsvinden. Wat Amos hier beschrijft, is hetzelfde als waarop de Heer Jezus in Zijn eindtijdrede doelt (Mt 24:29-3029Terstond nu na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen.30En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in [de] hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid.). Het ziet op de tijd dat de Heer Jezus op de wolken zal verschijnen om de goddeloze massa van Zijn volk te oordelen, wat tegelijk de bevrijding van het getrouwe overblijfsel, ‘Zijn uitverkorenen’, zal betekenen.

De toepassing op het geslacht dat de woorden van Amos hoort, is dat de heerlijkheid ervan zal eindigen op een moment dat zij dit totaal niet verwachten. Terwijl alles stralend lijkt, treedt plotseling de duisternis in. Het is als een vliegtuig dat plotseling neerstort of in de lucht ontploft. Het zal zijn als de zon die ondergaat, terwijl het er niet de tijd voor is. Op dezelfde wijze gaat de zon voor ieder mens op de middag onder, wanneer hij plotseling door de dood wordt weggerukt uit het leven. Hetzelfde geldt voor hele volken.


Rouw in plaats van feest

10Ik zal uw feesten in rouw veranderen,
al uw liederen in klaagzangen;
om alle heupen zal Ik een rouwgewaad aanbrengen,
elk hoofd zal kaal zijn,
omdat Ik het [land] in rouw dompel als over een enig [kind],
en wat ervan overblijft zal zijn als een bittere dag.

Amos heeft al eerder over “uw feesten” gesproken (Am 5:2121Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,
)
. Daar spreekt God Zijn diepe verachting erover uit. Hier wijst Amos erop wat er voor hun feesten in de plaats zal komen. Als Gods oordelen over Israël gaan, zullen alle feesten veranderen in de zwaarste rouw. De vrolijke liederen zullen plaatsmaken voor klaagzangen. Hun feestkleren zullen verwisseld worden voor rouwgewaden. Al hun fraaie kapsels zullen ze afscheren (Js 3:2424Dan zal er in plaats van balsemgeur stank zijn,
en er zal een touw zijn in plaats van een gordel,
kaalheid in plaats van haarvlechten,
het aandoen van een rouwgewaad in plaats van een pronkgewaad,
een brandmerk in plaats van schoonheid.
)
. Elke gedachte aan een feest is verdwenen. De hossende massa is veranderd in een treurende menigte.

Maar de rouwklacht die ze zullen laten horen, is er niet een van inkeer en berouw over begane zonden. Het is de rouw over het oordeel dat God voltrekt en waaraan geen ontkomen mogelijk is. Als een eniggeboren zoon sterft, is de voortzetting van de familie uitgesloten en daarmee oorzaak van de zwaarste rouw (Jr 6:2626Dochter van Mijn volk, omgord u met een rouwgewaad,
wentel u in de as,
bedrijf rouw over een enig [kind],
betoon een zeer bittere rouwklacht,
want plotseling zal over ons
de verwoester komen.
)
. Het einde van de rouw is niet in zicht; het blijft een bittere dag.


Een honger door de HEERE gezonden

11Zie, er komen dagen,
spreekt de Heere HEERE,
dat Ik honger in het land zal zenden;
geen honger naar brood,
geen dorst naar water,
maar om de woorden van de HEERE te horen.

In die dagen van diepe smart zullen ze ook het licht en de troost van het Woord van God missen. Ze zullen de behoefte gevoelen aan wat ze altijd hebben versmaad. Om aan die behoefte te voldoen zullen ze op zoek gaan naar profeten die hun het Woord kunnen vertellen.

Daarmee lijkt niets mis te zijn. Integendeel, het lijkt een zeer goed streven te zijn. God ziet immers graag bij Zijn volk een honger en dorst naar Zijn Woord? Hij wekt ons ertoe op ernaar te verlangen (1Pt 2:22Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis;). Maar God zendt Zijn volk dit verlangen als een extra oordeel. Dat maakt het volgende vers duidelijk.


Zoeken en niet vinden

12Dan dolen zij van zee tot zee,
van noord tot oost trekken zij rond,
om het woord van de HEERE te zoeken,
maar zij zullen het niet vinden.

Ze zullen dolen zonder enig richtinggevoel. Ze zullen rondtrekken zonder oriëntatie, omdat ze van elke leiding van de HEERE beroofd zijn. “Van zee tot zee” is van de Dode Zee tot de Middellandse Zee, dat is van oost naar west, maar ook over de hele aarde. Ze zullen op zoek gaan naar Hem Die ze altijd hebben versmaad. Het ‘zoekt Mij en leeft’ is verstomd en klinkt dan niet meer (Am 5:44Want zo zegt de HEERE tegen het huis van Israël:
Zoek Mij en leef!
)
. Die tijd is voorbij. De honger en dorst die ze zullen voelen en die ze niet meer kunnen stillen, zal de bitterheid van de straftijd vermeerderen. Op aarde zullen zij al iets van de verschrikkingen van de hel meemaken.

Als de Heer nu aan iemand Zijn Woord, het licht van de openbaring, onthoudt, wil dat zeggen dat het oordeel definitief vaststaat. Er kan niets meer aan veranderd worden. Alle kansen zijn geboden, maar minachtend afgeslagen. In de Bijbel komen we zoekers tegen die niet hebben gevonden. Koning Saul was zo’n zoeker die niet vond (1Sm 28:6,156En Saul raadpleegde de HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet; niet door dromen, niet door de urim, [en] ook niet door de profeten.15Samuel zei tegen Saul: Waarom hebt u mijn rust verstoord door mij op te roepen? Toen zei Saul: Ik ben in grote nood, want de Filistijnen strijden tegen mij en God is van mij weggegaan: Hij antwoordt mij niet meer, niet door de dienst van de profeten, en ook niet door dromen. Daarom heb ik u geroepen, om mij te laten weten wat ik doen moet.). Mensen als Saul zijn de meest tragische personen die de wereld heeft gekend.

Daarom geldt voor ieder die dit leest en tot nu toe aan de Heer Jezus is voorbijgegaan: “Zoek de HEERE, terwijl Hij Zich laat vinden; roep Hem aan terwijl Hij nabij is” (Js 55:66Zoek de HEERE terwijl Hij te vinden is,
roep Hem aan terwijl Hij nabij is.
)
. De dag kan komen dat het te laat is en dat u zult zoeken en niet zult vinden. Dan zult u roepen maar Hij zal u niet meer antwoorden (Mi 3:77De zieners zullen beschaamd worden
en de waarzeggers rood van schaamte,
zij zullen allen [hun] baard en snor bedekken,
want er komt geen antwoord van God.
; Ez 7:2626Ramp op ramp zal er komen,
gerucht op gerucht zal er zijn.
Zij zullen bij een profeet een visioen zoeken,
bij de priester zal [onderwijs in] de wet verdwijnen,
raad bij de oudsten.
; Lk 17:2222Hij nu zei tot de discipelen: Er zullen dagen komen, dat u zult begeren een van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien.; Jh 7:3434U zult Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben kunt u niet komen.)
.

Zo zal het ook gaan met de afvallige christenheid als de gemeente en de Heilige Geest zijn weggenomen van de aarde. God zal dan zwijgen, en dan is Zijn zwijgen erger dan Zijn spreken.


De mooie en sterke jeugd bezwijkt

13Op die dag zullen zij van dorst versmachten,
de mooie meisjes en de jonge mannen,

De honger en dorst zullen algemeen zijn. De doorgaans zorgeloze jonge mensen zullen ook op zoek gaan naar de woorden van de HEERE. Maar hoeveel energie ze ook voor die zoektocht hebben, ook zij zullen zoeken zonder te vinden. Hun jeugdige aantrekkelijkheid helpt niets om het begeerde te krijgen en hun jeugdige kracht is niet toereikend om staande te kunnen blijven. Als dit het lot van de jeugd is, dan bezegelt dit het lot van het hele volk.


Verkeerd gezocht

14zij die zweren bij de schuld van Samaria,
en zeggen: [Zo waar] uw god van Dan leeft,
en de [pelgrims]tocht naar Berseba leeft!
Zij zullen vallen en niet meer opstaan.

De jeugd bezwijkt en komt om omdat ze hun steun op de verkeerde plaatsen zoeken. Hun honger naar de woorden van de HEERE proberen ze te stillen door te rade te gaan bij de afgoden. “Zweren bij de schuld van Samaria” wil zeggen zweren bij het gouden kalf van Bethel, ook wel het kalf van Samaria genoemd (Hs 8:66Want dat [kalf] komt uit Israël,
een vakman heeft het gemaakt,
een god is het niet.
Ja, het zal [tot] splinters worden,
dat kalf van Samaria!
; 10:55Voor de kalveren van Beth-Aven
zijn de inwoners van Samaria bevreesd.
Ja, zijn volk zal erover treuren en zijn afgodspriesters
– [die] zich erover verheugden – vanwege zijn luister,
want die is van hem weggevoerd.
)
. De “god van Dan” is het gouden kalf te Dan. Ze zweren ook bij “de [pelgrims]tocht naar Berseba”, zoals de Arabieren zweren bij de bedevaart naar Mekka.

Zo zijn vandaag talloze mensen op zoek naar een god. Dat mag Maria zijn of een goeroe. Maar het is niet de God van de Bijbel, de God Die alleen door Zijn Zoon Jezus Christus gevonden en gekend kan worden.

De honger naar de woorden van de HEERE die Hij Zelf in hun hart heeft gelegd, openbaart hun hang naar de afgoden die ze hebben gediend. Ze zullen delen in het lot van de afgoden, want ze vallen en staan niet weer op. Daarmee is hun definitieve einde bepaald.


Lees verder