Amos
1 De woorden die Amos gezien heeft 2 De HEERE brult 3-5 Oordeel over Damascus en Syrië 6-8 Oordeel over de Filistijnen 9-10 Oordeel over Tyrus 11-12 Oordeel over Edom 13-15 Oordeel over Ammon
De woorden die Amos gezien heeft

1De woorden van Amos, die behoorde tot de veehouders uit Tekoa, die hij gezien heeft over Israël in de dagen van Uzzia, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, twee jaar voor de aardbeving.

Amos heeft niet alleen de woorden van God gehoord, maar die ook “gezien”. Daarmee duidt hij aan dat het niet zijn eigen woorden zijn, maar woorden die hij van God heeft gekregen. ‘Woorden zien’ wil zoveel zeggen als woorden ontvangen door profetische openbaring. Hij hoort de woorden niet alleen, hij ziet er ook de inhoud en de betekenis van. Het Woord van God leeft voor hem. Het zijn niet slechts dode letters, maar wat God zegt, ontvouwt zich voor zijn geestesoog tot een tafereel. Zo wil Johannes op Patmos de stem zien die met hem spreekt (Op 1:1212En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij sprak en toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaars;).

Amos heeft gezien wat hij hoort. Dit geldt zeker voor de visioenen waarover hij in Amos 7 spreekt. Die heeft hij letterlijk gezien. Maar het geldt evenzeer voor alles wat hij van de HEERE te horen krijgt om door te geven. Zo betrokken is hij bij zijn boodschap. Het is de kracht van ieder die het Woord doorgeeft. Wie spreekt en voor zich ziet waarover hij het heeft, spreekt met grote betrokkenheid. Zo’n prediking maakt de grootste indruk op de hoorders. Als de spreker zelf de kracht van het Woord ervaart, kan geen luisteraar er omheen. Hij kan het afwijzen, belachelijk maken, een vijandige houding aannemen, maar nooit krachteloos maken.

Wat Amos heeft gezien en het volk voorhoudt, moet het volk tot inkeer brengen. Hij waarschuwt voor het oordeel dat God moet voltrekken als het volk zich niet laat gezeggen en zich bekeert. Amos komt niet voor niets uit Tekoa. Daar bevindt zich een uitkijk- en waarschuwingspost (Jr 6:11Breng u in veiligheid, nakomelingen van Benjamin,
uit het midden van Jeruzalem!
Blaas de bazuin in Tekoa,
geef een vuursignaal af boven Beth-Cherem!
Want er ziet onheil neer vanuit het noorden,
een grote ramp!
; 2Kr 11:5-65Rehabeam woonde in Jeruzalem, en hij bouwde [verschillende] steden in Juda om tot versterkte [steden].6Zo bouwde hij Bethlehem, Etam, Tekoa,; 20:2020De [volgende] morgen stonden zij vroeg op, en vertrokken naar de woestijn van Tekoa. Toen zij vertrokken, bleef Josafat staan en zei: Luister naar mij, Juda, en [u], inwoners van Jeruzalem. Vertrouw op de HEERE, uw God, dan zult u standhouden. Vertrouw op Zijn profeten, dan zult u voorspoedig zijn.)
. Hij is bekend met het innemen van een positie van waaruit hij de omgeving in de gaten kan houden en kan waarschuwen bij dreigend gevaar. Met zijn geestelijke ogen ziet hij hoe het met het volk gesteld is en aan welk gevaar het zich daardoor blootstelt.

Het Woord wint nog aan kracht naarmate de persoon van de spreker minder heeft dat indruk maakt op mensen die ‘aanzien wat voor ogen is’. Ook dat is bij Amos het geval. Hij introduceert zichzelf in zijn nederige oorsprong. Hij is slechts een schapenfokker – hoewel het woord ‘schapenfokker’ ook wordt gebruikt als een bezigheid van de koning van Moab (2Kn 2:44En Elia zei tegen hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zei: [Zo waar] de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij in Jericho.). Maar God neemt hem van zijn kudden en zijn werk weg, zoals Hij David achter de schapen en Elisa bij de ploegossen heeft weggehaald (Ps 78:70-7170Hij verkoos Zijn dienaar David
en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
71Van achter de zogende [schapen] deed Hij hem komen
om te weiden Jakob, Zijn volk,
en Israël, Zijn eigendom.
; 1Kn 19:19-2119Hij ging daarvandaan en trof Elisa, de zoon van Safat, aan. Deze was aan het ploegen met twaalf span [runderen] voor zich uit, en hij bevond zich bij het twaalfde. Elia ging op hem af en wierp zijn mantel naar hem toe.20Hij verliet de runderen, snelde achter Elia aan en zei: Laat mij toch mijn vader en moeder kussen, daarna zal ik u volgen. En hij zei tegen hem: Ga, keer terug, want wat heb ik u gedaan?21Zo keerde hij van achter hem terug, nam een span runderen, slachtte ze en kookte hun vlees op het hout van het juk van de runderen. Hij gaf [dat] aan het volk en zij aten. Daarna stond hij op, volgde Elia en diende hem.)
. Hij noemt zich “veehouder en moerbeikweker” (Am 7:1414Toen antwoordde Amos en zei tegen Amazia: Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en moerbeikweker.).

God aarzelt niet een eenvoudige herder te gebruiken. Hij geeft er zelfs de voorkeur aan. Als zijn hart maar zuiver is en toegewijd aan Zijn dienst. God kan een ossenstok (Ri 3:3131Na hem nu kwam Samgar, zoon van Anath. Hij doodde de Filistijnen, zeshonderd man, met een prikstok voor ossen. Zo verloste ook hij Israël.) en een slinger en een steen (1Sm 17:5050Zo overwon David de Filistijn met een slinger en met een steen, hij versloeg de Filistijn en doodde hem. Maar een zwaard had David niet in [zijn] hand.) gebruiken. Het gaat er niet om wie de mens is of wat deze heeft, maar Wie Hij is en wat Hij heeft.

Amos is er een voorbeeld van dat God roept wie Hij wil. Elke aanmatiging om een dienst te doen op grond van opleiding, afkomst of status wordt hierdoor veroordeeld. Van de discipelen van de Heer Jezus die na de uitstorting van de Heilige Geest met onweerstaanbare kracht prediken, merken de omstanders “dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen waren” (Hd 4:1313Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich; en zij herkenden hen dat zij met Jezus waren geweest.).

De scheuring tussen het tienstammenrijk en het tweestammenrijk is voor Amos geen excuus zich tot zijn ‘thuisrijk’, Juda, te beperken. Zoals in de inleiding al is opgemerkt, is de tijd waarin Amos leeft, een tijd van grote voorspoed. Het is de tijd van Jerobeam II, koning van Israël van 793-753 v.Chr., en Uzzia, of Azarja, koning van Juda van 790-740 v.Chr. Maar er is ook een schandelijke rechtsverkrachting en onderdrukking van de armen. Daarom spreekt Amos over de grote weelde en luxe van de rijken, hun arrogantie, trots, zelfverzekerdheid en de onderdrukking van de armen.

Welvaart heeft het grote gevaar in zich dat er voor God geen plaats meer is. Afhankelijkheid van Hem is niet meer nodig. Er is immers aan niets gebrek. Daar klinkt de stem van Amos te midden van alle genotzucht: ‘Waar is God in dit alles? Jullie hebben Hem verdrongen naar de rand van jullie bestaan. Nog even en Hij wordt over de rand getild en helemaal uit jullie bestaan verwijderd!’

Onder de oppervlakte gaat moreel verderf schuil als gevolg van een vormelijke, valse godsdienst. In deze toestand denkt het volk niet aan wat voor soort komende ramp dan ook. God waarschuwt Zijn volk eerst door de woorden gesproken door Amos, daarna door de daad van de aardbeving. Deze komt kort na de woorden van Amos, terwijl die woorden als het ware nog naklinken.

De aardbeving is niet slechts een plaatselijke trilling, maar treft een groot gebied en doet velen op de vlucht slaan. De vermelding van de aardbeving is niet bedoeld om de tijd van zijn optreden aan te geven, maar om te wijzen op het verband tussen de aardbeving en zijn dienst. Amos is de profeet van de aardbeving (Am 8:8; 9:55De Heere, de HEERE van de legermachten,
Die het land aanraakt, zodat het wegsmelt
en al zijn inwoners rouw bedrijven,
omdat het in zijn geheel stijgen zal als de Nijl,
en wegzinken als de rivier van Egypte;
)
. Zacharia verwijst in zijn boek naar deze aardbeving als een voorbeeld van wat de HEERE met de wereld zal doen, als Hij opnieuw aardbevingen zal geven als uitvoering van Zijn oordelen (Zc 14:55Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!).

Oordeel is dan ook de grote last van de profetie van Amos. De oordelen die Amos aankondigt, liggen niet in de verre, maar in de nabije toekomst. Ze zijn voor het grootste deel vervuld, ze zijn geschiedenis. Zo kijken we ook naar wat in onze dagen gebeurt als het gaat om rampen en oorlogen. Ze zijn niet het einde, maar geven het karakter aan van wat in de eindtijd, in de oordelen, in ruimere en ernstigere mate zal gebeuren (vgl. Mt 24:6,86En u zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; let op, wordt niet verschrikt, want dit <alles> moet gebeuren, maar het is nog niet het einde;8Dit alles is echter [het] begin van [de] weeën.).


De HEERE brult

2Hij zei:
De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken
zodat de weiden van de herders treuren,
en de top van de Karmel verdort.

Amos begint waar Joël ophoudt. De laatste woorden van Joël gaan over het brullen van de HEERE als het brullen van een leeuw (Jl 3:1616De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.
)
. Joël spreekt in Juda en zijn uitspraak is waarschijnlijk niet bekend in Israël. Door het gebruik dat Amos ervan maakt, wordt deze uitspraak ook bekend in Israël. Ook worden deze twee profeten hierdoor met elkaar verbonden. Door op deze wijze aanhalingen met elkaar te verbinden, maakt God de verschillende getuigen tot één getuigenis.

De HEERE spreekt vanaf Sion, de centrale plaats van aanbidding en regering. Hij doet dat niet om te troosten en te leiden, maar om aan te klagen en te veroordelen. Daarbij spreekt Hij niet alleen tot vreemden, maar ook en vooral tot Zijn volk. Amos verwijst hier, hoewel hij in Israël optreedt, naar Sion als de woonplaats van de HEERE.

Het ‘brullen’ van de leeuw wordt gehoord in de donder in de lucht. In Joël gaat het ‘brullen’ aan het vrederijk vooraf. Het is daar gericht als een dreiging naar de vijanden, terwijl het wordt gevolgd door het geven van een schuilplaats aan Zijn volk. Hier is ditzelfde ‘brullen’ van de HEERE eveneens gericht tegen de vijanden van Zijn volk, maar tevens ook tegen Zijn eigen volk, omdat dit zich vijandig tegen Hem gedraagt. Het wordt dan ook niet gevolgd door het geven van een schuilplaats, maar door oordeelsaanzeggingen (vgl. Jr 25:30-3330En ú moet tegen hen al deze woorden profeteren, en tegen hen zeggen:
De HEERE zal brullen [als een leeuw] vanuit de hoogte,
vanuit Zijn heilige woning Zijn stem laten klinken.
Hij zal geweldig brullen tegen Zijn woonplaats,
Hij zal een vreugderoep als van [druiven]treders aanheffen
tegen alle bewoners van de aarde.
31[Vreselijk] gedruis zal komen tot aan het einde der aarde,
want de HEERE heeft een rechtszaak met de volken;
Híj zal een rechtszaak voeren met alle vlees.
De goddelozen heeft Hij overgegeven aan het zwaard,
spreekt de HEERE.
32Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, onheil gaat uit
van volk tot volk.
Een zware storm wordt opgewekt
van de uithoeken van de aarde.
33De door de HEERE dodelijk gewonden zullen op die dag van het [ene] einde der aarde tot aan het [andere] einde der aarde liggen. Er zal over hen geen rouw bedreven worden, zij zullen niet verzameld en niet begraven worden: tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
)
. Het brullen is alleen nog dreiging en nog geen verscheuring. Zo stelt de HEERE Zich direct bij het begin van deze profetie al op.

Het door Amos aangekondigde oordeel treft niet alleen de mensen, maar ook het land. Het ‘treuren van de weiden’ wijst erop dat gras en bloemen hun pracht en schoonheid zullen verliezen (Hs 4:33Daarom treurt het land,
en ieder die erin woont, verkommert,
met de dieren van het veld en de vogels in de lucht.
Zelfs de vissen in de zee worden weggenomen.
; Jl 1:1010Het veld is verwoest,
de grond treurt,
want het koren is verwoest,
de nieuwe wijn opgedroogd,
de olie verkommerd.
)
. “De top van de Karmel” is bekend om zijn overvloedige bebossing die schaduw geeft.

God komt om te oordelen. Hij neemt de vruchtbare regen weg. Grote droogte is het gevolg. De weiden in Galilea zullen verdrogen, evenals het beboste gebied van de Karmel. Door de oordelen van God zullen de vreedzame werkzaamheden van de herder ophouden, want er is geen gras meer voor de kudden (Jr 25:36-3836Hoor het geschreeuw van de herders,
en het gejammer van de gebieders van de kudde,
omdat de HEERE hun weide verwoest.
37De vredige weiden worden vernield
vanwege de brandende toorn van de HEERE.
38Als een jonge leeuw heeft Hij Zijn schuilplaats verlaten,
want hun land is geworden tot een woestenij
vanwege de brandende [toorn] van de onderdrukker,
ja, vanwege Zijn brandende toorn.
)
. En wie erop uittrekken om een beschutting tegen de felle zon te zoeken, zullen die op de Karmel tevergeefs zoeken.


Oordeel over Damascus en Syrië

3Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Damascus,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij met ijzeren dorssleden
Gilead gedorst hebben.
4Daarom zal Ik vuur werpen in het huis van Hazaël;
dat zal de paleizen van Benhadad verteren.
5Ik zal de grendel van Damascus in stukken breken,
Ik zal de inwoner uitroeien uit Bikeat-Aven,
en de scepterdrager uit Beth-Eden,
en het volk van Syrië zal in ballingschap gaan naar Kir,
zegt de HEERE.

Nadat Amos zichzelf (vers 11De woorden van Amos, die behoorde tot de veehouders uit Tekoa, die hij gezien heeft over Israël in de dagen van Uzzia, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, twee jaar voor de aardbeving.) en zijn Zender (vers 22Hij zei:
De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken
zodat de weiden van de herders treuren,
en de top van de Karmel verdort.
)
heeft voorgesteld, begint hij met de aankondiging van de oordelen. Eerst komen “de slechte buren” van Israël (Jr 12:1414Zo zegt de HEERE: Wat betreft al Mijn slechte buren die aan [Mijn] eigendom komen, dat Ik Mijn volk Israël in erfelijk bezit gegeven heb, zie, Ik ga hen uit hun land wegrukken, en het huis van Juda ruk Ik uit hun midden weg.) aan de beurt en daarna Juda en Israël. De volken worden geoordeeld omdat zij, terwijl zij door God gebruikt zijn om Zijn volk te tuchtigen, eigen belangen hebben nagejaagd (Js 10:5-195Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.
)
. Het telkens terugkerende gezegde “zo zegt de HEERE”, geeft aan dat wat gezegd wordt, in Hem zijn oorsprong heeft.

Het telkens, bij elk volk zonder uitzondering terugkerende “vanwege drie overtredingen …, ja vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen”, is een Hebreeuwse wijze van zeggen om aan te geven dat het een vaak of veelvuldig voorkomende overtreding betreft. Het geeft aan dat de maat vol is en overloopt (Sp 30:15-3115De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, Geef.
Deze drie dingen worden niet verzadigd,
vier zeggen niet: Het is genoeg.
16Het graf, een gesloten baarmoeder,
een land [dat] niet van water verzadigd is
en het vuur zeggen niet: Het is genoeg.17Een oog [dat] een vader bespot,
en de gehoorzaamheid aan de moeder veracht,
zullen de raven van de beek uitpikken,
de jongen van de arend zullen het opeten.18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk,
ja, vier zijn er die ik niet kan vatten:
19de weg van de arend in de lucht,
de weg van een slang op een rots,
de weg van een schip in het hart van de zee,
en de weg van een man bij een meisje.
20Zo is de weg van een overspelige vrouw:
zij eet, wist haar mond af
en zegt: Ik heb geen onrecht bedreven.21Onder drie dingen siddert de aarde,
ja, onder vier [die] ze niet kan dragen:
22onder een dienaar, als hij koning wordt,
onder een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt,
23onder een gehate [vrouw], als zij gehuwd wordt,
en [onder] een slavin, als zij [de bezittingen van] haar meesteres erft.24Deze vier zijn het kleinst op aarde,
maar wijs zijn ze, wijs gemaakt:
25de mieren zijn een volk zonder kracht,
maar in de zomer bereiden ze hun voedsel,
26klipdassen zijn een volk zonder macht,
maar ze bouwen hun huis in de rots,
27de sprinkhaan heeft geen koning,
maar hij trekt gezamenlijk ordelijk op,
28een hagedis kunt u met beide handen grijpen,
maar hij zit in de paleizen van de koning.29Deze drie hebben een voorname tred,
ja, vier hebben een statige gang:
30een leeuw, de machtige onder de dieren,
voor niemand maakt hij rechtsomkeert,
31een ranke haan, of een bok,
en een koning met krijgsvolk bij zich.
; 6:1616Deze zes haat de HEERE,
ja, zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel:
; Jb 5:1919In zes benauwdheden zal Hij je redden,
en in zeven zal het kwaad je niet treffen.
; Pr 11:22Verdeel het in zevenen
of zelfs in achten,
want u weet niet
welk kwaad er over de aarde komen zal.
)
. Hierdoor is er geen verandering in het oordeel.

In overeenstemming met deze wijze van zeggen somt de profeet ook niet alle overtredingen op. Bij wijze van voorbeeld beschrijft hij één misdaad. Die ene misdaad is typerend voor de vele misdrijven die zijn gepleegd. Hoewel één misdaad voldoende is voor het oordeel van God, blijkt hieruit Gods geduld. God voltrekt het oordeel pas als de maat vol is en overloopt. Verder uitstel zou Hem ongeloofwaardig maken in Zijn uitspraken over het oordeel over de zonde.

De Geest van God begint met de grootste en tegelijk meest buitenlandse vijand, Syrië. Damascus vertegenwoordigt als hoofdstad de hele bevolking van Syrië. De volgende vijanden zijn allemaal op een bepaalde wijze met Gods volk verbonden: de Filistijnen door op hun gebied te wonen, Tyrus door bondgenootschap en Edom, Ammon en Moab door verwantschap.

De wrede manier waarop de Syriërs de Israëlieten hebben behandeld die aan de oostkant van de Jordaan wonen, waaronder Gilead, zal niet worden vergeven. Dit heeft plaatsgevonden door Hazaël die dit gebied heeft veroverd en de gevangenen heeft omgebracht en hen heeft gemaakt “als stof bij het dorsen” (2Kn 13:77Voorzeker, hij had voor Joahaz niet [meer] volk laten overblijven dan vijftig ruiters met tien strijdwagens en tienduizend [man] voetvolk; want de koning van Syrië had hen omgebracht en gemaakt als stof bij het dorsen.; 10:32-3332In die dagen begon de HEERE Israël kleiner te maken, want Hazaël versloeg hen in alle gebieden van Israël33vanaf de Jordaan, waar de zon opkomt: het hele land van Gilead, van de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten; vanaf Aroër, dat aan de beek Arnon ligt: Gilead en Basan.).

Het oordeel, waarvan vuur een beeld is, wordt door de HEERE Zelf over Syrië gebracht, Híj werpt het vuur. Dit “vuur werpen” komt bij de volgende volken, behalve bij de laatste, Israël, steeds terug. Het treft in de eerste plaats “het huis van Hazaël”.

Dat Hazaël met name genoemd wordt, is niet voor niets. Hazaël is door Elia tot koning over Syrië gezalfd (1Kn 19:1515De HEERE zei tegen hem: Ga heen, keer terug op uw weg, naar de woestijn van Damascus. Wanneer u [daar] komt, moet u Hazaël zalven tot koning over Syrië.). Hij regeert daarover van ca. 841 tot 806 v.Chr. Als Elisa eens op verzoek van Benhadad in Damascus is, ontmoet hij Hazaël. Bij die ontmoeting komt Elisa onder de indruk van het kwaad dat Hazaël Israël zal aandoen. Hij zegt dat ook tegen Hazaël (2Kn 8:7-157Daarna kwam Elisa in Damascus, toen Benhadad, de koning van Syrië, ziek was; men bracht hem de boodschap: De man Gods is hierheen gekomen.8Toen zei de koning tegen Hazaël: Neem een geschenk mee en ga de man Gods tegemoet en raadpleeg de HEERE door hem en zeg: Zal ik van deze ziekte genezen?9Zo ging Hazaël hem tegemoet en nam een geschenk mee, te weten allerlei kostbaarheden uit Damascus, een last van veertig kamelen. Hij kwam voor hem staan en zei: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij naar u toegestuurd om te zeggen: Zal ik van deze ziekte genezen?10Elisa zei tegen hem: Ga, zeg tegen hem: U zult zeker genezen. De HEERE heeft mij echter laten zien dat hij zeker sterven zal.11Hij zette een strak gezicht en hield dat zo, tot beschamens toe; en de man Gods begon te huilen.12Toen zei Hazaël: Waarom huilt mijn heer? Hij zei: Omdat ik weet wat voor kwaad u de Israëlieten zult aandoen: u zult hun vestingen in brand steken, hun jongemannen met het zwaard doden, hun kleine kinderen verpletteren en hun zwangere vrouwen opensnijden.13Hazaël zei: Maar wat is uw dienaar, die hond, dat hij deze grote daad zou verrichten? En Elisa zei: De HEERE heeft mij laten zien dat u koning zult worden over Syrië.14Toen ging hij bij Elisa weg en kwam bij zijn heer. Die zei tegen hem: Wat heeft Elisa tegen u gezegd? En hij zei: Hij heeft tegen mij gezegd: U zult zeker genezen.15En het gebeurde de volgende dag dat hij een deken nam, [die] in het water dompelde en over diens gezicht uitspreidde, zodat hij stierf. En Hazaël werd koning in zijn plaats.). Maar Hazaël en zijn opvolgers zijn door deze voorzegging niet van hun voornemen afgebracht. Ondanks het contact met de profeten van Gods volk hebben zij Israël toch wreed behandeld. Hierdoor zijn zij des te schuldiger dat zij zich aan Gods volk hebben vergrepen.

Elke verdediging, “grendel”, tegen dit oordeel van God zal tevergeefs blijken te zijn. De grendel is de dwarsbalk die voor de poort wordt geschoven om deze daarmee te sluiten. Als de HEERE de grendel verbreekt, wil dat zeggen dat Hij de vijand vrije toegang verleent. Bij een ruimere toepassing ziet het op het wegnemen van alle kracht en veiligheid waarop zij vertrouwen.

Dit oordeel over Syrië is in 732 v.Chr. uitgevoerd door de koning van Assyrië, Tiglath-Pileser (2Kn 16:99De koning van Assyrië luisterde naar hem: de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, nam het in en voerde [de inwoners] weg naar Kir, en Rezin doodde hij.). Het oordeel komt over het hele volk, niet alleen over “de scepterdrager”, dat zijn de leiders ervan en andere hooggeplaatste personen die hebben aangezet tot een misdadig handelen. Het hele volk is verantwoordelijk. Zij hebben hun leiders gesteund.

Bikeat-Aven betekent ‘dal van afgoden of nietigheid’ – dat is Damascus in de ogen van God – en staat voor afgoderij. Beth-Eden betekent ‘lusthuis, huis van genot’ – dat is Damascus in de ogen van de mens – en staat voor vleselijke genoegens. Bedrijvers van beide soorten kwaad zullen worden uitgeroeid.

Waar Kir heeft gelegen, is niet met zekerheid te zeggen. Er wordt vermoed dat het in Armenië of Georgië bij de Kaukasus heeft gelegen. Amos zal er de plaats mee bedoelen waar het Syrische volk oorspronkelijk vandaan komt (Am 9:77Bent U niet als de Cusjieten
voor Mij, Israëlieten?
spreekt de HEERE.
Heb Ik Israël niet weggeleid
uit het land Egypte,
de Filistijnen uit Kaftor
en de Syriërs uit Kir?
)
en van waaruit zij hun veroveringen hebben gepleegd. Daarheen zullen de Syriërs verbannen worden. We kunnen dit vergelijken met de dreiging die de HEERE over Zijn eigen volk uitspreekt, als Hij zegt dat Hij hen bij ontrouw weer naar Egypte zal terugbrengen, dat wil zeggen hen weer in slavernij terecht zal laten komen.


Oordeel over de Filistijnen

6Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Gaza,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij [Mijn volk] volkomen in ballingschap gevoerd hebben
om hen uit te leveren aan Edom.
7Daarom zal Ik vuur werpen binnen de muren van Gaza;
dat zal zijn paleizen verteren.
8Ik zal de inwoner uitroeien uit Asdod,
en de scepterdrager uit Askelon.
Ik zal Mij tegen Ekron keren,
zodat de rest van de Filistijnen zal omkomen,
zegt de Heere HEERE.

De Filistijnen zijn grensvijanden. Zij bezetten de kustvlakte in het zuidwesten van Israël. Ook bij hen wordt overtreding op overtreding gevonden tegen het volk van God. Over hen komt het oordeel omdat zij zich aan mensenhandel schuldig hebben gemaakt. Hoewel we hierover in de Schrift geen aanwijzing vinden, ligt het voor de hand dat de Filistijnen bij verschillende invallen in Israël mensen gevangen hebben genomen en die aan de Edomieten hebben verkocht.

Amos heeft het erover dat Gods volk “volkomen” in ballingschap is gevoerd, waarmee hij de enorme omvang van deze misdaad onderstreept. Het binnendringen in Israël en het wegvoeren van inwoners vinden we in 2 Kronieken 21 waarna de verhandeling aan Edom kan hebben plaatsgevonden (2Kr 21:16-1716Toen wekte de HEERE tegen Jehoram de geest op van de Filistijnen en van de Arabieren die in de nabijheid van de Cusjieten [woonden].17Zij trokken op tegen Juda, baanden zich een weg, en voerden alle bezittingen weg die in het huis van de koning gevonden werden. Bovendien [voerden zij] zijn kinderen en zijn vrouwen [als gevangenen weg], zodat hij geen zoon overhield dan [alleen] Joahaz, zijn jongste zoon.). Ook de profeet Joël spreekt over het verkopen van inwoners van Israël (Jl 3:4-64En ook,
wat wilt u van Mij, Tyrus en Sidon,
en alle gebieden van Filistea?
Wilt u Mij [Mijn] handelwijze vergelden?
Als u Mij dat wilt aandoen,
zal Ik snel en onmiddellijk
uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren,5omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen,
het beste van Mijn kostbaarheden naar uw tempels hebt gebracht.6U hebt de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem
aan de Grieken verkocht,
om hen ver weg te voeren
uit hun [eigen] gebied.
)
. In deze handelwijze zien we een beeld van de valse, vleselijke godsdienst, voorgesteld in de Filistijnen, die de mens overlevert aan de macht van het vlees, voorgesteld in Edom).

God zal deze handelwijze van de Filistijnen oordelen, wat wordt weergegeven door het werpen van vuur. Van de Filistijnen zal zelfs het overblijfsel uitgeroeid worden, zodat er van dit volk niets zal overblijven (Ez 25:15-1715Zo zegt de Heere HEERE: Omdat de Filistijnen in wraakzucht handelden en met hartgrondig leedvermaak wraak namen door verderf [te zaaien, gedreven] door een eeuwige vijandschap,16daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Mijn hand uitstrekken tegen de Filistijnen en zal de Kretenzers uitroeien, en wie overblijft aan de zeekust ombrengen.17Ik zal geduchte wraak op hen oefenen, met grimmige straffen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn wraak op hen leg.).

Van de vijf steden waarin de Filistijnen wonen, worden er vier genoemd. Als mogelijke reden voor het niet vermelden van Gath is wel geopperd dat deze stad zich niet heeft hersteld van de verwoesting die koning Uzzia over haar heeft gebracht (2Kr 26:66Hij trok eropuit en streed tegen de Filistijnen. Hij sloeg een bres in de muur van Gath, de muur van Jabne en de muur van Asdod, en bouwde steden bij Asdod en in [het gebied van] de Filistijnen.). Ook in latere lijsten van de Filistijnse steden komt Gath niet voor (Jr 25:2020aan alle mensen van allerlei herkomst en al de koningen van het land Uz, aan al de koningen van het land van de Filistijnen, aan Askelon, Gaza, Ekron en het overblijfsel van Asdod,; Zf 2:44Want Gaza zal verlaten worden
en Askelon tot woestenij zijn;
Asdod, midden op de dag zal men het verdrijven,
en Ekron zal ontworteld worden.
; Zc 9:5-65Askelon zal het zien en bevreesd zijn,
evenals Gaza, en het zal hevig beven,
[ook] Ekron, omdat zijn verwachting wordt beschaamd.
De koning zal uit Gaza verdwijnen
en Askelon zal onbewoond zijn.
6De bastaard zal in Asdod wonen;
Ik zal de trots van de Filistijnen uitroeien.
)
.


Oordeel over Tyrus

9Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Tyrus,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij [Mijn volk] volledig als ballingen hebben uitgeleverd aan Edom,
en zij niet aan het verbond met [hun] broeders gedacht hebben.
10Daarom zal ik vuur werpen binnen de muren van Tyrus;
dat zal zijn paleizen verteren.

Tyrus, dat staat voor heel Fenicië, heeft dezelfde zonde begaan als de Filistijnen. Ook zij hebben Israëlitische gevangenen verkocht. Door hun zonde pleegden zij tevens verbondsbreuk. In de tijd van David en Salomo bestond er een verbond tussen Israël en Tyrus (1Kn 5:1212De HEERE had Salomo wijsheid gegeven, zoals Hij tot hem gesproken had. Er was vrede tussen Hiram en Salomo, en zij sloten een verbond met elkaar.). Uit andere Schriftplaatsen blijkt de vriendschappelijke verhouding die gedurende een langere periode tussen Israël en Tyrus heeft bestaan (2Sm 5:1111Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, timmerlieden en metselaars; zij bouwden een huis voor David.; 1Kr 14:11En Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, metselaars en timmerlieden, om een huis voor hem te bouwen.; 2Kr 2:11-1611Hiram, de koning van Tyrus, antwoordde in een brief, en stuurde [deze boodschap] naar Salomo: Omdat de HEERE Zijn volk liefheeft, heeft Hij u tot koning over hen aangesteld.12Verder zei Hiram: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij koning David een wijze zoon, die verstand en inzicht heeft, gegeven heeft, die een huis voor de HEERE en een huis voor zijn koninkrijk wil bouwen!13Welnu, ik stuur een wijze man, die inzicht heeft, Hiram Abi.14[Hij is] de zoon van een vrouw uit de dochters van Dan, en zijn vader is een man uit Tyrus, die bedreven is in het bewerken van goud, van zilver, van koper, van ijzer, van stenen en van hout, van roodpurper, van blauwpurper, van fijn linnen, en van karmozijnrood, en om allerlei graveringen aan te brengen, en om elk ontwerp te bedenken naar het hem aangegeven zal worden, [samen] met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David.15Nu dan, laat mijn heer zijn dienaren de tarwe en de gerst, de olie en de wijn, die hij toegezegd heeft, sturen.16En wíj zullen bomen van de Libanon kappen, zoveel als u nodig hebt, en wij zullen die naar u als vlotten over zee naar Jafo brengen. En ú moet ze [vandaar] overbrengen naar Jeruzalem.). Het kwaad dat verbondsbroeders wordt aangedaan, is erger dan het kwaad dat door een vijand wordt aangedaan. Het is verraad. Van een vriend verwacht je niet dat hij je kwaad doet.

Amos spreekt er niet over dat Tyrus Israël is binnengevallen; het ‘wegvoeren’ van vers 66Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Gaza,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij [Mijn volk] volkomen in ballingschap gevoerd hebben
om hen uit te leveren aan Edom.
ontbreekt hier. Mogelijk is Tyrus als ‘tussenhandelaar’ opgetreden, die waarschijnlijk van Syrië of anderen heeft gekocht en aan Edom heeft doorverkocht. Van Tyrus is bekend dat het in mensen heeft gehandeld (Ez 27:1313Javan, Tubal en Mesech, díe waren uw handelaars. Zij leverden u slaven en koperen voorwerpen als handelswaar.).

Voor zover we weten heeft Israël nooit oorlog met Tyrus gevoerd. Toch heeft Tyrus verraderlijk gehandeld en als handelsstad zich willen verrijken zelfs door de handel in mensen en die nog wel tot het volk van God behoren. God zal daarom ook over dit volk Zijn oordeel voltrekken. Al zijn weelde zal vergaan. De kooplieden zijn allemaal vorsten die in luxe huizen, paleizen, leven. Van al die pracht zal niets overblijven.

Voor ons, christenen, ligt in het oordeel over Tyrus de ernstige waarschuwing dat Gods oordeel valt op wie de broederlijke gemeenschap op verraderlijke wijze verbreekt. Dit verbreken vindt plaats als een christen zijn eigen belangen gaat najagen en niet die van de Heer. We zien het bijvoorbeeld in het leven van een christen die vol inzet op zijn carrière, waardoor er geen tijd meer is voor de persoonlijke omgang met God.

In een dergelijke situatie verdwijnen langzaam maar zeker de christelijke deugden. Zo iemand kan in naam nog wel christen willen heten, christelijke samenkomsten bezoeken en zelfs aan het avondmaal deelnemen, maar de christelijke waarden worden ‘verkocht’. God doorziet dat. Hij laat Zich niet bedriegen en oordeelt hen die zulke dingen doen (1Ko 11:27-3127Daarom, wie op onwaardige wijze het brood eet of de drinkbeker van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer.28Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker.29Want wie eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, als hij niet het lichaam <van de Heer> onderscheidt.30Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.31Als wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet geoordeeld worden;).


Oordeel over Edom

11Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Edom,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat hij zijn broeder met het zwaard achtervolgd heeft
en zijn barmhartigheid tenietgedaan,
omdat zijn toorn altijd weer verscheurde
en hij zijn verbolgenheid voor altijd koesterde.
12Daarom zal Ik vuur werpen in Teman;
dat zal de paleizen van Bozra verteren.

Edom is een andere naam voor Ezau (Gn 36:11Dit zijn de afstammelingen van Ezau, dat is Edom.), de tweelingbroer van Jakob. Bij Edom gaat het niet zozeer om bepaalde daden. Het gaat meer om zijn houding en gezindheid ten opzichte van Gods volk. Die worden naar voren gebracht en daarvoor wordt hij aangeklaagd.

Edom heeft zich altijd vijandig tegenover het volk van God opgesteld. Zo is Edom het volk Israël bij zijn reis naar het beloofde land met het zwaard tegemoet gegaan (Nm 20:18-2118Maar Edom zei tegen hem: U mag niet door mijn [land] trekken, anders ga ik u met het zwaard tegemoet!19Toen zeiden de Israëlieten tegen hem: Wij zullen langs de hoofdweg trekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, dan zal ik daarvoor de prijs betalen. Ik wil alleen maar te voet doortrekken, meer niet.20Maar hij zei: U mag er niet doortrekken! En Edom trok eropuit, hem tegemoet, met een zwaar [bewapend] volk, en met sterke hand.21Zo weigerde Edom [toestemming] aan Israël om door zijn gebied te trekken [en] daarom week Israël van hem af.). Hij koestert een onverzadigbare, onverzoenlijke en dodelijke haat tegen Israël. Elk gevoel van “barmhartigheid” ten aanzien van Israël, zelfs het gewoon menselijke, is door Edom bij zichzelf “tenietgedaan”. Hij wil er geen ruimte aan geven. Barmhartigheid is hem vreemd.

Hij is niet alleen egoïstisch, maar ook vol haat tegen wat van God is. Hij is gepantserd tegen alles wat hij voor zwakheid houdt. In zijn oordeel is hij keihard. Hij maakt korte metten met alles wat een bedreiging voor hem vormt. Zijn hele houding straalt een verscheurende toorn uit. Kapotmaken is het enige wat hij kan bedenken. Tot inkeer komen is er niet bij. Voor altijd koestert hij zijn boosheid en houdt die zo voor eeuwig in stand.

Voor Job in zijn ellende is God Iemand Die met “Zijn toorn verscheurt” (Jb 16:99Zijn toorn verscheurt en haat mij;
Hij knarsetandt tegen mij;
mijn Tegenstander scherpt Zijn ogen tegen mij.
)
. Job ervaart God als Iemand Die hem haat, Wiens toorn op een vernietigende wijze tegen hem woedt. Zo is God niet, maar zo ervaart Job Hem. Edom is wel zo. “Zijn verbolgenheid” koestert hij, alsof het iets dierbaars is. Hij wil die niet kwijt.

Edom is een beeld van het vlees, het eigen ‘ik’. De mens zonder God leeft in het vlees en haat alles wat van God is. Het zal niet altijd op dezelfde brute wijze als bij Edom ten opzichte van Israël tot uiting komen. Maar wat het vlees bedenkt, is altijd vijandschap tegen God (Rm 8:77omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.). Edom is de mens zonder God ten voeten uit.

Maar ook in de gelovige is het vlees aanwezig. En in hem bedenkt het vlees ook niets anders dan vijandschap tegen God. Alleen wordt tegen hem gezegd niet de dingen van het vlees te bedenken. Dat is alleen mogelijk door de kracht van de Heilige Geest (Rm 8:1313want als u naar [het] vlees leeft, zult u sterven; maar als u door [de] Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult u leven.). De mens is onlosmakelijk verbonden aan het vlees. Er bestaat als het ware een bloedband, zoals tussen Jakob en Ezau of Israël en Edom. Dat gaat verder dan een verbondsrelatie, zoals tussen Tyrus en Israël. Voor de christen die nieuw leven heeft, heeft God in Christus “de zonde in het vlees veroordeeld” (Rm 8:33Want wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was – God heeft, doordat Hij Zijn eigen Zoon in een [gedaante] gelijk aan [het] vlees van [de] zonde en voor [de] zonde heeft gezonden, de zonde in het vlees veroordeeld;). Hij mag dat nu al in het geloof zo zien en daarnaar leven.

In de toekomst zal God Edom oordelen vanwege zijn onverzoenlijkheid. Hoe en waarom dit oordeel zal plaatsvinden, daaraan wijdt de profeet Obadja een hele profetie (Ob 1:1-201Het visioen van Obadja.
Zo zegt de Heere HEERE over Edom:
Een bericht hebben wij gehoord van de HEERE,
en een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:
Sta op! Laten wij tegen [Edom] opstaan ten strijde!2Zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken;
diep veracht wordt u.3De overmoed van uw hart heeft u bedrogen,
[hij] die woont in de rotskloven, [in] zijn hoge verblijfplaats,
[hij] die zegt in zijn hart:
Wie zal mij neerhalen naar de aarde?4Al verhief u zich als een arend,
en al bouwde u uw nest tussen de sterren,
[ook] vandaar zou Ik u neerhalen, spreekt de HEERE.5Als er dieven bij u komen,
of nachtelijke verwoesters
– hoe zult u uitgeroeid worden! –
stelen zij niet tot zij genoeg hebben?
Als er druivenplukkers bij u komen,
zullen zij niet een nalezing overlaten?6Hoe is Ezau doorzocht,
wat hij verborgen heeft, opgespoord!7Tot aan de grens hebben zij u gestuurd,
al uw bondgenoten.
Zij met wie u [in] vrede [leefde],
hebben u bedrogen, u overwonnen.
[Zij die] uw brood [eten],
leggen een valstrik voor u.
Er is geen inzicht in hem.8Zal het niet op die dag zijn, spreekt de HEERE,
dat Ik zal ombrengen de wijzen uit Edom
en het inzicht uit het bergland van Ezau?9Uw helden, Teman, zullen ontsteld zijn,
zodat ieder uit het bergland van Ezau
wordt uitgeroeid door een slachting.10Vanwege het geweld tegen uw broeder Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.11Op de dag dat u aan de kant stond,
op de dag dat vreemden zijn leger als gevangenen wegvoerden,
buitenlanders zijn poorten binnentrokken
en over Jeruzalem het lot wierpen,
was ook u als een van hen!12U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,
op de dag dat hij een vreemde [voor u] was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten [tegen hen]
op de dag van [hun] benauwdheid.13U had de poort van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.
U had [uw handen] niet mogen uitstrekken naar zijn leger
op de dag van zijn ondergang.14U had niet op het kruispunt mogen staan
om degenen van hen die ontkomen waren, uit te roeien.
U had degenen van hen die ontvlucht waren niet mogen overleveren
op de dag van [hun] benauwdheid.15Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;
zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;
wat u verdient, zal op uw [eigen] hoofd terugkeren!16Want zoals u op Mijn heilige berg gedronken hebt,
zullen alle heidenvolken voortdurend drinken;
zij zullen drinken en slurpen;
zij zullen worden alsof zij er niet geweest waren!17Maar op de berg Sion zal ontkoming zijn:
die zal een heilige plaats zijn;
zij die van het huis van Jakob zijn,
zullen hun bezittingen [weer] in bezit nemen.18Dan zal het huis van Jakob een vuur zijn,
het huis van Jozef een vlam,
en het huis van Ezau zal tot stoppels worden;
zij zullen tegen hen ontbranden en hen verslinden,
zodat er geen ontkomene zal zijn voor het huis van Ezau,
want de HEERE heeft gesproken!19Het Zuiderland zal het gebergte van Ezau in bezit nemen, en het Laagland [het gebied van] de Filistijnen; ja, zij zullen het gebied van Efraïm en het gebied van Samaria in bezit nemen; en Benjamin [dat van] Gilead.20En de ballingen van dit leger van de Israëlieten [zullen] dat wat van de Kanaänieten was, tot aan Zarfath [in bezit nemen]; de ballingen van Jeruzalem die in Sefarad zijn, zullen de steden van het Zuiderland in bezit nemen.
; Ez 25:11-1411Ik zal over Moab strafgerichten voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.12Zo zegt de Heere HEERE: Omdat Edom uit enkel wraakzucht gehandeld heeft tegen het huis van Juda en zij een zware schuld op zich hebben geladen door zich op hen te wreken,13daarom, zo zegt de Heere HEERE, zal Ik Mijn hand tegen Edom uitstrekken. Ik zal mens en dier daaruit uitroeien en het [tot] een puinhoop maken, van Teman af. [Tot aan] Dedan [toe] zullen zij door het zwaard vallen.14Ik zal Mijn wraak op Edom leggen door de hand van Mijn volk Israël. Zij zullen tegen Edom handelen overeenkomstig Mijn toorn en overeenkomstig Mijn grimmigheid. Dan zullen zij Mijn wraak kennen, spreekt de Heere HEERE.)
. Vanwege de begane misdaden en de misdadige houding worden de steden Teman en Bozra verdelgd. Teman is een van de grootste steden van Edom; Bozra is een sterke vestingstad in het noorden van Edom. Deze steden vertegenwoordigen het hele land van Edom.

Als we in Edom een beeld hebben van het zondige vlees, dan kunnen we deze steden zien als een beeld van de wijze waarop het vlees zich uit. Teman is een stad die in de Bijbel verbonden is met wijsheid (Jr 49:77Over Edom.
Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Is er geen wijsheid meer in Teman?
Is de raad van verstandige [mensen] vergaan?
Is hun wijsheid overbodig geworden?
; Ob 1:8-98Zal het niet op die dag zijn, spreekt de HEERE,
dat Ik zal ombrengen de wijzen uit Edom
en het inzicht uit het bergland van Ezau?9Uw helden, Teman, zullen ontsteld zijn,
zodat ieder uit het bergland van Ezau
wordt uitgeroeid door een slachting.
)
. We kunnen Teman zien als de wijsheid van het vlees, een wijsheid van de natuurlijke mens, die meent alles in eigen hand te hebben en te kunnen besturen. Maar God zal “vuur werpen in Teman” wat voor ons betekent: Hij zal “de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het inzicht van de verstandigen tenietdoen” (1Ko 1:1919Want er staat geschreven: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het inzicht van de verstandigen tenietdoen’.).

Zoals is gezegd, is Bozra een vestingstad, een moeilijk te veroveren bolwerk. Volgens sommige verklaarders is het de hoofdstad van Edom. Verbonden met Teman, de wijsheid, kunnen we in Bozra bolwerken zien van eigen gedachten en overleggingen die zich tegen God verheffen. Maar het vuur dat God in Teman werpt, heeft tot gevolg dat het ook “de paleizen van Bozra verteert”. Door de wijsheid van God in Christus is de wijsheid van de wereld en de trotsheid van het hart geoordeeld. Wie dat heeft erkend, kan met Paulus zeggen: “Want de wapens van onze strijd zijn … krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken; daar wij de overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangennemen tot de gehoorzaamheid van Christus” (2Ko 10:4-54want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken;5daar wij [de] overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangennemen tot de gehoorzaamheid van Christus,).


Oordeel over Ammon

13Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van de Ammonieten,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de zwangere [vrouwen] van Gilead opengereten hebben
om [zo] hun gebied te verruimen.
14Daarom zal Ik een vuur aansteken binnen de muren van Rabba;
dat zal zijn paleizen verteren,
met gejuich op de dag van de strijd,
met storm op de dag van de wervelwind.
15Hun koning zal in ballingschap gaan,
hij en zijn vorsten tezamen,
zegt de HEERE.

De gruwelijke misdaad van Ammon tart elke beschrijving. “Hij is de vader van de tegenwoordige Ammonieten” (Gn 19:3838De jongste, ook zij, baarde een zoon en gaf hem de naam Ben-Ammi. Hij is de vader van de Ammonieten, tot op deze dag.). Hij is zelf geboren uit een incestrelatie tussen Lot en zijn jongste dochter (Gn 19:3636Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader.). Zijn nageslacht dat uit deze goddeloze relatie is voortgekomen, is zonder enig natuurlijk gevoel.

Iemand moet gespeend zijn van elk natuurlijk gevoel om een zwangere vrouw zo te kunnen behandelen. Elk respect voor door God gegeven leven ontbreekt. Er wordt op de moederschoot ingehakt en zowel de drager van het nieuwe leven als het nieuwe leven zelf wordt vermoord. En dat alleen maar ter wille van uitbreiding van het eigen gebied. Er wordt niet gehandeld om zichzelf te verdedigen, maar slechts uit roofzucht. Er wordt in koelen bloede gemoord.

Deze onvoorstelbare gruweldaad van Ammon is helaas geen zeldzaamheid. Hij wordt ook van de Syriërs vermeld (2Kn 8:1212Toen zei Hazaël: Waarom huilt mijn heer? Hij zei: Omdat ik weet wat voor kwaad u de Israëlieten zult aandoen: u zult hun vestingen in brand steken, hun jongemannen met het zwaard doden, hun kleine kinderen verpletteren en hun zwangere vrouwen opensnijden.). We hoeven niet meewarig op deze handelwijze neer te kijken alsof die alleen in de oudheid door primitieve volken is gevolgd. De parallel met de ‘moderne’ 21e eeuw waarin wij leven, is snel getrokken. Ongewenst zwanger? Aborteren. Je laat je carrière – we kunnen dat moderne, individuele gebiedsuitbreiding noemen – toch niet in rook opgaan door ‘een ongelukje’? Dit moorden in de moederschoot wordt met fraaie woorden en zelfs met wetgeving verhuld. Daardoor wordt voor het geweten de angel eruit genomen. Zo bedoelt men het althans. Dat velen evengoed met een groot schuldgevoel blijven lopen, daarover wordt niet gepraat.

God zal deze handelingen oordelen. Ammon zal in een vernielende oorlog ten onder gaan. Een verpletterende oorlogsramp, waarbij horen en zien hun zal vergaan, zal over hun gebied losbarsten met het geluid en de kracht van een orkaan. Het lijkt alsof God al Zijn grimmigheid over een dergelijk gedrag uitstort. Zo afschuwelijk is voor Hem wat Ammon heeft gedaan. Zo afschuwelijk is voor Hem ook wat vandaag de dag gebeurt in de abortusklinieken.

Koning en vorsten, al de leidinggevenden, gaan in gevangenschap. De politieke kopstukken die deze heilloze praktijken met wetgeving ondersteunen, zullen het land niet verder op de weg van het verderf kunnen meesleuren.


Lees verder