Micha
Inleiding 1-2 De rechtszaak van de HEERE 3 Oproep tegen de HEERE te getuigen 4 De zorg van de HEERE voor Zijn volk 5 De gerechtigheid van de HEERE 6-7 Waarmee naderen tot de HEERE? 8 Wat de HEERE heeft bekendgemaakt 9 Hoor de roede 10-11 Een krappe efa en valse weeginstrumenten 12 De ongerechtigheid van het volk 13 De tucht van de HEERE 14-15 Veel gedaan, geen resultaat 16 De oorzaak van de smaad van Gods volk
Inleiding

De voorgaande hoofdstukken tonen Gods uiterlijke handelingen met Zijn volk. In de laatste twee hoofdstukken zien we de wegen van Zijn Geest met dit volk. Zowel de politieke geschiedenis als de geestelijke toestand van het volk wordt door alle profeten voorgesteld, evenals het herstel en de bekering van Israël.

Micha 6 is in de vorm van een twistgesprek gesteld. Deze vorm vinden we bijvoorbeeld ook in Jesaja 1 en in Micha 1. Het hoofdstuk geeft een contrast tussen de gepastheid en rechtvaardigheid van Gods eisen en de ondankbaarheid en het bijgeloof van Israël die de oorzaak zijn van ruïne en oordeel. De profeet kijkt niet naar de toekomst vol zegen, maar naar het heden vol zonde.


De rechtszaak van de HEERE

1Luister toch naar wat de HEERE zegt:
Sta op, roep de bergen ter verantwoording,
laat de heuvels uw stem horen.
2Luister, bergen, naar de rechtszaak van de HEERE,
ook u, vaste fundamenten van de aarde.
De HEERE heeft immers een rechtszaak met Zijn volk,
Hij voert een rechtszaak tegen Israël.

Micha begint dit laatste deel van zijn profetie met de oproep om te luisteren naar wat de HEERE zegt (vers 11Luister toch naar wat de HEERE zegt:
Sta op, roep de bergen ter verantwoording,
laat de heuvels uw stem horen.
; Mi 1:22Luister, volken, allemaal!
Sla [er] acht [op], aarde, met al wat u bevat!
En laat de Heere HEERE Getuige tegen u zijn,
de Heere, uit Zijn heilige tempel.
; 3:11Toen zei ik:
Luister toch, hoofden van Jakob
en leiders van het huis van Israël,
behoort u niet
het recht te kennen?
)
. Voordat hij het woord van de HEERE doorgeeft, komt het eerst tot hemzelf. De HEERE geeft hem het bevel om op te staan en zijn stem te verheffen. Micha moet de bergen ter verantwoording roepen, wat wil zeggen dat hij hen tot getuigen maakt van de rechtszaak die de HEERE in de komende verzen met Zijn volk voert. Ook de heuvels moet hij zijn stem laten horen.

De onbezielde schepping in zijn hele uitgestrektheid moet luisteren naar de rechtszaak van de HEERE (vers 22Luister, bergen, naar de rechtszaak van de HEERE,
ook u, vaste fundamenten van de aarde.
De HEERE heeft immers een rechtszaak met Zijn volk,
Hij voert een rechtszaak tegen Israël.
)
. De hoogste hoogten, dat zijn de “bergen”, en de diepste diepten, dat zijn de “vaste fundamenten van de aarde”, die diep onderin de aarde zijn, de dragers van de aarde, en alles daartussen worden opgeroepen om getuige te zijn van Zijn rechtszaak. Drie keer wordt in vers 22Luister, bergen, naar de rechtszaak van de HEERE,
ook u, vaste fundamenten van de aarde.
De HEERE heeft immers een rechtszaak met Zijn volk,
Hij voert een rechtszaak tegen Israël.
die rechtszaak genoemd. Het is dan ook een heel bijzondere rechtszaak, want de andere partij in de rechtszaal is “Zijn volk”, “Israël” (vers 22Luister, bergen, naar de rechtszaak van de HEERE,
ook u, vaste fundamenten van de aarde.
De HEERE heeft immers een rechtszaak met Zijn volk,
Hij voert een rechtszaak tegen Israël.
; vgl. Dt 32:11Hoor [mij] aan, hemel, dan zal ik spreken!
Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.
; Js 1:22Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
; Jr 2:12-1312Ontzet u hierover, hemel,
huiver, wees zeer ontsteld,
spreekt de HEERE.
13Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
)
.

Bij “bergen” en “heuvels” kunnen we ook denken aan het verantwoordelijke deel van het volk dat een bepaalde machtspositie inneemt, misschien de koning of de leiders van het volk. Bij de “vaste fundamenten van de aarde” (of het land) gaat het misschien om degenen die zouden moeten waken over de beginselen waarop de samenleving van Israël berust. Wellicht het priesterschap.

God heeft altijd een geschil met hen die in ongehoorzaamheid aan Hem wandelen. Hij kan geen gemeenschap hebben met mensen die niet voor Zijn Woord buigen en zeker niet als dit mensen betreft die Hij in een speciale betrekking tot Zich heeft gebracht. Zijn volk heeft Hij met alle zorg omringd en van alle zegen voorzien. Maar hun reactie daarop is er een van de grootst mogelijke ontrouw en ondankbaarheid. Ze hebben de HEERE de rug toegekeerd en Hem met verachting behandeld. Waaraan heeft Hij dat verdiend? Dat vraagt Hij het volk in het volgende vers.

Hoe reageren wij op de vele bewijzen van Zijn zorg voor ons en op de vele zegeningen die Hij ons heeft gegeven?


Oproep tegen de HEERE te getuigen

3Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan?
Waarmee heb Ik u vermoeid?
Getuig tegen Mij!

De HEERE neemt hier de positie van een beklaagde in. In plaats van hen te beschuldigen gaat Hij Zich tegenover Zijn volk verdedigen. Hij wil tot hun hart spreken als Hij hen als “Mijn volk” aanspreekt. We beluisteren hier, zoals zo vaak in de profeten, Zijn diepe verlangen dat zij zich herinneren dat Hij hen tot Zijn volk heeft gemaakt.

Hij vraagt Zijn volk wat Hij hen heeft aangedaan dat ze zich zo van Hem afkeren. Heeft Hij hun het leven zo ondraaglijk gemaakt? Heeft Hij hen vermoeid met buitengewone eisen of buitensporige verzoeken (vgl. Js 43:2323U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee
en [met] uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u [Mij] niet laten dienen met het graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met wierook.
; Js 5:44Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
; 7:1313Toen zei hij: Luister toch, huis van David, is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat u ook mijn God vermoeit?)
? Hij roept hen op tegen Hem te getuigen, om Hem van iets te beschuldigen waarover ze te klagen hebben. Hij wil dat ze daarover nadenken, opdat ze tot de conclusie komen dat hun hele houding tegenover Hem niet deugt. Dat Hij Zich zo uitspreekt, is neerbuigende genade.


De zorg van de HEERE voor Zijn volk

4Ik heb u immers uit het land Egypte geleid,
u verlost uit het slavenhuis.
Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam
vóór u uit gezonden.

Het blijft stil in de rechtszaal na de vragen van de HEERE aan Zijn volk in het vorige vers. Dan neemt de HEERE Zelf weer het woord. Hij zal hun vertellen wat Hij hen heeft ‘aangedaan’. In plaats van hen te vermoeien door hun lasten op te leggen heeft Hij ze van lasten bevrijd en overladen met zegeningen en gunstbewijzen. Het grootste bewijs daarvan is hun bevrijding uit Egypte onder het doen van tekenen en wonderen. Daardoor zijn ze een vrij en zelfstandig volk geworden (Am 2:1010Maar Ík heb u uit het land Egypte geleid,
en liet u veertig jaar door de woestijn gaan,
om het land van de Amorieten in bezit te nemen.
; Jr 2:66dat zij niet zeiden: Waar is de HEERE,
Die ons uit het land Egypte geleid heeft,
Die ons in de woestijn deed gaan,
in een land van wildernis en kuilen,
in een land van dorheid en schaduw van de dood,
in een land waar niemand doorheen trok
en waar geen mens woonde?
)
. De bevrijding uit Egypte wordt vaak door de profeten aangehaald. Die bevrijding vertegenwoordigt de voornaamste daad waarin God Zijn reddende liefde voor de mensen demonstreert.

Hij herinnert hen eraan dat Hij na hun verlossing heeft gezorgd voor bekwame leiding in hun reis door de woestijn, op weg naar het beloofde land. Hij heeft hun de grote wetgever en leidsman Mozes gegeven, evenals de hogepriester Aäron en de profetes Mirjam.

Deze drie die ieder een belangrijke rol hebben gespeeld bij de verlossing uit Egypte, zijn samen een beeld van de Heer Jezus. Hij heeft ons uit de wereld verlost en leidt ons naar het beloofde land. Mozes en Aäron zijn een type van Christus als “de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis” (Hb 3:11Daarom, heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping, beschouwt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Jezus,). In Mirjam zien we de beleving van de relatie (Ex 15:2121Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
Zing voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
, ons antwoord op Wie de Heer Jezus is als Apostel en Hogepriester van onze belijdenis. De Heilige Geest geeft daar leiding aan.


De gerechtigheid van de HEERE

5Mijn volk, denk toch aan wat Balak, de koning van Moab, beraamde,
en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde,
[aan wat er] gebeurd is van Sittim tot Gilgal,
opdat u de gerechtigheid van de HEERE kent.

Dan herinnert de HEERE Zijn volk, dat Hij nog eens emotioneel als “Mijn volk” (vgl. vers 33Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan?
Waarmee heb Ik u vermoeid?
Getuig tegen Mij!
)
aanspreekt, wat Balak door Bileam tegen hen wilde doen, maar wat Bileam door de werking van Gods Geest hem daarop heeft geantwoord (Dt 23:55De HEERE, uw God, echter wilde niet naar Bileam luisteren, maar de HEERE, uw God, heeft de vloek voor u in een zegen veranderd, omdat de HEERE, uw God, u liefhad.; Nm 22-24). Dat moet hen ook overtuigen dat God niet uit is op hun verderf, maar op hun zegen. Hij heeft de vloek die de koning van Moab over hen wilde brengen, veranderd in rijke zegen. God laat niet toe dat Zijn volk vervloekt wordt (Ps 105:14-1514liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
15Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
)
.

Ook moeten ze zich herinneren wat er gebeurd is “van Sittim tot Gilgal”, dat wil zeggen tijdens de reis naar het beloofde land na de gebeurtenis met Balak en Bileam. Sittim is de laatste plaats in de woestijn waar het volk zijn kamp heeft opgeslagen (Nm 33:4949En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan Abel-Sittim, in de vlakten van Moab.; Jz 3:11Toen stond Jozua 's morgens vroeg op. Zij braken op uit Sittim en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de Israëlieten. En zij overnachtten daar voordat zij overstaken.) en Gilgal is de eerste plaats in het beloofde land waar het volk zijn kamp heeft opgeslagen (Jz 4:1919Het volk was de tiende van de eerste maand uit de Jordaan opgeklommen, en zij sloegen hun kamp op in Gilgal, aan de oostkant van Jericho.). Tijdens die reis zijn ze er getuigen van geweest hoe de HEERE Midian heeft verslagen, dat de Jordaan voor hen is drooggelegd en dat vanuit Gilgal Jericho is veroverd en daarna ook het hele land.

Deze twee plaatsen zijn een samenvatting van de enorme verandering in hun omstandigheden na hun bevrijding uit Egypte. Vanuit de slavernij in een vreemd land zijn ze door de HEERE in hun eigen land met een overvloed aan zegeningen gebracht. Als ze over al die dingen zouden nadenken, zouden ze moeten toegeven hoe goed God voor hen was geweest, hoe groot Zijn trouw en hoe recht Zijn handelen altijd is geweest.

Het is belangrijk dat we regelmatig bepaald worden bij alles wat de Heer voor en met ons heeft gedaan. We vergeten gemakkelijk dat Hij ons heeft verlost uit de wereld om voor Hem te leven. Het leven met al zijn welvaart en drukte kan ons zo in beslag nemen, dat we niet meer aan Hem denken. Daarom is het goed om elke eerste dag van de week de dood van de Heer te verkondigen door het avondmaal aan Zijn tafel te vieren. Dan worden we weer herinnerd aan wat Hij heeft gedaan en ook waaruit Hij ons heeft verlost en wat Hij ons heeft gegeven.


Waarmee naderen tot de HEERE?

6Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan
en mij buigen voor de hoge God?
Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
7Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,
in tienduizenden oliebeken?
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn [moeder]schoot voor de zonde van mijn ziel?

Na de overduidelijke bewijzen van Gods trouw in de vorige verzen stelt het volk de vraag aan Micha wat ze moeten doen. Dat gebeurt bij monde van een lid van het volk. De vraag lijkt aan te geven dat ze erkennen dat er afstand is tussen hen en de HEERE. Zij spreken over “de hoge God”, de God Die ver van hen verwijderd is, terwijl Hij in Zijn warme liefde hen tot twee keer toe als “Mijn volk” heeft aangesproken.

Ze hebben er wel enkele ideeën over hoe ze de afstand tussen hen en God zouden kunnen overbruggen. Die hebben te maken met het brengen van offers. Daarover zijn ze in hun godsdienst goed voorgelicht. Tegelijk maakt het duidelijk dat hun geweten niet in Gods licht is gekomen. De voorstellen die ze doen om Gods gunst te krijgen, laten zien dat zij niets hebben begrepen van wat God toekomt. Hij zoekt geen uiterlijke rituelen, maar de offers van een gebroken geest en een verslagen hart (Ps 51:18-1918Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen;
in brandoffers schept U geen behagen.
19De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
; 1Sm 15:2222Maar Samuel zei:
Heeft de HEERE evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers
als in het gehoorzamen aan de stem van de HEERE?
Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer,
opmerkzaam zijn [beter] dan het vet van rammen.
; Js 1:11-2011Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
14Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
15En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.16Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de weduwe!
18Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren,
zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken,
ze zullen wit worden als sneeuw;
al waren ze rood als karmozijn,
ze zullen worden als [witte] wol.
19Als u gewillig bent en luistert,
zult u het goede van het land eten,
20maar als u weigert en ongehoorzaam bent,
zult u door het zwaard gegeten worden;
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
; Jr 7:21-2321Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Voeg uw brandoffers toe aan uw slachtoffers, eet vlees,22want Ik heb met uw vaderen op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken en hun evenmin [iets] geboden over zaken die betrekking hebben op brandoffers en slachtoffers.23Maar deze zaak heb Ik hun geboden: Luister naar Mijn stem. Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan.; Hs 6:66Want Ik vind vreugde in goedertierenheid en niet in offer,
in kennis van God meer dan in brandoffers!
; Am 4:55Laat van het gezuurde [brood] een lofoffer in rook opgaan,
kondig luid vrijwillige gaven aan, laat het horen,
want zo wilt u het [toch] graag,
Israëlieten,
spreekt de Heere HEERE.
; 5:15,22-2415Haat het kwade en heb het goede lief,
handhaaf het recht in de poort.
Misschien zal de HEERE, de God van de legermachten, genadig zijn
voor het overblijfsel van Jozef.22want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.23Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!24Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.
)
.

Het volk spreekt over brandoffers, terwijl zondoffers passend zijn, want de door de zonde verbroken gemeenschap moet door middel van belijdenis en verzoening worden hersteld. Dit wordt in Leviticus 4, in de beschrijving van het zondoffer, duidelijk aangetoond. Dat ze daaraan voorbijgaan, laat zien dat ze menen nog steeds in verbinding met de HEERE als Zijn verbondsvolk te staan. Zij moeten ook niet veranderen, maar God moet veranderen, vinden zij. Dat ze eenjarige kalveren willen offeren, laat zien dat ze er niet te veel voor over hebben. Een volwassen dier is veel meer waard. Maar hun offers zijn waardeloos omdat ze niet in de juiste gezindheid worden gebracht. Zulke offers worden “nutteloze offers” genoemd (Js 1:10-1310Hoor het woord van de HEERE,
leiders van Sodom!
Neem de wet van onze God ter ore,
volk van Gomorra!
11Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
)
.

Maar als het moet, willen ze de HEERE ook wel tevredenstellen door een groot aantal offers te brengen. Zo schieten ze ineens door naar het andere uiterste. Het is kenmerkend voor mensen die niet in gemeenschap met God leven, dat ze geen gezonde balans in hun geestelijk leven kennen. Misschien willen ze hiermee Salomo nadoen (1Kn 8:6363Salomo bracht een dankoffer dat hij aan de HEERE offerde: tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en alle Israëlieten het huis van de HEERE in.). Alsof het de HEERE om het aantal gaat. Nog een idee is om een enorme hoeveelheid olie voor spijsoffers te brengen. Ja, ze zijn bereid stevig te investeren om zich van Gods gunst te verzekeren. Hij mag het zeggen.

Mocht Hem dat toch niet genoeg zijn, dan stellen ze zelfs voor hun kinderen te offeren. Misschien dat ze daardoor Zijn gunst kunnen verwerven. Zo heidens is hun denken geworden. Maar de eerstgeborene behoort de HEERE al toe (Ex 13:2,122Heilig voor Mij alle eerstgeborenen: alles wat de baarmoeder opent onder de Israëlieten, van de mensen en van het vee, dat behoort Mij toe.12dat u alles wat de baarmoeder opent, aan de HEERE zult afstaan. Ook alles wat [de baarmoeder] opent van de dracht van het vee dat u toebehoort: de mannetjes zullen voor de HEERE zijn.) en het offeren van kinderen is door de wet verboden (Lv 18:2121U mag niemand uit uw nageslacht overgeven om aan de Molech geofferd te worden. De Naam van uw God mag u niet ontheiligen. Ik ben de HEERE.; 20:2-52U moet vervolgens tegen de Israëlieten zeggen: Iedereen uit de Israëlieten en uit de vreemdelingen die in Israël verblijven, die [iemand] uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven heeft, moet zeker gedood worden: de bevolking van het land moet hem met stenen stenigen.3En Ikzelf zal Mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Hij heeft immers [iemand] uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven, waardoor Mijn heiligdom verontreinigd en Mijn heilige Naam ontheiligd is.4Maar als de bevolking van het land daadwerkelijk haar ogen sluit ten aanzien van die man, wanneer hij [iemand] uit zijn nageslacht aan de Molech heeft overgegeven, [en] hem niet ter dood brengt,5dan zal Ikzelf Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn familie keren en Ik zal hem en ieder die [samen] met hem hoererij bedrijft door als in hoererij achter de Molech aan te gaan, uit het midden van hun volk uitroeien.; Dt 12:3131U mag ten aanzien van de HEERE, uw God, niet doen zoals [zij]! Want alles wat voor de HEERE een gruwel is, wat Hij haat, hebben zij voor hun goden gedaan. Zij hebben voor hun goden immers zelfs hun zonen en hun dochters met vuur verbrand.; 18:1010Onder u mag niemand gevonden worden die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, die waarzeggerij pleegt, die wolken duidt of aan wichelarij doet, die een tovenaar is,). Daarmee houden de afgodendienaars echter geen rekening (Jr 19:55Zij hebben de hoogten van de Baäl gebouwd om hun kinderen met vuur te verbranden [als] brandoffers voor de Baäl, wat Ik niet geboden en niet gesproken heb, en in Mijn hart niet is opgekomen.; 32:3535Zij bouwden de hoogten van de Baäl, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de Molech door [het vuur] te laten gaan, wat Ik hun niet geboden had. En in Mijn hart was het niet opgekomen dat zij deze gruweldaad zouden doen, zodat ze Juda zouden doen zondigen.; 2Kn 16:33maar hij ging in de weg van de koningen van Israël; ja, zelfs deed hij zijn zoon door het vuur gaan, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.; 21:66Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, duidde wolken en deed aan wichelarij. Ook stelde hij dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen van de HEERE, om [Hem] tot toorn te verwekken.; 3:2727Toen nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem als brandoffer op de muur. Dat bracht grote verbolgenheid teweeg in Israël; daarom braken zij op, bij hem vandaan, en keerden terug naar [hun] land.).

De HEERE wil niet dat lichaamsvlees wordt geofferd, maar dat de geest van de mens zich aan Hem onderwerpt. Hij zoekt en verheugt Zich over “waarheid in het binnenste” van de mens (Ps 51:88Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
)
. Hun godsdienst is verworden tot een slechts uiterlijk eren van God. Hij zoekt niet hun gaven, Hij zoekt henzelf. Wat wordt veroordeeld, is niet het offer dat door God is voorgeschreven, maar het offer dat als plaatsvervanging voor gehoorzaamheid dient.


Wat de HEERE heeft bekendgemaakt

8Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.
En wat vraagt de HEERE van u
anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.

Als ze willen weten waarmee ze God tevreden kunnen stellen, vragen ze naar de bekende weg. God heeft dat al bekendgemaakt (Dt 10:12-1312Nu dan, Israël, wat vraagt de HEERE, uw God, van u dan de HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en de HEERE, uw God, te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel,13[en] de geboden van de HEERE en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, in acht te nemen, u ten goede?). Micha wijst op wat ze zouden moeten weten als het erom gaat wat God wil. Het volk wordt aangesproken als “mens”, wat de algemene geldigheid aangeeft van wat de HEERE vraagt. Het woord ‘mens’ ziet ook op de nietigheid van de mens tegenover de hoge God. De HEERE heeft bekendgemaakt “wat goed is”. Dingen die “goed” zijn, zijn dingen die een goede uitwerking hebben, dingen die tot welzijn van anderen en zichzelf dienen.

Micha noemt drie goede dingen en “anders” niets. Iets anders is niet nodig. Hier kunnen ze het dan ook mee doen. Ze hoeven er niets bij te verzinnen of er iets anders voor in de plaats te bedenken. De drie dingen hebben betrekking op de drie verhoudingen waarin de mens staat: tot de naaste, tot zichzelf en tot God (vgl. Mt 23:2323Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u geeft tienden van de munt, de dille en de komijn, en u laat het gewichtigste van de wet na: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw.; Lk 11:4242Maar wee u, farizeeën, want u geeft tienden van de munt, de wijnruit en alle groente, en u gaat voorbij aan het oordeel en de liefde van God. Deze dingen nu zou men moeten doen en de andere niet nalaten.).

1. Het eerste is “recht te doen” of rechtvaardig handelen tegenover de naaste, dat wil zeggen handelen naar de normen van Gods Woord. Bij onze naaste kunnen we denken aan de huisgenoten, de medeleden van de gemeente en onze collega’s en buren.

2. Het tweede is “goedertierenheid lief te hebben” als een gezindheid van het eigen hart. Dit betekent dat we de gezindheid van God hebben. We zijn dan niet hard, hebben geen eigendunk en stellen ons niet boven de ander, maar zoeken het welzijn van de ander.

3. Het derde is “ootmoedig te wandelen met uw God”, dat is een wandel die tot Zijn eer en vreugde is (vgl. Gn 5:2929En hij gaf hem de naam Noach, en zei: Deze zal ons troosten over ons werk en over het zwoegen van onze handen, vanwege de aardbodem, die door de HEERE vervloekt is.; 6:99Dit zijn de afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man onder zijn tijdgenoten. Noach wandelde met God.). Met God wandelen houdt in dat we in bewuste gemeenschap met God in nederigheid van geest leven. Dit omvat het hele leven in al zijn uitingen, het hele gedrag dat vertoond wordt. Om zo te kunnen leven moet iemand nieuw leven hebben. Deze dingen zijn niet te volbrengen door de niet-wedergeboren mens. We zien het volmaakt in de Heer Jezus en kunnen het van Hem leren, want Hij is “zachtmoedig en nederig van hart” (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;).

Voor de christen die de zegeningen van het hemelse land, de hemelse gewesten, kent en geniet, betekent dit dat hij “in ware gerechtigheid” leeft (Ef 4:2424en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.), “goedertieren” is tegenover anderen (Ef 4:3232<Maar> weest jegens elkaar goedertieren, welgezind, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.) en “in alle nederigheid” de ander in liefde verdraagt (Ef 4:22terwijl u in alle nederigheid en zachtmoedigheid met lankmoedigheid elkaar in liefde verdraagt).


Hoor de roede

9De stem van de HEERE roept tot de stad:
– Uw Naam ziet uit [naar] wat wezenlijk is –
Hoor de roede en Wie hem voor u bestemd heeft.

Maar wat de HEERE in vers 88Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.
En wat vraagt de HEERE van u
anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
vraagt, wordt niet bij het volk gevonden. Daarom hervat de profeet zijn boeteprediking en houdt hij de stad haar zonden voor. De stad die wordt aangesproken, zal Jeruzalem zijn als het centrum van zondige praktijken (Mi 1:55Dit alles is om de overtreding van Jakob
en om de zonden van het huis van Israël.
Wie is de overtreding van Jakob?
Is het niet Samaria?
En wie zijn de [offer]hoogten van Juda?
Is het niet Jeruzalem?
)
. Het getuigt van wijsheid als Gods handelingen in oordeel worden opgemerkt en als daarmee wordt ingestemd als rechtvaardig. Voor wie buigt voor Gods stem die het oordeel aankondigt en daarmee erkent dat het terecht is dat het komt, is er redding.

De Naam van de HEERE, waarmee Hij in Zijn hele Wezen in al Zijn kenmerken naar voren komt, ziet uit naar een waarachtige bekering. Andere vertalingen zijn: “Het is wijsheid Uw Naam te vrezen” of: “De wijsheid heeft Uw Naam in het oog.” Duidelijk is dat wie wijs is, naar de stem van de HEERE zal luisteren en daardoor bevrijd zal worden van het oordeel. De echte wijsheid blijkt uit doen wat Hij zegt, want wat Hij zegt, is “wezenlijk”, dat wil zeggen dat het daarom gaat. Wat Hij zegt, is alleen belangrijk en de rest doet er niet toe.

“Hoor de roede” is een opmerkelijke uitdrukkingswijze. De roede is het symbool van tuchtiging (Js 10:5,245Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
24Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.
)
. Hier spreekt de roede, wat kan betekenen dat hij nog niet slaat. Het wijzen op een te verwachten tuchtiging kan het uitoefenen van de tuchtiging voorkomen als de waarschuwing ter harte wordt genomen. Wie luistert, heeft de roede niet nodig. Als de roede dan komt en iemand luistert alsnog, zal hij tot inkeer komen en niet aan het eeuwige oordeel worden prijsgegeven. In de roede is de stem van de HEERE te horen, want Hij is Degene Die hem voor Zijn volk bestemd heeft.


Een krappe efa en valse weeginstrumenten

10Zijn er [in] het huis van de goddeloze
nog schatten [door] goddeloosheid [verkregen]
en een krappe efa, wat te verfoeien is?
11Zou Ik rein zijn met een goddeloze weegschaal
en met een zak valse [weeg]stenen?

In deze verzen wordt de reden van de aankondiging van de roede gegeven. In de verzen 13-1613zal Ik u ook ziek maken, door u te treffen
en te verwoesten vanwege uw zonden.14Zelf zult u eten, maar niet verzadigd worden,
uw [gevoel van] leegte zal in uw binnenste blijven.
U zult [iets] wegleggen, maar [het] niet in veiligheid brengen,
en wat u in veiligheid zult brengen, zal Ik overgeven aan het zwaard.
15Zelf zult u zaaien, maar niet maaien,
zelf zult u olijven treden, maar u niet met olie zalven,
en nieuwe wijn [oogsten], maar geen wijn drinken.16Want men houdt zich aan de verordeningen van Omri
en aan alles wat het huis van Achab gedaan heeft.
U gaat voort in hun opvattingen,
zodat Ik u overgeef aan de verwoesting,
en haar inwoners [maak] tot een aanfluiting.
Zo zult u de smaad van Mijn volk dragen.
wordt de roede beschreven.

De aanklachten in de verzen 10-1110Zijn er [in] het huis van de goddeloze
nog schatten [door] goddeloosheid [verkregen]
en een krappe efa, wat te verfoeien is?
11Zou Ik rein zijn met een goddeloze weegschaal
en met een zak valse [weeg]stenen?
worden in vragende vorm gesteld. Ondanks de verschillende waarschuwingen verbergen de goddelozen nog steeds hun door goddeloosheid verkregen winsten in hun huizen. Ze gaan ermee door op deze wijze schatten te verzamelen. Ze hopen ze op in hun huis, alsof ze daar veilig zijn en dat niemand ze ziet en er bij kan komen. Maar God ziet het. Hij kan er wel bij komen en zal hen ervoor oordelen (Jk 5:1-51Komaan dan, rijken, weent en jammert over de ellende die u zal overkomen.2Uw rijkdom is verrot en uw kleren zijn door de mot verteerd.3Uw goud en zilver is verroest en hun roest zal tot een getuigenis tegen u zijn en uw vlees als een vuur verteren. U hebt schatten verzameld in [de] laatste dagen.4Zie, het loon van de arbeiders die uw akkers geoogst hebben, dat door u is ingehouden, roept, en de kreten van de maaiers zijn gekomen tot de oren van [de] Heer Zebaoth.5U hebt in weelde en genotzucht geleefd op aarde; u hebt uw harten te goed gedaan op een slachtdag.).

De “krappe efa” is een te kleine inhoudsmaat (vgl. Lv 19:3636U moet een zuivere weegschaal hebben, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft.; Dt 25:1414U mag in uw huis niet twee verschillende efa's hebben, een grote en een kleine.; Am 8:55door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.; Sp 22:1414De mond van vreemde [vrouwen] is een diepe kuil,
hij op wie de HEERE toornig is, zal daarin vallen.
)
. Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de twintig en vijfenveertig liter. Zij maken de efa kleiner. Daardoor betaalt men voor het bepaalde aantal liters terwijl men minder krijgt. Dit bedrog wordt door de HEERE verfoeid. Dit doortrapte gedrag is volledig in strijd met het recht doen dat Hij van de mens vraagt (vers 88Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.
En wat vraagt de HEERE van u
anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
)
.

Behalve van een krappe of leugenachtige efa maken ze ook gebruik van een “goddeloze weegschaal” en “valse [weeg]stenen”. Deze goddeloze, bedrieglijke handelwijze heeft ook bijgedragen aan de vermeerdering van hun bezit. Een “goddeloze weegschaal” is een weegschaal die het gewicht niet juist weergeeft, die meer aangeeft dan er aan gewicht op ligt. Ook door het gebruik van te zware gewichten is de prijs te hoog. God haat dergelijke praktijken.

Hoe zou Hij “rein zijn” als Hij het gebruik van dergelijke methoden niet veroordeelde? Zij verontreinigen zichzelf door hun gedrag, maar daardoor wordt Hij niet in Zijn reinheid bezoedeld. Integendeel, in Zijn reinheid kan Hij geen enkele bevlekking door zondige handelingen toelaten bij Zijn volk. Hij is “te rein van ogen om het kwade aan te zien” (Hk 1:1313U bent te rein van ogen om het kwade aan te zien,
moeite kunt U niet aanschouwen.
Waarom aanschouwt U wie trouweloos handelen,
zwijgt U, wanneer een goddeloze [hem] verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf?
)
.

Dit gebruik van een valse inhoudsmaat en leugenachtige weegmiddelen kunnen we ook geestelijk toepassen als het gaat om de beoordeling van iets wat in de gemeente van God gebeurt. Hoe vaak komt het niet voor dat er in de beoordeling van een zaak valse criteria worden gehanteerd. Het gebeurt zomaar dat we een zonde van iemand die we sympathiek vinden of een zonde van een familielid niet zo zwaar laten wegen als een zonde van iemand aan wie we een hekel hebben. God verafschuwt zo’n benadering.


De ongerechtigheid van het volk

12Omdat haar rijken er vol geweld zijn,
haar inwoners er leugens spreken,
hun tong bedrieglijk is in hun mond,

De rijken hebben niet alleen huizen vol met onrechtmatig verkregen schatten, maar ze zijn zelf innerlijk vol geweld. Ze schuwen geen geweldsmiddel om hun rijkdom te vermeerderen. Het zijn niet alleen de rijken die zich misdragen. Ook de inwoners van Jeruzalem doen dat. Hun misdragingen komen tot uiting in de leugenachtige taal die ze met een bedrieglijke tong uitspreken. Ze zijn een volk van geweldenaars en leugenaars en bedriegers. Ze handelen en spreken zo, omdat ze egoïsten zijn. Ze willen er zelf beter van worden, terwijl dat ten koste van anderen gaat. Anderen zijn de dupe van hun grenzeloze hebzucht.


De tucht van de HEERE

13zal Ik u ook ziek maken, door u te treffen
en te verwoesten vanwege uw zonden.

Over het gedrag dat in de vorige verzen is beschreven, moet de HEERE wel Zijn tucht brengen. Hij kan dit gedrag niet dulden. Vanwege hun zonden zal Hij hen ziek maken. Daardoor zullen ze niet in staat zijn van hun schatten te genieten en ook niet kunnen doorgaan met hun zondig bedrijf. Er zal niets van hun rijkdom en van henzelf overblijven, want Hij zal hen verwoesten.

Dat de HEERE hen ziek zal maken en verwoesten vanwege hun zonden, hoeft geen verbazing te wekken. Hij heeft Zijn volk dit in Zijn wet door Mozes laten weten (Dt 28:15-68; Lv 26:14-3914Maar als u niet naar Mij luistert en al deze geboden niet doet,15als u Mijn verordeningen verwerpt en als uw ziel van Mijn bepalingen walgt, zodat u geen enkele van Mijn geboden doet door Mijn verbond te verbreken,16dan zal Ik Zelf dit met u doen: Ik zal verschrikking over u brengen, tering en koorts, die [uw] ogen doen bezwijken en [uw] leven doen wegkwijnen. U zult uw zaad voor niets zaaien, want uw vijanden zullen het opeten.17Ik zal Mijn aangezicht tegen u keren, zodat u door uw vijanden verslagen wordt. Zij die u haten, zullen over u heersen. U zult op de vlucht slaan, terwijl niemand u achtervolgt.18Als u dan ondanks [dit alles nog] niet naar Mij luistert, dan zal Ik u vanwege uw zonden zeven [keer] erger straffen.19Ik zal de trots op uw [eigen] kracht breken. Ik zal uw hemel als ijzer maken en uw aarde als brons.20Uw kracht zal voor niets verbruikt worden, uw land geeft zijn opbrengst niet en de bomen op het land geven hun vruchten niet.21Als u dan tegen Mij blijft ingaan en niet naar Mij wilt luisteren, dan zal Ik u overeenkomstig uw zonden zeven [keer] harder slaan.22Ik zal de dieren van het veld op u afsturen en die zullen u van kinderen beroven, uw vee uitroeien en u [in aantal zó] verminderen, dat uw wegen er verlaten bij liggen.23En als u zich hierdoor nog] niet laat bestraffen en tegen Mij blijft ingaan,24dan zal Ik Zelf ook tegen u ingaan en zal Ik Zelf u vanwege uw zonden ook zeven [keer] harder slaan.25Dan breng Ik [het] zwaard over u, dat de wraak van het verbond voltrekt. Wanneer u zich dan in uw steden verzamelt, zal ik de pest in uw midden sturen. U zult in de hand van de vijand overgegeven worden.26Wanneer Ik het u aan brood laat ontbreken, dan zullen tien vrouwen uw brood in één oven bakken en zij zullen uw brood in afgewogen [hoeveelheden] moeten teruggeven. U zult eten, maar niet verzadigd worden.27Als u dan hierom [nog] niet naar Mij luistert en u tegen Mij blijft ingaan,28dan zal Ik met grimmigheid tegen u ingaan en zal Ik Zelf u vanwege uw zonden ook zeven [keer] erger straffen.29U zult dan het vlees van uw [eigen] zonen eten, en het vlees van uw [eigen] dochters zult u eten.30Ik zal uw [offer]hoogten wegvagen en uw wierookaltaren uitroeien. Ik zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw stinkgoden werpen en Mijn ziel zal van u walgen.31Ik zal van uw steden een puinhoop maken en uw heiligdommen verwoesten. Ik wil de aangename geur [van] uw [offers] niet ruiken.32Ik Zelf zal het land verwoesten, zodat uw vijanden die daarin zijn gaan wonen, zich erover zullen ontzetten.33Ik zal u dan onder de heidenvolken verstrooien en Ik zal achter u een zwaard trekken. Uw land zal een woestenij worden en uw steden een puinhoop.34Dan zal het land behagen scheppen in zijn sabbats[jaren], alle dagen dat het verwoest ligt en u in het land van uw vijanden bent. Dan zal het land rusten en zal het behagen scheppen in zijn sabbats[jaren].35Alle dagen dat het verwoest ligt, zal het rusten, omdat het niet rustte gedurende uw sabbatten, toen u het bewoonde.36En wie van u overgebleven zijn, zal Ik in de landen van hun vijanden angst inboezemen, zodat het geritsel van een opdwarrelend blaadje hen [al] opjagen zal. Zij zullen op de vlucht slaan alsof ze voor een zwaard op de vlucht slaan, en neervallen, terwijl niemand [hen] opjaagt.37Zij zullen over elkaar struikelen alsof ze zich voor een zwaard [uit de voeten maken], terwijl niemand [hen] opjaagt. U zult geen stand kunnen houden tegen uw vijanden,38maar u zult omkomen onder de heidenvolken en het land van uw vijanden zal u verslinden.39En wie van u overgebleven zijn, zullen vanwege hun ongerechtigheid wegkwijnen in de landen van uw vijanden. Ja, ook vanwege de ongerechtigheden van hun vaderen zullen zij met hen wegkwijnen.). Ze zullen geslagen worden met de ziekten van Egypte, zonder dat iemand hen genezen kan. Ze hebben immers de HEERE, hun Heelmeester, verworpen. Wat kan er dan nog voor verbetering worden verwacht?


Veel gedaan, geen resultaat

14Zelf zult u eten, maar niet verzadigd worden,
uw [gevoel van] leegte zal in uw binnenste blijven.
U zult [iets] wegleggen, maar [het] niet in veiligheid brengen,
en wat u in veiligheid zult brengen, zal Ik overgeven aan het zwaard.
15Zelf zult u zaaien, maar niet maaien,
zelf zult u olijven treden, maar u niet met olie zalven,
en nieuwe wijn [oogsten], maar geen wijn drinken.

In Zijn tucht zal de HEERE honger in het land brengen. Ze zullen geen voldoening meer hebben van wat ze tot zich nemen, maar een voortdurend gevoel van honger hebben. Wat ze aan voedselvoorraad op een veilige plaats menen te kunnen opslaan, zal niet veilig zijn voor de vijand. Wat ze hebben ‘weggelegd’, in veiligheid hebben gebracht, zal worden gevonden (Hg 1:66U zaait veel maar brengt weinig binnen.
U eet maar niet tot verzadiging.
U drinkt maar wordt niet dronken.
U kleedt u, maar wordt niet warm.
De dagloner ontvangt zijn loon in een doorboorde buidel.
; Lv 26:1616dan zal Ik Zelf dit met u doen: Ik zal verschrikking over u brengen, tering en koorts, die [uw] ogen doen bezwijken en [uw] leven doen wegkwijnen. U zult uw zaad voor niets zaaien, want uw vijanden zullen het opeten.; Dt 28:38-4038U zult veel zaad naar de akker brengen, maar weinig inzamelen, want de sprinkhaan zal het opvreten.39Wijngaarden zult u planten en bewerken, maar u zult geen wijn drinken of iets verzamelen, want de worm zal het opeten.40Olijfbomen zult u hebben in heel uw grondgebied, maar u zult u niet met olie zalven, want uw olijven zullen afvallen.; Js 62:8-98De HEERE heeft gezworen bij Zijn rechterhand
en bij Zijn sterke arm:
Nooit zal Ik uw koren meer geven
als voedsel aan uw vijanden,
en nooit zullen vreemdelingen [meer] uw nieuwe wijn drinken
waarvoor u zich ingespannen hebt!
9Maar wie het inzamelen, zullen het eten
en de HEERE prijzen,
en wie hem oogsten, zullen hem drinken
in de voorhoven van Mijn heiligdom.
)
.

Het zal door de HEERE aan het zwaard worden overgegeven, dat wil zeggen dat het met geweld van hen zal worden genomen als een oordeel van de HEERE. Ze hebben het met geweld genomen, het zal met geweld van hen worden genomen. Wie geweld zaait, zal geweld oogsten.

Van al hun inspanningen van zaaien, olijventreden en wijnoogsten, zullen ze zelf niets genieten. Hun moeiten zullen wat henzelf betreft vergeefs zijn. Het zal allemaal in handen van de vijand vallen, die zal ervan profiteren. Koren, olie en nieuwe wijn worden enkele keren samen genoemd als een samenvatting van de zegen van het land (Dt 11:1414dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.; 12:1717U mag binnen uw poorten niet de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie eten, evenmin de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee of enige van uw gelofte[offers], die u beloofd hebt, ook niet uw vrijwillige gaven of de hefoffers van uw hand.; 14:2323Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen.; 28:5151Het zal de vrucht van uw dieren en de vrucht van uw land opeten, totdat u weggevaagd bent. Het zal u geen koren, nieuwe wijn of olie overlaten, noch de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, totdat Hij u heeft omgebracht.).

Het koren om te eten wordt van hen afgenomen, zodat ze honger zullen lijden. De olie waarmee ze hun huid insmeren om er mooi uit te zien, wordt van hen afgenomen, zodat ze er afzichtelijk uit komen te zien. De wijn als het symbool van vreugde wordt van hen afgenomen, zodat ze in verdriet en ellende neerzinken.

Dit heeft een geestelijke toepassing. Als wij ontrouw zijn aan de Heer, stoppen we met lezen in Gods Woord, dat wil zeggen dat we stoppen met ons te voeden met de Heer Jezus als het brood van het leven. Ook laten we ons niet meer leiden door de Heilige Geest en verdwijnt de vreugde uit ons leven. We zullen geestelijk hongerlijden, naar het vlees leven en geestelijk in ellende terechtkomen.


De oorzaak van de smaad van Gods volk

16Want men houdt zich aan de verordeningen van Omri
en aan alles wat het huis van Achab gedaan heeft.
U gaat voort in hun opvattingen,
zodat Ik u overgeef aan de verwoesting,
en haar inwoners [maak] tot een aanfluiting.
Zo zult u de smaad van Mijn volk dragen.

De eerste helft van dit vers sluit aan bij de verzen 10-1210Zijn er [in] het huis van de goddeloze
nog schatten [door] goddeloosheid [verkregen]
en een krappe efa, wat te verfoeien is?
11Zou Ik rein zijn met een goddeloze weegschaal
en met een zak valse [weeg]stenen?12Omdat haar rijken er vol geweld zijn,
haar inwoners er leugens spreken,
hun tong bedrieglijk is in hun mond,
, de tweede helft bij de verzen 13-1513zal Ik u ook ziek maken, door u te treffen
en te verwoesten vanwege uw zonden.14Zelf zult u eten, maar niet verzadigd worden,
uw [gevoel van] leegte zal in uw binnenste blijven.
U zult [iets] wegleggen, maar [het] niet in veiligheid brengen,
en wat u in veiligheid zult brengen, zal Ik overgeven aan het zwaard.
15Zelf zult u zaaien, maar niet maaien,
zelf zult u olijven treden, maar u niet met olie zalven,
en nieuwe wijn [oogsten], maar geen wijn drinken.
.

Met een aanvullend bewijs van hun afwijking onderstreept de HEERE de rechtvaardigheid van Zijn tucht over hen en waarom die wel moet komen. Ze houden zich namelijk aan “de verordeningen van Omri en alles wat het huis van Achab heeft gedaan”. De verordeningen van de HEERE zijn vervangen door wat deze goddeloze koningen hebben bedacht en gedaan.

De goddeloze regering van Omri heeft zijn climax in die van Achab gevonden. Van Omri wordt gezegd dat hij slechter is dan al zijn voorgangers (1Kn 16:2525Omri deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij deed meer kwaad dan allen die er vóór hem geweest waren.). Achab heeft de Baälsdienst ingevoerd, de profeet van God vervolgd en zijn naaste vermoord en beroofd (1Kn 16:29-3329En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda. Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, in Samaria, tweeëntwintig jaar.30Achab, de zoon van Omri, deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, meer dan allen die er vóór hem geweest waren.31En het gebeurde (was het gering dat hij in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, ging?) dat hij [ook nog] Izebel tot vrouw nam, de dochter van Ethbaäl, de koning van de Sidoniërs, en dat hij de Baäl ging dienen en zich daarvoor neerboog.32Hij richtte voor de Baäl een altaar op in het huis van de Baäl, dat hij in Samaria gebouwd had.33Ook maakte Achab een gewijde paal, zodat Achab nog meer deed om de HEERE, de God van Israël, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die er vóór hem geweest waren.; 18:9-109Maar hij zei: Wat heb ik gezondigd, dat u uw dienaar in de hand van Achab geeft om mij te doden?10[Zo waar] de HEERE, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk waarheen mijn heer [geen boden] heeft gestuurd om u te zoeken. En als zij zeiden: Hij is hier niet, dan liet hij dat koninkrijk of dat volk zweren dat zij u niet konden vinden.; 21:1-3,17-191Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!17Maar het woord van de HEERE kwam tot Elia, de Tisbiet:18Sta op, daal af, Achab, de koning van Israël, tegemoet, die in Samaria woont. Zie, hij is in de wijngaard van Naboth, waarheen hij afgedaald is om die in bezit te nemen.19En u moet tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Hebt u een moord gepleegd en ook [iemands land] in bezit genomen? Verder moet u tot hem spreken: Zo zegt de HEERE, op de plaats waar de honden het bloed van Naboth opgelikt hebben, zullen de honden uw bloed oplikken, ja, het uwe!), helemaal in de geest van zijn vader.

Het denken en gedrag van deze goddeloze personen is niet door Gods volk veroordeeld, maar omarmd. Dit gebeurt niet alleen in het gebied waarover zij regeren, het tienstammenrijk, maar hun verderfelijke invloed is ook in het tweestammenrijk doorgedrongen. De inwoners van Jeruzalem gaan in de opvattingen van deze boze lieden voort. Dan kan de HEERE niet anders doen dan hen aan de verwoesting door plagen en vijanden overgeven. Ze zullen tot een aanfluiting worden, tot een belachelijke vertoning voor de omringende landen (Kl 2:1515Alle voorbijgangers hebben over u /samech/
de handen ineengeslagen.
Zij sisten [van afschuw] en schudden hun hoofd
over de dochter van Jeruzalem:
Is dit de stad waarvan men zei:
Volmaakt van schoonheid,
een vreugde voor heel de aarde?
)
. Zo zal Gods volk zijn smaad moeten dragen.

Tegelijk is het indrukwekkend dat God hier toch weer spreekt over “Mijn volk”. Hij deelt in de smaad die Hij over Zijn volk brengt. De tucht die Hij moet uitoefenen, raakt ook Hem Zelf. Hier zien we dat Hij niet uit wraakzucht handelt, maar uit liefde die niet anders kan dan zo handelen met het volk dat Hem heeft verlaten.


Lees verder