Micha
1 Het woord van de HEERE komt tot Micha 2 De Rechter komt 3 De HEERE komt uit Zijn woning 4 Gevolgen van Zijn komst 5 Aanleiding van de komst van de HEERE 6 Samaria zal verwoest worden 7 Afgoden uitgeroeid 8 Een rouwklacht 9 De wond is ongeneeslijk 10 Gath en Beth-le-Afra 11 Safir, Zaänan en Beth-Haëzel 12 Maroth 13 Lachis, het begin van Israëls zonde 14 Moreset-Gath en Achzib 15 Maresa en Adullam 16 Rouwbetoon vanwege ballingschap
Het woord van de HEERE komt tot Micha

1Het woord van de HEERE dat kwam tot Micha uit Moreset, in de dagen van Jotham, Achaz [en] Jehizkia, de koningen van Juda, [en] dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.

Micha heeft “het woord van de HEERE” gehoord. De oorsprong van zijn boodschap ligt in God. Wat Micha moet spreken, zijn woorden die God hem heeft gegeven. Tevens heeft hij de uitwerking van de woorden van God gezien in wat er met Samaria en Jeruzalem gebeurt. God spreekt nooit loze woorden. Als Hij spreekt, gebeurt er iets wat voor het geloof waarneembaar is.

De tijd van zijn profeteren valt in de tijd van drie koningen van Juda. Hoewel zijn profetie ook over Samaria gaat, worden toch alleen de koningen van Juda genoemd omdat zij in de lijn van David staan. Tevens weten we hierdoor dat Micha zo tussen de veertig en vijftig jaar lang heeft geprofeteerd. God heeft van zijn woorden alleen laten opschrijven wat voor de komende generaties en ook voor ons van blijvende betekenis is.

“Jotham” regeert van ca.  758-742 v.Chr. en is een koning naar Gods hart (2Kn 15:32-3832In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda.33Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.34Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE: overeenkomstig alles wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.35Alleen werden de [offer]hoogten niet weggenomen: het volk bracht nog [steeds] slachtoffers en reukoffers op de [offer]hoogten. Hij was het die de Bovenpoort van het huis van de HEERE bouwde.36Het overige van de geschiedenis van Jotham, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?37In die dagen begon de HEERE Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, op Juda af te sturen.38Jotham ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David, en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.). “Achaz” regeert van ca. 742-727 v.Chr. en is een goddeloze koning (2Kn 16:1-201In het zeventiende jaar van Pekah, de zoon van Remalia, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, de koning van Juda.2Achaz was twintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem; hij deed niet wat juist was in de ogen van de HEERE, zijn God, zoals zijn vader David,3maar hij ging in de weg van de koningen van Israël; ja, zelfs deed hij zijn zoon door het vuur gaan, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.4Hij bracht slachtoffers en reukoffers op de [offer]hoogten en op de heuvels, en onder elke bladerrijke boom.5Toen trok Rezin, de koning van Syrië, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, ten strijde tegen Jeruzalem. Zij belegerden Achaz, maar waren niet tot strijden in staat.6In diezelfde tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath terug aan Syrië en verdreef hij de Judeeërs uit Elath; de Syriërs kwamen naar Elath en woonden daar tot op deze dag.7Toen stuurde Achaz boden naar Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, om te zeggen: Ik ben uw dienaar en uw zoon. Kom en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië en uit de hand van de koning van Israël, die mij aan [willen] vallen.8Achaz nam het zilver en het goud dat in het huis van de HEERE en in de schatkamers van het huis van de koning aangetroffen werd, en hij stuurde [dat als] geschenk naar de koning van Assyrië.9De koning van Assyrië luisterde naar hem: de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, nam het in en voerde [de inwoners] weg naar Kir, en Rezin doodde hij.10Toen ging koning Achaz naar Damascus, Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, tegemoet. Toen hij het altaar dat in Damascus was, gezien had, stuurde koning Achaz een afbeelding van dat altaar naar de priester Uria, [samen] met het ontwerp ervan, overeenkomstig heel zijn vorm.11En de priester Uria bouwde een altaar. Overeenkomstig alles wat koning Achaz [hem] vanuit Damascus toegestuurd had, zo maakte de priester Uria [het], voordat koning Achaz uit Damascus kwam.12Toen de koning uit Damascus gekomen was, zag de koning het altaar. De koning naderde tot het altaar en offerde daarop.13Hij liet zijn brandoffer en zijn spijsoffer in rook opgaan, hij goot zijn plengoffer uit en hij sprenkelde het bloed van zijn dankoffers op dat altaar.14Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE stond, haalde hij van de voorkant van het huis vandaan, van [waar het stond] tussen het [nieuwe] altaar en het huis van de HEERE; en hij zette het aan de noordkant van het [nieuwe] altaar.15En koning Achaz gebood de priester Uria: Laat op het grote altaar het morgenbrandoffer en het avondgraanoffer in rook opgaan, het brandoffer van de koning en zijn graanoffer en het brandoffer van heel de bevolking van het land, hun graanoffer en hun plengoffers. Sprenkel daarop al het bloed van de brandoffers en al het bloed van de slachtoffers. Maar het koperen altaar zal mij tot onderzoek dienen.16En de priester Uria deed overeenkomstig alles wat koning Achaz geboden had.17En koning Achaz sneed de sierlijsten van de onderstellen af en verwijderde het spoelbekken [dat] daarop [stond]. Verder haalde hij de zee van de koperen runderen af, die daaronder waren, en zette die op een stenen vloer.18Ook verwijderde hij de sabbatsgalerij, die zij in het huis gebouwd hadden, en de buitenste ingang voor de koning in het huis van de HEERE, omwille van de koning van Assyrië.19Het overige nu van de geschiedenis van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?20En Achaz ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David, en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.). “Jehizkia”, dit is Hizkia, regeert van ca. 727-698 v.Chr. Hij is een heel Godvrezende koning (2Kn 18-20). Hij herstelt wat Achaz heeft verdorven. Deze drie koningen laten de verschillende omstandigheden zien waaronder profeten de woorden van God moeten spreken. God heeft voor elke tijd een passend woord, zonder dat Hij Zijn Woord ook maar enigszins aanpast aan die tijd.

In Jotham kunnen we een beeld zien van de gezegende positie van Israël in het verleden. Achaz is een verachter van de dienst van de HEERE (2Kn 16:3,10-153maar hij ging in de weg van de koningen van Israël; ja, zelfs deed hij zijn zoon door het vuur gaan, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.10Toen ging koning Achaz naar Damascus, Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, tegemoet. Toen hij het altaar dat in Damascus was, gezien had, stuurde koning Achaz een afbeelding van dat altaar naar de priester Uria, [samen] met het ontwerp ervan, overeenkomstig heel zijn vorm.11En de priester Uria bouwde een altaar. Overeenkomstig alles wat koning Achaz [hem] vanuit Damascus toegestuurd had, zo maakte de priester Uria [het], voordat koning Achaz uit Damascus kwam.12Toen de koning uit Damascus gekomen was, zag de koning het altaar. De koning naderde tot het altaar en offerde daarop.13Hij liet zijn brandoffer en zijn spijsoffer in rook opgaan, hij goot zijn plengoffer uit en hij sprenkelde het bloed van zijn dankoffers op dat altaar.14Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE stond, haalde hij van de voorkant van het huis vandaan, van [waar het stond] tussen het [nieuwe] altaar en het huis van de HEERE; en hij zette het aan de noordkant van het [nieuwe] altaar.15En koning Achaz gebood de priester Uria: Laat op het grote altaar het morgenbrandoffer en het avondgraanoffer in rook opgaan, het brandoffer van de koning en zijn graanoffer en het brandoffer van heel de bevolking van het land, hun graanoffer en hun plengoffers. Sprenkel daarop al het bloed van de brandoffers en al het bloed van de slachtoffers. Maar het koperen altaar zal mij tot onderzoek dienen.). Hij is een beeld van de antichrist en de afval in de eindtijd. Hizkia is een type van Christus en stelt het herstel van een overblijfsel in verbinding met Hem in de eindtijd voor.

Beloften en bedreigingen lopen in dit boek door elkaar heen. We horen hoe Micha onder de regering van goddeloze vorsten troost predikt aan de trouwe gelovigen. Tegen de rechtvaardigen in die periode zegt hij, dat het hun wel zal gaan. In de tijd van de vrome vorsten treedt hij als boeteprediker op voor de ontrouwe leden van Gods volk. Hij zegt tegen hen, dat het slecht met hen zal gaan. Want, al veranderen de tijden, het Woord van de HEERE blijft hetzelfde.

Het gaat in Micha om de beide rijken, dat wil zeggen het noordelijk gelegen tienstammenrijk en het zuidelijk gelegen tweestammenrijk. De boodschap van Micha is van toepassing op alle inwoners van de beide koninkrijken. Toch noemt hij niet de koninkrijken, maar de namen van de hoofdsteden ervan. Dat zal zijn, omdat de leiders van deze invloedrijke centra hoofdzakelijk verantwoordelijk zijn voor het sociale onrecht (Mi 1:5-75Dit alles is om de overtreding van Jakob
en om de zonden van het huis van Israël.
Wie is de overtreding van Jakob?
Is het niet Samaria?
En wie zijn de [offer]hoogten van Juda?
Is het niet Jeruzalem?6Daarom maak Ik van Samaria een puinhoop in het veld,
een plek voor het planten van een wijngaard.
Ik stort haar stenen in het dal,
en haar fundamenten leg Ik bloot.7En al haar beelden worden verbrijzeld,
en al haar [hoeren]loon wordt met vuur verbrand,
van al haar afgoden maak Ik een woestenij,
want met hoerenloon heeft zij ze bijeengebracht
en tot hoerenloon keren ze terug.
; 3:9-129Hoor nu dit, hoofden van het huis van Jakob
en leiders van het huis van Israël,
die een afschuw hebben van recht
en al wat recht is, verdraaien,
10die Sion bouwen met bloed
en Jeruzalem met onrecht.11Hun hoofden spreken er recht voor geschenken,
hun priesters onderwijzen voor loon,
hun profeten plegen waarzeggerij voor geld.
En nog steunen zij op de HEERE en zeggen:
Is de HEERE niet in ons midden?
Ons zal geen kwaad overkomen.12Daarom zal omwille van u
Sion [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem een puinhoop worden
en de berg van dit huis tot hoogten [in] het woud.
)
. Jeruzalem krijgt in zijn profetie de nadruk. Het gaat bij deze stad namelijk niet alleen om de verdorvenheid van de leiders, maar ook om de toekomstige heerlijkheid die het deel van Jeruzalem zal zijn.


De Rechter komt

2Luister, volken, allemaal!
Sla [er] acht [op], aarde, met al wat u bevat!
En laat de Heere HEERE Getuige tegen u zijn,
de Heere, uit Zijn heilige tempel.

Micha stelt zonder nadere introductie de HEERE als de komende Rechter voor. De volken worden als getuigen, als waarnemers, in dit proces opgeroepen (vgl. 1Kn 22:2828Maar Micha zei: Als u echt in vrede terugkeert, heeft de HEERE niet door mij gesproken! Verder zei hij: Luister, volken, allemaal!). Het oordeel dat Gods volk treft, is een voorbode van het oordeel dat de volken zal treffen. Het oordeel over de steden Samaria (Mi 1:66Daarom maak Ik van Samaria een puinhoop in het veld,
een plek voor het planten van een wijngaard.
Ik stort haar stenen in het dal,
en haar fundamenten leg Ik bloot.
)
en Jeruzalem (Mi 3:1212Daarom zal omwille van u
Sion [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem een puinhoop worden
en de berg van dit huis tot hoogten [in] het woud.
)
bevat onderwijs voor de volken. Daarom wordt de aarde opgeroepen er acht op te slaan.

De bedoeling van deze algemene oproep is het grote gewicht ervan te doen uitkomen (vgl. Dt 32:11Hoor [mij] aan, hemel, dan zal ik spreken!
Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.
; Js 1:22Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
; Jr 6:1919Luister, aarde,
zie, Ik breng onheil
over dit volk.
[Dat is] de vrucht van hun gedachten.
Want op Mijn woorden hebben zij geen acht geslagen,
en Mijn wet, die hebben zij verworpen.
)
. Micha ziet, net als Jesaja, dat het lot van de volken volledig afhangt van het lot van Gods volk. Het lied van Mozes en het boek van de wet zijn vroeger door God als getuigen gesteld van de zonden van de Israëlieten (Dt 31:19-21,2619En nu, schrijf voor u dit lied op en leer het de Israëlieten; leg het hun in de mond, opdat dit lied voor Mij een getuige is tegen de Israëlieten.20Want Ik zal dit [volk] brengen in het land dat Ik zijn vaderen onder ede beloofd heb, [een land] dat overvloeit van melk en honing, en het zal eten en verzadigd en vet worden. Dan zal het zich tot andere goden wenden en hen dienen, en zij zullen Mij verwerpen en Mijn verbond verbreken.21En het zal gebeuren, wanneer veel verschrikkelijke dingen en noden het [volk] getroffen hebben, dat dit lied dan voor zijn aangezicht als getuige zal antwoorden; want het zal niet vergeten worden [of] uit de mond van zijn nageslacht [verdwijnen]. Want Ik ken zijn overleggingen die het heden maakt, voordat Ik het breng in het land dat Ik [hun] onder ede beloofd heb.26Neem dit wetboek en leg het naast de ark van het verbond van de HEERE, uw God, zodat het daar is als getuige tegen u.). Daarin wordt getuigd van het oordeel dat hen zal treffen als zij Zijn verbond overtreden.

Op dezelfde wijze getuigt de verwoesting van Samaria en Jeruzalem aan de volken hoe God de zonde haat. Het houdt de waarschuwing in dat zij niet moeten denken dat Hij hen, de volken, zal sparen als “de Heere HEERE” (Adonai Jahweh) zo met Zijn eigen volk handelt (1Pt 4:1717Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; als het echter eerst bij ons [begint], wat zal het einde zijn van hen die het evangelie van God niet gehoorzamen?). Hij treedt Zelf als Getuige op, omdat Zijn volk dat van Zijn Naam had moeten getuigen, van Hem is afgevallen en andere goden is gaan dienen.

De Heere, Adonai, dat is de Gebieder, de Gezaghebber, komt in majesteit uit de plaats waar Zijn troon staat (Ps 11:44De HEERE is in Zijn heilig paleis,
de troon van de HEERE staat in de hemel;
Zijn ogen doorzien,
Zijn blikken beproeven de mensenkinderen.
)
. Zijn komst naar buiten uit Zijn heilig vertrek versterkt de indruk van Zijn majesteit. Micha spreekt over “Zijn heilige tempel”. Daarmee benadrukt hij het enorme contrast met de zondige aarde, waar de atmosfeer een en al onheiligheid en onreinheid ademt. Gelukkig zal God eerst nog in Christus uit Zijn heiligdom komen en op aarde verschijnen om mensen de mogelijkheid te geven zich met Hem te laten verzoenen (2Ko 5:2020Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als [het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.), voordat Hij als Rechter zal verschijnen, zoals hier wordt voorgesteld.

Als Hij moet oordelen, gaat Hij uit Zijn plaats (Js 26:2121Want zie, de HEERE gaat uit Zijn plaats
om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden.
De aarde zal het bloed dat erop [vergoten is], aan het licht brengen.
Zij zal haar gedoden niet langer bedekt houden.
)
. Als Hij het oordeel uitstelt en daarmee genade bewijst, blijft Hij in Zijn plaats (Hs 5:1515Ik ga en keer terug naar Mijn woonplaats,
totdat zij zich schuldig weten en Mijn aangezicht zoeken.
In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken.
)
. Als Hij moet oordelen, doet Hij het kort, het is het werk van een ogenblik (Js 54:7-87Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten,
maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.
8In een stortvloed van grote toorn heb Ik voor u
Mijn aangezicht een ogenblik verborgen,
maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen,
zegt de HEERE, uw Verlosser.
)
. Zijn eigenlijke werk is het bewijzen van genade en barmhartigheid (Jl 2:1313En scheur uw hart
en niet uw kleren.
Bekeer u tot de HEERE, uw God,
want Hij is genadig en barmhartig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid,
en Hij heeft berouw over het kwaad.
)
.


De HEERE komt uit Zijn woning

3Want zie, de HEERE komt uit Zijn [woon]plaats,
Hij daalt af en treedt op de hoogten van de aarde.

Hier is de dag van de HEERE aangebroken. Hij komt tevoorschijn. Tot nu toe heeft Hij Zich verborgen gehouden (Js 45:1515Voorwaar, U bent een God Die Zich verborgen houdt,
de God van Israël, de Heiland.
)
, maar nu gaat Hij orde op zaken stellen op aarde, waar de zonden tot een hoogtepunt zijn gestegen (vgl. Gn 18:2121Ik zal nu afdalen en zien of zij [werkelijk] alles gedaan hebben zoals de roep luidt die over haar tot Mij gekomen is. En zo niet, Ik zal het weten.). Zijn treden “op de hoogten van de aarde” laat zien dat Hij de onbeperkte Heerser van de wereld is (Am 4:1313Want, zie, Hij Die de bergen vormt, Die de wind schept
en Die aan de mens bekendmaakt wat zijn gedachten zijn,
Die de dageraad tot duisternis maakt,
en Die op de hoogten van de aarde treedt;
HEERE, God van de legermachten, is Zijn Naam.
; Jb 9:88Hij alleen spant de hemel uit,
en Hij treedt op de hoogten van de zee.
; Dt 32:1313Hij liet hem rijden op de hoogten van de aarde,
en hij at de opbrengsten van het veld.
Hij liet hem honing zuigen uit de rots,
en olie uit hard gesteente;
)
. In deze uitdrukking zit ook opgesloten dat Hij de hoogmoedigen oordeelt (Js 2:11-1911De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden,
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
12Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
13tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
14tegen al de hoge bergen
en tegen al de verheven heuvels,
15tegen elke hoge toren
en tegen elke vestingmuur,
16tegen alle schepen van Tarsis
en tegen alle koopvaardijschepen [met] kostbare [lading].
17De hoogmoed van de mensen zal vernederd worden
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
18En de afgoden – ze vergaan volkomen.19Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan
en de holen in de grond,
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit,
als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
)
. Hoogten zijn ook plaatsen van afgoderij.

Met alles wat hoog is bij mensen, rekent Hij af op een wijze die de nietigheid van dat hoge laat zien. Zijn optreden onderstreept Zijn majesteit. Wat verheven en machtig lijkt, wat op mensen indruk maakt, is voor God minder dan wat het stof is voor mensen die daarop trappen.

In dit optreden van de HEERE zien we dat God boven de door Hem geschapen wereld staat. Hij maakt geen deel uit van Zijn schepping. De schepping is door Hem tot stand gekomen, door Zijn machtwoord, en bestaat in Hem (Ko 1:1717En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.). Hij is ook in staat om op elk door Hem gewenst moment in de geschiedenis in te grijpen om Zijn wil tot uitvoering te brengen.

Als Hij in Christus “aan bloed en vlees” deelneemt (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,), wil dat niet zeggen dat Hij een schepsel wordt en als zodanig deel gaat uitmaken van Zijn schepping. Ook als Mens op aarde is Hij God, want Hij is door God de Heilige Geest verwekt (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.). Hij is Degene “Die geopenbaard is in het vlees” (1Tm 3:1616En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.), het vleesgeworden Woord (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.). Alleen van Hem kan worden gezegd dat Hij “in [het] vlees gekomen” is (1Jh 4:22Hieraan kent u de Geest van God: iedere geest die Jezus Christus als in [het] vlees gekomen belijdt, is uit God;). Dit kan van niemand anders worden gezegd. Als enige Mens is Hij in de wereld gekomen vanuit een plaats die buiten de schepping ligt.


Gevolgen van Zijn komst

4De bergen smelten onder Hem weg,
de dalen splijten
als was voor het vuur,
als water dat langs een helling vloeit.

Als Hij op de aarde treedt, worden de gevolgen direct merkbaar. Als Hij de bergen aanraakt, worden ze als was voor het vuur. Zijn majesteit is een verterend vuur. De dalen wijken uiteen, ze verliezen alle onderlinge samenhang en hebben geen vastheid meer, zoals water dat langs een helling naar beneden stroomt.

Micha gebruikt hier beeldende taal. Nu vergaat de wereld nog niet door vuur, wat in de eindtijd wel letterlijk zal gebeuren (2Pt 3:7,10,127Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde Woord opgespaard voor [het] vuur en worden bewaard tot [de] dag van [het] oordeel en van [de] ondergang van de goddeloze mensen.10Maar [de] dag van [de] Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en [de] elementen brandend vergaan en [de] aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.12terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.). Het oordeel van God dat Micha aankondigt, lijkt de aarde te veranderen in chaos. De gebeurtenissen die daarvoor op korte termijn zullen zorgen, zijn de aanstaande verwoesting van het noordelijke tienstammenrijk door Assyrië onder aanvoering van Salmaneser en de later volgende invasie van de Babyloniërs onder aanvoering van Nebukadnezar in het zuidelijke tweestammenrijk. Maar wat Micha hier zegt, vindt zijn uiteindelijke vervulling bij de wederkomst van de Heer Jezus, als “Hij komt om de aarde te oordelen” (Ps 96:1313voor het aangezicht van de HEERE,
want Hij komt, want Hij komt om de aarde te oordelen.
Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid
en de volken met Zijn waarheid.
)
.

Er is ook nog een vertroostende toepassing van dit vers te maken. We kunnen in de bergen de grote moeilijkheden zien, waarvoor wij soms worden geplaatst. Als wij daar niet overheen kunnen kijken, kunnen we wel naar boven kijken, naar Christus. Hij is in staat deze moeilijkheden te laten versmelten als was om ze voor ons tot een begaanbare weg te maken (vgl. Js 49:1111Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken,
Mijn gebaande wegen zullen verhoogd worden.
)
.


Aanleiding van de komst van de HEERE

5Dit alles is om de overtreding van Jakob
en om de zonden van het huis van Israël.
Wie is de overtreding van Jakob?
Is het niet Samaria?
En wie zijn de [offer]hoogten van Juda?
Is het niet Jeruzalem?

“Dit alles” slaat terug op de ontzagwekkende verschijning van God als Rechter in de vorige verzen en wat de gevolgen daarvan zijn. De aanleiding van Gods optreden ligt in de overtreding en de zonden van het volk. De zetel van het verderf is van beide rijken gevestigd in de hoofdstad van elk rijk: Samaria en Jeruzalem. Door het apart noemen van deze namen worden de tien en de twee stammen afzonderlijk als voorwerpen van Gods oordeel gezien.

Dat Samaria “de overtreding van Jakob” is, wil zeggen dat alle zonden van het tienstammenrijk in de hoofdstad geconcentreerd gevonden worden. Het wil niet zeggen dat ze alleen in Samaria worden gevonden, maar wat in Samaria gevonden wordt, is een uitbarsting van de zonden die overal aanwezig zijn. Mensen van het hele land gaan daarheen om aan hun zondige verlangens de afschuwelijkste uitingen te geven. Daar komt de etter van de zonde van het hele land tot een stinkende uitbarsting.

Op dezelfde wijze wordt Jeruzalem “de [offer]hoogten van Juda” genoemd. De zonde van Juda wordt nader aangeduid als offerhoogten, de hoge plaatsen waar afgoderij wordt gepleegd (Jr 32:35a35Zij bouwden de hoogten van de Baäl, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de Molech door [het vuur] te laten gaan, wat Ik hun niet geboden had. En in Mijn hart was het niet opgekomen dat zij deze gruweldaad zouden doen, zodat ze Juda zouden doen zondigen.). Hoogten zijn hier plaatsen op bergen en heuvels waar altaren zijn opgericht om aan de afgoden te offeren. Deze plaatsen zijn een gruwel voor God. Hij heeft in Jeruzalem Zijn tempel staan als de enige plaats van eredienst. Dat het volk eigenzinnig andere plaatsen van eredienst heeft gemaakt om daarbij dan ook nog andere goden te aanbidden, kan God niet ongestraft laten.

In de hoofdstad zetelt de macht. Daar wordt het beleid bepaald. Dat is tot zegen of tot verderf. De hoofdstad kunnen we beschouwen als het kloppend hart van het volk. De stad is ook vandaag het centrum waar mensen heengaan om zich eens lekker uit te leven. Daar is een ruim aanbod voor het voldoen aan de zondige verlangens. Natuurlijk zijn er op het platteland ook wel gelegenheden waar dat kan. Maar de stad heeft toch wel een bijzondere aantrekkingskracht als mensen vertier zoeken. We horen dat ook als Petrus spreekt over de “steden Sodom en Gomorra” (2Pt 2:66en als Hij [de] steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en <tot omkering> veroordeeld, en ze tot een voorbeeld gesteld heeft voor hen die goddeloos zouden leven;), waar de mensen goddeloos hebben geleefd en als gevolg daarvan door God zijn geoordeeld.


Samaria zal verwoest worden

6Daarom maak Ik van Samaria een puinhoop in het veld,
een plek voor het planten van een wijngaard.
Ik stort haar stenen in het dal,
en haar fundamenten leg Ik bloot.

Hier wordt de verwoesting van Samaria door de Assyriërs beschreven. Van de prachtige stad zal slechts een puinhoop overblijven, die in niets meer aan een stad zal herinneren. Van Samaria zal alleen nog maar een puinhoop op het veld te zien zijn. Het is bouwland geworden, er kunnen wijngaarden worden geplant. Het ontbloten van de fundamenten wil zeggen dat de stad tot de grond toe verwoest zal worden (vgl. Ps 137:77HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem [viel],
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer [die stad],
tot op haar fundament!
)
.

Toch bevat dit grondige oordeel tevens een element van hoop. Nadat Samaria tot een puinhoop is gemaakt en zijn volle sterkte is afgebroken en neergestort, is het geschikt voor het planten van een wijngaard”. Aangezien wijn een beeld is van vreugde, kunnen we in deze beschrijving opmerken dat na de uitoefening van het oordeel er nieuwe vreugde kan ontstaan.

Dit geldt ook in geestelijk opzicht. Als wij het verkeerde bij onszelf oordelen, maakt dat de weg vrij om blij te zijn in de Heer. Daarom moeten de fundamenten worden blootgelegd. We moeten zien wat de oorzaak van het verkeerde is. We moeten nagaan waarop bepaalde daden van ons leven zijn gebaseerd. Daarvoor breekt God soms dingen af die we zelf hebben opgebouwd. Maar dat is dan met het doel er blijdschap voor in de plaats te geven.


Afgoden uitgeroeid

7En al haar beelden worden verbrijzeld,
en al haar [hoeren]loon wordt met vuur verbrand,
van al haar afgoden maak Ik een woestenij,
want met hoerenloon heeft zij ze bijeengebracht
en tot hoerenloon keren ze terug.

Hier vinden we een nadere invulling van de verwoesting. Niet alleen de stad wordt afgebroken, er wordt ook afgerekend met elementen die Gods land en dienst zijn binnengekomen en die het volk heeft gebruikt in zijn afgodendienst. Micha zegt wat daarmee zal gebeuren.

Hij wijst op de gesneden beelden. Dit handwerk, waarvoor Gods volk zich neerbuigt, zal worden verbrijzeld. Zo kan en moet er worden gehandeld met alles wat de plaats van God heeft ingenomen. Het is waardeloos en leeg. Wat een dwaasheid om op zulke dingen zijn vertrouwen te stellen.

God spreekt over het verbrijzelen van de afgodsbeelden als een werk dat Hij Zelf ter hand neemt. Hoewel Hij de Assyriërs gebruikt, is het toch Zijn persoonlijke bemoeienis met het onherstelbaar verdelgen van alle afgodsbeelden. Hij wil Zijn volk ervan doordringen dat elke steun buiten Hem een steunen op lucht zal blijken te zijn.

Met “hoerenloon” worden de geschenken van de afgodendienaars bedoeld. Deze geschenken worden opnieuw tot hoerenloon als ze door de veroveraars worden meegenomen en voor hun eigen afgoden en voor de betaling van hun afgodsfeesten worden gebruikt.

In geestelijke zin is hoererij de ongeoorloofde eenwording van wat wel en wat niet bij God hoort (Ex 34:1515anders sluit u [misschien] een verbond met de inwoners van het land. Wanneer zij immers als in hoererij achter hun goden aangaan en aan hun goden offers brengen, zou men u kunnen uitnodigen en zou u van hun offer eten.; Ri 2:1717Zij luisterden echter ook niet naar hun richters, maar gingen als in hoererij achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. [Al] snel waren zij afgeweken van de weg die hun vaderen gegaan waren, toen die luisterden naar de geboden van de HEERE. Zíj deden zo niet.; Ez 23:3030Deze dingen zal men u aandoen, omdat u de heidenvolken in hoererij achteraangegaan bent, omdat u zich met hun stinkgoden hebt verontreinigd.). Hier slaat het op al de rijkdom die Samaria heeft verkregen uit ongeoorloofde verbindingen met heidense volken door het overnemen van hun goden. Dit zal allemaal door het vuur van Gods oordeel vergaan. Daarvan blijft niets over.

Als wij denken dat afgoderij een kwaad is dat alleen in onbeschaafde delen van de wereld wordt gevonden, is dat een ernstige misvatting die dringend gecorrigeerd moet worden. Afgoderij is alles wat ons oog aftrekt van de Heer Jezus als het centrum van ons leven. Niet voor niets besluit Johannes zijn eerste brief, die vol staat over de Heer Jezus als het eeuwige leven, met de woorden: “Kinderen, wacht u voor de afgoden” (1Jh 5:2121Kinderen, wacht u voor de afgoden.).

Daarbij sluit aan wat Paulus zegt: “De hebzucht, die afgodendienst is” (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,). Is er dan nog iemand die in het licht daarvan durft vol te houden dat afgoderij bij ons geen rol speelt? Als we het daarmee eens zijn, mag het niet bij deze constatering blijven. Dan moeten we alles uit ons leven verwijderen, waaraan we op een hebzuchtige wijze gehecht zijn. Als we dat niet doen, zal God het in oordeel van ons wegnemen.


Een rouwklacht

8Hierover zal ik rouw bedrijven en weeklagen,
zal ik berooid en naakt [mijn] weg gaan,
zal ik huilen als de jakhalzen,
en klaaglijk roepen als de struisvogels.

Tot vers 77En al haar beelden worden verbrijzeld,
en al haar [hoeren]loon wordt met vuur verbrand,
van al haar afgoden maak Ik een woestenij,
want met hoerenloon heeft zij ze bijeengebracht
en tot hoerenloon keren ze terug.
is Micha de stem van de HEERE tot de mensen. In de verzen 8-98Hierover zal ik rouw bedrijven en weeklagen,
zal ik berooid en naakt [mijn] weg gaan,
zal ik huilen als de jakhalzen,
en klaaglijk roepen als de struisvogels.9Want zijn wond is ongeneeslijk,
want zij reikt tot aan Juda,
zij raakt tot aan de poort van mijn volk,
tot aan Jeruzalem!
is hij de stem van het volk, dat wil zeggen van een Godvrezend overblijfsel ervan dat nog begrip heeft van de zonden die worden bedreven door de massa van het volk. Het is een overblijfsel dat Gods gevoelens over de toestand van het volk deelt en tot uitdrukking brengt. Wij mogen ons wel afvragen: In hoeverre is dit besef bij ons aanwezig ten aanzien van de toestand van Gods volk nu?

Met het woord “hierover” bedoelt Micha de voorzegde ondergang van Samaria. Maar hij beperkt zijn weeklacht niet tot Samaria. Uit het volgende vers blijkt dat hij vooral aan Jeruzalem denkt. Hij weet dat het oordeel over Samaria een voorbode is van het oordeel over Jeruzalem. Dat is zijn stad, het oordeel daarover raakt hem persoonlijk. Mede daardoor is zijn smart niet oppervlakkig, maar diep doorvoeld en luidruchtig. De kreten die hij daarbij uitstoot, doen denken aan die van de jakhals en struisvogel (vgl. Jb 30:2929Ik ben een broeder van de jakhalzen geworden,
en een metgezel van de struisvogels.
)
.

In elk geval schaamt hij zich niet. Hij houdt zich niet in (vgl. Jr 9:11Och, was mijn hoofd [maar] water
en mijn oog een bron van tranen,
ik zou dag en nacht wenen
over de gesneuvelden bij de dochter van mijn volk.
)
. Zijn uitingen van smart laten zien dat hij zich ten nauwste met dit volk verbonden voelt. De voorzegging van de komst van de HEERE betekent voor hem niet het mechanisch afleveren van een boodschap. Ook is er geen spoor van leedvermaak bij hem aanwezig, alsof hij zich erover zou verheugen dat dit ontrouwe volk er eens lekker van langs zal krijgen. Hij is intens begaan met het aanstaande onheil dat voor het volk dreigt.

Micha is niet alleen hoorbaar aangedaan over wat het volk zal treffen. Het is ook aan hem te zien. De rampen die het volk zullen treffen, hebben hem zo aangegrepen, dat hij alles aflegt wat maar de indruk zou kunnen wekken dat hij het wel naar zijn zin heeft. “Naakt” moeten we opvatten in de zin van ongekleed, dat is zonder bovenkleed (2Sm 15:3030En David ging al huilend de weg omhoog naar de Olijfberg op, zijn hoofd bedekt, en zelf ging hij barrevoets. Ook [van] al het volk dat bij hem was, had iedereen zijn hoofd bedekt, terwijl zij al huilend [de berg] opgingen.; Js 20:22in die tijd sprak de HEERE door de dienst van Jesaja, de zoon van Amoz: Ga, maak het rouwgewaad van om uw middel los en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed dat. [Daar] ging hij [dan], naakt en barrevoets.; Jh 21:77Die discipel dan die Jezus liefhad, zei tot Petrus: Het is de Heer! Toen Simon Petrus dan hoorde dat het de Heer was, omgordde hij zich het opperkleed (want hij was ongekleed), en wierp zich in de zee.). Het geeft de aanblik van ellende en smart.

Hieruit kunnen we het nodige leren met het oog op het oordeel dat de wereld wacht. Wat doet het ons als wij daaraan denken? Te oordelen naar de luxe waarmee we ons omgeven, zijn we niet echt onder de indruk van de rampspoed die de wereld wacht. We doen flink mee met het zoveel mogelijk genieten van alle weelde en welvaart. Als we echt beseffen wat God binnenkort met de wereld gaat doen, zal ons dat tot een sobere leefwijze voeren.


De wond is ongeneeslijk

9Want zijn wond is ongeneeslijk,
want zij reikt tot aan Juda,
zij raakt tot aan de poort van mijn volk,
tot aan Jeruzalem!

Micha geeft twee redenen voor de luide, krachtige uitroepen van zijn smart. In de eerste plaats omdat het oordeel over Samaria zo radicaal is. De wonden als gevolg van de plagen waarmee God het slaat, zijn “ongeneeslijk”. Er is geen uitweg meer. Gods geduld is op. De legers van Assyrië zullen de stad verwoesten en de bevolking meenemen.

De tweede reden van zijn grote smart is dat hij in zijn visioen ziet hoe de Assyriërs Juda zijn binnengevallen. Waarschijnlijk betreft het de eerste invasie (2Kn 18:1313In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda en nam ze in.). De vijand heeft zijn voet gezet op zijn land, zijn thuis. Dit is voor hem onverdraaglijk. Gods land is zijn land, Gods volk is zijn volk. Het mag niet zo zijn dat anderen daar recht op laten gelden. Dat God het toelaat, komt door de zonden van het volk. Micha erkent dat, maar dat neemt niet weg dat het binnentrekken van de vijand in Gods land bij hem een groot verdriet veroorzaakt.

Toch wordt Jeruzalem niet ingenomen. De veroveraar houdt halt bij de poort van Jeruzalem. Hij mag komen “tot aan” de poort, “tot aan” Jeruzalem. Dat hij niet in Jeruzalem komt, is het resultaat van de voorbede van Hizkia (Js 37:1-81Zodra koning Hizkia [dat] hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.2Verder stuurde hij Eljakim, het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, gehuld in rouwgewaden, naar Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz.3Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.4Misschien zal de HEERE, uw God, de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is?5Toen kwamen de dienaren van koning Hizkia bij Jesaja.6En Jesaja zei tegen hen: Dit moet u tegen uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Wees niet bevreesd voor de woorden die u gehoord hebt, [de woorden] waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij gelasterd hebben.7Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen.8Toen keerde de commandant terug en trof de koning van Assyrië aan, in strijd gewikkeld met Libna. Hij had namelijk gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken.). Hierdoor vergunt de HEERE Jeruzalem een uitstel van honderdvierentwintig jaar.


Gath en Beth-le-Afra

10Maak [het] niet bekend in Gath,
ween niet [zo] jammerlijk,
wentel u in het stof
in Beth-le-Afra.

Vanaf vers 1010Maak [het] niet bekend in Gath,
ween niet [zo] jammerlijk,
wentel u in het stof
in Beth-le-Afra.
wordt de invasie van de Assyriërs beschreven en hun belegering van Jeruzalem. Ook in Jesaja wordt deze opmars beschreven (Js 10:28-3228Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
29Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, [de stad] van Saul, slaat op de vlucht.
30Gil het uit, dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
31Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
32Vandaag nog staat hij in Nob
[en] zwaait met zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.
)
. Maar er is een verschil. Jesaja somt meer de verschillende plaatsen op als stopplaatsen op de marsroute van de Assyriërs. De beschrijving van Micha is meer vermengd met de oorzaken waardoor de verschillende steden door dit oordeel getroffen worden.

In de verzen 10-1510Maak [het] niet bekend in Gath,
ween niet [zo] jammerlijk,
wentel u in het stof
in Beth-le-Afra.11Trek voorbij, bewoonster van Safir,
[in] schandelijke naaktheid.
De bewoonster van Zaänan gaat niet naar buiten,
rouw is [in] Beth-Haëzel;
Hij neemt Zijn steun van u weg.12Ja, de bewoonster van Maroth
is ziek vanwege het goede,
want kwaad is afgedaald van de HEERE
tot aan de poort van Jeruzalem.13Span de snelle paarden voor de wagen,
bewoonster van Lachis.
Die is het begin van de zonde
voor de dochter van Sion,
want in u zijn de overtredingen
van Israël gevonden.14Geef daarom afscheidsgeschenken
aan Moreset-Gath.
De huizen van Achzib blijken onbetrouwbaar
voor de koningen van Israël.15Opnieuw breng Ik een bezetter over u,
bewoonster van Maresa.
Hij zal komen tot aan Adullam,
de luister van Israël.
worden verschillende plaatsen genoemd die het toneel van ellende zullen zijn. Van de meeste plaatsen is bekend dat ze in de buurt van de geboorteplaats van Micha liggen. De profeet ziet dus een vreselijk onheil komen over zijn geboorteplaats en de directe omgeving ervan.

Er worden tien steden genoemd. Tien is het getal van verantwoordelijkheid. Daarin hebben Israël en Juda gefaald en als gevolg daarvan komt nu het oordeel over hen. De eerste steden die worden genoemd, liggen in het heuvelland van Juda op de route van de vijand van Samaria naar Jeruzalem. De volgende steden liggen in de buurt van Jeruzalem. De steden van Juda die de gesel ervan hebben ervaren, worden opgesomd, elk in bewoordingen die een woordspeling met de naam van de stad laten zien.

De opsomming wordt door vers 1212Ja, de bewoonster van Maroth
is ziek vanwege het goede,
want kwaad is afgedaald van de HEERE
tot aan de poort van Jeruzalem.
, waar weer de poort van Jeruzalem wordt genoemd, in twee keer vijf steden verdeeld. Daardoor is het vermoeden ontstaan dat de eerstgenoemde vijf steden ten noorden en de erna genoemde vijf ten zuiden van Jeruzalem liggen, waarmee Micha gelijk aangeeft dat het oordeel zich vanuit het noorden voltrekt.

Het gedeelte van de verzen 10-1510Maak [het] niet bekend in Gath,
ween niet [zo] jammerlijk,
wentel u in het stof
in Beth-le-Afra.11Trek voorbij, bewoonster van Safir,
[in] schandelijke naaktheid.
De bewoonster van Zaänan gaat niet naar buiten,
rouw is [in] Beth-Haëzel;
Hij neemt Zijn steun van u weg.12Ja, de bewoonster van Maroth
is ziek vanwege het goede,
want kwaad is afgedaald van de HEERE
tot aan de poort van Jeruzalem.13Span de snelle paarden voor de wagen,
bewoonster van Lachis.
Die is het begin van de zonde
voor de dochter van Sion,
want in u zijn de overtredingen
van Israël gevonden.14Geef daarom afscheidsgeschenken
aan Moreset-Gath.
De huizen van Achzib blijken onbetrouwbaar
voor de koningen van Israël.15Opnieuw breng Ik een bezetter over u,
bewoonster van Maresa.
Hij zal komen tot aan Adullam,
de luister van Israël.
begint met woorden die herinneren aan de rouwklacht van David over de dood van Saul en Jonathan (2Sm 1:2020Maak het niet bekend in Gath,
breng de boodschap niet op de straten van Askelon,
anders verblijden de dochters van de Filistijnen zich,
anders springen de dochters van de onbesnedenen op van vreugde.
)
. Het gedeelte eindigt met de naam van de spelonk waar David zich voor Saul heeft verborgen (1Sm 22:11Toen ging David daarvandaan en hij ontkwam naar de grot van Adullam. Zijn broers en het hele huis van zijn vader hoorden dit en zij kwamen daar bij hem.). Deze donkere momenten in het leven van David vormen als het ware het decor voor de beschrijving van de val van de steden waarover Micha spreekt. De val van Saul staat symbool voor de val van het hele koninkrijk van Israël. In de spelonk zien we dat er tijdens het oordeel toch een toevluchtsoord is voor hen die Gods oordeel als terecht erkennen. Daar bevindt en verbergt zich de heerlijkheid van Israël (vers 1515Opnieuw breng Ik een bezetter over u,
bewoonster van Maresa.
Hij zal komen tot aan Adullam,
de luister van Israël.
)
.

Het eerste wat Micha doet, is het volk waarschuwen dat dit bericht niet doorgegeven wordt aan Gath van de Filistijnen. De profeet vreest het wraakzuchtig gejuich van deze vijanden van Gods volk (vgl. 2Sm 1:2020Maak het niet bekend in Gath,
breng de boodschap niet op de straten van Askelon,
anders verblijden de dochters van de Filistijnen zich,
anders springen de dochters van de onbesnedenen op van vreugde.
)
. Ze moeten zelfs geen enkele uiting van droefheid daar laten zien.

Het bepaalt hen er ook bij dat zij in hun eigen stad het oordeel moeten dragen. Ze mogen geen steun zoeken bij anderen. Het volle gewicht ervan moet tot hen doordringen. Het is ook een waarschuwing dat ze geen medelijden moeten zoeken op verkeerde plaatsen, bij verkeerde personen. Als ze dat doen, zal dat hun pijn alleen maar groter maken.

De eerste stad in Juda is “Beth-le-Afra”, dat ‘huis van het stof’ betekent. In de oproep van Micha tot deze stad om zich in het stof te wentelen ligt een woordspeling. Het is een oproep zich te gedragen naar de betekenis van de naam van hun stad. Zich wentelen in het stof is een teken van rouw (Jz 7:66Toen scheurde Jozua zijn kleren en hij wierp zich met het gezicht ter aarde, voor de ark van de HEERE, tot de avond, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd.; Jb 16:1515Ik heb een rouwgewaad over mijn huid genaaid,
ik heb mijn hoorn in het stof gestoken.
; Js 47:11Daal af en zit neer in het stof,
maagd, dochter van Babel;
zit neer op de grond, er is geen troon [meer],
dochter van de Chaldeeën.
Want men zal u niet meer noemen:
weekhartig en teergevoelig.
)
. God wil met Zijn oordeel altijd bewerken dat de mens zich voor Hem vernedert en de rechtvaardigheid van Zijn oordeel erkent.


Safir, Zaänan en Beth-Haëzel

11Trek voorbij, bewoonster van Safir,
[in] schandelijke naaktheid.
De bewoonster van Zaänan gaat niet naar buiten,
rouw is [in] Beth-Haëzel;
Hij neemt Zijn steun van u weg.

De woordspeling geldt voor alle plaatsen die door Micha worden genoemd. Micha heeft voor elke stad een oproep die aansluit bij de betekenis van de naam ervan. “Safir” betekent ‘schone’. Micha spreekt over de schande waaraan Safir zal worden prijsgegeven. Van haar schoonheid blijft niets over. De stad zal het tegenovergestelde van de betekenis van haar naam ervaren: ze zal een vernederende behandeling ondergaan.

“Zaänan” betekent ‘plaats van menigten’ of ‘die uitgegaan is’. Bij een menigte kunnen we denken aan kracht om de vijand te bestrijden. Maar er zal niemand de poort uitgaan. Uit vrees voor de vijand zullen ze binnen de poorten blijven. Van enige heldhaftigheid is geen sprake. Micha vermeldt dat zij zich niet naar buiten wagen.

“Beth-Haëzel” betekent ‘huis van de naaste’. Maar zij zullen geen hulp aan hun naasten kunnen geven. De stad zal geen plaats zijn waar vluchtelingen kunnen verblijven omdat de stad zelf vol ellende is. De ellende waarin de vijand de stad heeft gedompeld, zal het onmogelijk maken als stopplaats voor verjaagden te dienen. Ze zijn krachteloos om voor de naasten een steun te zijn omdat de HEERE Zijn steun van hen wegneemt. Hij neemt Zijn steun van hen weg, omdat zij niet op Hem steunen.


Maroth

12Ja, de bewoonster van Maroth
is ziek vanwege het goede,
want kwaad is afgedaald van de HEERE
tot aan de poort van Jeruzalem.

“Maroth” betekent ‘bitterheid’. De bewoonster ziet uit naar het goede, maar het komt niet. Als bitterheid het kenmerk van de stad is, is er geen verbinding met het goede en het uitzien ernaar is ongegrond en tevergeefs. Omdat de stad de HEERE heeft verlaten, heeft ze de bron van het goede verlaten. Het oordeel is aanstaande. Dat zal verlies betekenen van al het goede dat er nog aanwezig is. Naar het goede kan alleen met blijdschap worden uitgezien vanuit de omgang met Hem.

Midden in de beschrijving van de veroveringstocht van de Assyriërs herinnert Micha eraan dat al het onheil dat de vijand brengt van de HEERE komt. Hij is het Die Zijn volk straft vanwege hun zonden. Assyrië is de roede waarmee Hij Zijn volk tuchtigt vanwege hun volharden in het afwijken van Hem (Js 10:5-65Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.
)
. Micha geeft ook de grens aan die de HEERE voor Zijn tuchtroede heeft vastgesteld en die daarom door de vijand niet zal worden overschreden. Het is “tot aan de poort van Jeruzalem” en niet erdoor naar binnen de stad in (vgl. vers 99Want zijn wond is ongeneeslijk,
want zij reikt tot aan Juda,
zij raakt tot aan de poort van mijn volk,
tot aan Jeruzalem!
)
.


Lachis, het begin van Israëls zonde

13Span de snelle paarden voor de wagen,
bewoonster van Lachis.
Die is het begin van de zonde
voor de dochter van Sion,
want in u zijn de overtredingen
van Israël gevonden.

Lachis betekent onder andere ‘onoverwinnelijk’. Maar Lachis krijgt de oproep om te vluchten voor de naderende vijand en dat zo snel mogelijk te doen. Paarden, die een toonbeeld van onbevreesde kracht in de oorlogsvoering zijn (Jb 38:24-2524Waarheen is de weg [waar] het licht zich verdeelt,
[en] de oostenwind zich verspreidt over de aarde?
25Wie klieft voor de [stort]vloed een waterloop,
en een weg voor het weerlicht van de donder,
)
, worden door Micha aangeprezen als het middel voor een snelle en smadelijke aftocht. Nadat Sanherib Lachis heeft ingenomen, vestigt hij er zijn hoofdkwartier en ontvangt hij daar de gezanten van Hizkia (2Kn 18:14,1714Toen stuurde Hizkia, de koning van Juda, [deze boodschap] naar de koning van Assyrië, naar Lachis: Ik heb gezondigd, keer van mij af; wat u mij zult opleggen, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talent zilver en dertig talent goud op.17Maar de koning van Assyrië stuurde de opperbevelhebber, de bevelhebber van de hofhouding en de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Zij trokken op en kwamen naar Jeruzalem. Nadat zij opgetrokken en [daar] aangekomen waren, stelden zij zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.; Js 36:22De koning van Assyrië zond de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.).

In Lachis ligt “het begin van de zonde” van Juda. Het begin van de zonde is waar de zonde is begonnen en waarin ze ook haar volle kracht heeft geopenbaard. Het zal betekenen dat in Lachis als eerste stad in Juda de afgoderij uit Israël is ‘geïmporteerd’ en vandaar verder in Juda is verspreid. De zonden van Israël hebben niet haltgehouden voor de grens van Juda. Lachis heeft er de poort voor geopend en de zonde binnengehaald.


Moreset-Gath en Achzib

14Geef daarom afscheidsgeschenken
aan Moreset-Gath.
De huizen van Achzib blijken onbetrouwbaar
voor de koningen van Israël.

Ook “Moreset-Gath” zal in handen van de vijand vallen. Moreset-Gath betekent ‘bezit of erfdeel van Gath’. De stad zal haar erfdeel moeten opgeven. Het zal het bezit worden van de vijand, terwijl de inwoners ervan in ballingschap zullen gaan. Met het oog daarop zegt Micha dat aan die stad een afscheidsgeschenk gegeven moet worden. Het is als een geschenk dat een vader aan zijn dochter meegeeft bij haar huwelijk, wanneer zij het huis verlaat. Het betekent dat ook deze stad voor het rijk verloren gaat.

“Achzib” betekent ‘leugen’, ‘bedrog’. De stad zal de koningen teleurstellen die hun hoop hierop hebben gevestigd. De ‘achzabim’ in het Oude Testament zijn beken die in de zomer droog zijn en zo bedrog zijn voor de dorstige reiziger (vgl. Jb 6:1515Mijn broeders hebben trouweloos gehandeld, als een beek;
zij gaan voorbij als stromende beken,
; Jr 15:18b18Waarom is mijn lijden er voor altijd,
en is mijn wond ongeneeslijk, weigert hij te genezen?
Bent U nu echt voor mij als een onbetrouwbare [beek],
water [dat] niet betrouwbaar is?
)
. “De huizen van Achzib” worden genoemd omdat die te vergelijken zijn met de beekbedding die bedriegt. Er is geen staat op te maken, niet op te rekenen, ze bieden geen enkele bescherming.

De koningen van Juda worden hier “de koningen van Israël” genoemd omdat zij in boosheid niet voor die van Israël onderdoen. Ze zullen het grootste bedrog omarmen als ze de antichrist zullen aannemen. Ze zullen menen in hem hun bevrijder te hebben. Maar hoe bedrogen zullen ze daarmee uitkomen. Deze man zal “onbetrouwbaar” zijn. Hij zal een ‘leugenbeek’ blijken te zijn die zijn weerga niet kent.


Maresa en Adullam

15Opnieuw breng Ik een bezetter over u,
bewoonster van Maresa.
Hij zal komen tot aan Adullam,
de luister van Israël.

Maresa betekent ‘bezitting’ of ‘verovering’. Eens is het veroverd door de Israëlieten, nu staat het op het punt door hun vijanden te worden veroverd. Al hun bezit zal in handen van de Assyriërs, “een bezetter”, vallen. Hier benadrukt Micha nog eens dat de HEERE de Bewerker van hun onheil is (vgl. vers 1212Ja, de bewoonster van Maroth
is ziek vanwege het goede,
want kwaad is afgedaald van de HEERE
tot aan de poort van Jeruzalem.
)
.

Alle voorname mensen, mensen van aanzien, zullen naar Adullam vluchten, de spelonk voor achtervolgden (1Sm 22:11Toen ging David daarvandaan en hij ontkwam naar de grot van Adullam. Zijn broers en het hele huis van zijn vader hoorden dit en zij kwamen daar bij hem.). “De luister van Israël” is de adel (Js 5:1313Daarom zal Mijn volk in ballingschap gaan:
het heeft geen kennis.
Zijn hooggeplaatsten zullen verhongeren,
en zijn [mensen]menigte zal van dorst versmachten.
)
, maar kan ook slaan op het hele volk, zij die geen recht van bestaan hebben (Hs 9:11-1311Wat Efraïm betreft, als een vogel zal zijn luister wegvliegen,
van de geboorte, van de [moeder]schoot en van de bevruchting af.12Ook al brengen zij hun kinderen groot,
Ik zal hen van kinderen beroven, geen mens zal er [meer] zijn!
Ja ook, wee hun, wanneer Ik van hen wijk!13Efraïm, zoals Ik het gezien had, was als Tyrus,
geplant in een lieflijke woonplaats,
maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitleveren
aan de moordenaar.
)
. Omdat deze plaats zo herinnert aan de vlucht van David en allen die zich bij hem hebben gevoegd, kan het ook zijn dat God deze spelonk als toevluchtsoord aanwijst voor alle trouwe gelovigen.


Rouwbetoon vanwege ballingschap

16Scheer [uw haar] af, ja, scheer u kaal
vanwege uw kinderen, die u lief zijn;
maak u zo kaal als een gier,
want zij zijn bij u weggegaan in ballingschap.

Micha keert terug tot zijn rouwklacht die hij in vers 88Hierover zal ik rouw bedrijven en weeklagen,
zal ik berooid en naakt [mijn] weg gaan,
zal ik huilen als de jakhalzen,
en klaaglijk roepen als de struisvogels.
is begonnen naar aanleiding van de wegvoering van het volk, die hij in de verzen daarna heeft beschreven. Hij richt zich hier niet meer tot een bepaalde stad, maar doet een algemene oproep aan het hele land. Het kan hier dan ook gaan zowel over de wegvoering door de Assyriërs (2Kn 18:13-1913In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda en nam ze in.14Toen stuurde Hizkia, de koning van Juda, [deze boodschap] naar de koning van Assyrië, naar Lachis: Ik heb gezondigd, keer van mij af; wat u mij zult opleggen, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talent zilver en dertig talent goud op.15Hizkia gaf al het zilver dat in het huis van de HEERE gevonden werd, en in de schatkamers van het huis van de koning.16In die tijd sneed Hizkia [het goud] af van de deuren en de deurposten van de tempel van de HEERE. Hizkia, de koning van Juda, had die [met goud laten] overtrekken. Hij gaf dat [goud] aan de koning van Assyrië.17Maar de koning van Assyrië stuurde de opperbevelhebber, de bevelhebber van de hofhouding en de commandant van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Zij trokken op en kwamen naar Jeruzalem. Nadat zij opgetrokken en [daar] aangekomen waren, stelden zij zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.18Toen zij om de koning riepen, ging Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, [de stad] uit naar hen toe, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.19Daarop zei de commandant tegen hen: Zeg toch tegen Hizkia: Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor vertrouwen dat u koestert?) als over de wegvoering naar Babel (Mi 4:1010Krimp ineen en schreeuw het uit,
dochter van Sion, als een barende [vrouw],
want nu moet u de stad uit
en in het [open] veld wonen.
U zult tot in Babel komen.
Daar zult u gered worden,
daar zal de HEERE u verlossen
uit de hand van uw vijanden.
)
.

Door te spreken over “uw kinderen, die u lief zijn”, wordt Sion (vers 1313Span de snelle paarden voor de wagen,
bewoonster van Lachis.
Die is het begin van de zonde
voor de dochter van Sion,
want in u zijn de overtredingen
van Israël gevonden.
)
aangesproken als de moeder van haar volk. De leden van het volk zijn de kinderen van haar liefde. Het zijn de kinderen over wie zij zich als moeder zo heeft verblijd. Nu haar kinderen worden weggevoerd, verandert haar blijdschap over hen in grote smart.

Micha roept op om uiting te geven aan die smart. Hij wil dat ze zich, als teken van rouw, kaal maken en scheren (Jb 1:2020Toen stond Job op en scheurde zijn bovenkleed, schoor zijn hoofd, viel op de aarde en boog zich neer.; Ez 27:3131Vanwege u scheren zij zich helemaal kaal
en omgorden zij zich met rouwgewaden.
Zij bewenen u, bitter van ziel,
[met] een bittere rouwklacht.
; Am 8:1010Ik zal uw feesten in rouw veranderen,
al uw liederen in klaagzangen;
om alle heupen zal Ik een rouwgewaad aanbrengen,
elk hoofd zal kaal zijn,
omdat Ik het [land] in rouw dompel als over een enig [kind],
en wat ervan overblijft zal zijn als een bittere dag.
)
. Kaal maken en scheren zijn twee woorden voor dezelfde handeling, het zijn synoniemen. Door beide uitdrukkingen te gebruiken wordt de gedachte aan rouw versterkt. Deze versterkte gedachte wordt nog weer versterkt door de kale plek te verbinden aan de gier. Een uiterlijk kenmerk van de gier is immers dat hij op de kop en in de nek kaal is. Met het noemen van de gier wordt het aspect van oordeel nog eens extra benadrukt (Mt 24:2828Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen.).


Lees verder