Klaagliederen
Inleiding 1-10 Vroeger en nu 11-16 Belijdenis van de oorzaak van de ellende 17-20 Klacht over vervlogen hoop 21-22 Edom en Sion
Inleiding

Dit hoofdstuk lijkt veel op Klaagliederen 2. Het begint evenals Klaagliederen 1 en Klaagliederen 2 met het woord “hoe” (Kl 1:11Hoe eenzaam zit zij neer, /aleph/
die stad, [eens] zo dichtbevolkt!
Als een weduwe is zij geworden,
zij die groot was onder de heidenvolken.
Een vorstin onder de gewesten
is verplicht tot herendienst.
; 2:11Hoe heeft de Heere in Zijn toorn /aleph/
de dochter van Sion in wolken gehuld.
Hij heeft vanuit de hemel ter aarde geworpen
de luister van Israël;
en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht
op de dag van Zijn toorn.
)
. Het verschil is dat elk vers niet uit zes, maar uit vier regels bestaat. Het hoofdstuk bestaat uit klachten voor de HEERE en wel over zichzelf en niet over anderen. Het gaat over het glorieuze verleden en het rampzalige heden van Sion.


Vroeger en nu

1Hoe is het goud donker geworden, /aleph/
het goede, fijne goud veranderd!
De stenen van het heiligdom liggen in het rond
op de hoek[en] van alle straten!
2De kostbare kinderen van Sion, /beth/
[eens] gewaardeerd als zuiver goud,
hoe worden zij [nu] beschouwd als aarden kruiken,
het werk van pottenbakkershanden!
3Zelfs jakhalzen reiken hun jongen de borst, /gimel/
om ze te laten zuigen;
[maar] de dochter van mijn volk is zo wreed geworden
als struisvogels in de woestijn.
4De tong van de zuigeling kleeft /daleth/
aan zijn gehemelte van dorst.
Kleine kinderen vragen om brood,
niemand verstrekt [het] hun.
5Zij die [eens] lekkernijen aten, /he/
kwijnen [nu] weg op de straten;
zij die [eens] met karmozijnrode stof vertrouwd waren,
omarmen [nu] het vuil.
6Groter is de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk /waw/
dan de zonde van Sodom,
dat als in een ogenblik ondersteboven werd gekeerd,
zonder toedoen van [mensen]handen.
7Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, /zain/
blanker dan melk,
roder van lichaam dan robijnen;
hun gestalte was gladder dan een saffier.
8[Maar] zwarter dan roet is [nu] hun gestalte, /cheth/
onherkenbaar zijn zij op de straten.
Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen,
ze is verdord, ze is geworden als hout.
9Zij die vielen door het zwaard zijn beter af /teth/
dan zij die vielen door de honger,
[want] als doorstoken kwijnen die weg
omdat de velden niets opbrengen.
10De handen van barmhartige vrouwen /jod/
hebben hun [eigen] kinderen gekookt.
Zij zijn hun tot voedsel geworden
bij de ondergang van de dochter van mijn volk.

In vers 11Hoe is het goud donker geworden, /aleph/
het goede, fijne goud veranderd!
De stenen van het heiligdom liggen in het rond
op de hoek[en] van alle straten!
gaat het om het gebouw van de tempel – het eens zo prachtige gouden gebouw, de schitterende woonplaats van God – die nu van zijn gouden glans is beroofd. Goud en fijn goud zijn aanduidingen van wat heel kostbaar en glanzend is. Ze waren door de HEERE bedoeld om Zijn “persoonlijk eigendom” te zijn, om voor Hem “een koninkrijk van priesters en een heilig volk” te zijn (Ex 19:5-65Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.6U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.). Die glans is verdwenen. Het hele heiligdom is afgebroken. De grote stenen liggen verspreid door de stad. We zien hier weer de karakteristieke trek van de klaagzang: het tegenover elkaar stellen van het glorierijke verleden en het ruïneuze heden.

In vers 22De kostbare kinderen van Sion, /beth/
[eens] gewaardeerd als zuiver goud,
hoe worden zij [nu] beschouwd als aarden kruiken,
het werk van pottenbakkershanden!
gaat het om de inwoners van Jeruzalem. Zij zijn, net als het goud van de tempel, heel waardevol. Maar ook van hun glans is niets over. Ze zijn verworden tot breekbaar aardewerk dat vanwege de nutteloosheid ervan achteloos wordt weggeworpen. Ook hier staat het welvarende verleden tegenover het rampzalige heden.

Het thema van de kinderen komt telkens terug (vers 33Zelfs jakhalzen reiken hun jongen de borst, /gimel/
om ze te laten zuigen;
[maar] de dochter van mijn volk is zo wreed geworden
als struisvogels in de woestijn.
)
. Zij zijn de meest lijdenden, de zwaarst getroffenen. Jakhalzen hebben nog meer gevoel voor hun jongen dan de inwoners van Jeruzalem. Die lijken op struisvogels. Struisvogels bekommeren zich niet om hun jongen (Jb 39:16-1916De vleugels van de struisvogel klapwieken vrolijk,
net als de veren van de ooievaar en het [ander] gevederte.
17Maar zij laat haar eieren achter in de aarde,
en verwarmt ze in het stof,
18en vergeet dat een voet ze kan breken,
en dat de dieren van het veld ze kunnen vertrappen.
19Zij behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar zijn;
zij is zonder angst of haar inspanning voor niets is.
)
. Dit is het gevolg van de verwoestingen door Nebukadnezar die weer het gevolg zijn van de zonden van het volk. Er wordt niet naar de kinderen omgekeken (vers 44De tong van de zuigeling kleeft /daleth/
aan zijn gehemelte van dorst.
Kleine kinderen vragen om brood,
niemand verstrekt [het] hun.
)
. Er zijn geen natuurlijke gevoelens bij de wrede vijand, maar ook niet meer bij het volk. De zuigeling krijgt de borst niet en smekende grotere kinderen worden genegeerd.

Ook de rijken en vorsten, die luxe gewend zijn geweest, hebben niets meer van hun welvaart over (vers 55Zij die [eens] lekkernijen aten, /he/
kwijnen [nu] weg op de straten;
zij die [eens] met karmozijnrode stof vertrouwd waren,
omarmen [nu] het vuil.
)
. Ze hebben geen eten. Eens hebben zij zich neergevlijd op kostbare kussens, nu zitten ze in het vuil, ze zijn erdoor omgeven en omarmen het vgl. Jb 2:88En [Job] nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij midden in de as zat.).

In vers 66Groter is de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk /waw/
dan de zonde van Sodom,
dat als in een ogenblik ondersteboven werd gekeerd,
zonder toedoen van [mensen]handen.
horen we de oorzaak van de ellende uit de mond van Jeremia. Het is al eerder gezegd. Toch is het geen herhaling, want het gaat dieper. Het is niet de beschrijving van een toestand, maar de oorzaak ervan: de zonde van het volk die groter is dan die van Sodom.

Wat de ongerechtigheden zijn, wordt niet vermeld. Eerder is al vermeld dat de zonden van Jeruzalem vergelijkbaar zijn met die van Sodom (Js 1:1010Hoor het woord van de HEERE,
leiders van Sodom!
Neem de wet van onze God ter ore,
volk van Gomorra!
; Jr 23:1414Maar bij de profeten van Jeruzalem
heb Ik iets afschuwelijks gezien:
zij plegen overspel, met leugen gaan zij [hun weg]
zij bemoedigen de kwaaddoeners,
zodat niemand zich bekeert
van zijn slechtheid.
Zij allen zijn voor Mij als Sodom,
en zijn inwoners als Gomorra.
; Ez 16:46-4846Uw oudste zuster is Samaria, zij met haar dochters, die aan uw linkerhand woont, en uw zuster die jonger is dan u, die aan uw rechterhand woont, is Sodom met haar dochters.47U bent niet in hun wegen gegaan en hebt niet overeenkomstig hun gruweldaden gedaan, nee, nog even, en u hebt het in al uw wegen meer te gronde gericht dan zij.48[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Sodom, uw zuster, zij en haar dochters hebben niet zo gedaan als u en uw dochters gedaan hebben!)
, maar hier worden ze voorgesteld als groter dan die van Sodom. De oorzaak is de grotere verantwoordelijkheid die Jeruzalem heeft. Zij hebben kennis van de HEERE en meer voorrechten. Ze hebben daarnaar niet geleefd, maar integendeel de voorrechten misbruikt (vgl. Am 3:22Alleen u heb Ik gekend
uit alle geslachten op de aarde.
Daarom zal Ik u vergelden
al uw ongerechtigheden.
; Lk 12:47-48a47Die slaaf nu, die de wil van zijn heer heeft gekend, en [zich] niet bereid en niet naar zijn wil gedaan heeft, zal met vele [slagen] worden geslagen;48maar wie die niet gekend en dingen gedaan heeft die slagen waard zijn, zal met weinige worden geslagen. Ieder nu wie veel gegeven is, van hem zal veel worden geëist; en wie veel is toevertrouwd, van hem zal men des te meer vragen.)
.

Sodom is door een plotselinge verwoesting geoordeeld en daar is ook geen mensenhand aan te pas gekomen (Gn 19:2525Hij keerde deze steden en heel de vlakte ondersteboven, met alle inwoners van de steden en het gewas op het land.; vgl. Dn 2:34,4534[Dit] zag u totdat er, niet door [mensen]handen, een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die.45Daarom hebt u gezien dat niet door [mensen]handen uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.). Het oordeel over Jeruzalem is zwaarder. Jeruzalem lijdt voortdurend en dat van de kant van mensen. Het heeft vele maanden onder de belegering geleden en de inwoners zijn ten slotte meedogenloos door de vijanden omgebracht.

“Haar aanzienlijksten” (vers 77Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, /zain/
blanker dan melk,
roder van lichaam dan robijnen;
hun gestalte was gladder dan een saffier.
)
is letterlijk ‘haar nazireeërs’, een woord dat wordt gebruikt voor iemand die door een speciaal kenmerk is afgezonderd van zijn tijdgenoten (Gn 49:2626De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.
; Dt 33:1616met het beste van de aarde en haar volheid,
en [met] de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde.
Laat het komen op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers!
)
. Hier zijn het de opgemaakte dames en heren die sierlijk door de stad gingen. Zij hebben niets meer van de vroegere elegantie. De kenmerken blank en rood zijn kenmerken waarmee de bruid de bruidegom in Hooglied beschrijft (Hl 5:10a10Mijn Liefste is blank en rood,
Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit.
)
. Het zijn de kenmerken die de bruidegom op Jeruzalem heeft gelegd, maar daar is niets meer van te zien.

Alle schoonheid – waarvan de blanke huid een teken is – is verdwenen. In de plaats daarvan is afstotelijke zwartheid gekomen (vers 88[Maar] zwarter dan roet is [nu] hun gestalte, /cheth/
onherkenbaar zijn zij op de straten.
Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen,
ze is verdord, ze is geworden als hout.
; vgl. Hl 1:5-6a5Donker [van huid] ben ik, maar bekoorlijk,
dochters van Jeruzalem,
als de tenten van Kedar,
als de tentkleden van Salomo.6Zie niet op mij neer omdat ik donker ben,
want de zon heeft mij beschenen.
De zonen van mijn moeder ontstaken tegen mij [in woede],
zij maakten mij tot bewaakster van de wijngaarden.
Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.
)
. Ze zijn nog glanslozer geworden dan iets wat met roet bedekt is (Jb 30:3030Mijn huid is zwart geworden op mij,
en mijn beenderen branden van hitte.
)
. Hun gezichten zijn zo verwrongen, dat ze niet meer herkend worden. Ze lopen erbij als skeletten. Hun huid die van de olie glom, is helemaal verlept als die van oude mensen.

Het zwaard zorgt voor een snelle dood, maar aan de dood door honger gaat een lange lijdensweg vooraf (vers 99Zij die vielen door het zwaard zijn beter af /teth/
dan zij die vielen door de honger,
[want] als doorstoken kwijnen die weg
omdat de velden niets opbrengen.
)
. Zoals anderen door het zwaard doorstoken zijn en snel sterven, zo zijn zij dodelijk getroffen door voedselgebrek en sterven langzaam weg.

De nood die door de honger ontstaat, kan zo groot zijn, dat het mensen waanzinnig maakt (vers 1010De handen van barmhartige vrouwen /jod/
hebben hun [eigen] kinderen gekookt.
Zij zijn hun tot voedsel geworden
bij de ondergang van de dochter van mijn volk.
)
. In hun waanzin koken vrouwen die eens barmhartig waren nu onbarmhartig hun eigen kinderen (Kl 2:2020Zie, HEERE, en aanschouw /resj/
aan wie U zo gedaan hebt!
 Moeten vrouwen hun [eigen] vrucht eten,
kleine kinderen die zij op handen droegen?
Moeten [dan] in het heiligdom van de Heere gedood worden
priester en profeet?
; 2Kn 6:25-2925En er ontstond een grote hongersnood in Samaria, want zie, zij belegerden [de stad], totdat een ezelskop voor tachtig zilverstukken werd [verkocht] en het vierde deel van een kab duivenmest voor vijf zilverstukken.26En het gebeurde, toen de koning van Israël op de muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep: Help [mij], mijn heer koning.27Hij zei: De HEERE helpt u niet, waarmee zou ik u dan helpen? [Met iets] van de dorsvloer of van de perskuip?28De koning zei verder tegen haar: Wat hebt u? Ze zei: Deze vrouw heeft tegen mij gezegd: Geef uw zoon, dan eten wij hem vandaag op. Dan zullen wij morgen mijn zoon eten.29Toen hebben wij mijn zoon gekookt en opgegeten, maar toen ik de volgende dag tegen haar zei: Geef uw zoon, dan zullen wij hém opeten, heeft zij haar zoon verborgen.; vgl. Js 49:1515Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,
zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?
Zelfs al zouden die het vergeten,
Ík zal u niet vergeten.
; Jr 19:99Ik zal hun het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters te eten geven. Zij zullen ieder het vlees eten van zijn naaste tijdens de belegering en in de nood waarin hun vijanden en zij die hen naar het leven staan, hen doen verkeren.)
. Ze eten hun kinderen als troostbrood, begrafenisbrood (Jr 16:1717Want Mijn ogen zijn [gevestigd] op al hun wegen. Ze zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen en hun ongerechtigheid kan zich niet voor Mijn ogen verhullen.; Ez 24:1717Kerm in stilte, u mag geen rouw over de dode bedrijven. Bind uw tulband om en doe uw schoenen aan uw voeten; u mag uw baard en snor niet bedekken en van het brood dat mensen [u brengen], mag u niet eten.; Hs 9:44Zij zullen voor de HEERE geen wijn plengen
en hun offers zullen Hem niet aangenaam zijn.
Ze zijn voor hen als brood voor rouwenden:
ieder die dat eet, wordt onrein.
Want hun brood dient voor henzelf,
het mag niet in het huis van de HEERE komen.
)
. “De dochter” is soms de stad zelf en soms de inwoners.


Belijdenis van de oorzaak van de ellende

11De HEERE heeft Zijn grimmigheid ten uitvoer gebracht, /kaph/
Hij heeft Zijn brandende toorn uitgestort.
Hij stak in Sion een vuur aan,
dat haar fundamenten verteerde.
12De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben, /lamed/
al de wereldbewoners evenmin,
dat tegenstander of vijand zou komen
binnen de poorten van Jeruzalem.
13[Het is] vanwege de zonden van haar profeten, /mem/
[vanwege] de ongerechtigheden van haar priesters,
die in haar midden vergoten hebben
het bloed van de rechtvaardigen.
14Blind wankelden zij op de straten, /nun/
met bloed besmet,
zodat men hun kleren
niet kon aanraken.
15Ga opzij, onrein! riepen zij tot hen. /samech/
Ga opzij! Ga opzij! Raak [ons] niet aan!
Voorzeker, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; men zei onder de heidenvolken:
Zij mogen hier niet langer verblijven.
16Het aangezicht van de HEERE heeft hen verstrooid. /pe/
Hij zal hen voortaan niet meer aanzien.
Zij hebben geen ontzag gehad voor de priesters,
de oudsten hebben zij geen genade bewezen.

In deze verzen horen we een uitvoerige belijdenis van de oorzaak van de ellende. Dit alles overkomt Sion omdat de HEERE Zijn grimmigheid ten uitvoer brengt (vers 1111De HEERE heeft Zijn grimmigheid ten uitvoer gebracht, /kaph/
Hij heeft Zijn brandende toorn uitgestort.
Hij stak in Sion een vuur aan,
dat haar fundamenten verteerde.
)
. ‘Ten uitvoer brengen’ wil zeggen ‘voleindigd’, ‘volledig tot uiting gebracht’. Vandaar dit ontzettende lot. De HEERE heeft Sion met het vuur van Zijn toorn verwoest. Niet Nebukadnezar, maar Hij heeft het vuur aangestoken dat de fundamenten van de stad heeft verteerd, zodat er geen basis meer over is om nog een stad genoemd te worden.

Iedereen weet dat Jeruzalem een sterke, onneembare stad was (vers 1212De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben, /lamed/
al de wereldbewoners evenmin,
dat tegenstander of vijand zou komen
binnen de poorten van Jeruzalem.
)
. Het was ondenkbaar dat die zou worden ingenomen. Toch is dat nu gebeurd, omdat niet gerekend werd met Gods heiligheid. Hij kan de zonde niet ongestraft laten, ook niet bij Zijn uitverkoren stad en volk.

De oorzaak dat de stad er zo aan toe is, zijn de zonden en ongerechtigheden van de geestelijke leiders van het volk, de valse profeten en priesters (vers 1313[Het is] vanwege de zonden van haar profeten, /mem/
[vanwege] de ongerechtigheden van haar priesters,
die in haar midden vergoten hebben
het bloed van de rechtvaardigen.
)
. God heeft Zijn bescherming van de stad moeten opzeggen. Aan haar kleeft het bloed van de rechtvaardigen die met de onrechtvaardigen zijn omgekomen.

De profeten zijn de valse profeten, die in plaats van het volk Gods wil voor te houden hebben geprofeteerd wat in hun eigen harten is opgekomen en voor de mensen aangenaam is. De priesters hebben Gods wet moeten uitleggen, maar zijn de grofste wetsovertreders geworden en zijn het volk voorgegaan op een weg van zonde die dit oordeel heeft veroorzaakt.

Dit uitgelezen gezelschap van profeten en priesters heeft bloed aan hun handen. Ze hebben hen gedood die hen hebben gewaarschuwd voor het komende oordeel (vgl. Mt 23:3535opdat alle rechtvaardige bloed over u komt dat op de aarde is vergoten, van het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia, [de] zoon van Barachia, die u hebt vermoord tussen het tempelhuis en het altaar.). En dat niet alleen. Ze hebben de waarschuwende stemmen tot zwijgen gebracht, zodat het oordeel onafwendbaar is geworden.

Deze misleiders wankelen als blinden door de straten (vers 1414Blind wankelden zij op de straten, /nun/
met bloed besmet,
zodat men hun kleren
niet kon aanraken.
)
. Ze zien er vreselijk uit in hun met bloed besmette kleren. Het is het uiterlijke teken van hun gedrag waarin zij het bloed van rechtvaardigen hebben vergoten. Ze dragen het merkteken van Kaïn en moeten als melaats behandeld worden (vers 1515Ga opzij, onrein! riepen zij tot hen. /samech/
Ga opzij! Ga opzij! Raak [ons] niet aan!
Voorzeker, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; men zei onder de heidenvolken:
Zij mogen hier niet langer verblijven.
)
.

Het aanzien dat ze onder het volk hebben gehad, is volkomen verdwenen. Het volk dat zelf ook onrein is door hun zonden, verdrijft deze valse profeten en priesters nu. Het misleide volk roept in woede tegen hen dat ze moeten weggaan. Ze roepen wat melaatsen verplicht zijn van zichzelf te roepen (Lv 13:4545De kleren van de melaatse bij wie de ziekte is [vastgesteld], moeten ingescheurd worden, zijn hoofd[haar] moet hij los laten hangen, hij moet zijn baard en snor bedekken en hij moet roepen: Onrein, onrein!). Alsof ze melaats zijn, worden ze door allen verdreven. Men gunt hun geen verblijfplaats onder de heidenen in ballingschap.

In vers 1616Het aangezicht van de HEERE heeft hen verstrooid. /pe/
Hij zal hen voortaan niet meer aanzien.
Zij hebben geen ontzag gehad voor de priesters,
de oudsten hebben zij geen genade bewezen.
eindigt de tweede zondebelijdenis, die tegelijk een geloofsbelijdenis is. De valse belijders worden in feite niet door het volk, maar door de HEERE verstrooid, zodat ze hun boze invloed niet meer kunnen uitoefenen. Het is omdat zij voor de ware priesters geen ontzag hebben gehad en de ouden geen genade hebben bewezen.


Klacht over vervlogen hoop

17Voortdurend bezweken onze ogen, /ain/
[uitziend] naar hulp voor ons. Tevergeefs.
 Op onze uitkijkposten keken wij uit
naar een volk [dat] niet verlossen kon.
18Zij jaagden onze voetstappen na; /tsade/
wij konden op onze pleinen niet gaan.
Nabij is ons einde, onze dagen zijn voorbij,
voorzeker, ons einde is gekomen.
19Onze vervolgers waren sneller /koph/
dan arenden in de lucht!
Op de bergen achtervolgden zij ons fel,
in de woestijn legden zij een hinderlaag voor ons.
20Onze levensadem, de gezalfde van de HEERE, /resj/
is in hun kuilen gevangen,
hij van wie wij gezegd hadden:
in zijn schaduw zullen wij leven onder de heidenvolken!

In de verzen 17-1817Voortdurend bezweken onze ogen, /ain/
[uitziend] naar hulp voor ons. Tevergeefs.
 Op onze uitkijkposten keken wij uit
naar een volk [dat] niet verlossen kon.
18Zij jaagden onze voetstappen na; /tsade/
wij konden op onze pleinen niet gaan.
Nabij is ons einde, onze dagen zijn voorbij,
voorzeker, ons einde is gekomen.
lezen we iets over de belegering, over de gevoelens tijdens de belegering. Ze hebben uitgezien naar Egypte om hen te verlossen (Jr 37:5,115[Inmiddels] was het leger van de farao uit Egypte uitgetrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, [dit] bericht daarover hoorden, trokken zij van Jeruzalem weg.11Vervolgens gebeurde het, toen het leger van de Chaldeeën van Jeruzalem was weggetrokken vanwege het leger van de farao,), maar tevergeefs (vers 1717Voortdurend bezweken onze ogen, /ain/
[uitziend] naar hulp voor ons. Tevergeefs.
 Op onze uitkijkposten keken wij uit
naar een volk [dat] niet verlossen kon.
)
. Jeremia heeft hen ervoor gewaarschuwd niet op Egypte te vertrouwen (Jr 2:36b36Wat trekt u er veel op uit
[en] verandert u [telkens] uw weg?
U zult ook door Egypte beschaamd worden,
zoals u door Assyrië beschaamd bent.
)
. Steeds hebben ze die fout gemaakt om te vertrouwen op een vleselijke arm. Jeremia maakt zich hier weer een met het volk.

Ze werden op de hielen gezeten door de vijanden. Ze konden zich niet meer buiten vertonen, want dan zouden ze door de pijlen van de vijand worden getroffen (vers 1818Zij jaagden onze voetstappen na; /tsade/
wij konden op onze pleinen niet gaan.
Nabij is ons einde, onze dagen zijn voorbij,
voorzeker, ons einde is gekomen.
)
. Ze zagen dat hun einde gekomen was (vgl. Ez 7:1-41Het woord van de HEERE kwam tot mij:2En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE over het land van Israël:
Het einde is gekomen, het einde
over de vier hoeken van het land.
3Nu is het einde er voor u,
Ik zal Mijn toorn op u afsturen,
u oordelen overeenkomstig uw wegen,
u al uw gruweldaden vergelden.
4Ik zal u niet ontzien,
Ik zal geen medelijden hebben,
want Ik zal u uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten, dat Ik de HEERE ben.
)
. Daar twijfelden ze niet meer aan. Maar ze namen niet de toevlucht tot de HEERE.

In de verzen 19-2019Onze vervolgers waren sneller /koph/
dan arenden in de lucht!
Op de bergen achtervolgden zij ons fel,
in de woestijn legden zij een hinderlaag voor ons.
20Onze levensadem, de gezalfde van de HEERE, /resj/
is in hun kuilen gevangen,
hij van wie wij gezegd hadden:
in zijn schaduw zullen wij leven onder de heidenvolken!
lezen we de tweede beschrijving over het einde van de belegering. Sommigen hebben geprobeerd om te ontkomen, maar zijn gegrepen (vers 1919Onze vervolgers waren sneller /koph/
dan arenden in de lucht!
Op de bergen achtervolgden zij ons fel,
in de woestijn legden zij een hinderlaag voor ons.
)
. Dat is Zedekia overkomen. Hij heeft met het groepje dat wilde vluchten, ondervonden hoe snel de vijand is (Dt 28:4949De HEERE zal een volk van ver weg tegen u doen opkomen, van het einde van de aarde, zoals een arend aan komt zweven; een volk waarvan u de taal niet verstaat,; Jr 48:4040Want zo zegt de HEERE:
Zie, hij zal als een arend aan komen zweven
en zijn vleugels over Moab uitspreiden.
; Hk 1:88Zijn paarden zijn sneller dan luipaarden,
feller dan avondwolven.
Zijn ruiters komen eraan in galop,
zijn ruiters komen van ver aangevlogen
als een arend die toeschiet om te verslinden.
)
.

“De gezalfde van de HEERE” is Zedekia. Het gaat niet om hem als persoon, maar om zijn ambt, zoals ook Saul de gezalfde van de HEERE was (1Sm 10:11Toen nam Samuel een oliekruik, goot die leeg op zijn hoofd, kuste hem en zei: Is het niet zo, dat de HEERE u tot een vorst over Zijn eigendom gezalfd heeft?; 16:33Dan moet u Isaï voor het offer uitnodigen en zal Ik u te kennen geven wat u doen moet: u moet voor Mij zalven die Ik u zeggen zal.; 2Sm 23:11En dit zijn de laatste woorden van David.
David, de zoon van Isaï, spreekt;
de man die hoog is opgericht, spreekt,
de gezalfde door de God van Jakob,
en lieflijk in psalmen van Israël.
; 1Kn 1:3434Daar moet de priester Zadok met de profeet Nathan hem tot koning over Israël zalven. Vervolgens moet u op de bazuin blazen en zeggen: Leve koning Salomo!; 2Kn 11:1212Daarna bracht hij de zoon van de koning naar buiten, zette hem de diadeem op en [gaf hem] de getuigenis. Zij maakten hem koning en zalfden hem. Zij klapten in de handen en zeiden: Leve de koning!)
. Hij was de levensadem van het volk (vgl. Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.; 7:2222Alles met levensadem in zijn neusgaten van alles wat op het droge [leefde], stierf.). Hij was de natuurlijke hoop van zijn volk, onder wiens “schaduw”, dat wil zeggen zijn bescherming (Ri 9:1515En de doornstruik zei tegen de bomen: Als u mij naar waarheid tot koning over u zalft, kom dan [en] neem de toevlucht in mijn schaduw. Maar zo niet, laat er [dan] vuur uitgaan van de doornstruik, dat de ceders van de Libanon zal verteren.; Js 30:22Zij gaan om af te dalen naar Egypte
– maar naar [wat] Mijn mond [spreekt], vragen zij niet –
om [zichzelf] in veiligheid te brengen bij de macht van de farao,
en om hun toevlucht te zoeken in de schaduw van Egypte.
)
, zij wilden leven. Als ze op de HEERE hadden vertrouwd, waren ze in Diens schaduw veilig geweest (Ps 91:11Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten,
zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
)
.


Edom en Sion

21Wees vrolijk en blij, dochter van Edom, sin
die in het land Uz woont!
De beker zal ook bij u langskomen:
u zult dronken worden en ontbloot worden.
22Uw ongerechtigheid zal voorbij zijn, dochter van Sion! /taw/
Hij zal u niet meer in ballingschap voeren!
Uw ongerechtigheid, dochter van Edom, zal Hij straffen!
Hij zal uw zonden openbaren!

Edom is de grootste vijand van het volk, met het grootste leedvermaak. Maar Edom zal worden geoordeeld en Sion gered, zegt de profeet Obadja (Ob 1:11-1411Op de dag dat u aan de kant stond,
op de dag dat vreemden zijn leger als gevangenen wegvoerden,
buitenlanders zijn poorten binnentrokken
en over Jeruzalem het lot wierpen,
was ook u als een van hen!12U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,
op de dag dat hij een vreemde [voor u] was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten [tegen hen]
op de dag van [hun] benauwdheid.13U had de poort van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.
U had [uw handen] niet mogen uitstrekken naar zijn leger
op de dag van zijn ondergang.14U had niet op het kruispunt mogen staan
om degenen van hen die ontkomen waren, uit te roeien.
U had degenen van hen die ontvlucht waren niet mogen overleveren
op de dag van [hun] benauwdheid.
)
. Hier wordt Edom opgeroepen tot leedvermaak, omdat het nu nog kan (vers 2121Wees vrolijk en blij, dochter van Edom, sin
die in het land Uz woont!
De beker zal ook bij u langskomen:
u zult dronken worden en ontbloot worden.
; Ps 137:77HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem [viel],
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer [die stad],
tot op haar fundament!
; Ez 25:1212Zo zegt de Heere HEERE: Omdat Edom uit enkel wraakzucht gehandeld heeft tegen het huis van Juda en zij een zware schuld op zich hebben geladen door zich op hen te wreken,)
. Hij vertegenwoordigt alle vijanden van Gods volk (Js 34:1-81Kom naar voren, heidenvolken, om te luisteren!
Sla er acht op, natiën!
Laat de aarde luisteren en al wat zij bevat,
de wereld, en alles wat daarop uitspruit!
2Want de grote toorn van de HEERE [richt zich] tegen alle heidenvolken,
[Zijn] grimmigheid tegen heel hun legermacht.
Hij heeft hen met de ban geslagen,
hen overgegeven ter slachting.
3Hun gesneuvelden zullen weggeworpen worden,
en van hun dode lichamen zal hun stank opstijgen.
De bergen zullen wegsmelten door hun bloed.
4Heel het [sterren]leger aan de hemel zal vergaan.
De hemel zal opgerold worden als een boek[rol],
en heel zijn leger zal vallen,
zoals bladeren vallen van een wijnstok,
en zoals [vijgen] vallen van een vijgenboom.5Want Mijn zwaard is
dronken geworden in de hemel.
Zie, het zal neerdalen op Edom,
op het volk dat Ik geslagen heb met de ban, als een oordeel.
6Het zwaard van de HEERE zit vol bloed,
het is verzadigd van vet,
van het bloed van lammeren en bokken,
van het niervet van rammen.
Want de HEERE richt een offer aan in Bozra,
een grote slachting in het land Edom.
7Met hen zullen de wilde ossen neervallen,
en de jonge stieren met de sterke stieren.
Hun land zal doordrenkt zijn met bloed
en hun stoffige [grond] verzadigd van vet.
8Want het zal zijn de dag van de wraak van de HEERE,
het jaar van de afrekening om de rechtszaak van Sion.
)
.

Tegelijk krijgt Edom te horen dat ook hij aan zijn einde zal komen. Het is een troost voor Sion om te mogen weten dat de vijand die nu nog lacht, ook door de HEERE zal worden geoordeeld (Jr 49:1212Want zo zegt de HEERE: Zie, zij die niet verdienden om de beker te moeten drinken, moeten [hem] beslist drinken. Zou u [dan] in enig opzicht voor onschuldig gehouden worden? U zult niet voor onschuldig gehouden worden, maar u moet [hem] beslist drinken!). De beker van Gods toorn zal hem te drinken worden gegeven. Dat zal hem ontbloten en te schande maken (vgl. Gn 9:2121Hij dronk van de wijn en werd dronken; en hij ontkleedde zich midden in zijn tent.).

Er komt een ogenblik dat voor Gods volk de ongerechtigheid voorbij is en het uit de ballingschap vrij zal zijn en dat het er ook nooit meer in gevoerd zal worden (vers 2222Uw ongerechtigheid zal voorbij zijn, dochter van Sion! /taw/
Hij zal u niet meer in ballingschap voeren!
Uw ongerechtigheid, dochter van Edom, zal Hij straffen!
Hij zal uw zonden openbaren!
)
. Voor Gods volk heeft het oordeel niet het laatste woord. Het tegendeel zal het lot van Edom zijn. Jeremia spreekt dat met de grootste zekerheid uit. Zo zal het met al de vijanden van Israël gaan.


Lees verder