Klaagliederen
1-18 De man die ellende gezien heeft 19-21 Gebed 22-33 Inzicht en uitzicht 34-39 De Heere ziet het kwaad 40-45 Gebed van het volk 46-54 Hernieuwde klachten 55-66 Gebed om bevrijding
De man die ellende gezien heeft

1Ik ben de man [die] ellende gezien heeft /aleph/
door de stok van Zijn verbolgenheid.
2Mij heeft Hij geleid en doen gaan /aleph/
[in] duisternis, en niet [in] licht.
3Ja, Hij heeft telkens weer Zijn hand /aleph/
tegen mij gekeerd, de hele dag.
4Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, /beth/
Hij heeft mijn beenderen gebroken.
5Hij heeft tegen mij aan gebouwd en Hij heeft [mij] omsingeld /beth/
[met] gal en moeite.
6In duistere oorden doet Hij mij wonen, /beth/
als degenen die allang dood zijn.
7Hij heeft een muur om mij heen opgeworpen, zodat ik er niet uit kan gaan; /gimel/
Hij heeft mijn bronzen ketenen zwaar gemaakt.
8Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, /gimel/
sluit Hij [Zijn oren] voor mijn gebed.
9Hij heeft mijn wegen versperd met gehouwen stenen, /gimel/
mijn paden heeft Hij krom gemaakt.
10Een loerende beer is Hij voor mij, /daleth/
een leeuw op verborgen plaatsen.
11Mijn wegen heeft Hij afgebogen en Hij heeft mij verscheurd; /daleth/
Hij heeft van mij een woestenij gemaakt.
12Hij heeft Zijn boog gespannen, /daleth/
en Hij stelde mij als doelwit voor [Zijn] pijl.
13Hij heeft in mijn nieren doen binnendringen /he/
de pijlen uit Zijn koker.
14Ik ben belachelijk geworden voor heel mijn volk, /he/
[het onderwerp van] hun spotlied, de hele dag.
15Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, /he/
Hij heeft mij met alsem doordrenkt.
16Hij heeft mij mijn tanden op kiezelstenen laten stukbijten, /waw/
Hij heeft mij in de as neergedrukt.
17Van vrede verstoten is mijn ziel, /waw/
ik ben het goede vergeten.
18En ik zei: Mijn kracht is vergaan, /waw/
en wat ik van de HEERE verwachtte.

In vers 11Ik ben de man [die] ellende gezien heeft /aleph/
door de stok van Zijn verbolgenheid.
is sprake van een nieuwe ‘ik’-persoon. In Klaagliederen 1 is de ‘ik’-persoon de stad die zich over het lijden uitspreekt dat over haar is gekomen. In Klaagliederen 2 is het Jeremia die over en tot de stad spreekt, om haar klacht tot de HEERE uit te spreken. Dat hoofdstuk besluit daar ook mee. Nu komen we tot een derde ‘ik’. De stad heeft gesproken in de vrouwelijke vorm. Maar nu spreekt een man. Het is iemand uit het volk die zelf het lijden heeft meegemaakt en dit nu als zijn eigen persoonlijke lijden beschrijft. Wie kan dit anders zijn dan Jeremia?

“Gezien” houdt hier niet alleen waarneming in, maar ook eraan deelnemen. Het betekent hier een actueel ervaren. Verder blijkt ook dat deze man onschuldig is. Hij maakt zich wel een met het schuldige volk en spreekt over ‘wij’, maar persoonlijk kan hij in vers 5252Zij die mijn vijanden zijn zonder reden, /tsade/
hebben fel op mij gejaagd als [op] een vogel.
zeggen dat hij vijanden heeft die hem zonder oorzaak najagen. Dat kan het volk in Klaagliederen 1 niet zeggen. Zij zijn medeschuldig. Maar hier spreekt iemand heel persoonlijk, iemand uit het schuldige volk, maar die zelf onschuldig is.

We horen hier ook de stem van de Heilige Geest Die spreekt in het overblijfsel uit de toenmalige tijd. Zo zal het in de toekomst zijn. Het gelovig overblijfsel zal alles moeten meemaken. Ze zullen dubbel lijden: zowel door de hand van de vijanden van buiten als van de kant van het afvallige volk van binnen.

Dit is het deel geweest van de Heer Jezus, Die Zich een maakt met dit overblijfsel. We horen dat vaak in Psalmen. Zijn stem maakt zich een met die van het overblijfsel. We horen de Onschuldige spreken: “Ik ben de man.” De stok van Gods verbolgenheid komt op Hem neer.

De diepte van het lijden van Jeremia komt in de drie klachten in de verzen 1-31Ik ben de man [die] ellende gezien heeft /aleph/
door de stok van Zijn verbolgenheid.
2Mij heeft Hij geleid en doen gaan /aleph/
[in] duisternis, en niet [in] licht.
3Ja, Hij heeft telkens weer Zijn hand /aleph/
tegen mij gekeerd, de hele dag.
tot uiting. Hij heeft ellende “gezien”, ervaren en ondervonden
1. door de stok van de verbolgenheid van de HEERE (vers 11Ik ben de man [die] ellende gezien heeft /aleph/
door de stok van Zijn verbolgenheid.
)
,
2. doordat de HEERE hem in de duisternis voert (vers 22Mij heeft Hij geleid en doen gaan /aleph/
[in] duisternis, en niet [in] licht.
)
en
3. doordat de HEERE telkens weer Zijn hand tegen hem keert (vers 33Ja, Hij heeft telkens weer Zijn hand /aleph/
tegen mij gekeerd, de hele dag.
)
.

In tegenstelling tot de verwachting om door God als zijn Herder naar het licht en de vreugde geleid te worden is hij in de duisternis, dat is de ellende, terechtgekomen (vers 22Mij heeft Hij geleid en doen gaan /aleph/
[in] duisternis, en niet [in] licht.
)
. Het woord voor “geleid” heeft niet de betekenis van Gods genadige leiding, maar van het drijven van dieren. Hij is op harde wijze geleid door de stok van Gods toorn.

Het lijden dat hij daardoor ondervindt, is zonder ophouden (vers 33Ja, Hij heeft telkens weer Zijn hand /aleph/
tegen mij gekeerd, de hele dag.
)
. Het gaat maar door, zonder een moment om op adem te kunnen komen. We kunnen denken aan de grote verdrukking voor het overblijfsel, maar ook aan de Heer Jezus en Zijn lijden aan het kruis.

In de verzen 4-184Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, /beth/
Hij heeft mijn beenderen gebroken.
5Hij heeft tegen mij aan gebouwd en Hij heeft [mij] omsingeld /beth/
[met] gal en moeite.
6In duistere oorden doet Hij mij wonen, /beth/
als degenen die allang dood zijn.
7Hij heeft een muur om mij heen opgeworpen, zodat ik er niet uit kan gaan; /gimel/
Hij heeft mijn bronzen ketenen zwaar gemaakt.
8Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, /gimel/
sluit Hij [Zijn oren] voor mijn gebed.
9Hij heeft mijn wegen versperd met gehouwen stenen, /gimel/
mijn paden heeft Hij krom gemaakt.
10Een loerende beer is Hij voor mij, /daleth/
een leeuw op verborgen plaatsen.
11Mijn wegen heeft Hij afgebogen en Hij heeft mij verscheurd; /daleth/
Hij heeft van mij een woestenij gemaakt.
12Hij heeft Zijn boog gespannen, /daleth/
en Hij stelde mij als doelwit voor [Zijn] pijl.
13Hij heeft in mijn nieren doen binnendringen /he/
de pijlen uit Zijn koker.
14Ik ben belachelijk geworden voor heel mijn volk, /he/
[het onderwerp van] hun spotlied, de hele dag.
15Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, /he/
Hij heeft mij met alsem doordrenkt.
16Hij heeft mij mijn tanden op kiezelstenen laten stukbijten, /waw/
Hij heeft mij in de as neergedrukt.
17Van vrede verstoten is mijn ziel, /waw/
ik ben het goede vergeten.
18En ik zei: Mijn kracht is vergaan, /waw/
en wat ik van de HEERE verwachtte.
volgen de bewijzen van zijn lijden. We horen daarin hoe dit lijden werd ervaren. Het eerste bewijs is het wegteren van zijn vlees en zijn huid en het breken van zijn beenderen (vers 44Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, /beth/
Hij heeft mijn beenderen gebroken.
)
. Vlees, huid en beenderen vormen het hele lichaam. De afbraak van de afzonderlijke delen kan het gevolg zijn van een ernstige ziekte (vgl. Ps 38:44Er is niets gezonds aan mijn lichaam door Uw gramschap,
er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.
)
of een verouderingsproces, waarbij alles afbreekt en wegteert. Het breken van de beenderen ziet op het wegnemen van alle kracht en een einde maken aan de mogelijkheid om te leven (Js 38:1313Ik stelde het me voor, tot de morgen toe:
als een leeuw, zo zal Hij
al mijn beenderen breken.
Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.
)
.

Hij geeft hiermee aan wat de ernst van deze ziekte is. Het wegnemen van de kracht om die te dragen laat de diepte van zijn lijden zien. Al zijn krachten begeven het. We horen hier de taal van Psalmen 22 en 69. Ook horen we in deze verzen iemand als Job spreken (Jb 7:55Mijn vlees is bekleed met maden en heeft een korst van stof,
mijn huid is gekloofd en veretterd.
; 19:2020Mijn beenderen kleven aan mijn huid en aan mijn vlees;
en slechts mijn tandvlees bleef mij over.
; 30:3030Mijn huid is zwart geworden op mij,
en mijn beenderen branden van hitte.
)
.

In vers 55Hij heeft tegen mij aan gebouwd en Hij heeft [mij] omsingeld /beth/
[met] gal en moeite.
worden we geconfronteerd met het lijden van buitenaf. Jeremia gebruikt het beeld van een omsingelde stad, waartegen de vijand een belegeringswal opwerpt om de inwoners van de stad te bestoken. Zijn lijden voelt, alsof de HEERE een wal van gal en moeite tegen hem heeft opgeworpen. Hij is erdoor omsingeld, ingesloten. Van alle kanten grijnst het verderf hem als een hoge, onneembare muur tegen. Nebukadnezar heeft tegen Jeruzalem aangebouwd en de stad omsingeld (Jr 52:44Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.), maar Jeremia weet dat de HEERE het doet.

Hij voelt zich zo hopeloos en wanhopig, dat hij zich al tot de gestorvenen rekent (vers 66In duistere oorden doet Hij mij wonen, /beth/
als degenen die allang dood zijn.
; Ps 143:33Want de vijand vervolgt mijn ziel,
hij vertrapt mijn leven op de grond;
hij doet mij wonen in duistere oorden,
zoals zij die allang dood zijn.
)
. Zijn vergelijking met hen “die allang dood zijn”, betekent ook dat hij niet alleen verlaten en alleen is, maar ook dat hij vergeten is, verdwenen uit het geheugen. Niemand denkt meer aan hem. Zo hopeloos voelt hij zich. Van binnen wegtering, om hem heen een muur, terwijl hij zich in doodse duisternis bevindt (Ps 88:10-1210Mijn oog is treurig van ellende;
HEERE, ik roep tot U de hele dag,
ik strek mijn handen naar U uit.11Zou U wonderen doen aan de doden?
Of zouden gestorvenen opstaan [en] U loven? /Sela/
12Zou er van Uw goedertierenheid in het graf verteld worden,
van Uw trouw in het verderf?
)
. Is er een tragischer toestand denkbaar waarin een mens zich kan bevinden?

De verzen 7-97Hij heeft een muur om mij heen opgeworpen, zodat ik er niet uit kan gaan; /gimel/
Hij heeft mijn bronzen ketenen zwaar gemaakt.
8Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, /gimel/
sluit Hij [Zijn oren] voor mijn gebed.
9Hij heeft mijn wegen versperd met gehouwen stenen, /gimel/
mijn paden heeft Hij krom gemaakt.
zijn een climax en evaluatie van de vorige drie verzen, waarin hij zijn gevoelens van het totale verlies van bewegingsvrijheid weergeeft. Jeremia voelt zich als iemand die helemaal ingemetseld is (vers 77Hij heeft een muur om mij heen opgeworpen, zodat ik er niet uit kan gaan; /gimel/
Hij heeft mijn bronzen ketenen zwaar gemaakt.
)
. Hij is in beton gegoten dat als een harnas om hem heen zit. Hij voelt zich omringd door een muur van ellende die hem wordt aangedaan door de HEERE. In zijn stenen omhulsel is hij ook nog eens met koperen ketenen gebonden. De koperen ketenen waarmee Zedekia naar Babel is gebracht (Jr 39:77Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden om hem naar Babel te brengen.; 52:1111Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden. Zo bracht de koning van Babel hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.), voelt hij alsof hij ze zelf om heeft. Dit is hard voor de profeet aan wie de HEERE heeft beloofd dat Hij hem tot een koperen muur zou maken tegenover het volk (Jr 1:1818Want zie, Ík stel u
heden aan tot een versterkte stad,
tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren,
tegen heel het land,
tegen de koningen van Juda, tegen zijn vorsten,
tegen zijn priesters en tegen de bevolking van het land.
)
.

Jeremia voelt zich zo ingesloten, dat hij meent dat zelfs zijn gebed niet tot Gods oren doordringt (vers 88Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, /gimel/
sluit Hij [Zijn oren] voor mijn gebed.
; vers 4444U hebt U in een wolk gehuld, /samech/
zodat er geen gebed doorkwam.
)
. Het is dramatisch om te ervaren dat God niet hoort, dat Hij Zijn oren sluit voor het gebed (vgl. Ps 22:2-32Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
[bent U] ver van mijn verlossing, [van] de woorden van mijn jammerklacht?
3Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
; 77:1010Heeft God vergeten genadig te zijn?
Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten? /Sela/
)
. Ook de uitweg naar boven lijkt gesloten.

Niet alleen voelt hij zichzelf ingesloten in een enge, ommuurde ruimte, hij ziet ook dat al zijn wegen, als hij die zou kunnen gaan, met gehouwen stenen zijn versperd (vers 99Hij heeft mijn wegen versperd met gehouwen stenen, /gimel/
mijn paden heeft Hij krom gemaakt.
; vgl. Jb 19:88Hij heeft mijn weg versperd, zodat ik er niet door kan gaan,
en op mijn paden heeft Hij duisternis geplaatst.
)
. En als hij een weg zou kunnen gaan, dan blijkt die krom te zijn. Een weg die geblokkeerd is, kunnen we niet in (vgl. Hs 2:5b5Daarom, zie, Ik ga uw weg met dorens omheinen,
Ik zal haar met een muur omgeven,
zodat zij haar paden niet zal kunnen vinden.
)
. Als we een kromme weg gaan, komen we niet uit waar we willen zijn. Hier maakt de HEERE voor het gevoel van Jeremia zijn weg krom. Hij komt niet bij Hem uit. Dat is om radeloos van te worden. Bileam wordt de weg ook versperd door de HEERE (Nm 22:2626De Engel van de HEERE ging nog verder en ging op een nauwe plaats staan, waar geen weg was om naar rechts of links af te wijken.), maar dat is omdat deze slechte man op weg is een slecht werk te gaan doen.

In vers 1010Een loerende beer is Hij voor mij, /daleth/
een leeuw op verborgen plaatsen.
verandert het beeld weer (vgl. Hs 13:7-87Daarom werd Ik voor hen als een felle leeuw,
als een luipaard loerde Ik op de weg.
8Ik trof hen aan als een berin die van jongen beroofd is,
scheurde hun borstkas open,
verslond hen daar als een leeuwin.
De dieren van het veld zullen hen verscheuren.
; Am 5:1919[Het is] zoals iemand die vlucht
voor een leeuw,
en een beer tegenkomt,
of die, [als hij] thuiskomt
en met zijn hand tegen de muur leunt,
door een slang wordt gebeten.
)
. Jeremia ervaart God als “een loerende beer” en “een leeuw op verborgen plaatsen”. Een beer en een leeuw zijn verscheurende dieren die geen medelijden kennen. Ze zijn erop uit hun prooi onverhoeds aan te vallen en te verslinden. Ze loeren erop en verbergen zich en wachten geduldig tot hun argeloze prooi zich in hun nabijheid bevindt. Dan slaan ze meedogenloos toe.

Het is voor hem alsof de HEERE zijn wegen zo heeft afgebogen, dat hij wel in de klauwen van de beer en de leeuw terecht heeft moeten komen (vers 1111Mijn wegen heeft Hij afgebogen en Hij heeft mij verscheurd; /daleth/
Hij heeft van mij een woestenij gemaakt.
)
. De HEERE heeft hem in de val laten lopen. Op die manier heeft de HEERE zijn leven verscheurd en van hem een woestenij gemaakt. In zijn leven is geen leven meer te ontdekken en het kan er ook niet meer uit tevoorschijn komen.

Een volgend beeld van de HEERE doemt voor Jeremia op: dat van een boogschutter (vers 1212Hij heeft Zijn boog gespannen, /daleth/
en Hij stelde mij als doelwit voor [Zijn] pijl.
)
. Hij voelt zich de prooi van Gods pijl op de boog die Hij tegen hem heeft gespannen en op hem heeft gericht. Hij ervaart dat God het op hem heeft gemunt.

De pijlen uit de koker van de HEERE hebben hem in zijn nieren geraakt (vers 1313Hij heeft in mijn nieren doen binnendringen /he/
de pijlen uit Zijn koker.
; vgl. Dt 32:2323Ik zal verschrikkelijke dingen over hen ophopen;
al Mijn pijlen schiet Ik op hen af.
; Jb 16:1313Zijn schutters omringen mij;
Hij splijt mijn nieren en spaart [mij] niet,
Hij giet mijn gal op de aarde uit.
)
. De nieren zijn de zetel van de wijsheid (Ps 16:77Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
)
. Hij is al zijn wijsheid kwijt. Hij kan dit niet begrijpen of rijmen met wat hij van God weet.

Behalve dat hij zich het mikpunt van Gods pijlen voelt, is hij ook het mikpunt van hoongelach (vers 1414Ik ben belachelijk geworden voor heel mijn volk, /he/
[het onderwerp van] hun spotlied, de hele dag.
)
. Het is hier niet als in Klaagliederen 1 waar het volk zich beklaagt over zijn vijanden, maar hier spreekt Jeremia als de onschuldige over wat zijn eigen volk hem aandoet (Jr 20:7b7U hebt mij overgehaald, HEERE, en ik heb mij laten overhalen.
U bent mij te sterk geworden en U hebt overwonnen.
[Maar] ik ben de hele dag belachelijk geworden,
ieder van hen bespot mij.
)
.

Wat Jeremia in vers 1515Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, /he/
Hij heeft mij met alsem doordrenkt.
zegt, is de ervaring van Job (Jb 9:1818Hij laat mij niet toe om op adem te komen,
maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
; vgl. Ru 1:2020Maar zij zei tegen hen: Noem mij niet Naomi, noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.)
. De HEERE heeft gezegd dat Hij dit met Juda en de valse profeten zal doen (Jr 9:1515daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik geef hun, dit volk, alsem te eten en galwater te drinken.; 23:1515Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten over deze profeten:
Zie, Ik ga hun alsem te eten geven
en galwater te drinken,
omdat van de profeten van Jeruzalem
heiligschennis is uitgegaan over heel het land.
)
, maar nu treft dat lot de trouwe profeet. In plaats van goede spijzen krijgt hij niets anders dan bittere kost te eten. Het is niet eens mogelijk die te weigeren, want het wordt hem toegediend. Hij moet en zal dit eten. Hij is ermee verzadigd en ervan doordrenkt.

Het tot zich nemen van die bittere kost is als het bijten op kiezelstenen (vers 1616Hij heeft mij mijn tanden op kiezelstenen laten stukbijten, /waw/
Hij heeft mij in de as neergedrukt.
)
. De tanden stukbijten op kiezelstenen is de straf voor het vertellen van leugens (Sp 20:1717Leugenbrood smaakt de mens zoet,
maar daarna heeft hij zijn mond vol kiezelstenen.
)
. Als je die ervaring opdoet, terwijl je altijd de waarheid hebt gesproken, voel je je in de as neergedrukt (vgl. Jr 6:2626Dochter van Mijn volk, omgord u met een rouwgewaad,
wentel u in de as,
bedrijf rouw over een enig [kind],
betoon een zeer bittere rouwklacht,
want plotseling zal over ons
de verwoester komen.
)
. Dan is er geen vrede meer en ook geen herinnering aan het goede (vers 1717Van vrede verstoten is mijn ziel, /waw/
ik ben het goede vergeten.
)
.

Vers 1818En ik zei: Mijn kracht is vergaan, /waw/
en wat ik van de HEERE verwachtte.
is een soort conclusie van de voorgaande verzen, waarin Jeremia zijn gevoelens heeft geuit (vgl. vers 54b54Water heeft mijn hoofd overstroomd; /tsade/
ik zei: Ik ben afgesneden!
)
. Een dergelijke geestelijke toestand van uiterste wanhoop berooft iemand van al zijn krachten. Wat blijft er over als er niets overblijft van wat van de HEERE is verwacht? De klacht eindigt in vertwijfeling. Maar toch heeft vertwijfeling niet het laatste woord. De vertwijfeling brengt tot gebed en het gebed brengt tot hoop. Dat zien we in de volgende verzen.

De vraag mag wel worden gesteld wat wij met onze klachten doen als we vertwijfeld worden en denken dat de verwachting van de Heer weg is. Als die verwachting verdwenen is, wat heeft bidden dan nog voor zin? Daardoor zijn meerderen afgevallen, waaruit blijkt dat zij geen levende relatie met de Heer hadden. Maar voor de gelovige is, juist als er vertwijfeling is, de uitweg dat er opnieuw gebeden wordt.


Gebed

19Denk aan mijn ellende en mijn ontheemding, /zain/
aan de alsem en de gal.
20Mijn ziel denkt er onophoudelijk aan, /zain/
zij buigt zich neer in mij.
21Dit zal ik ter harte nemen, /zain/
daarom zal ik hopen:

Al denkt Jeremia dat de HEERE niet hoort (vers 88Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, /gimel/
sluit Hij [Zijn oren] voor mijn gebed.
)
, toch blijft hij bidden (vers 1919Denk aan mijn ellende en mijn ontheemding, /zain/
aan de alsem en de gal.
)
. Hij kan niet anders dan aan de HEERE denken. Het kan eenvoudig niet zo zijn dat de HEERE niet hoort. Zou het Hem onberoerd laten als Hij zijn ellende en thuisloze situatie ziet? Zou het Hem niets doen als Hij de alsem en de gal opmerkt die de ellendige tot zich moet nemen als een bittere, walgelijke kost?

Bij alle vertwijfeling kan hij zelf toch niet anders dan aan de HEERE denken (vers 2020Mijn ziel denkt er onophoudelijk aan, /zain/
zij buigt zich neer in mij.
)
. Dan komt er nieuwe hoop (vers 2121Dit zal ik ter harte nemen, /zain/
daarom zal ik hopen:
)
. De hoop was weg, er was vertwijfeling, maar na het gebed is er weer hoop. Er is de herinnering met welk een God hij te doen heeft, dat Hij goedertieren en barmhartig is en blijft. Dat neemt hij ter harte. Hij vat hier een voornemen van hart op. Hij ‘herpakt’ zich. Daarom vlamt hier ineens de hoop op.

Is dat ook niet zo bij ons? We kunnen de genoemde eigenschappen van God soms ook een tijd niet zien. We kunnen erdoor vertwijfeld raken, temeer als we alleen het lijden en de nood en de ondergang zien. Maar als we eraan denken dat Hij groter is dan alle nood, nemen we ons voor dat we bij Hem blijven (vgl. Hd 11:2323Toen hij daar aankwam en de genade van God zag, verblijdde hij zich en vermaande allen met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven.) omdat Hij de Onveranderlijke is. Dan komt ook de hoop weer terug.

Het is wel belangrijk het verschil in het oog te houden dat er is tussen een gelovige in het Oude Testament en een gelovige in het Nieuwe Testament. De oudtestamentische gelovige kent de volle verlossing door het werk van Christus niet. Hij leeft het ene ogenblik in de zekerheid dat hij door God is aangenomen, terwijl hij een volgend moment die zekerheid weer kwijt kan zijn.

De gelovige die leeft na het werk van Christus aan het kruis, mag leven in de volle zekerheid van de verlossing. Dat hij wel eens door een periode gaat waarin dat niet zo door hem wordt beleefd, is iets anders dan twijfel aan de verlossing.

Wel kan het zo zijn dat ook gelovigen in deze tijd niet leven in de volle zekerheid van de verlossing. De oorzaak daarvan is meestal verkeerd onderwijs uit Gods Woord. Dat is vooral het geval bij hen die de wet als norm voor hun leven hanteren. [Zie ‘De christen en de wet’ op www.oudesporen.nl.]


Inzicht en uitzicht

22Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, /cheth/
dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is!
23Nieuw zijn ze, elke morgen; /cheth/
groot is Uw trouw!
24Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel, /cheth/
daarom zal ik op Hem hopen.
25Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht, /teth/
voor de ziel die Hem zoekt.
26Goed is het te hopen en stil [te wachten] /teth/
op het heil van de HEERE.
27Goed is het voor een man, als hij /teth/
een juk draagt in zijn jeugd.
28Laat hij eenzaam zitten en zwijgen, /jod/
omdat Hij het hem opgelegd heeft.
29Laat hij zijn mond in het stof steken: /jod/
misschien is er hoop.
30Laat hij zijn wang geven aan wie hem slaat, /jod/
laat hij met smaad verzadigd worden.
31Want niet voor eeuwig verstoot /kaph/
de Heere!
32Want wanneer Hij bedroefd heeft, zal Hij Zich ontfermen /kaph/
naar de grootheid van Zijn goedertierenheid.
33Want niet van harte verdrukt Hij /kaph/
en bedroeft Hij mensenkinderen.

In plaats van te klagen begint hij nu te spreken over de goedertierenheid van de HEERE (vers 2222Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, /cheth/
dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is!
)
. Voor de eerste keer in dit hoofdstuk betrekt hij het hele volk erbij. Hij zegt niet ‘dat ik niet omgekomen ben’, maar “dat wij niet omgekomen zijn.” In de verzen 40-4740Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, /nun/
en laten wij terugkeren tot de HEERE!
41Laten wij met [onze] handen [ook] ons hart opheffen, /nun/
tot God in de hemel!
42Wíj hebben overtreden en zijn ongehoorzaam geweest! /nun/
Ú hebt niet vergeven!
43U hebt [U] in toorn gehuld en hebt ons achtervolgd; /samech/
U hebt gedood, U hebt niet gespaard.
44U hebt U in een wolk gehuld, /samech/
zodat er geen gebed doorkwam.
45Uitvaagsel en afval hebt U van ons gemaakt /samech/
in het midden van de volken!46Zij hebben tegen ons hun mond opengesperd, /pe/
al onze vijanden.
47Angst en valkuil zijn over ons gekomen, /pe/
de verwoesting en de ondergang.
spreekt hij ook in het meervoud. Hij weet dat zijn gevoelens over de goedertierenheid, barmhartigheid en trouw van de HEERE gedeeld worden door allen die in hun nood vasthouden aan de HEERE.

De ogen moeten ervoor open zijn om dat te kunnen zeggen. Dat leren we in de omgang met God. Als we oog hebben voor Zijn goedertierenheid en dat Zijn barmhartigheid niet ophoudt, is er elke dag de troost van Zijn tegenwoordigheid (vers 2323Nieuw zijn ze, elke morgen; /cheth/
groot is Uw trouw!
)
. Elke dag mogen we daarmee beginnen en erop rekenen dat die bij ons blijven, want Zijn trouw is groot. Elke nieuwe dag is een hernieuwing van Gods goedertierenheid.

Zeggen dat de HEERE goedertieren en barmhartig is, wil zeggen dat ze zich door Hem ondersteund voelen in de nood waarin ze zijn. Zeggen dat Zijn trouw groot is, betekent dat ze erop rekenen dat Hij Zijn beloften waarmaakt. Het een is voor het heden en het ander voor de toekomst. Voor het een ziet de gelovige naar boven, voor het ander ziet de gelovige naar voren. Beide aspecten zijn een bemoediging om aan Hem vast te houden.

Wat Jeremia in vers 2424Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel, /cheth/
daarom zal ik op Hem hopen.
zegt, is ook wat de priester en Leviet zeggen, die geen deel hebben in het land, maar van wie het deel de HEERE is (Nm 18:2020Ook zei de HEERE tegen Aäron: U zult in hun land geen erfelijk bezit nemen, en u zult geen aandeel in het midden van hen hebben. Ik ben uw deel en erfelijk bezit, in het midden van de Israëlieten.; vgl. Ps 16:5a5De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
; 73:2626Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart,
dan is God de rots van mijn hart
en voor eeuwig mijn deel.
; 119:57a57De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd
dat ik Uw woorden in acht zal nemen.
)
. Hij is hun levensgrond, Hij zal voor hen zorgen en hen onderhouden. Met “mijn ziel” wordt de hele mens bedoeld.

Geen enkele steun is hem overgebleven dan de HEERE alleen. Het is nu niet alleen meer een hopen op wat de HEERE geeft als in de verzen 21-2321Dit zal ik ter harte nemen, /zain/
daarom zal ik hopen:22Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, /cheth/
dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is!
23Nieuw zijn ze, elke morgen; /cheth/
groot is Uw trouw!
, maar een hopen op de HEERE Zelf. Het is geen algemene hoop, maar een hoop met een Voorwerp. Zo komt Jeremia zijn vertwijfeling te boven. Hij deelt dit mee, opdat allen die in groot lijden zijn ook die hoop zullen krijgen. God als ons deel te hebben is de enige basis voor hoop.

De verzen 25-2725Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht, /teth/
voor de ziel die Hem zoekt.
26Goed is het te hopen en stil [te wachten] /teth/
op het heil van de HEERE.
27Goed is het voor een man, als hij /teth/
een juk draagt in zijn jeugd.
beginnen alle drie niet alleen met dezelfde letter, maar ook met hetzelfde woord, het woord “goed” (tob). Dit woord geeft uitdrukking aan de wil en het voornemen van God. Deze verzen laten drie aspecten van goedheid zien. Het eerste aspect is de goedheid van de HEERE Zelf, van Zijn natuur en wezen (vers 2525Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht, /teth/
voor de ziel die Hem zoekt.
)
. Als de profeet daar weer zicht op heeft, getuigt hij daarvan. Ook al moet de HEERE pijn en lijden brengen, dan is het juist nodig eraan vast te houden dat Hij goed is. Hij spreekt het uit dat de HEERE goed is voor ieder die Hem verwacht. Hij is het niet alleen voor hem, maar voor iedereen die Hem zoekt.

Het tweede aspect van goedheid heeft het geluk van de gelovige op het oog. Het is goed als we onze kracht niet verteren met klagen en morren, maar op Gods tijd wachten en van Hem onze hulp verwachten (vers 2626Goed is het te hopen en stil [te wachten] /teth/
op het heil van de HEERE.
)
. Hij geeft uitkomst op Zijn tijd. Daarom is het goed op Zijn heil, Zijn uitkomst te hopen en daar stil op te wachten.

Ook al zijn we in grote nood en al moeten we onszelf aanklagen vanwege onze zonden en al moeten we Gods toorn zien in wat er gebeurt, als we tot Hem vluchten, geeft Hij uitkomst. Ook hier is het van belang het al eerder genoemde onderscheid tussen een gelovige in het Oude Testament en de gelovige in het Nieuwe Testament in het oog te houden (vers 2121Dit zal ik ter harte nemen, /zain/
daarom zal ik hopen:
)
.

Het derde aspect van goedheid is het dragen van het juk dat de HEERE iemand in zijn jeugd oplegt (vers 2727Goed is het voor een man, als hij /teth/
een juk draagt in zijn jeugd.
)
. Het houdt in het zich buigen onder wat Hij over iemand brengt. Er wordt geleerd daar niet tegen in opstand te komen, maar het te aanvaarden in het besef dat Gods goedheid het bestuurt. De bedoeling is dat iemand in de groei en bloei van zijn leven al leert omgaan met situaties van gebrokenheid en tekortschietende kracht.

Een dergelijk juk is goed omdat het de weg baant naar het goede van de twee vorige verzen. Het juk leert om zich te onderwerpen aan de wil van de HEERE. Velen hebben later problemen met het juk omdat ze niet hebben geleerd het in hun jeugd te dragen. Het gaat om het leren dragen van het juk van gehoorzaamheid en vertrouwen. Wie daarin geoefend is, zal het later gemakkelijker hebben. Als we onze kinderen alleen maar verwennen en altijd geven waar ze om vragen, zullen ze later niet weten hoe ze met tegenslagen moeten omgaan.

Ook de verzen 28-3028Laat hij eenzaam zitten en zwijgen, /jod/
omdat Hij het hem opgelegd heeft.
29Laat hij zijn mond in het stof steken: /jod/
misschien is er hoop.
30Laat hij zijn wang geven aan wie hem slaat, /jod/
laat hij met smaad verzadigd worden.
beginnen niet alleen met dezelfde letter, maar ook met hetzelfde aanmoedigende woord, het woord “laat”. In verbinding met de vorige verzen wil dit zeggen dat wie erkent dat de HEERE goed is, dat kan laten zien in zijn houding onder het lijden. In deze verzen zit een opklimmende moeilijkheidsgraad. Vers 2929Laat hij zijn mond in het stof steken: /jod/
misschien is er hoop.
is moeilijker dan vers 2828Laat hij eenzaam zitten en zwijgen, /jod/
omdat Hij het hem opgelegd heeft.
, terwijl vers 3030Laat hij zijn wang geven aan wie hem slaat, /jod/
laat hij met smaad verzadigd worden.
nog weer moeilijker is dan vers 2929Laat hij zijn mond in het stof steken: /jod/
misschien is er hoop.
.

Het juk in de jeugd (vers 2727Goed is het voor een man, als hij /teth/
een juk draagt in zijn jeugd.
)
is het juk van het lijden dat de HEERE oplegt (vers 2828Laat hij eenzaam zitten en zwijgen, /jod/
omdat Hij het hem opgelegd heeft.
)
. Het juk van dienst dat Hij oplegt, zal iemand afzonderen van het gewone leven en hem tot iemand maken die uitgeworpen is. Eenzaam zitten en zwijgen houden in zowel aanvaarding van Gods wil als de weigering om tegenover mensen te klagen.

Vooral de jonge mensen hebben het bij de belegering en val van Jeruzalem moeilijk gehad. Hun hele toekomst ligt met de stad in puin. Zij kunnen hun lot moeilijk verdragen. Als zij echter in deze verschrikkelijke omstandigheden hetzelfde vaste vertrouwen op Gods beloften hebben als Jeremia hier heeft uitgesproken, levert dit hun geestelijk enorme winst op.

Dan moet er geen opstand komen, maar een stil aanvaarden ervan (vers 2929Laat hij zijn mond in het stof steken: /jod/
misschien is er hoop.
)
. Het is het lijden ter wille van Hem. Dan dragen we Zijn juk. Met het woord “misschien” wordt de zekerheid van de verhoring niet weggenomen. Met dit woord wordt tot uitdrukking gebracht dat er geen recht op verhoring is en dat die ook niet kan worden opgeëist.

Het dragen van het juk leidt tot de gewilligheid om als een slaaf te worden behandeld (vers 3030Laat hij zijn wang geven aan wie hem slaat, /jod/
laat hij met smaad verzadigd worden.
)
. Het bieden van de wang betekent hier dat het volk zich buigt onder het oordeel dat God uitoefent. Hij is het Die slaat. Als de Heer Jezus spreekt over het bieden van de andere wang (Mt 5:3939Maar Ik zeg u de boze niet te weerstaan; maar wie u op uw rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;), heeft dat te maken met wat andere mensen ons aandoen ter wille van Hem. Het is het gaan van de weg van smaad achter Hem aan en op die weg ervaren wat Zijn deel is geweest.

Als de Heer ons deel is, is dat ook ons deel. Hij heeft Zijn wang gegeven aan wie Hem sloeg (Js 50:66Ik geef Mijn rug aan hen die [Mij] slaan,
Mijn wangen aan hen die [Mij] de baard uitplukken.
Mijn gezicht verberg Ik niet
voor smaad en speeksel.
)
. Velen dragen in geduld de verdrukkingen die van God komen, maar als mensen hen iets aandoen, reageren ze verbolgen. De Godvrezende verdraagt het laatste evenals het eerste als van God gezonden.

Ook de verzen 31-3331Want niet voor eeuwig verstoot /kaph/
de Heere!
32Want wanneer Hij bedroefd heeft, zal Hij Zich ontfermen /kaph/
naar de grootheid van Zijn goedertierenheid.
33Want niet van harte verdrukt Hij /kaph/
en bedroeft Hij mensenkinderen.
beginnen behalve met dezelfde letter ook met hetzelfde woord, het redengevende woord “want”. Ze geven redenen die het dragen van het juk gemakkelijker maken omdat ze hoop en uitzicht bieden. We kunnen het gevoel hebben dat Hij ons voor altijd heeft verstoten, maar dat doet Hij niet (vers 3131Want niet voor eeuwig verstoot /kaph/
de Heere!
)
. Hij is voor Jeremia “de Heere”, Adonai, Die alles bestuurt; niets loopt Hem uit de hand. Hij bepaalt zowel de zwaarte als de duur van het lijden. De tijd van het lijden is afgelopen als Hij Zijn doel ermee heeft bereikt.

Opnieuw hebben we hier het enorme contrast met de ervaringen van de gelovige van het Nieuwe Testament. Wij mogen zeggen: ‘Wij weten.’ Dat is geen hoogmoed of een schijnzekerheid, maar de taal van iemand die het offer van Christus ziet zoals God het ziet. De onzekerheid van de oudtestamentische gelovige is door het Offer voor de nieuwtestamentische gelovigen verdwenen en vervangen door de zekerheid dat God voor ons is.

Nog een reden om het juk te dragen en niet af te werpen is de wetenschap dat Hij, nadat Hij heeft bedroefd, Zich ook ontfermt (vers 3232Want wanneer Hij bedroefd heeft, zal Hij Zich ontfermen /kaph/
naar de grootheid van Zijn goedertierenheid.
)
. En dat doet Hij op overweldigende wijze. Hij neemt niet alleen alle droefheid weg, maar doet dat op een manier dat die droefheid in het licht van “de grootheid van Zijn goedertierenheid” wordt vergeten. Die grote goedertierenheid is zo ontfermend, dat er van de droefheid niets meer overblijft (vgl. 2Ko 4:16-1716Daarom worden wij niet moedeloos; maar al raakt ook onze uiterlijke mens in verval, toch wordt onze innerlijke van dag tot dag vernieuwd.17Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid;).

De derde reden om het juk te aanvaarden is de kennis van Gods hart (vers 3333Want niet van harte verdrukt Hij /kaph/
en bedroeft Hij mensenkinderen.
)
. Hij is geen God Die er plezier in schept mensen te verdrukken en te bedroeven. Hij doet dat met pijn in Zijn hart. Toch weet Hij dat dit nodig is, want Hij wil de mens tot Hem laten terugkeren. Hij doet het dus uit liefde.


De Heere ziet het kwaad

34Dat men vertrapt onder zijn voeten /lamed/
alle gevangenen van de aarde;
35dat men het recht van een man buigt /lamed/
voor het aangezicht van de Allerhoogste;
36dat men een mens in zijn rechtszaak in het ongelijk stelt; /lamed/
zou de Heere het niet zien?
37Wie zegt iets en het gebeurt, /mem/
[als] de Heere [het] niet gebiedt?
38Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort /mem/
het kwade en het goede?
39Wat klaagt [dan] een mens die leeft? /mem/
[Laat] ieder [klagen] over zijn zonden!

Jeremia gaat nu in één lange zin (verzen 34-3634Dat men vertrapt onder zijn voeten /lamed/
alle gevangenen van de aarde;
35dat men het recht van een man buigt /lamed/
voor het aangezicht van de Allerhoogste;
36dat men een mens in zijn rechtszaak in het ongelijk stelt; /lamed/
zou de Heere het niet zien?
)
in op de bezwaren die bij mensen leven tegen wat hij zojuist heeft gezegd. Ook deze drie verzen beginnen niet alleen met dezelfde letter, maar ook met hetzelfde woord, het woord “dat”. Dit woord is de inleiding op het constateren van enkele feiten die de gelovige waarneemt en die hij niet kan rijmen met Gods goedheid. Evenmin kan hij het bezorgen van droefheid zien als een bewijs van Zijn liefde.

Iemand kan tegenwerpen: ‘Het kan wel zo zijn dat de HEERE niet van harte droefheid brengt, maar hoe zit het dan met het kwaad en de moeiten die mensen ons aandoen?’ Het is toch maar zo, dat Gods volk zwaar heeft geleden onder de onmenselijke behandeling van de Babyloniërs (vers 3434Dat men vertrapt onder zijn voeten /lamed/
alle gevangenen van de aarde;
)
. De vijand heeft hen onder zijn voeten vertrapt.

Daarbij komt dat ze onder volkomen rechteloosheid gebukt gaan en bij het aangaan van een rechtszaak in het ongelijk worden gesteld (verzen 35-3635dat men het recht van een man buigt /lamed/
voor het aangezicht van de Allerhoogste;
36dat men een mens in zijn rechtszaak in het ongelijk stelt; /lamed/
zou de Heere het niet zien?
)
. Het recht wordt gebogen, zonder dat men zich er iets van aantrekt dat ze dit onrecht begaan “voor het aangezicht van de Allerhoogste”. Waarom zouden ze ook? De Allerhoogste lijkt Zich er niets van aan te trekken. Hij komt niet tussenbeide om dit onrecht te straffen.

De bedrijvers van het kwaad denken er niet aan dat Hij alomtegenwoordig is en dat niets voor Hem verborgen is. Dat brengt hen ertoe niet alleen het recht te verdraaien, maar in totale tegenspraak met het recht te handelen. Wie in zijn recht staat, krijgt ongelijk. De gelovigen vragen zich af of God er het wel weet, of Hij het wel ziet en of Hij Zich nog wel om hen bekommert.

Jeremia reageert hierop met de vraag die tegelijk het antwoord is, dat de Heere zeker wel alle kwaad ziet. Niets ontgaat Hem en Hij vergeet ook niets van alle kwaad dat is en wordt gedaan. “Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?” (Gn 18:2525Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat [U] de rechtvaardige [samen] met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige zo de goddeloze. [Daar] kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?). Hier geldt dat de vraag stellen gelijk het antwoord is. Natuurlijk doet Hij recht. Er is geen kwaad dat op aarde gebeurt, waarover Hij de controle zou hebben verloren. De mens heeft geen macht en het kwaad niet de vrije teugel om te doen wat hen behaagt, zonder de toelating of de directe wil van God. Hij is “de Allerhoogste”, dat wil zeggen dat Hij boven elke denkbare macht staat. Hij is “de Heere”, Adonai, dat is de soevereine Heerser.

De verzen 37-3837Wie zegt iets en het gebeurt, /mem/
[als] de Heere [het] niet gebiedt?
38Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort /mem/
het kwade en het goede?
onderstrepen de almachtige kracht van “de Heere”, die het aanvaarden van Zijn wil noodzakelijk maakt. Als Hij spreekt, gebeurt er altijd iets, of dat nu is met het oog op de schepping (Ps 33:99Want Híj spreekt en het is er,
Híj gebiedt en het staat er.
; Gn 1:33En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.)
, of zoals hier (vers 3737Wie zegt iets en het gebeurt, /mem/
[als] de Heere [het] niet gebiedt?
)
met het oog op de onderlinge verhoudingen in het volk. Alles, zowel het kwade als het goede, komt uit de hand van God (vers 3838Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort /mem/
het kwade en het goede?
; Js 45:77Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
; Am 3:6b6Of wordt in een stad de bazuin geblazen
zonder dat het volk beeft?
Of komt er kwaad in de stad voor
zonder dat de HEERE dat doet?
)
. Niemand kan eigenmachtig optreden. Ieder is van Hem afhankelijk. Hoe zou God dan geen weet hebben van wat hen overkomt? Denken ze dat dit buiten Gods macht om gaat?

“De Allerhoogste” staat boven alle mensen en volken. Alles staat onder Zijn gezag. Koningen kunnen menen dat zij alles besturen, maar zij doen slechts wat Hij bepaalt. De Allerhoogste heeft alles onder Zijn bestuur. Hij bepaalt of er moeite of vrede moet worden gezonden, Hij beschikt of er kwade of goede gebeurtenissen of tijden nodig zijn. Wat Israël is overkomen, komt ten diepste uit Gods hand als straf op hun zonden. Wat ons overkomt, komt van Hem en niet van een vreemde. Die gedachte helpt om rust te vinden in de omstandigheden.

Jeremia wijst de bezwaren af met een vraag die een antwoord is (vers 3939Wat klaagt [dan] een mens die leeft? /mem/
[Laat] ieder [klagen] over zijn zonden!
)
. Geen mens die leeft, heeft een reden om God aan te klagen. Dat hij nog leeft, is al een bewijs van Gods goedertierenheid. Zijn macht schiet niet tekort. Het enige waarover zij (en wij) mogen klagen, is over hun (onze) zonden, niet over de omstandigheden. Klagen over onze omstandigheden is klagen tegen en over God. Deze woorden zijn de voorbereiding op het volgende deel.


Gebed van het volk

40Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, /nun/
en laten wij terugkeren tot de HEERE!
41Laten wij met [onze] handen [ook] ons hart opheffen, /nun/
tot God in de hemel!
42Wíj hebben overtreden en zijn ongehoorzaam geweest! /nun/
Ú hebt niet vergeven!
43U hebt [U] in toorn gehuld en hebt ons achtervolgd; /samech/
U hebt gedood, U hebt niet gespaard.
44U hebt U in een wolk gehuld, /samech/
zodat er geen gebed doorkwam.
45Uitvaagsel en afval hebt U van ons gemaakt /samech/
in het midden van de volken!

Deze verzen sluiten aan op vers 3939Wat klaagt [dan] een mens die leeft? /mem/
[Laat] ieder [klagen] over zijn zonden!
en bevatten de oproep om te klagen over zichzelf voor de HEERE. De profeet gaat hier in de ‘wij’ vorm spreken. Hij spreekt hier namens het volk en gaat hen voor op de weg naar de belijdenis van hun zonden. Het eerste wat moet gebeuren, is onderzoek van hun wegen, dat is van hun daden, om te ontdekken waar het mis is gegaan (vers 4040Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, /nun/
en laten wij terugkeren tot de HEERE!
)
. Dan zullen ze zien dat de fout ligt in het verlaten van de HEERE. Daarom moeten ze tot Hem terugkeren.

Laten ze zich tot Hem in het gebed richten, tot God in de hemel (vers 4141Laten wij met [onze] handen [ook] ons hart opheffen, /nun/
tot God in de hemel!
)
en niet langer tot de koningin van de hemel en andere heidense afgoden. Het moet een werkelijke terugkeer tot de HEERE zijn, dat is met het hart, en niet een nietszeggend uiterlijk zwaaien met de handen. Het opheffen van de handen is de gebruikelijke gebedshouding (Ex 9:3333Mozes ging bij de farao weg, de stad uit en spreidde zijn handen uit naar de HEERE. De donder en de hagel hielden op en de regen stroomde niet [meer] naar de aarde.; 1Kn 8:2222Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover heel de gemeente van Israël, en hij spreidde zijn handen uit naar de hemel; Ea 9:55Tegen het avondoffer stond ik op uit mijn verootmoediging, waarbij ik mijn kleed en mijn mantel had gescheurd, en ik boog mij op mijn knieën en spreidde mijn handen uit tot de HEERE, mijn God.; vgl. Ps 25:11Een psalm van David.
Tot U, HEERE, hef ik mijn ziel op, /aleph/
; 143:88Doe mij in de morgen Uw goedertierenheid horen,
want ik vertrouw op U;
maak mij de weg bekend die ik te gaan heb,
want tot U hef ik mijn ziel op.
)
. Maar het gaat erom dat het hart, de hele innerlijke mens, bij het gebed betrokken is.

Het niet vergeven is gebleken uit de tuchtiging (vers 4242Wíj hebben overtreden en zijn ongehoorzaam geweest! /nun/
Ú hebt niet vergeven!
)
die is gekomen vanwege hun onboetvaardige houding en volharding in de zonde. Ze erkennen hier de rechtvaardigheid dat God niet heeft vergeven, want hun belijdenis is geen zaak van hun hart geweest (vers 4444U hebt U in een wolk gehuld, /samech/
zodat er geen gebed doorkwam.
)
.

In de verzen 43-4543U hebt [U] in toorn gehuld en hebt ons achtervolgd; /samech/
U hebt gedood, U hebt niet gespaard.
44U hebt U in een wolk gehuld, /samech/
zodat er geen gebed doorkwam.
45Uitvaagsel en afval hebt U van ons gemaakt /samech/
in het midden van de volken!
gaat de profeet door met erkennen van Gods rechtvaardige toorn. Het volk geeft toe dat de HEERE Zich vanwege hun zonden in toorn moet hullen alsof het een kledingstuk is (vers 4343U hebt [U] in toorn gehuld en hebt ons achtervolgd; /samech/
U hebt gedood, U hebt niet gespaard.
)
. Het volk ziet van Hem alleen Zijn toorn. Hij moet hen achtervolgen, omdat zij de rechtvaardige tucht willen ontvluchten. Maar Hij wet hen te vinden en doodt hen, zonder hen te sparen.

Behalve dat Hij Zich in toorn hult en hen doodt zonder hen te sparen, hult Hij Zich ook in een wolk (vers 4444U hebt U in een wolk gehuld, /samech/
zodat er geen gebed doorkwam.
)
. Daardoor maakt Hij Zich voor hen onbenaderbaar. Dat ervaren ze als ze tot Hem roepen. Hun gebed komt niet tot Hem, omdat het geen gebed van berouw over hun zonden is, maar slechts vanwege de ellende waarin ze zijn.

Wat aan Zijn toorn is ontkomen, is door Hem tot uitvaagsel en afval gemaakt (vers 4545Uitvaagsel en afval hebt U van ons gemaakt /samech/
in het midden van de volken!
)
. Er is niets over van hun vroegere roem en het vroegere aanzien dat zij onder de volken hebben gehad. Voor Paulus is dit een ervaring vanwege zijn trouw aan de opdracht die hij van zijn Heer heeft gekregen (1Ko 4:13b13gelasterd, wij bidden; wij zijn als [het] uitschot van de wereld geworden, aller uitvaagsel tot nu toe.).


Hernieuwde klachten

46Zij hebben tegen ons hun mond opengesperd, /pe/
al onze vijanden.
47Angst en valkuil zijn over ons gekomen, /pe/
de verwoesting en de ondergang.
48Waterbeken stromen neer [uit] mijn oog /pe/
vanwege de ondergang van de dochter van mijn volk.
49Mijn oog vloeit [van tranen] en kan niet ophouden, /ain/
omdat er geen rust is;
50totdat de HEERE neerkijkt en ziet /ain/
uit de hemel.
51Mijn oog doet mijn ziel [kwelling] aan /ain/
vanwege al de dochters van mijn stad.
52Zij die mijn vijanden zijn zonder reden, /tsade/
hebben fel op mij gejaagd als [op] een vogel.
53Zij hebben mijn leven in een put gesmoord, /tsade/
en hebben een steen op mij geworpen.
54Water heeft mijn hoofd overstroomd; /tsade/
ik zei: Ik ben afgesneden!

Jeremia gaat verder met het beschrijven van de verachtelijke behandeling die zij van de kant van de vijand ondergaan. Hij ziet al hun vijanden hun mond opensperren om hen te verslinden (vers 4646Zij hebben tegen ons hun mond opengesperd, /pe/
al onze vijanden.
)
. Dat vervult hen met angst. Hij ziet de valkuil, de verwoesting en de ondergang voor zich, zonder iemand die redt (vers 4747Angst en valkuil zijn over ons gekomen, /pe/
de verwoesting en de ondergang.
)
. Dat hele gezicht vervult hem met intens verdriet, zodat de tranen als waterbeken uit zijn oog stromen (vers 4848Waterbeken stromen neer [uit] mijn oog /pe/
vanwege de ondergang van de dochter van mijn volk.
)
. De ondergang van de dochter van zijn volk treft hem diep.

Hij zal blijven huilen, hij kan niet anders, want hij heeft geen rust (vers 4949Mijn oog vloeit [van tranen] en kan niet ophouden, /ain/
omdat er geen rust is;
)
. Er zal pas rust komen, als “de HEERE neerkijkt en ziet uit de hemel” (vers 5050totdat de HEERE neerkijkt en ziet /ain/
uit de hemel.
; vgl. Ex 3:7-107De HEERE zei: Ik heb duidelijk de onderdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, gezien en heb hun geschreeuw [om hulp] vanwege hun slavendrijvers gehoord. Voorzeker, Ik ken hun leed.8Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.9Nu dan, zie, het geschreeuw [om hulp] van de Israëlieten is tot Mij gekomen. En Ik heb ook de onderdrukking gezien waarmee de Egyptenaren hen onderdrukken.10Nu dan, ga [op weg]. Ik zal u naar de farao zenden, en u zult Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden.)
. Dat wil zeggen dat Hij dan naar Zijn volk omziet en neerdaalt om hen te verlossen. Wat Jeremia nu ziet, is een kwelling voor zijn ziel (vers 5151Mijn oog doet mijn ziel [kwelling] aan /ain/
vanwege al de dochters van mijn stad.
)
. Al de dochters van zijn stad zijn in diepe ellende.

In de verzen 52-5452Zij die mijn vijanden zijn zonder reden, /tsade/
hebben fel op mij gejaagd als [op] een vogel.
53Zij hebben mijn leven in een put gesmoord, /tsade/
en hebben een steen op mij geworpen.
54Water heeft mijn hoofd overstroomd; /tsade/
ik zei: Ik ben afgesneden!
vergelijkt Jeremia zich
1. met een vogel die het doelwit van een jager is (vers 5252Zij die mijn vijanden zijn zonder reden, /tsade/
hebben fel op mij gejaagd als [op] een vogel.
)
,
2. met wild gedierte dat in een put gevangen is (vers 5353Zij hebben mijn leven in een put gesmoord, /tsade/
en hebben een steen op mij geworpen.
)
en
3. met iemand die de verdrinkingsdood nabij is (vers 5454Water heeft mijn hoofd overstroomd; /tsade/
ik zei: Ik ben afgesneden!
)
.
Het toont de hopeloosheid van zijn situatie en die van Juda. Er is geen hoop op overleven.

In deze verzen spreekt Jeremia weer over zichzelf. Wat hij in vers 5252Zij die mijn vijanden zijn zonder reden, /tsade/
hebben fel op mij gejaagd als [op] een vogel.
zegt, heeft ook de Heer Jezus gezegd. Zonder reden is ook Hij vervolgd, gehaat, gesmaad en gedood. Jeremia heeft ook letterlijk meegemaakt dat hij in een put is geworpen (vers 5353Zij hebben mijn leven in een put gesmoord, /tsade/
en hebben een steen op mij geworpen.
; Jr 37:11-2111Vervolgens gebeurde het, toen het leger van de Chaldeeën van Jeruzalem was weggetrokken vanwege het leger van de farao,12dat Jeremia Jeruzalem uit ging om [naar] het land van Benjamin te gaan om daar een erfdeel te aanvaarden te midden van zijn volk.13En het gebeurde, toen hij in de Benjaminpoort [kwam], dat de wachtcommandant daar – zijn naam was Jeria, de zoon van Selemja, de zoon van Hananja – de profeet Jeremia vastgreep [en] zei: U wilt overlopen naar de Chaldeeën!14Maar Jeremia zei: Dat is een leugen! Ik wil niet naar de Chaldeeën overlopen. Hij luisterde echter niet naar hem, maar Jeria greep Jeremia vast en bracht hem naar de vorsten.15De vorsten werden erg kwaad op Jeremia. Zij sloegen hem en zetten hem in de gevangenis, in het huis van de schrijver Jonathan, want dat hadden zij tot gevangenis gemaakt.16Toen Jeremia in de gevangenis gekomen was, in de gewelven, verbleef Jeremia daar vele dagen.17Koning Zedekia stuurde [er iemand opuit] en liet hem halen. Daarop ondervroeg de koning hem in zijn huis, in het geheim, en zei: Is er een woord van de HEERE? Jeremia zei: [Dat] is er! Hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.18Jeremia zei tegen koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, tegen uw dienaren of tegen dit volk misdaan, dat u mij in de gevangenis hebt gezet?19Waar zijn nu uw profeten die u profeteerden: De koning van Babel zal niet tegen u en tegen dit land optrekken?20Nu dan, luister toch, mijn heer de koning. Laat toch mijn smeekbede voor u terechtkomen: breng mij niet terug [naar] het huis van de schrijver Jonathan, opdat ik daar niet sterf.21Toen gaf koning Zedekia bevel dat men Jeremia in verzekerde bewaring zou stellen op het binnenplein van de wacht. Men gaf hem elke dag een rond brood uit de Bakkerstraat, totdat al het brood in de stad op was. Zo verbleef Jeremia op het binnenplein van de wacht.; 38:1-61Toen Sefatja, de zoon van Mattan, en Gedalia, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selemja, en Pashur, de zoon van Malchia, de woorden hoorden die Jeremia tot heel het volk bleef spreken:2Zo zegt de HEERE: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pest sterven, maar wie vertrekt naar de Chaldeeën, zal in leven blijven. Hij zal zijn leven tot buit hebben en in leven blijven.3Zo zegt de HEERE: Deze stad zal zeker in de hand van het leger van de koning van Babel worden gegeven. Dat zal haar innemen.4Toen zeiden de vorsten tegen de koning: Laat deze man toch ter dood gebracht worden, want zo ontmoedigt hij de strijdbare mannen die in deze stad zijn overgebleven, en ontmoedigt hij heel het volk door zulke woorden tot hen te spreken. Deze man zoekt immers niet het welzijn voor dit volk, maar het onheil.5Toen zei koning Zedekia: Zie, hij is in uw hand, want de koning zou niets tegen u kunnen beginnen.6Zij namen Jeremia mee en wierpen hem in de put van Malkia, de zoon van de koning, die op het binnenplein van de wacht was, en zij lieten Jeremia met touwen neer. Nu was er geen water in de put, maar [wel] slijk. In dat slijk zakte Jeremia weg.)
.

In vers 5454Water heeft mijn hoofd overstroomd; /tsade/
ik zei: Ik ben afgesneden!
horen we weer de roep uit een diepte van ellende (vgl. Ps 69:2-32Verlos mij, o God,
want het water is tot aan de ziel gekomen.
3Ik ben gezonken in bodemloze modder,
waarin men niet kan staan;
ik ben gekomen in de waterdiepten
en de vloed overspoelt mij.
; Jn 2:33Want U wierp mij de diepte in, in het hart van de zeeën,
een watervloed omringde mij;
al Uw baren en Uw golven
sloegen over mij heen.
)
. Hij waant zichzelf en hen verloren, omdat hij zich afgesneden voelt van Gods barmhartigheden. Maar juist door de gedachte daaraan wendt hij zich in het volgende vers vanuit de put tot de HEERE.


Gebed om bevrijding

55Ik heb Uw Naam aangeroepen, HEERE, /koph/
vanuit het diepste van de put.
56U hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet /koph/
voor mijn zuchten, voor mijn hulpgeroep.
57U bent nabij geweest op de dag dat ik U aanriep; /koph/
U hebt gezegd: Wees niet bevreesd!
58U, Heere, hebt de rechtszaken van mijn ziel gevoerd, /resj/
U hebt mijn leven verlost.
59U, HEERE, hebt mijn verdrukking gezien; /resj/
verschaf mij recht.
60U hebt al hun wraak[zucht] gezien, /resj/
al hun plannen waren tegen mij.
61U hebt hun smaden gehoord, HEERE, /sin, sjin/
al hun plannen waren tegen mij;
62de taal van mijn tegenstanders en hun gemompel /sin, sjin/
tegen mij de hele dag.
63Aanschouw hun zitten en opstaan: /sin, sjin/
ik ben hun spotlied.
64Vergeldt u hun, HEERE, wat zij verdienen, /taw/
naar het werk van hun handen.
65Geeft U hun een deksel op het hart; /taw/
laat Uw vloek over hen zijn!
66Achtervolgt U hen in toorn en vaagt U hen weg /taw/
van onder de hemel van de HEERE.

Vanuit de donkerste nacht van ellende heeft Jeremia de Naam van de HEERE aangeroepen (vers 5555Ik heb Uw Naam aangeroepen, HEERE, /koph/
vanuit het diepste van de put.
)
. Dit is wat Jona ook doet als hij in de donkerte van de buik van de vis zit (Jn 2:1-101Toen bad Jona tot de HEERE, zijn God, vanuit het binnenste van de vis.2Hij zei:
Ik riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE
en Hij antwoordde mij.
Uit de schoot van het graf riep ik om hulp,
U hoorde mijn stem.3Want U wierp mij de diepte in, in het hart van de zeeën,
een watervloed omringde mij;
al Uw baren en Uw golven
sloegen over mij heen.4En ík zei:
Verstoten ben ik van voor Uw ogen;
toch zal ik opnieuw aanschouwen
Uw heilige tempel.5Water omving mij, bedreigde mijn leven,
de watervloed omving mij.
Zeewier was om mijn hoofd gebonden.6Naar de diepste gronden van de bergen
daalde ik af [in] de aarde;
haar grendels [sloten zich] voor eeuwig achter mij.
Maar uit het verderf trok U mijn leven omhoog,
HEERE, mijn God!7Toen mijn ziel in mij bezweek,
dacht ik aan de HEERE;
mijn gebed kwam tot U,
in Uw heilige tempel.8Wie nietige afgoden vereren,
verlaten [Hem Die] hun goedertieren is.9Maar ik, met dankzegging zal ik U offers brengen;
wat ik beloofd heb, zal ik nakomen.
Het heil is van de HEERE!10Toen sprak de HEERE tot de vis, en hij spuwde Jona uit op het droge.
)
. In die grote nood en terwijl hij het uitroept tot de HEERE met een beroep op Zijn Naam, krijgt hij de innerlijke zekerheid dat de HEERE zijn stem heeft gehoord (vers 5656U hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet /koph/
voor mijn zuchten, voor mijn hulpgeroep.
)
. Maar laat Hij dan toch Zijn oor niet voor hem verbergen. Laat Hij Zich niet als doof houden voor zijn zuchten en hulpgeroep. Tijdens het gebed herinnert hij zich een eerdere gelegenheid dat hij tot de HEERE heeft geroepen. Toen is Hij hem nabij geweest. Toen heeft hij Zijn stem gehoord en wat Hij heeft geantwoord: “Wees niet bevreesd!” (vers 5757U bent nabij geweest op de dag dat ik U aanriep; /koph/
U hebt gezegd: Wees niet bevreesd!
)
.

Jeremia weet ook nog dat de Heere, Adonai, hem steeds tegenover de aanklagers heeft geholpen en in het gelijk heeft gesteld (vers 5858U, Heere, hebt de rechtszaken van mijn ziel gevoerd, /resj/
U hebt mijn leven verlost.
)
. Zijn aanklagers zijn verdwenen en zijn leven loopt geen gevaar meer. Hij heeft het behoud van zijn leven aan de Heere te danken. De hoogste Macht heeft hem in het gelijk gesteld en zijn leven verlost.

Dat geeft hem moed bij God aan te kloppen om hem recht te verschaffen nu hij weer verongelijkt wordt. Hij spreekt Hem in vers 5858U, Heere, hebt de rechtszaken van mijn ziel gevoerd, /resj/
U hebt mijn leven verlost.
nadrukkelijk aan als “U, Heere”, Adonai, en in vers 5959U, HEERE, hebt mijn verdrukking gezien; /resj/
verschaf mij recht.
als “U, HEERE”, Jahweh. Hij doet een indringend beroep op Hem als de soevereine Heerser, Adonai, en de trouwe God van het verbond, Jahweh.

De HEERE weet dat Zijn dienaar zich onrechtvaardig behandeld voelt, dat hij ten onrechte in het ongelijk is gesteld. Hij weet dat daarom nu vraagt om verschaffing van recht tegenover zijn vijanden (vers 5959U, HEERE, hebt mijn verdrukking gezien; /resj/
verschaf mij recht.
)
. Zijn vijanden zijn immers uit op wraak en beramen plannen tegen hem (vers 6060U hebt al hun wraak[zucht] gezien, /resj/
al hun plannen waren tegen mij.
)
.

De HEERE heeft niet alleen zijn smeken gehoord, maar ook het smaden van de vijanden en hun plannen tegen hem (vers 6161U hebt hun smaden gehoord, HEERE, /sin, sjin/
al hun plannen waren tegen mij;
)
. Hij heeft hun gepraat en zelfs hun gemompel gehoord dat ze de hele dag tegen hem hebben geuit (vers 6262de taal van mijn tegenstanders en hun gemompel /sin, sjin/
tegen mij de hele dag.
)
. Ze hebben geen andere bezigheid. Hun leven is van haat tegen hem vervuld. Laat de HEERE al hun bewegingen waarnemen, want hij is voor hen een spotlied (vers 6363Aanschouw hun zitten en opstaan: /sin, sjin/
ik ben hun spotlied.
)
.

Dit hoofdstuk eindigt met een nieuwe zekerheid. Het is meer een zekerheid dan een vraag aan de HEERE om de vijanden te vergelden wat zij verdienen (vers 6464Vergeldt u hun, HEERE, wat zij verdienen, /taw/
naar het werk van hun handen.
)
. Jeremia vraagt dit niet uit wraakzucht, maar vanuit de zekerheid van de rechtvaardigheid van God, Die Zijn volk niet altijd door de prooi zal laten zijn van de grenzeloze willekeur van hun vijanden. Jeremia neemt het recht niet in eigen hand, maar laat de vergelding aan de HEERE over.

Hij vraagt wel, helemaal in overeenstemming met Gods handelen met zulke lieden, dat de HEERE hun hart zal afsluiten voor Zijn roepstem en hun oordeel zal verzegelen, zodat de vloek over hen zal komen (vers 6565Geeft U hun een deksel op het hart; /taw/
laat Uw vloek over hen zijn!
)
. Hij voegt eraan toe dat de HEERE hen in Zijn toorn zodanig zal achtervolgen, dat ze van onder de hemel worden weggevaagd (vers 6666Achtervolgt U hen in toorn en vaagt U hen weg /taw/
van onder de hemel van de HEERE.
)
.

Hij vraagt dat alles niet vanuit het verlangen naar een persoonlijke genoegdoening. Hij vraagt dat om wat zij Gods volk, Gods stad en Gods tempel en daarmee uiteindelijk God Zelf hebben aangedaan. Hij verlangt naar de verheerlijking van Gods Naam.


Lees verder