Galaten
1-7 Onverstandige Galaten 8-14 Zegen of vloek 15-22 Wet en belofte 23-29 Het tijdperk van het geloof
Onverstandige Galaten

1O onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, u wie Jezus Christus als gekruisigd voor ogen werd geschilderd? 2Dit alleen wil ik van u vernemen: hebt u de Geest ontvangen op grond van werken van [de] wet of op grond van [de] prediking van [het] geloof? 3Bent u zo onverstandig? U bent in [de] Geest begonnen, wilt u nu in [het] vlees volmaakt worden? 4Hebt u tevergeefs zoveel geleden? Als het tenminste ook tevergeefs was! 5Hij dan Die u de Geest verleent en krachten onder u werkt, [doet Hij dat] op grond van werken van [de] wet of op grond van [de] prediking van [het] geloof? 6Zoals Abraham God geloofde en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. 7Erkent dan, dat zij die op grond van geloof zijn, zonen van Abraham zijn.

Paulus begint nu aan het leerstellige deel van de brief. Sommige christenen denken bij het horen van ‘leerstellig’ al snel aan taaie, droge uiteenzettingen, waaraan je voor de praktijk niets hebt. Je zult het met mee eens zijn dat er nooit sprake kan zijn van een goede praktijk, zonder een gezonde ‘leerstellige’ kennis of opleiding. Zo gaat het in het maatschappelijke leven toch ook? Eerst leren op school, daarna het geleerde toepassen in de praktijk. Daarom is dit deel van de brief van groot belang. En zelfs dit leerstellige gedeelte begint praktisch.

V11O onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, u wie Jezus Christus als gekruisigd voor ogen werd geschilderd?. Paulus stelt eerst enkele vragen om hen aan het nadenken te zetten. Is dat praktijk of niet? Hij gaat tegen hen tekeer omdat ze zo onverstandig zijn geworden. In zijn stem klinkt geen verachting, maar verontwaardiging. Hoe is het mogelijk dat ze in de ban van dwaalleraren zijn geraakt. Als ze voor ogen hadden gehouden wat Paulus hun had laten zien toen hij hun het evangelie had verkondigd, was dat niet gebeurd. Je ziet dat het van groot praktisch belang is te blijven bij het heldere, zuivere evangelie.

Als je denkt aan de situatie in de christenheid nu, moet Paulus, denk ik, vandaag tegen veel christenen zeggen: ‘O, onverstandige christenen.’ Ook voor ons is het nodig telkens opnieuw herinnerd te worden aan de Heer Jezus als de Gekruisigde. Zeven keer wordt in deze brief over het kruis gesproken. Het kruis neemt een centrale plaats in om de dwaling die bij de Galaten ingang heeft gekregen, te bestrijden. Wie zijn toevlucht tot het kruis heeft genomen, heeft bewust de plaats van smaad en verwerping ingenomen; zo iemand heeft gezegd dat er van hemzelf geen enkel heil meer te verwachten is.

V22Dit alleen wil ik van u vernemen: hebt u de Geest ontvangen op grond van werken van [de] wet of op grond van [de] prediking van [het] geloof?. In de tweede vraag valt een zekere ironie te bespeuren omdat het antwoord op de vraag zo vanzelfsprekend is. Natuurlijk is de Heilige Geest in hun leven gekomen uitsluitend op grond van het geloof dat hun gepredikt is en dat zij hebben aangenomen. Paulus betwijfelt niet of ze de Geest ontvangen hebben. Dat staat voor hem vast. Hij wil alleen aantonen dat de Geest en het geloof bij elkaar horen en niet de Geest en de wet. Ze hebben de Geest niet door eigen inspanning ontvangen. Iemand ontvangt de Heilige Geest als hij het evangelie van zijn behoudenis gelooft (Ef 1:1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,). Zo iemand weet Wie God is, Wie de Heer Jezus is, wie hijzelf is en wat de wet is.

Hier is voor de eerste keer in deze brief sprake van de Heilige Geest. Hij woont in de gelovige op aarde. In Galaten 2 gaat het om Iemand in de hemel (Gl 2:2020Ik ben met Christus gekruisigd en ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu leef in [het] vlees, leef ik door [het] geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.). De Heer Jezus als Mens in de hemel en God de Heilige Geest op aarde vormen de kern van het christendom. Hieraan kun je zien hoe fundamenteel het betoog van de apostel is!

V33Bent u zo onverstandig? U bent in [de] Geest begonnen, wilt u nu in [het] vlees volmaakt worden?. Voor het antwoord op zijn derde vraag is ook niet veel bedenktijd nodig. Ook deze vraag leidt hij in met een verontwaardigd: “Bent u zo onverstandig?” Ze hebben de Heilige Geest ontvangen en zijn in Zijn kracht en onder Zijn leiding aan hun geloofsweg begonnen. Hoe kunnen ze het bedenken dat het vlees het werk van de Heilige Geest kan afmaken.

V44Hebt u tevergeefs zoveel geleden? Als het tenminste ook tevergeefs was!. Verder moeten ze, zo stelt hij in zijn vierde vraag, nog maar eens terugdenken aan wat ze hebben geleden nadat ze het evangelie hebben aangenomen. Het heeft hun heel wat gekost. Is dat nu voor niets geweest? Vervolging door de Judaïsten (Hd 14:1-51Het gebeurde nu in Iconium, dat zij samen in de synagoge van de Joden gingen en zo spraken dat een grote volksmenigte, zowel van Joden als van Grieken, geloofde.2De Joden echter die niet geloofden, zetten de gemoederen van de volken op en maakten ze bitter gestemd tegen de broeders.3Zij bleven dan geruime tijd met vrijmoedigheid spreken over de Heer, Die getuigenis gaf aan het Woord van Zijn genade door te geven dat tekenen en wonderen door hun handen gebeurden.4De volksmenigte van de stad nu werd verdeeld, en sommigen waren voor de Joden en anderen voor de apostelen.5Toen er nu een plan ontstond zowel van de volken als van de Joden met hun oversten, om hen te mishandelen en te stenigen,) heeft hun geloof niet aan het wankelen gebracht. Zal dat nu toch gebeuren door de misleiding van deze mensen?

V55Hij dan Die u de Geest verleent en krachten onder u werkt, [doet Hij dat] op grond van werken van [de] wet of op grond van [de] prediking van [het] geloof?. Maar hij blijft vasthouden aan de echtheid van hun geloof. Vandaar zijn vijfde vraag, in vers 55Hij dan Die u de Geest verleent en krachten onder u werkt, [doet Hij dat] op grond van werken van [de] wet of op grond van [de] prediking van [het] geloof?, die aansluit op zijn vraag in vers 22Dit alleen wil ik van u vernemen: hebt u de Geest ontvangen op grond van werken van [de] wet of op grond van [de] prediking van [het] geloof?. Daar spreekt hij over het eenmalig ontvangen van de Heilige Geest; hier spreekt hij over het doorgaande werk van de Geest. Hij wijst op de onloochenbare bewijzen van de werking van de Geest. De vraag die hij daaraan verbindt, is: Doet God dat in antwoord op gehoorzaamheid aan geboden of als gevolg van het gelovig aannemen van het evangelie?

V66Zoals Abraham God geloofde en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.. Na wat je kunt noemen de subjectieve ervaring in de verzen 1-51O onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, u wie Jezus Christus als gekruisigd voor ogen werd geschilderd?2Dit alleen wil ik van u vernemen: hebt u de Geest ontvangen op grond van werken van [de] wet of op grond van [de] prediking van [het] geloof?3Bent u zo onverstandig? U bent in [de] Geest begonnen, wilt u nu in [het] vlees volmaakt worden?4Hebt u tevergeefs zoveel geleden? Als het tenminste ook tevergeefs was!5Hij dan Die u de Geest verleent en krachten onder u werkt, [doet Hij dat] op grond van werken van [de] wet of op grond van [de] prediking van [het] geloof?, gaat Paulus in vers 66Zoals Abraham God geloofde en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. over op de objectieve bewijzen van de Schrift. De Schrift blijft de volmaakte toetssteen, of het nu ervaringen betreft, of dat het om de leer gaat. De tegenstanders stellen dat de Galaten zich moeten laten besnijden. Ze beroepen zich daarvoor op Genesis 17 (Gn 17:9-109Verder zei God tegen Abraham: En wat uzelf betreft, u moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door.10Dit is Mijn verbond dat u moet houden tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wie mannelijk is bij u moet besneden worden.). Voor de oorsprong van de besnijdenis verwijst iedere Jood naar Abraham.

Paulus’ verweer hierop is meesterlijk. Hij verslaat de Judaïsten met hun eigen wapens en breekt zo hun hele leergebouw af. Hij verwijst namelijk naar dezelfde Abraham om aan te tonen dat Abraham geen gerechtigheid bezat op grond van de besnijdenis, maar op grond van geloof. Van nature was Abraham een zondaar als ieder ander en bezat hij die gerechtigheid niet. Dat hij gerechtigheid ontving, is door dat geloof dat hij al bezat voordat hij besneden was (Rm 4:9-109[Geldt] dit geluk nu de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: aan Abraham is het geloof tot gerechtigheid gerekend.10Hoe werd het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden.). Het heeft niets met werken te maken.

Integendeel, Abraham deed niets anders dan geloven in wat God gezegd had over een talrijk nageslacht, juist toen er van hemzelf en Sara niets meer te verwachten viel. Zijn geloof rustte in wat God had gezegd. Dat geloof werd hem door God “tot gerechtigheid gerekend”. Dat wil zeggen: God verklaarde hem rechtvaardig. Daardoor kon hij in verbinding staan met de rechtvaardige God.

V77Erkent dan, dat zij die op grond van geloof zijn, zonen van Abraham zijn.. Allen die zo’n geloof hebben, zijn zonen van Abraham. Zij lijken op hem en staan in dezelfde positie voor God.

Misschien is het wel zo, dat de brief aan de Galaten pas in onze tijd zijn volle kracht heeft. Bij de Galaten kon het kwaad nog worden geweerd, maar de christenheid heeft zich grotendeels onder de wet geplaatst. Hoeveel christenen menen niet voor God aangenaam te zijn op grond van uiterlijke inzettingen, zoals de doop of het horen bij de – in hun ogen – juiste kerk? Vooral voor hen heeft deze brief een duidelijke boodschap.

Lees nog eens Galaten 3:1-7.

Verwerking: Welke tegenstellingen tref je in deze verzen aan?


Zegen of vloek

8De Schrift nu, die voorzag dat God de volken op grond van geloof zou rechtvaardigen, verkondigde tevoren aan Abraham de blijde boodschap: ‘In u zullen alle volken gezegend worden’. 9Zij die op grond van geloof zijn, worden dus met de gelovige Abraham gezegend. 10Want allen die op grond van werken van [de] wet zijn, zijn onder [de] vloek; want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’. 11En dat door [de] wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk, want ‘de rechtvaardige zal op grond van geloof leven’. 12Maar de wet is niet op grond van geloof, maar ‘hij die deze dingen gedaan zal hebben, zal door die dingen leven’. 13Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden (want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die aan een hout hangt’), 14opdat de zegen van Abraham in Christus Jezus tot de volken zou komen, opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof.

V88De Schrift nu, die voorzag dat God de volken op grond van geloof zou rechtvaardigen, verkondigde tevoren aan Abraham de blijde boodschap: ‘In u zullen alle volken gezegend worden’.. De valse leraren verwijzen naar Abraham als bewijs van hun stelling, maar dat is volkomen misplaatst. Paulus maakt duidelijk wie de echte zonen van Abraham zijn. Dat zijn niet de Joden die er alleen prat op gaan lichamelijk van hem af te stammen. De echte zonen van Abraham zijn zowel de Joden als de heidenen die hetzelfde geloof als Abraham bezitten. Wie dat geloof bezit, ontvangt de zegen. De zegen bestaat onder andere hierin dat wie gelooft, gerechtvaardigd wordt. Zoals gezegd, betekent dit dat zo iemand door God rechtvaardig wordt verklaard. God zegt als het ware: ‘Jij vertrouwt Mij, daarom hoor jij bij Mij; Ik geef jou een plaats in Mijn tegenwoordigheid.’

Het was echt een blijde boodschap voor Abraham toen hij te horen kreeg dat God in hem alle volken zou zegenen met dezelfde zegen die ook hij had gekregen. De zegen was niet alleen voor hem persoonlijk, ook niet alleen voor zijn lichamelijk nageslacht, maar voor alle volken.

God deed deze toezegging aan Abraham toen er van het Oude Testament nog geen letter op papier was gezet. Dat heeft Mozes enkele honderden jaren later pas gedaan. Toch staat er: “De Schrift nu, die voorzag … verkondigde.” Hieruit blijkt dat de Schrift en God een en hetzelfde is. Dat maakt de Bijbel zo buitengewoon indrukwekkend. Zij is naar waarheid het Woord van God.

V99Zij die op grond van geloof zijn, worden dus met de gelovige Abraham gezegend.. Al met al is het duidelijk dat niet de wetsbetrachters, zij die proberen de wet te houden, de zegen ontvangen, maar zij die geloven. Zij worden met de gelovige Abraham gezegend en niet met de besneden Abraham. Alle nadruk ligt op geloof; de wet staat daar volkomen buiten.

V1010Want allen die op grond van werken van [de] wet zijn, zijn onder [de] vloek; want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’.. De tegenstanders zijn nog niet uitgepraat. Goed, zouden zij kunnen zeggen, Abraham is door het geloof gerechtvaardigd; maar de wet is daar later toch wel bij gekomen. Die kun je toch niet wegdenken?

Goed, zegt ook Paulus, de wet is er inderdaad bij gekomen, maar laten we dan eens goed kijken naar de wet. Het is duidelijk dat God in de wet precies aan de mens vertelt hoe Hij gediend wil worden. Gehoorzaamheid is het sleutelwoord. Maar verlangt een mens ernaar zich aan de wet te onderwerpen? Is hij in staat om de wet te volbrengen?

Nee, zegt Paulus in Romeinen 8, het vlees “onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet” (Rm 8:77omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.). Maar, zo kan een volgende vraag zijn, als ik dan gerechtvaardigd ben, nieuw leven heb, dán verlang ik er toch wel naar om me aan Gods geboden te houden? Het gaat er echter niet om of ik ernaar verlang, maar of ik het doe. De wet erkennen en doen horen bij elkaar, met het uiteindelijke doel daardoor voor God aangenaam te zijn en door Hem beloond te worden.

Dat brengt ons tot de vraag of ik in staat ben me te houden aan alles wat God heeft geboden. Wie dat als christen durft te beweren, misleidt zichzelf en maakt God tot een leugenaar (1Jh 1:8,108Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is niet in ons.10Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn woord is niet in ons.). En wat, als ik er niet in slaag? Zodra ik in één gebod struikel en er dus niet voor de volle honderd procent in slaag de wet te houden, val ik onder de vloek (Jk 2:1010Want wie de hele wet houdt, maar in één [gebod] struikelt, is schuldig geworden aan alle.). De wet toont bij overtreding geen enkel medelijden (Hb 10:2828Iemand die [de] wet van Mozes verworpen heeft, sterft zonder ontferming op [het woord van] twee of drie getuigen;). Er is geen pardon!

Het citaat waarin de vloek wordt uitgesproken over allen die niet volharden, komt uit Deuteronomium 27 (Dt 27:2626Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet uitvoert door ze te houden! En heel het volk moet zeggen: Amen.). Daar spreekt Mozes over zes stammen die moeten zegenen en over zes die moeten vervloeken. En wat lees je over de zegen? Niets! En wat lees je over de vloek? Die wordt gedetailleerd uitgesproken met aan het slot het citaat dat hier wordt aangehaald. Dat is veelzeggend.

Paulus leidt het citaat in met de woorden “er staat geschreven”. Laat die woorden krachtig op je inwerken. Ze houden de erkenning van het gezag van de Schriften in waarmee je de vijand kunt verslaan. De Heer Jezus deed dat in de woestijn toen de duivel Hem verzocht (Mt 4:4-104Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan6en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.8Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). Paulus doet dat hier om de dwaalleer te weerleggen. ‘Er staat geschreven’ is de enige waarborg om niet ten prooi te vallen aan de listen van de duivel.

V1111En dat door [de] wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk, want ‘de rechtvaardige zal op grond van geloof leven’.. Paulus haalt nog meer Schriftplaatsen aan. Habakuk heeft al gezegd dat de rechtvaardige op grond van geloof zal leven (Hk 2:44Zie, zijn ziel is hoogmoedig,
niet oprecht in hem,
maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
)
. Op grond van de wet is er slechts oordeel te verwachten. Wet en geloof komen in niets met elkaar overeen. Daarom is het ook een dwaling als iemand het heeft over het houden van de wet ‘om die te doen uit dankbaarheid’.

V1212Maar de wet is niet op grond van geloof, maar ‘hij die deze dingen gedaan zal hebben, zal door die dingen leven’.. Voor het weerleggen van deze dwaling kan het volgende citaat dienen dat Paulus aanhaalt. Het staat in Leviticus 18 (Lv 18:55Mijn verordeningen en Mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven. Ik ben de HEERE.). Het is niet tegen te spreken dat de christen leeft door zijn geloof. Wat heeft het dan voor zin de wet erbij te betrekken? Die is bedoeld om leven te verdienen. En dat leven verdien je alleen als je “deze dingen”, dat is wat de wet zegt, hebt gedaan.

V1313Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden (want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die aan een hout hangt’),. Dat Paulus met zijn betoog de wet niet onderuithaalt, zie je duidelijk in dit vers. Daar bevestigt hij op aangrijpende wijze de wet. In wat de Heer Jezus aan het kruis heeft gedaan, zie je het onbarmhartige karakter van de wet. Toen Hij op het kruis, “het hout”, de zonden op Zich nam van ieder die in Hem gelooft, werd Hij tot een vloek. In de Heer Jezus heeft de wet zijn volle uitwerking gehad. Toen Hij leefde, hield Hij Zich volmaakt aan de wet en vervulde Hij die. Wij zijn echter niet bevrijd doordat Hij Zich volmaakt aan de wet heeft gehouden. We zijn vrijgekocht omdat Hij op het kruis de vloek van de wet op Zich nam.

Tijdens Zijn leven rustte Gods welgevallen op Hem; aan het kruis, in de uren van duisternis, vervloekte God Hem en zo werd Hij een vloek. Daardoor en daardoor alleen zijn wij vrijgekocht van de vloek die wij verdienden. Dat is plaatsvervanging in de ware zin van het woord (vgl. 2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.). De prijs die Hij heeft betaald, is Zijn bloed.

V1414opdat de zegen van Abraham in Christus Jezus tot de volken zou komen, opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof.. Nu Hij de vloek van de wet voor ons heeft afgewend, kan de zegen in heel zijn volheid en ongehinderd naar Jood en heiden toestromen. Beiden ontvangen op grond van geloof de Heilige Geest.

Lees nog eens Galaten 3:8-14.

Verwerking: Wat leer je in deze verzen over de wet?


Wet en belofte

15Broeders, ik spreek naar [de] mens. Zelfs een verbond van een mens dat bekrachtigd is, stelt niemand terzijde of voegt er iets aan toe. 16Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad; Hij zegt niet: ‘En aan de zaden’, als van velen, maar als van één: ‘En aan uw Zaad’, dat is Christus. 17En dit zeg ik: een verbond dat vroeger door God bekrachtigd is, maakt de wet die vierhonderddertig jaar later is gekomen niet krachteloos om de belofte teniet te doen. 18Want als de erfenis op grond van [de] wet is, dan is zij niet meer op grond van [de] belofte; maar God heeft haar aan Abraham door belofte geschonken. 19Waartoe dan de wet? Ter wille van de overtredingen werd zij er bijgevoegd, totdat het Zaad zou komen waaraan de belofte was gedaan; [de wet] die door engelen werd verordend in [de] hand van een middelaar. 20Een middelaar nu is niet [middelaar] van één, maar God is één. 21Is dan de wet in strijd met de beloften <van God>? Volstrekt niet! Want als er een wet gegeven was die levend kon maken, dan zou de gerechtigheid inderdaad op grond van de wet zijn. 22Maar de Schrift heeft alles onder [de] zonde besloten, opdat de belofte op grond van geloof in Jezus Christus gegeven zou worden aan hen die geloven.

V1515Broeders, ik spreek naar [de] mens. Zelfs een verbond van een mens dat bekrachtigd is, stelt niemand terzijde of voegt er iets aan toe.. Paulus wordt er niet moe van om de Galaten te overtuigen hoe dwaas en gevaarlijk het is om de wet een plaats te geven in hun christen zijn. Hij gaat nu een vergelijking maken tussen de wet aan de ene kant en de belofte aan de andere kant. Het is prachtig om te zien hoe hij de Galaten benadert. Hij begint met het bemoedigende “broeders”, want dat zijn zij, ondanks hun openstaan voor de invloeden van de Judaïstische dwaalleraren. Hij laat hun daarmee zijn verbondenheid met hen voelen.

Vervolgens doet hij een beroep op hun gezonde verstand en verwijst naar het intermenselijk verkeer. Het is toch niet zo, stelt hij, dat je een afspraak met iemand zomaar kunt veranderen? Zeker niet als die afspraak nog eens schriftelijk is vastgelegd en met een officiële handtekening is bekrachtigd. Iedereen die een beetje logisch kan denken, zal zeggen: Natuurlijk kan dat niet.

V1616Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad; Hij zegt niet: ‘En aan de zaden’, als van velen, maar als van één: ‘En aan uw Zaad’, dat is Christus.. Welnu, gaat Paulus verder, aan Abraham werden beloften gedaan en aan zijn zaad. Op dit punt aangekomen gaat Paulus even in op het zaad van Abraham voordat hij het verschil tussen de wet en de belofte nader gaat uitwerken. Het woord ‘zaad’ vraagt enige toelichting. In het meervoud betekent het ‘nageslacht’ en in het enkelvoud betekent het ‘nakomeling’. De toevoeging hier maakt duidelijk dat het om het laatste gaat. Daar komt nog bij dat duidelijk wordt aangegeven Wie die Nakomeling is, namelijk Christus. In Hem worden alle beloften van God vervuld. Christus was op het moment dat de wet gegeven werd nog niet gekomen. Dat betekent dat de beloften onverkort bleven bestaan.

V1717En dit zeg ik: een verbond dat vroeger door God bekrachtigd is, maakt de wet die vierhonderddertig jaar later is gekomen niet krachteloos om de belofte teniet te doen.. Daarbij komt ook nog dat de wet nota bene meer dan vierhonderd jaar ná de belofte is gegeven. Paulus brengt dit argument naar voren om de onzinnigheid aan te geven om de onvoorwaardelijke beloften van God te koppelen aan de wet, waaraan wél voorwaarden zijn verbonden.

Moet je je voorstellen: Iemand belooft jou over een jaar duizend euro te geven. Dat is mooi, zeg je dan, en je verheugt je, naarmate de tijd vordert, steeds meer op de ontvangst van die duizend euro. Maar na verloop van tien maanden krijg je ineens van de gulle belover te horen dat hij eigenlijk een prestatie van je verwacht waardoor je die duizend euro kunt verdienen. Nu nog mooier, zeg je dan, en je keert je diep teleurgesteld van de mooiprater af. Zo ga je toch niet met elkaar om? Nou, precies zo is het met de wet en de belofte. Als God beloften doet, maakt Hij die een poosje later niet afhankelijk van prestaties.

V1818Want als de erfenis op grond van [de] wet is, dan is zij niet meer op grond van [de] belofte; maar God heeft haar aan Abraham door belofte geschonken.. Je voelt wel aan dat belofte en wet elkaar uitsluiten. Ze hebben niets met elkaar te maken. Daarom staat er ook zo mooi dat God de belofte van de erfenis aan Abraham heeft “geschonken”. Wat die erfenis inhoudt, wordt hier niet verteld. Je mag denken aan de hele uitgestrektheid van het land Kanaän waar Israël tijdens het duizendjarig vrederijk zal wonen. Waar het hier om gaat, is hoe die erfenis wordt verkregen: door de wet of door de belofte. Het mag intussen duidelijk zijn dat ze wordt verkregen door de belofte.

V1919Waartoe dan de wet? Ter wille van de overtredingen werd zij er bijgevoegd, totdat het Zaad zou komen waaraan de belofte was gedaan; [de wet] die door engelen werd verordend in [de] hand van een middelaar.. Maar dan is de vraag gewettigd welke functie de wet dan nog heeft. Het antwoord is: De wet is erbij gevoegd “ter wille van de overtredingen”. Nu moet je goed lezen. Er staat niet ‘ter wille van de zonde’. Hoe zou dat kunnen? God geeft niet iets waardoor de mens een zondaar wordt. De wet maakt juist duidelijk dat de mens een zondaar is, zonder hem te wijzen op een mogelijkheid om te ontkomen aan de straf die op de zonde rust.

Je kunt het vergelijken met een spiegel waarin je ziet dat je vuil bent. De spiegel toont aan dat je vuil bent, maar de spiegel is geen zeep waarmee je die vuiligheid kunt afwassen. Zo toont de wet aan dat je een zondaar bent, maar geeft niet het middel waardoor je van je zonden kunt worden verlost. De verlossing van je zonden kan alleen door het bloed van de Heer Jezus.

Dan komt er nóg een verschil tussen de belofte en de wet. Bij de belofte is het zo, dat God deze rechtstreeks aan Abraham gaf, zonder tussenkomst van iemand anders. Bij de wet is dat anders. God gaf de wet door bemiddeling van engelen in de hand van nog een middelaar, Mozes. Zo kwam de wet bij het volk. Daarom is de belofte groter dan de wet.

V2020Een middelaar nu is niet [middelaar] van één, maar God is één.. De belofte toont een genadige, gevende God, Die onvoorwaardelijk alles op Zich neemt om de belofte te vervullen. De mens heeft daar geen enkele invloed op. Daarom staat er ook “God is één”, wat wil zeggen dat Hij als enige partij alle verantwoordelijkheden op Zich neemt om Zijn beloften waar te maken. De wet daarentegen toont een heilige, eisende God Die de mens houdt aan de verplichtingen die deze op zich heeft genomen.

V2121Is dan de wet in strijd met de beloften <van God>? Volstrekt niet! Want als er een wet gegeven was die levend kon maken, dan zou de gerechtigheid inderdaad op grond van de wet zijn.. Na het voorgaande kan de vraag opkomen of de wet dan in strijd is met de beloften van God. Dat is natuurlijk niet zo. Beide komen ze van God en hoe kan God nu in tegenspraak zijn met Zichzelf? Het antwoord op deze vraag is dat ze beide een verschillende kant van God voorstellen. De wet toont ons Gods gerechtigheid en de belofte laat Gods genade zien. De wet kan niet levend maken omdat de mens een verdorven zondaar is. De wet belooft wel leven, maar kan het niet geven omdat de mens het leven niet verdient. Hij maakt zichtbaar wat er in het hart van de mens is.

V2222Maar de Schrift heeft alles onder [de] zonde besloten, opdat de belofte op grond van geloof in Jezus Christus gegeven zou worden aan hen die geloven.. Daarom kan er gezegd worden dat de Schrift alles onder de zonde heeft besloten. Je leest bijvoorbeeld in Romeinen 3 over de zondigheid van de mens (Rm 3:9-209Wat dan? Zijn wij uitnemender? Helemaal niet. Wij hebben immers tevoren zowel Joden als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder [de] zonde zijn,10zoals geschreven staat: ‘Er is geen rechtvaardige, ook niet één;11er is niemand die verstandig is; er is niemand die God zoekt;12allen zijn zij afgeweken; samen zijn zij nutteloos geworden; er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één’;13‘hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog’; ‘addergif is onder hun lippen’;14‘hun mond is vol vervloeking en bitterheid’;15‘hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;16vernieling en ellende is op hun wegen;17en [de] weg van [de] vrede hebben zij niet gekend’;18‘geen vrees voor God staat hun voor ogen’.19Nu weten wij, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond wordt gestopt en de hele wereld strafschuldig wordt voor God.20Daarom zal op grond van werken van [de] wet geen enkel vlees voor Hem gerechtvaardigd worden; want door [de] wet [komt] kennis van zonde.). Wie zich zijn zondigheid bewust is of wordt, kan bij God terecht voor vergeving. Dan komen de Heer Jezus en het geloof in Hem binnen het gezichtsveld.

De wet of de Schrift stelt zonder enige mogelijke tegenspraak de verdorvenheid van ieder mens vast. Het doel daarvan, “opdat”, is dat de mens zijn toevlucht neemt tot het geloof in Jezus Christus. Daarbij is geen onderscheid. De belofte ligt klaar voor “hen die geloven”, ongeacht of het Joden of heidenen zijn.

Lees nog eens Galaten 3:15-22.

Verwerking: Noem enkele verschillen tussen de wet en de belofte.


Het tijdperk van het geloof

23Maar voordat het geloof kwam, waren wij als gevangenen onder [de] wet, in verzekerde bewaring tot op het geloof dat geopenbaard zou worden. 24De wet is dus onze tuchtmeester geweest tot op Christus, opdat wij op grond van geloof gerechtvaardigd zouden worden. 25Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een tuchtmeester; 26want u bent allen zonen van God door het geloof in Christus Jezus. 27Want u allen die tot Christus bent gedoopt, hebt Christus aangedaan. 28Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije, daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus. 29En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht [en] volgens belofte erfgenamen.

V2323Maar voordat het geloof kwam, waren wij als gevangenen onder [de] wet, in verzekerde bewaring tot op het geloof dat geopenbaard zou worden.. In dit gedeelte plaatst Paulus twee tijdperken tegenover elkaar. Het ene tijdperk is dat van het geloof, dat wil zeggen de periode waarin God met de mens omgaat op grond van geloof. Het andere tijdperk is dat van de wet, dat wil zeggen de periode waarin God met de mens omgaat op grond van het houden van de wet, het doen wat de wet zegt. Het tijdperk van ‘het geloof’ is in wezen het christelijke tijdperk, dat is de periode vanaf de tijd dat Christus op aarde kwam, Zijn werk aan het kruis heeft volbracht en is teruggekeerd naar de Vader. Daarna is de Heilige Geest op aarde gekomen en begon het christendom.

Het tijdperk van de wet wordt gekenmerkt door strikte inzettingen die God aan Zijn aardse volk Israël heeft opgelegd. Voor de Jood was dat een juk, hij leed daaronder als een gevangene. Het benam hem elke vrijheid van handelen, zijn hele leven werd erdoor geregeld. Op straffe van de dood moest hij zich daaraan houden. De wet schermde hem als een scheidsmuur af van vermenging met de volken om hem heen (Ef 2:1414Want Hij is onze vrede, Die die beiden een gemaakt en de scheidsmuur van de omheining weggebroken heeft,). Maar het tijdperk van de wet heeft een beperkte geldigheid. Dit tijdperk loopt “tot op het geloof dat geopenbaard zou worden” (vers 23b23Maar voordat het geloof kwam, waren wij als gevangenen onder [de] wet, in verzekerde bewaring tot op het geloof dat geopenbaard zou worden.), dat wil zeggen dat er met de komst van Christus een nieuw tijdperk zou aanbreken.

V2424De wet is dus onze tuchtmeester geweest tot op Christus, opdat wij op grond van geloof gerechtvaardigd zouden worden.. Na de wet als een gevangenis te hebben voorgesteld gebruikt Paulus nog een beeld voor de wet, dat van “een tuchtmeester”. Bij het woord ‘tuchtmeester’ kun je het best denken aan een oppasser, iemand die toeziet op het lichamelijk welzijn van een kind dat aan zijn zorg is toevertrouwd. Dat is de functie van de wet. De wet ziet erop toe dat de mens zich houdt aan de geboden van God die hem zijn gegeven om daardoor het leven te verkrijgen. Maar omdat de mens verdorven is en de wet niet kan houden, ontstaat er in de mens het verlangen naar een Bevrijder.

De wet wijst niet de weg naar Christus; in die zin mag je vers 2424De wet is dus onze tuchtmeester geweest tot op Christus, opdat wij op grond van geloof gerechtvaardigd zouden worden. niet lezen. De wet wijst ons erop dat we onverbeterlijke zondaars zijn die vallen onder het oordeel van God. Wie zich dat gaat realiseren, zoekt naar een oplossing om te ontkomen aan dat oordeel. God heeft die oplossing klaar in Christus en Zijn verzoeningswerk aan het kruis. Nu de Heer Jezus Zijn werk aan het kruis heeft volbracht, is het mogelijk op grond van geloof in Hem gerechtvaardigd te worden. Die mogelijkheid is er alleen door het geloof, nooit meer door de wet, nooit meer door enige inspanning van de mens.

V2525Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een tuchtmeester;. God handelt sinds het volbrachte werk van Christus niet meer met de mens op grondslag van de wet, maar uitsluitend op grondslag van het geloof. Daarom kan gezegd worden: “Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een tuchtmeester.” De wet heeft zijn tijd gehad. De Galaten moeten hiervan diep doordrongen raken en in dit besef de leringen van de Joodse dwaalleraren van zich afschudden.

V2626want u bent allen zonen van God door het geloof in Christus Jezus.. Dan voert Paulus nog een krachtig argument aan om te bewijzen dat de wet zijn kracht en geldigheid voor de christen heeft verloren. Door het geloof is de christen namelijk in een nieuwe positie voor God gekomen: die van zoon. Ja, je leest het goed: zoon! Dat is wel wat anders dan een slaaf te zijn zoals de positie is van iemand die onder de wet staat of zichzelf daaronder plaatst. Als je eens goed tot je laat doordringen wat het wil zeggen dat God je “door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft” (Ef 1:55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,), hoe zou je dan ooit nog de wet in je leven willen toelaten? Ben je zoon geworden door je te houden aan de wet of ben je het geworden door het geloof in Christus Jezus? Het antwoord staat hier: “Door het geloof in Christus Jezus.”

V27-2827Want u allen die tot Christus bent gedoopt, hebt Christus aangedaan.28Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije, daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus.. Bedenk daarbij ook nog eens wat je hebt beleden toen je je liet dopen. (Of ben je nog niet gedoopt? Wat houd je tegen?) Als jij je hebt laten dopen, ben je door je doop gevoegd bij een gestorven Heiland (Rm 6:3-4a3Of weet u niet, dat wij allen die tot Christus Jezus gedoopt zijn, tot Zijn dood gedoopt zijn?4Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.). In de dood van Christus is elke band met de wet verbroken. Hij heeft de vloek van de wet gedragen (vers 1313Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden (want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die aan een hout hangt’),) en daarmee het oordeel van de wet weggenomen voor ieder die in Hem gelooft.

De wet heeft geen gezag meer over Iemand Die gestorven is, de Heer Jezus, en ook niet over ieder die met Hem gestorven is, de gelovige. Dat laatste, dat je met Hem gestorven bent, heb je door je doop beleden. De Heer Jezus is niet in de dood gebleven en jij niet in het watergraf. De Heer Jezus is opgestaan en van jou mag worden verwacht dat je na je doop leeft in verbinding met Hem. Dan zullen de mensen zien dat je Christus hebt aangedaan.

Het klinkt misschien wat oneerbiedig, maar het is te vergelijken met het aantrekken van een nieuwe jas. De mensen zien dat je iets nieuws aan hebt. Voor het vertonen van Christus is je nationaliteit, je sociale of maatschappelijke status of je geslacht van geen belang. Iedereen die gedoopt is, heeft Christus aangedaan en behoort nu Hem en niet zichzelf te laten zien. Er is er maar Eén Die gezien wordt.

Dat wil niet zeggen dat na de bekering de genoemde onderscheidingen niet meer bestaan. In wat Paulus hier zegt, gaat het om de positie van de gelovigen, zoals God hen ziet in Christus. Maar slaven worden in andere brieven als zodanig aangesproken en vrouwen behoren ten opzichte van hun man de door God voorgeschreven houding aan te nemen en dat geldt ook andersom. God wil dat man en vrouw Zijn scheppingsorde respecteren in het altijd dragen van kort haar door de man en lang haar door de vrouw, en het niet bedekken door de man en wel bedekken door de vrouw van het hoofd bij bidden en profeteren (1Ko 11:1-161Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus.2En ik prijs u, dat u in alles aan mij denkt en de inzettingen vasthoudt, zoals ik ze u heb overgeleverd.3Maar ik wil dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] Hoofd van Christus.4Iedere man die bidt of profeteert met [iets] op zijn hoofd, onteert zijn Hoofd;5en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde alsof zij geschoren was.6Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook [maar] het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw een schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken.7Want [de] man behoort zijn hoofd niet te dekken, daar hij [het] beeld en [de] heerlijkheid van God is; maar de vrouw is [de] heerlijkheid van [de] man.8Want [de] man is niet uit [de] vrouw, maar [de] vrouw uit [de] man;9want [de] man is ook niet geschapen om de vrouw, maar [de] vrouw om de man.10Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen.11Evenwel is noch [de] vrouw zonder [de] man, noch [de] man zonder [de] vrouw, in [de] Heer.12Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God.13Oordeelt bij uzelf: is het gepast dat een vrouw ongedekt tot God bidt?14Leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt het een oneer voor hem is?15Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.16Maar als iemand meent te moeten twisten, wij hebben zo’n gewoonte niet, en evenmin de gemeenten van God.). Ook tijdens de samenkomsten van de gemeente wil God dit onderscheid gehandhaafd zien (1Ko 14:34-3534Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt.35En als zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen; want het is schandelijk voor een vrouw te spreken in [de] gemeente.).

V2929En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht [en] volgens belofte erfgenamen.. Het laatste vers maakt nog eens duidelijk wat eerder al door Paulus is aangetoond. Wie bij Christus hoort, is nageslacht van Abraham, want Christus is ‘het Zaad’ van Abraham (vers 1616Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad; Hij zegt niet: ‘En aan de zaden’, als van velen, maar als van één: ‘En aan uw Zaad’, dat is Christus.). Voor zo iemand is de belofte dat hij een erfgenaam is. In het volgende hoofdstuk zullen we zien wat dat wil zeggen.

Lees nog eens Galaten 3:23-29.

Verwerking: Welke tegenstellingen tref je in deze verzen aan? Welke zegeningen kom je tegen?


Lees verder