Ruth
1 Boaz 2 Ruth wil aren gaan rapen 3 Ruth komt op het veld van Boaz 4-7 Het getuigenis over Ruth tot Boaz 8-10 Boaz spreekt Ruth aan 11-12 Boaz vertelt wat hij van Ruth weet 13 Reactie van Ruth op de goedheid van Boaz 14 Boaz en Ruth eten samen 15-16 De knechten krijgen een nieuwe opdracht 17 De opbrengst 18-19 Ruth laat Naomi delen in de zegen 20 Naomi herkent in Boaz een van de lossers 21-23 Ruth blijft op het veld van Boaz werken
Boaz

1Nu had Naomi een bloedverwant van de kant van haar man, een zeer vermogend man, uit het geslacht van Elimelech, en zijn naam was Boaz.

Direct na het tafereel van het begin van de gersteoogst aan het eind van het vorige hoofdstuk (Ru 1:2222Zo keerde Naomi terug, en met haar Ruth, de Moabitische, haar schoondochter. Zij keerde uit de vlakten van Moab terug. En zij kwamen in Bethlehem, aan het begin van de gersteoogst.) wordt de aandacht op Boaz gevestigd. Hij is de tweede man om wie het in dit boek gaat. De eerste man, Elimelech, heeft gefaald. Hij heeft de plaats van zegen verlaten en vloek over zijn nageslacht gebracht. De tweede man is niet zwak, maar machtig en hij herstelt alles waarin de eerste man heeft gefaald.

Deze eerste en tweede man zijn een beeld van de eerste mens en tweede Mens, de eerste Adam en de laatste Adam (1Ko 15:45,4745Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, [werd] tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest.47De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel.). In de eerste Adam zijn alle mensen gestorven; in Christus, de laatste Adam, worden zij die met Hem verbonden zijn, levend gemaakt. Naomi was eerst verbonden met de eerste man. Daarmee bleek de dood verbonden te zijn. Nu komt er een verbinding met de tweede man tot stand, niet door haar, maar door Ruth.

Naomi lijkt te zijn vergeten dat hij er is. Daarom is er bitterheid in haar hart. Bij ons is er ook vaak bitterheid omdat we vergeten dat er Iemand is Die ons kan helpen. Maar de Heilige Geest wijst op Hem, zoals Hij hier wijst op Boaz.

De naam Boaz betekent ‘in hem is kracht’. Hij is een prachtig beeld van de Heer Jezus en wel zoals Hij is in de heerlijkheid, het hemelse land. Voordat hij op het toneel verschijnt, worden er enkele dingen van hem gezegd. In de eerste plaats is hij een bloedverwant van Naomi. Dat past bij het beeld van de Heer Jezus, want de Heer Jezus heeft aan bloed en vlees deelgenomen en is daardoor een ‘bloedverwant’ van ons geworden (Hb 2:14-1514Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,15en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren.). Alleen door aan de mensen gelijk te worden – maar wel zonder de zonde! (Hb 4:1515Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.) – kon Hij voor mensen een Verlosser of Losser worden. Verder is hij een zeer vermogend man. Hij heeft ook de middelen om te verlossen.

De vermelding dat hij “uit het geslacht van Elimelech” is, legt nadruk op zijn verbinding met Elimelech. Elimelech heeft de betekenis van zijn naam, ‘mijn God is Koning’, niet waargemaakt. Elimelech is buiten het land gestorven. Hij is een beeld van Israël dat de heerschappij van God op geen enkele wijze heeft erkend. Als gevolg daarvan heeft God hen in Zijn tucht uit hun land laten wegvoeren en doen omkomen. Nu komt er iemand anders die het koningschap van God volledig gestalte geeft. Volmaakt is dat te zien in de Heer Jezus. Alles waarin Israël heeft gefaald, heeft Hij op volmaakte wijze waargemaakt. Hij is vrijwillig in het oordeel en de dood gegaan om de verbroken relatie tussen God en Zijn volk weer te herstellen. Het volk heeft alles verspeeld, maar Christus heeft alles goed gemaakt.


Ruth wil aren gaan rapen

2Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: Laat mij toch naar de akker gaan en aren rapen achter hem in wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zei tegen haar: Ga, mijn dochter.

Ruth neemt het initiatief om aren te gaan rapen. Naomi lijkt nergens toe in staat. Ruth is wel in het land, maar daarmee is ze niet tevreden. Ze verlangt naar voedsel. Daarvoor moet ze aan het werk, ze moet zich gaan inspannen. Een geestelijk verlangen naar Gods Woord zal aanzetten tot een ijverig onderzoeken ervan.

In praktisch opzicht kunnen we ook van Ruth leren. Ze blijft niet thuis zitten wachten tot het werk naar haar toe komt. Ze gaat op zoek naar werk, ze doet er moeite voor het te vinden. Zulk handelen zegent God. Het geldt ook voor het volgen van een opleiding. Ook daar zal God inspanning zegenen. Het gaat erom trouw te zijn in wat van ons wordt verwacht. Wie de wil van de Heer wil doen, wordt door Hem geleid naar de plaats van zegen.

Ruth is zich bewust dat zij van genade afhankelijk is. Ze heeft immers nergens recht op. Maar waar geen rechten zijn en iemand zich dat bewust is, kan er een beroep worden gedaan op de genade. In die gezindheid wil ze gaan. Ruth zal niet veel hebben geweten van Gods genadige voorzieningen in een geval als dat van haar (Lv 23:2222Wanneer u de oogst van uw land binnenhaalt, mag u de rand van uw akker bij [het binnenhalen van] uw oogst niet helemaal afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, mag u niet oprapen. U moet het laten liggen voor de arme en de vreemdeling. Ik ben de HEERE, uw God.; Lv 19:99Wanneer u nu de oogst van uw land binnenhaalt, mag u de rand van uw akker niet helemaal afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, mag u niet oprapen.; Dt 24:1919Wanneer u de oogst op uw akker hebt binnengehaald, en u bent een schoof op de akker vergeten, dan mag u niet teruggaan om die op te halen. Hij is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in al het werk van uw handen.). Omdat haar hart echter is uitgegaan naar de God en het land van Naomi, krijgt het geloof dat in haar is de ruimte om te handelen. Ze had ook thuis kunnen blijven, maar ze gaat in het besef dat ze op de genade een beroep mag doen.

God werkt, maar de mens moet in geloof gaan. Het gaat niet om rechten, maar om genade. Ze zal, als “de honden”, genoegen nemen met “de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen” (Mt 15:2727Zij echter zei: Jawel, Heer, want ook de honden eten van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.). Het gaat haar niet om een veld waar ze aren zal kunnen rapen, maar om een persoon die haar in zijn genade zal toelaten op zijn veld. Zo zegt ze dat. Ze zegt dat ze wil “aren rapen achter hem in wiens ogen ik genade zal vinden”.

Het initiatief gaat wel van Ruth uit, maar ze handelt niet impulsief en op eigen houtje. Zij bespreekt haar overwegingen met Naomi. Het is goed voor jonge gelovigen om bepaalde initiatieven met geestelijk gezinde oudere gelovigen te bespreken. Naomi bevestigt haar voornemen en ze gaat.

Er is een grote verbondenheid tussen Naomi en Ruth. Naomi stelt het oude Israël voor, maar dan het deel dat tot inkeer komt en dat in Ruth gestalte krijgt. In Ruth openbaart zich het geloof van het overblijfsel. Dit beeld laat de verbinding zien die er is tussen het gelovig overblijfsel in de toekomst en het Israël uit het verleden. Samen stellen zij Gods volk voor, met aan de ene kant de hopeloze situatie als gevolg van de eigen ontrouw en aan de andere kant het ontluikende geloof met afhankelijkheid van Gods genade. God zal al Zijn beloften die Hij in het verleden aan Israël heeft gedaan, aan het overblijfsel in de toekomst in vervulling doen gaan. Het overblijfsel zal zich bewust zijn dat die vervulling hun uit pure genade ten deel zal vallen.


Ruth komt op het veld van Boaz

3Daarop ging zij [op weg], kwam op de akker en raapte [aren] achter de maaiers. En het overkwam haar dat zij op een deel van de akker van Boaz [terechtkwam], die uit het geslacht van Elimelech was.

Ruth heeft geen enkele voorkeur voor het veld waar ze aren kan gaan rapen. Ze zou niet weten op welk veld ze welkom is, of op welk veld de meeste aren liggen. Wat haar betreft, is elk veld goed. Daarom zal ze het eerste het beste veld op zijn gegaan. Dit is ‘toevallig’ het veld van Boaz. Dat is dan van haar kant bezien. Voor ons, die deze geschiedenis kennen, is het duidelijk dat God dit zo heeft bestuurd. Ook de ‘toevallige’ ontmoetingen die wij kunnen hebben, ontmoetingen die ons ‘overkomen’, zijn door God bestuurde gebeurtenissen, waardoor Hij bepaalde voornemens uitwerkt.

Dit zou haar niet overkomen zijn als zij nog onder de afgoden van Moab was. De afgoden van Moab zouden haar niet daarheen hebben gestuurd. Ze is niet op zoek naar de losser, ze kent hem helemaal niet. Maar de God van Israël, aan Wie ze zich heeft toevertrouwd, is bezig haar in verbinding met Boaz te brengen, zonder dat zij het weet. God leidt blinden op een weg die zij niet kennen (Js 42:16a16En Ik zal blinden leiden langs een weg [die] zij niet gekend hebben,
Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.
Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht
en wat krom is in wat recht is.
Deze dingen zal Ik voor hen doen,
Ik zal hen niet verlaten.
)
. Zo maakt Hij Ruth tot een van de gevallen waarin Hij een vrouw tot een man brengt. Hij heeft ook Eva tot Adam gebracht.

Ze komt “achter de maaiers” om daar aren te rapen. De maaiers doen een belangrijk werk. Als er geen maaiers waren, viel er niets op te rapen. Het veld zou vol koren kunnen zijn, maar de arme Ruth zou er niets van kunnen nemen. Maaiers stellen ons het opgegroeide koren ter beschikking. Maaiers zijn de mensen die het koren maaien en in schoven samenbinden. Wat zij laten vallen, is voedsel voor de armen. In geestelijk opzicht is het ook zo. Wat zouden wij van de zegeningen weten, als de Heer niet gaven had gegeven (Ef 4:7,117Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus.11En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,) die de zegeningen kennen en daarvan uitdelen aan hen die tot geloof gekomen zijn?


Het getuigenis over Ruth tot Boaz

4En zie, Boaz kwam uit Bethlehem, en zei tegen de maaiers: De HEERE zij met u! En zij zeiden tegen hem: De HEERE zegene u! 5Daarop zei Boaz tegen zijn knecht die over de maaiers aangesteld was: Wie behoort deze jonge vrouw toe? 6De knecht die over de maaiers aangesteld was, antwoordde en zei: Dat is de Moabitische jonge vrouw die met Naomi teruggekeerd is uit het land Moab. 7Zij zei: Laat mij toch [aren] rapen en verzamelen tussen de schoven, achter de maaiers. Zo is zij gekomen en zij is gebleven van vanmorgen af tot nu toe. Zij heeft bijna niet binnen gezeten.

Dan verschijnt Boaz. In de woorden die hij en zijn maaiers tegen elkaar zeggen bij de begroeting, blijkt de goede relatie tussen hen. Boaz komt uit Bethlehem naar zijn veld. Zijn zegenwens voor zijn maaiers is dat de HEERE met hen zal zijn. Het doet denken aan de woorden “vrede zij u” die de Heer Jezus tegen Zijn discipelen zegt, als Hij na Zijn opstanding te midden van hen verschijnt (Jh 20:19-2319Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u!20En toen Hij dit had gezegd, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heer zagen.21<Jezus> dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend ook Ik u.22En toen Hij dit had gezegd, blies Hij in hen en zei tot hen: Ontvangt [de] Heilige Geest.23Wie u ook de zonden vergeeft, zij zijn hun vergeven; wie u ook [de zonden] houdt, zij zijn [hun] gehouden.). Zij doen alles onder Zijn toezicht en zegen. Op hun beurt wensen de maaiers Boaz de zegen van de HEERE toe. Zo wensen al de arbeiders van de Heer Jezus Hem zegen toe vanwege God.

In praktisch opzicht is deze begroeting tussen een werkgever en zijn werknemers zeldzaam in een maatschappij waar in het algemeen de baas door egoïsme en de ondergeschikten door achterdocht worden geregeerd. Allerlei regelingen kunnen het kwaad wel wat indammen, maar nooit uitsluiten, want de wortel van het kwaad blijft zitten. Pas als de Heer Jezus rechtvaardig zal regeren en de verhoudingen vanuit een vernieuwd denken zullen worden beleefd, zal de situatie zo zijn als hier op het veld van Boaz. Toch worden zowel werkgevers als werknemers die de Heer Jezus kennen, opgeroepen in de geest van deze begroeting met elkaar om te gaan (Ef 6:5-95Slaven, weest uw heren naar [het] vlees gehoorzaam met vrees en beven, in eenvoud van uw hart, als aan Christus;6niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar als slaven van Christus, die de wil van God van harte doen,7die met bereidwilligheid slavendienst doen als aan de Heer en niet aan mensen;8daar u weet dat ieder, hetzij slaaf of vrije, [het] goede dat hij zal doen, van [de] Heer zal terugontvangen.9En u, heren, doet hetzelfde jegens hen en laat het dreigen na. U weet immers, dat zowel hun als uw Heer in [de] hemelen is, en dat bij Hem geen aanzien des persoons is.).

Dan vraagt Boaz naar Ruth. Zijn oog is op haar (vgl. Ps 33:1818Zie, het oog van de HEERE is over wie Hem vrezen,
op hen die op Zijn goedertierenheid hopen,
)
. Zij valt hem op als een nieuwe aanwezige op zijn veld. Hij schenkt aandacht aan haar, maar laat dat niet direct aan haarzelf merken. Hij vraagt niet wie zij is, maar van wie zij is: “Wie behoort deze jonge vrouw toe?”. Boaz is geen jongeman meer. In elk geval is hij een stuk ouder dan Ruth, want hij spreekt haar even later als ‘dochter’ aan. Hij is nog steeds niet getrouwd. Daarom vraagt hij wie zij toebehoort, van wie zij is. In bedekte termen vraagt hij daarmee of zij al getrouwd is. Dit past geheel in deze geschiedenis die in de eerste plaats een liefdesgeschiedenis is.

In geestelijk opzicht kan de vraag ook aan ons worden gesteld: ‘Van wie ben je, wie behoor je toe?’ Als de dingen van de wereld ons leven beheersen, zijn wij van de wereld en niet van de Heer.

De knecht vertelt Boaz wie Ruth is en doet verslag van haar bezigheden. Ze is iemand die de vlakten van Moab achter zich heeft gelaten en die van genade afhankelijk wil zijn. Als bewijs van dit laatste haalt de knecht haar uitspraak aan waarmee zij hem heeft gevraagd om aren te mogen rapen en die ook in te zamelen. Dat heeft ze op een nederige manier gedaan, ze heeft geen werk geëist. Zij verlangde ernaar het voedsel van Bethlehem op te rapen en bij elkaar te brengen. Daarvoor heeft zij een plek vlak bij de schoven achter de maaiers gevraagd.

In geestelijk opzicht spreekt dit van het verlangen van een jonge gelovige om in Gods Woord te lezen (aren op te rapen) en de samenhang van de verschillende verzen te zien (inzamelen). Hiervoor zal de jonge gelovige graag in de buurt zijn van gelovigen die deze samenhang al hebben ontdekt en hij zal graag van hen willen leren. Daarom zal hij graag samenkomsten bezoeken waar Gods Woord wordt uitgelegd en hij zal graag commentaren lezen die hem het verband van Gods Woord laten zien.

Boaz spreekt met zijn knecht over Ruth. De knecht over de maaiers is een beeld van de Heilige Geest. Hij spreekt met de Heer Jezus over ons (vgl. Rm 8:2626En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wat wij naar behoren zullen bidden, weten wij niet, maar de Geest Zelf bidt voor <ons> met onuitsprekelijke verzuchtingen.). Als iemand in nederigheid komt om zegen te ontvangen, ziet de Heer dat, het valt Hem, om zo te zeggen, op. De knecht getuigt van haar dat ze zich helemaal op het werk heeft gericht. Daarom vermeldt hij erbij dat zij iemand is die “bijna niet binnen gezeten” heeft, wat waarschijnlijk ziet op het zitten in een hut op het veld om er rust en schaduw te vinden.


Boaz spreekt Ruth aan

8Toen zei Boaz tegen Ruth: U hebt het gehoord, nietwaar, mijn dochter? Ga niet op een andere akker [aren] rapen. Ook moet u hier niet weggaan, maar u moet dicht bij de meisjes blijven [die] voor mij [werken]. 9Uw ogen moeten op de akker [gericht] zijn die zij aan het maaien zijn en u moet achter hen aan gaan. Heb ik de knechten niet geboden dat zij u niet aanraken? Als u dorst hebt, mag u naar de [water]vaten gaan en drinken van wat de knechten zullen scheppen. 10Toen wierp zij zich met het gezicht [ter aarde], boog zich naar de grond en zei tegen hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u naar mij omziet, terwijl ik een buitenlandse ben?

Dan richt Boaz zich tot Ruth. Hij doet dat met gepast respect voor haar houding. Hij overlaadt haar niet met een menigte koren en spreekt er ook niet over dat hij de losser is. Zijn eerste woorden zijn een bemoediging voor haar om niet naar een ander veld te gaan en het veld waarop ze nu is ook niet te verlaten. Ze is op het goede veld terechtgekomen. Dat veld verlaten zal betekenen dat ze zichzelf tekort doet. Wat een zegen zal ze daarmee verspelen. Voor ons betekent het om niet weg te gaan van de plaats waar de Heer Jezus is met Zijn zegen.

Verder spoort hij haar aan zich bij zijn meisjes of arbeidsters aan te sluiten. Zij zijn al langer op het veld. Zij weten waar de aren liggen: bij de maaiers. Bij hen moet ze zich ophouden, dat is het goede gezelschap. In beeld spreekt dat ervan dat de Heer Jezus aangeeft dat gemeenschap met andere gelovigen op Zijn veld de wijze is waarop we ons de geestelijke zegeningen eigen kunnen maken. Op deze manier zullen we groeien in het geloof.

Hij wijst haar “op de akker”, dat is zijn hele land. Daarop moeten haar ogen gericht zijn. Zo wijst de Heer Jezus ons erop dat er een grote uitgestrektheid van zegen in het hemelse land klaarligt. Iedere gelovige die ernaar verlangt om al die geestelijke zegeningen te leren kennen die hij “in de hemelse [gewesten] in Christus” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,) bezit, mag die genieten. Die zegen ligt klaar om door ons te worden ingezameld, aar na aar. Willen we die zegen ontvangen, dan moeten we zijn, waar de Heer de zegen uitdeelt. Andere akkers zijn ook goed, maar het zijn niet de akkers van Boaz. Het gaat erom te zijn waar hij is. Hij moedigt haar aan te blijven zoeken. We moeten blijven zoeken in het Woord van God (Js 34:1616Zoek het na in het boek van de HEERE en lees:
niet één van hen zal er ontbreken,
zij zullen elkaar niet missen,
want Mijn mond heeft het zelf geboden
en Zijn Geest Zelf zal hen bijeenbrengen.
)
.

Boaz heeft ook iets tegen de knechten gezegd. Hij heeft hun verboden om Ruth aan te raken. Het veld van Boaz wordt gekenmerkt door reinheid. Voor ons betekent het: Houd je handen thuis. Raak niets aan wat niet van jou is (1Th 4:3-83Want dit is [de] wil van God: uw heiliging, dat u zich onthoudt van de hoererij;4dat ieder van u zijn eigen vat weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid5(niet in begerige hartstocht, zoals de volken die God niet kennen)6[en] dat men zijn broeder geen onrecht aandoet en hem bedriegt in die zaak; want [de] Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en ernstig betuigd hebben.7Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging.8Daarom, wie dit veracht, veracht niet een mens, maar God, Die u <ook> Zijn Heilige Geest heeft gegeven.). Houd de verhoudingen zuiver. Houd jezelf rein.

In geestelijk opzicht is een toepassing dat zij die een dienst van de Heer Jezus te doen hebben gekregen, de gelovigen niet aan zichzelf mogen onderwerpen. Ze mogen de gelovigen niet lastigvallen door hen lasten op te leggen. In plaats daarvan heeft Hij Zijn dienaren een andere opdracht gegeven: ze moeten hun handen gebruiken om dorstige zielen te verkwikken. “Drinken van wat de knechten zullen scheppen”, wil zeggen dat we begerig luisteren naar gezond onderwijs uit het Woord door de gaven die de Heer Jezus heeft gegeven. Deze gaven zijn zelf eerst door het Woord verkwikt en hebben dat verzameld en kunnen het daarna doorgeven.

Ruth valt voor Boaz neer. Ze is onder de indruk van zijn genade. Dit genadebetoon komt voor haar onverwachts. We bidden om genade, en als we die krijgen, bewerkt dat verwondering. Het hart zegt tot de Heer Jezus: “Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u naar mij omziet, terwijl ik een buitenlandse ben?” Dan vertelt de Heer hoe Hij het waardeert als een hart uitgaat naar Zijn zegen. Hij beloont elk vertrouwen op Zijn genade alsof het een verdienste is. Wie tot Hem de toevlucht neemt, wordt beloond. Dat de Heer dit als verdienste aanmerkt, betekent niet dat er iets is waarop wij ons kunnen beroemen. Het is allemaal het gevolg van Zijn werk en genade.

Daarom spreekt Ruth over een betoonde gunst. Ze weet nog niet wat er allemaal nog meer gaat komen, maar haar houding maakt haar ervoor klaar dat meerdere te ontvangen. Ze zal krijgen boven bidden en boven denken.


Boaz vertelt wat hij van Ruth weet

11Boaz antwoordde en zei tegen haar: Het is mij allemaal verteld, alles wat u na de dood van uw man voor uw schoonmoeder gedaan hebt, en hoe u uw vader en uw moeder en uw geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat u voorheen niet kende. 12Moge de HEERE uw daad vergelden, en moge uw loon volkomen zijn van de HEERE, de God van Israël, onder Wiens vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen.

In zijn antwoord gaat Boaz niet op de genade in waarvan zij zo onder de indruk is gekomen. Hij spreekt alleen over wat zij heeft gedaan. Hij prijst haar toewijding. Uit het antwoord van Boaz blijkt dat zij geen vreemdeling voor hem is. Eerst vermeldt hij wat zij voor haar schoonmoeder heeft gedaan na de dood van haar man. De dood van haar man is voor Ruth niet de aanleiding geweest om in Moab een nieuwe echtgenoot te zoeken. In plaats daarvan heeft zij zich erop toegelegd er voor Naomi te zijn.

Ze is zich steeds meer aan Naomi gaan hechten. Dat zal ongetwijfeld zijn vanwege het geloof van Naomi dat ze, ondanks de zwakheid waarmee dat geloof in haar zichtbaar is geweest, toch bij haar heeft opgemerkt. Dat heeft in Ruth het verlangen naar de God van Naomi wakker gemaakt. Dit verlangen kan slechts op één manier gestild worden en dat is door haar lot aan dat van Naomi te verbinden.

Ruth was geen rusteloze plezierzoekster die van het ene feest naar het andere leefde. Ze zocht rust voor haar hart en ze voelde dat Naomi op de een of andere manier haar daarin kon helpen. Daarom verbond ze haar lot aan dat van Naomi en was ze met haar schoonmoeder meegegaan. Dat betekende dat zij haar ouderlijk huis, waarnaar ze na de dood van haar man terug had kunnen keren en waarheen ook Naomi haar had verwezen (Ru 1:88zei Naomi tegen haar twee schoondochters: Ga heen, keer terug, ieder naar het huis van haar moeder. Moge de HEERE jullie goedertierenheid bewijzen, zoals jullie die bewezen hebben aan hen die gestorven zijn, en aan mij.), de rug toekeerde. Ze heeft de natuurlijke banden doorgesneden om die nooit weer te herstellen. In haar zien we de praktijk van de woorden van de Heer Jezus: “Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard” (Mt 10:37a37Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard;).

Daarna spreekt Boaz erover wat ze heeft verlaten en waar ze naartoe is gegaan. Zo spreekt de Heer Jezus over iedere gelovige die onder de indruk van de genade is gekomen. Ook Abraham heeft eens het land verlaten en is, in geloof in wat God heeft gezegd, gegaan naar het land dat God hem zou wijzen. Ruth is een tweede Abraham, zij heeft hetzelfde gedaan. Bij haar is dat niet gebeurd vanwege geloof in een uitspraak van God, maar vanwege wat ze van Naomi over Hem heeft gehoord en in haar van Hem heeft gezien.

Boaz spreekt over vergelding en een “volkomen” beloning door de HEERE voor wat Ruth heeft gedaan. Hij vertelt haar waar haar geloof haar heeft gebracht en wat zij allemaal nog zal krijgen. Ze is komen schuilen onder de “vleugels” van de HEERE, de God van Israël. Wie dat doet, vindt niet alleen bescherming, maar nog zo heel veel meer. God beloont dit vertrouwen in Hem met rijke zegeningen.

Petrus vraagt aan de Heer Jezus wat hun deel zal zijn omdat zij alles hebben verlaten. De Heer spreekt in Zijn antwoord zelfs over een honderdvoudige zegen en het beërven van het eeuwige leven: “Toen antwoordde Petrus en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd; wat zal dan voor ons zijn? Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen. En ieder die heeft verlaten huizen, broers, zusters, vader, moeder, <vrouw,> kinderen of akkers ter wille van Mijn Naam, zal honderdvoudig ontvangen en eeuwig leven beërven” (Mt 19:27-2927Toen antwoordde Petrus en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd; wat zal dan voor ons zijn?28Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.29En ieder die heeft verlaten huizen, broers, zusters, vader, moeder, <vrouw,> kinderen of akkers ter wille van Mijn Naam, zal honderdvoudig ontvangen en eeuwig leven beërven.). De genade van God is zo groot, dat Hij een rijke beloning geeft aan hen die alles ter wille van Hem prijsgeven.


Reactie van Ruth op de goedheid van Boaz

13En zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, want u hebt mij getroost en u hebt naar het hart van uw dienares gesproken, hoewel ik niet ben als een van uw dienaressen.

Al deze woorden van genade maken grote indruk op Ruth. Het gaat haar als Mefiboseth die ook overweldigd wordt door de genade die David hem bewijst (2Sm 9:88Toen boog hij zich en zei: Wat is uw dienaar dat u aandacht schenkt aan een dode hond als ik ben?). Ze twijfelt niet aan zijn genade, nog minder weigert ze die, maar ze belijdt haar onwaardigheid. Ze voelt zich overweldigd door zijn gunst die als een vertroosting voor haar is.

Na alles wat ze heeft meegemaakt en achtergelaten, heeft ze daaraan behoefte. Haar hart heeft gezocht naar wat werkelijk rust geeft. In wat Boaz tegen haar zegt, voelt ze die rust naar binnen stromen. Dat maakt haar niet zelfbewust en zelfverzekerd, maar juist nederig en klein. Ze blijft zich bewust van haar afkomst. Als ze denkt aan de dienaressen van Boaz, wil ze zichzelf niet met hen vergelijken. Genade denkt altijd klein van zichzelf en acht de ander meer dan zichzelf.

Als wij ons onze afkomst vanuit de zonde bewust zijn, zullen we de gunst die God ons heeft bewezen bijzonder waarderen. Dat zal ons er ook voor bewaren dat we ons boven anderen plaatsen. We zullen juist anderen hoger achten dan onszelf (Fp 2:3b3[Doet] niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf;).


Boaz en Ruth eten samen

14Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen haar: Kom er hier bij en eet van het brood en doop uw stukje [brood] in de zure wijn. Zo zat zij neer naast de maaiers, en hij reikte haar geroosterd koren aan. En zij at en werd verzadigd en hield nog over.

De zegen wordt steeds groter, naar het beginsel dat “aan ieder die heeft, zal worden gegeven” (Mt 25:29a29Want aan ieder die heeft, zal worden gegeven en hij zal overvloedig hebben; van hem echter die niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden genomen.). Boaz nodigt haar uit bij hem en de maaiers te komen en mee te eten. Boaz is niet steeds druk bezig met al zijn knechten opdrachten te geven. Hij gunt hun ook hun rust. In die tijd nemen zij eten tot zich.

Bij al zijn bezigheden is het voor een dienaar van de Heer nodig om wat rust te nemen bij Hem (Mk 6:31a31En Hij zei tot hen: Komt uzelf [met Mij] afzonderlijk naar een woeste plaats en rust wat. Want er waren velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.) en te eten wat Hij geeft. Voordat zij verder gaan met hun dienst, moeten ze eerst zelf genoten hebben. Daarna kunnen ze ook weer uitdelen aan anderen.

Ruth gaat zitten. Dat is nodig om het voedsel in rust tot zich te nemen. De Heer beveelt de menigten ook eerst “te gaan zitten op het gras” om hun vervolgens het eten te geven (Mt 14:1919En nadat Hij de menigten had bevolen te gaan zitten op het gras, nam Hij de vijf broden en de twee vissen, keek op naar de hemel en zegende, en Hij brak de broden en gaf ze aan de discipelen, en de discipelen [gaven ze] aan de menigten.). Dan krijgt Ruth van Boaz persoonlijk het eten aangereikt, terwijl ze naast de maaiers zit. Een dienst voor de Heer geeft ons niet het recht op een plaats dichter bij Hem dan iemand die pas tot geloof is gekomen.

Voor Ruth heeft de maaltijd een speciale betekenis. Het is om zo te zeggen een stadium in haar geestelijke ontwikkeling. Zij wordt door Boaz betrokken in de gemeenschap met hem en zijn dienaren. Bij elke ontwikkeling hoort een maaltijd. Zo zien we dat bij Esther, die eerst genade krijgt en daarna een maaltijd heeft met de koning (Es 5:4-84Esther zei: Als het de koning goeddunkt, laat de koning [dan] vandaag met Haman naar de maaltijd komen die ik voor hem heb aangericht.6zei de koning tegen Esther bij het drinken van de wijn: Wat is uw vraag? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek? Het zal ingewilligd worden, al was het ook de helft van het koninkrijk.7Toen antwoordde Esther: Mijn vraag en mijn verzoek is:8Als ik genade heb gevonden in de ogen van de koning, en als het de koning goeddunkt op mijn vraag in te gaan en aan mijn verzoek te voldoen, laat dan de koning met Haman naar de maaltijd komen die ik voor hen zal aanrichten, en dan zal ik morgen doen overeenkomstig het woord van de koning.; 7:1-21Toen de koning met Haman gekomen was om met koningin Esther te drinken,2zei de koning ook op de tweede dag bij het drinken van de wijn tegen Esther: Wat is uw vraag, koningin Esther? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek? Het zal ingewilligd worden, al was het ook de helft van het koninkrijk.). We zien het ook bij de broers van Jozef (Gn 43:33-3433Zij zaten vóór hem: de eerstgeborene overeenkomstig zijn eerstgeboorterecht en de jongste overeenkomstig zijn jeugd, zodat de mannen onder elkaar verbijsterd waren.34En hij [liet] hun van de gerechten brengen die vóór hem stonden, maar het gerecht van Benjamin was vijf keer groter dan dat van hen allen. Zij dronken en werden dronken met hem.).

Ruth neemt haar plaats in tussen de maaiers en neemt uit de handen van Boaz aan wat hij voor haar heeft. Dit is een persoonlijke zegen voor haar, anders nog dan wat zij van de maaiers krijgt. Hij geeft haar “geroosterd koren”. Dit is het voedsel dat in de plaats van het manna is gekomen, nadat het volk Israël in het beloofde land is aangekomen (Jz 5:11-1211Zij aten de dag na het Pascha van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroosterd [graan], op diezelfde dag.12Het manna hield de volgende dag op, nadat zij van de opbrengst van het land gegeten hadden. En de Israëlieten hadden geen manna meer, maar zij aten in dat jaar van de opbrengst van het land Kanaän.). Het geroosterde koren is koren dat in het vuur is geweest. Het spreekt van de Heer Jezus Die in het vuur van Gods oordeel is geweest. Hij is in de dood geweest, maar ook opgestaan en geeft eeuwig leven aan ieder die gelooft. Dat wordt in beeld aan Ruth gegeven.

Ze moet het wel zelf in de zure wijn dopen. Het herinnert aan de zure wijn die de Heer Jezus wordt aangeboden tijdens Zijn lijden aan het kruis (Ps 69:2222Ja, zij hebben mij gal als mijn voedsel gegeven,
in mijn dorst hebben zij mij zure wijn laten drinken.
; Mt 27:4848En terstond liep een van hen snel toe en nam een spons, vulde die met zure wijn, stak ze op een rietstok en gaf Hem te drinken.)
. Dat spreekt er in beeld van dat zij bij het tot zich nemen van dit voedsel, eraan moet denken welk een lijden dit voor de Heer Jezus heeft betekend. Dan eet ze, wordt verzadigd en houdt over. We zien ook dat er over is als de Heer de menigte voedsel heeft gegeven (Mt 14:2020En zij aten allen en werden verzadigd. En zij namen het overschot van de brokken op, twaalf korven vol.). Zo handelt de genade. Er is altijd meer dan wat nodig is voor onze behoeften. Onze mogelijkheden om te ontvangen zijn altijd veel geringer dan Zijn mogelijkheden om te geven. Hij voorziet altijd naar Zijn rijkdom, en die rijkdom is onuitputtelijk.


De knechten krijgen een nieuwe opdracht

15Toen zij opstond om [weer aren] te gaan rapen, gebood Boaz zijn knechten: Laat haar ook tussen de schoven rapen en val haar niet lastig. 16Ja, laat ook opzettelijk voor haar wat vallen uit de bundels aren en laat het liggen, zodat zij het op kan rapen, en bestraf haar niet.

Nadat ze heeft gegeten en verzadigd is, gaat ze niet naar huis. Ze is door de betoonde genade niet lui geworden. Ze staat op en gaat verder met aren rapen. Ze blijft nederig bezig. Dat geeft Boaz de gelegenheid tot een tweede teken van zijn persoonlijke genegenheid. Zij hoeft niet aan de rand van het veld te blijven, maar mag “tussen de schoven rapen”.

Hij geeft zijn knechten opdracht extra voor haar te laten liggen. Zijn knechten maken niet zelf uit hoe ze met hongerige zielen moeten omgaan. Voor hen zou het ook gemakkelijker geweest zijn haar ineens een hele schoof te geven. Maar zij dienen Boaz graag en delen vanuit zijn genade aan anderen mee op de manier die hij aangeeft. Wat de Heer Jezus toebehoort, mogen wij in genade uitdelen aan anderen die midden in de zegeningen verblijven, zonder er recht op te laten gelden. De dienaren zijn er voor anderen.

Boaz geeft haar niet in de schoot wat hij haar wil geven. Het koren van Boaz is al aan haar toebedeeld, maar ze moet het zelf oprapen, ze moet er moeite voor doen om het tot zich te nemen. Het resultaat van de opgeraapte aren is dus niet alleen afhankelijk van haar ijver, maar ook en wel in de eerste plaats van de goedheid van Boaz. Zo mogen ook wij wel ijverig de Schrift onderzoeken, maar wat we er aan rijkdommen uit opdiepen, is het resultaat van de goedheid van de Heer Jezus. Alleen Zijn zegen maakt rijk (Sp 10:22a22De zegen van de HEERE, die maakt rijk,
Hij voegt er geen zwoegen aan toe.
)
.

Ruth zal zich dit teken van zijn liefde niet bewust zijn geweest, behalve als zij haar ogen ervoor open heeft gehad dat er toch wel heel veel aren op te rapen zijn. Ze zijn wel speciaal voor haar achtergelaten. De Heer heeft voor ieder van de Zijnen speciale aren, een speciaal teken van Zijn liefde dat Hij hun laat toekomen door middel van gehoorzame, trouwe dienaren.


De opbrengst

17Zo raapte zij [aren] op de akker tot de avond. En wat zij geraapt had, klopte ze uit. Het was ongeveer een efa gerst.

Ruth heeft verzameld, maar ze moet het ook uitkloppen. Koren kan niet groeien zonder stro. Stro is echter geen voedsel voor de mens. In toespraken en beschouwingen moet dikwijls ook stro zijn, zoals voorbeelden of herhaling, opdat goed wordt onthouden wat het bijbelgedeelte betekent. Daarbij komt ook nog de zwakheid van de uitdrukkingen die worden gebruikt of het soms mooier willen zeggen om indruk te maken. Al die menselijke elementen moeten worden verwijderd. Vaak nemen we juist die dingen uit een samenkomst mee naar huis en praten met elkaar over het stro en zo weinig of helemaal niet over het koren. We onthouden de gebrekkige of mooie vorm waarin iets is gezegd, terwijl we voorbijgaan aan de inhoud.

Ruth heeft geen belang bij stro. Ze slaat de gerst uit om dat mee naar huis te nemen, want daarin is alleen voedsel. In geestelijk opzicht betekent het dat we voor de Heer overwegen wat we hebben gelezen in Gods Woord en in ons hart opnemen wat het kan bevatten. Niet alles wat we horen of lezen, blijft bij ons achter. Het gaat om wat we uitkloppen. Er moet aan gewerkt worden en daarvoor moeten we ons inspannen. Dan kan, wat we hebben ingezameld, brood worden.

Ruth heeft aan het einde van de dag een efa gerst ingezameld. Een efa is tien gomer (Ex 16:3636Een gomer is een tiende van een efa.) en een gomer was in de woestijn de maaltijd manna voor één dag (Ex 16:16,2216Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft: Ieder moet ervan verzamelen naar wat hij eten [kan], een gomer per hoofd, naar het aantal van uw personen. Ieder moet [het] nemen voor hen die in zijn tent zijn.22Op de zesde dag gebeurde het dat zij een dubbele [hoeveelheid] brood verzamelden, twee gomers voor één [persoon]. Al de leiders van de gemeenschap kwamen dat aan Mozes vertellen.). Ruth heeft voor tien dagen eten verzameld. Dat neemt ze mee naar huis, waardoor ook anderen ermee gevoed kunnen worden.

Het uitkloppen wijst er ook op dat er nog meer werk moet worden gedaan om het volle profijt te hebben van wat ze heeft ingezameld. Het is te vergelijken met het ‘herkauwen’ – door reine dieren (Lv 11:33Alle [dieren] met gespleten hoeven, waarvan de hoef in tweeën gespleten is [en] die [bovendien] bij de dieren [horen die] herkauwen, die mag u eten.) – van wat we vanuit het Woord tot ons hebben genomen, bijvoorbeeld in een samenkomst of op een conferentie. Uitkloppen betekent biddend nadenken over wat we gelezen of gehoord hebben uit en over Gods Woord. Veel indrukken verdwijnen als rook, eenvoudig omdat we ze niet nader hebben overdacht.


Ruth laat Naomi delen in de zegen

18En zij pakte het op en kwam in de stad. Haar schoonmoeder zag wat zij geraapt had. Ook haalde zij tevoorschijn wat zij overgehouden had, toen ze genoeg gegeten had, en gaf het haar. 19Vervolgens zei haar schoonmoeder tegen haar: Waar heb je vandaag [aren] geraapt en waar heb je gewerkt? Moge hij die naar je omgezien heeft, gezegend worden. En zij vertelde haar schoonmoeder bij wie zij gewerkt had en zei: De naam van de man bij wie ik vandaag gewerkt heb, is Boaz.

Ruth neemt mee wat ze heeft ingezameld en uitgeklopt. Toch geeft ze niet daarvan aan Naomi. Ze geeft aan Naomi wat ze heeft overgehouden, nadat zij verzadigd is van wat ze van Boaz heeft gekregen (vers 1414Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen haar: Kom er hier bij en eet van het brood en doop uw stukje [brood] in de zure wijn. Zo zat zij neer naast de maaiers, en hij reikte haar geroosterd koren aan. En zij at en werd verzadigd en hield nog over.). De rijk geworden Ruth laat de nog arme Naomi delen in haar overvloed. Met wat wij persoonlijk van Christus in overvloed hebben ontvangen, kunnen we anderen voeden. Dat is niet alleen in de samenkomst, maar vooral ook in onze contacten als gelovigen onder elkaar.

Hoeveel hebben wij van de Heer Jezus genoten? Is dat zoveel dat we uit de overvloed ervan ook aan anderen kunnen geven? Vaak beperken onze contacten zich tot alledaagse gesprekken die we ook met onze ongelovige buren voeren. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, maar vaak is het wel het gevolg van armoede in geestelijke dingen, waardoor het niveau van de gesprekken niet hoger komt dan de aardse dingen.

Naomi ziet aan de grote hoeveelheid dat Ruth wel bijzonder gezegend is door een landbezitter. Naar aanleiding van de vruchten die ze ziet, vraagt Naomi waar ze is geweest. Mensen vragen aan ons, als ze zien wat we hebben en uitdelen, waar we geweest zijn. Van de Thessalonicenzen is in de hele omgeving bekend dat zij bij de Heer Jezus horen en voor Hem leven (1Th 1:88Want van u uit heeft het Woord van de Heer weerklonken, niet alleen in Macedonië en in Achaje, maar in elke plaats is uw geloof jegens God uitgegaan, zodat wij daarvan niets hoeven te zeggen;). Als we veel tijd besteden aan tv kijken en surfen op internet, als we op die ‘velden’ bezig zijn geweest, hebben we niets opgelezen van de ‘akker’ van Gods Woord en kunnen we ook niets uitdelen. Ik neem mee naar de samenkomst, waar ik ben geweest en waarmee ik ben bezig geweest.

Als antwoord op de vraag van Naomi noemt Ruth niet de plaats waar ze heeft gewerkt, maar de naam van de man bij wie ze heeft gewerkt: Boaz. Het betekent voor Ruth nog iets speciaals, behalve dat het een vriendelijke man is die haar rijk heeft gezegend. Ze kent nu zijn naam, die naam met de mooie betekenis ‘in hem is sterkte’. Er is groei in haar geestelijke ontwikkeling. Zo is het ook met iemand die pas tot geloof is gekomen. Eerst is hij blij met de vergeving van zijn zonden, dan wordt hij blij met de Verlosser door Hem meer persoonlijk te leren kennen, door meer de betekenis van de Naam ‘Jezus’ (betekent ‘in Hem is behoudenis’) te gaan ontdekken.


Naomi herkent in Boaz een van de lossers

20Toen zei Naomi tegen haar schoondochter: Moge hij, die zijn goedertierenheid niet onthouden heeft aan de levenden en aan de doden, gezegend worden door de HEERE. Verder zei Naomi tegen haar: Die man is nauw aan ons verwant, hij is een van onze lossers.

Voor Naomi is de naam van Boaz een nieuwe lichtstraal in haar donkere omstandigheden. In haar hopeloze situatie wordt ze ineens herinnerd aan Boaz, de bloedverwant, de losser. Ze had moeten weten dat in hem verlossing is, maar ze is hem vergeten. God zorgt ervoor dat ze toch weer met hem in contact komt. Het noemen van de naam opent voor haar ineens de zegen van de HEERE.

Ruth heeft het geloof, Naomi heeft de kennis. Naomi ziet de goedheid van de HEERE voor de doden, dat er nageslacht kan komen en daardoor goedheid voor de levenden. Zijn goedheid voor de doden betekent dat alles wat Hij heeft beloofd, door Hem zal worden vervuld aan hun nageslacht. Dat zal Hij doen door de Losser. Zodra het oog op Hem wordt gericht, verschijnt de hoop met alle zegen.

Het woord ‘losser’ komt uit het familierecht. In het woord zit de betekenis van terugeisen, loskopen, vrijmaken, verlossen. De persoon van de losser komt in vier betrekkingen voor:

1. De losser mag een grondstuk terugeisen, hij mag dat vrijkopen van iemand die het heeft gekocht van de oorspronkelijke eigenaar (Lv 25:2525Wanneer uw broeder in armoede raakt en [een deel] van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn losser komen die nauw aan hem verwant is, en vrijkopen wat zijn broeder heeft verkocht.). Zo zal het grondbezit worden vrijgekocht (Js 63:16-1816Toch bent U onze Vader,
want Abraham weet van ons niet
en Israël kent ons niet.
U, HEERE, bent onze Vader;
onze Verlosser van oude tijden af is Uw Naam.
17HEERE, waarom doet U ons afdwalen van Uw wegen?
[Waarom] verhardt U ons hart, zodat wij U niet vrezen?
Keer terug omwille van Uw dienaren,
de stammen van Uw eigendom.
18[Slechts] korte tijd heeft Uw heilig volk [het] in bezit gehad.
Onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertrapt.
)
in verbinding met het overblijfsel, dat weer in het bezit van het erfdeel wordt gesteld.

2. Er is ook sprake van het lossen van mensen die zichzelf hebben verkocht uit armoede (Lv 25:48-4948dan geldt voor hem het recht op loskoping, nadat hij zich heeft verkocht. Een van zijn broers mag hem vrijkopen,49of zijn oom of een zoon van zijn oom mag hem vrijkopen, of [een] van zijn naaste bloedverwanten, uit zijn [eigen] familie, mag hem vrijkopen, of hij mag zichzelf vrijkopen [als] zijn [eigen] vermogen toereikend is.). Zij kunnen ook worden losgekocht (Js 43:11Maar nu, zo zegt de HEERE,
uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:
Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
; 51:1111Zo zullen wie door de HEERE zijn vrijgekocht, terugkeren
en met gejuich in Sion komen.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.
)
. God koopt Zijn volk terug uit alle volken van de aarde.

3. De losser lost ook schuld in. We zien dat bij de bloedwreker (Nm 35:16-2716Maar als hij hem met een ijzeren voorwerp geslagen heeft, zodat hij stierf, dan is hij een moordenaar; degene die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden.17Ook als hij hem geslagen heeft met een steen [in] de hand, waardoor hij zou kunnen sterven, en hij stierf, [dan] is hij een moordenaar; degene die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden.18Of als hij hem heeft geslagen met een houten voorwerp [in] de hand, waardoor hij zou kunnen sterven, en hij stierf, [dan] is hij een moordenaar; hij die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden.19De bloedwreker, díe moet hem die een doodslag begaan heeft, doden; als hij hem aantreft, mag híj hem doden.20Ook als hij hem uit haat een duw heeft gegeven, of met opzet [iets] naar hem toe heeft gegooid, zodat hij stierf;21of wanneer hij hem uit vijandschap met zijn hand [zo] geslagen heeft, dat hij stierf, moet degene die [hem] geslagen heeft, zeker gedood worden: hij is een moordenaar. De bloedwreker mag degene die een doodslag begaan heeft, doden als hij hem aantreft.22Maar als hij hem onverwachts zonder vijandschap een duw gegeven heeft, of zonder opzet welk voorwerp dan ook naar hem toe gegooid heeft,23of zonder het te zien een of andere steen, waardoor men zou kunnen sterven, op hem heeft laten vallen, zodat hij stierf, terwijl hij geen vijand van hem was en niet zijn onheil zocht,24dan moet de gemeenschap overeenkomstig deze bepalingen oordelen tussen hem die een doodslag begaan heeft, en de bloedwreker.25De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloedwreker, en de gemeenschap moet hem laten terugkeren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.26Maar als hij die een doodslag begaan heeft, de grens van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was, ook maar even overschrijdt,27en de bloedwreker vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad, dan mag de bloedwreker hem die een doodslag begaan heeft, doden; [dan] is het voor hem geen bloedschuld.), dat is letterlijk bloedlosser. Wat lost hij? Hij lost de schuld in door de doder te doden (Js 47:3-43Uw schaamte zal ontbloot worden,
ja, uw schande zal gezien worden.
Ik zal wraak nemen,
en Ik zal [u] niet [als] een mens aanvallen.
4Onze Verlosser,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
de Heilige van Israël.
)
.

4. De losser is ook degene die de vrouw van zijn broer van de kinderloosheid lost – het zwagerhuwelijk (Dt 25:5-65Wanneer broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag de vrouw van de gestorvene niet [de vrouw] van een vreemde man buiten [de familie] worden. Haar zwager moet bij haar komen en haar voor zichzelf tot vrouw nemen, en [zo zijn] zwagerplicht tegenover haar vervullen.6En het moet [zó] zijn dat het eerste kind dat zij baart, op naam van zijn gestorven broer zal staan, zodat diens naam niet uit Israël wordt uitgewist.). Boaz zal Ruth lossen (Ru 3:1313Overnacht vannacht hier. Als het [morgen]ochtend gebeurt dat hij u lost, goed, laat hem lossen. Als hij echter niet geneigd is u te lossen, dan zal ík u lossen, [zo waar] de HEERE leeft. Ga nu [maar] liggen tot de morgen.). Hij zal niet iets voor of ten behoeve van Ruth lossen, het erfdeel, maar haarzelf. Daardoor wordt hij zowel haar losser als haar man. Dit zijn ook de verhoudingen waarin de HEERE tot Zijn volk staat (Js 54:55Want uw Maker is uw Man,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
en uw Verlosser is de Heilige van Israël,
de God van heel de aarde zal Hij genoemd worden.
)
.

Voor Naomi is Boaz nog “een van onze lossers”, nog niet dé losser. Daarmee lijkt ze nog op de mensen die wel een hoge waardering van de Heer Jezus hebben, maar voor wie Hij nog niet de unieke Verlosser is (vgl. Mt 16:13b-1413Toen nu Jezus gekomen was in de streken van Caesaréa-Filippi, vroeg Hij Zijn discipelen aldus: Wie zeggen de mensen dat de Zoon des mensen is?14Zij nu zeiden: Sommigen: Johannes de doper; en anderen: Elia; en weer anderen: Jeremia of een van de profeten.). Maar ze is op de goede weg.


Ruth blijft op het veld van Boaz werken

21En Ruth, de Moabitische, zei: Bovendien heeft hij tegen mij gezegd: U moet dicht bij mijn knechten blijven, totdat zij met heel mijn oogst klaar zijn. 22Naomi zei tegen haar schoondochter Ruth: Het is goed, mijn dochter, dat je met de meisjes [die voor] hem [werken] meegaat, zodat ze je op een andere akker niet lastigvallen. 23Zo bleef zij dicht bij de meisjes van Boaz om [aren] te rapen, tot de gersteoogst en de tarweoogst voorbij waren. En zij bleef bij haar schoonmoeder.

Boaz heeft Ruth overweldigd met de geweldige toezegging dat zij tot het einde van de oogst op zijn land mag zijn bij zijn knechten. De knechten zijn zíjn knechten en het land is zíjn land. Alles is van Boaz.

De gedachten van Ruth gaan nog niet verder dan dat zij elke dag op zijn veld mag zijn. Maar Naomi ziet Ruth al als vrouw van Boaz. Haar geloof en hoop zijn wakker geworden. Naomi past zich bij Ruth aan, omdat Ruth nog niet van een losser weet. De liefde kan niet worden gedwongen; ook het herstel kan niet worden afgedwongen. Liefde moet zijn eigen natuurlijke ontwikkeling hebben. Zo moet Ruth daar elke dag op het veld zijn om Boaz elke dag te ontmoeten.

De periode dat ze op het veld van Boaz werkt, zal vijftig dagen duren, van het begin van de gersteoogst (Ru 1:2222Zo keerde Naomi terug, en met haar Ruth, de Moabitische, haar schoondochter. Zij keerde uit de vlakten van Moab terug. En zij kwamen in Bethlehem, aan het begin van de gersteoogst.) tot “de gersteoogst en de tarweoogst voorbij waren”. Als de tarweoogst voorbij is, is het Wekenfeest of Pinksterfeest (Ex 34:2222Ook moet u voor uzelf het Wekenfeest houden, [dat is het feest bij] de eerste vruchten van de tarweoogst; en [ook] het Feest van de inzameling, bij de jaarwisseling.; Lv 23:15-2115U moet dan vanaf de dag na de sabbat [gaan] tellen, vanaf de dag dat u de schoof van het beweegoffer gebracht hebt. Zeven volle weken zullen het zijn.16Tot de dag na de zevende sabbat moet u vijftig dagen tellen. Dan moet u de HEERE een nieuw graanoffer aanbieden.17Uit uw woongebieden moet u twee broden meebrengen, [bestemd voor] een beweegoffer. Ze moeten van twee tiende [efa] meelbloem zijn, met zuurdeeg gebakken; het zijn de eerstelingen voor de HEERE.18U moet dan [samen] met het brood zeven lammeren zonder enig gebrek van een jaar oud, en één jonge stier – het jong van een rund – en twee rammen aanbieden. Ze zijn een brandoffer voor de HEERE, met het bijbehorende graanoffer en de bijbehorende plengoffers, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.19Verder moet u één geitenbok als zondoffer en twee lammeren van een jaar oud als dankoffer bereiden.20De priester moet ze met het brood van de eerstelingen als beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE bewegen, met de twee lammeren. Ze zijn een heilige [gave] voor de HEERE, [bestemd] voor de priester.21U moet op diezelfde dag uitroepen [dat] u een heilige samenkomst hebt. U mag geen enkel dienstwerk doen. Het is een eeuwige verordening, in al uw woongebieden, [al] uw generaties door.; Dt 16:9-129Zeven weken moet u voor uzelf aftellen. U moet de zeven weken beginnen te tellen vanaf [het moment] dat men met de sikkel begint [te oogsten] in het staande koren.10Daarna moet u het Wekenfeest houden voor de HEERE, uw God. Wat u geven moet, is een vrijwillige gave van uw hand, naar de mate waarin de HEERE, uw God, u zegent.11En u moet u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, de Leviet die binnen uw poorten is, en de vreemdeling, de wees en de weduwe die in uw midden zijn, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.12En u moet gedenken dat u een slaaf geweest bent in Egypte en deze verordeningen in acht nemen en houden.). Ruth 2 speelt zich dan ook af tussen het Pascha en het Wekenfeest, dat wil zeggen in een periode van zeven weken. We kunnen wel aannemen dat gedurende die tijd Boaz en Ruth elke dag samen hebben gegeten, in bijzijn van anderen. Zo hebben ze elkaar op een ongedwongen en praktische manier beter leren kennen.

Ruth heeft het goede gezelschap steeds gezocht, waardoor ze zich van de zegen verzekerde. Ruth is niet alleen goed begonnen, ze is ook goed doorgegaan, tot het eind van de oogst. Volharding is een belangrijke eigenschap voor een gelovige. Tevens blijft ze bij haar schoonmoeder wonen. Ze blijft trouw aan wat Naomi heeft gezegd, zolang ze geen andere aanwijzing van haar krijgt.


Lees verder