Efeziërs
1-2 Afzender, geadresseerden, zegenwens 3 Geestelijke zegening 4 Uitverkoren 5-6 Tevoren bestemd 7-9 De verborgenheid van Gods wil 10-12 Alles onder één Hoofd 13-14 Verzegeld met de Heilige Geest 15-17 Geloof en liefde, wijsheid en openbaring 18-20 Gods roeping, erfenis en kracht 21-23 De gemeente, Christus’ lichaam
Afzender, geadresseerden, zegenwens

1Paulus, apostel van Christus Jezus door [de] wil van God, aan de heiligen en getrouwen in Christus Jezus die <in Efeze> zijn: 2genade zij u en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Christus.

V11Paulus, apostel van Christus Jezus door [de] wil van God, aan de heiligen en getrouwen in Christus Jezus die <in Efeze> zijn:. Evenals in de vier voorgaande brieven stelt Paulus zich hier als “apostel” voor. En net als in de tweede brief aan de Korinthiërs zegt hij erbij dat hij dat is “van Christus Jezus door [de] wil van God”. In enkele brieven noemt hij nog iemand anders als afzender. Hier doet hij dat niet. God heeft aan Paulus, en aan hem alleen, de verborgenheid van de eenheid tussen Christus en de gemeente bekendgemaakt. Met het oog op het doel van deze brief moet direct duidelijk zijn vanuit welke positie Paulus spreekt. Daarom stelt hij zich voor als apostel, wat ‘gezondene’ betekent. Gezondene wil zeggen dat hij namens Iemand anders komt, een Meerdere, en dat hij komt met een boodschap van die Meerdere.

Hij is een apostel van Christus Jezus, Die is zijn Zender. Voor de uitoefening van zijn apostelschap is zijn oog voortdurend gericht op Christus Jezus. Door Hem, Die als verheerlijkte Mens in de hemel is, is hij ook tot apostel geroepen (Hd 9:1-181Terwijl nu Saulus nog steeds dreiging en moord blies tegen de discipelen van de Heer, ging hij naar de hogepriester2en vroeg hem om brieven naar Damascus, voor de synagogen, om, als hij er vond die van de Weg waren, zowel mannen als vrouwen geboeid naar Jeruzalem te brengen.3Terwijl hij echter reisde, gebeurde het dat hij Damascus naderde; en plotseling omstraalde hem een licht uit de hemel;4en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?5En hij zei: Wie bent U, Heer? En hij zei: Ik ben Jezus, Die jij vervolgt.6Maar sta op en ga de stad binnen en er zal tot je gesproken worden wat je moet doen.7De mannen nu die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen.8Saulus nu stond op van de grond; en hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem in Damascus.9En hij kon drie dagen niet zien en hij at en hij dronk niet.10Nu was er een discipel in Damascus, genaamd Ananias; en de Heer zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, [hier] ben ik, Heer.11En de Heer zei tot hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt.12En hij heeft <in een gezicht> gezien dat een man, genaamd Ananias, binnenkwam en hem <de> handen oplegde, opdat hij weer kon zien.13Ananias echter antwoordde: Heer, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan;14en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen die Uw Naam aanroepen te boeien.15De Heer zei echter tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël;16want Ik zal hem tonen hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam.17Ananias nu ging en kwam het huis binnen; en hij legde hem de handen op en zei: Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u kwam, opdat u weer kunt zien en met [de] Heilige Geest vervuld wordt.18En terstond vielen hem als het ware schubben van de ogen en hij kon weer zien; en hij stond op en werd gedoopt.). De oorsprong van zijn apostelschap ligt in de “wil van God” en niet in de wil van zichzelf of van welke andere mens dan ook. Menselijke aanstelling is uitgesloten. Gód wilde Paulus als apostel gaan gebruiken. En wat God wil, dat gebeurt ook. Paulus’ volmacht als apostel is als het ware voorzien van de handtekeningen van Christus Jezus en van God. Wat Paulus schrijft, is daarom ook met het gezag van twee Goddelijke Personen bekleed.

Nog even iets over het apostelschap van Paulus. Er is een verschil tussen zijn apostelschap en dat van de twaalf. Het onderscheid ligt zowel in de roeping als in de uitoefening. De twaalf zijn geroepen door de Heer Jezus toen Hij op aarde was (Lk 6:1313En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde:). Paulus is geroepen door de verheerlijkte Heer in de hemel (Hd 26:16-1816Maar sta op en ga op je voeten staan; want daartoe ben Ik je verschenen, om je voor te bestemmen tot een dienaar en getuige zowel van wat je <van Mij> hebt gezien als van dat waarin Ik je zal verschijnen,17terwijl Ik je wegneem uit het volk en uit de volken, tot welke Ik je zend om hun ogen te openen,18opdat zij zich bekeren van [de] duisternis tot [het] licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij.). Aan hem is het apostelschap onder de volken en aan de twaalf dat onder het volk Israël toevertrouwd (Gl 2:88(want Hij Die in Petrus werkte tot [het] apostelschap van de besnedenen, werkte ook in mij onder de volken),). Paulus’ roeping door de verheerlijkte Heer in de hemel maakt ook het karakter van zijn dienst duidelijk. Die is er namelijk op gericht aan de gemeente te vertellen wat haar verbinding is met Christus in de hemel. Zoals al is opgemerkt, gaat het in deze brief daarom.

Na de afzender horen we over de geadresseerden. Er staat niet zomaar ‘aan de gemeente in Efeze’. Er staat veel meer. De gelovigen daar worden aangesproken als “heiligen en getrouwen”. Dat zegt veel over hun leven als gelovigen en over de geestelijke toestand waarin de gemeente in Efeze verkeert. Die geestelijke toestand is belangrijk voor wat Paulus gaat schrijven. Zou Paulus, als hij hen had moeten aanspreken als ‘vleselijken’ (1Ko 3:11En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot kleine kinderen in Christus.), over zulke verheven zegeningen tot hen hebben kunnen spreken? Als hij de diepgaande waarheden die hij aan de Efeziërs schrijft, aan de Korinthiërs had geschreven, waren er twee reacties mogelijk geweest:
1. of ze hadden eenvoudig niet begrepen waar Paulus het over had en het afgedaan als gepraat van een man die met zijn hoofd in de wolken liep,
2. of als ze wel verstandelijk hadden begrepen waar Paulus het over had, waren ze er vast nog trotser door geworden. Ze beroemden zich al op zoveel gaven en daar kwamen die zegeningen ook nog bij.

Hierdoor zie je dat elke gemeente een brief krijgt die aansluit op de geestelijke toestand waarin ze verkeert. Die toestand wordt bepaald door het gedrag, de houding en de gezindheid van de individuele leden van de gemeente. Daarom is dit ook van toepassing op jou en mij als individuele christenen. Om het volle genot te kunnen hebben van de heerlijke dingen die Paulus in deze brief ontvouwt, zullen jij en ik in een geestelijke toestand moeten zijn die de kwalificatie ‘heiligen en getrouwen’ rechtvaardigt.

In het geval van de Efeziërs geven deze kenmerken treffend de toestand weer die noodzakelijk is om de mededelingen in deze brief niet alleen te kunnen ontvangen, maar ze ook te begrijpen, ervan te genieten en God ervoor te aanbidden. Ook zal de leer van de brief de praktijk van hun geloofsleven verder vorm geven.

De kwalificatie “heiligen” geeft aan dat de gelovigen in Efeze voor God zijn afgezonderd. In principe geldt van ieder kind van God dat het geheiligd is, dat wil zeggen dat het door en voor God apart is gezet van de ongelovige wereld. Bij de Efeziërs is dat niet alleen een positie, maar is ook in hun dagelijkse leven duidelijk te zien dat zij voor God afgezonderd zijn. Ze doen niet met de wereld mee, maar zijn er duidelijk van onderscheiden.

De kwalificatie ”getrouwen” toont aan dat zij trouw zijn aan God en de Heer Jezus. Ze wijken niet af van de weg die God wil dat ze gaan. Het Griekse woord voor ‘getrouwen’ kan ook worden vertaald met ‘gelovigen’. De gelovigen in Efeze zijn trouw en daarom kan Paulus hun deze brief schrijven.

Ook de toevoeging “in Christus Jezus” is van belang. Hiermee wordt aangegeven dat hun heilige en trouwe leven verankerd is in de positie die zij in Christus Jezus bezitten. Het gaat niet om hen, maar om Hem. Vaak komen in de brief uitdrukkingen als “in Hem” en “in Christus” voor. In dit hoofdstuk kom je ze al acht keer tegen. Het is de moeite waard dat zelf eens na te gaan.

De brief is geschreven aan de gemeente “in Efeze”. In Handelingen 18-20 kun je heel wat lezen over deze stad. Paulus heeft er het evangelie gepredikt. Hij is er drie jaar geweest (Hd 20:3131Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.) en heeft er veel tegenstand ondervonden (Hd 19:23-3123Omstreeks die tijd nu ontstond er een niet geringe opschudding over de Weg.24Want iemand genaamd Demétrius, een zilversmid die zilveren tempels van Artemis maakte, bracht de kunstenaars niet weinig winst aan.25En hij riep hen bijeen alsook de werklieden in dat bedrijf en zei: Mannen, u weet dat wij aan deze winst onze welvaart danken;26en u ziet en hoort, dat deze Paulus een aanzienlijke menigte, niet alleen van Efeze maar bijna van heel Asia, heeft overreed en afkerig gemaakt door te zeggen dat [goden] die met handen worden gemaakt, geen goden zijn.27Nu is er niet alleen gevaar voor ons dat deze bedrijfstak in een kwade reuk komt, maar ook dat de tempel van de grote godin Artemis als niets wordt geteld en dat ook haar majesteit zal ten onder gaan, die door heel Asia en het aardrijk wordt vereerd.28Toen zij nu dit hoorden en met toorn werden vervuld, schreeuwden zij aldus: Groot is de Artemis van [de] Efeziërs!29En de stad raakte vol van de verwarring en zij stormden eendrachtig naar het theater en sleurden Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, reisgenoten van Paulus mee.30Toen nu Paulus zich onder het volk wilde begeven, lieten de discipelen het hem niet toe.31En ook sommigen van de oversten van Asia, die zijn vrienden waren, zonden [een boodschap] naar hem en drongen erop aan zich niet in het theater te begeven.). Als hij vertrokken is, laat hij die gemeente niet aan haar lot over. Hij besteedt nazorg door middel van Timotheüs (1Tm 1:33Blijf, zoals ik je toen ik naar Macedonië reisde aangespoord heb, nog in Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen) en als deze er niet langer kan zijn, stuurt hij Tychicus (2Tm 4:1212Tychicus nu heb ik naar Efeze gezonden.).

Hij heeft ook meegemaakt hoe de gemeente in Efeze uiteindelijk is afgeweken van het leven in overeenstemming met haar bijzondere voorrechten. Hij heeft er persoonlijk de pijn van gevoeld, want onder hen die in Asia zijn en die zich van hem hebben afgewend, zijn ook de gelovigen in Efeze (2Tm 1:1515Dit weet je, dat allen die in Asia zijn zich van mij hebben afgewend, onder wie Fýgelus en Hermógenes zijn.).

De laatste vermelding van Efeze treffen we aan in de zendbrief van de apostel Johannes in Openbaring 2 (Op 2:1-71Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in [het] midden van de zeven gouden kandelaars wandelt:2Ik weet uw werken en uw arbeid en uw volharding en dat u de bozen niet kunt verdragen; en u hebt op de proef gesteld hen die zeggen dat zij apostelen zijn en het niet zijn, en hebt hen leugenaars bevonden;3en u hebt volharding en hebt verdragen ter wille van Mijn Naam en u bent niet moe geworden.4Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.5Bedenk dan waarvan u afgevallen bent en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, Ik kom tot u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert.6Maar dit hebt u, dat u de werken van de Nicolaïeten haat, die ook Ik haat.7Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is.). Wat Johannes daar schrijft, laat zien waarmee het verval is begonnen, het verval dat zich door de eeuwen heen in de christelijke kerk zou voltrekken en zich nu bijna voltrokken heeft. Het sluit aan op wat Paulus heeft voorzien en waarvoor hij de gemeente in Efeze heeft gewaarschuwd in Handelingen 20 (Hd 20:29-3029Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.).

V22genade zij u en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Christus.. Hij moet dat voor ogen hebben gehad als hij de heiligen en getrouwen “genade” en “vrede” toewenst. Niet zomaar genade en vrede, maar “genade … en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Christus”. In Handelingen 20 heeft hij hen ook al toevertrouwd aan “God en het Woord van Zijn genade” (Hd 20:3232En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.). Hij weet dat de toekomst er niet rooskleurig uitziet als het gaat om het vasthouden van de heerlijke zegeningen die in deze brief naar voren komen. Maar wat een bemoediging, ook voor jou en mij, dat de genade altijd overvloedig aanwezig zal zijn.

Als je leeft in een levende verbinding met God als Vader en met Jezus als Heer en Christus, mag je weten door die genade omgeven te zijn. Het gevolg is dat je vrede in je hart ervaart, waarmee je door de donkerste tijd heen kunt gaan. De brief begint én eindigt met genade en vrede (Ef 6:23-2423Vrede zij de broeders en liefde met geloof, van God [de] Vader en van [de] Heer Jezus Christus.24De genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus in onvergankelijkheid liefhebben.). Is het niet mooi om te zien dat de hele inhoud van deze brief dus als het ware tussen ‘genade en vrede’ ingeklemd zit?

Lees nog eens Efeziërs 1:1-2.

Verwerking: Wat zeggen ‘genade’ en ‘vrede’ jou?


Geestelijke zegening

3Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,

V33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,. Hier begint een lange zin die helemaal doorloopt tot en met vers 1414Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.. Vanaf vers 33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus, komt er één ononderbroken stroom van zegeningen over je heen. Het is net alsof Paulus pas na vers 1414Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid. stopt om adem te halen. In dit gedeelte lees je over de bron, het middelpunt, het gebied, de aard, het begin en het doel van al die zegeningen.

Dit gedeelte laat zich in drie delen onderverdelen. Elk deel sluit af met een lofprijzing op Gods heerlijkheid (verzen 6,12,146tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.):
1. Het eerste deel, dat sluit met vers 66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,, gaat over de wil van God (verzen 3-63Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,);
2. In het tweede deel, dat sluit met vers 1212opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;, staat het werk van de Zoon centraal (verzen 7-127in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,8waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;9daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,10dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;);
3. Het derde deel, dat sluit met vers 1414Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid., handelt over de Heilige Geest (verzen 13-1413in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.).
Je ziet dat de drie Personen van de Godheid bij de zegeningen van de christen betrokken zijn.

Als Paulus na de inleidende woorden (verzen 1-21Paulus, apostel van Christus Jezus door [de] wil van God, aan de heiligen en getrouwen in Christus Jezus die <in Efeze> zijn:2genade zij u en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Christus.) wil gaan schrijven over de zegeningen van de christen, stijgt er eerst een lofprijzing tot God uit zijn hart op. Hij is diep onder de indruk van alles wat hij – en iedere christen – van God heeft gekregen. Daarvoor looft en eert hij God. Wat een prachtig begin! Met het “gezegend” dat hij uitspreekt, wil hij tot uiting brengen dat van God alleen goede dingen te zeggen zijn. Zegenen betekent namelijk ‘ten goede zeggen’.

Hij noemt God hier “de God en Vader van onze Heer Jezus Christus”. God wordt hier dus gezien als God en als Vader. Het zijn de twee betrekkingen waarin Hij tot Zijn Zoon staat. Het zijn ook de twee betrekkingen waarin Hij tot de gelovige staat. Hij is ook de God en Vader van ieder van Zijn kinderen. De Zoon is “onze Heer Jezus Christus”. Paulus noemt Hem bij Zijn volle naam:
1. Hij is “Heer”, Hij heeft alle gezag.
2. Hij is “Jezus”, dat is de naam die Hij kreeg, toen Hij geboren werd (Mt 1:2121Zij nu zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk behouden van hun zonden.) en die Zijn vernedering en nederigheid aangeeft.
3. Hij is “Christus”, dat is ‘Gezalfde’. Die naam drukt uit dat God in Hem al Zijn raadsbesluiten gaat vervullen, terwijl Christus daarin Zelf de centrale plaats inneemt.

De beide namen waarmee God wordt genoemd, zien op Zijn verhouding tot de Heer Jezus. Voor de Heer Jezus als Mens is Hij God. Hij noemt Hem op aarde ‘Mijn God’. Voor Hem als de eeuwige Zoon is Hij Vader. In Johannes 20 noemt de Heer beide namen en Hij verbindt de discipelen met Zich als Hij zegt: “Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, naar Mijn God en uw God” (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.). Met het noemen van deze namen wijst Hij in de kiem op de specifiek christelijke zegeningen die hieruit voortvloeien.

Deze namen van God, verbonden met Zijn Zoon, vormen het uitgangspunt voor de brief die we nu voor ons hebben. Onze zegeningen houden verband met deze twee namen. De God en Vader van onze Heer Jezus Christus is de absolute bron van al onze zegeningen.

Met deze naam hebben de gelovigen van het Oude Testament God niet gekend. Toen was er ook nog geen sprake van een opgestane en verheerlijkte Heer, en met Hem in die positie staan de zegeningen van deze brief in verbinding. De opgestane en door God verheerlijkte Heer is het middelpunt ervan. En wij hebben er deel aan gekregen door onze verbinding met zowel God de Vader als met de Heer Jezus Christus. We hebben er deel aan gekregen omdat die zegeningen ons niet alleen beloofd zijn, maar ook al in ons bezit zijn. Er staat niet dat God ons ermee wil zegenen, maar dat Hij ons ermee heeft gezegend.

We kunnen nu gaan kijken naar de aard van die zegeningen. Er staat dat het “geestelijke zegening” betreft. Wat dat inhoudt, wordt duidelijk als we een vergelijking maken met de zegeningen van Israël. Als Israël gehoorzaam was, zou het mogen rekenen op zegeningen die ze van het land en uit de bodem konden halen (Dt 8:7-107Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;8een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing;9een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en [waarin] u uit zijn bergen koper kunt hakken.10Als u dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan de HEERE, uw God, voor het goede land dat Hij u gegeven heeft.). Hun zegeningen zijn onder voorwaarde beloofd en ze zijn stoffelijk, materieel. Je kunt ze met je handen vatten.

De zegen van de christen is geestelijk. Die zegen kun je niet met je handen vatten; die kun je alleen op een geestelijke wijze ‘vatten’, namelijk met je hart (verzen 17-1817opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem,18verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,). Aan het verkrijgen ervan is ook geen voorwaarde verbonden. ‘De geestelijke zegen’ is het onvoorwaardelijke deel van iedere christen. Even ter herinnering: Wat wel als voorwaarde is gesteld, is dat ze alleen te genieten is door ‘heiligen en getrouwen’ (vers 11Paulus, apostel van Christus Jezus door [de] wil van God, aan de heiligen en getrouwen in Christus Jezus die <in Efeze> zijn:).

De vergelijking met Israël is ook verduidelijkend als het gaat om het gebied waar de zegen te vinden is. De zegen van Israël bevond zich op aarde, waar ze met hun voeten stonden (Jz 1:33Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven, overeenkomstig wat Ik tot Mozes gesproken heb.). Die van de christen bevindt zich “in de hemelse [gewesten]”, met de nadere specificatie “in Christus”. Die toevoeging vormt de kern van alle ontvangen zegeningen. Geen enkele zegen is ons geschonken buiten Christus om.

Voor God en de Vader is alles verbonden met Hem, de Man van Zijn welbehagen, Die Zijn hele wil heeft volbracht. Alles wat een almachtig God maar kon bedenken om als beloning te geven voor wat de Heer Jezus heeft gedaan, heeft God Hem gegeven (Mt 11:27a27Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.; Jh 3:3535De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in Zijn hand gegeven.; 13:33stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op). Het grote wonder van de genade is nu dat ieder die in Hem gelooft (vers 1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,), deelt in wat Hij heeft gekregen (Jh 17:22,2622En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven, opdat zij een zijn zoals Wij een zijn:26En Ik heb hun Uw Naam bekendgemaakt en zal die bekendmaken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is en Ik in hen.).

Er is nog een woord waar ik op wil wijzen voor we naar het volgende vers gaan en dat is het woord “alle”. Je kunt uit het voorgaande wel de conclusie trekken dat God geen enkele zegen achtergehouden heeft, maar dit ‘alle’ legt er nog eens de nadruk op. Een volheid van zegen is het deel van ieder die ‘in Christus’ is. Dat het om een volheid gaat, kun je ook zien aan het woord ‘zegening’, dat enkelvoud is.

Die volheid van zegen kun je ook zó samenvatten: het eeuwige leven. Ieder die gelooft in de Heer Jezus, heeft eeuwig leven gekregen (Jh 3:14-1614En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden,15opdat ieder die in Hem gelooft, <niet verloren gaat maar> eeuwig leven heeft.16Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.). In 1 Johannes 5 staat van Hem: “Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven” (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Ieder die eeuwig leven heeft, heeft de Zoon als zijn leven. De conclusie is dat allen die geloven, delen in alles wat van de Zoon is.

Als je kijkt hoe Johannes de zegen benadert en hoe Paulus dat doet, is er een verschil op te merken. Johannes heeft het erover dat het leven, de Zoon, in ons is. Paulus spreekt erover dat wij in de Zoon, in Christus, zijn en in die positie onze zegeningen hebben ontvangen. Dit spreekt elkaar niet tegen, maar vult elkaar aan.

Tot slot van dit stukje wil ik je erop wijzen dat veel christenen zich niet bewust zijn van de rijkdom die ze in Christus bezitten. Het vergaat hun als het oude vrouwtje dat van haar zoon uit het buitenland een cheque voor een groot bedrag kreeg. Ze wist niet wat ze ermee moest doen. Zij vond het best een aardig stukje papier en de enige waarde die het voor haar had, was het besef dat het van haar zoon kwam. Ze hing de cheque aan de muur, meer deed ze er niet mee. Maar daarvoor had haar zoon de cheque niet gestuurd. Hij wilde dat ze de cheque zou verzilveren om verder zonder zorgen te leven.

Het voorbeeld gaat niet helemaal op, maar het maakt wel duidelijk hoe menig christen aankijkt tegen de door God geschonken zegeningen. Ik hoop van harte dat het bij jou niet zo is, maar dat je zult gaan genieten van alles wat God in Christus ook aan jou gegeven heeft. En wat God gegeven heeft, is in deze brief in ruime mate aanwezig.

Lees nog eens Efeziërs 1:3.

Verwerking: Waaraan denk jij bij de naam ‘God’ en waaraan bij de naam ‘Vader’?


Uitverkoren

4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,

V44zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,. Nadat Paulus in vers 33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus, in algemene bewoordingen over de zegen heeft gesproken, begint hij in vers 44zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde, met het uitpakken ervan. Dit vers begint met de eeuwigheid die achter ons ligt – “vóór [de] grondlegging van [de] wereld” – en eindigt in de eeuwigheid die vóór ons ligt, als we bij God zijn – “vóór Hem”. Ook in het heden geldt dit vers al. Als er staat “opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde”, wil dat zeggen dat Hij ons nu ook al zo ziet. Zo kijkt Hij naar ons. Zo heeft God het gewild, zo is Zijn raadsbesluit en zo is het gebeurd.

Welke aanleiding heeft God om zo te beslissen en zo te handelen? Die vindt Hij niet bij ons. Het eerste vers van Efeziërs 2 zegt dat wij dood waren in onze overtredingen en zonden (Ef 2:11En u [heeft God opgewekt], toen u dood was in uw overtredingen en zonden,). Met iemand die dood is, is niets te beginnen. De aanleiding vindt Hij dan ook niet in iets van de mens, van jou of mij, maar in Zichzelf en in Zijn Zoon. God heeft ons namelijk uitverkoren “in Hem”, dat is in Christus. Christus is in de eeuwigheid altijd de vreugde van God geweest. Nu heeft het God behaagd om in de volmaakte gemeenschap die er altijd tussen Hem en Zijn Zoon is geweest, anderen te betrekken.

Zijn voornemen is altijd geweest dat Hij ook van anderen kan genieten, zoals van Zijn Zoon. Dat kan niet buiten de Zoon om. Daarom moet het ín de Zoon zijn. Zoals ieder mens van nature ‘in Adam’ is – dat is: in deze eerste mens gezien wordt, als onlosmakelijk met hem verbonden –, zo heeft God bepaald dat iedere gelovige onlosmakelijk verbonden is met Zijn Zoon.

Hij heeft dat bepaald in de eeuwigheid, voordat hemel en aarde zijn geschapen. Er was toen niets anders dan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en de volmaakte liefde tussen Hen. De Heer Jezus verwijst daarnaar en vraagt op grond daarvan: “Vader, die U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld” (Jh 17:2424Vader, wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad voor [de] grondlegging van [de] wereld.). Vóór de grondlegging van de wereld heeft God mensen gekozen uit de mensen die op aarde zouden leven om hen bij Zich te hebben.

De reden voor dit handelen van God is Zijn liefde voor Zijn Zoon. Je ziet dat ook aan het ‘in Hem’ aan het begin van dit vers. Als je over de uitverkiezing gaat nadenken, kunnen er veel vragen in je opkomen. Je kunt je afvragen: Waarom ik wel en zoveel anderen niet? Zijn al die anderen dan uitgekozen om verloren te gaan?

Een paar opmerkingen kunnen je misschien helpen. Een eerste opmerking is dat niemand uitgekozen wordt om verloren te gaan. Ieder mens ís verloren en ligt onder het oordeel vanwege zijn eigen zonden: “Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God” (Rm 3:2323Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,). Als God ondanks dit algemene oordeel mensen aan dat oordeel onttrekt, is dat niet onrechtvaardig van God, maar Zijn soevereine ontferming.

Ten tweede moet je eens naar Israël kijken. Dat volk is door God uit alle volken uitverkoren om Zijn volk te zijn. Hij heeft dat gedaan puur op grond van Zijn eigen liefde voor hen (Dt 7:7-87Niet omdat u groter was dan al de [andere] volken heeft de HEERE liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken.8Maar vanwege de liefde van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te nemen, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte.). Betekent dit, dat Hij niets meer met de andere volken te maken wilde hebben? Nee, Hij wilde juist dat Israël voor die andere volken een getuigenis zou zijn. Daardoor konden zij ook tot de kennis van de ene, ware God komen. Kijk maar in het boek Jona.

Uitverkiezing is iets wat volledig van God uitgaat, los van de toestand waarin de mens zich bevindt. Je moet bij God horen om daar inzicht in te krijgen. Daarom is het een waarheid die alleen door gelovigen kan worden begrepen. Tegen de ongelovige moet gezegd worden dat hij zich moet bekeren, omdat hij anders verloren gaat.

Om dit te illustreren het volgende voorbeeld. Boven een deur hangt een bordje waarop staat dat iedereen wordt uitgenodigd binnen te komen om een groot cadeau in ontvangst te nemen. Velen lopen voorbij. Enkelen gaan naar binnen. Wie naar binnen is gegaan, ziet, als hij zich omdraait, aan de binnenkant boven de deur een bordje hangen waarop staat: ‘Jij bent uitverkoren.’ Dit maakt duidelijk dat de waarheid van de ‘uitverkiezing’ alleen is voor hen die ‘binnen’ zijn.

Terug nu naar de uitdrukking ‘vóór de grondlegging van de wereld’. Dat er dan nog niets van de schepping te zien is, is voor God geen probleem. Hij staat boven de tijd. Voor Hem is het altijd tegenwoordige tijd. Hij weet precies wat er over een uur of over een eeuw zal gebeuren. Als Hij in de toekomst kijkt, is de toekomst voor Hem heden. Dat is eenvoudig een van Zijn verhevenheden waardoor Hij God is. Luister naar wat Hij in Jesaja zegt: Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af, dat Ik God ben en niemand anders. [Ik ben] God, en er is er geen als Ik, Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben” (Js 46:9-109Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af,
dat Ik God ben en niemand anders.
[Ik ben] God, en er is er geen als Ik,
10Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
).
Voor jou en mij is dat niet te vatten, maar we kunnen het wel geloven en bewonderen.

Het is al indrukwekkend om oog te krijgen voor de majesteit van God. Het wordt nog indrukwekkender als je gaat ontdekken dat God in Zijn soevereiniteit ook nog eens aan jou en mij persoonlijk heeft gedacht om ons voor Zichzelf te bezitten. Dit is niet uit te leggen. Je kunt alleen maar op je knieën gaan en Hem ervoor aanbidden. Hoe zou je immers kunnen uitleggen dat Hij jou heeft uitverkoren uit al die miljarden mensen tot zo’n verheven positie: “Vóór Hem”? Dit maakt volkomen duidelijk dat deze zegen zijn oorsprong alleen vindt in het hart van God Zelf.

Dat de zegen van de uitverkiezing vastgesteld is vóór de grondlegging van de wereld, wil zeggen dat de zonde die in de wereld gekomen is, hierop geen enkele invloed kan hebben. God is niet verrast door het feit dat mensen die Hij heeft uitverkoren, zondaren zijn geworden. Dit probleem wordt hier niet genoemd. In Efeziërs 2 zal Paulus er wel op ingaan. Toch wordt de zonde hier wel verondersteld. Dat zien we als we op ons laten inwerken dat God ons “heilig en onberispelijk” voor Zich wil hebben. Wie in Gods tegenwoordigheid komt, moet helemaal beantwoorden aan Wie Hij is in Zijn heiligheid, dus zonder enige smet van de zonde.

Daarom heeft Hij bepaald dat allen die Hij deze plaats geeft, ‘heilig en onberispelijk’ zijn. ‘Heilig’ wil zeggen ‘apart gezet met het doel voor God te zijn’. ‘Onberispelijk’ wil zeggen dat er geen enkele smet van de zonde aanwezig is, volkomen geschikt om in de tegenwoordigheid van God te zijn, Die de zonde niet kan zien of dulden. Hiermee is voldaan aan de eis van Gods heiligheid en gerechtigheid. Op welke wijze dat is gebeurd, zullen we in vers 77in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade, zien. Je zou kunnen zeggen dat met dit onderdeel van Gods voornemen is voldaan aan “de boodschap die wij [de apostelen] van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is” (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.).

Maar hiermee kan God niet tevreden zijn. Hij wil niet alleen niets op ons aan te merken hebben, Hij wil ook dat wij ons thuis voelen in Zijn liefde. Hij heeft ons binnengebracht in een sfeer die pure, zuivere, dat is Goddelijke, liefde ademt. God is pas tevreden als ook duidelijk tot uiting komt dat Zijn voornemen volkomen overeenstemt met Zijn natuur van liefde. Wie in Gods tegenwoordigheid is, ziet heiligheid en liefde, waar hij ook kijkt.

Lees nog eens Efeziërs 1:4.

Verwerking: Denk er eens over na waarom God jou heeft uitverkoren en dank Hem ervoor dat Hij het heeft gedaan.


Tevoren bestemd

5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil, 6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,

In vers 44zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde, gaat het over de plaats die wij nu voor God innemen. We kunnen nu zonder schroom voor God staan omdat Hij ons daarvoor geschikt heeft gemaakt. Hij ziet niets meer in ons wat in strijd is met Zijn natuur, die licht en liefde is.

V55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,. Vers 55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil, gaat nog een stapje verder. Daarin gaat het over de verhouding waarin wij nu tot God staan. Dat is die van het zonen. Ook hiertoe heeft God ons “tevoren” bestemd, ook van vóór de grondlegging der wereld. Je kunt spreken van een ‘voorbestemming’.

Terwijl ‘tevoren’ terugziet, laat “bestemd” ons vooruitkijken. Daar zien we het doel van Gods plan, namelijk dat Hij ons als zonen voor Zichzelf wil hebben. Het woord “zoonschap” komt vaker voor (Rm 8:15,2315Want u hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar u hebt ontvangen een geest van zoonschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader!23En [dat] niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van [het] zoonschap: de verlossing van ons lichaam.; 9:44Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften;; Gl 4:55opdat Hij hen die onder [de] wet waren, vrijkocht, opdat wij het zoonschap zouden ontvangen.) en betekent ‘het stellen als zoon’. God heeft jou als zoon vóór Zich gesteld. In die verhouding sta je nu voor Hem. Onbegrijpelijk, maar waar!

God heeft veel engelen in Zijn omgeving en zij dienen Hem, maar in hen kan God de Vader nooit die vreugde vinden die Hij in de Zoon vindt. Die vreugde vindt Hij alleen in de Zoon én in hen die met de Zoon verbonden zijn en daardoor in dezelfde relatie tot Hem staan als de Zoon.

Let erop dat er dit keer niet staat ‘in Jezus Christus’, maar “door Jezus Christus”. Als het gaat om de verhouding waarin wij als zonen voor God staan, zijn we niet gelijk aan de Zoon. Altijd zal er onderscheid blijven tussen Hem Die de eeuwige Zoon is, en ons die tot zonen gemaakt zijn omdat wij dat niet waren. Dit onderscheid zie je ook in Johannes 20 waar de Heer Jezus zegt: “Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en naar Mijn God en uw God” (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.) en niet: ‘Ik vaar op naar onze Vader en naar onze God’.

Door ons als zonen te ‘adopteren’ doet God veel meer dan tegemoetkomen aan de nood waarin we waren vanwege onze zonden. Voor dat laatste was vergeving voldoende geweest. Maar je weet het: het gaat hier om de verlangens van Gods eigen hart en niet om onze nood. Om dat verlangen te vervullen heeft Hij zonen ‘geadopteerd’. Hij heeft mensen die nergens recht op hadden, opgenomen in Zijn familie en als zonen voor Zich gesteld.

Behalve zoon ben je ook nog kind van God. Kindschap en zoonschap zijn verschillende aanduidingen die beide een bepaalde verhouding tot God aangeven. Je bent niet pas ‘zoon’ wanneer je volwassen bent. Je bent vanaf je bekering zowel kind als zoon. Kind van God geeft aan dat je uit God geboren bent en Zijn natuur gekregen hebt. In zoonschap zien we het verlangen van God om gemeenschap met Zijn kinderen te hebben. Van je kinderen kun je genieten, maar met je zoon bespreek je ook zaken. In de zakenwereld zie je wel een naam als ‘Jansen en Zonen’, maar niet ‘Jansen en Kinderen’. Bij zoonschap gaat het om het delen van dezelfde interesses. Dat is waaraan God heeft gedacht toen Hij ons aannam als zonen.

Toen Hij dat deed, handelde Hij “naar het welbehagen van Zijn wil”. Dit is weer zo’n mooie uitdrukking die aangeeft hoe God tot dit handelen is gekomen. Als Hij het alleen had gedaan omdat Hij het wilde, had dat de nadruk gelegd op Zijn soevereiniteit, maar dan was Zijn innerlijke motief verborgen gebleven. Daarom wordt aan Zijn wil het ‘welbehagen’ verbonden. Het laat de vreugde zien waarmee God Zijn wil uitvoert.

Een prachtig voorbeeld van dit woord vind je in de evangeliën. Daar hoor je enkele keren: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden” (Mt 3:1717en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.; 17:55Terwijl hij nog sprak, zie, een lichtende wolk overschaduwde hen; en zie, een stem uit de wolk, die zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb, hoort Hem.). In deze uitspraak hoor je hoe verheugd de Vader is over Zijn Zoon. Die vreugde is er bij de Vader omdat de Heer Jezus, als enige Mens op aarde, volmaakt doet wat Hij wil. De Heer Jezus zegt daarover: “Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem Die Mij heeft gezonden en Zijn werk volbreng” (Jh 4:3434Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem Die Mij heeft gezonden en Zijn werk volbreng.). Het motief van het handelen van de Vader ligt in het welbehagen dat Hij in de Heer Jezus heeft.

V66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,. Zijn doel hiermee is: “De lof van de heerlijkheid van Zijn genade.” Niet slechts ‘Zijn genade’, maar “de heerlijkheid van Zijn genade”. Zijn genade zou al zichtbaar zijn geworden als Hij ons onze zonden had vergeven. We hadden het oordeel, de hel, verdiend. Als Hij ons daaraan niet prijsgeeft, maar ons ervan behoudt, zouden we Hem daar ook al eeuwig lof en eer voor geven. Maar zoals je hebt gezien, had Hij met ons een veel hoger plan. We mogen bij Hem zijn als zonen. Daarom is het niet langer alleen ‘Zijn genade’, maar ‘de heerlijkheid van Zijn genade’.

Zoals bij vers 33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus, al is opgemerkt, eindigt hiermee het eerste onderdeel van het gedeelte van de verzen 1-141Paulus, apostel van Christus Jezus door [de] wil van God, aan de heiligen en getrouwen in Christus Jezus die <in Efeze> zijn:2genade zij u en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Christus.3Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,8waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;9daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,10dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;13in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.. Het onderdeel dat nu volgt, laat zien wat God gedaan heeft om ons deze heerlijke plaats voor Zichzelf te geven en wat de gevolgen daarvan zijn in de toekomst. Dit onderdeel eindigt in vers 1212opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;, opnieuw met de “lof van Zijn heerlijkheid”.

Tot nu toe heb je gehoord over het voornemen van God. In het deel dat nu volgt, laat Paulus zien welke stappen God, om zo te zeggen, heeft gezet om dit voornemen uit te werken. De eerste stap is dat “Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde”. Dit is weer zo’n schitterende uitdrukking. Het ‘begenadigd’ zijn heeft de betekenis van ‘aangenaam gemaakt’. Het ziet op de gunst waarin we nu voor God staan (Rm 5:22door Wie wij ook de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in [de] hoop op de heerlijkheid van God.).

Jij en ik zijn niet aangenaam in onszelf. We zijn dat geworden omdat God ons aanziet in Zijn Zoon, Die hier met het veelzeggende woord ‘Geliefde’ wordt aangeduid. Er staat niet ‘in Christus’ of ‘in Hem’ zoals in de voorgaande verzen. Dat zou hier niet voldoen. Het gaat niet om de positie die de Heer Jezus voor God inneemt. Nee, het gaat om Wie de Heer Jezus Zelf is voor God.

Het woord ‘Geliefde’ laat zien hoezeer de Heer Jezus het bijzondere voorwerp van Gods genegenheid en welbehagen is. Alle liefde van de Vader richt zich op Zijn Zoon. Dat was al zo in de eeuwigheid. Tijdens Zijn leven op aarde heeft de Heer Jezus de Vader nog een extra reden gegeven om Hem lief te hebben. Dat lees je in Johannes 10: “Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem” (Jh 10:1717Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem.). Daarmee doelt Hij op het werk dat Hij ging volbrengen op het kruis. Daar zou Hij de Vader bovenmate verheerlijken. Dat gaf de Vader een nieuwe aanleiding om Hem lief te hebben. En in Deze, door de Vader Geliefde, zijn wij begenadigd of aangenaam gemaakt.

In het Oude Testament vind je hiervan een mooi beeld. Je leest in Leviticus 1 over het brandoffer. Dat stelt de Heer Jezus voor in Zijn volle toewijding aan God. In Leviticus 7 staat dan: “En de priester die iemands brandoffer aanbiedt, voor die priester is de huid van het brandoffer dat hij aangeboden heeft” (Lv 7:88En de priester die iemands brandoffer aanbiedt, voor die priester is de huid van het brandoffer dat hij aangeboden heeft.). Hier zie je in beeld waarover we in deze brief lezen. De priester krijgt de huid van het brandoffer, hij mag zich ermee bekleden.

Zo is het nu ook met de gelovige. De priester stelt de gelovige voor die aan God vertelt over wat de Heer Jezus voor Hem heeft gedaan – dat is wat wij nu onder ‘offeren’ verstaan. De gelovige die dat doet, mag weten dat hij ‘aangenaam gemaakt is in de Geliefde’. Het is zo, dat de Vader de Heer Jezus ziet als Hij ons ziet, want Hij ziet ons bekleed met Hem.

Lees nog eens Efeziërs 1:5-6.

Verwerking: Waarom heeft God jou als zoon willen hebben?


De verborgenheid van Gods wil

7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade, 8waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht; 9daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,

V77in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,. In deze verzen zien we de volgende stappen die God heeft gezet om Zijn voornemen te realiseren. We hebben al gezien dat God ons ‘aangenaam gemaakt heeft in de Geliefde’. Nu lezen we wat we nog meer hebben gekregen in die Geliefde, want op Hem heeft het “in Wie” aan het begin van vers 77in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade, betrekking. We hebben in Hem ook “de verlossing” en “de vergeving”. Je kunt zeggen dat dit de middelen zijn, waarmee de wil van God ten aanzien van ons kon worden vervuld. Zowel vergeving als verlossing is door het werk van Christus tot stand gebracht. Beide waren nodig omdat de zonde in de wereld was gekomen.

‘Verlossing’ was nodig omdat wij volledig in de macht van de zonde waren. Onszelf bevrijden konden we niet, maar door het bloed van Christus is verlossing tot stand gekomen. Dit wordt mooi geïllustreerd in Exodus 12. Het volk Israël is in slavernij in Egypte en God gaat het daaruit verlossen. De basis voor deze verlossing is het bloed van een lam dat moest worden geslacht. In Exodus 12 kun je lezen wat de Israëliet met dat bloed moest doen en wat het voor God betekende (Ex 12:2-132Deze maand zal voor u het begin van de maanden zijn. Hij zal voor u de eerste zijn van de maanden van het jaar.3Spreek tot heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende [dag] van deze maand moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin.4Maar als het gezin te klein is voor een lam, dan moet hij er [samen] met de buurman, die het dichtst bij zijn gezin [woont, één] nemen, overeenkomstig het aantal personen. U moet bij het lam rekening houden met wat ieder eten kan.5U moet een lam zonder enig gebrek hebben, een mannetje van een jaar oud. U moet [het] van de schapen of van de geiten nemen.6U moet het in bewaring houden tot de veertiende dag van deze maand, en heel de verzamelde gemeenschap van Israël zal het slachten tegen het vallen van de avond.7En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.8Zij moeten het vlees dezelfde nacht [nog] eten; op vuur gebraden, met ongezuurde [broden, en] met bittere kruiden moeten zij het eten.9U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar [alleen] op vuur gebraden, [met] zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.10U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de [volgende] morgen van over is, moet u met vuur verbranden.11En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.12Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.13En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf [teweegbrengt], als Ik het land Egypte zal treffen.). Op grond van het bloed gaat het oordeel aan de Israëliet voorbij én vindt er verlossing plaats uit de macht van Egypte.

Het zal je duidelijk zijn dat het lam in Egypte een beeld is van het Lam van God, de Heer Jezus. Wat jij had verdiend, heeft Hij in jouw plaats ondergaan. In Hem ben jij verlost, heb jij de verlossing ontvangen.

Behalve verlossing was ook ‘vergeving’ van je overtredingen nodig. Je was niet alleen in de macht van de zonde, je leefde er ook naar. Dat maakten je daden goed duidelijk. Wat je deed, was in alle opzichten een overtreden van wat God heeft gezegd. Overtredingen vragen altijd om straf. Hoe geweldig is het nu dat God niet jou daarvoor heeft gestraft, maar Zijn eigen Zoon. In Hém heb je vergeving ontvangen.

Hoewel verlossing en vergeving hebben gebracht wat je nodig had, staat jouw nood hier niet op de voorgrond. Nee, het is de bedoeling van de Heilige Geest om in de verlossing en de vergeving “de rijkdom van Zijn [d.i. Gods] genade” te onderstrepen. Op die manier komen Góds hart en gezindheid tot uiting.

In dit vers, waar wij erbij betrokken zijn met onze zonden, komt ‘de rijkdom van Zijn genade’ tot uiting. In vers 66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,, waar alles alleen om God gaat, is het ‘de heerlijkheid van Zijn genade’. De rijkdom van Zijn genade staat tegenover de armoede van onze zonden waarin wij ons bevonden. Tevens is het niet slechts een genade die voorziet in wat nodig is. God voorziet niet in de mate van onze behoeften, maar in veel meer. Hij voorziet naar Zijn rijkdom.

V88waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;. Die rijkdom wordt verwoord in de verzen 8-98waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;9daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,. Je ziet daar de dode, onmachtige zondaar (jij!) opgetild tot een zo grote hoogte dat hij (jij!) inzicht krijgt in de geheimen van Gods hart, zodat hij (jij!) die met Hem kan delen. Ook hierbij gaat het om plannen van God die Hij van eeuwigheid in Zijn hart had, maar waarvan de volle verwerkelijking nog moet komen.

Het is iets anders dan wat je tot nu toe hebt gezien, namelijk wat er in Gods hart was voor jou en wat Hij ook heeft waargemaakt. Je hebt er deel aan: je bent gezegend met alle geestelijke zegening; je bent uitverkoren; God ziet je als heilig en onberispelijk; Hij heeft je als zoon aangenomen; je bent aangenaam gemaakt in de Geliefde; Hij heeft je verlost en vergeven. Het staat allemaal in de verzen 3-73Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,. Allemaal echt helemaal waar.

Maar, alsof het niet op kan, heeft Hij daarnaast nog meer zegeningen voor je klaarliggen. Die komen nu aan de orde. Ook daar wil Hij je in laten delen, opdat je nu al kunt gaan genieten van wat nog komt. Om wat er in Zijn hart is met jou te kunnen delen, heeft Hij in de overvloed van de rijkdom van Zijn genade jou “alle wijsheid en inzicht” ter beschikking gesteld. Hoe zouden we iets van Gods plannen en daden kunnen begrijpen, als Hij Zelf ons daartoe niet in staat stelt? Ook hier tref je weer overvloed aan: God geeft niet mondjesmaat wijsheid en inzicht, maar “alle”.

Hij weet precies wat nodig is om ons binnen te voeren in de plannen van Zijn hart. Daarvoor heeft Hij ons eerst tot zonen gemaakt. Zoals je nog wel zult weten, heeft Hij dat juist gedaan om Zijn gedachten met ons te kunnen delen. Als zonen heeft Hij ons ‘opgetild’ tot een positie waar Hij op Zijn niveau met ons kan spreken. Daarbij heeft Hij ons voorzien van ‘alle wijsheid en inzicht’. Je kunt wel iets willen bekendmaken, maar als je ‘doelgroep’ er niets van begrijpt, schiet je er niet veel mee op. Zo heeft God dus niet gedaan.

V99daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,. God heeft ons wijsheid en inzicht gegeven omdat “Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt”. Hier heb je wat God met ons wil delen. Het gaat om dingen die Hij nog nooit aan iemand heeft verteld, ook niet aan iemand van Zijn volk in het Oude Testament. Wat die verborgenheid inhoudt, staat in de verzen 10-1110dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,. Het betreft de regering van de Heer Jezus over alle dingen.

Nu zou je kunnen zeggen: ‘Maar dat was toch geen verborgenheid; dat was toch ook in het Oude Testament bekend?’ En dan kun je daarvoor bijvoorbeeld verwijzen naar Psalm 8 (Ps 8:7-97U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
8schapen en runderen, die allemaal,
en ook de dieren van het veld,
9de vogels in de lucht en de vissen in de zee,
al wat over de paden van de zeeën gaat.
)
. Daar heb je gelijk in. Toch is dat niet de verborgenheid waar het hier over gaat. Déze verborgenheid gaat over de regering van de Heer Jezus over alle dingen samen met de gemeente. Dat is niet bekendgemaakt in het Oude Testament. De apostel Paulus heeft de speciale bediening gekregen om deze verborgenheid bekend te maken. In Efeziërs 3 zal hij dat nader toelichten.

De verborgenheid van de eenheid tussen de Heer Jezus en de gemeente is voor de wereld nog steeds een verborgenheid. In 1 Johannes 3 lees je eenzelfde gedachte: “Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn” (1Jh 3:2b2Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is.). Johannes bedoelt te zeggen dat de wereld nog niets ziet van het feit dat wij kinderen van God zijn. Dat zal de wereld pas zien wanneer de Heer Jezus terugkomt en wij met Hem (Ko 3:44Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.; 2Th 1:7-107en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,8als Hij wraak brengt over hen die God niet kennen en over hen die het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen.9Zij zullen als straf lijden [het] eeuwig verderf, [verwijderd] van [het] aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn sterkte,10wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd; want ons getuigenis aan u is geloofd geworden.).

De verborgenheid is alleen bekendgemaakt aan hen die tot de gemeente behoren. Helaas is zelfs voor veel leden van de gemeente deze eenheid nog steeds een verborgenheid. Allen die menen dat de gemeente de voortzetting van Israël is, beseffen niet dat de gemeente haar oorsprong en doel in de hemel heeft. Juist door hun gericht zijn op de aarde gaan zulke christenen voorbij aan het ‘welbehagen’ van God.

God vindt er Zijn vreugde in deze dingen in deze tijd aan de Zijnen mee te delen. Kijk nog maar eens naar vers 66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde, waar je ook over het welbehagen van God leest. Daar is het Zijn vreugde om zonen voor Zichzelf te hebben, ook nu al. Hier is het Zijn vreugde om die zonen bekend te maken wat Hij in de toekomst met Christus en de gemeente gaat doen.

God was in het geheel niet verplicht om dit geheim, “dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf” (vers 1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;), met ons te delen, maar Hij wilde het zo graag. Nog eens valt hier de nadruk op het feit dat al Zijn voornemens in Hemzelf hun oorsprong hebben. Hij had geen enkele verplichting tegenover wie dan ook om die bekend te maken. Hij had Zijn voornemens voor Zich kunnen houden. Toch is Hij ermee naar buiten gekomen en heeft ze bekendgemaakt aan een door Hemzelf geselecteerde groep mensen. Is het geen groot wonder dat jij en ik daarbij mogen horen?

Lees nog eens Efeziërs 1:7-9.

Verwerking: Ga nog eens na welke stappen God heeft gezet voor het uitvoeren van Zijn voornemens en dank Hem voor elke stap.


Alles onder één Hoofd

10dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus; 11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil, 12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;

V1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;. In de verzen die we nu voor ons hebben, vertelt Paulus wat de verborgenheid van vers 99daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen, inhoudt. In vers 1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus; wordt duidelijk dat God alles in Christus, als het ene Hoofd, zal samenbrengen. In vers 1111in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil, horen we dat wij ertoe bestemd zijn in Christus ook erfgenamen te zijn.

God zal dit voornemen in vervulling doen gaan in “[de] bedeling van de volheid der tijden”. Het woord ‘bedeling’ betekent hier de wijze waarop God in een bepaalde periode iets beheert en bestuurt. Misschien heb je wel eens gehoord van de ‘leer van de bedelingen’. Dat houdt in dat de geschiedenis van de mensheid in verschillende ‘bedelingen’ of perioden wordt ingedeeld.

De eerste bedeling is ‘de bedeling van de onschuld’ waarmee de periode van de schepping tot de zondeval wordt aangeduid. Daarin bestuurt God de schepping door Adam vóór de zondeval. Een volgende bedeling is die zonder wet. Dat is de periode die loopt van Adam na de zondeval tot Mozes. Dan volgt de periode van de wet, die loopt van Mozes tot Christus (Rm 5:13-1413(want tot aan [de] wet was er zonde in [de] wereld, maar zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is;14toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes, ook over hen die niet gezondigd hadden door te overtreden zoals Adam, die een voorbeeld is van Hem Die zou komen.).

Elke bedeling heeft haar eigen kenmerken. Allemaal duren ze een bepaalde tijd. Gedurende die tijd bestuurt God de mens en Zijn schepping op een wijze die bij die tijd past. In alle bedelingen is de mens telkens opnieuw ongehoorzaam geworden aan God. Daarmee heeft de mens ook steeds de zegen verspeeld die God beloofde als hij aan Hem gehoorzaam zou zijn.

Maar nu stelt God een bedeling in het vooruitzicht die genoemd wordt ‘de volheid der tijden’. Dat is de periode waarin alle vorige bedelingen hun volheid, hun vervulling zullen vinden. Dit is overigens niet hetzelfde als wat in Galaten 4 “de volheid van de tijd” wordt genoemd (Gl 4:44maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder [de] wet,). Daar ziet ‘volheid’ op het verstrijken, dat is vol worden, van een bepaalde tijd waarna de grote gebeurtenis, de geboorte van de Heer Jezus, plaatsvindt. Daar gaat het om de lengte of de duur van de tijd.

Hier, in vers 1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;, gaat het niet om de tijdsduur, maar om de kenmerken, dat wil zeggen wat deze bedeling inhoudt die zal aanbreken. Het gaat om wat de komende tijdsperiode karakteriseert. In de vorige bedelingen heeft de mens alles steeds weer verdorven. In de komende bedeling zal dat niet gebeuren. De garantie daarvoor ligt in Hem aan Wie God het bestuur in die bedeling heeft toevertrouwd: Christus.

Zoals gezegd, is de regering van Christus op zich geen verborgenheid. Maar de verborgenheid die dan openbaar zal zijn, laat zien dat het bestuur, de regering, in handen is van Christus én de gemeente. Christus en de gemeente besturen dan “alles wat in de hemelen en wat op de aarde is”. Dit zal gezien worden in het duizendjarig vrederijk; dan zal Christus het Hoofd zijn.

Al in Genesis 1-2 zie je in beeld dat God dit van plan is. We zien daar hoe God eerst aan Adam, als het hoofd van de schepping, de heerschappij en het bestuur over de schepping toevertrouwt. Daarna geeft Hij Eva als zijn vrouw aan zijn zijde. Samen vormen ze de mens (Gn 1:2727En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.). Adam is ontrouw geworden, maar Christus zal trouw blijven. Hij zal regeren op een wijze die volmaakt tot eer en vreugde van God en tot zegen van de schepping zal zijn.

De heerschappij van Christus zal ook meer omvatten dan die van Adam. Adam heerste over de aarde, Christus zal heersen over de aarde én de hemel. In Hebreeën 1 staat dat God de Heer Jezus “gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen” (Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.). Hij heeft recht op de erfenis gekregen door Zijn werk op het kruis van Golgotha. In Openbaring 5, waar je Hem ziet als het Lam, staande als geslacht, is het moment aangebroken dat Hij het recht op de erfenis ook opeist (Op 5:1-61En ik zag op de rechterhand van Hem Die op de troon zat een boek, van binnen en van achteren beschreven, met zeven zegels verzegeld.2En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep: Wie is waard het boek te openen en zijn zegels te verbreken?3En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon het boek openen of het bezien.4En ik weende zeer, omdat niemand waard bevonden was het boek te openen of het te bezien.5En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.6En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.). Hij is het waard!

V1111in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,. Maar wat zien we tot onze verbazing hier, in Efeziërs 1? Dat wij “in Hem … ook erfgenamen zijn geworden”! Dat gaat toch je stoutste verwachtingen te boven?! Wij zijn geen ‘erfdeel geworden’, zoals de Herziene Statenvertaling ten onrechte vertaalt. Dat zou betekenen dat wij tot de erfenis behoren. Dat beantwoordt echter niet aan Gods voornemen. Wat wij hebben ontvangen, is veel heerlijker. We zullen niet de voorwerpen van zegen zijn, maar we zullen de uitdelers ervan zijn, samen met de Heer Jezus.

We zijn niet een erfdeel geworden, maar wij hebben met de Heer Jezus een erfdeel ontvangen. We zijn “erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus” (Rm 8:1717En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, als wij inderdaad met [Hem] lijden, opdat wij ook met [Hem] verheerlijkt worden.). We lezen zelfs dat wij daartoe “tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil”.

De uitdrukking ‘tevoren bestemd’ zijn we ook al in vers 55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil, tegengekomen. Daar gaat het over het zoonschap. Hieraan kun je zien hoezeer in Gods voornemen ‘erfgenamen’ en ‘zoonschap’ bij elkaar horen. Die verbinding vind je ook in Hebreeën 1, waar het over de Zoon gaat (Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.), en in Galaten 4, waar het over ons gaat (Gl 4:77U bent dus niet meer slaaf, maar zoon; en bent u zoon, dan ook erfgenaam door God.; vgl. Lk 15:11-1211Hij nu zei: Iemand had twee zonen.12En de jongste van hen zei tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit dat [mij] toekomt. En hij verdeelde het vermogen onder hen.).

In ‘zoonschap’ zie je hier vooral de verhouding tot God, je kunt zeggen de privékant. Zoonschap is immers voor God Zelf. In ‘erfgenamen’ zie je vooral de verhouding tot de erfenis, je kunt zeggen de publieke kant. Immers, straks zal de wereld openbaar door de Heer Jezus worden geregeerd, samen met ons. Dan is Hij gekomen om “verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd” (2Th 1:1010wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd; want ons getuigenis aan u is geloofd geworden.).

Dit ligt in “de raad van Zijn wil” opgesloten. In vers 55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil, schrijft Paulus over ‘het welbehagen van Zijn wil’ in verband met het ‘zoonschap’, en in vers 99daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen, over ‘de verborgenheid van Zijn wil’ in verband met de regering van Christus en de gemeente. Nu zie je dat er ook een ‘raad van Zijn wil is’. Deze drie uitdrukkingen samen geven weer dat God in Zijn welbehagen (vers 55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,) de verborgenheid (vers 99daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,) uitwerkt naar Zijn raad (vers 1111in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,).

Zijn raad ligt vast. Niets of niemand kan Hem daarin tegenhouden. Je kunt er vast op rekenen dat het gebeurt zoals Hij wil. Deze verzekering hebben we nodig omdat het gaat om iets wat nog moet komen. Het zoonschap is nu al je deel, de verborgenheid is nu al geopenbaard, maar de erfenis moet nog komen.

V1212opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;. En als de erfenis door ons in bezit wordt genomen, samen met Christus, zullen wij zijn “tot lof van Zijn heerlijkheid”. In die tijd zullen wij één groot loflied op Zijn heerlijkheid zijn. Gods heerlijkheid zal in ons weerspiegeld worden. Bij Gods heerlijkheid mag je denken aan al Zijn voortreffelijke eigenschappen. Ze zullen in ons, in allen die zonen en erfgenamen zijn, zichtbaar worden. In iedere persoon van die ontelbare schare zal iets van Gods heerlijkheid, van Zijn voortreffelijkheden, te zien zijn. Hoe groot moet Hij zijn, Die een dergelijke heerlijkheid heeft! Hoe groot moet de lof zijn die Hem daarvoor gegeven zal worden.

Nu is er nog de vraag wie worden bedoeld met “wij die vooraf in Christus hebben gehoopt”. Ik denk dat Paulus hierbij doelt op de Joden die in Christus geloven, die hun vertrouwen op Hem stellen voordat Hij openlijk verschijnt. In dit ‘wij’ sluit Paulus zichzelf in, want ook hij is van geboorte een Jood. In het volgende stukje zal ik over dit “wij” nog iets zeggen.

Lees nog eens Efeziërs 1:10-12.

Verwerking: De verborgenheid is dus bekendgemaakt. Vertel in je eigen woorden wat die verborgenheid inhoudt.


Verzegeld met de Heilige Geest

13in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte, 14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.

V1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,. Ik zou nog iets zeggen over het woord “wij” dat Paulus in vers 1212opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt; gebruikt. Dat doe ik naar aanleiding van de verandering van “wij” in vers 1212opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt; naar “u” hier in vers 1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,. Ik heb al gezegd dat Paulus in vers 1212opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt; vooral spreekt over die Joden die door het geloof in de Heer Jezus nu al met Hem verbonden zijn. Voor hen geldt nu al wat voor Israël als volk nog toekomst is. Het volk moet nog tot berouw en bekering komen. Dat zal gebeuren als de Heer Jezus terugkomt om op aarde te regeren. Dan zal het volk zien op Hem Die zij doorstoken hebben en zullen ze hun Christus onder belijdenis van hun zonden aanvaarden (Zc 12:10-1310Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.11Op die dag zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo.12Het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,13het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,). Met “vooraf” in vers 1212opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt; wordt de huidige tijd bedoeld, de tijd die voorafgaat aan de periode waarin Christus zichtbaar op aarde verblijft. In de huidige tijd wordt Hij alleen door het geloof gezien.

In vers 1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte, gaat het over de heidenen, aangeduid met “u”. Zij zijn ook in Christus. Alleen kan van hen niet worden gezegd dat zij ‘vooraf’ in Christus hebben gehoopt. In Efeziërs 2 lees je dat zij voor hun bekering overal buiten stonden (Ef 2:1212dat u in die tijd zonder Christus was, vreemd aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte, terwijl u geen hoop had en zonder God was in de wereld.). Nu ze zich hebben bekeerd, hebben ze samen met de gelovige Joden deel aan de erfenis van Christus, samen zijn zij erfgenamen geworden in Hem (vers 1111in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,).

Het is dus niet zo, dat de heiden die tot geloof komt, deel krijgt aan de zegeningen die aan Israël zijn beloofd. Hij krijgt, samen met de gelovige Jood, deel aan de veel hogere geestelijke zegeningen die te maken hebben met het zoonschap en het erfgenaam zijn. Dat hebben we hiervoor gezien. Als extra zegen komt daar in vers 1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte, nog de verzegeling met de Heilige Geest bij, met Wie zowel de gelovige Jood als de gelovige heiden is verzegeld.

Voordat Paulus daarover gaat spreken, stelt hij eerst op treffende wijze voor hoe de heiden aan de Heilige Geest deel heeft gekregen. Opmerkelijk is de volgorde: eerst horen, dan geloven en ten slotte de verzegeling met de Heilige Geest. Eerst horen en dan geloven stemt overeen met Romeinen 10: “En hoe zullen zij geloven in Hem van Wie zij niet gehoord hebben?” (Rm 10:14b14Hoe zullen zij nu Hem aanroepen in Wie zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij geloven in Hem van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt?). En een paar verzen verder in Romeinen 10 staat: “Dus is het geloof uit de prediking [of: het horen] en de prediking [of: het horen] door het Woord van Christus” (Rm 10:1717Dus is het geloof uit [de] prediking, en de prediking door [het] Woord van Christus.). Wat in de brief aan de Romeinen “het Woord van Christus” is, wordt hier “het Woord van de waarheid” genoemd, met als toevoeging “het evangelie van uw behoudenis”. De Bijbel is “het Woord van de waarheid”. Hierin heeft God Zijn waarheid, dé waarheid over alle dingen, geopenbaard.

Dit Woord van de waarheid betekent voor ieder die dit Woord aanneemt ‘het evangelie van uw behoudenis’. Evangelie betekent ‘goede boodschap’ en dat is het natuurlijk ook voor een mens die inziet dat God hem als zondaar moet oordelen. Het evangelie biedt hem redding aan door geloof in de Heer Jezus. De inhoud van het evangelie staat in 1 Korinthiërs 15: “Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u ook hebt aangenomen, waarin u ook staat, waardoor u ook behouden wordt … Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften” (1Ko 15:1-41Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u ook hebt aangenomen, waarin u ook staat,2waardoor u ook behouden wordt (als u vasthoudt aan het woord dat ik u heb verkondigd), tenzij u tevergeefs hebt geloofd.3Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften;4en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften;). In het evangelie gaat het over de dood en opstanding van de Heer Jezus.

In Romeinen 4 komt daar nog bij het geloven “in Hem [dat is God] Die Jezus onze Heer uit de doden heeft opgewekt, Die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging” (Rm 4:24b-2524maar ook ter wille van ons, wie het zal worden toegerekend, ons die geloven in Hem Die Jezus onze Heer uit [de] doden heeft opgewekt,25Die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.). Dit houdt in dat door geloof in de Heer Jezus Die door God is overgegeven in de dood en daaruit ook is opgewekt, een mens behouden wordt.

God drukt Zijn zegel op ieder mens die dat gelooft als bewijs dat zo iemand Zijn eigendom is. Dit zegel is de Heilige Geest. God de Heilige Geest komt in die persoon wonen. De Heer Jezus zegt in Johannes 14 van de Heilige Geest: “Die met u zal zijn tot in eeuwigheid” (Jh 14:1616En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:) Hiermee is duidelijk dat het zegel van Gods eigendomsrecht onverbreekbaar is.

Gods Geest wordt hier “de Heilige Geest van de belofte” genoemd. Dit ziet niet zozeer op het feit dat de Heilige Geest beloofd is, maar gaat meer om wat met de verzegeling met de Heilige Geest verbonden is. Met Hem verzegeld zijn houdt een belofte in.

V1414Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.. Die belofte komt tot uiting in wat volgt. De Geest is namelijk “het onderpand van onze erfenis”. Dat Hij het onderpand is, houdt in dat we die erfenis nog niet bezitten. Een onderpand is een soort garantie dat je in de toekomst datgene, wat je nu nog niet hebt, zult ontvangen. In het spraakgebruik is het onderpand altijd minder dan de zaak zelf. Dat is hier natuurlijk niet het geval. Dat de Heilige Geest hier ‘onderpand’ wordt genoemd, heeft alleen te maken met de zekerheid dat de rest nog zal volgen.

Omdat Hij ons is gegeven, kunnen we nu al van de erfenis genieten, hoewel we die nog niet daadwerkelijk in bezit kunnen nemen. De erfenis ligt in de toekomst. De Heer Jezus Zelf heeft de erfenis ook nog niet ontvangen. Je leest in Hebreeën 2 dat het toekomstige aardrijk aan Hem onderworpen zal zijn (Hb 2:5-85Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk waarover wij spreken,6maar iemand heeft ergens betuigd en gezegd: ‘Wat is [de] mens dat U hem gedenkt, of [de] mensenzoon dat U acht op hem geeft?7U hebt hem een weinig minder gemaakt dan [de] engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond <en hem gesteld over de werken van Uw handen>;8alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen;). Dan pas zal Hij heersen en zullen wij met Hem heersen.

Voordat het zover is, moet er eerst nog iets anders met die erfenis gebeuren. We lezen namelijk over “de verlossing van de verkregen bezitting”. Je begrijpt, dat met ‘de verkregen bezitting’ de erfenis wordt bedoeld. Deze erfenis is nu al ons bezit, maar ligt nog onder de vloek van de zonde. Die vloek moet eerst worden weggenomen. Wat daarvoor nodig is, heeft de Heer Jezus gedaan op het kruis. Daar is Hij tot ‘een vloek’ gemaakt en heeft Hij de prijs betaald om de vloek van de schepping te kunnen wegnemen. Door de zonde van de eerste mens, Adam, is er een vloek op de schepping komen te liggen. Door de gehoorzaamheid van de tweede mens, Christus, zal deze vloek worden weggenomen.

De verkregen bezitting zal verlost worden door Hem Die het recht daartoe heeft verdiend. Ook Openbaring 5 maakt duidelijk Wie recht heeft op de erfenis – dat recht staat beschreven in de boekrol –: de Heer Jezus Christus. Hij is tegelijk de Leeuw uit de stam van Juda (Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.) én het Lam Dat daar staat als geslacht (Op 5:66En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.). De Leeuw heeft overwonnen door Zich als Lam te laten slachten.

De erfenis zal Hij in bezit nemen als ‘de bedeling van de volheid der tijden’ is aangebroken (vers 1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;). Dat gebeurt in zekere zin aan het begin van het vrederijk. Dan is de satan gebonden en de zonde beteugeld. Maar ook in het vrederijk is nog zonde aanwezig en daardoor kan van een volmaakte toestand nog geen sprake zijn. Aan het einde van het vrederijk zal de zonde echter volledig uit de schepping worden gebannen. Dan zal het woord van Johannes de doper ten volle worden vervuld: “Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt” (Jh 1:2929De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.).

Wanneer de verkregen bezitting verlost is en de gemeente samen met Christus het bestuur daarover heeft gekregen, is het raadsbesluit van God afgerond. Dan zal Gods heerlijkheid schitteren met een glans die nooit zal verbleken. Hij zal dan de lof ontvangen van alles wat er is. De nieuwe schepping zal Zijn heerlijkheid weerspiegelen en alles zal Zijn lof uitademen. Van alle mensen, zowel in de hemel als op de aarde, zal Zijn heerlijkheid afstralen en allen zullen Hem loven. Hem zij de glorie tot in alle eeuwigheid!

Lees nog eens Efeziërs 1:13-14.

Verwerking: Dank God met je eigen woorden voor wat jij allemaal in deze verzen hebt geleerd over Zijn plannen met en voor jou.


Geloof en liefde, wijsheid en openbaring

15Daarom ook, daar ik gehoord heb van het geloof in de Heer Jezus dat onder u is, en van de liefde die [u hebt] tot alle heiligen, 16houd ik niet op voor u te danken, terwijl ik u gedenk in mijn gebeden, 17opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem,

V1515Daarom ook, daar ik gehoord heb van het geloof in de Heer Jezus dat onder u is, en van de liefde die [u hebt] tot alle heiligen,. Met vers 1515Daarom ook, daar ik gehoord heb van het geloof in de Heer Jezus dat onder u is, en van de liefde die [u hebt] tot alle heiligen, begint het slotgedeelte van Efeziërs 1 dat een gebed is. Hierin bidt de apostel Paulus voor de gelovigen in Efeze. De inhoud van zijn gebed is heel rijk, heel leerzaam en ook heel nodig. Het is namelijk één ding te weten wat Gods raadsbesluiten zijn – dat heeft Paulus in de verzen 3-143Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,8waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;9daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,10dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;13in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid. uitgelegd; maar het is wat anders om dat alles ook een plaats in je leven te geven. Daarvoor gaat Paulus bidden.

Hij vraagt niet of God iets aan de gelovigen wil geven, maar of Hij de gelovigen een beter inzicht wil geven in wat ze al bezitten. Zijn gebed is erop gericht de harten – “verlichte ogen van uw hart” (vers 1818verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,) – van de gelovigen te richten op de Bron van de raadsbesluiten. Hij wil dat wij boven alle heerlijke gaven uit, zullen kijken naar de heerlijkheid en rijkdom van de Gever. De gelovige die leeft vanuit een bewuste verbinding met Hem, zal steeds meer oog krijgen voor Gods, ”Zijn”, roeping (vers 18b18verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,), Gods, ”Zijn”, erfenis (vers 18b18verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,) en Gods, ”Zijn”, kracht (vers 19a19en wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte,).

De apostel kan dit gebed voor de Efeziërs bidden, omdat bij hen de juiste gezindheid aanwezig is. Hij heeft gehoord dat zij geloven in de Heer Jezus en dat zij alle heiligen liefhebben. Je denkt misschien: ‘Wat is er voor speciaals aan geloof in de Heer Jezus? Het is toch normaal dat gelovigen dat doen?’ Je hebt gelijk, maar het is belangrijk eraan te denken dat “geloof in de Heer Jezus” hun hele gedrag bepaalt.

Het geloof is voor hen niet slechts een zaak om van de hel gered te worden. Pas zei iemand nog tegen me: ‘Natuurlijk geloof ik, want je wilt toch niet naar de hel?’ Het was iemand die behoorlijk van de Heer was afgeweken. In zijn leven van elke dag was geen omgang met de Heer meer aanwezig. Zo is het niet bij de Efeziërs. Geloof betekent voor hen: leven vanuit geloofsvertrouwen en dit laten doorwerken in alle aspecten van het leven. In onze dagen is ‘geloof’ nogal eens bijkomstig. Zeker belangrijk, maar niet alles beheersend en alles doordringend.

Als bij jou de Heer Jezus het alles bepalende Voorwerp van je geloof is, zul jij ook liefde hebben voor je medegelovigen. Het een vloeit uit het ander voort. Er is geen groter bewijs van levend geloof in de Heer Jezus, dan praktische liefde die uitgaat naar de heiligen.

V1616houd ik niet op voor u te danken, terwijl ik u gedenk in mijn gebeden,. Vanaf het moment dat Paulus dat van de Efeziërs had gehoord, is hij voor hen gaan danken. Ken jij dat ook, dat je gaat danken voor gelovigen bij wie je ziet dat de Heer Jezus alles voor hen is en dat ze zich ook inzetten voor hun medegelovigen? Paulus laat het niet bij danken, hij voegt er voorbede aan toe.

V1717opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem,. De apostel richt zich tot “de God van onze Heer Jezus Christus”. In Efeziërs 3 staat een tweede gebed van hem. Daar richt hij zich tot “de Vader van onze Heer Jezus Christus” (Ef 3:1414Om deze oorzaak buig ik mijn knieën voor de Vader <van onze Heer Jezus Christus>,). Het gaat daar over de Heer Jezus als de Zoon van de Vader, over de liefde van de Heer Jezus en over het feit dat Hij woning maakt in onze harten. Hier gaat het over de raadsbesluiten van God en hoe wij daarin een plaats hebben gekregen.

Ik heb bij de bespreking van vers 33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,, waar beide namen genoemd worden, al gewezen op het verschil ertussen. Bij God als ‘de God van de Heer Jezus’ wordt de Heer Jezus gezien als Mens. De Heer Jezus kan, omdat Hij Mens is, de zegeningen die Hij van God ontvangen heeft met mensen delen. Jij en ik kunnen alleen met Hem verbonden zijn omdat Hij Mens is geworden. Dat het in dit gebed om de Heer Jezus als Mens gaat, kun je ook afleiden uit het feit dat er wordt gesproken over Zijn opwekking uit de doden (vers 2020die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten],). Als Mens kon Hij sterven, als God de Zoon niet.

Paulus bidt hier tot de God van de Heer Jezus, van de Mens Jezus Christus Die het middelpunt is van al Gods raadsbesluiten. God heeft nooit een besluit genomen ten opzichte van enige mens of zaak, voor de hemel of voor de aarde, waarvan de Heer Jezus niet het centrum is. Dat zullen we in de volgende verzen nog duidelijk zien.

Als we willen begrijpen hoe God ons deel heeft laten krijgen aan Zijn roeping en Zijn erfenis, zullen we vooral moeten kijken naar Zijn kracht zoals die zichtbaar is geworden in de opwekking van de Heer Jezus. Het is namelijk die kracht die ook in ons zijn werk heeft gedaan. Wat God met de Heer Jezus heeft gedaan, heeft Hij ook met ons gedaan.

Paulus noemt die God ook “de Vader der heerlijkheid”. Dat wil zeggen dat Hij de Bron is van de heerlijkheid en dat zij bij Hem vandaan komt, Hij is de Uitdeler ervan. Om goed zicht te krijgen op de heerlijkheid van Gods raadsbesluiten vraagt Paulus aan de Vader der heerlijkheid dat Hij “[de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem”.

Stel je voor: God heeft de meest diepzinnige gedachten in Zijn Woord ontvouwd. Die zouden we bijvoorbeeld uit ons hoofd kunnen leren. Maar wat zouden we daaraan hebben als Hij ons niet de bekwaamheid, het vermogen, had gegeven om die dingen te begrijpen? Dan zouden we Hem er ook nooit voor kunnen danken en verheerlijken. En het gaat God er toch om dat wij daar uitkomen: tot lof van Zijn heerlijkheid.

Dat doel wordt niet bereikt door ons een intellect te geven om daarmee God verstandelijk te leren kennen. Hem kennen en begrijpen kan alleen via de weg van ‘de geest van wijsheid en openbaring in de kennis van Hem’. In algemene zin kun je zeggen dat God iedere gelovige van alle wijsheid en inzicht heeft voorzien (vers 88waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;). Toch is het bewust leren kennen en genieten van Gods raadsbesluiten iets anders. Daarvoor is het nodig, niet alleen wijsheid te bezitten, maar ook ‘de geest van wijsheid’, die jou ernaar doet verlangen om geestelijk in te dringen in Wie God is. Ware wijsheid is het leren kennen van God, opdat die kennis je hele leven doortrekt. Wie Hem kent, kent ook Zijn plannen.

Toch is ook dat niet alles. We zullen ons ook bewust moeten zijn dat het kennen van God niet alleen afhangt van onze inspanning, maar mede afhangt van de openbaring die Hij van Zichzelf geeft. Hier gaan het verlangen van de gelovige en het werk van God hand in hand. Als we veel van God wensen te kennen, komt ons dat niet als vanzelf aanwaaien. En als we veel van God mogen kennen, zullen we ons nooit kunnen beroemen op eigen inspanning.

Als we wat meer leren kennen van de waarheid van God, is het gevaar groot dat we vergeten dat we voor het geestelijk verstaan ervan van Hem afhankelijk zijn en blijven. Dit gevaar is groter naarmate we een goed verstand en een goed geheugen hebben. Het is belangrijk te blijven beseffen: wat we weten, weten we omdat Hij het ons heeft geopenbaard.

Verder is het niet onbelangrijk om te begrijpen dat Paulus niet bidt om de kennis van waarheden. Het gaat niet om het leren kennen van waarheden, van dogma’s en leerstellingen, maar om de ‘volle kennis’, zoals er letterlijk staat, van God. Als we de hoop, de rijkdom en de kracht mogen leren kennen van wat ons geschonken is, zullen we dat altijd in verbinding moeten brengen met Hem Die de oorsprong ervan is.

Je kunt deze verklaring lezen en daardoor een goed overzicht krijgen van wat God ons laat zien van Zijn raadsbesluiten. Maar daarmee ken je God nog niet zoals Hij Zich wil laten kennen. Ik sluit me graag bij Paulus aan en bid dat God jou en mij de geest van wijsheid en openbaring zal geven in de kennis van Hem.

Lees nog eens Efeziërs 1:15-17.

Verwerking: Dank en bid voor jezelf en gelovigen die je kent naar het voorbeeld van Paulus hier.


Gods roeping, erfenis en kracht

18verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen, 19en wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte, 20die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten],

V1818verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,. Paulus vraagt ook aan God of Hij de Efeziërs “verlichte ogen van <uw> hart” wil geven. Hij bidt dus niet om ‘verlichte ogen van het verstand’. Zoals al opgemerkt, gaat het bij het begrijpen van de dingen van God en het in praktijk brengen ervan niet in de eerste plaats om ons intellect, maar om onze gezindheid, onze verlangens.

Met ‘hart’ wordt niet een lichaamsdeel bedoeld, maar de innerlijke mens, de plaats waar alle overleggingen plaatsvinden. Het ‘hart’ ziet op de gevoelens en verlangens, de motieven, die een mens in zijn spreken en handelen leiden. Zoals het hart als lichaamsdeel het middelpunt is van het lichamelijk bestaan, zo gebruikt Paulus het woord ‘hart’ hier als middelpunt van het geestelijk bestaan. Hij vraagt nu aan God of Hij dit centrum wil voorzien van ‘verlichte ogen’. Alleen dan kun je verder kijken naar wat volgt en dat ook begrijpen.

Als jij ernaar verlangt te weten wat jouw zegeningen zijn, zul je daarvoor ook geestelijk inzicht krijgen. De Heilige Geest komt aan je verlangen tegemoet door je voor te lichten over de dingen van God en ze begrijpelijk aan je voor te stellen. Je zult te weten komen, aanvoelen met je hart en er ook van genieten, wat wordt bedoeld met Gods roeping, Gods erfenis en Gods kracht. Want dat is uiteindelijk het doel van zijn gebed: “Opdat u weet.”

Hij vraagt vervolgens niet dat de gelovigen zouden weten welke heerlijke zegeningen zíj ontvangen hebben. Dan zou er hebben gestaan ‘onze roeping’ en ‘onze erfenis’. Als wij aan onze zegeningen denken, denken we vaak alleen aan de grote voorrechten die wij daardoor hebben gekregen en de grote vreugde die wij eraan beleven. En natuurlijk heeft God ons die zegeningen ook dáárvoor gegeven. Toch wordt het in deze verzen niet op die manier aan ons voorgesteld. Hier gaat het erom dat wij uitstijgen boven alle voordelen en vreugden die de zegeningen óns opleveren.

Paulus bidt ervoor dat de Efeziërs, en ook wij, ertoe komen te zien dat het allemaal van God is uitgegaan en dat Zijn doel is dat Hij erdoor verheerlijkt wordt. Als je daar zo over nadenkt, voel je des te beter aan hoe noodzakelijk dit gebed van Paulus is. Zo naar onze zegeningen kijken, dat wil zeggen in verbinding met de Bron, de Vader der heerlijkheid, vraagt van ons dat we onszelf vergeten. Dat is best moeilijk, maar als het gebed van Paulus effect heeft, zal dat een enorme verrijking van ons geestelijk leven betekenen.

Dan nu de kern van Paulus’ gebed. Hij bidt ervoor dat ze drie dingen zullen weten. Het eerste is “de hoop van Zijn roeping”, dat is de roeping van God. Gód heeft ons geroepen. Waartoe? Dat hebben we in de verzen 3-63Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde, van dit hoofdstuk gezien. Daar staat dat God ons heeft uitverkoren, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde en dat Hij ons tevoren heeft bestemd tot het zoonschap voor Zichzelf. Doordat Hij ons nu geroepen heeft, zijn onze uitverkiezing en voorbestemming werkelijkheid geworden. Zie je hoe heerlijk, hoe geweldig, hoe overweldigend die roeping van Hem is? God heeft het van eeuwigheid in Zijn hart om ons, jou en mij, dit te geven. En op Zijn tijd heeft Hij ons geroepen en ons er deel aan gegeven.

Het volle resultaat van Zijn roeping zullen we pas kennen en genieten als we bij Hem zijn in Zijn heerlijkheid, in het Vaderhuis. Vandaar dat er staat “de hoop van Zijn roeping”. Vind je ook niet dat Hem hiervoor aanbidden de enig juiste reactie kan zijn?

Het tweede wat ze moeten weten, is “wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen”. Over die erfenis heeft Paulus het gehad in de verzen 10-1410dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;13in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid. van dit hoofdstuk. Daar zie je dat wij, als erfgenamen, samen met Christus die erfenis zullen bezitten. Maar hier gaat het erom te zien dat het Gods erfenis is. Dat wil zeggen dat God alle dingen zal bezitten. Híj zal geëerd worden door de hele schepping en elke knie zal zich voor Hém buigen.

God zal Zijn erfenis in bezit nemen door Zijn heiligen, dat zijn wij, de gelovigen van de gemeente. Je kunt dat vergelijken met de wijze waarop God het land Kanaän, dat Hij Zíjn land noemt (Lv 25:2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.), in bezit heeft genomen. Hij heeft daarvoor Zijn volk Israël gebruikt. Zij hebben het land in bezit genomen door alle vijanden eruit te verjagen. Zo kon Zijn volk er wonen en kon Hij in hun midden wonen.

Zo zal het ook gaan met de schepping. Christus zal daarover heersen, samen met de gemeente. Wanneer de ‘heiligen’ regeren, heeft God Zijn erfenis in bezit genomen. En de heiligen zullen heersen tot in alle eeuwigheid (Op 22:5b5En er zal geen nacht meer zijn en lamplicht en zonlicht hebben zij niet nodig, want [de] Heer, God, zal over hen lichten; en zij zullen regeren tot in alle eeuwigheid.). Dan is het ogenblik aangebroken dat God zal zijn “alles in allen” (1Ko 15:2828Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.)).

In de hele schepping die er dan zal zijn, zal geen wanklank meer gehoord worden. Er is niets meer in strijd met Gods heilig en rechtvaardig Wezen. God zal alles vervullen met Zijn heerlijkheid. Hoe groot moet de rijkdom daarvan zijn, als we, waar we ook kijken, alleen de heerlijkheid van God waarnemen. Verlang je er niet naar, daar nu al meer van te weten?

V1919en wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte,. Het derde waarvoor Paulus bidt, is dat we zullen weten “wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven”. Hiermee begint een nieuw gedeelte, dat doorloopt tot Efeziërs 2:10. In dit gedeelte wordt ons verteld op welke wijze God ons de zegeningen van de verzen 3-143Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,8waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;9daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,10dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;13in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid. kon en ook zal schenken.

Hoe heeft God ons, die dood waren in onze overtredingen en zonden (Ef 2:11En u [heeft God opgewekt], toen u dood was in uw overtredingen en zonden,), zulke heerlijke zegeningen kunnen geven? Dat kon Hij alleen omdat Hij uitnemend groot van kracht is. En om te weten hóe groot de kracht is “jegens ons die geloven”, moeten we letten op wat Hij deed met Christus: Hij wekte Hem op “uit [de] doden” en heeft Hem vervolgens een plaats gegeven boven elke denkbare macht. Daarin mogen we zien wat God met ons ‘die geloven’ heeft gedaan.

Het eerste wat we in deze brief over Christus lezen in verband met Zijn verblijf op aarde, is dat Hij dood was. Over Zijn volmaakte leven op aarde lezen we hier niets. Dat Hij hier zo wordt voorgesteld, is omdat Hij daarmee onze plaats innam. Wilde God Zijn zegeningen echt aan ons kunnen geven, dan was het nodig dat Christus ons opzocht en Zich met ons vereenzelvigde in de situatie waarin wij ons bevonden. Wij bevonden ons in de dood door onze overtredingen en zonden. Hij ging vrijwillig in de dood en alles wat God vervolgens met Christus deed, heeft Hij ook met ons gedaan. Dat laat Efeziërs 2:1-10 ons zien. God kon dat doen omdat deze Mens Hem op aarde volmaakt in alles heeft verheerlijkt.

V2020die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten],. ‘De uitnemende grootte van Zijn kracht’ die God aan ons heeft bewezen, heeft Hij eerst aan Christus bewezen “door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten]”. Hier zien wij Gods kracht werkzaam met een kracht die ook in ons werkt. Maar eerst wordt Christus voorgesteld. Dat is om ons helder voor de aandacht te stellen dat we nooit iets van onze zegeningen zullen begrijpen als we niet leren zien op de Heer Jezus en de plaats die Hij als Mens nu inneemt, de plaats aan Gods rechterhand in de hemelse gewesten.

Lees nog eens Efeziërs 1:18-20.

Verwerking: Voor welke dingen bidt Paulus dat we die zullen weten?


De gemeente, Christus’ lichaam

21boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige eeuw. 22En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente, 23die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult.

V2121boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige eeuw.. God heeft de Heer Jezus een plaats gegeven die alles te boven gaat. Die plaats heeft Hij als Mens gekregen. Als Schepper was Hij altijd al boven alles verheven, maar nu is Hij als Mens boven elke denkbare macht verheven, in de mensenwereld en ook in de wereld van engelen en demonen. En niet alleen nu, maar ook in de toekomst.

In de toekomst zullen zich machten openbaren die elke vroegere macht in de schaduw stellen. Je vindt ze onder andere in het boek Openbaring. Daar worden ‘het beest uit de zee’ en ‘het beest uit de aarde’ beschreven (Op 13:1-181En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.11En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.). Zij zullen met een bijna onbegrensde macht een afschuwelijk schrikbewind voeren tijdens een periode die door de Heer Jezus wordt genoemd “een grote verdrukking zoals er niet geweest is van het begin van de wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen”. Maar Hij zal ervoor zorgen dat de dagen van het schrikbewind van de beide beesten verkort zullen worden (Mt 24:21-2221Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.22En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.). Zo groot is de macht van onze Heiland.

Niet alleen dan toont Hij een macht die elke vergelijking tart. Wij weten dat Hem nu al “alle macht in hemel en op <de> aarde” is gegeven (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.), hoewel die macht nu nog niet openlijk zichtbaar is. Het lijkt erop dat alle beslissingen die betrekking hebben op het leven in deze wereld in Washington, Brussel of Moskou worden genomen. Maar het geloof kijkt naar boven, ver voorbij de machtigste mensen op aarde, en ziet de Heer Jezus aan de rechterhand van God.

En wat te denken van de verleidende demonen, vol onreinheid, die het denken van miljarden mensen via tv, internet en spirituele centra vergiftigen. Maar het geloof kijkt naar boven, voorbij de gemeenste en invloedrijkste demonische machten en ziet de Heer Jezus aan de rechterhand van God. In Hebreeën 2 staat het zo: “Nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen; maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan de engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond” (Hb 2:8-98alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen;9maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.). Bij Hem valt alle menselijke en duivelse macht in het niet!

Het onderscheid tussen de verschillende namen van de machten waarboven de Heer Jezus is verheven, is niet zo gemakkelijk aan te geven. Ik heb in een woordenboek gekeken, waar nieuwtestamentische woorden worden verklaard. Aan de hand daarvan zal ik een poging wagen.

1. “Overheid” ziet op een plaats boven en over anderen.
2. “Gezag” is de vrijheid en het recht om macht uit te oefenen.
3. “Kracht” is de bekwaamheid en de mogelijkheid die iemand bezit om iets tot stand te brengen.
4. “Heerschappij” ziet ook op een plaats boven anderen, maar daarbij zijn anderen onderworpen, terwijl het bij ‘overheid’ meer om de positie zelf gaat.
Boven al deze vormen van macht is de Heer Jezus verheven.

V2222En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,. Behalve dat Hij boven alles is verheven, is ook alles aan Zijn voeten onderworpen. Hoewel alle ongelovige mensen en alle demonen zich nog niet onderworpen hebben, heeft God dat wel in Zijn raadsbesluit vastgelegd. En het zal zeker gebeuren, omdat God het zo wil. De Heer Jezus is nu al boven alles verheven en binnenkort zal ook alles zichtbaar aan Hem onderworpen zijn, omdat Hij Zichzelf op het kruis heeft vernederd tot in de dood: “Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is, opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader” (Fp 2:9-119Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,10opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.). Alles zal aan Hem onderworpen zijn.

Toch zijn er uitzonderingen. De eerste vinden we in 1 Korinthiërs 15 (1Ko 15:2727Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.). Daar lezen we dat God, Die alles aan de Heer Jezus onderworpen heeft, wordt uitgezonderd. Dat is nogal logisch. Maar nu komt wat bijna niet te geloven is, wat geen mens ooit had kunnen bedenken: de tweede uitzondering is de gemeente. Hoe kon God dit doen? Hij kon dit doen door de Heer Jezus en de gemeente tot een eenheid te verenigen. God heeft de Heer Jezus “als hoofd over alles gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is”. Het is duidelijk dat een lichaam en een hoofd een ondeelbare eenheid vormen. Hier vinden we de ontvouwing van het grote geheim dat in vers 1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus; al is aangeduid. Hoe kan de gemeente samen met Christus regeren? Door een met Hem te worden.

En dan de manier waarop God het doet: Hij geeft niet de gemeente aan Christus, maar Hij geeft Christus als een geschenk aan de gemeente. Zo staat het hier. Als wij een geschenk aan iemand geven is de persoon altijd meer waard dan het geschenk. Dat kan hier de gedachte natuurlijk niet zijn, maar het geeft wel aan hóe God de gemeente waardeert.

Hij vindt de gemeente zó belangrijk, dat Hij haar niet alleen vanaf alle eeuwigheid in Zijn raadsbesluit heeft gekend, maar ook dat Hij het liefste wat Hij heeft, Zijn eigen Zoon, aan haar heeft gegeven. God geeft de Heer Jezus aan de gemeente terwijl Hij “Hoofd over alles” is. Daardoor is de gemeente ook tot die positie opgetrokken. Het is ermee als met Adam en Eva. Wanneer Adam door God als hoofd van de schepping in het paradijs is geplaatst, krijgt hij in die positie Eva. Zij mag samen met hem de schepping besturen.

V2323die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult.. En nog is niet alles gezegd over alle heerlijkheid waarin de gemeente deelt door haar eenheid met de Heer Jezus als Mens. De slotwoorden van Efeziërs 1 voegen nog iets toe wat ons verstand echt ver te boven gaat. Het is iets wat alleen met ‘verlichte ogen van het hart’ (vers 1818verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,) gezien en bewonderd kan worden. Van de gemeente als lichaam wordt nog gezegd dat zij “de volheid van Hem Die alles in allen vervult” is. Hier staat dat de gemeente ‘de volheid’ van de Heer Jezus is, dat wil zeggen dat zij Hem compleet maakt, Hem aanvult tot de volkomen Mens Jezus Christus. Als de Mens Jezus Christus eenmaal over alle dingen zal regeren, zal dat, met eerbied gezegd, een complete Mens zijn: Man en vrouw.

Dit herkennen we ook bij Adam. Wanneer hij uit zijn doodsslaap ontwaakt en Eva ziet, zegt hij: “Deze is ditmaal been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees” (Gn 2:21-2321Toen liet de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees.22En de HEERE God bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar bij Adam.23Toen zei Adam:
Deze is ditmaal
been van mijn beenderen,
en vlees van mijn vlees!
Deze zal mannin genoemd worden,
want uit de man
is zij genomen.
)
. Het gegeven dat een groep mensen het lichaam van Christus zou vormen, is nergens in het Oude Testament te vinden. Dat kon pas nadat de Heer Jezus in de hemel was teruggekeerd en de Heilige Geest kon komen om de gelovigen tot dat lichaam te vormen (1Ko 12:1313Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven.). De gemeente wordt hier gezien als het totaal van alle gelovigen vanaf de Pinksterdag tot haar opname.

En dan nog de woorden “Die alles in allen vervult”. Hier staan we voor een geheim dat wij nooit zullen kunnen doorgronden: Hij, Die als Mens compleet wordt gemaakt door de gemeente, is in Zichzelf ook volkomen! Met die volkomenheid vervult Hij het hele universum. Hij is altijd en overal aanwezig (Jr 23:2424Zou iemand zich op verborgen plaatsen kunnen verbergen
en zou Ík hem niet zien? spreekt de HEERE.
Vervul Ik niet de hemel en de aarde?
spreekt de HEERE.
)
. Nooit mogen we vergeten dat Hij met Wie wij als Mens verenigd zijn, toch altijd blijft: de eeuwige Zoon van God.

Lees nog eens Efeziërs 1:21-23.

Verwerking: Welke aspecten van de grootheid van de Heer Jezus heb je in deze verzen ontdekt? Prijs Hem daarvoor.


Lees verder