1 Korinthiërs
1-4 Het evangelie van de behoudenis 5-19 De opstanding van Christus 20-28 De regering van Christus 29-34 Leven met de dood voor ogen 35-44 Hoe de doden worden opgewekt 45-52 Een verborgenheid onthuld 53-58 Onze arbeid is niet vergeefs in de Heer
Het evangelie van de behoudenis

1Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u ook hebt aangenomen, waarin u ook staat, 2waardoor u ook behouden wordt (als u vasthoudt aan het woord dat ik u heb verkondigd), tenzij u tevergeefs hebt geloofd. 3Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften; 4en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften;

Het hoofdstuk dat je nu voor je hebt, is het langste van de brief. Net als in de vorige hoofdstukken gaat Paulus hier in op iets wat bij de Korinthiërs gecorrigeerd moet worden. Deze keer betreft het niet een verkeerde praktijk, maar een verkeerde leer. Niet dat praktijk en leer van elkaar te scheiden zijn. Je zult zien dat met een verkeerde leer altijd een verkeerde praktijk samengaat. In positief opzicht is dat ook zo. Wanneer je je met de gezonde leer van de Bijbel bezighoudt, zal dat een gezond, evenwichtig christelijk leven tot gevolg hebben.

De verkeerde leer waarom het in dit geval gaat, heeft te maken met de opstanding van de doden. Er zijn mensen die verkondigen dat er geen opstanding van de doden is (vers 1212Als nu Christus gepredikt wordt dat Hij uit [de] doden is opgewekt, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen opstanding van doden is?). Wat de gevolgen van deze dwaling zijn, doet Paulus in dit hoofdstuk duidelijk uit de doeken. Zoals dat vaak het geval is, gebruikt hij ook hier de verkeerde leer die gepredikt wordt om je veel te vertellen over Christus. Hij laat zien welke gevolgen een bepaalde leugenachtige leer heeft voor de Persoon van Christus.

Daar kun je van leren. Wanneer je te maken krijgt met mensen die je iets willen laten geloven waarvan je niet weet of het in overeenstemming is met de Bijbel, kun je je het beste afvragen welke gevolgen die leer heeft voor de Persoon en het werk van de Heer Jezus.

Wat Paulus tevens doet, is laten zien wat de waarheid van God is, hoe je het werkelijk moet zien. Hij gebruikt de gelegenheid om de gelovigen verder te onderwijzen over het onderwerp dat door de vijand wordt aangevallen. Met betrekking tot de opstanding gaat hij zelfs een verborgenheid bekendmaken (verzen 51-5551Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,52in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.53Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen.54En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’.55‘Waar is, dood, uw prikkel? Waar is, dood, uw overwinning?’). Zodoende wordt dit hoofdstuk een mooi en indrukwekkend hoofdstuk.

V11Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u ook hebt aangenomen, waarin u ook staat,. Voordat Paulus in bijzonderheden over de opstanding gaat spreken, houdt hij de Korinthiërs in de eerste verzen op eenvoudige en indringende wijze nog eens het evangelie voor. Hij heeft het hun verkondigd, maar het is nodig het hun nog een keer bekend te maken. Het lijkt erop dat ze het vergeten zijn, misschien omdat ze onder de invloed zijn gekomen van dwaalleraren die hen op een dwaalweg hebben gebracht over het feit van de opstanding. Daarom laat hij direct aan het begin zien dat zij hun behoudenis op het spel zetten als zij deze dwaling geloven. Hij zegt het met opzet zó, om daardoor de ernst van de dwaling aan te geven en wat je riskeert als je die dwaling gaat volgen.

Het is een zekerheid dat gelovigen niet verloren kunnen gaan. De Heer Jezus geeft daarvoor de absolute garantie (Jh 10:28-2928En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand.29Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader.). Deze garantie ligt bij Hem, Hij garandeert het. Paulus heeft het hier echter niet over wat de Heer Jezus doet, maar over de verantwoordelijkheid van de gelovige. Dat moet je goed onderscheiden. Er zijn meerdere teksten die dat onderscheid maken.

Lees bijvoorbeeld eens Kolossenzen 1:22-23. Daar lees je wat God doet (Ko 1:2222in het lichaam van Zijn vlees door de dood, om u heilig, onberispelijk en onstraffelijk voor Zich te stellen;) en wat de gelovige moet doen (Ko 1:2323als u namelijk blijft in het geloof, gegrond en vast, en zich niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in [de] hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.). Zie je dat dit laatste vers begint met “als”? In zinnen die met dit woord ‘als’ beginnen, gaat het vaak over de verantwoordelijkheid van de gelovige. Een ander voorbeeld lees je in Hebreeën 3 (Hb 3:66maar Christus als Zoon over Zijn huis, Wiens huis wij zijn, als wij de vrijmoedigheid en het roemen in de hoop <tot [het] einde toe onwrikbaar> vasthouden.).

V22waardoor u ook behouden wordt (als u vasthoudt aan het woord dat ik u heb verkondigd), tenzij u tevergeefs hebt geloofd.. Het woord “als” tref je ook in dit vers aan. Het is niet bedoeld om je aan het twijfelen te brengen wat je behoudenis betreft. De bedoeling ervan is je aan te spreken op je belijdenis. Heb je je echt bekeerd en heb je het evangelie, de blijde boodschap van God echt aangenomen? Sta je daarin, zonder te twijfelen? Weet je zeker dat je erdoor behouden zult worden, dat wil zeggen, dat je eenmaal de hemel zult binnengaan? Zo spreekt Paulus de Korinthiërs toe.

Hij heeft aan deze diep verloren zondaars het evangelie, de blijde boodschap van God, verkondigd. Hij heeft gezien dat ze die blijde boodschap hebben aangenomen. Hij weet dat ze erin staan, dat ze vastigheid hebben gekregen en niet meer heen en weer gedreven worden door hun begeerten. Hij weet dat ze daardoor veilig het einddoel zullen bereiken. Maar … zij moeten bewijzen dat het echt is doordat ze vasthouden aan wat ze van Paulus hebben gehoord.

Dat geldt ook voor jou en mij. Jij kunt maar op één manier tonen dat je belijdenis echt is, puur, en dat is door te laten zien dat je vasthoudt aan het Woord van God. Anders heb je “tevergeefs” geloofd. ‘Tevergeefs’ wil zeggen dat je geloof dan leeg, inhoudsloos, is.

V33Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften;. Om hen nog eens goed van de inhoud en de waarde van het evangelie te doordringen wijst hij in de eerste plaats op de manier waarop hij het hun heeft gebracht. Hij heeft hun niets anders verteld dan wat hijzelf direct van de Heer heeft ontvangen. Hij heeft het van niemand anders gehoord, zodat misverstand uitgesloten is. In de tweede plaats kunnen zij de inhoud van het evangelie controleren, want het is “naar de Schriften”. In de Schrift staat te lezen over het werk van Christus.

Paulus doet er alles aan om de juistheid van het evangelie dat zij hebben gehoord zeker te stellen. Ik ben maar wat blij dat hij het zo duidelijk zegt. Er is geen twijfel mogelijk over de inhoud van het evangelie. Het gaat om Christus en wat er met Hem is gebeurd. Doordat er twee keer “naar de Schriften” staat, kun je zeggen dat het evangelie op twee pijlers rust. Neem je er één van weg, dan houd je geen evangelie over.

De eerste pijler is “dat Christus voor onze zonden gestorven is”. De dood van Christus was nodig omdat wij gezondigd hebben. Om ons te kunnen verlossen van onze zonden moest Hij sterven in onze plaats, terwijl Hij onze zonden op Zich nam. God heeft onze zonden geoordeeld in Hem.

V44en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften;. Als dit het enige zou zijn, zouden wij nooit hebben geweten, of God ook echt tevreden was met wat Zijn Zoon heeft gedaan. Daarom was het nodig dat Hij de Heer Jezus opwekte uit de doden als het bewijs dat Zijn werk volkomen volbracht is en door Hem is aanvaard.

De tweede keer dat er “naar de Schriften” gezegd wordt, volgt op: “Dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt.” De begrafenis én de opwekking worden in één adem genoemd. Daarin ligt een geweldige troost bij elke begrafenis van een gelovige. De begrafenis vindt plaats met het oog op de opstanding. Wie iemand heeft moeten begraven van wie hij veel heeft gehouden, mag weten dat er een weerzien is. Dat zal gebeuren bij de opstanding. Het zal dan allemaal veel mooier zijn dan op aarde. Hóe dat zal zijn, wordt vanaf vers 4242Zo is ook de opstanding van de doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, er wordt opgewekt in onvergankelijkheid; duidelijk gemaakt.

Uit het hele hoofdstuk blijkt hoe belangrijk het geloof in de lichamelijke opstanding is. Ook het boek Handelingen getuigt daarvan. Wanneer in Handelingen 1 er een nieuwe apostel moet worden aangesteld in de plaats van Judas, moet de te kiezen apostel kunnen getuigen van “Zijn opstanding” (Hd 1:21-2321Er moet dan van de mannen die met ons samen kwamen al [de] tijd dat de Heer Jezus onder ons inging en uitging,22te beginnen bij de doop van Johannes tot op de dag dat Hij van ons werd opgenomen, een van hen met ons getuige van Zijn opstanding worden.23En zij stelden er twee: Jozef, Barsabas geheten, die bijgenaamd was Justus, en Matthias.), dat is de opstanding van Christus. In de toespraken van Petrus en ook in enkele toespraken van Paulus wordt de opstanding vermeld (Hd 2:3131heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.; 3:1515de Vorst van het leven echter hebt u gedood, Die God heeft opgewekt uit [de] doden, van Wie wij getuigen zijn.; 4:2,102zeer verstoord dat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit [de] doden verkondigden.10laat dan aan u allen en aan het hele volk van Israël bekend zijn, dat door de Naam van Jezus Christus de Nazoreeër, Die u hebt gekruisigd, Die God uit [de] doden heeft opgewekt, door die [Naam] deze gezond voor u staat.; 5:3030De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, Die u hebt omgebracht door Hem te hangen aan een hout.; 10:4040Deze heeft God op de derde dag opgewekt, en gegeven dat Hij openbaar werd,; 13:3030God echter heeft Hem uit [de] doden opgewekt,; 17:3131omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken.). Geloof in de opstanding maakt een wezenlijk deel uit van het christelijk geloof. Wie niet in de opstanding gelooft, kan zich wel christen noemen, maar is geen kind van God.

Nu kan het gebeuren dat je mensen hoort spreken over de opstanding, maar dat ze daar iets totaal anders mee bedoelen dan wat je in dit hoofdstuk leert. Zij bedoelen daarmee een reïncarnatie, dat is een opnieuw verschijnen in deze wereld nadat men gestorven is, maar dan in een andere gedaante. Mensen die in deze leugen geloven, tref je helaas steeds meer aan. Je kunt hier maar één ding tegenoverstellen en dat is hun voorhouden wat Paulus hier over de opstanding zegt. Dat is de waarheid waardoor de leugen ontmaskerd wordt.

Lees nog eens 1 Korinthiërs 15:1-4.

Verwerking: Wat is het belang van de opstanding?


De opstanding van Christus

5en dat Hij aan Kefas is verschenen, daarna aan de twaalf. 6Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten tot nu toe in leven, maar sommigen ontslapen zijn. 7Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. 8En het allerlaatst is Hij ook aan mij, als aan een misgeboorte, verschenen. 9Want ik ben de geringste van de apostelen, ik, die niet waard ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God heb vervolgd. 10Maar door [de] genade van God ben ik wat ik ben; en Zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God met mij. 11Hetzij dan ik of zij, zó prediken wij en zó hebt u geloofd. 12Als nu Christus gepredikt wordt dat Hij uit [de] doden is opgewekt, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen opstanding van doden is? 13Maar als er geen opstanding van doden is, dan is ook Christus niet opgewekt; 14en als Christus niet is opgewekt, dan is <ook> onze prediking vergeefs, en vergeefs is ook uw geloof; 15en dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, omdat wij van God getuigd hebben dat Hij Christus heeft opgewekt, Die Hij niet heeft opgewekt als er inderdaad geen doden worden opgewekt. 16Want als er geen doden worden opgewekt, dan is ook Christus niet opgewekt. 17En als Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof inhoudsloos, dan bent u nog in uw zonden; 18dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren. 19Als wij alleen in dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de ellendigste van alle mensen.

V5-75en dat Hij aan Kefas is verschenen, daarna aan de twaalf.6Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten tot nu toe in leven, maar sommigen ontslapen zijn.7Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen.. Om het feit van de opstanding van de Heer Jezus te onderbouwen roept Paulus een aantal getuigen op, van wie er zelfs nog in leven zijn als hij deze brief schrijft. Het is een feit dat door de Korinthiërs te controleren is. Christus is na Zijn opstanding nooit meer door ongelovigen gezien; daarover vinden we althans geen berichten in de Bijbel. Overal waar over Zijn verschijning na Zijn opstanding wordt gesproken, is dat aan gelovigen.

De Heilige Geest laat Paulus niet alle getuigen noemen. Zo wordt er voorbijgegaan aan Maria Magdalena (Jh 20:11-1811Maria nu stond <buiten> bij het graf te wenen. Terwijl zij dan weende, bukte zij zich voorover in het graf12en zag twee engelen in witte [kleren] zitten, één aan het hoofd en één aan de voeten, waar het lichaam van Jezus had gelegen;13en die zeiden tot haar: Vrouw, waarom ween je? Zij zei tot hen: Omdat zij mijn Heer hebben weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben gelegd.14Toen zij dit had gezegd, keerde zij zich om naar achteren en zag Jezus staan; en zij wist niet dat het Jezus was.15Jezus zei tot haar: Vrouw, waarom ween je? Wie zoek je? Zij meende dat het de tuinman was en zei tot Hem: Heer, als u Hem weggedragen hebt, zeg mij waar u Hem gelegd hebt en ik zal Hem wegnemen.16Jezus zei tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni! – dat wil zeggen: Meester!17Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.18Maria Magdalena ging de discipelen berichten dat zij de Heer gezien en dat Hij haar dit gezegd had.) en aan de Emmaüsgangers (Lk 24:13-2713En zie, twee van hen waren op diezelfde dag op reis naar een dorp dat zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd was, genaamd Emmaüs,14en zij praatten met elkaar over dat alles wat er was voorgevallen.15En het gebeurde, terwijl zij praatten en van gedachten wisselden, dat Jezus Zelf naderde en met hen meeging;16hun ogen werden echter ervan weerhouden Hem te herkennen.17Hij nu zei tot hen: Wat zijn dit voor woorden die u al wandelend met elkaar uitwisselt? En zij bleven met droevig gezicht staan.18Een nu, genaamd Kléopas, antwoordde en zei tot Hem: Bent U alleen een vreemdeling in Jeruzalem dat U de dingen niet weet die daar deze dagen zijn gebeurd?19En Hij zei tot hen: Wat dan? Zij nu zeiden tot Hem: De dingen betreffende Jezus de Nazaréner, Die een Profeet was, krachtig in werk en woord voor God en al het volk,20hoe onze overpriesters en oversten Hem hebben overgeleverd tot [het] doodvonnis en Hem hebben gekruisigd.21Wij echter hoopten dat Hij Degene was Die Israël zou verlossen; maar al met al is het nu al de derde dag sinds dit is gebeurd.22Maar ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons buiten onszelf gebracht: zij waren vroeg bij het graf geweest,23en toen zij Zijn lichaam niet vonden, kwamen zij zeggen dat zij ook een verschijning van engelen hadden gezien, die zeiden dat Hij leeft.24En sommigen van hen die bij ons zijn, gingen weg naar het graf en vonden het zoals ook de vrouwen hadden gezegd; Hem zagen zij echter niet.25En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart in het geloven van alles wat de profeten hebben gesproken!26Moest de Christus dit niet lijden, en [zo] in Zijn heerlijkheid binnengaan?27En te beginnen met Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond.). De getuigen die genoemd worden, zijn om zo te zeggen geselecteerd vanwege óf hun persoonlijke bekendheid, Kefas, dat is Petrus, óf hun aantal, de twaalf, vijfhonderd tegelijk, óf hun speciale plaats, Jakobus, alle apostelen. Daardoor wordt elke twijfel aan de lichamelijke opstanding van Christus weggenomen.

V88En het allerlaatst is Hij ook aan mij, als aan een misgeboorte, verschenen.. Ten slotte noemt Paulus zichzelf. Aan hem is de Heer op een bijzondere manier verschenen. De andere getuigen hebben de Heer gezien tijdens de veertig dagen dat Hij na Zijn opstanding nog op aarde is (Hd 1:33aan wie Hij Zich ook, nadat Hij had geleden, levend heeft vertoond met vele duidelijke bewijzen, terwijl Hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien en met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God betreffen.), maar aan Paulus is de Heer verschenen nadat Hij is teruggegaan naar de hemel. Over deze gebeurtenis lees je in Handelingen 9 (Hd 9:1-91Terwijl nu Saulus nog steeds dreiging en moord blies tegen de discipelen van de Heer, ging hij naar de hogepriester2en vroeg hem om brieven naar Damaskus, voor de synagogen, om, als hij er vond die van de Weg waren, zowel mannen als vrouwen geboeid naar Jeruzalem te brengen.3Terwijl hij echter reisde, gebeurde het dat hij Damaskus naderde; en plotseling omstraalde hem een licht uit de hemel;4en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?5En hij zei: Wie bent U, Heer? En hij zei: Ik ben Jezus, Die jij vervolgt.6Maar sta op en ga de stad binnen en er zal tot je gesproken worden wat je moet doen.7De mannen nu die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen.8Saulus nu stond op van de grond; en hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem in Damaskus.9En hij kon drie dagen niet zien en hij at en hij dronk niet.). Op dat moment vindt dan ook zijn bekering plaats. Zodoende is hij te laat wedergeboren om de Heer hier op aarde als de Opgestane te kunnen zien. Daarom noemt Paulus zich hier “een misgeboorte”.

V99Want ik ben de geringste van de apostelen, ik, die niet waard ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God heb vervolgd.. Als hij daarover schrijft en weer terugdenkt aan de omstandigheden waarin hij toen verkeerde, komt hij opnieuw onder de indruk van de genade van God. Hij kan niet alleen verstandelijk over de waarheid van God spreken. Zijn hart ligt erin. En als hij dan weer ziet waarmee hij bezig was, vernedert hij zich diep voor God. Hij is zijn verleden niet vergeten. Hij is een vervolger van de gemeente van God geweest. Hij noemt zichzelf in 1 Timotheüs 1 “de voornaamste” van de zondaars (1Tm 1:1515Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.). Hij praat zichzelf niet schoon, maar geeft onomwonden toe hoe groot zijn misdaden zijn geweest. Hij doet dat niet vanuit een soort eerzucht, om te laten zien hoe erg het wel met hem gesteld was. Nee, hij doet dat om des te meer de genade van God te laten uitkomen.

Het is geen nederige hoogmoed als hij zichzelf hier “de geringste van de apostelen” noemt. Het is geen verkapte vorm van zelfverheerlijking, als hij van zichzelf zegt dat hij het “niet waard” is “een apostel” genoemd te worden. Hij meent tot in het diepst van zijn ziel wat hij zegt omdat hij onder de indruk is gekomen van de genade van God.

Je kunt hier leren op welke schitterende manier jij je met de waarheid van God kunt bezighouden. Over welke waarheid we ook in de Bijbel lezen, het is altijd Gods bedoeling dat de Heer Jezus er groter door wordt en wij kleiner. Johannes de doper heeft het goed begrepen als hij zegt: “Hij moet meer, maar ik minder worden” (Jh 3:3030Hij moet meer, maar ik minder worden.). Dat kun je elkaar niet geven, dat moet een verlangen van je hart zijn. Als dat in je hart is, komt die bewondering voor Gods genade telkens meer naar voren als je iets in Zijn Woord leest. Je neemt dan de juiste plaats voor God in, zodat Hij je kan gebruiken, want op die manier ben je van waarde voor Hem.

V1010Maar door [de] genade van God ben ik wat ik ben; en Zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God met mij.. Daardoor kan Paulus zeggen dat de genade van God hem heeft gemaakt tot wat hij is. Het is mooi om te zien hoe hij enerzijds zich ervan bewust is dat alles genade is en dat de mens niets is en anderzijds hoe juist het bewustzijn van die genade hem tot grote activiteit aanzet. Hij is met inzet van al zijn krachten aan het werk voor God, zodat hij zelfs zonder enige vorm van zelfverheffing kan zeggen dat hij overvloediger gearbeid heeft dan zij allen. Ook dat schrijft hij niet op zijn eigen rekening, maar rekent dat helemaal toe aan de genade van God die met hem is geweest.

Hij zegt achtereenvolgens:
1. Ik ben niets;
2. wat ik ben, ben ik door genade;
3. daarom heb ik harder gewerkt dan wie ook;
4. maar ook dat harde werken heb ik alleen kunnen doen, omdat Gods genade mij daarvoor de kracht heeft gegeven.

God wil jou leren deze dingen na te zeggen. Niet als een uit het hoofd geleerd lesje, maar door je te oefenen in de praktijk van elke dag.

V1111Hetzij dan ik of zij, zó prediken wij en zó hebt u geloofd.. Het resultaat zal zijn dat Hij alle eer krijgt van de ‘prediking’ die er van jouw leven uitgaat. Dat houdt Paulus de Korinthiërs hier voor. Hij is persoonlijk diep doordrongen van de genade die hem is bewezen bij zijn bekering en tijdens zijn leven erna, net als de andere apostelen. Zó hebben zij het evangelie gepredikt en zó hebben de Korinthiërs het geloofd.

Als wij diep doordrongen zijn van de genade van God die Hij ons bij onze bekering heeft bewezen en die Hij ons nog elke dag bewijst, zullen wij in staat zijn te prediken zoals Paulus en de anderen dat hebben gedaan. Niet dat wij Paulus kunnen evenaren, maar de inhoud en de kracht van onze prediking komen dan van de Bron waaruit ook Paulus put.

V12-1912Als nu Christus gepredikt wordt dat Hij uit [de] doden is opgewekt, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen opstanding van doden is?13Maar als er geen opstanding van doden is, dan is ook Christus niet opgewekt;14en als Christus niet is opgewekt, dan is <ook> onze prediking vergeefs, en vergeefs is ook uw geloof;15en dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, omdat wij van God getuigd hebben dat Hij Christus heeft opgewekt, Die Hij niet heeft opgewekt als er inderdaad geen doden worden opgewekt.16Want als er geen doden worden opgewekt, dan is ook Christus niet opgewekt.17En als Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof inhoudsloos, dan bent u nog in uw zonden;18dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren.19Als wij alleen in dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de ellendigste van alle mensen.. Op een eenvoudige manier wordt in deze verzen aangetoond hoe verstrekkend de gevolgen van de loochening van de opstanding zijn. Wanneer je rustig deze verzen doorleest, voel je de kracht van het betoog van de apostel aan. Het is allemaal even helder en klaar.

Paulus zegt als het ware: ‘Korinthiërs, jullie moeten even doordenken wat het wil zeggen als jullie niet meer in de opstanding van doden geloven. Luister goed: Als er geen doden opstaan, is ook Christus niet opgewekt; als Christus niet is opgewekt, heeft jullie geloof geen enkel nut, want jullie zijn dan nog in je zonden. En wij zijn dan valse getuigen geweest, want wij hebben jullie maar wat op de mouw gespeld in onze prediking. En degenen die al ontslapen zijn, zijn verloren.

Wat zijn we een stelletje grote sufferds als wij alleen in dit leven onze hoop op Christus zouden stellen. Dat zou betekenen dat wij in dit leven afstand doen van de pleziertjes en genoegens van de wereld en in plaats daarvan beproevingen meemaken, terwijl er niets tegenover staat in het hiernamaals. Wij zijn dan de ellendigste van alle mensen. Nu hebben we niets en straks hebben we niets. Alles voor niets.’

De Korinthiërs bedoelen dat allemaal niet zo, maar Paulus toont aan dat dit de gevolgen zijn van wat sommigen onder hen zeggen. Juist de opwekking door God van de Heer Jezus is het zekere bewijs dat alle zonden van alle gelovigen zijn weggedaan.

Je ziet hier ook hoe onafscheidelijk Christus met de gelovigen verbonden is. Wat voor de gelovigen geldt, geldt ook voor Christus. Worden de gelovigen niet opgewekt? Dan is ook Christus niet opgewekt!

Ik heb er al in de inleiding op dit hoofdstuk op gewezen, maar het is goed om het een keer te herhalen, dat Paulus ons hier een goede methode aan de hand doet om een dwaalleer te ontmaskeren. Die methode is: Ga na wat de gevolgen van een bepaalde leer zijn voor Christus en Zijn werk.

Lees nog eens 1 Korinthiërs 15:5-19.

Verwerking: Wat betekent voor jou de genade van God?


De regering van Christus

20(Maar nu, Christus is opgewekt uit [de] doden, als Eersteling van hen die ontslapen zijn. 21Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een mens. 22Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst. 24Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht tenietgedaan heeft. 25Want Hij moet regeren, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. 26Als laatste vijand wordt de dood tenietgedaan. 27Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft. 28Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.)

De verzen die je zojuist hebt gelezen, vormen een soort tussenzin. Sommige vertalingen, zoals deze die hierboven staat, geven dat ook aan door dit gedeelte tussen haakjes te zetten. Het vers hierna, vers 2929Wat zullen anders zij doen die voor de doden worden gedoopt, als doden helemaal niet opgewekt worden? Waarom worden zij dan voor hen gedoopt?, sluit aan op het vers hiervoor, vers 1919Als wij alleen in dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de ellendigste van alle mensen.. We zullen dat zien als we daaraan toe zijn. Tussenzinnen lopen de kans over het hoofd te worden gezien, alsof ze niet zo belangrijk zijn. In de Bijbel is dat niet zo.

Deze tussenzin bijvoorbeeld geeft een schitterend overzicht van de loop van de geschiedenis vanaf de opstanding van Christus tot de eeuwige heerlijkheid, waar de tijd is opgehouden. Het is wel beknopt, maar de toekomst straalt je tegemoet. Het lijkt wel of Paulus niet kán doorgaan met nog meer argumenten op te noemen om de dwaasheid van de dwaling aan te tonen, maar nu eerst de geweldige, positieve gevolgen van de opstanding van Christus wil laten zien.

V2020(Maar nu, Christus is opgewekt uit [de] doden, als Eersteling van hen die ontslapen zijn.. Na de troosteloze conclusie die hij getrokken heeft in het geval dat Christus niet zou zijn opgestaan, klinkt het eerste vers dat je hebt gelezen als een juichkreet: “Christus is opgewekt”! Hij is opgewekt uit de doden. Dat is iets anders dan dat Hij is opgewekt uit de macht van de dood. Dit laatste betekent dat Hij niet door de dood kon worden vastgehouden en dat Hij weer levend is geworden. In deze zin hebben de oudtestamentische gelovigen en ook de discipelen in de opstanding van de doden geloofd. Ze hebben geloofd dat de doden die in het geloof gestorven zijn, weer een keer levend zullen worden.

Wanneer de Heer op een zeker ogenblik spreekt over Zijn opstanding uit de doden, begrijpen Zijn discipelen niet wat Hij daarmee bedoelt (Mk 9:9-109En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Hij hun dat zij niemand zouden vertellen wat zij hadden gezien, voordat de Zoon des mensen uit [de] doden was opgestaan.10En zij hielden dit woord vast, terwijl zij zich onder elkaar afvroegen wat het was: uit [de] doden opstaan.). Wat wil het dan zeggen dat Hij uit de doden is opgewekt? Dat wil zeggen dat Hij tussen al de doden uit als Enige is opgewekt. Hij is opgewekt, terwijl alle andere doden in het graf zijn gebleven.

Hij wordt de Eersteling genoemd, want Hij is de Eerste Die opgewekt is. Later zullen er nog meer volgen. In vers 2323Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst. gaat Paulus daarop door. Degenen die later zullen volgen, zijn de gelovigen, want er wordt gesproken over ‘hen die ontslapen zijn’, en het woord ‘ontslapen’ wordt alleen voor gelovigen gebruikt. Ook dat komt in vers 2323Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst. duidelijk naar voren.

V21-2221Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een mens.22Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.. Eerst geeft Paulus in deze verzen aan wat God met de opstanding wil zeggen. Het indrukwekkende van de opstanding van de Heer Jezus is dat de dood overwonnen is door een Mens! De dood is ook in de wereld gekomen door een mens, Adam. God heeft tegen Adam gezegd: ‘Op de dag dat je van de boom van de kennis van goed en kwaad eet, zul je sterven.’ Adam is ongehoorzaam geweest en daardoor is de dood in de wereld gekomen.

Maar nu is door een andere Mens de opstanding van de doden een realiteit geworden. Het leek erop dat de dood het laatste woord had en dat alle plannen van God niet uitgevoerd konden worden. Niemand is ooit ontkomen aan de gevolgen van Adams daad, allen zijn gestorven. Dat door de macht van God Henoch en Elia zonder te sterven naar de hemel zijn gegaan (Hb 11:55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.; 2Kn 2:1111Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.), staat hier buiten en bevestigt alleen maar dat de macht van God eraan te pas moet komen om aan de dood te ontkomen. Tegenover Adam staat Christus. Omdat Christus is opgestaan uit de dood, zullen allen die bij Hem horen een keer levend gemaakt worden.

V2323Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst.. In dit vers zie je dat er een volgorde in de opstanding is. Er is niet zoiets als een algemene opstanding. De Eersteling, Christus, is al opgestaan. Allen die vanaf Abel – hij is de eerste gelovige die is gestorven – in het geloof gestorven zijn, zijn nog steeds in de graven. Dat zal veranderen wanneer Christus terugkomt. Dan zal Hij allen die in de graven zijn en Hem toebehoren, uit die graven tevoorschijn roepen, zoals Hij Lazarus uit het graf riep (Jh 11:43-4443En na dit gezegd te hebben riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten!44De gestorvene kwam naar buiten, zijn voeten en zijn handen gebonden met grafdoeken, en zijn gezicht was met een zweetdoek omwonden. Jezus zei tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan.).

V24-2524Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht tenietgedaan heeft.25Want Hij moet regeren, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.. Vervolgens zal Hij Zijn koninkrijk oprichten in deze wereld en er duizend jaar lang over regeren. Dat staat niet met zoveel woorden in dit gedeelte, maar dat kun je afleiden uit vers 2424Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht tenietgedaan heeft. en de volgende verzen. Dat zal een heerlijke tijd van vrede en gerechtigheid zijn. Over deze tijd staat veel in de profetieën van het Oude Testament. Ook in het Nieuwe Testament tref je verschillende gedeelten aan die gaan over de openbare regering van de Heer Jezus. Na die heerlijke tijd geeft Hij het koninkrijk over aan God de Vader. Dan is het einde van al het tijdelijke gekomen en begint de eeuwigheid.

Bij Hem is het niet gegaan zoals bij alle andere heersers over de koninkrijken van de aarde, aan wie de regering ontnomen is door vijanden of die hun regering hebben overgedragen aan andere (falende) heersers. Hij draagt Zijn koninkrijk ongeschonden over aan God, gezuiverd van alle kwaad. Zijn regering is een volmaakt rechtvaardige regering waarin voor het verkeerde geen plaats is. Voor Zijn vijanden is er geen mogelijkheid meer om aan de macht te komen. Zij worden volledig beheerst door Hem en nooit zullen zij meer in opstand kunnen komen. Dat ligt opgesloten in de uitdrukking “onder Zijn voeten gelegd”.

V2626Als laatste vijand wordt de dood tenietgedaan.. Dit geldt niet alleen voor alle aardse machten, maar ook voor de laatste vijand die zal worden tenietgedaan, de dood. Job heeft de dood “de koning van de verschrikkingen” genoemd (Jb 18:1414Zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden;
dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen.
)
. Door middel van de dood oefent de duivel nog zijn terreur uit over allen die hij in slavernij houdt (Hb 2:14-1514Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,15en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren.). De dood zal pas helemaal aan het einde van de tijd volledig uit de schepping worden gebannen.

Door de macht van de Heer Jezus zullen ook de ongelovige doden uit hun graven, of waar ze ook maar zijn, tevoorschijn geroepen worden en geoordeeld worden naar hun werken. Dat moment staat op aangrijpende wijze beschreven in Openbaring 20 (Op 20:11-1511En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.12En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.14En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.15En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.).

V2727Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.. Er bestaat dan ook geen enkele twijfel over de allesbeheersende, eeuwige regering van Christus: alles is zonder uitzondering aan Zijn voeten onderworpen. Het is daarbij duidelijk dat God Zelf niet onderworpen is wanneer Hij “alles aan Zijn voeten onderworpen” heeft. God vormt een uitzondering op dit “alles”.

Er is, en dat is een groot wonder, nog een uitzondering op dit ‘alles’ en dat is de gemeente. Deze uitzondering wordt vermeld in Efeziërs 1 (Ef 1:22-2322En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,23die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult.). Daar staat ook dat God alles aan de Heer Jezus heeft onderworpen, zodat de Heer Jezus “Hoofd over alles” is. En, zo lees je daar, het is in deze positie als ‘Hoofd over alles’ dat Hij aan de gemeente is gegeven “die Zijn lichaam is”. De gemeente vormt één lichaam met de Heer Jezus. Dat heb je in een eerder gedeelte van deze brief ook gezien. Als de Heer Jezus regeert, doet Hij dat samen met de gemeente, want een hoofd en een lichaam zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden.

Nadat de Heer Jezus Zijn regering op volkomen wijze heeft uitgeoefend en het koninkrijk aan God de Vader heeft teruggegeven, kan de eeuwigheid aanbreken. In Zijn duizendjarige regering heeft Hij als Mens aan alle verlangens van God voldaan, zonder enig falen. De eerste mens faalt als hij de heerschappij over de schepping krijgt, maar de Heer Jezus faalt niet. Hij heeft als de tweede Mens laten zien hoe God het allemaal heeft bedoeld.

Hij heeft in alles God de eer gegeven. Dat heeft Hij altijd gedaan en dat zal Hij eeuwig doen. Hij heeft het gedaan toen Hij als Mens in zwakheid op aarde was, vanaf Zijn geboorte tot Zijn dood. Dat zal Hij doen wanneer Hij, nog steeds als Mens, in heerlijkheid en kracht de duizend jaar zal regeren, wanneer God alles aan Hem heeft onderworpen. Hij zal het ook doen als er van regeren geen sprake meer is en de eeuwigheid is aangebroken.

V2828Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.). Als er staat dat ook de Zoon Zelf aan God onderworpen zal zijn, heeft dat betrekking op de eeuwigheid. Hoe moet je je dat nu voorstellen? De Zoon is toch God? Is God dan onderworpen aan God? Je staat hier voor een niet te doorgronden geheimenis. Het wonder van de Persoon van de Zoon bestaat hieruit dat Hij God en Mens in één Persoon is, volmaakt God en volmaakt Mens.

Hij is eeuwig God en is Mens geworden, zonder dat Hij ophoudt God te zijn (Jh 1:1-3,141In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.2Dit was in [het] begin bij God.3Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.14En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.). De Zoon is Mens geworden en daarin onderworpen aan de wil van God. Die wil heeft Hij volmaakt uitgevoerd. Hij is Mens geworden om dat tot in eeuwigheid te blijven. Hij zal als Mens ook in de eeuwigheid in alles de wil van God uitvoeren.

Hij, de eeuwige Zoon, is Mens geworden tot in eeuwigheid, opdat God alles in allen zal kunnen zijn. Wanneer dat ogenblik is aangebroken, zijn alle voornemens van God in vervulling gegaan. De eeuwige rust voor God is aangebroken. De liefde en de macht van God hebben op alle terreinen de overwinning behaald. God kan rusten in Zijn liefde. Alles wat er om Hem heen is, zal er zijn voor Hem en alles wat er is, zal zich in Hem verblijden. Overal en in alles zal God te zien zijn en niets anders. Al de wensen van Zijn hart zijn dan volmaakt vervuld …

Lees nog eens 1 Korinthiërs 15:20-28.

Verwerking: Wat spreekt jou het meest aan wanneer je aan de eeuwigheid denkt?


Leven met de dood voor ogen

29Wat zullen anders zij doen die voor de doden worden gedoopt, als doden helemaal niet opgewekt worden? Waarom worden zij dan voor hen gedoopt? 30Waarom zijn ook wij ieder uur in gevaar? 31Ik sterf dagelijks, [zoals ik betuig] bij uw roem, <broeders,> die ik heb in Christus Jezus onze Heer! 32Als ik, naar [de] mens [gesproken], in Efeze tegen wilde dieren heb gevochten, wat baat het mij? Als er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. 33Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden. 34Wordt nuchter zoals het behoort en zondigt niet; want sommigen zijn onwetend aangaande God; ik zeg het tot uw beschaming.

V2929Wat zullen anders zij doen die voor de doden worden gedoopt, als doden helemaal niet opgewekt worden? Waarom worden zij dan voor hen gedoopt?. Na uit de volheid van zijn hart te hebben gesproken over de toekomstige regering van Christus pakt Paulus hier de draad van zijn betoog weer op die hij in vers 1919Als wij alleen in dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de ellendigste van alle mensen. heeft losgelaten. Hij brengt een nieuw argument naar voren om daarmee het belang van de opstanding nog verder te onderstrepen. Dat argument is de doop. Het lijkt je misschien ver gezocht, maar je zult zien hoeveel de doop met de opstanding te maken heeft.

Wat betekent de doop ook alweer? In Romeinen 6 lees je dat de doop een begrafenis voorstelt (Rm 6:3-43Of weet u niet, dat wij allen die tot Christus Jezus gedoopt zijn, tot Zijn dood gedoopt zijn?4Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.). Door je te laten dopen laat je zien dat je met Christus, Die voor jou gestorven is, begraven bent. Iemand die begraven is, bestaat niet meer voor deze wereld. Door je te laten dopen geef je te kennen dat je de Heer Jezus wilt volgen dwars door een wereld heen waarvoor Christus heeft afgedaan. De doop maakt je tot een volgeling van Hem.

Wanneer je dat consequent wilt doen, zul je net zo door de wereld worden behandeld als de wereld Hem heeft behandeld. De Heer Jezus heeft gezegd dat de mensen van de wereld Hem hebben vervolgd en dat ze ook Zijn discipelen zullen vervolgen (Jh 15:2020Herinnert u het woord dat Ik tot u zei: Een slaaf is niet groter dan zijn heer. Als zij Mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen; als zij Mijn woord hebben bewaard, zullen zij ook het uwe bewaren.). Vanaf het ogenblik dat je bent gedoopt, wil je niet meer voor jezelf leven, maar voor Hem Die voor jou gestorven en begraven is.

Nu ben jij niet de eerste die gedoopt is – ik ga ervan uit dat je gedoopt bent; zo niet, wat verhindert je? Velen zijn jou al voorgegaan. Allen die gedoopt zijn, vormen als het ware een leger dat zich op vijandelijk gebied bevindt. Zij willen allemaal de Heer Jezus volgen dwars tegen verdrukking en vijandschap in. De wereld is nu nog het gezagsgebied van de satan.

Wanneer de Heer Jezus komt, zal dat veranderen, zoals je dat in de verzen 20-2820(Maar nu, Christus is opgewekt uit [de] doden, als Eersteling van hen die ontslapen zijn.21Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een mens.22Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.23Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst.24Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht tenietgedaan heeft.25Want Hij moet regeren, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.26Als laatste vijand wordt de dood tenietgedaan.27Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.28Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.) hebt gezien. Maar in deze tijd moet je erop rekenen dat je niet meegeteld wordt, dat je veracht en verworpen bent. Deze vijandschap kan zelfs zover gaan, dat gelovigen worden gedood. Zo ontstaan er gaten, lege plekken in het leger. Wat is het dan prachtig als er nieuwe volgelingen van Christus komen, die zich laten dopen en zodoende de gaten in de gelederen weer opvullen. Je begrijpt wel dat ik de vergelijking met een leger alleen in geestelijk opzicht maak.

Wat heeft dit alles nu met de opstanding te maken? Lees vers 2929Wat zullen anders zij doen die voor de doden worden gedoopt, als doden helemaal niet opgewekt worden? Waarom worden zij dan voor hen gedoopt? nog maar eens goed. Het gaat daar over gelovigen die gestorven zijn en over anderen die nog leven en gedoopt zijn. Voor de gelovigen die gestorven zijn, is er een einde gekomen aan het volgen van een verworpen Christus, aan een leven van smaad en verachting. Anderen, die de Heer Jezus hebben leren kennen, van wie jij er een bent, hebben zich laten dopen en hebben de opengevallen plaatsen ingenomen. Zij gaan nú achter Hem aan, terwijl zij delen in de smaad en verachting die dat met zich meebrengt.

Wat zou dat allemaal voor zin hebben als er geen opstanding is? Juist het uitzicht op de opstanding brengt mensen ertoe af te zien van een gemakkelijk en aangenaam leven en vrijwillig te kiezen voor een weg van vernedering en bespotting. In de opstanding vindt de vergelding plaats voor al de geleden ontbering. Dan zal God alles vergoeden waarvan in dit leven afstand is gedaan ter wille van Christus.

Je mag je spiegelen aan de Heer Jezus. Hij heeft om de vreugde die vóór Hem lag het kruis verdragen en de schande veracht (Hb 12:1-21Daarom dan ook, daar wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij alle last en de zonde die [ons] licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt,2terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.). In Hebreeën 11 worden gelovigen genoemd die zijn “gefolterd zonder de verlossing aan te nemen, opdat zij een betere opstanding verkregen” (Hb 11:3535Vrouwen kregen hun doden door opstanding terug; anderen echter werden gefolterd zonder de verlossing aan te nemen, opdat zij een betere opstanding verkregen.). Je moet in dit licht dat hele hoofdstuk maar eens lezen (Hb 1:1-401Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,2Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,4zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender Naam geërfd heeft dan zij.5Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?6En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.7En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’,8maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap.9U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’.10En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.11Zij zullen vergaan, maar U blijft;12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’.13Tegen wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’?14Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?).

V30-3130Waarom zijn ook wij ieder uur in gevaar?31Ik sterf dagelijks, [zoals ik betuig] bij uw roem, <broeders,> die ik heb in Christus Jezus onze Heer!. Paulus heeft het ook geweten. Spreekt hij in vers 2929Wat zullen anders zij doen die voor de doden worden gedoopt, als doden helemaal niet opgewekt worden? Waarom worden zij dan voor hen gedoopt? nog over anderen, in de verzen 30-3130Waarom zijn ook wij ieder uur in gevaar?31Ik sterf dagelijks, [zoals ik betuig] bij uw roem, <broeders,> die ik heb in Christus Jezus onze Heer! spreekt hij over zichzelf. De omstandigheden waarin hij leeft, zijn verre van rooskleurig: “Ieder uur in gevaar” en: “Ik sterf dagelijks.”

Dit is niet overdreven. Dat lijkt de Korinthiërs misschien wel zo en daarom zet hij zijn woorden kracht bij door te wijzen op hun roem. Waaruit bestaat hun roem, waarop beroemen zij zich? Welke roem zij ook maar hebben, deze hebben ze doordat hij hun het evangelie heeft gepredikt. Hun roem is daarom zijn roem en die heeft hij in Christus Jezus. Hij voegt eraan toe “onze Heer”. Hij verbindt hier de Korinthiërs met zichzelf als onderworpen aan een gemeenschappelijke Heer.

V3232Als ik, naar [de] mens [gesproken], in Efeze tegen wilde dieren heb gevochten, wat baat het mij? Als er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij.. Paulus heeft heel wat keren oog in oog met de dood gestaan. Voor iemand die zijn Heer en Meester dicht op de hielen volgt, is dit het levenspatroon. Wie zich ervoor inzet om op allerlei manieren en bij elke gelegenheid Christus uit te leven, kent geen ‘einde werktijd’, geen verstrooiend programma met zijn borrelnootjes. Paulus is zich er voortdurend van bewust op welk terrein hij zich bevindt. Voor hem is deze wereld een doorgangsterrein. Hij moet erdoorheen en hij gaat erdoorheen met een duidelijke opdracht.

De rust en de beloning zal hij in de opstanding krijgen. Zolang hij daar nog geen deel aan heeft, is zijn leven een strijd, een gevecht. De mensen die zijn leven belagen, vergelijkt hij met wilde dieren. Het zijn wrede, onverzoenlijke mensen die bloed willen zien. Wat hem in Efeze is overkomen, staat beschreven in Handelingen 19 (Hd 19:23-4123Omstreeks die tijd nu ontstond er een niet geringe opschudding over de Weg.24Want iemand genaamd Demétrius, een zilversmid die zilveren tempels van Artemis maakte, bracht de kunstenaars niet weinig winst aan.25En hij riep hen bijeen alsook de werklieden in dat bedrijf en zei: Mannen, u weet dat wij aan deze winst onze welvaart danken;26en u ziet en hoort, dat deze Paulus een aanzienlijke menigte, niet alleen van Efeze maar bijna van heel Asia, heeft overreed en afkerig gemaakt door te zeggen dat [goden] die met handen worden gemaakt, geen goden zijn.27Nu is er niet alleen gevaar voor ons dat deze bedrijfstak in een kwade reuk komt, maar ook dat de tempel van de grote godin Artemis als niets wordt geteld en dat ook haar majesteit zal ten onder gaan, die door heel Asia en het aardrijk wordt vereerd.28Toen zij nu dit hoorden en met toorn werden vervuld, schreeuwden zij aldus: Groot is de Artemis van [de] Efeziërs!29En de stad raakte vol van de verwarring en zij stormden eendrachtig naar het theater en sleurden Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, reisgenoten van Paulus mee.30Toen nu Paulus zich onder het volk wilde begeven, lieten de discipelen het hem niet toe.31En ook sommigen van de oversten van Asia, die zijn vrienden waren, zonden [een boodschap] naar hem en drongen erop aan zich niet in het theater te begeven.32Sommigen dan schreeuwden dit, anderen dat, want de vergadering was in verwarring en de meesten wisten niet waarom zij waren samengekomen.33Uit de menigte nu lichtte men Alexander in, die de Joden naar voren duwden. En Alexander wenkte met de hand en wilde zich voor het volk verdedigen.34Toen zij echter merkten dat hij een Jood was, ging er één geroep op van allen en ongeveer twee uur lang schreeuwden zij: Groot is de Artemis van [de] Efeziërs!35Nadat nu de stadsschrijver de menigte had gekalmeerd, zei hij: Mannen van Efeze, wie is er toch onder [de] mensen die niet weet dat de stad van [de] Efeziërs tempelbewaarster is van de grote Artemis en van het [beeld] dat uit de hemel is gevallen?36Daar dan deze dingen niet tegen te spreken zijn, moet u zich rustig houden en niets overijlds doen.37Want u hebt deze mannen hier gebracht, die geen tempelrovers zijn en geen lasteraars van onze godin.38Als dan Demétrius en de kunstenaars met hem tegen iemand een zaak hebben, er worden rechtsdagen gehouden en er zijn proconsuls; laten zij elkaar aanklagen.39Als u echter daarenboven nog iets verlangt, zal dat in de wettige vergadering worden beslist.40Wij lopen immers gevaar van oproer te worden beschuldigd wegens vandaag, daar er geen aanleiding is waarover wij rekenschap zullen kunnen geven betreffende deze oploop.41En met deze woorden ontbond hij de vergadering.). Wat je daar leest, is beslist geen kleinigheid. Stel je eens voor dat duizenden mensen massaal tegen jou in opstand komen omdat jij hun het evangelie hebt verkondigd. Zou je dan niet terecht voor je leven vrezen? Mensen veranderen in beesten als ze in massa worden opgezweept. Oorlogen in het verleden en het heden bewijzen dat.

Wat zou het voor zin hebben je leven zo in de waagschaal te stellen als er geen doden worden opgewekt? Dan kun je toch beter vandaag van het leven genieten? Morgen kun je er wel niet meer zijn. Ook mensen die van het leven plukken wat er van te plukken valt, realiseren zich best dat er een ogenblik komt dat ze moeten sterven. Alleen denken ze dat dat pas morgen zal zijn en niet vandaag. Ze schuiven het fatale ogenblik altijd voor zich uit. Ze redeneren: ‘Morgen kan ik sterven, daarom wil ik vandaag nog uit het leven halen wat erin zit.’

V3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.. Dat lijkt logisch en dat is het ook als je geen rekening houdt met de opstanding. Omdat er wel een opstanding is, is deze redenering een dwaling. “Dwaalt niet!” Luister niet naar de mensen die zo denken en leven. Ga er niet mee om! Wie met hen omgaat, zal daardoor tot hetzelfde levenspatroon vervallen.

V3434Wordt nuchter zoals het behoort en zondigt niet; want sommigen zijn onwetend aangaande God; ik zeg het tot uw beschaming.. De apostel waarschuwt de Korinthiërs “nuchter” te worden. ‘Nuchter’ wil zeggen: niet beïnvloed door een bepaalde geest van denken. De christen wordt vaker opgeroepen om nuchter te zijn (1Th 5:6,86Laten wij dus niet slapen zoals de overigen, maar laten wij waken en nuchter zijn.8Maar laten wij die van [de] dag zijn, nuchter zijn, terwijl wij [het] borstharnas van [het] geloof en [de] liefde aangedaan hebben, en als helm [de] hoop van [de] behoudenis;; 2Tm 4:55Maar jij, wees nuchter in alles, lijd verdrukking, doe [het] werk van een evangelist, vervul je dienst ten volle.; 1Pt 1:1313Omgordt daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij [de] openbaring van Jezus Christus.; 4:77Het einde van alles nu is nabij, weest dus bezonnen en nuchter tot gebeden.). Mensen die leven zonder God, maken zichzelf en anderen wijs dat zij nuchter zijn. Ze staan met beide benen op de grond en houden alleen rekening met wat ze kunnen zien, menen ze. Als je gelooft, ben je niet nuchter, maar zweverig, beweren ze.

Geloof er maar niets van. Deze mensen “zijn onwetend aangaande God” en houden daardoor geen rekening met Hem. De werkelijkheid is andersom. Wie nuchter is, luistert naar wat God in de Bijbel zegt en handelt daarnaar. Dan leef je zoals het behoort en zondig je niet.

Onwetend zijn aangaande God is voor de ongelovigen normaal. Hier worden echter gelovigen aangesproken. Als dit van jou en mij gezegd zou moeten worden, zouden wij ons diep moeten schamen. Deze onwetendheid is geen gebrek aan kennis van God omdat je Hem nog maar kort kent. Een kind van God heeft de zalving van de Heilige en weet alles (1Jh 2:2020En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.). Dat wil zeggen dat zo iemand de Heilige Geest heeft ontvangen en daardoor zal aanvoelen of iets wel of niet naar de wil van God is, zonder daarvoor een bepaalde tekst uit de Bijbel te kunnen aanhalen. Natuurlijk zul je veel in de Bijbel lezen om meer van God te leren kennen. De onwetendheid die hier bedoeld wordt, betreft gelovigen die beter hadden moeten weten, maar die door omgang met verkeerde mensen aan het dwalen zijn geraakt.

Neem dit woord ter harte en laat je niet in met mensen, of het nu ongelovigen of ‘gelovigen’ zijn, die je dingen willen laten geloven die in strijd zijn met wat God heeft gezegd. Dat zal je ook bewaren voor een leven dat tot oneer is van God.

Lees nog eens 1 Korinthiërs 15:29-34.

Verwerking: Vind jij het leven met de Heer de moeite, die in deze verzen wordt beschreven, waard?


Hoe de doden worden opgewekt

35Maar, zal iemand zeggen: Hoe worden de doden opgewekt en met wat voor lichaam komen zij? 36Dwaas! Wat u zaait, wordt niet levend, tenzij het sterft; 37en wat u zaait, niet het lichaam dat zal worden zaait u, maar slechts een korrel, hetzij van tarwe of van een van de andere [granen]. 38Maar God geeft er een lichaam aan zoals Hij heeft gewild, en aan elk van de zaden een eigen lichaam. 39Alle vlees is niet hetzelfde vlees, maar een ander is [dat] van mensen, en een ander is [het] vlees van dieren, en een ander is [het] vlees van vogels, en een ander [dat] van vissen. 40En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse [lichamen] is verschillend, en die van de aardse is verschillend. 41[Er is] een andere heerlijkheid van [de] zon, en een andere heerlijkheid van [de] maan, en een andere heerlijkheid van [de] sterren; want [de ene] ster verschilt van [de andere] ster in heerlijkheid. 42Zo is ook de opstanding van de doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, er wordt opgewekt in onvergankelijkheid; 43er wordt gezaaid in oneer, er wordt opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, er wordt opgewekt in kracht; 44er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, er wordt een geestelijk lichaam opgewekt. Als er een natuurlijk lichaam is, dan is er ook een geestelijk [lichaam].

V3535Maar, zal iemand zeggen: Hoe worden de doden opgewekt en met wat voor lichaam komen zij?. Het is niet zo uitnodigend om een vraag over de opstanding te stellen als je in het antwoord voor “dwaas” wordt uitgemaakt. Wie heeft er nu geen vragen over de opstanding? Je moet blijven bedenken dat Paulus het nog steeds over mensen heeft die de opstanding niet serieus nemen, zoals dat ook vandaag bij zogenaamde christenen het geval is. Ook de vraag van vers 3535Maar, zal iemand zeggen: Hoe worden de doden opgewekt en met wat voor lichaam komen zij? moet je in dat licht bezien. Hij wordt gesteld door iemand die nog steeds niet van plan is zich te laten overtuigen dat er een opstanding is. De vraag is alleen maar gesteld om de nieuwsgierigheid te bevredigen en niet vanuit een innerlijk verlangen meer van het handelen van God te weten.

V3636Dwaas! Wat u zaait, wordt niet levend, tenzij het sterft;. Paulus wijst de vraagsteller dan ook terecht door hem te wijzen op voorbeelden uit de natuur. Daaruit kan hij al het nodige over de opstanding leren. Ik hoorde van een man die op sterven lag en veel had nagedacht over de dood en wat er daarna zou zijn. Hij geloofde niet in een opstanding van doden. Hij had een lang ziekbed gehad. Vanuit zijn bed kon hij naar buiten kijken en zag hij de planten en de bomen. Het was hem opgevallen dat in de herfst alles als het ware aan het sterven was. De kleuren veranderden bijna allemaal in bruin en de bladeren vielen af tot er niets meer over was dan kale takken. In de winter leek alles zelfs dood te zijn. Maar wat gebeurde er in de lente? Dan ontstond er nieuw leven. Aan de takken verschenen knoppen, die zich ontwikkelden tot bladeren en bloemen. Er kwam leven na de dood!

Dit opende hem de ogen voor zijn eigen situatie. Hij kwam tot geloof in de Heer Jezus. Toen hij stierf, wist hij dat het daarmee niet afgelopen was, maar dat hij naar zijn Heiland ging en ook eens een nieuw lichaam zou krijgen.

V3737en wat u zaait, niet het lichaam dat zal worden zaait u, maar slechts een korrel, hetzij van tarwe of van een van de andere [granen].. Wat deze man zag en opmerkte sluit aan bij wat Paulus hier zegt. Hij wijst op het zaad dat gezaaid wordt. Dat moet eerst sterven en dan pas gaat het ontkiemen en komt het op. En wat komt er dan op? Lijkt het nog op de zaadkorrel die gezaaid is? Het lijkt er in de verste verte niet meer op. De korrel die in de aarde gezaaid is, is niet hetzelfde als wat er na verloop van tijd boven de grond verschijnt. Toch is, wat er boven de aarde verschijnt, ontstaan uit de korrel die is gezaaid.

V3838Maar God geeft er een lichaam aan zoals Hij heeft gewild, en aan elk van de zaden een eigen lichaam.. Het soort zaad dat is gezaaid, bepaalt wat eruit zal gaan groeien. Je zou raar opkijken als je de grond zou omspitten, er vervolgens graszaad in zou zaaien om een mooi grasveld te krijgen en na verloop van tijd zou er een golvend tarweveld staan. Dat kan natuurlijk niet. Bij elk zaad hoort een eigen lichaam, een eigen groeisel dat boven de aarde zichtbaar wordt. Zo heeft God dat bepaald in de natuur. Hij geeft aan alles een eigen lichaam, een eigen gestalte. In Genesis 1 wordt daarvan gezegd dat God alles ‘naar hun soort’ heeft gemaakt (Gn 1:11,21,24,2511En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde! En het was zo.21En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.24En God zei: Laat de aarde levende wezens naar hun soort voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, naar zijn soort! En het was zo.25En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het vee naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was.).

V3939Alle vlees is niet hetzelfde vlees, maar een ander is [dat] van mensen, en een ander is [het] vlees van dieren, en een ander is [het] vlees van vogels, en een ander [dat] van vissen.. Als je nog eens om je heen kijkt in de natuur, nu niet naar de plantenwereld, maar naar de mensen- en dierenwereld, dan merk je daar hetzelfde onderscheid op. Mens en dier zijn gemaakt van dezelfde substantie, namelijk vlees. Toch zijn er enorme variaties in deze materie. Wat is er door God een geweldig onderscheid aangebracht tussen mensen, dieren, vogels en vissen! De voorbeelden die Paulus noemt, komen uit de eerste schepping, zoals die in Genesis 1 is ontstaan. Maar je leert door de manier waarop hij deze voorbeelden gebruikt, dat Genesis 1 ook iets te vertellen heeft over het onderscheid dat er in de nieuwe schepping is en zal zijn.

V40-4140En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse [lichamen] is verschillend, en die van de aardse is verschillend.41[Er is] een andere heerlijkheid van [de] zon, en een andere heerlijkheid van [de] maan, en een andere heerlijkheid van [de] sterren; want [de ene] ster verschilt van [de andere] ster in heerlijkheid.. Om in die verschillende onderscheidingen nog meer kleur te brengen voert Paulus nu het onderscheid tussen hemelse en aardse lichamen in. In de vorige verzen heeft hij het over de aardse lichamen gehad, in de verzen 40-4140En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse [lichamen] is verschillend, en die van de aardse is verschillend.41[Er is] een andere heerlijkheid van [de] zon, en een andere heerlijkheid van [de] maan, en een andere heerlijkheid van [de] sterren; want [de ene] ster verschilt van [de andere] ster in heerlijkheid. gaat hij een stapje hoger en wijst hij op hemelse lichamen, zoals de zon, de maan en de sterren. Elke planeet in het heelal heeft een eigen bijzondere heerlijkheid, en die is door God gegeven.

Ik heb vanmorgen in Psalm 19 gelezen: “De hemel vertelt Gods eer, het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen” (Ps 19:22De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
)
. Alles wat er aan heerlijkheid in de schepping te zien is, is de uitstraling van God Zelf. Hij heeft alles Zelf bedacht en uitgevoerd. Hij wil dat wij daar oog voor hebben en dat wij Hem daarvoor eren. Als dat voor de eerste schepping geldt, hoeveel te meer voor de nieuwe schepping. De nieuwe schepping bestaat uit een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. In de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde zullen nieuwe mensen wonen. Hoe de nieuwe hemel en aarde tot stand komen, kun je lezen in 2 Petrus 3 (2Pt 3:10-1310Maar [de] dag van [de] Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en [de] elementen brandend vergaan en [de] aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.11Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en Godsvrucht,12terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.13Wij echter verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.).

We keren weer terug naar 1 Korinthiërs 15. Daar gaat het om nieuwe mensen, zoals zij in de opstanding tevoorschijn zullen komen. Van deze mensen zullen er zijn die op de nieuwe aarde wonen in een lichaam dat een aardse heerlijkheid bezit en van deze mensen zullen er zijn die in de nieuwe hemel wonen in een lichaam dat een hemelse heerlijkheid bezit. Jaloersheid zal er niet bij zijn, want de zonde is er dan niet meer. Iedereen zal de wijsheid van God prijzen, want Hij heeft aan alles een lichaam gegeven zoals voor ieder passend is.

Samenvattend kun je uit het voorgaande drie dingen leren:
1. Er is sprake van zaad, dat eerst moet sterven, waarna er een lichaam uit voortspruit dat er totaal anders uitziet dan het zaad (verzen 37-3837en wat u zaait, niet het lichaam dat zal worden zaait u, maar slechts een korrel, hetzij van tarwe of van een van de andere [granen].38Maar God geeft er een lichaam aan zoals Hij heeft gewild, en aan elk van de zaden een eigen lichaam.).
2. Er is sprake van onderlinge verschillen tussen de uitgesproten lichamen (vers 3939Alle vlees is niet hetzelfde vlees, maar een ander is [dat] van mensen, en een ander is [het] vlees van dieren, en een ander is [het] vlees van vogels, en een ander [dat] van vissen.).
3. Er is sprake van een onderscheid tussen hemelse en aardse lichamen (verzen 40-4140En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse [lichamen] is verschillend, en die van de aardse is verschillend.41[Er is] een andere heerlijkheid van [de] zon, en een andere heerlijkheid van [de] maan, en een andere heerlijkheid van [de] sterren; want [de ene] ster verschilt van [de andere] ster in heerlijkheid.).

V42a42Zo is ook de opstanding van de doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, er wordt opgewekt in onvergankelijkheid;. Deze drie dingen zijn ontleend aan de eerste schepping te midden waarvan wij leven. Ze bewijzen dat er een opstanding is. De conclusie is: “Zo is ook de opstanding van de doden.”

V42b-4442Zo is ook de opstanding van de doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, er wordt opgewekt in onvergankelijkheid;43er wordt gezaaid in oneer, er wordt opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, er wordt opgewekt in kracht;44er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, er wordt een geestelijk lichaam opgewekt. Als er een natuurlijk lichaam is, dan is er ook een geestelijk [lichaam].. Er is aangetoond dat er een opstanding is en dat de opstanding zal gebeuren op een manier die vergelijkbaar is met de voorbeelden uit de natuur. Daarmee is nog niet gezegd hoe wij er in de opstanding precies uit zullen zien. Dat wordt uit de volgende verzen ook niet direct duidelijk. Wel wordt duidelijk dat het allemaal veel heerlijker zal zijn, zonder enige herinnering aan de zwakheid en het verderf van een aarde waar de zonde zijn verwoestende werk heeft gedaan.

Je kunt dit vergelijken met een rups en een vlinder. Een rups verpopt zich, hij spint zich helemaal in, en na verloop van tijd komt er een schitterende vlinder tevoorschijn. Onvoorstelbaar, deze gedaanteverwisseling. Wanneer je nu je aardse bestaan vergelijkt met de rups en je opstandingslichaam met de vlinder, dan heb je een beetje idee van de verandering die zich in de opstanding zal voltrekken.

Paulus gebruikt voor ons ‘rupsenbestaan’ de woorden “vergankelijkheid”, “oneer”, “zwakheid” en “natuurlijk lichaam”. Deze woorden geven aan hoezeer in ons aardse lichaam de gevolgen van de zonde hun sporen hebben getrokken. Wanneer wij sterven, is dat het laatste en duidelijkste bewijs van de neergang die ons lichaam vanaf de geboorte heeft ondergaan. Dan wordt ons lichaam in de aarde begraven: het wordt “gezaaid”.

Daarmee is het voor de gelovige niet afgelopen. Er wordt juist gezaaid omdat er een opstanding is. En die opstanding laat een heel ander en veel heerlijker lichaam zien. Het lichaam wordt opgewekt in “onvergankelijkheid”, “heerlijkheid”, “kracht”, en als een “geestelijk lichaam”. De woorden die hier gebruikt worden, hebben te maken met de Heer Jezus en Zijn werk, met de hemel, met God en met de Heilige Geest.

De Heer Jezus heeft door Zijn werk op het kruis “de dood tenietgedaan en leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht” (2Tm 1:1010maar die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland Christus Jezus, Die de dood tenietgedaan en leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht heeft door het evangelie,). De hemel is de plaats waar heerlijkheid te zien is en beleefd wordt en waar we eerst niet konden komen (Rm 3:23-2423Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,24en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.; 5:22door Wie wij ook de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in [de] hoop op de heerlijkheid van God.). Het is de kracht van God waardoor de opstanding zal plaatsvinden (Ef 1:19-2019en wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte,20die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten],).

Het lichaam dat we dan hebben, zal een lichaam zijn dat geen natuurlijke behoeften meer kent. Het heeft geen eten en drinken meer nodig om in leven te blijven. Het leven van het opstandingslichaam is een leven dat geestelijk is, dat wil zeggen dat de Heilige Geest voorziet in alles waarom dat lichaam vraagt en dat is de gemeenschap met de Vader en de Zoon. Vanuit die gemeenschap vindt elke activiteit plaats, zowel in het duizendjarig vrederijk als in de eeuwigheid, in het Vaderhuis.

Het lijkt mij geweldig om zo, ongestoord, bezig te zijn met alles wat de Vader voor ons heeft klaarliggen op grond van het werk van Zijn Zoon in een sfeer waarin niets meer is wat dat kan verstoren.

Lees nog eens 1 Korinthiërs 15:35-44.

Verwerking: Welke kenmerken van het opstandingslichaam tref je in dit gedeelte aan?


Een verborgenheid onthuld

45Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, [werd] tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest. 46Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke. 47De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel. 48Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijken; en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelsen. 49En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen. 50Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed Gods koninkrijk niet kunnen beërven, en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet. 51Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, 52in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.

V4545Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, [werd] tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest.. Om het verschil tussen het natuurlijke en het geestelijke lichaam duidelijk te maken haalt Paulus aan wat er geschreven staat over de schepping van de eerste mens. Je ziet het, weer een keer staat er “zo staat er … geschreven”. Op elke vraag met betrekking tot het bestaan van de mens en het hiernamaals moet je het antwoord zien te vinden in de Bijbel.

Hoe wordt de eerste mens tot een levende ziel? Dat gebeurt, doordat God de adem van het leven in hem blaast. Daardoor is de mens, die door God uit de aarde is gevormd, een hoger wezen dan een dier. Door de adem van God kan de natuurlijke mens zijn bestaan op aarde hebben en kan hij met God omgang hebben. Dit is niet de manier waarop God de dieren leven geeft. God komt bij Adam en spreekt met hem en Adam met Hem. Op die manier gaat Hij niet met de dieren om. God heeft de mens zo geschapen, dat hij, om in leven te blijven, moet eten. In dat eten heeft God voorzien.

Je ziet aan de manier waarop God Adam heeft geschapen, dat hij iemand is die afhankelijk is van God. Alles, zijn leven én de middelen van bestaan, heeft hij van God gekregen.

Hij heeft van God leven gekregen door middel van de ziel. Wat de ziel precies is, kan ik je niet uitleggen. Ik wil je wel het volgende ter overweging geven. Als je het woord ‘ziel’ in de Bijbel tegenkomt, kunnen daar verschillende dingen mee bedoeld zijn. Een daarvan is de niet-materiële zijde van de mens, dat wil zeggen iets anders dan zijn lichaam, dat je de materiële zijde van de mens zou kunnen noemen. Als het woord ‘ziel’ op deze wijze gebruikt wordt, ziet het gewoonlijk op de mens in relatie tot de aardse omstandigheden, hoe hij zich voelt en gedraagt op aarde.

Wat er met de eerste mens is gebeurd, wordt nu vergeleken met wat heeft plaatsgevonden met de laatste Adam. De Heer Jezus wordt hier “de laatste Adam” genoemd om aan te geven dat er nooit meer een volgende Adam zal zijn. Wat is nu het kenmerk van de laatste Adam? Dat Hij “tot een levendmakende geest” is geworden. De laatste Adam, de Heer Jezus, heeft niet iets van God ontvangen, maar heeft Zelf leven aan anderen gegeven. De Heer heeft dat gedaan, nadat Hij is opgestaan uit de doden.

Na Zijn opstanding blaast Hij in de discipelen en geeft hun daardoor een leven waarin de Heilige Geest kan werken (Jh 20:2222En toen Hij dit had gezegd, blies Hij in hen en zei tot hen: Ontvangt [de] Heilige Geest.). Dit lijkt op wat er gebeurt met Adam (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.), maar het is toch anders. Door wat er met Adam gebeurt, kan hij op aarde gaan leven als een levende ziel. Door wat de laatste Adam doet, krijgen de discipelen een nieuw leven dat hen geschikt maakt om in de hemel, bij God, te komen.

V4646Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke.. Je ziet hier ook de volgorde: eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke. Deze volgorde kom je elke dag tegen. Een baby heeft alleen behoefte aan melk. Je kunt aan een baby niets kwijt over geestelijke zaken. Dat kan pas als iemand een zekere leeftijd heeft bereikt.

V4747De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel.. Niet alleen is er verschil in wat Adam en de Heer Jezus geworden zijn, er is ook verschil in hun oorsprong, waar ze vandaan komen. Dit verschil is enorm. De eerste mens dankt zijn bestaan aan het stof van de aarde. Na de zondeval heeft God gezegd: “Stof bent u en u zult tot stof terugkeren” (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
. De mens met al zijn eigenwaan is niets meer dan dat. Zonder een machtig werk van God is er ook geen hoop dat daar ooit verandering in kan komen.

Dan komt de tweede Mens. Waar komt Hij vandaan? Een nieuwe mens uit het stof van de aarde? Nee! Hij komt uit de hemel. Hij is wel Mens geworden, maar Zijn oorsprong is de hemel.

V4848Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijken; en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelsen.. Deze twee Adams hebben beiden hun ‘nakomelingen’. Wie bij de eerste mens, Adam, hoort, is ook stoffelijk. Wie hoort bij de laatste Adam, Die hier ”de Hemelse” wordt genoemd, is hemels. Je bent nu hemels, zoals de Heer Jezus. Dit is even wat! Je bent nog wel op aarde en hebt nog deel aan het stoffelijke, maar innerlijk hoor je bij de hemel. Innerlijk heeft er al een geweldige verandering plaatsgevonden.

V4949En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen.. Het wachten is op de grote verandering die zal plaatsvinden bij de opstanding. Dan zullen we het beeld van de Hemelse dragen. Een paar prachtige teksten die daarvan spreken, staan in Romeinen 8 en 1 Johannes 3 (Rm 8:2929Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.; 1Jh 3:22Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is.).

V5050Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed Gods koninkrijk niet kunnen beërven, en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet.. De zaken waarover het hier gaat, zijn geen zaken waar “vlees en bloed” deel aan hebben. De uitdrukking ‘vlees en bloed’ ziet op de mens als een schepsel met beperkingen, in wie sinds de zondeval de zonde woont. Daardoor is hij aan “de vergankelijkheid” onderworpen. God kan Zijn koninkrijk niet openzetten voor zulke mensen. Zij zijn door Hem niet als erfgenamen aangewezen. Het beërven van Zijn koninkrijk is weggelegd voor hen die met dé Erfgenaam, de Heer Jezus, verbonden zijn. Buiten die verbinding is er geen erfenis.

V5151Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,. Als Paulus bij dit punt van zijn onderwijs is aangekomen, gaat hij een verborgenheid bekendmaken. Hij heeft het de hele tijd gehad over de opstanding van de doden. Dat is iets wat ook in de tijd van het Oude Testament bekend is. Alle gelovigen in het Oude Testament zijn gestorven in het geloof dat er eenmaal een opstanding zal plaatsvinden en dat zij dan zullen ontvangen wat God heeft beloofd. In Hebreeën 11 heb je een heel hoofdstuk waarin je zulke gelovigen aantreft (Hb 11:1-401Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.2Want in dit [geloof] hebben de ouden getuigenis verkregen.3Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.4Door [het] geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.5Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.6Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.7Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is.8Door [het] geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar [de] plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou.9Door [het] geloof verbleef hij als vreemdeling in [het] land van de belofte als in een vreemd [land] en woonde in tenten met Izaäk en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde belofte;10want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.11Door [het] geloof ontving hij, hoewel Sara zelf onvruchtbaar was, kracht om te verwekken, en [dat] boven [de] bepaalde leeftijd, omdat hij Hem trouw achtte Die het beloofd had.12Daarom zijn er ook van één, en dat van een afgestorvene, geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand aan de oever van de zee, dat ontelbaar is.13In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.14Want wie zulke dingen zeggen, tonen duidelijk dat zij een vaderland zoeken.15En als ze terugdenken aan dat waaruit zij weggetrokken zijn, zouden zij tijd hebben terug te keren;16maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid.17Door [het] geloof heeft Abraham, toen hij beproefd werd, Izaäk geofferd, en hij die de beloften aangenomen had, offerde zijn eniggeborene,18van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken,19waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.20Door [het] geloof zegende Izaäk Jakob en Ezau ook aangaande toekomstige dingen.21Door [het] geloof zegende Jakob bij zijn sterven elk van de zonen van Jozef en hij aanbad [leunend] op het uiteinde van zijn staf.22Door [het] geloof maakte Jozef bij zijn levenseinde melding van de uittocht van de zonen van Israël en gaf bevel aangaande zijn gebeente.23Door [het] geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het kind mooi was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.24Door [het] geloof weigerde Mozes, toen hij groot geworden was, een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden,25omdat hij er de voorkeur aan gaf met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van [de] zonde,26en de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte, want hij zag op de beloning.27Door [het] geloof verliet hij Egypte, zonder de toorn van de koning te vrezen; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare.28Door [het] geloof heeft hij het Pascha gevierd en het sprenkelen van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet aanraakte.29Door [het] geloof gingen zij door de Rode Zee als door een droog land, waardoor de Egyptenaren, toen zíj het probeerden, verzwolgen werden.30Door [het] geloof vielen de muren van Jericho, nadat men er zeven dagen omheen getrokken was.31Door [het] geloof kwam Rachab de hoer niet om met de ongelovigen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.32En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken als ik vertel van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en de profeten,33die door middel van [het] geloof koninkrijken onderwierpen, gerechtigheid oefenden, [de] beloften ontvingen, leeuwenmuilen toestopten,34[de] kracht van [het] vuur blusten, [de] scherpte van [het] zwaard ontvluchtten, uit zwakheid krachten verkregen, in [de] oorlog sterk werden, legers van vreemden op de vlucht dreven.35Vrouwen kregen hun doden door opstanding terug; anderen echter werden gefolterd zonder de verlossing aan te nemen, opdat zij een betere opstanding verkregen.36En anderen ondergingen [de] beproeving van bespottingen en geselingen; ja zelfs van boeien en gevangenschap.37Zij werden gestenigd, in stukken gezaagd, <verzocht,> met [het] zwaard vermoord, zij liepen rond in schapenvachten, in geitenvellen, leden gebrek, werden verdrukt, mishandeld –38de wereld was hen niet waard –, zij dwaalden rond in woestijnen, bergen, spelonken en de holen van de aarde.39En deze allen die door hun geloof getuigenis hebben verkregen, hebben de belofte niet ontvangen,40daar God voor ons iets beters had voorzien, opdat zij niet zonder ons tot volmaaktheid zouden komen.). Om aan de opstanding deel te hebben moet je wel eerst gestorven zijn.

Het bijzondere van de verborgenheid die hier wordt onthuld, is dat niet allen gestorven zullen zijn wanneer Christus komt om al Gods beloften te vervullen. Er zullen namelijk ook levende gelovigen op aarde zijn wanneer Christus terugkomt. Paulus zegt het zelfs op een manier, alsof hij erop rekent dat hij niet zal ontslapen, maar het tijdens zijn leven zal meemaken. Hij heeft het over “wij, de levenden” (1Th 4:1515(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.). Hoeveel te meer kunnen wij, die nu leven, dat dan zeggen.

Wat gebeurt er dan met de levenden? Zij zullen worden veranderd. Dat is nodig, want in vers 5050Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed Gods koninkrijk niet kunnen beërven, en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet. heb je gelezen dat vlees en bloed Gods koninkrijk niet kunnen beërven. We hebben een lichaam nodig dat bij God in de hemel kan zijn. In Filippenzen 3 staat dat de Heer Jezus bij Zijn komst “het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid” (Fp 3:2121Die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen.).

V5252in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.. Het moment waarop dat zal gebeuren, is niet in een eenheid van tijd uit te drukken. Wij gebruiken allerlei woorden als wij de snelheid van een gebeurtenis willen aanduiden, bijvoorbeeld een flits, pijlsnel, een onderdeel van een seconde. Maar elke omschrijving doet tekort aan de snelheid waarmee deze verandering zal plaatsvinden. Het is in “een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk”.

Het signaal dat deze gebeurtenis inluidt, is het geluid van de bazuin, de laatste wel te verstaan. Paulus zinspeelt hiermee op gebruiken in het Romeinse leger, waar de bazuin drie keer geblazen wordt. De eerste keer betekent dat er moet worden opgebroken; de tweede keer houdt in dat er moet worden opgesteld; de derde en laatste keer is het bevel om op te trekken.

Opbreken, opstellen, optrekken, zo gaat dat in de tijd van Paulus in de Romeinse legers. Zo moet het ook gaan bij ons als christenen. Ben jij al opgebroken en sta jij al opgesteld? Opbreken wil zeggen: alles losmaken wat je nog aan de wereld bindt. Opstellen wil zeggen: klaar staan voor vertrek.

Het wachten is nog op de laatste bazuin. Als die klinkt, gebeuren er in dat ondeelbare ogenblik twee dingen. Eerst worden de doden opgewekt. Zij krijgen de voorrang boven de levenden, al is het maar een moment van dat ondeelbare ogenblik. Zij blijven geen ogenblik langer in het graf dan nodig is. Wat er verder gebeurt, kun je lezen in 1 Thessalonicenzen 4 (1Th 4:15-1815(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)). Dat gedeelte gaat over dezelfde gebeurtenis. De nadruk ligt daar op de ontslapenen, terwijl hier de verandering van de levenden meer op de voorgrond staat. In elk geval is het resultaat dat wij dan altijd met de Heer zullen zijn. Een prachtig vooruitzicht!

Lees nog eens 1 Korinthiërs 15:46-52.

Verwerking: Welke grote veranderingen zal de komst van de Heer Jezus teweegbrengen? Zie je daarnaar uit?

Onze arbeid is niet vergeefs in de Heer

53Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen. 54En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’. 55‘Waar is, dood, uw prikkel? Waar is, dood, uw overwinning?’ 56De prikkel nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. 57Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus! 58Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer, daar u weet, dat uw arbeid niet vergeefs is in [de] Heer.

V5353Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen.. Er moet een grote verandering plaatsvinden, willen wij de hemel kunnen binnengaan en daar kunnen wonen waar God en de Heer Jezus wonen. Ons lichaam is, als gevolg van de zonde, vergankelijk en daarom moet het “onvergankelijkheid … aandoen”.

‘Vergankelijk’ wil zeggen dat het met ons lichaam steeds slechter gaat. Je kunt aan fitnesstraining doen en nog veel meer om je lichaam in een goede conditie te houden, maar een keer houdt het op. Als je al gezond blijft, want op gezondheid kun je geen claim leggen, dan zul je toch een keer gaan merken dat je niet meer alles kunt wat je vroeger wel kon. Daarin komt die vergankelijkheid tot uiting. Dat proces van achteruitgang is er niet meer wanneer ons lichaam in onvergankelijkheid is opgewekt en met onvergankelijkheid is bekleed.

Daarbij komt nog, dat ons huidige lichaam sterfelijk is. Dat past helemaal niet bij de hemel. Ons lichaam moet daarom “onsterfelijkheid … aandoen”. Op het lichaam dat we krijgen bij de komst van Christus, hebben het verouderingsproces en de dood geen enkele vat meer. Het is niet alleen een lichaam dat niet meer kan sterven en tot in alle eeuwigheid zal blijven bestaan, maar er is ook geen enkele kans dat de dood het ooit in zijn macht krijgt.

V5454En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’.. Wanneer is het moment gekomen dat het woord “de dood is verslonden tot overwinning” in vervulling zal gaan? Dat is op het moment dat alle verlosten uit de graven zijn opgewekt. De opstanding zal namelijk in een paar fasen plaatsvinden.

De eerste fase gaat in vervulling bij de komst van de Heer Jezus voor de gemeente. Hij komt dan nog niet terug op de aarde. Hij zal alle gelovigen die ooit op aarde hebben geleefd, opwekken en tot Zich nemen in de lucht. Het bewijs hiervoor staat in 1 Thessalonicenzen 4 (1Th 4:1717daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.).

Toch zullen er na de opname van deze gelovigen nog gelovigen sterven. Dat zijn zij die na de opname tot geloof zijn gekomen. Velen van hen zullen de belijdenis van hun geloof met de dood moeten bekopen. Dat zal vooral zijn tijdens een grote verdrukking die enkele jaren na de eerste fase van de opstanding zal losbarsten. Over deze gelovigen lees je in Openbaring 6 en 13 (Op 6:99En toen het [Lam] het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren om het Woord van God en om het getuigenis dat zij hadden.; 13:7,157En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.). Toch nemen zij deel aan de duizendjarige regering van Christus. Zo staat dat in Openbaring 20 waar zij met name worden genoemd (Op 20:44En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en [ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren.). Zij zijn opgewekt voordat Christus Zijn heerschappij aanvaardt. Dat is de tweede fase en daarmee is de eerste opstanding voltooid, zoals het volgende vers in Openbaring 20 zegt (Op 20:55De overigen van de doden werden niet levend voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding.).

Dan is er geen sprake meer van vergankelijkheid en sterfelijkheid. Ze zijn vervangen door onvergankelijkheid en onsterfelijkheid. De overwinning over de dood is volledig. Dat, als laatste vijand, de dood nog moet worden tenietgedaan, doet aan de overwinning niets af. Dat is slechts het voltrekken van het vonnis, zoals dat verderop in Openbaring 20 in sobere woorden wordt beschreven (Op 20:1414En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.). De dood kan zijn verschrikking niet meer uitoefenen. Nooit zal er meer een gelovige in een graf worden gelegd.

V5555‘Waar is, dood, uw prikkel? Waar is, dood, uw overwinning?’. De woorden van dit vers klinken dan ook als een triomfantelijke overwinningskreet waarbij de dood als het ware wordt uitgedaagd om zijn prikkel en zijn overwinning te tonen. Maar de dood heeft geen antwoord meer. Wanneer alle gelovigen aan het machtsgebied van de dood zijn ontrukt door de ‘metamorfose’ (= gedaanteverwisseling) van de levenden en de opstanding van de doden, is het met de dood gedaan. Zijn zeggenschap over de lichamen van de levende en gestorven gelovigen is hij voorgoed kwijt.

V5656De prikkel nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet.. De dood heeft een sterk wapen gehad waarmee hij de mensen heeft kunnen verslaan en dat is de zonde. De zonde wordt hier de prikkel van de dood genoemd. Tussen de dood en de zonde is een duister verbond gesloten. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen en de zonde sleept alle mensen mee in de dood.

De wet doet daar nog een schepje bovenop omdat daardoor de zondige, opstandige wil van de mens aan het licht komt. De wet houdt immers niets anders aan de mens voor dan een aantal geboden om aan te gehoorzamen. En wat blijkt? Dat de mens die geboden niet houdt, maar ze overtreedt. Hij is niet in staat de wet te houden omdat de zonde zo krachtig in hem werkt. De wet toont de kracht van de zonde aan. De brief aan de Romeinen maakt duidelijk dat er met de wet niets mis is. Het is mis met de mens.

V5757Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus!. Gelukkig heeft God ons niet laten voorttobben in deze ongelijke strijd. Wij zijn de verliezers. Maar de overwinning is ons door God gegeven in de gave van Zijn geliefde Zoon. Gegeven! Het is een geschenk, dat wij door genade hebben mogen aanpakken. We hebben er zelf niets voor hoeven doen. Alles wat wij hebben geprobeerd om te ontkomen aan de angst voor de dood en om te overwinnen in de strijd tegen de zonde, daarvan is het resultaat keer op keer een nederlaag geweest. Prijs God! Hij heeft de overwinning gegeven.

Op het kruis van Golgotha heeft de Heer Jezus de zonde tenietgedaan; door uit het graf op te staan heeft Hij de dood tenietgedaan. Hoewel wij nu het volle resultaat daarvan nog niet zien, weten we in het geloof dat Hij een complete en eeuwige overwinning heeft behaald. God ziet het eindresultaat al en wij mogen dat in het geloof ook al zien. Wat kun je anders doen dan God daarvoor danken?

V5858Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer, daar u weet, dat uw arbeid niet vergeefs is in [de] Heer.. Voor de toekomst is alles geregeld. Maar wat denk je van je verdere verblijf hier op aarde? Je leeft nog in een wereld waar de dood zijn macht uitoefent. De Heer Jezus is nog steeds niet gekomen om je lichaam te veranderen. Dat betekent dat je nog een opdracht hebt te vervullen.

Het laatste vers van dit hoofdstuk begint met “daarom” en slaat dan ook terug op de voorgaande verzen. Als je iets van die verzen hebt begrepen, zul je daarin een machtig motief kunnen vinden om je helemaal te geven “in het werk van de Heer”. Het uitzien naar die grote verandering is een flinke aansporing om je “overvloedig” in te zetten en niet slechts een klein beetje van je tijd en krachten te geven.

Je wordt opgeroepen “standvastig” en “onbeweeglijk” te zijn. Dat is nodig omdat er veel tegenwerking komt als je je voorneemt voor de Heer Jezus te leven. Reken er maar op dat er altijd stemmen zullen zijn die je vertellen dat het best wat minder kan. Die stem kan bij jezelf opkomen of anderen kunnen je vertellen dat je bijvoorbeeld toch ook je rust nodig hebt. Natuurlijk moet je niet roekeloos met je gezondheid omspringen, maar je inzet is van groot belang. Verder kan er veel vijandschap op je afkomen, waardoor je de moed zou kunnen laten zakken. Daarom: wees standvastig en onbeweeglijk; ga door en houd vol. Eén ding weet je in elk geval na al het voorgaande: je arbeid is niet tevergeefs in de Heer.

Het zou wel tevergeefs, of nutteloos, zijn als er geen opstanding zou zijn. Maar de opstanding is een feit en als die plaats heeft, wordt de beloning uitgereikt. Alles wat je doet of laat voor de Heer, zal Hij belonen.

Ik wil nog even op een misverstand wijzen. Sommigen denken dat iemand alleen ‘in het werk van de Heer’ is, als hij of zij geen baan meer heeft in de maatschappij en alle tijd kan wijden aan geestelijke zaken. Dat is een misverstand. Iedere christen wordt hier opgeroepen om bezig te zijn in het werk van de Heer. Ook je werk in de maatschappij of je gaan naar school of je bezig zijn in de huishouding valt daaronder. Je mag alles doen voor de Heer (Ko 3:1717En al wat u doet, in woord of in werk, [doet] alles in [de] Naam van [de] Heer Jezus, terwijl u God [de] Vader door Hem dankt.). Dat geeft glans aan de meest alledaagse bezigheden.

Het ‘overvloedig in het werk van de Heer’ bezig zijn betekent niet dat je moet verdrinken in allerlei aardse werkzaamheden, maar houdt in dat je ingesteld bent op het doen van de wil van de Heer, ook in de meest eenvoudige werkzaamheden.

Lees nog eens 1 Korinthiërs 15:53-58.

Verwerking: Wat is de beste motivatie om altijd overvloedig in het werk van de Heer te zijn?


Lees verder