Zacharia
Inleiding 1-6 Een last voor heidense steden 7 Bekering van de Filistijnen 8 God waakt over Zijn huis 9 Zie, uw Koning zal tot u komen 10 De heerschappij van de Vredevorst 11 Het bloed van uw verbond 12-13 Dubbele vergoeding 14-15 De Heer Jezus verschijnt 16-17 Verlossing, geluk en schoonheid
Inleiding

Het boek neemt vanaf dit hoofdstuk een ander karakter aan. Er worden geen data meer genoemd en er vinden geen nachtgezichten meer plaats. Waarschijnlijk is Zacharia hier niet meer de jonge man van de vorige hoofdstukken, maar een oudere man. Hij heeft het opkomen van het Griekse rijk gezien. Dat noemt hij in dit hoofdstuk (Zc 9:1313als Ik Mij Juda zal hebben gespannen,
[en] Ik Efraïm [op] de boog zal hebben gelegd,
en Ik uw zonen, Sion, zal hebben opgezet
tegen uw zonen, Griekenland,
en Ik u gemaakt zal hebben als het zwaard van een held.
)
. Een vermelding daarvan past niet in een van de vorige gedeelten. De profetieën die nu volgen, zijn anders dan die van de vorige hoofdstukken. Hij zegt niets meer over bepaalde omstandigheden of gebeurtenissen van zijn leven en ook niets over de tempelbouw.

Zacharia 1-8 hebben voornamelijk betrekking op de tijd waarin Zacharia leeft, hoewel niet uitsluitend. Het doel ervan is de herbouwers van de tempel te bemoedigen. Israël is nog onder Medisch-Perzische heerschappij. In die hoofdstukken is slechts incidenteel iets over toekomstige gebeurtenissen gezegd, hoewel er wel in toepassingen naar kan worden verwezen.

Zacharia 9-14 handelen bijna uitsluitend over de toekomst. Achttien keer komt in deze hoofdstukken de uitdrukking ‘op die dag’ voor, de stereotype aanduiding voor de eindtijd. Het thema is de komst van de Messias en het oordeel en de zegen die daarmee gepaard gaan. Zacharia 9-10 gaan over de Griekse heerschappij en Zacharia 11 gaat over de Romeinse heerschappij. Deze drie hoofdstukken vormen een geheel, ingeleid door ‘last’ of ‘Godsspraak’. Zacharia 12-14 gaan over de laatste dagen van Israëls nationale geschiedenis.


Een last voor heidense steden

1Een last, het woord van de HEERE in het land Chadrach.
Damascus zal zijn rustplaats zijn,
want de HEERE heeft oog [voor] mensen,
net als [voor] al de stammen van Israël,
2en ook [voor] Hamath, dat eraan grenst,
[en voor] Tyrus en Sidon, al zijn zij nog zo wijs.
3Tyrus heeft voor zichzelf een vesting[wal] gebouwd,
zilver opgehoopt als stof,
en bewerkt goud als slijk op straat.
4Zie, de Heere zal het in bezit nemen,
Hij zal zijn vesting in de zee verslaan,
zelf zal het door vuur verteerd worden.
5Askelon zal het zien en bevreesd zijn,
evenals Gaza, en het zal hevig beven,
[ook] Ekron, omdat zijn verwachting wordt beschaamd.
De koning zal uit Gaza verdwijnen
en Askelon zal onbewoond zijn.
6De bastaard zal in Asdod wonen;
Ik zal de trots van de Filistijnen uitroeien.

“Een last” is “het woord van de HEERE” dat de profeet als een last is opgelegd (vers 11Een last, het woord van de HEERE in het land Chadrach.
Damascus zal zijn rustplaats zijn,
want de HEERE heeft oog [voor] mensen,
net als [voor] al de stammen van Israël,
)
. Er ligt de gedachte aan een dreigende voorzegging van naderend oordeel in. In de verzen 1-61Een last, het woord van de HEERE in het land Chadrach.
Damascus zal zijn rustplaats zijn,
want de HEERE heeft oog [voor] mensen,
net als [voor] al de stammen van Israël,
2en ook [voor] Hamath, dat eraan grenst,
[en voor] Tyrus en Sidon, al zijn zij nog zo wijs.
3Tyrus heeft voor zichzelf een vesting[wal] gebouwd,
zilver opgehoopt als stof,
en bewerkt goud als slijk op straat.
4Zie, de Heere zal het in bezit nemen,
Hij zal zijn vesting in de zee verslaan,
zelf zal het door vuur verteerd worden.
5Askelon zal het zien en bevreesd zijn,
evenals Gaza, en het zal hevig beven,
[ook] Ekron, omdat zijn verwachting wordt beschaamd.
De koning zal uit Gaza verdwijnen
en Askelon zal onbewoond zijn.
6De bastaard zal in Asdod wonen;
Ik zal de trots van de Filistijnen uitroeien.
gaat het over de steden van heidenvolken. God zal die oordelen. Hij slaat Zijn oog op hen, maar hier niet tot zegen. Deze steden zijn veroverd door Babel en worden op korte termijn opnieuw verwoest. Ze karakteriseren de beginselen van de wereld. Het zijn onderling rivaliserende steden die alle op hun eigen manier invloed willen uitoefenen op het wereldtoneel. De enige stad die in dit hoofdstuk gespaard blijft, is Jeruzalem.

“Het land Chadrach” wordt alleen hier in de Bijbel vermeld. Omdat vervolgens “Damascus” wordt genoemd, is het mogelijk dat Chadrach een andere naam voor Syrië is. De genoemde steden zullen door Alexander de Grote – op hem heeft het bezittelijk voornaamwoord “zijn” in vers 11Een last, het woord van de HEERE in het land Chadrach.
Damascus zal zijn rustplaats zijn,
want de HEERE heeft oog [voor] mensen,
net als [voor] al de stammen van Israël,
betrekking – worden veroverd en verwoest. Dat is gebeurd in 332 v.Chr. Het lijkt erop dat daarmee een eerste vervulling van deze profetie heeft plaatsgevonden.

Het is echter niet Alexander die de wereld regeert, maar God. God bestuurt de wereldgeschiedenis en ziet alle volken (Sp 15:33De ogen van de HEERE zijn op elke plaats:
ze slaan slechte en goede [mensen] gade.
)
. Naar wat Hij ziet, handelt Hij. Hij oordeelt of spaart. Als het oordeel komt, zijn Zijn ogen als een vuurvlam (Op 1:1414en Zijn hoofd en haar als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen als een vuurvlam). Hij oordeelt de volken net zo goed als “al de stammen van Israël”.

“Hamath”, dat aan Syrië grenst, zal ook geoordeeld worden (vers 22en ook [voor] Hamath, dat eraan grenst,
[en voor] Tyrus en Sidon, al zijn zij nog zo wijs.
)
. In Hamath is een groot aantal beambten uit Judéa door Nebuzaradan gedood, nadat zij als gevangenen uit Jeruzalem zijn weggevoerd (2Kn 25:18-2118Ook nam de bevelhebber van de lijfwacht Seraja, de hoofdpriester, Zefanja, de tweede priester, en de drie deurwachters mee.19En uit de stad nam hij een hoveling mee die over de strijdbare mannen aangesteld was, en vijf mannen uit degenen die het aangezicht van de koning [mochten] zien, die in de stad werden aangetroffen, met de schrijver van de bevelhebber van het leger, die ten behoeve van de oorlog de bevolking van het land inschreef, en zestig man uit de bevolking van het land, die in de stad aangetroffen werden.20Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen bij de koning van Babel in Ribla.21De koning van Babel [liet] hen neerslaan en doden in Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd.). Deze koelbloedige moord is niet vergeten.

“Tyrus en Sidon” worden eveneens geoordeeld. De hooggeroemde eigen wijsheid van Tyrus (Ez 28:33Zie, u bent wijzer dan Daniël, geen enkel geheim hebben zij voor u verborgen gehouden.) zal de stad niet redden. Ook haar tot een vestingwal opgehoopte rijkdom zal niet baten (vers 33Tyrus heeft voor zichzelf een vesting[wal] gebouwd,
zilver opgehoopt als stof,
en bewerkt goud als slijk op straat.
)
. Ze heeft de vestingwal “voor zichzelf” gebouwd en niet voor God. Daarop vertrouwt ze en niet op God. Wat ze als haar kracht ziet, waarop ze vertrouwt, heeft haar tot een grotere val gebracht.

Met een “zie” wendt de profeet de blikken af van het hoogmoedige Tyrus om die te richten op wat de Heere, Adonai, gaat doen (vers 44Zie, de Heere zal het in bezit nemen,
Hij zal zijn vesting in de zee verslaan,
zelf zal het door vuur verteerd worden.
)
. Tyrus zal de macht van God ervaren. “De Heere” zal de stad innemen. Dat zal Hij doen na zeven maanden belegering door Alexander de Grote, die slechts een middel in Zijn hand is. Alexander heeft de stad, “de vesting in de zee”, in de as gelegd.

Dit handelen van de Heere met Tyrus zal vrees en beving bij de steden van de Filistijnen bewerken (vers 55Askelon zal het zien en bevreesd zijn,
evenals Gaza, en het zal hevig beven,
[ook] Ekron, omdat zijn verwachting wordt beschaamd.
De koning zal uit Gaza verdwijnen
en Askelon zal onbewoond zijn.
)
. Ze hebben het ongelooflijke gezien, de val van Tyrus, wat betekent dat er voor hen ook geen ontkomen aan het oordeel zal zijn (vgl. Js 23:55Zoals bij de tijding over Egypte
zal men ineenkrimpen bij de tijding over Tyrus.
)
. “Zien en bevreesd zijn” is in het Hebreeuws een woordspeling, tere en tira. Er worden vier van de vijf bekende steden van de Filistijnen genoemd. De vijfde stad, Gath, wordt niet genoemd, waarschijnlijk omdat die stad alle betekenis heeft verloren.

De bevolking van het Filistijnse Asdod zal worden vervangen door een bastaardvolk (vers 66De bastaard zal in Asdod wonen;
Ik zal de trots van de Filistijnen uitroeien.
)
. Het is de politiek van Alexander om de overwonnen volken met elkaar te vermengen.


Bekering van de Filistijnen

7Ik zal zijn bloed uit zijn mond verwijderen,
zijn afschuwelijke dingen van tussen zijn tanden.
Ook híj zal overblijven voor onze God.
Hij zal zijn als een leider in Juda,
en Ekron als een Jebusiet.

Hier voorzegt Zacharia de bekering van de Filistijnen. Eerst neemt God alles weg wat een verhindering is om hen tot een deel van Zijn volk te maken. Daarmee begint elk werk van God in de bekering. Met “zijn afschuwelijke dingen” worden afgodenoffers bedoeld. Die worden met bloed en al gegeten. Beide dingen zijn door God verboden (Hd 15:20,2920maar hun aanschrijven zich te onthouden van de verontreinigingen van de afgoden, van de hoererij, van <het> verstikte en van het bloed.29u te onthouden van wat aan de afgoden is geofferd, van [het] bloed, van [het] verstikte en van [de] hoererij. Als u zich daarvoor in acht neemt, zult u wél doen. Vaarwel!’; Ex 20:33U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.; Gn 9:44Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, [er nog in] mag u niet eten.).

Mensen uit voornoemde steden kunnen zich wel voegen bij Gods volk (2Sm 24:18-2518Op die dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: Ga [de heuvel] op [en] richt op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet, een altaar op voor de HEERE.19En David ging naar boven, overeenkomstig het woord van Gad, zoals de HEERE geboden had.20Arauna keek omlaag en zag de koning en zijn dienaren naar zich toe komen. Daarop kwam Arauna [de dorsvloer] af en boog zich voor de koning neer, met zijn gezicht ter aarde.21En Arauna zei: Waarom komt mijn heer de koning naar zijn dienaar toe? En David zei: Om deze dorsvloer van u te kopen, om voor de HEERE een altaar te bouwen, zodat de plaag over het volk tot stilstand gebracht wordt.22Toen zei Arauna tegen David: Laat mijn heer de koning nemen en offeren wat goed is in zijn ogen. Ziedaar, de runderen voor het brandoffer, en de dorssleden en de werktuigen voor de runderen voor het [brand]hout.23Dit alles, o koning, geeft Arauna aan de koning. Verder zei Arauna tegen de koning: Moge de HEERE, uw God, u goedgezind zijn.24Maar de koning zei tegen Arauna: Nee, ik wil het beslist voor de [volle] prijs van u kopen, want ik wil de HEERE, mijn God, geen brandoffers brengen die niets kosten. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig sikkel zilver.25Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Zo liet de HEERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag over Israël werd tot stilstand gebracht.; 1Kr 21:1818Toen zei de engel van de HEERE tegen Gad dat hij tegen David moest zeggen dat David [de heuvel] op moest gaan om voor de HEERE op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, een altaar op te richten.). Dat is een overblijfsel uit de volken. Zo is er een overblijfsel van de Filistijnen dat overblijft voor God. Zij zullen als het ware in Juda en Israël opgaan en daarin zelfs vooraanstaande posities innemen. De Jebusieten zijn de oorspronkelijke bewoners van Jeruzalem. Als het land is veroverd, blijven zij onder de Israëlieten wonen (Jz 15:6363Maar de nakomelingen van Juda konden de Jebusieten, de inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven. Daarom wonen de Jebusieten bij de nakomelingen van Juda in Jeruzalem, tot op deze dag.).


God waakt over Zijn huis

8Ik zal Mij als een wacht rond Mijn huis legeren,
vanwege [het leger] dat heen en weer trekt,
zodat geen onderdrukker meer tegen hen optrekt.
Nu heb Ik [het] immers met eigen ogen gezien!

Dit vers vormt een contrast met de voorgaande verzen, waarin het oordeel over de omliggende volken wordt aangekondigd. God legert Zich om Zijn huis en stad als een wacht, zoals eerder als een vurige muur (Zc 2:55En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,
een muur van vuur rondom,
en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.
)
. Alexander de Grote heeft tijdens zijn heen en weer trekken door het land de stad altijd met rust gelaten. Jeruzalem is nooit onder zijn heerschappij gekomen. Dat heeft de stad wel verdiend, maar Gods genade heeft de stad de onderwerping bespaard.

Maar het heeft ook een profetische betekenis. Later is de stad wel weer veroverd en wel door de Romeinen, in 70 na Chr. De tijden van de volken zijn daarmee niet afgelopen. Er zal nog een keer een belegering van Jeruzalem komen. Dan zal de Heer Jezus komen en de stad bevrijden. In de toekomst zal God de stad ook beschermen. De vervulling daarvan lezen we in de verzen 9-109Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.10Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde.
.

God ziet het en neemt het waar (vgl. vers 11Een last, het woord van de HEERE in het land Chadrach.
Damascus zal zijn rustplaats zijn,
want de HEERE heeft oog [voor] mensen,
net als [voor] al de stammen van Israël,
)
. Hij volgt de bewegingen van de vijand, niets ontsnapt aan Zijn alziende ogen. Dit betekent dat Zijn volk zich volkomen veilig mag weten. Dit besef mag ook ons rust geven.

Terwijl de heidenwereld onder het oordeel van verwoesting valt en het overblijfsel van de heidenen zich bekeert tot de levende God, zal God Zijn huis beschermen. Hij zal ervoor zorgen dat Zijn Koning verschijnt in Jeruzalem, Die Zijn koninkrijk van vrede over de gehele aarde zal vestigen.


Zie, uw Koning zal tot u komen

9Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.

Dit vers is al in vervulling gegaan, maar vers 1010Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde.
nog niet. Deze twee verzen koppelen de eerste komst en de tweede komst van Christus aan elkaar. Dat gebeurt vaak in de profetie. Er is vreugde bij de komst van de Koning (vers 99Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.
)
en de vestiging van Zijn rijk (vers 1010Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde.
)
, bij de grondslag van de vrede en het feit van de vrede. De profeet ziet als het ware twee bergtoppen, maar niet het dal dat ertussen ligt (Mi 5:1-31En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.2Daarom zal Hij hen overgeven
tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft.
Dan zal de rest van Zijn broeders zich bekeren,
met de Israëlieten.3Hij zal staan en [hen] weiden in de kracht van de HEERE,
in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.
Zij zullen [veilig] wonen, want nu zal Hij groot zijn
tot aan de einden van de aarde.
; Js 9:1-61Het volk dat in duisternis wandelt,
zal een groot licht zien.
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,
over hen zal een licht schijnen.
2U hebt dit volk talrijk gemaakt;
hebt U niet de blijdschap groot gemaakt?
Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht,
zoals men zich verblijdt bij de oogst,
zoals men zich verheugt
wanneer men de buit verdeelt.
3Want het juk van hun last,
de stok op hun schouders,
en de knuppel van hun slavendrijver
hebt U verbroken als [eens] op Midiansdag.
4Ja, elke laars,
stampend met gedreun,
[iedere soldaten]mantel,
gewenteld in bloed,
zal verbrand worden,
voedsel voor het vuur.
5Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
6Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
; 11:1-101Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
2Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
3Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.
Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien
en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.
4Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
5Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,
en de waarheid de gordel om Zijn middel.6Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest [vee] zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7Koe en berin zullen [samen] weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
9Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
10Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.
)
. Het dal is de periode waarin de verborgenheid van de gemeente wordt geopenbaard en dat is geen onderwerp van de profeten.

In de “dochter van Sion” zien we de genade. In de “dochter van Jeruzalem” zien we het gelovig overblijfsel. Er is “een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade” (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.). De profeet richt hun oog op de komst van de “Koning” Die tot hen komt. Hij is een rechtvaardige Koning, Hij handelt naar recht. Tevens is Hij “een Heiland”. Als Hij naar recht met hen zou moeten handelen, zouden ze allemaal geoordeeld moeten worden. Daarom is het zo indrukwekkend dat Hij ook Heiland is. Hij heeft als de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen geleden (1Pt 3:1818Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij Die wel gedood is in [het] vlees, maar levend gemaakt in [de] Geest,). Daardoor is er genade en op die basis een overblijfsel.

Dat Hij “rechtvaardig” is, wil niet alleen zeggen dat Hij Iemand is Die recht doet of rechtvaardige kenmerken heeft, waardoor Hij in alle opzichten aan de wil van Jahweh beantwoordt. Hij is bovendien Iemand Die bezield is van gerechtigheid. Hij wordt er helemaal door gekenmerkt en handhaaft in Zijn regering deze eerste deugd van een heerser (Ps 45:88U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
; Js 11:1-41Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
2Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
3Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.
Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien
en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.
4Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
; Jr 3:5-65– Zou Hij [soms] voor eeuwig [Zijn toorn] handhaven
of [die] voor altijd vasthouden? –
Zie, zo spreekt u, maar u doet
[alles] wat slecht is, en speelt [het] klaar!
Juda en Israël, de twee ontrouwe zusters!6In de dagen van koning Josia zei de HEERE tegen mij: Hebt u gezien wat het afvallige Israël gedaan heeft? Zij ging elke hoge berg op en onder elke bladerrijke boom, en bedreef daar hoererij.
; Jr 33:15-1615In die dagen en in die tijd zal Ik voor David een SPRUIT van gerechtigheid doen opkomen. Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.16In die dagen zal Juda verlost worden en zal Jeruzalem onbezorgd wonen. Dit is hoe men [de stad] noemen zal: DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.)
.

Maar hoe komt Hij? “Arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.” Het tekent de nederigheid en armoede van de Messias. De twee genoemde eigenschappen beschrijven wat kenmerkend is voor Zijn Persoon en hoe Hij Zijn heerschappij uitoefent. Hij is “arm” in economische zin. Maar het woord betekent ook “nederig”. Het beschrijft iemand die vertrouwd is met lijden en ellende en die in uiterlijk volkomen onbetekenende omstandigheden leeft. Het houdt het geheel in van de nederige, ellendige en lijdende toestand, zoals die uitvoerig wordt beschreven door de profeet Jesaja (Js 53:1-121Wie heeft onze prediking geloofd,
en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?
2Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
3Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.4Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
5Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
6Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.7Toen [betaling] geëist werd, werd Híj verdrukt,
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen,
en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.
Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.
9Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
11Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
)
.

Wat zo iemand heeft meegemaakt, maakt hem gevoelig voor de situatie van anderen. Daarin kan hij meeleven. Het is iemand die de kracht heeft aan zijn ellendige omstandigheden te ontsnappen, maar die kracht niet gebruikt. Dit is de Heer Jezus. Daarom kan Hij tegen ons zeggen: “Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;).

En dan een Koning Die op een ezel komt! Een koning hoort op een paard te komen. Dat zal ook gebeuren bij Zijn tweede komst, als Hij in macht en majesteit verschijnt (Op 19:11-1611En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.). Maar bij Zijn eerste komst komt Hij op een ezelsveulen “waarop geen mens ooit heeft gezeten” (Lk 19:3030en zei: Gaat naar het tegenovergelegen dorp, waar u als u erin gaat, een veulen vastgebonden zult vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; en maakt het los en brengt het.). Zonder getemd te zijn draagt het dier Hem volkomen gewillig. De jeugdigheid van het dier wordt door de toevoeging “het jong van een ezelin” benadrukt.

Hij is een Koning in vernedering, Die komt om aan een kruis te sterven. Zo komt Hij naar Zijn volk. Zo gaat de profeet over van Alexander de Grote naar de ware grote Koning. Dat Hij zo zal komen, wordt alleen gezien door hen die door God zijn onderwezen. In Hem komt de heerlijkheid die uit de tempel naar de hemel is teruggekeerd (Ez 8:33Hij strekte [iets] uit [met] de vorm van een hand en pakte mij bij mijn hoofdhaar. Toen hief de Geest mij op tussen de aarde en de hemel en in visioenen van God bracht Hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de poort van de binnenste [voorhof] die naar het noorden gekeerd is, waar zich de zetel van het afgodsbeeld van de na-ijver bevond, dat na-ijver oproept.; 9:33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.; 10:3-4,18-193De cherubs stonden rechts van het huis toen de Man binnenkwam, en de wolk vervulde de binnenste voorhof.4Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:22-2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.) weer te midden van Zijn volk.

Wat betreft de geestelijke betekenis van de ezels en hun dienst, kan het volgende worden overwogen.
1. In de ezel, een onrein dier, kunnen we een beeld van het volk Israël zien dat onrein is door zijn zonden.
2. In het ezelsveulen, het jong van een ezelin, kunnen we een beeld zien van het overblijfsel van Israël, dat eigenlijk gedood had moeten worden, maar door het Lam is gelost (Ex 13:1313Maar alles wat [de baarmoeder] van een ezelin opent, moet u vrijkopen met een lam. Als u het niet vrijkoopt, moet u het de nek breken. Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen.). Daardoor is het geschikt om de Heer naar Jeruzalem te dragen.
3. Dat het jong nog nooit iemand heeft gedragen, wil zeggen dat de Heer Jezus in alle dingen de eerste plaats moet innemen. Zo is Hij ook geboren uit een vrouw met wie nog geen man gemeenschap heeft gehad en Hij is begraven in een graf waarin nog nooit iemand begraven is.


De heerschappij van de Vredevorst

10Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde.

Hier zien we de Heer Jezus voor de tweede keer naar de aarde gekomen. Hij is gekomen met de wolken van de hemel, in macht en majesteit, om de vijanden van Zijn volk te verdelgen en zo Zijn volk te bevrijden en vrede te geven. Hij geeft niet alleen Zijn volk vrede, maar Hij brengt vrede over de hele aarde. Het vrederijk breekt aan.

Met “Efraïm” wordt het voormalige rijk van de tien stammen aangeduid. “Jeruzalem” wordt genoemd als de hoofdstad van het koninkrijk van Juda. Onder de Messias zullen de twee koninkrijken, die nu nog verdeeld zijn, weer worden verenigd (Js 11:1313Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen,
en wie Juda in het nauw drijven, zullen uitgeroeid worden.
Efraïm zal niet [langer] jaloers zijn op Juda,
en Juda zal Efraïm niet [meer] in het nauw drijven.
)
.

Door de verwoesting van hun militaire macht, “de strijdwagens”, zullen de oorlogen ophouden (Ps 46:1010Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.
)
. Ook de paarden, dat zijn de oorlogspaarden, worden door God weggenomen (Mi 5:99Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE,
dat Ik uw paarden uit uw midden zal uitroeien
en dat Ik uw wagens zal doen vergaan.
)
, evenals de “strijdboog”. Alle oorlogsinstrumenten zullen verdwenen zijn.

Deze Koning zal ook “vrede verkondigen aan de heidenvolken”. Dat gebeurt niet door de vrede te bevelen door Zijn gezaghebbende woord, maar door de strijd onder de heidenen tot een einde te brengen (Mi 4:33Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
. Hij zal woorden van vrede spreken waardoor geschillen ophouden en het welzijn van de volken wordt bevorderd (vgl. Es 10:33De Jood Mordechai immers kwam op de tweede plaats, na koning Ahasveros. Hij stond in hoog aanzien bij de Joden en de menigte van zijn broeders was hem goedgezind, want hij zocht het beste voor zijn volk en sprak tot welzijn van heel zijn nageslacht.).

Die situatie van vrede beperkt zich dus niet tot Israël. Het koninkrijk van vrede dat Christus zal oprichten, zal zijn “van zee tot zee, van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde” (Ps 72:88Hij zal heersen van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot de einden der aarde.
; Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:; Ex 23:3131Ik zal uw grenzen vaststellen, van de Schelfzee tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier, want Ik zal de bewoners van het land in uw hand geven, zodat u hen vóór u uit kunt verdrijven.)
. De Eufraat is de meest oostelijke grens van het land Israël.


Het bloed van uw verbond

11Wat u aangaat, vanwege het bloed van uw verbond
heb Ik uw gevangenen vrijgelaten uit de put
waar geen water in is.

De in de vorige verzen beschreven situatie is nog toekomst. Jeruzalem is nu nog niet bevrijd. Er is nog geen echte zelfstandigheid. Jeruzalem zal een put zijn waarin geen water is. Het doet denken aan de geschiedenis van de Godvrezende Jozef, wiens eerste gevangenis ook een put zonder water is (Gn 37:2424en zij namen hem en gooiden hem in de put. De put nu was leeg, er stond geen water in.; vgl. Jr 38:66Zij namen Jeremia mee en wierpen hem in de put van Malkia, de zoon van de koning, die op het binnenplein van de wacht was, en zij lieten Jeremia met touwen neer. Nu was er geen water in de put, maar [wel] slijk. In dat slijk zakte Jeremia weg.; Js 29:44Dan zult u vernederd worden, spreken vanuit de aarde
en gedempt zullen uw woorden klinken uit het stof.
Uw stem vanuit de aarde zal zijn als die van een dodenbezweerder;
en uw woorden klinken piepend uit het stof.
)
. In die gevangenis zal een ellendig en arm overblijfsel zijn (Zf 3:1212Maar Ik zal in uw midden doen overblijven
een ellendig en arm volk.
Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen.
; Js 29:1-81Wee Ariël, Ariël,
de stad waar David zich gelegerd heeft!
Voeg jaar bij jaar,
laat de feesten hun kringloop hebben,
2toch zal Ik Ariël in het nauw drijven,
er zal geklag en geklaag zijn,
zij zal Mij als een ariël zijn.
3Want Ik zal u rondom belegeren,
Ik zal u insluiten met bolwerken
en versterkingen tegen u opwerpen.
4Dan zult u vernederd worden, spreken vanuit de aarde
en gedempt zullen uw woorden klinken uit het stof.
Uw stem vanuit de aarde zal zijn als die van een dodenbezweerder;
en uw woorden klinken piepend uit het stof.5Dan zal de menigte van hen die u vreemd zijn, worden als fijn stof,
en de menigte van geweldplegers als voorbijvliegend kaf.
In een ogenblik zal het gebeuren, plotseling.
6Door de HEERE van de legermachten zult u gestraft worden
met donder, aardbeving en groot geluid,
wervelwind, storm en de vlam van een verterend vuur.
7Als een droom, een nachtelijk visioen
zal de menigte van al de volken worden die strijden tegen Ariël,
ja, allen die strijden tegen hem en zijn vestingen, en die hem in het nauw drijven.
8Het zal zijn zoals wanneer een hongerige droomt, en zie, hij eet,
maar als hij ontwaakt, is hij [nog] onverzadigd;
of zoals wanneer een dorstige droomt, en zie, hij drinkt,
maar als hij ontwaakt, zie, hij is uitgeput en [nog] versmacht hij:
zó zal het met de menigte van alle heidenvolken zijn
die strijden tegen de berg Sion.
)
dat door de HEERE zal worden verlost.

De grondslag voor deze bevrijding is “het bloed van uw verbond”, dat is het bloed van het nieuwe verbond, het bloed van Christus. De “gevangenen” zijn de gevangenen van Sion. In de tijd van Zacharia zijn dat zij die nog in Babel zijn. Maar te denken is toch vooral aan de eindtijd. Als we denken aan wat Babel geestelijk voorstelt als een put zonder water, is dat een beeld van een godsdienst van het vlees, waar de Geest, het levende water, ontbreekt.

In Exodus 24 is ook sprake van verbondsbloed, maar daarvan gaat dreiging uit (Ex 24:3-83Mozes kwam [terug] en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk. Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.4Vervolgens schreef Mozes al de woorden van de HEERE op. Hij stond 's morgens vroeg op en bouwde onder aan de berg een altaar en [richtte] twaalf gedenkstenen [op] voor de twaalf stammen van Israël.5En hij stuurde de jonge mannen van de Israëlieten erop uit. Die brachten brandoffers en brachten dankoffers voor de HEERE, [te weten] jonge stieren.6Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in de schalen, en de helft van het bloed sprenkelde hij op het altaar.7Hij nam het boek van het verbond en las [dit] ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en [Hem] gehoorzamen.8Toen nam Mozes het bloed, sprenkelde het op het volk en zei: Zie, [dit is] het bloed van het verbond dat de HEERE met u gesloten heeft op grond van al die woorden.). Als zij het verbond niet houden, zal God met hen doen als met de dieren en hen doden. Het is oordeelsbloed. God neemt het volk echter niet aan op grond van het bloed van het oude verbond, maar op grond van het bloed van het nieuwe verbond, dat is het bloed van Christus. De Heer Jezus heeft daarover gesproken bij de instelling van het avondmaal (Mt 26:27-2827En Hij nam <de> drinkbeker, en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zei: Drinkt allen daaruit.28Want dit is Mijn bloed van het <nieuwe> verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.).


Dubbele vergoeding

12Keer terug naar de burcht,
[u,] gevangenen die hoop hebt!
Ook heden verkondig Ik: Ik zal u dubbel vergoeden,
13als Ik Mij Juda zal hebben gespannen,
[en] Ik Efraïm [op] de boog zal hebben gelegd,
en Ik uw zonen, Sion, zal hebben opgezet
tegen uw zonen, Griekenland,
en Ik u gemaakt zal hebben als het zwaard van een held.

Hier is sprake van een andere groep gevangenen. In vers 1111Wat u aangaat, vanwege het bloed van uw verbond
heb Ik uw gevangenen vrijgelaten uit de put
waar geen water in is.
zijn de gevangenen het overblijfsel in Jeruzalem. Hier in vers 1212Keer terug naar de burcht,
[u,] gevangenen die hoop hebt!
Ook heden verkondig Ik: Ik zal u dubbel vergoeden,
zijn de gevangenen de verstrooiden onder de volken. De put van vers 1111Wat u aangaat, vanwege het bloed van uw verbond
heb Ik uw gevangenen vrijgelaten uit de put
waar geen water in is.
is in vers 1212Keer terug naar de burcht,
[u,] gevangenen die hoop hebt!
Ook heden verkondig Ik: Ik zal u dubbel vergoeden,
veranderd in “de burcht”. De verschillende groepen gevangenen hebben wel dezelfde vaste grond om te hopen en dat is het bloed van het verbond. De gevangenen die over de hele aarde in verstrooiing zijn, zullen terugkeren naar Jeruzalem.

De HEERE roept op om te komen en verkondigt “heden” als een motiverende belofte daarbij dat Hij hen “dubbel vergoeden” zal. De dubbele vergoeding is hier niet die van Jesaja 40, maar die van Jesaja 61, waar ze dubbele zegen ontvangen na al het doorstane lijden (Js 61:77In plaats van uw dubbele schaamte en schande
zullen zij juichen over hun deel.
Daarom zullen zij in hun land het dubbele in erfelijk bezit hebben,
zij zullen eeuwige blijdschap hebben.
; Js 40:22spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
; vgl. Jb 42:1010En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job [bezeten] had tot het dubbele toe.)
. De dubbele vergoeding die de HEERE Zijn volk zal geven, zal bestaan uit het feit dat Hij hen bevrijdt uit de ballingschap en slavernij en tot een zelfstandige natie maakt én dat Hij hen tot hoofd van de volken maakt.

Voor de strijd tegen de omliggende volken gebruikt God ook Juda en Efraïm, dus de twee en de tien stammen. Juda is als een strijdboog, Efraïm is als de pijl, en samen vormen ze één werktuig tegen de vijanden. “Griekenland” ofwel het Grieks-Macedonische wereldrijk is de vertegenwoordiging van de macht van de wereldrijken waarmee Israël later in aanraking zal komen.


De Heer Jezus verschijnt

14De HEERE zal boven hen verschijnen:
als een bliksem zal Zijn pijl uitschieten.
De Heere HEERE zal op de bazuin blazen,
en Hij zal optrekken in zuiderstormen.
15De HEERE van de legermachten zal hen beschermen;
zij zullen eten en de slingerstenen vertrappen,
zij zullen drinken en feestgedruis maken als [van] wijn,
zij zullen vol worden als het sprengbekken,
als de hoeken van het altaar.

Hier vinden we de komst van de HEERE, dat is de Heer Jezus, in heerlijkheid. Dat is in tegenstelling tot vers 99Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.
, waar het om Zijn eerste komst, in vernedering, gaat. Hij verschijnt bij Zijn wederkomst. Dan wordt het rijk gevestigd zoals in vers 1010Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde.
staat. Zijn komst gaat gepaard met bliksem, bazuingeschal en stormen.

Jahweh verschijnt “boven hen”, dat wil zeggen, vanuit de hemel. Hij verschijnt als een oorlogsheld om voor hen te strijden. Zijn pijl schiet uit als de bliksem (Hk 3:1111Zon en maan stonden stil in [hun] woning;
met het licht bewogen Uw pijlen zich voort,
met de gloed Uw glinsterende speer.
)
. Hij trekt uit aan het hoofd van Zijn volk. Door op de bazuin te blazen geeft Hij het signaal om te strijden. Hij valt de vijand aan met het verschrikkelijk verwoestende geweld van de “zuiderstormen”. Stormen die van het zuiden komen, zijn de hevigste stormen, omdat ze uit de Arabische woestijn komen, die in het zuiden aan Kanaän grenst (Js 21:11De last over de woestijn aan de zee.
Zoals wervelwinden
in het Zuiderland voorbijtrekken,
komt het uit de woestijn,
uit een vreselijk land.
)
.

Maar de HEERE strijdt niet alleen voor Zijn volk. Hij is in de strijd ook een schild voor hen tegen de wapens van de vijand. Vandaar dat ze in staat zijn om hun vijanden te verdelgen en om als verscheurende leeuwen hun vlees te eten en hun bloed te drinken, dat wil zeggen hun het leven te ontnemen en zich aan de buit te goed te doen. Bij het beeld dat Zacharia hier gebruikt, heeft hij mogelijk gedacht aan iets wat Bileam over Gods volk heeft gezegd (Nm 23:2424Zie, een volk, het staat op als een leeuwin,
als een leeuw richt het zichzelf op;
het gaat niet liggen, voordat het [zijn] prooi opgegeten heeft
en het bloed van [zijn] slachtoffers gedronken heeft.
)
.


Verlossing, geluk en schoonheid

16Op die dag zal de HEERE, hun God, hen verlossen,
als de kudde van Zijn volk,
want [als edel]stenen in een diadeem
zullen zij schitteren in Zijn land,
17want hoe [groot] is Zijn geluk,
en hoe [groot] Zijn schoonheid!
Het koren zal [de mond van] de jongemannen,
en de nieuwe wijn [die van] de meisjes doen overlopen.

De HEERE verschijnt (vers 1414De HEERE zal boven hen verschijnen:
als een bliksem zal Zijn pijl uitschieten.
De Heere HEERE zal op de bazuin blazen,
en Hij zal optrekken in zuiderstormen.
)
, beschermt (vers 1515De HEERE van de legermachten zal hen beschermen;
zij zullen eten en de slingerstenen vertrappen,
zij zullen drinken en feestgedruis maken als [van] wijn,
zij zullen vol worden als het sprengbekken,
als de hoeken van het altaar.
)
en verlost (vers 1616Op die dag zal de HEERE, hun God, hen verlossen,
als de kudde van Zijn volk,
want [als edel]stenen in een diadeem
zullen zij schitteren in Zijn land,
)
. Deze verlossing zal niet weer ongedaan gemaakt worden. Het is een volkomen en blijvende verlossing. Het gaat om “de kudde van Zijn volk”. Dat bepaalt Zijn volk erbij dat Hij hun Herder is.

De dieren in die kudden zijn “[als edel]stenen in een diadeem”, als de kroonstenen op de kroon van een koning. De schapen van de Messias dienen als versiering op Zijn kroon. Als de Messias regeert, geven zij Zijn regering een extra schittering. Zij weerspiegelen Zijn heerlijkheid in Zijn land. Door hun overwinning op alle machten van de wereld is Israël tot de hoogste glorie gekomen. Deze glorie is alleen aan Hem te danken Die voor hen eerst heeft gestreden op het kruis. Daar heeft Hij voor hun zonden geboet. Dat is de basis voor Zijn strijd tegen hun vijanden van wie zij voor altijd verlost zijn. Dat is ook de basis voor de schittering die nu van hen afstraalt.

Groter dan het geluk van de schapen is het geluk van de Herder. Groter dan de schoonheid van het volk is de schoonheid van de Herder. Wat een vreugde zal Zijn hart vervullen als het hele plan van God met Zijn volk is vervuld. Dan zal Hij Zich over hen “verheugen met blijdschap” en “zwijgen in Zijn liefde” (Zf 3:1717De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held, [Die] verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.
)
.

Jongelingen zullen niet meer in de strijd omkomen, maar rijkelijk genieten van de opbrengst van het land. Jonge vrouwen zullen geen angst meer hebben over het lot van hun man, maar volop vreugde kennen.


Lees verder