Zacharia
Inleiding 1 Het woord van de HEERE komt tot Zacharia 2-3 Een vraag over vasten 4-5 Voor wie hebben ze gevast? 6-7 Voor wie eten en drinken we? 8-10 Waar het God om te doen is 11-12 Weigering om te luisteren 13-14 Roepen, maar geen gehoor vinden
Inleiding

De inhoud van Zacharia 7-8 is vooral van praktische betekenis. Deze hoofdstukken zijn als het ware een korte pauze. Ze zijn eenvoudiger te begrijpen, maar moeilijker in praktijk te brengen. Ze leggen de nadruk op een rechtvaardig leven door het volk van God in het licht van hun ontrouw in het verleden en de heerlijkheid die hun deel zal zijn in de toekomst.

Zacharia 7-8 valt in vier delen uiteen. Elk deel begint met “het woord van de HEERE” dat tot Zacharia komt (Zc 7:1,81Het gebeurde in het vierde jaar van koning Darius, op de vierde van de negende maand, in [de maand] Chisleu, [dat] het woord van de HEERE tot Zacharia kwam.8Verder kwam het woord van de HEERE tot Zacharia:; 8:1,181Het woord van de HEERE van de legermachten kwam [tot mij]:18Het woord van de HEERE van de legermachten kwam tot mij:).


Het woord van de HEERE komt tot Zacharia

1Het gebeurde in het vierde jaar van koning Darius, op de vierde van de negende maand, in [de maand] Chisleu, [dat] het woord van de HEERE tot Zacharia kwam.

Na de gedenkwaardige nacht waarin Zacharia zijn acht nachtgezichten heeft gekregen, zijn twee jaren verstreken. Het zal nog twee jaar duren voordat de tempel klaar is. In de tijd ertussen, dat is “het vierde jaar van koning Darius” ofwel het jaar 518 v.Chr., komt het woord van de HEERE tot Zacharia. Het gebeurt aan het begin van de maand Chisleu. Die maand komt overeen met een deel van onze maand november en een deel van december.


Een vraag over vasten

2Toen men Sarezer en Regem-Melech met zijn mannen naar het huis van God had gestuurd om te trachten het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, 3zeiden zij tegen de priesters die in het huis van de HEERE van de legermachten waren, en tegen de profeten: Moet ik in de vijfde maand blijven treuren [en mij blijven] afzonderen, zoals ik dit nu [al] zoveel jaren gedaan heb?

Er komen twee mannen uit Bethel – zo moet hier gelezen worden in plaats van ‘naar het huis van God’. Ze hebben Babylonische namen, wat lijkt te zeggen dat ze in Babel zijn geboren en tot de teruggekeerden behoren (vgl. Zc 6:1010Neem van de ballingen, van Cheldaï, Tobia en Jedaja, [gaven] in ontvangst. En u moet op die dag zelf komen en het huis van Josia, de zoon van Zefanja, binnengaan, waar [die mannen] uit Babel naartoe gekomen zijn.). Ze helpen niet bij de tempelbouw, maar komen nu om de gunst van de HEERE zoeken. Het lijkt erop dat hun hart uitgaat naar de tempel en dat ze verdriet hebben over de verwoesting ervan.

Twee jaar na de nachtgezichten komen deze mannen met een vraag over het vasten in de vijfde maand bij de priesters. De priesters worden geacht bekend te zijn met de wet van God (Dt 17:99Dan moet u naar de Levitische priesters gaan, en naar de rechter die er in die dagen is, en [hen] raadplegen. Zij zullen dan een gerechtelijke uitspraak voor u doen.). Ze richten zich met hun vraag ook tot de profeten. Dit zullen Haggaï en Zacharia zijn. Hun vraag betreft het vasten naar aanleiding van de verwoesting van Jeruzalem in 586 v.Chr. (Jr 52:12-1312Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende [regerings]jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die in dienst stond van de koning van Babel, in Jeruzalem.13Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.). Ze zijn nu al zeventig jaar aan het vasten, dat wil zeggen vanaf het begin van de ballingschap. Het is niet een vasten dat is ingesteld door de HEERE, maar een eigen initiatief van het volk. Maar nu de nieuwe tempel bijna klaar is, vragen ze of het nog wel zin heeft daarmee door te gaan.

Wat de achtergrond van de vraag is, is niet helemaal duidelijk. Er klinkt enige vermoeidheid door in de opmerking “zoals ik dit nu [al] zoveel jaren gedaan heb”. Het is een sleur geworden, een gewoonte waarvan het nut niet meer wordt ingezien. De vraag is gerezen of het nog wel nodig is om daarmee door te gaan. Als God het wil, moet Hij het maar zeggen. Dan zullen ze er wel mee doorgaan.

De mens wil altijd graag weten waar hij aan toe is. Het liefst heeft hij regels, dan kan hij zich daaraan houden en zo afmeten of hij goed bezig is. Zo kan bij ons de vraag opkomen: ‘Is het wel zo belangrijk elke zondag het avondmaal te vieren? Als het moet, dan moet het, maar waar staat dat het moet?’ Als tegenvraag mag gesteld worden: ‘Waarom komt die vraag op, waardoor ontstaat die?’ Als het avondmaal niet méér is dan een verplichting, kan het ook één keer per jaar gevierd worden, of als het eens uitkomt.

Maar God is niet geïnteresseerd in uiterlijke gewoonten. Hij wil zien wat er in het hart voor Hem leeft. Daarom geeft Hij beginselen, uitgangspunten, aan de hand waarvan zij onder de leiding van de Geest hun leven kunnen leiden. Het antwoord op de vraag is dan ook niet ‘ja’ of ‘nee’.

Er is een vasten in de vijfde maand (vers 33zeiden zij tegen de priesters die in het huis van de HEERE van de legermachten waren, en tegen de profeten: Moet ik in de vijfde maand blijven treuren [en mij blijven] afzonderen, zoals ik dit nu [al] zoveel jaren gedaan heb?) en in de zevende maand (vers 55Zeg tegen de hele bevolking van het land
en tegen de priesters:
Wanneer u deze zeventig jaar
gevast en rouw bedreven hebt in de vijfde en in de zevende [maand],
hebt u [dan] werkelijk voor Mij gevast?
)
. In het volgende hoofdstuk worden er nog twee vastendagen aan toegevoegd (Zc 8:1919Zo zegt de HEERE van de legermachten: Het vasten in de vierde, het vasten in de vijfde, het vasten in de zevende en het vasten in de tiende [maand], zal voor het huis van Juda worden tot vreugde, tot blijdschap en tot vreugdevolle feestdagen. Heb dan de waarheid en de vrede lief!).
1. De vastendag in de vijfde maand is naar aanleiding van de inname van de stad en de verwoesting van de tempel (Jr 39:22In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van die maand, werd de stad opengebroken.; 52:6-76In de vierde maand, op de negende van de maand, toen de hongersnood in de stad [zo] sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,7werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen vluchtten en trokken 's nachts de stad uit via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En zij gingen in de richting van de Vlakte.).
2. De vastendag in de zevende maand is naar aanleiding van – zo wordt aangenomen – de moord op Gedalia, de man die door Nebukadnezar is aangesteld (2Kn 25:8-98Daarna, in de vijfde maand, op de zevende van de maand – dit jaar was het negentiende [regerings]jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, de dienaar van de koning van Babel, in Jeruzalem.9Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.; Jr 51:11Zo zegt de HEERE:
Zie, Ik ga een [storm]wind opwekken die te gronde richt,
tegen Babel en tegen de inwoners van Leb-Kamai.
)
. Ook dat is een catastrofe.

Het gaat het gezantschap om het vasten in de vijfde maand, ter gedachtenis aan de verwoesting van de tempel. Nu de tempel bijna herbouwd is, lijkt het vasten ter gedachtenis daaraan niet langer noodzakelijk. Er is bij een herbouwde tempel immers geen reden meer om nog te “blijven treuren”. Er komt integendeel reden tot vreugde. Ze zouden dan ook zichzelf niet meer als nazireeërs hoeven te gedragen door zich af te zonderen van de aangename, op zichzelf geoorloofde dingen van het leven, zoals eten en drinken (Nm 6:33[dan] moet hij zich van wijn en sterkedrank onthouden; azijn uit wijn of azijn uit sterkedrank mag hij niet drinken; verder mag hij helemaal geen druivensap drinken en geen verse of gedroogde druiven eten.).


Voor wie hebben ze gevast?

4Toen kwam het woord van de HEERE van de legermachten tot mij: 5Zeg tegen de hele bevolking van het land
en tegen de priesters:
Wanneer u deze zeventig jaar
gevast en rouw bedreven hebt in de vijfde en in de zevende [maand],
hebt u [dan] werkelijk voor Mij gevast?

De vraag is gesteld aan de priesters en profeten (vers 33zeiden zij tegen de priesters die in het huis van de HEERE van de legermachten waren, en tegen de profeten: Moet ik in de vijfde maand blijven treuren [en mij blijven] afzonderen, zoals ik dit nu [al] zoveel jaren gedaan heb?), maar de HEERE geeft Zelf antwoord door Zijn profeet (vers 44Toen kwam het woord van de HEERE van de legermachten tot mij:). Het is een antwoord in twee delen. Het eerste deel staat in het vervolg van dit hoofdstuk en het tweede deel staat in Zacharia 8. In het eerste deel zegt Hij wat Hij van het volk verwacht en waarom Hij ertoe verplicht is geweest hen in ballingschap te voeren. In het tweede deel belooft Hij hun dat Hij hen weer in Zijn gunst zal aannemen.

De vraag is gesteld in het enkelvoud “moet ik …” (vers 33zeiden zij tegen de priesters die in het huis van de HEERE van de legermachten waren, en tegen de profeten: Moet ik in de vijfde maand blijven treuren [en mij blijven] afzonderen, zoals ik dit nu [al] zoveel jaren gedaan heb?), maar het antwoord komt tot “de hele bevolking van het land en … de priesters” (vers 55Zeg tegen de hele bevolking van het land
en tegen de priesters:
Wanneer u deze zeventig jaar
gevast en rouw bedreven hebt in de vijfde en in de zevende [maand],
hebt u [dan] werkelijk voor Mij gevast?
)
. De vraag gaat over het vasten in de vijfde maand, maar in het antwoord wordt het vasten in de zevende maand erbij betrokken. In de zevende maand is Gedalia gedood en is het overblijfsel op de vlucht gegaan (2Kn 25:23-2523Toen nu al de legerbevelhebbers, zij en [hun] mannen, hoorden dat de koning van Babel Gedalia aangesteld had, kwamen zij naar Gedalia in Mizpa toe, namelijk Ismaël, de zoon van Nethanja, Johanan, de zoon van Kareah, Seraja, de zoon van Tanhumeth uit Netofa, en Jaäzanja, de zoon van [iemand] uit Maächa, zij en hun mannen.24Gedalia zwoer hun en hun mannen, en zei tegen hen: Wees niet bevreesd voor de dienaren van de Chaldeeën. Blijf in het land en dien de koning van Babel, dan zal het u goed gaan.25Het gebeurde echter in de zevende maand dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, [iemand] van koninklijken bloede, kwam, en tien mannen met hem. Zij sloegen Gedalia neer, zodat hij stierf, evenals de Judeeërs en de Chaldeeën die bij hem in Mizpa waren.; Jr 41:1-31Het gebeurde echter in de zevende maand [dat] Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, [iemand] van koninklijken bloede, en de bevelhebbers van de koning en tien mannen met hem, naar Gedalia, de zoon van Ahikam, in Mizpa kwamen. Samen gebruikten zij daar de maaltijd in Mizpa.2Toen stond Ismaël, de zoon van Nethanja, op, met de tien mannen die bij hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, dood met het zwaard. Zo bracht hij hem ter dood die de koning van Babel over het land had aangesteld.3Ismaël versloeg alle Judeeërs die bij hem, [namelijk] bij Gedalia, in Mizpa waren, en de Chaldeeën, de strijdbare mannen, die zich daar bevonden.).

Uit het antwoord van de HEERE blijkt dat deze gedenkdagen zijn teruggebracht tot loutere godsdienstplichten. Een plicht vervullen alleen omdat het zo hoort, heeft voor God geen waarde. We kunnen iets doen omdat het een goede gewoonte is. Naar Zijn gewoonte gaat de Heer Jezus op de sabbat naar de synagoge (Lk 4:1616En Hij kwam in Nazareth waar Hij was opgevoed en ging naar Zijn gewoonte op de dag van de sabbat naar de synagoge en stond op om te lezen.). Maar goede gewoonten worden hol en leeg als wij ze niet doen voor de Heer maar voor onszelf. Dan veranderen de feesten van de HEERE in feesten van de Joden (Lv 23:4-64Dit zijn de feestdagen van de HEERE, de heilige samenkomsten, die u op hun vastgestelde tijd moet uitroepen.5In de eerste maand, op de veertiende [dag] van de maand, tegen het vallen van de avond, is het Pascha voor de HEERE.6En op de vijftiende dag van die maand is het Feest van de ongezuurde [broden] voor de HEERE. Zeven dagen [lang] moet u [dan] ongezuurde [broden] eten.; Jh 2:1313En het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem.; 7:22Nu was het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, nabij.).

Het antwoord is dan ook niet of ze wel of niet moeten doorgaan. Daarover mogen ze zelf beslissen. Het antwoord heeft betrekking op het waarom en hoe van hun vasten. Het gaat erom of wij de dingen doen voor de Heer of voor onszelf. Vasten is afstand doen van wat op zichzelf geoorloofd is, met het doel om zich aan de Heer te wijden.

Vasten is nooit een doel op zichzelf. De enige voorgeschreven vastendag voor Israël is de grote Verzoendag, om hun zielen te kastijden, om zich voor God te verootmoedigen vanwege hun zonden (Lv 16:19-3419Dan moet hij met zijn vinger zeven keer [een deel] van het bloed daarop sprenkelen. Zo reinigt en heiligt hij het van de onreinheden van de Israëlieten.20Wanneer hij de verzoening over het heiligdom, de tent van ontmoeting en het altaar voltooid heeft, dan moet hij de levende bok naderbij laten komen.21Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en al de ongerechtigheden van de Israëlieten belijden, al hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Hij moet die op de kop van de bok leggen en hem door de hand van een man, die daarvoor gereedstaat, de woestijn in sturen.22Zo draagt de bok al hun ongerechtigheden op zich weg naar een onbewoond gebied. Hij moet dan de bok de woestijn in sturen.23Daarna moet Aäron in de tent van ontmoeting komen en de linnen kleren uittrekken die hij aangedaan had toen hij het heiligdom binnenging. Daar moet hij ze laten.24Hij moet zijn lichaam in de heilige plaats met het water wassen en zijn kleren aantrekken. Dan moet hij naar buiten gaan, zijn brandoffer bereiden mét het brandoffer van het volk, en voor zichzelf en het volk verzoening doen.25Ook moet hij het vet van het zondoffer op het altaar in rook laten opgaan.26Hij die de weggaande bok heeft weggestuurd, moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Dan mag hij in het kamp komen.27De jonge stier voor het zondoffer en de bok voor het zondoffer, waarvan het bloed in het heiligdom is binnengebracht om verzoening te doen, moet men tot buiten het kamp brengen. Hun huiden, hun vlees en hun mest moeten zij met vuur verbranden.28Hij die ze verbrandt, moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met het water wassen. Dan mag hij in het kamp komen.29Dit is voor u tot een eeuwige verordening: u moet in de zevende maand, op de tiende [dag] van de maand, uzelf verootmoedigen en geen enkel werk doen, de ingezetene niet, en de vreemdeling die in uw midden verblijft, evenmin.30Want op deze dag wordt voor u verzoening gedaan om u te reinigen. Van al uw zonden wordt u voor het aangezicht van de HEERE gereinigd.31Het is voor u sabbat, een dag van volledige rust, opdat u uzelf verootmoedigt. Dit is een eeuwige verordening.32En de priester die men gezalfd en gewijd heeft om in de plaats van zijn vader als priester te dienen, moet de verzoening doen, als hij de linnen kleren, de heilige kleren, heeft aangetrokken.33Zo moet hij het heilige van het heiligdom verzoenen. De tent van ontmoeting en het altaar moet hij verzoenen en hij moet voor de priesters en voor heel het volk van de gemeente verzoening doen.34Dit is voor u tot een eeuwige verordening om voor de Israëlieten eenmaal per jaar verzoening te doen voor al hun zonden. En men deed zoals de HEERE Mozes geboden had.). Als het volk zich tijdens de vier vastendagen bewust is waarom het met Jeruzalem zo gegaan is, zal het zich in gebed tot God wenden om hulp.

Maar nu klinkt de vraag of ze het werkelijk voor God hebben gedaan. Het is een vraag die hun door merg en been moet zijn gegaan. Dat moet ook bij ons zo zijn. Voor wie doen we wat we doen? Is het werkelijk allemaal alleen voor de Heer? Het gaat God niet om godsdienstige gebruiken op zichzelf, maar om het motief, waarom iemand het doet.


Voor wie eten en drinken we?

6Of als u at en als u dronk,
was u het niet die at
en was u het niet die dronk?
7Zijn dit niet de woorden die de HEERE liet prediken door de dienst van de vroegere profeten, toen Jeruzalem met zijn omliggende steden bewoond en gerust was, en het Zuiderland en het Laagland bewoond waren?

Wat voor het vasten geldt, geldt ook voor de tijd dat er niet wordt gevast, maar dat er wordt gegeten en gedronken (vers 66Of als u at en als u dronk,
was u het niet die at
en was u het niet die dronk?
)
. Net als het vasten hebben ze dat ook voor zichzelf en niet voor God gedaan. Ze hebben Hem er niet bij betrokken. Het gaat er ook voor ons om dat we in alle dingen God verheerlijken: “Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets [anders] doet, doet het alles tot heerlijkheid van God” (1Ko 1:3131opdat, zoals geschreven staat: ‘Wie roemt, laat hij roemen in [de] Heer’.; Rm 14:6b6Wie de dag in acht neemt, neemt hem in acht voor [de] Heer. En wie eet, eet voor [de] Heer, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na voor [de] Heer, en hij dankt God.).

God heeft Zijn volk al eerder op het verkeerde vasten gewezen en wel door Zijn profeten. Jesaja is zo’n profeet (Js 1:11-1711Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
14Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
15En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.16Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de weduwe!
; 58:3-73[terwijl zij zeggen:] Waarom vasten wij, als U het toch niet ziet,
[waarom] kwellen wij onze ziel, als U het toch niet weet?
Zie, op uw vastendag zoekt u [uw eigen] wens,
en beult u al uw arbeiders af.
4Zie, u vast om te twisten en ruzie te maken
en om goddeloos op de vuist te gaan.
Vast niet zoals heden
als u uw stem wilt laten horen in de hoogte.
5Zou dit het vasten zijn dat Ik verkies:
dat de mens zich een dag [lang] verootmoedigt,
dat hij zijn hoofd buigt als een riet
en zich neerlegt in rouwgewaad en as?
Noemt u dat vasten
en een dag die de HEERE welgevallig is?6Is dit niet het vasten dat Ik verkies:
dat u de boeien van de goddeloosheid losmaakt,
dat u de banden van het juk ontbindt,
dat u de onderdrukten vrij laat heengaan
en dat u elk juk breekt?
7Is het niet [dit], dat u uw brood deelt met wie hongerlijdt,
en de ellendige ontheemden een thuis biedt,
dat, als u een naakte ziet, u hem kleedt,
en dat u zich voor eigen vlees [en bloed] niet verbergt?
)
. Maar het volk heeft aan hen geen gehoor gegeven. Daarom heeft God Zijn volk in ballingschap moeten wegzenden. Laten ze dat waarschuwende voorbeeld ter harte nemen en nu wel naar Zacharia luisteren!

De verzen 6-76Of als u at en als u dronk,
was u het niet die at
en was u het niet die dronk?
7Zijn dit niet de woorden die de HEERE liet prediken door de dienst van de vroegere profeten, toen Jeruzalem met zijn omliggende steden bewoond en gerust was, en het Zuiderland en het Laagland bewoond waren?
laten zien dat het God onverschillig laat of de mensen vasten of niet. Het echte vasten, het vasten dat God behaagt, bestaat niet in een farizeïstische onthouding van eten en drinken, maar in het feit dat het Woord van God in acht wordt genomen en men ernaar leeft. Dit hebben de profeten vóór de ballingschap al gepredikt aan het volk.

Dit werpt de gedachte omver dat men de gunst van God kan verkrijgen door te vasten. Het wordt aan hen zelf overgelaten om te beslissen of ze zich nog langer aan de eerdergenoemde vastendagen zullen houden of niet. Hier hebben we een duidelijk voorbeeld van het grote verschil tussen het christendom en andere religies. Het gaat er niet in de eerste plaats om wat iemand doet, maar waarom hij het doet; de motivatie is bepalend.


Waar het God om te doen is

8Verder kwam het woord van de HEERE tot Zacharia: 9Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Vel een betrouwbaar oordeel,
bewijs goedertierenheid en barmhartigheid,
eenieder aan zijn naaste.
10Onderdruk weduwe noch wees,
vreemdeling noch arme.
Bedenk in uw hart
geen kwaad tegen elkaar.

Het woord van de HEERE komt verder tot Zacharia (vers 88Verder kwam het woord van de HEERE tot Zacharia:). Door Zacharia spreekt Hij tot het volk als “de HEERE van de legermachten”. Het gaat niet om nieuwe mededelingen, maar om een herhaling van wat Hij altijd al door Zijn profeten heeft gezegd. Ze hebben die boodschap steeds verworpen, maar Hij herhaalt hem. Hieruit blijkt Zijn geduld. Wat God in het verleden heeft gezegd, blijft altijd zijn kracht houden en daarom kan Hij er steeds op terugkomen.

Het eerste waar het op aankomt, is dat ze een “betrouwbaar oordeel” vellen (vers 99Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Vel een betrouwbaar oordeel,
bewijs goedertierenheid en barmhartigheid,
eenieder aan zijn naaste.
)
. Dit geldt in de eerste plaats voor de rechters. Maar het is ook een woord dat ieder lid van Gods volk ter harte moet nemen. Een betrouwbaar oordeel is een oordeel waarin je vertrouwen kunt hebben. Het is onpartijdig en stemt met de feiten overeen. Er zit geen zoeken van eigen voordeel achter. Hier zien we de houding die we moeten aannemen tegenover onze broeders en zusters.

Uit die houding vloeit voort dat we “elkaar goedertierenheid en barmhartigheid” bewijzen. Dat laten we zien als we onze broeders en zusters geven wat ze nodig hebben, zowel voor het lichaam als voor de ziel. Dat is God veel meer waard dan alle offers die volgens de wet worden gebracht of allerlei andere uiterlijke dienst die gebeurt zonder dat het hart erbij betrokken is.

Het gaat er niet alleen om dat we niemand kwetsen, maar dat we de ander helpen (vers 1010Onderdruk weduwe noch wees,
vreemdeling noch arme.
Bedenk in uw hart
geen kwaad tegen elkaar.
)
. Daarbij moeten we vooral denken aan de weduwen en de wezen en de vreemdelingen en de armen (Ex 22:2222U mag geen enkele weduwe of wees onderdrukken.). Zelf hebben zij geen mogelijkheden om in hun eigen onderhoud te voorzien en zij hebben niemand op wie ze kunnen terugvallen. Als ze uit liefde handelen, zullen ze een ander geen kwaad doen, maar juist goed. Daarvoor moeten ze in hun harten niet het kwade bedenken tegen elkaar (vgl. Mi 2:11Wee [hun] die onrecht uitdenken,
kwaad uitwerken op hun slaapplaats,
[en] het bij het licht van de morgenstond uitvoeren,
omdat zij [daartoe] bij machte zijn.
)
.


Weigering om te luisteren

11Maar zij weigerden er acht op te slaan, zij zetten [hun] schouder [er] dwars [tegenin] en stopten hun oren toe om niet te hoeven luisteren. 12Zij maakten hun hart [als] diamant, om [maar] niet te [hoeven] luisteren naar de wet en de woorden die de HEERE van de legermachten door Zijn Geest gezonden had, door de dienst van de vroegere profeten. Daardoor is grote verbolgenheid bij de HEERE van de legermachten ontstaan.

Het verleden toont aan hoe het volk op Gods roepen door Zijn profeten heeft gereageerd (Dt 9:6,13,276Daarom moet u weten dat het niet vanwege uw gerechtigheid is dat de HEERE, uw God, u dit goede land geeft om het in bezit te nemen, want u bent een halsstarrig volk.13Verder sprak de HEERE tot mij: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een halsstarrig volk.27Denk aan Uw dienaren, Abraham, Izak en Jakob; schenk geen aandacht aan de hardleersheid van dit volk, naar zijn goddeloosheid, en naar zijn zonde;). Hun weigering om te luisteren hebben ze gepaard laten gaan met een krachtig verzet tegen wat God tegen hen heeft gezegd (vers 1111Maar zij weigerden er acht op te slaan, zij zetten [hun] schouder [er] dwars [tegenin] en stopten hun oren toe om niet te hoeven luisteren.). Ze zetten hun schouders er niet onder, maar er tegenin (Ne 9:2929U hebt hen gewaarschuwd om hen te doen terugkeren naar Uw wet, maar zíj hebben overmoedig gehandeld. Ze hebben niet naar Uw geboden geluisterd, maar hebben gezondigd tegen Uw bepalingen, waardoor een mens die ze houdt, leven zal. Zij zetten [hun] schouder [er] dwars [tegenin], zij waren halsstarrig en luisterden niet.). Het is ermee als met een os die niet wil dat er een juk op zijn nek wordt gelegd. Ten slotte hebben ze hun oren ook nog dichtgestopt, zodat ze doof zijn geworden voor de stem van God. Het is tevens een gebaar van verachting naar de Spreker.

De woorden van de profeten zijn die van de Geest (Ne 9:20,3020Uw goede Geest hebt U gegeven om hen te onderwijzen. Uw manna hebt U hun mond niet onthouden en water hebt U hun gegeven tegen hun dorst.30Vele jaren bent U geduldig geweest ten opzichte van hen, en hebt U hen door Uw Geest gewaarschuwd, door de dienst van Uw profeten, maar zij namen het niet ter ore. Toen hebt U hen in de hand van de volken van de landen overgegeven.). Niet luisteren naar de woorden van de profeten is gelijk aan het niet luisteren naar de woorden van God. Hun hardnekkige weigering om te luisteren komt ten diepste voort uit de verharding van hun hart (vers 1212Zij maakten hun hart [als] diamant, om [maar] niet te [hoeven] luisteren naar de wet en de woorden die de HEERE van de legermachten door Zijn Geest gezonden had, door de dienst van de vroegere profeten. Daardoor is grote verbolgenheid bij de HEERE van de legermachten ontstaan.). Ze hebben niet willen niet luisteren, ze hebben moedwillig hun oren dichtgestopt. Een dergelijke houding kan bij God niet anders dan grote verbolgenheid over hen teweegbrengen.


Roepen, maar geen gehoor vinden

13Daarom is het gebeurd zoals Hij geroepen had maar [waarnaar] zij niet geluisterd hadden, evenzo riepen zij maar luisterde Ik niet, zegt de HEERE van de legermachten. 14Ik heb hen echter met een storm weggeblazen naar alle heidenvolken, die zij niet kenden. Het land werd achter hen verwoest, zodat niemand erdoorheen kon trekken of [ernaar] terugkeren. Zo maakten zij van het begerenswaardige land een woestenij.

Als een mens hardnekkig weigert naar God te luisteren, komt de tijd dat de mens zal roepen tot God, maar dat God niet zal luisteren (Sp 1:27-2827wanneer uw angst komt als een verwoesting,
uw ondergang eraan komt als een wervelwind,
wanneer benauwdheid en nood over u komen.
28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden.
Zij zullen mij ernstig zoeken, maar zullen Mij niet vinden,
; Js 1:1515En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.
; Mi 3:44Dan zullen zij tot de HEERE roepen,
maar Hij zal hun niet antwoorden.
In die tijd zal Hij Zijn aangezicht voor hen verbergen,
omdat zij kwaad gedaan hebben.
; Jr 11:1111Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga over hen onheil brengen waaraan zij niet kunnen ontkomen. Als zij dan tot Mij roepen, zal Ik niet naar hen luisteren.; 14:1212Al vasten zij, Ik luister niet naar hun geroep. Ook al brengen zij een brandoffer en een graanoffer, Ik zal in hen geen behagen scheppen, maar door het zwaard, door de honger en door de pest zal Ik een einde aan hen maken.)
. God heeft tot hen geroepen door Zijn profeten, maar ze hebben niet naar hen geluisterd. Het volk heeft in de nood die God over hen heeft gebracht tot Hem geroepen, maar Hij heeft toen niet geluisterd.

Hij heeft hen moeten wegblazen in de verstrooiing (vers 1414Ik heb hen echter met een storm weggeblazen naar alle heidenvolken, die zij niet kenden. Het land werd achter hen verwoest, zodat niemand erdoorheen kon trekken of [ernaar] terugkeren. Zo maakten zij van het begerenswaardige land een woestenij.). Omdat ze Hem niet nodig hadden, heeft Hij hen overgegeven aan een gezelschap dat Hem niet kent, opdat zij door ervaring zouden leren hoe bitter het is om vervreemd te zijn van de liefde en barmhartigheid en zorg van God. Dat het “begerenswaardige land” tot “een woestenij” is gemaakt, wordt hier niet toegeschreven aan de vijand, maar aan het handelen van Israël zelf. Het is aan hun zonden te danken. Niemand kon er meer doorheentrekken en ook niet naar terugkeren. Het was onbewoonbaar gebied geworden.

Maar altijd zal er een rest zijn (Js 10:20-22a20Op die dag zal het gebeuren dat de rest van Israël en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige van Israël, in trouw.21[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.22Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.). God oordeelt het geheel, maar behoudt altijd een rest, een overblijfsel, in leven dat voor Hem het geheel zal vormen waaraan Hij Zijn beloften vervult.


Lees verder