Zacharia
Inleiding 1 Een Man met een meetsnoer 2 De maten van Jeruzalem 3-4 Een boodschap voor Zacharia 5 Wat de HEERE voor Jeruzalem is 6-7 Oproep om te vluchten 8 Gods oogappel 9 De rollen worden omgedraaid 10-11 De HEERE woont in hun midden 12 Deel en verkiezing van de HEERE 13 Wees stil
Inleiding

Dit hoofdstuk spreekt over de glorie die God over Zijn stad zal brengen.


Een Man met een meetsnoer

1[Opnieuw] sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.

Zacharia slaat weer zijn ogen op (Zc 1:1818Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie: vier hoorns.). De eerste keer ziet hij oordeel. Nu ziet hij “een Man met een meetsnoer”. Het is dezelfde Man als in het vorige hoofdstuk (Zc 1:88Ik zag 's nachts, en zie, een Man Die op een rood paard reed en Hij stond tussen de mirten die zich in de diepte bevonden, en achter Hem waren er rode, bruine en witte paarden.), maar in een andere hoedanigheid. Hij is hier Degene Die als Enige Jeruzalem kan meten en Die als Enige herstel kan bewerken. Hiermee worden de Joden bemoedigd door te gaan met de herbouw van de tempel.

We hebben hier de toelichting en bevestiging van de belofte die in het vorige hoofdstuk is gedaan (Zc 1:1616Daarom, zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Jeruzalem teruggekeerd met barmhartigheid;
Mijn huis zal erin herbouwd worden,
spreekt de HEERE van de legermachten,
en het meetlint zal over Jeruzalem uitgespannen worden.
)
. Een meetsnoer wordt gebruikt bij de bouw. Het meetsnoer gebruiken staat symbool voor het opeisen door God van de stad als Zijn eigendom (vgl. Ps 78:5555Hij verdreef de heidenvolken voor hun [ogen],
verdeelde [hun] erfelijk bezit door een meetsnoer
en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
; Ez 40:3-153Hij bracht mij erheen, en zie, een Man. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van koper en in Zijn hand was een linnen koord en een meetlat. En Hij stond in de poort.4Toen sprak die Man tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, luister met uw oren, en neem alles wat Ik u zal laten zien, ter harte. U bent namelijk hierheen gebracht, opdat Ik u [dit] zou laten zien. Maak alles wat u ziet, aan het huis van Israël bekend.5En zie, er was een muur aan de buitenzijde van het huis, [die er] helemaal omheen [liep]. Nu was er in de hand van die Man een meetlat van zes el, per el [een el] en een handbreedte [lang]. Hij mat de breedte van het bouwwerk: één lat, en de hoogte: één lat.6Toen kwam Hij bij de poort die op het oosten uitzag. Hij beklom de treden ervan en mat de drempel van de poort: één lat breed. Ook [mat Hij] de andere drempel: één lat breed.7En [elke] wachtruimte was één lat lang en één lat breed, en er zat vijf el tussen de wachtruimtes. Verder was de drempel van de poort aan de zijde van de voorhal van de poort aan de binnenzijde één lat [lang].8Vervolgens mat Hij de voorhal van de poort aan de binnenzijde: één lat.9Toen mat Hij de [andere] voorhal van de poort: acht el, en de muurposten ervan waren twee el. De voorhal van de poort lag aan de binnenzijde.10Wat betreft de wachtruimtes bij de poort in de richting van het oosten: er waren er drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. Alle drie hadden ze dezelfde afmetingen. De muurposten aan de ene kant en aan de andere kant hadden ook dezelfde afmetingen.11Vervolgens mat Hij de breedte van de poortingang: tien el. De lengte van de poort was dertien el.12Ook was er een ruimte vóór de wachtruimtes van één el [aan de ene kant] en een ruimte van één el aan de andere kant. Wat de wachtruimtes betreft: zes el aan de ene kant en zes el aan de andere kant.13Toen mat Hij de poort, vanaf het dak van de [ene] wachtruimte tot aan het dak van de andere [wachtruimte]: een breedte van vijfentwintig el; ingang lag tegenover ingang.14Zo deed Hij [ook met] de muurposten: zestig el. En bij een muurpost was de voorhof helemaal rondom de poort.15En vanaf de voorzijde van de toegangspoort tot aan de voorzijde van de voorhal van de binnenste poort was het vijftig el.; Op 11:1-21En mij werd een rietstok gegeven, aan een staf gelijk, en gezegd: Sta op en meet de tempel van God en het altaar en hen die daarin aanbidden.2En de voorhof die buiten de tempel is, verwerp die en meet die niet, want hij is aan de naties gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden tweeënveertig maanden lang.)
. Dit is nog niet in vervulling gegaan. Weer neemt Zacharia de vragende houding aan. De Man is de Heer Jezus Die alleen in staat is de omvang van Gods raadsbesluiten met het oog op de toekomstige zegeningen van het aardse Jeruzalem te omvatten.


De maten van Jeruzalem

2Toen zei ik: Waar gaat U heen? Hij zei tegen mij: [Ik ga] Jeruzalem opmeten om te zien hoe groot zijn breedte en hoe groot zijn lengte zal zijn.

Zacharia wil weten waar de Man heen gaat. Hij krijgt antwoord. De Man gaat de stad Jeruzalem opmeten, want Hij wil zien hoe groot de breedte en lengte ervan zal zijn. De stad wordt gemeten met het oog op een volledig herstel. Dit herstel heeft niet plaatsgevonden in de dagen van Zacharia en is ook nu nog toekomst. Er zal plaats voor velen zijn (Js 54:22Vergroot de plaats voor uw tent,
laat men uw tentkleden wijd uitspannen,
wees niet terughoudend,
verleng uw touwen,
sla uw pinnen vast.
; 60:44Sla uw ogen op, [kijk] om [u] heen en zie:
zij allen zijn bijeengekomen, zij komen naar u toe.
Uw zonen zullen van verre komen
en uw dochters zullen op de heup gedragen worden.
; vgl. Lk 14:2222En de slaaf zei: Heer, er is gebeurd wat u hebt bevolen en nog is er plaats.; Jh 14:11Laat uw hart niet ontroerd worden. U gelooft in God, gelooft ook in Mij.)
.

In de toepassing op de gemeente als de stad waar God woont, zien we dat de gemeente ook een stad in verval is. Toch moet er met Gods maatstaf worden gemeten. Die maatstaf is de oorsprong van de gemeente, hoe ze is wanneer ze ontstaat, zoals in Handelingen wordt beschreven, en hoe ze zal zijn in de toekomst, als ze in volmaaktheid bij de Heer is. Hoe ze in de toekomst is, lezen we in Openbaring 21. Van het aardse Jeruzalem worden alleen de breedte en de lengte gemeten; van het hemelse Jeruzalem wordt ook nog de hoogte gemeten (Op 21:15-1615En hij die met mij sprak, had een gouden meetrietstok, opdat hij de stad en haar poorten en haar muur zou meten.16En de stad ligt in het vierkant, en haar lengte is even groot als haar breedte. En hij mat de stad met de rietstok: twaalfduizend stadiën; haar lengte, breedte en hoogte zijn gelijk.).


Een boodschap voor Zacharia

3En zie, de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en een andere engel trad Hem tegemoet. 4En Hij zei tegen hem: Loop snel, spreek tot die jongeman en zeg:
Jeruzalem zal niet ommuurd blijven,
vanwege de veelheid aan mensen en dieren in haar midden.

Zacharia heeft in het vorige vers een vraag gesteld en daarop antwoord gekregen. Hij weet wat de Man gaat doen. Dan komt ineens de Engel van de HEERE naar voren. Het woord “zie” wijst erop dat het een plotselinge gebeurtenis is. Op dat initiatief treedt een andere engel Hem tegemoet. Die engel krijgt van de Engel van de HEERE, dat is de Heer Jezus, een opdracht. Hij moet snel naar Zacharia toe lopen en hem iets meedelen.

Zacharia wordt hier “die jongeman” genoemd. De HEERE kent de leeftijd van Zijn dienaar. Het kan zijn dat Zacharia de last van het profetenambt zwaar voelt drukken (vgl. 1Tm 4:1212Laat niemand je jeugdige leeftijd verachten, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in reinheid.). Hij krijgt in elk geval een snelle bemoediging van de HEERE, Die daartoe een engel de opdracht geeft. De bemoediging is dat er een tijd komt dat Jeruzalem een stad zonder muren zal zijn. Wonen zonder muren spreekt van vrede en veiligheid, geen angst voor vijanden. De HEERE Zelf zal de stad beschermen (Ez 38:10-1110Zo zegt de Heere HEERE: Op die dag zal het gebeuren dat er overleggingen in uw hart zullen opkomen en dat u een kwaad plan beramen zult.11U zult zeggen: Ik zal optrekken tegen een niet ommuurd land, komen bij [mensen] die rustig [en] onbezorgd wonen, die allen zonder muur en grendel wonen en geen poorten hebben,). Dit alles zal vervuld worden bij de wederkomst van de Heer Jezus (Ez 43:1-121Daarop leidde Hij mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was.2En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.3En de aanblik van het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik gezien had, toen ik kwam om de stad te gronde te richten. Het waren visioenen als het visioen dat ik aan de rivier de Kebar gezien had. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].4En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.5Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.6Daarop hoorde ik Iemand uit het huis met mij spreken, terwijl de Man naast mij bleef staan,7en Hij zei tegen mij: Mensenkind, [dit] is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten. Zij die van het huis van Israël zijn, zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij en hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen [op] hun [offer]hoogten.8Terwijl zij hun drempel bij Mijn drempel plaatsten en hun deurpost naast Mijn deurpost, zodat er [alleen] een muur tussen Mij en hen was, verontreinigden zij Mijn heilige Naam met hun gruweldaden, die zij deden, zodat Ik hen ombracht in Mijn toorn.9Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen ver van Mij houden, zodat Ik voor eeuwig onder hen wonen zal.10U, mensenkind, breng het huis van Israël de boodschap van dit huis, zodat zij zich schamen vanwege hun ongerechtigheden, en laten zij het ontwerp meten.11Als zij zich dan schamen vanwege alles wat zij gedaan hebben, maak hun [dan] bekend de vorm van het huis, de inrichting ervan, de uitgangen ervan en de ingangen ervan, ja, alle vormen ervan, met alle bijbehorende verordeningen, alle bijbehorende vormen en alle bijbehorende wetten, en schrijf [dat] voor hun ogen op, zodat zij heel de vorm ervan met alle bijbehorende verordeningen in acht nemen en die houden.12Dit is de wet voor het huis; op de top van de berg is heel het gebied ervan helemaal rondom allerheiligst. Zie, dit is de wet van het huis.; Hs 1:1010Toch zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: Kinderen van de levende God.).

Wat hier wordt beschreven, heeft Jeruzalem nog niet gekend. In de dagen van Zacharia is slechts een handjevol teruggekeerd. De heerlijkheid van de HEERE is nog niet teruggekeerd en woont nog niet in de stad. Ook is het nog niet mogelijk zonder beschermende muur te zijn.

Dit tafereel heeft ons ook iets te zeggen. God zal Zijn plan voor de gemeente in de toekomst ten volle verwerkelijken. Het is voor ons belangrijk alleen op de Heer te vertrouwen en niet ons heil te zoeken bij organisaties of de wereld. Hoe het in de toekomst zal zijn, is een bemoediging om nu met de bouw van de gemeente bezig te zijn op een manier dat we met de juiste materialen bouwen (1Ko 3:10-1310Naar de genade <van God> die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester [het] fundament gelegd en een ander bouwt erop. Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt.11Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus.12Als nu iemand op het fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stro, –13ieders werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen, omdat deze in vuur geopenbaard wordt, en hoe ieders werk is, <dat> zal het vuur beproeven.).


Wat de HEERE voor Jeruzalem is

5En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,
een muur van vuur rondom,
en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.

Er is Goddelijke bescherming en Goddelijke tegenwoordigheid in de stad van God. De nadruk ligt op “Ík”. De veiligheid van de stad ligt in de bescherming door God Zelf. Hij is die muur om de stad heen Die alle vijanden verteert die de stad schade willen berokkenen. Hij is ook de muur om de stad heen met het oog op wat er in de stad gebeurt. Ook in de stad doet het vuur van Zijn oordeel zijn werk als er zonde in de stad gebeurt. Hij woont in het midden van de stad, waardoor Zijn heerlijkheid erop rust. Daarom kan er geen zonde getolereerd worden. Hij en de zonde verdragen elkaar niet.

Net als Jeruzalem toen heeft de gemeente vandaag ook een muur nodig als scheiding tussen haar en de wereld. Er vindt een vermenging plaats met ongelovigen als dit niet gebeurt. In de hemel is die muur niet meer nodig. Maar God verlangt ernaar nu een plaats te hebben waar Hij te midden van Zijn volk kan wonen. Zijn heerlijkheid is daar het middelpunt. De muur is nodig om de tafel van de Heer vrij te houden van zonde.

De vurige muur herinnert aan de vuurkolom die een scheiding aanbracht tussen de Israëlieten en de Egyptenaren (Ex 14:2424Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.; vgl. Js 4:55dan zal de HEERE over elke plaats op de berg Sion en over de samenkomsten ervan overdag een wolk scheppen en rook, en ‘s nachts een schijnsel van vlammend vuur; ja, over alles wat heerlijk is, zal een beschutting zijn.; Zc 9:88Ik zal Mij als een wacht rond Mijn huis legeren,
vanwege [het leger] dat heen en weer trekt,
zodat geen onderdrukker meer tegen hen optrekt.
Nu heb Ik [het] immers met eigen ogen gezien!
; 2Kn 6:1717En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.; Js 26:11Op die dag zal dit lied gezongen worden in het land Juda:
Wij hebben een sterke stad,
[God] stelt heil
[tot] muren en vestingwallen.
)
. Deze vurige muur is een bescherming naar binnen en een verdelging van de vijand naar buiten.


Oproep om te vluchten

6O, o, vlucht dan uit het land van het noorden!
spreekt de HEERE,
want Ik heb u verspreid
over de vier wind[streken] van de hemel,
spreekt de HEERE.
7O, Sion! [Zie] te ontkomen,
u die woont [bij] de dochter van Babel!

De oproep om uit Babel weg te vluchten (vers 66O, o, vlucht dan uit het land van het noorden!
spreekt de HEERE,
want Ik heb u verspreid
over de vier wind[streken] van de hemel,
spreekt de HEERE.
)
sluit aan op het derde nachtgezicht wat de inhoud daarvan betreft, want het gaat om het wonen van God te midden van Zijn volk. Na het derde nachtgezicht is er nu weer directe profetie. Het is een oproep van de profeet zelf aan al de Israëlieten die zich nog in “het land van het noorden”, dat is Babel, bevinden (Jr 6:2222Zo zegt de HEERE:
Zie, een volk komt uit het land in het noorden,
een grote natie zal opgewekt worden van de uithoeken van de aarde.
; 16:1515maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.)
. De hoofdgroep bevindt zich in Babel, maar het volk is naar alle zijden verstrooid.

Er is maar een handjevol uit Babel teruggekeerd onder Ezra en later nog enkelen met Nehemia. Wie in Babel is gebleven, loopt kans te worden omgebracht, want de vijanden die komen, zullen geen onderscheid maken tussen de inwoners van Babel en de gevangenen van Babel (Js 48:2020Ga weg uit Babel,
vlucht weg van de Chaldeeën,
verkondig met luide vreugdezang,
laat dit horen,
draag het uit
tot aan het einde der aarde,
zeg: De HEERE heeft
Zijn knecht Jakob verlost.
; 52:1111Vertrek, vertrek, ga daar weg,
raak het onreine niet aan,
ga uit haar midden weg, reinig u,
u die de [heilige] voorwerpen van de HEERE draagt!
; Jr 50:8-98Vlucht weg uit het midden van Babel,
uit het land van de Chaldeeën.
Ga weg, wees als bokken
voor de kudde uit!9Want zie, Ik doe opstaan en tegen Babel optrekken
een menigte van grote volken
uit het land in het noorden. Zij zullen zich ertegen gereedmaken.
Vandaaruit zal het ingenomen worden.
Hun pijlen zijn als van een bedreven held,
zonder uitwerking keert er geen terug.
; 51:6,456Vlucht weg uit het midden van Babel, laat ieder zijn leven redden,
word in zijn ongerechtigheid niet verdelgd.
Want dit is de tijd van de wraak van de HEERE,
Hij vergeldt het wat het verdient.
45Ga weg uit zijn midden, Mijn volk,
laat ieder zijn leven redden
vanwege de brandende toorn van de HEERE.
)
. Zacharia heeft de geestelijke kracht om hen op te roepen te breken met hun verblijf in dat vreemde land. Ze wonen er nog steeds vanwege de aantrekkelijkheid die dat land voor hen heeft gekregen. Ze zijn zich er thuis gaan voelen.

De profetie komt tot mensen die hun leven volkomen ingericht hebben op een lang verblijf in Babel. Ongeloof, gemakzucht, de onzekere toekomst van Israël, de woestheid van land, stad en tempel, dat alles houdt hen in Babel. De ernst van de toestand maakt dat God hun een tweede kans geeft om alsnog te vluchten voor het zekere oordeel dat Babel zal treffen en naar Jeruzalem te gaan. Ieder lid van Gods volk hoort in Jeruzalem.

De oproep geldt in geestelijk opzicht ook voor ons vandaag. Net als toen de meerderheid van Juda in Babel bleef, zo is het merendeel van Gods volk vandaag in slavernij van een kerkelijk, klerikaal, systeem. Het Babel van toen heeft ook zijn betekenis in de kerkgeschiedenis. In Openbaring zien we de ware kerk (Op 21:9-119En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen.10En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God11en de heerlijkheid van God had. Haar lichtglans was aan zeer kostbaar gesteente gelijk, als een kristalheldere jaspissteen.) tegenover de valse kerk (Op 17:1-61En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer die op vele wateren zit,2met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en zij die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij.3En hij voerde mij weg in [de] Geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was [en] zeven koppen en tien horens had.4En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij.5En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.6En ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En toen ik haar zag, verwonderde ik mij met grote verwondering.). De valse kerk is de rooms-katholieke kerk die haar leden met haar valse leringen in slavernij houdt. De oproep klinkt om die slavernij te ontvluchten (Op 18:44En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt;; vgl. 2Ko 6:1717Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,). Wie dat doet, krijgt de mogelijkheid om op zoek te gaan naar een plaats waar Gods Geest en Gods Woord de ruimte hebben om inhoud te geven aan het gemeente-zijn.

Velen kennen de waarheid van het ene lichaam van Christus, maar slechts weinigen willen gebruikmaken van de genade om die waarheid ook in praktijk te brengen. Daarmee lijken ze op de Joden die in Babel blijven, die wel het wonen in Jeruzalem waarderen, maar toch liever de gemakken van Babel behouden.

De oproep komt tot “Sion” (vers 77O, Sion! [Zie] te ontkomen,
u die woont [bij] de dochter van Babel!
)
, dat zo door God wordt aangesproken om het contrast duidelijk te maken tussen enerzijds wat ze voor God betekenen en waar ze dus thuishoren, in Israël, en anderzijds waar ze daadwerkelijk wonen, in Babel. Het is niet zo, dat zij tot Sion behoren, maar ze zijn Sion. Daarom is het contrast zo groot met hun wonen in Babel en komt de oproep om te vluchten en zich te redden. Zoals gezegd, wordt de oproep gedaan met het oog op het oordeel dat over Babel komt (Jr 51:66Vlucht weg uit het midden van Babel, laat ieder zijn leven redden,
word in zijn ongerechtigheid niet verdelgd.
Want dit is de tijd van de wraak van de HEERE,
Hij vergeldt het wat het verdient.
)
.


Gods oogappel

8Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nadat [Hij] heerlijkheid [heeft beloofd],
heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven,
want wie u aanraakt,
raakt Zijn oogappel aan.

De woorden “nadat heerlijkheid, heeft Hij Mij gezonden” [de woorden tussen haken staan niet in de oorspronkelijke tekst] zien op het teken van de Zoon des mensen Die in Zijn heerlijkheid verschijnt. Als Hij in Zijn heerlijkheid verschijnt, zal Hij Zijn vijanden en die van Zijn volk ombrengen (Mt 24:30-3130En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in [de] hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid.31En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan.; 25:31-3231Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;; vgl. Ps 73:2424U zult mij leiden door Uw raad,
daarna zult U mij [in] heerlijkheid opnemen.
)
. Zijn wederkomst vindt plaats omdat Hij gezonden wordt. Hij wordt als Mens door God vanuit de heerlijkheid gezonden en neemt die heerlijkheid mee. In het vervolg van dit gedeelte wordt die heerlijkheid gezien, zowel in het oordeel over de vijanden als in de bevrijding van Zijn volk.

God noemt Zijn volk “Zijn oogappel” (vgl. Dt 32:1010Hij vond hem in een woestijngebied,
in een woeste, huilende wildernis.
Hij omringde hem, Hij onderwees hem,
Hij beschermde hem als Zijn oogappel.
; Ps 17:88Bewaar mij als [Uw] oogappel,
verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels
; Sp 7:22Neem mijn geboden in acht en leef,
en [neem] mijn onderricht [in acht] als je oogappel.
)
. De appel van het oog is een bijzonder gevoelige plek. Wie aan Israël komt, tast de gevoeligste plek van de HEERE aan. Hetzelfde geldt voor de gemeente, die op de innigste wijze met de Heer Jezus verbonden is. Als Paulus de gemeente vervolgt, zegt de Heer Jezus dat hij Hem vervolgt (Hd 9:44en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?).


De rollen worden omgedraaid

9Want, zie, Ik beweeg Mijn hand over hen
en zij zullen hun dienaren tot buit worden.
Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij gezonden heeft.

Als de HEERE Zijn hand beweegt, is dat een beweging vol dreiging (Js 19:1616Op die dag zullen de Egyptenaren zijn als vrouwen. Zij zullen beven en angstig zijn voor de dreigend heen en weer bewegende hand van de HEERE van de legermachten, die Hij dreigend tegen hen heen en weer beweegt.). Een simpele beweging van Gods hand bewerkt dat al Zijn vijanden voor Hem neervallen. Zijn vijanden worden tot buit van de dienaren van Zijn volk. Die situatie geeft het gelovig overblijfsel de zekerheid dat hun Messias aanwezig is, als gezonden door “de HEERE van de legermachten”.

God zal ervoor zorgen dat de rollen worden omgedraaid. Zij die Zijn volk hebben onderworpen, zullen aan Zijn volk onderworpen zijn (Js 14:22De volken zullen hen nemen en naar hun [woon]plaats brengen. Het huis van Israël zal hen in erfelijk bezit nemen als slaven en slavinnen in het land van de HEERE. Zo zullen zij gevangen houden wie hen gevangen hielden en heersen over hun onderdrukkers.; vgl. Es 7:1010Toen hingen zij Haman aan de galg die hij voor Mordechai had laten oprichten. Toen bedaarde de woede van de koning.; 2Th 1:6-76daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden,7en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,). Dat is het bewijs dat hun Messias door de HEERE gezonden zal zijn. Als gebeurt wat is voorzegd, zullen ze door ervaring weten dat God Zijn Messias heeft gezonden (Js 48:1616Kom nader tot mij, hoor dit:
Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;
vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.
En nu, de Heere HEERE
heeft mij gezonden, en Zijn Geest.
; 61:11De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart,
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
)
.

De profeet beweegt gemakkelijk heen en weer tussen de actuele situatie en de toekomst, tussen de direct aanstaande vervulling en de toekomstige uiteindelijke vervulling bij de regering van de Messias. Alle voorgaande gebeurtenissen lopen op die heerlijke tijd uit.


De HEERE woont in hun midden

10Juich en verblijd u, dochter van Sion,
want, zie, Ik kom,
en zal in uw midden wonen, spreekt de HEERE.
11Veel heidenvolken zullen op die dag bij de HEERE gevoegd worden
en zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ik zal in uw midden wonen.
Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij tot u gezonden heeft.

Deze oproep tot de dochter van Sion om te juichen en zich te verblijden (vers 1010Juich en verblijd u, dochter van Sion,
want, zie, Ik kom,
en zal in uw midden wonen, spreekt de HEERE.
)
zal klinken als de Heer Jezus op aarde is teruggekeerd. Die vreugde-uitingen zullen worden gehoord als de wolk van de heerlijkheid, waarin de HEERE woont, weer in de tempel zal wonen. Altijd weer is de aanwezigheid van de Messias te midden van Zijn volk in de profeten de reden tot juichen. Dat ziet niet op Zijn eerste komst naar de aarde, maar op Zijn tweede.

De bron van alle zegen ligt in het wonen van God te midden van Zijn volk. Dat is vanaf het begin het teken geweest dat zij Zijn verloste volk zijn (Ex 15:88Door de adem van Uw neus
is het water opgehoopt,
de stromen stonden als een dam,
de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.
)
. De zegen van de nieuwe aarde zal zijn dat God in Zijn tabernakel, dat is de gemeente, bij de mensen zal wonen (Op 21:33En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.). De plaatselijke gemeente mag die zegen nu al kennen (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

In vers 1111Veel heidenvolken zullen op die dag bij de HEERE gevoegd worden
en zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ik zal in uw midden wonen.
Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij tot u gezonden heeft.
wordt voor de derde keer, na de verzen 5,105En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,
een muur van vuur rondom,
en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.10Juich en verblijd u, dochter van Sion,
want, zie, Ik kom,
en zal in uw midden wonen, spreekt de HEERE.
, gesproken over het wonen van de HEERE te midden van Zijn volk. Hier spreekt een Mens Die zegt dat de HEERE Hem heeft gezonden. Die Mens is de HEERE Zelf. Hij woont als de HEERE, Jahweh, te midden van Zijn volk en zegt ook dat Jahweh Hem heeft gezonden. Zijn aanwezigheid in Zijn volk zal veel heidenvolken aantrekken omdat zij ook de zegen van Zijn aanwezigheid willen genieten.

De Heer Jezus is de van de Vader Gezondene. Zijn aanwezigheid in het midden van de gemeente is het bewijs van Zijn zending.


Deel en verkiezing van de HEERE

12De HEERE zal Juda in eigendom nemen
[als] Zijn deel in het heilige land.
Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.

Het komen van de volken (vers 1111Veel heidenvolken zullen op die dag bij de HEERE gevoegd worden
en zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ik zal in uw midden wonen.
Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij tot u gezonden heeft.
)
zal niet tekortdoen aan de plaats die Juda en Jeruzalem dan voor de HEERE zullen hebben. Juda is Zijn eigendom. Juda is de koningsstam, waaruit Christus als Koning is voortgekomen. Juda betekent ‘lofprijzing’.

De uitdrukking “het heilige land” komt alleen hier in de Schrift voor als een aanduiding voor het land. We lezen ook over de “heilige berg” (Ps 2:66Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
; Zc 8:33Zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HEERE van de legermachten ‘de heilige berg’.
)
, de “heilige stad” (Js 48:22Ja, ‘van de heilige stad’ noemen zij zich
en zij steunen op de God van Israël,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
; 52:11Ontwaak, ontwaak,
bekleed u met uw kracht, Sion,
trek uw mooiste kleren aan,
Jeruzalem, heilige stad!
Want voortaan zal in u
geen onbesnedene of onreine meer komen.
)
en een “heilig volk” (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.; 1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,). Er kan sprake zijn van “het heilige land” omdat dan de ongerechtigheid uit het land is weggedaan, waardoor het gereinigd is van al zijn bevlekking. Het land zal apart gezet zijn – dat is de betekenis van het woord ‘heilig’ – voor Hem.


Wees stil

13Wees stil voor het aangezicht van de HEERE, alle vlees,
want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.

Eerbiedige stilte past ons als de HEERE op het punt staat te oordelen en Zijn plaats in te nemen te midden van Zijn volk (Hk 2:2020Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel.
Wees stil voor Zijn aangezicht, heel de aarde!
; Zf 1:77Wees stil voor het aangezicht van de Heere HEERE.
Want nabij is de dag van de HEERE,
ja, de HEERE heeft een offer bereid,
Zijn genodigden geheiligd.
)
. Zacharia wijst hiermee op de tweede komst van de Heer Jezus.

De boodschap voor ons is dat we aan de slag moeten gaan, terwijl we beseffen dat het pas volmaakt wordt als de Heer komt om Zijn gemeente op te halen. Wij moeten eraan werken dat de gemeente opgebouwd wordt, dat we vragen hoe de gemeente moet samenkomen, waar de plaats van aanbidding is waar ze mag samenkomen, hoe ze zich moet reinigen van ‘Babylonische’ en wereldse invloeden. God roept ons op ons in te zetten voor Zijn huis te midden van de puinhopen van de christenheid.


Lees verder