Zacharia
Inleiding 1 God, de Schepper en Formeerder 2 Jeruzalem, een bedwelmende beker 3 Jeruzalem, een steen die moeilijk te tillen is 4 De HEERE slaat de vijanden 5-6 God geeft Zijn volk kracht 7-9 De HEERE verlost, beschermt en vaagt weg 10 Hem aanschouwen en rouwklagen 11 De grote rouwklacht 12-14 Gemeenschappelijke en persoonlijke rouw
Inleiding

Met dit hoofdstuk begint het laatste deel van het boek.


God, de Schepper en Formeerder

1De last, het woord van de HEERE over Israël. De HEERE spreekt, Die de hemel uitspant, de aarde grondvest en de geest van de mens in zijn binnenste vormt.

“De last” betreft “Israël”, hoewel de inhoud ervan over Juda en Jeruzalem gaat. Maar al Gods handelingen hebben toch uiteindelijk de zegen voor heel Israël, de tien en de twee stammen, ten doel. Wat Hij spreekt, maakt Hij waar. Zijn Woord is zoveel als Zijn daad.

De HEERE stelt Zich hier voor in Zijn almacht. Hij is de Schepper en Onderhouder van alle dingen en heeft alle dingen in handen, ook de geest van de mens (vgl. Js 42:55Zo zegt God, de HEERE,
Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,
Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,
Die de adem geeft aan het volk [dat] daarop is,
en de geest aan hen die daarop wandelen:
; Am 4:1313Want, zie, Hij Die de bergen vormt, Die de wind schept
en Die aan de mens bekendmaakt wat zijn gedachten zijn,
Die de dageraad tot duisternis maakt,
en Die op de hoogten van de aarde treedt;
HEERE, God van de legermachten, is Zijn Naam.
)
. Dat Hij Zich hier zo voorstelt, is om aan te geven dat de gebeurtenissen zich zo zullen ontwikkelen als Hij bepaald heeft. Het is bedoeld om alle twijfel weg te nemen over de realisatie van de prachtige dingen die in de volgende verzen worden voorzegd.

Het gaat hier niet alleen om eenmalige scheppingsactiviteiten, maar om Gods voortdurende handelen met Zijn schepping en met de geest van de mens. Zo is Hij ook steeds bezig de geest van de mens te vormen (vgl. Ps 51:1212Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.
; 1Ko 2:1111Want wie van de mensen kent het innerlijk van de mens, dan de geest van de mens die in hem is? Zo kent ook niemand het innerlijk van God, dan de Geest van God.)
. Naarmate we ouder worden, veranderen onze gedachten, gevoelens, instellingen als gevolg van Gods bemoeienis met ons. God is de Vader van de geesten (Hb 12:99Bovendien, wij hadden de vaders van ons vlees om [ons] te tuchtigen en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij <dan> niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven?; Nm 16:2222Maar zij wierpen zich met hun gezicht [ter aarde] en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! Als één man zondigt, zult U dan zeer toornig worden op heel de gemeenschap?).

Profeten wijzen vaker eerst op God in Zijn almacht, voordat zij profetische uitspraken doen over dingen die volkomen buiten het bereik van de mens liggen. Zij doen dat om het geloof in hun woorden te stimuleren. Wat volgens onze opvattingen hopeloos is en alle rede en geloofwaardigheid te boven gaat, vormt voor de almachtige God geen enkel probleem. We moeten leren zien op Hem en niet op de omstandigheden.


Jeruzalem, een bedwelmende beker

2Zie, Ik ga Jeruzalem maken [tot] een bedwelmende beker voor alle volken rondom, ja, ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem.

God gaat het opnemen voor Jeruzalem en Juda. Hij maakt Jeruzalem tot het middelpunt van de politieke wereld. Juda is het gebied waar in de toekomst de gevluchte gelovigen van het overblijfsel zich bevinden. God maakt Jeruzalem tot “een bedwelmende beker”, dat is een beker van oordeel, waaruit Hij “alle volken rondom” laat drinken zodat ze bedwelmd worden. Daardoor zijn ze niet in staat staande te blijven, maar zullen ze op de grond vallen en omkomen (vgl. Js 51:1717Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.
; Jr 25:15-2815Want zo heeft de HEERE, de God van Israël, tegen mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid uit Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken tot wie Ik u zend,16zodat zij drinken en waggelen en zich als een waanzinnige gedragen vanwege het zwaard dat Ik onder hen zend.17Toen nam ik deze beker uit de hand van de HEERE en gaf die te drinken aan al de volken tot wie de HEERE mij gezonden had:18aan Jeruzalem en de steden van Juda, haar koningen en haar vorsten, om die te maken tot een puinhoop, tot een verschrikking, tot een aanfluiting en tot een vloek, zoals het heden ten dage is,19aan de farao, de koning van Egypte, zijn dienaren, zijn vorsten en heel zijn volk,20aan alle mensen van allerlei herkomst en al de koningen van het land Uz, aan al de koningen van het land van de Filistijnen, aan Askelon, Gaza, Ekron en het overblijfsel van Asdod,21aan Edom, Moab en de Ammonieten,22aan al de koningen van Tyrus, al de koningen van Sidon, en de koningen van de kustlanden die liggen aan de overkant van de zee,23aan Dedan, Tema, Buz, en allen die kaalgeschoren zijn aan [hun] slapen,24aan al de koningen van Arabië en al de koningen van de gemengde bevolking die in de woestijn woont,25aan al de koningen van Zimri, al de koningen van Elam en al de koningen van Medië,26aan al de koningen van het noorden, die dichtbij en veraf zijn, de een na de ander; ja, aan al de koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. Na hen zal de koning van Sesach drinken.27Dan moet u tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Drink, word dronken, spuw uit, val neer zodat u niet [weer] opstaat, vanwege het zwaard dat Ik onder u zend.28Mocht het gebeuren dat zij weigeren de beker uit uw hand te nemen om te drinken, dan zult u tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Drinken zult u!)
.

De volken willen Jeruzalem onderwerpen en zich eraan te goed doen, maar het effect is dat zij zelf door Jeruzalem te gronde worden gericht. God maakt alle volken die zich met het goddeloze Israël willen bemoeien, of ze nu vijanden of vrienden zijn, als mensen die niet meer nuchter kunnen oordelen. Ze zullen zich als beschonken, waggelende mensen gedragen die geen rechte koers meer kunnen gaan en niet meer in staat zijn tot verstandig handelen. Dat geldt voor de vijandige koning van het noorden en zijn metgezellen, maar evengoed voor het bevriende beest uit de zee met zijn West-Europese legers die Israël tegen de legers van de koning van het noorden willen verdedigen. God is de Enige Die recht heeft met Zijn volk te handelen.


Jeruzalem, een steen die moeilijk te tillen is

3Op die dag zal het gebeuren dat Ik Jeruzalem zal maken tot een steen die moeilijk te tillen is voor al de volken. Allen die hem optillen, zullen zichzelf zeker diepe sneden toebrengen, en al de volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen.

De uitdrukking “op die dag” komt vaak voor in Zacharia 12-14. Het is de kenmerkende uitdrukking die de beschreven gebeurtenissen in de toekomst plaatst. Het gaat hoofdzakelijk om twee gebeurtenissen: de overwinning van Jeruzalem en de komst van de Messias om Israëls vijanden te verslaan en Zijn rijk op te richten.

Aan de invasie van Jeruzalem zullen “al de volken” van de wereld deelnemen (Ps 83:5-95Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn
en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt.
6Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
; Jl 3:9-169Roep dit uit onder de heidenvolken:
Verklaar de oorlog!
Wek de helden op!
Laten zij aantreden en oprukken,
alle strijdbare mannen!10Smeed uw ploegscharen tot zwaarden
en uw snoeimessen tot speren.
Laat de zwakke zeggen:
Ik ben een held.11Snel te hulp en kom,
alle heidenvolken van rondom,
verzamel u!
HEERE, laat Uw helden daarheen afdalen!12Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!13Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.14Menigten, menigten
in het dal van de dorsslede,
want de dag van de HEERE is nabij
in het dal van de dorsslede.15Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren hebben hun schijnsel ingetrokken.16De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.
; Op 16:16-2116En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.17En de zevende goot zijn schaal uit op de lucht, en er kwam een luide stem uit de tempel vanaf de troon, die zei: Het is gebeurd!18En er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen, en er kwam een grote aardbeving, zoals er niet geweest is sinds er een mens op de aarde is geweest: zo’n aardbeving, zo groot!19En de grote stad werd tot drie delen en de steden van de naties vielen. En het grote Babylon werd voor God in herinnering gebracht om haar de drinkbeker van de wijn van de grimmigheid van Zijn toorn te geven.20En elk eiland vluchtte en bergen werden niet gevonden.21En een grote hagel, [elke steen] ongeveer een talent zwaar, viel uit de hemel op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag daarvan is zeer groot.)
. De hele wereld zal erin betrokken worden, ook de Europese bondgenoten van Israël. Zowel de vijandelijke aanvallers als de bevriende verdedigers zullen zich aan Jeruzalem vertillen. Er wordt wel verondersteld dat het tillen van de steen een term is uit de sport gewichtheffen. Zij die Jeruzalem te na komen, zullen door het gelovig overblijfsel in Jeruzalem verdelgd worden. Zij die Jeruzalem willen verdedigen, zullen met de goddeloze massa worden omgebracht.

Allen die Jeruzalem willen optillen om haar op de grond te gooien en te vertrappen, zullen in stukken worden gesneden. Alle pogingen om de stad te ontregelen en te verwoesten, zullen als een boemerang over al de verzamelde volken komen. Jeruzalem zal hen naar beneden drukken en hen verdelgen. Ze zal diepe sneden aan die volken toebrengen, zoals mensenhanden worden gesneden en gescheurd als ze ruwe en zware stenen optillen.

De volken hebben gedacht Jeruzalem als een steen te kunnen opnemen en ermee te kunnen doen wat ze willen. Dat hebben ze ook gedacht van de steen die “niet door [mensen]handen” uit een berg is afgehouwen (Dn 2:4545Daarom hebt u gezien dat niet door [mensen]handen uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.). Die steen is de Heer Jezus (vgl. Js 28:1616daarom, zo zegt
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet [weg]haasten.
; Lk 20:1717Hij zag hen echter aan en zei: Wat betekent dan dit, dat geschreven staat: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen’?)
. Ze hebben Hem ook opgenomen en omgebracht. Maar Hij zal terugkomen en dan op hen vallen en hen vermorzelen (Lk 20:1818Ieder die op die steen valt, zal verbrijzeld worden; en op wie hij valt, die zal hij verpletteren.; Mt 21:4444En wie op deze steen valt, zal verbrijzeld worden; en op wie hij valt, zal hij verpletteren.>).


De HEERE slaat de vijanden

4Op die dag, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schichtigheid slaan en hun ruiters met krankzinnigheid. Maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openhouden en alle paarden van de volken zal Ik met blindheid slaan.

Cavalerie vormt in het oosten een groot deel van het leger. Maar God zal dat deel onschadelijk maken. Het wapen van de kracht zal zich tegen henzelf keren. In plaats van dat de paarden hun berijders naar de overwinning voeren, dragen zij hen mee in het verderf (vgl. Ex 15:1,211Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
Zing voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
. De berijders zelf zullen krankzinnig worden. De vloek die Israël is aangezegd en ook over hen is gekomen (Dt 28:2828De HEERE zal u treffen met krankzinnigheid, met blindheid en met verdwaasdheid van hart.), zal nu hun vijanden treffen.

God kiest voor Zijn volk. Over hen houdt Hij Zijn ogen open om hen te beschermen (1Kn 8:2929Laten Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan U hebt gezegd: Mijn Naam zal daar zijn, om te luisteren naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden.; Ne 1:66Laat Uw oor toch opmerkzaam zijn, en Uw ogen open, om te luisteren naar het gebed van Uw dienaar, dat ik heden dag en nacht voor Uw aangezicht bid voor de Israëlieten, Uw dienaren. Ik belijd de zonden van de Israëlieten, die wij tegen U begaan hebben. Ook ik en mijn familie, wij hebben gezondigd.; Ps 32:88Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan;
Ik geef raad, Mijn oog is op u.
; 33:1818Zie, het oog van de HEERE is over wie Hem vrezen,
op hen die op Zijn goedertierenheid hopen,
; vgl. Am 9:44Al gingen zij voor hun vijanden uit in gevangenschap,
daar zou Ik het zwaard opdracht geven hen te doden.
Ik zal Mijn ogen op hen richten
ten kwade en niet ten goede.
)
. Deze belofte wordt versterkt door de herhaling van de straf die God over de vijanden zal brengen. Hij zal de volken met blindheid slaan, zodat zij niet meer kunnen waarnemen in welke situatie zij zich bevinden (vgl. 2Kn 6:1818Toen [de Syriërs] naar hem afdaalden, bad Elisa tot de HEERE en zei: Sla dit volk toch met blindheid. En Hij sloeg hen met blindheid, overeenkomstig het woord van Elisa.).


God geeft Zijn volk kracht

5Dan zullen de leiders van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen voor mij een [bron van] kracht zijn door de HEERE van de legermachten, hun God. 6Op die dag zal Ik de leiders van Juda maken als een vuurbekken in [een stapel] hout en als een brandende fakkel in een graanschoof. Rechts en links zullen zij al de volken rondom verteren en Jeruzalem zal nog op zijn plaats blijven, in Jeruzalem.

Het gelovig overblijfsel waarvoor God het opneemt tegen hun vijanden, kent twee groepen. Er is een groep in Jeruzalem en een groep buiten Jeruzalem. Vlak voor de komst van de Heer Jezus zal het gelovig overblijfsel in Juda, dat gevlucht is naar de bergen, zich bemoedigd weten door de trouw en volharding van het overblijfsel in Jeruzalem. In Micha 5 zien we ook dat de HEERE mensen zal gebruiken om de overwinning te behalen over de vijand (Mi 5:4-84Hij zal Vrede zijn.
Wanneer Assur in ons land zal komen
en wanneer hij onze paleizen zal betreden,
zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan
en acht vorsten uit de mensen.5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,
het land van Nimrod met getrokken zwaarden.
Zo zal Hij [ons] redden van Assur,
wanneer die in ons land zal komen
en wanneer die ons gebied zal betreden.6Het overblijfsel van Jakob zal zijn
te midden van vele volken
als dauw van de HEERE,
als regendruppels op het gewas,
dat niet uitziet naar iemand
en niet hoopt op mensenkinderen.7Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,
te midden van veel volken,
als een leeuw onder de dieren van het woud,
als een jonge leeuw onder de schaapskudden,
die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,
en er is niemand die redt.8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders
en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
)
. Zij zullen de belegeringsmacht, die daar door de Assyriërs is achtergelaten – terwijl de hoofdmacht is doorgetrokken naar Egypte (Dn 11:40-4340Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].) –, uit het land verdrijven.

Samen met het tenietdoen van de kracht van de tegenstanders zoals dat is beschreven in de vorige verzen, zal God Zijn volk met kracht omgorden om de vijand te weerstaan en te verslaan (vers 55Dan zullen de leiders van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen voor mij een [bron van] kracht zijn door de HEERE van de legermachten, hun God.). Voordat de Heer Jezus persoonlijk verschijnt, zal Hij het overblijfsel ondersteunen. Dat is hier de situatie. De aangestelde leiders van het gevluchte overblijfsel (Mi 5:44Hij zal Vrede zijn.
Wanneer Assur in ons land zal komen
en wanneer hij onze paleizen zal betreden,
zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan
en acht vorsten uit de mensen.
)
zullen zich gesterkt weten door het overblijfsel in Jeruzalem, dat op hun beurt gesterkt wordt door de HEERE.

Ze trekken gezamenlijk op, maar spreken ieder hun persoonlijke overtuiging uit, “voor mij”, in de bemoediging door hun broeders in Jeruzalem. Ook spreken ze hun persoonlijke overtuiging erover uit dat de HEERE, hun God, de bron van hun kracht is. De HEERE is “de HEERE van de legermachten”. Dat houdt in dat Hij alle legermachten in de hand heeft, ook die van de vijand.

Het overblijfsel heeft twee vijanden. Er is een vijand buiten het land, de koning van het noorden met zijn bondgenoten, die het land binnendringt. Er is ook een vijand in het land, de antichrist met zijn aanhangers, de goddeloze volksgenoten.

Wat in deze verzen gebeurt, vindt niet alleen plaats bij de komst van de Heer, maar wordt voortgezet na Zijn komst op aarde. Voordat Jeruzalem wordt bevrijd, zal het overblijfsel van Juda de vijand, de Assyriërs, verdrijven, waarbij het wordt geholpen door de HEERE (vers 66Op die dag zal Ik de leiders van Juda maken als een vuurbekken in [een stapel] hout en als een brandende fakkel in een graanschoof. Rechts en links zullen zij al de volken rondom verteren en Jeruzalem zal nog op zijn plaats blijven, in Jeruzalem.). God maakt van het overblijfsel een gezelschap dat alles oordeelt wat in strijd is met Zijn heiligheid (Js 11:1414Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.
)
. Daarna zal Jeruzalem worden bevrijd. Jeruzalem zal dan rust krijgen op de plaats waar het gevestigd is.


De HEERE verlost, beschermt en vaagt weg

7En de HEERE zal de tenten van Juda het eerst verlossen, opdat de luister van het huis van David en de luister van de inwoners van Jeruzalem niet groter zijn dan [die] van Juda. 8Op die dag zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschermen. Wie onder hen wankelt, zal op die dag als David zijn, en het huis van David zal zijn als goden, als de Engel van de HEERE voor hun [ogen]. 9Op die dag zal het gebeuren dat Ik alle heidenvolken die tegen Jeruzalem oprukken, zal willen wegvagen.

De HEERE verlost (vers 77En de HEERE zal de tenten van Juda het eerst verlossen, opdat de luister van het huis van David en de luister van de inwoners van Jeruzalem niet groter zijn dan [die] van Juda.), beschermt (vers 88Op die dag zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschermen. Wie onder hen wankelt, zal op die dag als David zijn, en het huis van David zal zijn als goden, als de Engel van de HEERE voor hun [ogen].) en vaagt weg (vers 99Op die dag zal het gebeuren dat Ik alle heidenvolken die tegen Jeruzalem oprukken, zal willen wegvagen.). Eerst verlost Hij “de tenten van Juda” (vers 77En de HEERE zal de tenten van Juda het eerst verlossen, opdat de luister van het huis van David en de luister van de inwoners van Jeruzalem niet groter zijn dan [die] van Juda.). “Tenten” staan in contrast met de versterkte stad Jeruzalem. Hiermee wordt de weerloosheid van Juda onderstreept, dat het blootgesteld is aan de woede van de vijand buiten de beschermende muren van Jeruzalem. God geeft in de verlossing van Zijn volk de voorrang aan wat zonder bescherming en zwak is, zodat er geen reden is voor de mens om in zichzelf te roemen.

Juda wordt eerst bevrijd en daarna Jeruzalem. Zo is er ook daar gelijkheid. Het voorkomt dat Jeruzalem zich beroemt op haar bevoorrechte positie. Het gaat erom dat er alleen wordt geroemd in de Heer (Jr 9:2424Maar laat wie zich beroemt, zich daarop beroemen
dat hij begrijpt en Mij kent
dat Ik de HEERE ben, Die goedertierenheid bewijs,
recht en gerechtigheid op de aarde [doe],
want in die dingen vind Ik vreugde, spreekt de HEERE.
; 1Ko 1:3131opdat, zoals geschreven staat: ‘Wie roemt, laat hij roemen in [de] Heer’.; 2Ko 10:1717Maar ‘wie roemt, laat hij roemen in [de] Heer’.)
. In beide gevallen is de bevrijding door de HEERE bewerkt.

Maar ook Jeruzalem heeft in zichzelf geen kracht om de vijand te verjagen. God maakt de zwakke inwoners van Jeruzalem als David, de oorlogsheld en onoverwinnelijke koning (2Sm 17:88Verder zei Husai: Ú kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, en dat zij bitter van gemoed zijn, zoals een beer die in het veld van jongen beroofd is. Bovendien is uw vader een strijdbare man en zal hij niet overnachten bij het volk.; 18:33Maar het volk zei: U mag niet [met ons] uittrekken, want als wij soms moeten vluchten, zullen wij hun niet aan het hart gaan; ja, al zou de helft van ons sterven, zullen wij hun niet aan het hart gaan. [U bent] nu echter [evenveel waard] als tienduizend van ons. Het is nu beter dat u ons vanuit de stad tot hulp bent.). Het is ermee als met Paulus die roemt in zijn zwakheden opdat de kracht van Christus op hem woont (2Ko 12:99en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.). Het volk zal ervaren dat het alles alleen vermag in Hem Die het kracht geeft (Fp 4:1313Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft.).

Het huis van David ziet uiteindelijk op de Messias, of op de vorst die als plaatsvervanger van de Messias op aarde zal regeren. De Heer Jezus zal niet Zelf duizend jaar op aarde te zien zijn. Het zal een situatie zijn die vergelijkbaar is met de situatie na Zijn opstanding. Toen verscheen Hij hier en daar en was Hij niet meer aan een bepaalde plaats gebonden.

In het conflict met de heidense volken zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem voorzien van grote kracht waarmee ze al hun vijanden zullen overwinnen. De bevolking van Jeruzalem is in zichzelf zwak. Er zijn onder hen die wankelen, inwoners die niet stevig op hun voeten staan, maar struikelen. Zij zullen als David worden, de dappere held van Israël (vgl. 1Sm 2:44De boog van de sterken is gebroken,
maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord.
; 2Sm 17:88Verder zei Husai: Ú kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, en dat zij bitter van gemoed zijn, zoals een beer die in het veld van jongen beroofd is. Bovendien is uw vader een strijdbare man en zal hij niet overnachten bij het volk.)
.

Maar ook David heeft geen kracht in zichzelf. Zijn kracht is een bovenmenselijke kracht. Hij dankt die aan God. Daardoor is hij als goden, als de Engel van de HEERE”. Het punt van vergelijking ligt in de macht en kracht, niet in morele gelijkenis met God. “De Engel van de HEERE voor hun [ogen]” ziet op Christus, Die aan het hoofd van Zijn volk voor hen uitgaat, als hun Commandant (Mi 2:1313De Doorbreker trekt vóór hen op.
Zij zullen doorbreken, door de poort trekken
en daardoor naar buiten gaan.
Hun Koning gaat vóór hen uit,
de HEERE [gaat] aan de spits.
)
, aan Wie zij hun kracht ontlenen.

De Heer Jezus Zelf zal het eindoordeel over alle heidenvolken voltrekken (vers 99Op die dag zal het gebeuren dat Ik alle heidenvolken die tegen Jeruzalem oprukken, zal willen wegvagen.). De oprukkende heidenvolken zijn die welke onder aanvoering van de koning van het noorden, de aanvoerder van de Assyrische legers, tegen Jeruzalem oprukken. Ze zullen eerst Jeruzalem belegeren, het innemen en dan verder trekken naar het zuiden, Egypte, om dat aan zich te onderwerpen (Dn 11:42-4342Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].). Maar als ze geruchten uit het noorden en oosten horen, trekken ze terug naar Jeruzalem. Dan zijn ook de West-Europese legers in Harmagedon aangekomen (Op 16:1616En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.). Daar zal de HEERE hen wegvagen (Dn 11:44-4544Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.45En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.).


Hem aanschouwen en rouwklagen

10Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.

Na het wegvagen van de vijand moet er nog iets met Israël gebeuren. Na de fysieke verlossing van “het huis van David” en “de inwoners van Jeruzalem” moet nu de geestelijke verlossing volgen. Zij moeten tot berouw en bekering komen. De ware grote Verzoendag moet aanbreken. Dat gebeurt in de harten van het gelovig overblijfsel door “de Geest van de genade en van de gebeden” Die door God Zelf over hen zal worden uitgestort. Er is genade van God en gebed bij mensen. Beide komen als werking van Gods Geest. Het is de Geest Die genade verleent en boetedoening bewerkt.

We zien hier een opmerkelijke voorstelling van zaken. Wie spreekt hier? De HEERE spreekt, Dezelfde van vers 11De last, het woord van de HEERE over Israël. De HEERE spreekt, Die de hemel uitspant, de aarde grondvest en de geest van de mens in zijn binnenste vormt., de Schepper van hemel en aarde. Wie zullen ze aanschouwen? “Zij zullen Mij aanschouwen”, dat is de Spreker, dus de HEERE. Maar hoe aanschouwen zij Hem? Het is Hij, “Die zij doorstoken hebben”, dat is niemand anders dan de Heer Jezus.

Ze zullen Hem zien Die zij doorstoken hebben, een Mens, zoals Thomas Hem heeft gezien (Jh 20:27-2827Daarna zei Hij tot Thomas: Breng je vinger hier en zie Mijn handen, en breng je hand en steek die in Mijn zijde, en wees niet ongelovig maar gelovig.28Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God!). Zij zullen dan zien dat de Messias de HEERE Zelf is, dat de verachte Jezus van Nazareth de HEERE Zelf is. Niet een Romeinse soldaat, maar Israël heeft Hem doorstoken (Jh 19:34,3734Maar een van de soldaten doorstak Zijn zijde met een speer en terstond kwam er bloed en water uit.37En weer een ander Schriftwoord zegt: ‘Zij zullen zien op Hem Die zij hebben doorstoken’.). Wij moeten ons realiseren dat ook ieder van ons persoonlijk dat heeft gedaan, door middel van de Romeinse soldaat.

“Aanschouwen” is met grote aandacht kijken naar. Als ze Hem zo zien, zullen ze de rouwklacht van Jesaja 53 uitspreken (Js 53:1-121Wie heeft onze prediking geloofd,
en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?
2Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
3Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.4Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
5Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
6Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.7Toen [betaling] geëist werd, werd Híj verdrukt,
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen,
en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.
Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.
9Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
11Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
)
. Het is de rouwklacht als over het verlies van een eniggeboren kind (Am 8:1010Ik zal uw feesten in rouw veranderen,
al uw liederen in klaagzangen;
om alle heupen zal Ik een rouwgewaad aanbrengen,
elk hoofd zal kaal zijn,
omdat Ik het [land] in rouw dompel als over een enig [kind],
en wat ervan overblijft zal zijn als een bittere dag.
)
. Christus is de Eerstgeborene Die opnieuw wordt ingevoerd in de wereld (Hb 1:66En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.).


De grote rouwklacht

11Op die dag zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo.

Zacharia vergelijkt de rouwklacht bij het zien van Hem Die zij hebben doorstoken met de rouwklacht van Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo. Hiermee wordt hoogst waarschijnlijk de rouwklacht bedoeld die er is geweest nadat Josia in de strijd in Megiddo is gesneuveld (2Kr 35:22-2522Josia keerde echter zijn gezicht niet van hem af, maar hij vermomde zich, om tegen hem te strijden. Hij luisterde niet naar de woorden van Necho op gezag van God, maar kwam om in het dal van Megiddo te strijden.23De schutters schoten koning Josia echter neer. Toen zei de koning tegen zijn dienaren: Breng mij weg, want ik ben zwaargewond.24En zijn dienaren haalden hem van de strijdwagen, en vervoerden hem op de tweede wagen die hij had, en brachten hem naar Jeruzalem. En hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaderen. Heel Juda en Jeruzalem bedreef rouw over Josia.25Jeremia maakte een klaaglied over Josia. Tot op deze dag bezingen alle zangers en zangeressen in hun klaagliederen Josia, want zij maakten er een verordening van in Israël. En zie, ze zijn opgeschreven bij de klaagliederen.). Josia is omgekomen door zijn eigen schuld, maar is toch een zoon van David en zeer geliefd. Vandaar dat “de rouwklacht groot” is en ernaar kan worden verwezen als vergelijking met die over de Messias hier. Hij, de Onschuldige, Die door hen is verworpen, een daad waaraan zij zich schuldig weten. Het dal van Megiddo (Ri 5:1919De koningen kwamen, zij streden.
Toen streden de koningen van Kanaän
bij Taänach, aan het water van Megiddo,
[maar] buit aan zilver namen zij niet mee.
)
is vergelijkbaar met “Harmagedon”, waar in de toekomst de vijandelijke volken door de Heer Jezus zullen worden verzameld en geoordeeld (Op 16:1616En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.).


Gemeenschappelijke en persoonlijke rouw

12Het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, 13het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, 14al de overige geslachten: elk geslacht afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.

Het is duidelijk dat het hier niet om ingehuurde klagers gaat (vgl. Mk 5:38-4038En zij kwamen in het huis van de overste van de synagoge, en Hij zag misbaar en lieden die luid weenden en jammerden.39En toen Hij naar binnen was gegaan, zei Hij tot hen: Waarom maakt u misbaar en weent? Het kind is niet gestorven, maar slaapt.40En zij lachten Hem uit. Nadat Hij nu allen had uitgedreven, nam Hij de vader van het kind en de moeder en hen die bij Hem waren mee, en ging naar binnen waar het kind was.). Gemeenschappelijke schuldbelijdenis moet gebeuren als er gemeenschappelijk iets verkeerd is gedaan. Maar nationale rouw heeft pas waarde als ieder zijn persoonlijk aandeel daarin heeft. Er is een gezamenlijke schuld, maar ieder persoonlijk moet daarover leed dragen. Zo zal elke familie in Israël in deze rouwklacht delen.

Er is ook nog een andere verdeling. Er is sprake van “het geslacht van het huis van David” (vers 1212Het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,), waarmee het koninklijke geslacht wordt bedoeld, en van “het geslacht van het huis van Levi” (vers 1313het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,), waarmee het priesterlijke geslacht wordt bedoeld. Binnen deze geslachten wordt nog een verfijning aangebracht. “Het geslacht van het huis van Nathan”, de zoon van David (2Sm 5:1414Dit zijn de namen van hen die bij hem in Jeruzalem geboren zijn: Sammua, Sobab, Nathan, Salomo,; 1Kr 3:55Deze [zonen] zijn hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Nathan en Salomo. [Deze] vier zijn [zonen] van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;; Lk 3:3131van Meleas, van Menna, van Mattatha, van Nathan, van David,), is binnen het huis van David, weer afzonderlijk als familie bij die rouwklacht betrokken. Hetzelfde geldt voor “het geslacht van het huis van Simeï” binnen het huis van Levi. Zo zal het rouw bedrijven verdergaan in “al de overige geslachten”.

Dat bij “elk geslacht afzonderlijk” telkens sprake is van “hun vrouwen afzonderlijk”, geeft aan dat het berouw de eenheid die er in de innigste band op aarde is, te boven gaat. Ieder staat persoonlijk voor God (vgl. Jl 2:1616Verzamel het volk,
heilig de gemeente,
breng de oudsten bijeen,
verzamel de kleine kinderen
en de zuigelingen.
Laat de bruidegom uit zijn binnenkamer gaan,
de bruid uit haar slaapkamer.
)
. Man en vrouw vormen een eenheid, maar een man kan in het bedrijven van rouw over een zonde niet de plaats van zijn vrouw innemen. De vrouw heeft haar eigen verantwoordelijkheid.

Geen mens komt tot berouw op grond van wat een ander doet, zelfs niet in de intiemste band. Ieder moet zich over de eigen zonden verootmoedigen en zien dat de Heer Jezus daarvoor doorstoken moest worden. Dan gaat er een fontein van reiniging open, zoals we in het volgende hoofdstuk zien (Zc 13:11Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.).


Lees verder