Jakobus
1 Zegenwens 2-5 Geloof te midden van verzoekingen 6-12 Niet twijfelen, maar verdragen 13-18 Deelhebbers aan de nieuwe schepping 19-27 De praktijk van het nieuwe leven
Zegenwens

1Jakobus, slaaf van God en van [de] Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: gegroet!

V11Jakobus, slaaf van God en van [de] Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: gegroet!. Hoewel Jakobus, zoals je hebt gezien, de leider van de gemeente in Jeruzalem is, stelt hij zich in deze brief niet als zodanig voor. Hij stelt zich voor als “slaaf van God”. Dat kan iedere Israëliet hem nazeggen, want iedere Israëliet is dat in wezen. Voor Jakobus is dat niet een benauwde onderwerping aan God, maar hij noemt het als een voorrecht.

Vervolgens noemt hij zichzelf ook een “slaaf … van [de] Heer Jezus Christus”. Dat kan en wil niet iedere Israëliet hem nazeggen. Jakobus noemt zichzelf wel zo en ook hier klinkt door, dat hij het een eer vindt een slaaf van de Heer Jezus te zijn. Als je daarbij bedenkt dat hij naar het vlees een broer van de Heer Jezus is (Gl 1:1919ik zag echter niemand anders van de apostelen dan Jakobus, de broer van de Heer.), is het toch wel treffend dat hij zichzelf zo noemt.

Je merkt bij hem niets van die populaire geest die over ‘Jezus’ spreekt als was Hij een vriendje van de straat. Hij noemt de Naam van de Man Die uit dezelfde moeder is geboren als hij, met groot ontzag. Dat ontzag heeft hij niet altijd gehad. Tijdens het leven van de Heer Jezus geloofde Jakobus niet in Hem als de van God Gezondene (Jh 7:55Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.). Dat veranderde toen de Heer Jezus na Zijn opstanding aan hem verscheen (1Ko 15:77Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen.). Het is tenminste zeer aannemelijk dat deze verschijning de aanleiding is geweest voor zijn bekering.

Overigens zie je dat Jakobus God en de Heer Jezus op gelijke hoogte plaatst door zichzelf zowel een slaaf van God als een slaaf van de Heer Jezus te noemen. Hij eert de Zoon, zoals hij de Vader eert (Jh 5:2323opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet Die Hem heeft gezonden.).

Jakobus schrijft aan “de twaalf stammen in de verstrooiing”. Petrus schrijft ook aan hen die in de verstrooiing zijn (1Pt 1:11Petrus, apostel van Jezus Christus aan [de] vreemdelingen in [de] verstrooiing in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia, en Bithynië,), maar dan alleen aan de gelovige Joden, zij die wedergeboren zijn (1Pt 1:2323u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend Woord.). Jakobus schrijft aan het geheel.

Met een kort “gegroet” geeft hij uiting aan zijn verbondenheid met hen. Iemand groeten of iemand de groeten doen, spreekt van verbondenheid. Dit woord – dat nog twee keer voorkomt (Hd 15:2323en door hun hand te schrijven: ‘De apostelen en de oudste broeders, aan de broeders uit [de] volken in Antiochië, Syrië en Cilicië, gegroet!; 23:2626Claudius Lysias aan de hoogedele stadhouder Felix, gegroet!) – is eigenlijk een wens dat de ander zich verheugt en blij is.

Lees nog eens Jakobus 1:1.

Verwerking: Wat maakt deze brief zo speciaal ten opzichte van de andere brieven in het Nieuwe Testament?


Geloof te midden van verzoekingen

2Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt, 3daar u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding bewerkt. 4Laat de volharding echter een volmaakt werk hebben, opdat u volmaakt en volkomen bent, terwijl het u aan niets ontbreekt. 5Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen, Die aan allen mild en zonder verwijt geeft en zij zal hem gegeven worden.

V22Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt,. De oproep van Jakobus om het vallen in allerlei verzoekingen enkel vreugde te achten sluit prachtig aan op de wens van het vorige vers. Door zijn lezers na de algemene groet van dat vers “mijn broeders” te noemen laat hij hun nog meer voelen hoezeer hij met hen verbonden is. Het toont nog maar eens extra aan dat hij niet tot hen spreekt als leider, maar als een medebroeder.

Zonder verdere inleiding spreekt Jakobus direct over “allerlei verzoekingen”. Hij plaatst je ineens in de wereld en wat je daarin kunt meemaken. In de wereld wordt de echtheid van je belijdenis getoetst door verzoekingen of beproevingen. Voor het gezelschap aan wie Jakobus schrijft, bestaat die verzoeking vooral uit armoede. Misschien is dat ook voor jou wel zo. Maar je mag bij die verzoekingen ook denken aan bijvoorbeeld ziekte, een handicap, werkeloosheid of de dood van een geliefde. Het zijn allemaal beproevingen die de Heer op de weg van de gelovigen zendt, om te zien op wie ze hun vertrouwen stellen.

Jakobus begint dus met de toetsing van de echtheid van het geloof. Zoals in de inleiding is gezegd, gaat het hem om de praktijk van het geloofsleven. Je kunt zeggen dat de wereld met zijn verzoekingen de testkamer van het geloof is.

Jakobus houdt zijn broeders voor om de verzoekingen waaraan zij blootgesteld staan met een gevoel van vreugde te begroeten. Dat lijkt toch wel een beetje een onmogelijke opdracht. Het lijkt ook nog eens in tegenspraak met wat Petrus in zijn eerste brief zegt. Petrus zegt immers dat beproevingen droefheid veroorzaken (1Pt 1:66Daarin verheugt u zich, zo nodig nu een korte tijd bedroefd door allerlei verzoekingen,) en dat is heel wat beter te begrijpen. Toch betreft het slechts een schijnbare en geen werkelijke tegenspraak.

Jakobus en Petrus benaderen verzoekingen of beproevingen vanuit twee verschillende gezichtspunten. Als je een beproeving ondergaat, maakt dat je verdrietig. Een beproeving onderga je niet stoïcijns en laat je niet onberoerd (Hb 12:1111Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.). Toch mag je er ook aan denken dat elke verzoeking een door God ingeplande zaak in je leven is. God houdt Zich met je bezig.

Bij Jakobus gaat het om het feit van de verzoeking, waarbij hij erop wijst dat verzoekingen voor ieder weer anders zijn. Vandaar dat hij spreekt over ‘allerlei’. De bedoeling is dat de verzoeking die jij ondergaat, je naar God uitdrijft. Als dat gebeurt, is dat een resultaat dat jou verheugt, maar dat bovenal God verheugt. Op die manier kun je iets beleven van de ervaring die Paulus heeft opgedaan als hij zegt: “Als bedroefd, maar altijd blij” (2Ko 6:1010als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en [toch] alles bezittend.).

V33daar u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding bewerkt.. Jakobus vertelt er ook bij, waarom zijn lezers het vallen in verzoeking vreugde mogen achten. Tevens kan hij hun zeggen dat zij het doel van de verzoekingen kennen. Zij weten immers dat die verzoekingen, waardoor hun geloof wordt beproefd, hun geloof sterker maken en ook uitdagen om vol te houden. Het doel dat God heeft met de verzoekingen waarin we vallen, is om ons te leren volharden. Volharding is het bewijs van echt geloof.

Nu zou je kunnen zeggen: ‘Hangt het behouden worden dan toch van eigen inspanning af?’ Nee, zo is het niet. De behoudenis ligt verankerd in het werk van Christus. Als wij zeggen dat we behouden zijn, zal dat bewezen worden in het volharden in het geloof, ook al komen de zwaarste beproevingen.

Het moeilijkste van beproevingen is de duur ervan. Soms kun je in een plotselinge beproeving goed staande blijven en blijf je vertrouwen op God. Maar o wee, als de beproeving langer aanhoudt. Dan komt het er juist op aan God te blijven vertrouwen dat het Hem niet uit de hand loopt. Dan is het belangrijk te blijven geloven dat Hij niet boven vermogen verzoekt (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.).

V44Laat de volharding echter een volmaakt werk hebben, opdat u volmaakt en volkomen bent, terwijl het u aan niets ontbreekt.. Als een beproeving zo lang gaat duren, dat je denkt: ‘Wanneer komt er nu eens een einde aan?’, dan is dat een beproeving die tot doel heeft de volharding een volmaakt werk te laten hebben. In het leven van een christen is volharding een belangrijk kenmerk. Als Paulus de tekenen van een apostel opsomt, noemt hij in de eerste plaats ‘volharding’ (2Ko 12:1212De tekenen van de apostel zijn onder u met alle volharding verricht, door tekenen, wonderen en krachten.). Zowel bij Jakobus als bij Paulus betekent het woord volharding: het leed met volharding verdragen. Net als Jakobus laat ook Paulus de zegenrijke gevolgen van volharding in verzoekingen zien (Rm 5:3-53En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding werkt,4en de volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop;5en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door [de] Heilige Geest Die ons gegeven is.).

Een voorbeeld van iemand bij wie de volharding geen volmaakt werk heeft, is koning Saul. Hij kan niet op Samuel wachten en offert voortijdig. Het kost hem het koninkrijk (1Sm 13:8-148En [Saul] wachtte zeven dagen, tot het tijdstip dat Samuel bepaald had. Toen Samuel echter niet naar Gilgal kwam, begon het volk zich te verspreiden, bij hem vandaan.9Toen zei Saul: Breng een brandoffer bij mij, en dankoffers; en hij offerde het brandoffer.10En het gebeurde, toen hij gereed was met het brengen van het brandoffer, dat, zie, Samuel kwam. Saul ging [het kamp] uit hem tegemoet om hem te zegenen.11En Samuel zei: Wat hebt u gedaan? Toen zei Saul: Omdat ik zag dat het volk zich [begon te] verspreiden, bij mij vandaan, en omdat ú niet op de vastgestelde tijd kwam, en de Filistijnen in Michmas verzameld zijn,12zei ik [bij mijzelf]: Nu zullen de Filistijnen op mij afkomen in Gilgal, en ik heb niet getracht het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen. Daarom heb ik mijzelf gedwongen om het brandoffer te brengen.13Maar Samuel zei tegen Saul: U hebt dwaas gehandeld. U hebt het gebod van de HEERE, uw God, dat Hij u geboden heeft, niet in acht genomen. Anders zou de HEERE uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigd hebben,14maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.). Maar ook David faalt in zijn volharding. Hij wordt voortdurend door Saul achterna gezeten. De lange duur van die beproeving wordt hem op een gegeven ogenblik te veel en hij denkt bij zichzelf: “Ik zal op een dag nog eens door Sauls hand weggevaagd worden” (1Sm 27:11Maar David zei in zijn hart: Ik zal op een dag nog eens door Sauls hand weggevaagd worden. Er is voor mij niets beters [te doen] dan met spoed te ontkomen naar het land van de Filistijnen. Dan zal Saul zijn hoop omtrent mij opgeven om mij nog langer te zoeken in heel het gebied van Israël, en zo zal ik uit zijn hand ontkomen.).

De enige uitweg die hij ziet, is zijn toevlucht te nemen tot de Filistijnen. Dat levert hem de rust op die hij wil, want Saul zoekt hem niet langer, maar hij verliest wel de gemeenschap met God. De volharding heeft bij hem geen volmaakt werk omdat hij in plaats van aan God om wijsheid te vragen wat hij moest doen, zelf een uitweg ging bedenken. In tegenstelling tot Saul komt David later terug op de weg van en met God en volhardt hij alsnog tot het einde toe.

De volharding duurt tot je in een bepaald geval je volledig aan de wil van God hebt onderworpen. “Een volmaakt werk” is namelijk dat jij je volkomen onderwerpt aan God en dat Zijn wil de jouwe wordt. Dit is een proces en dat proces gaat je hele leven door. Bij de Heer Jezus was geen eigen wil, maar Hij is wel verzocht als wij, met uitzondering van de zonde (Hb 4:1515Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.). De verzoeking bewerkte bij Hem dat Hij volmaakt is geworden. Zo is Hij een oorzaak van eeuwige behoudenis geworden (Hb 5:7-107Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),8heeft, hoewel Hij Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft;9en volmaakt geworden is Hij voor allen die Hem gehoorzamen een oorzaak van eeuwige behoudenis geworden,10door God begroet als Hogepriester naar de orde van Melchizedek.).

Als dit werk in jou is volbracht, dat wil zeggen als je volledig aan God onderworpen bent, zodat het doen van Zijn wil jouw enige verlangen is, dan ben je “volmaakt en volkomen” en heb je aan niets gebrek. Dit betekent niet dat je nu alles van Gods wil weet en dat je dus niets meer van Gods wil te leren zou hebben. Vers 55Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen, Die aan allen mild en zonder verwijt geeft en zij zal hem gegeven worden. bewijst het tegendeel. Waar het om gaat, is dat je rustig bent in de wil van God met jouw leven en de omstandigheden waarin je bent. Je vertrouwt Hem dat Hij het beste met je voor heeft. In die overgave aan Hem kan Hij jou Zijn wil bekendmaken. Je bent dan voor Hem bereikbaar en ook bruikbaar.

De volmaaktheid waarover Jakobus hier spreekt, heeft niets te maken met zondeloosheid. Ook als je in overgave aan God leeft, kan het gebeuren dat je, hoe goed je het ook bedoelt, toch zondigt. Een voorbeeld daarvan zie je in het leven van Petrus. Hij wilde echt vol overgave voor de Heer leven. Hij zei zelfs dat hij zijn leven voor de Heer Jezus wilde geven. Maar de Heer moest tegen hem zeggen dat hij Hem drie keer zou verloochenen.

Met al zijn goede bedoelingen was Petrus blind voor zijn eigen zwakheid. En omdat hij ook nog eens de waarschuwing van de Heer in de wind sloeg, zondigde hij door de Heer te verloochenen. Gelukkig kwam hij tot berouw en kreeg hij vergeving (Lk 22:33-34,54-6233Hij echter zei tot Hem: Heer, ik ben bereid met U zelfs in [de] gevangenis en in [de] dood te gaan.34Hij echter zei: Ik zeg je, Petrus, [de] haan zal vandaag niet kraaien voordat je driemaal hebt geloochend Mij te kennen.54Zij nu grepen Hem, brachten Hem [weg] en brachten Hem in het huis van de hogepriester. Petrus echter volgde op een afstand.55Toen zij nu vuur hadden ontstoken midden in de voorhof en zij samen waren gaan zitten, zat Petrus in hun midden.56Een dienstmeisje nu zag hem bij het licht zitten en keek hem scherp aan en zei: Ook deze was bij Hem.57Hij echter loochende het en zei: Ik ken Hem niet, vrouw.58En kort daarna zag een ander hem en zei: Ook u bent een van hen. Petrus echter zei: Mens, ik ben het niet!59En na verloop van ongeveer één uur verzekerde een ander en zei: In waarheid, ook deze was bij Hem, want ook hij is een Galileeër.60Petrus echter zei: Mens, ik weet niet wat u zegt. En onmiddellijk, terwijl hij nog sprak, kraaide [de] haan.61En de Heer keerde Zich om en keek Petrus aan; en Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tot hem gezegd had: Voordat [de] haan vandaag kraait, zul je Mij driemaal verloochenen.62En hij ging naar buiten en weende bitter.). Petrus faalde in het volharden in zijn geloof toen hij verzocht werd, omdat hem de wijsheid ontbrak voor de juiste beslissing en de juiste belijdenis.

V55Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen, Die aan allen mild en zonder verwijt geeft en zij zal hem gegeven worden.. Om bewaard te blijven voor dergelijke ervaringen is “wijsheid” nodig. Wijsheid is het gebruikmaken van de kennis die je hebt in de omstandigheden waarin je geloof op de proef wordt gesteld. Omdat je geloof voortdurend op de proef wordt gesteld, heb je die wijsheid voortdurend nodig. Je zult zeker wel een gebrek aan wijsheid voelen als je kijkt naar het leven van de wereld om je heen. Ik heb dat tenminste wel.

Om door te kunnen gaan, om te kunnen volharden, is het belangrijk te zien wat de bedoelingen van God zijn. Dat betekent dat je naar Hem toe moet gaan, in het heiligdom. In het heiligdom zie je welke weg God met jou wil gaan. Je ziet ook dat Zijn uiteindelijke doel zegen is.

Wat is het een geweldig woord dat Jakobus hier spreekt. Het is eigenlijk een prachtige uitnodiging. Jakobus nodigt je uit wijsheid aan God te vragen. Hij vertelt erbij hoe God op die vraag reageert. God beantwoordt je vraag op rijke, milde wijze, zonder een woord van verwijt.

Als je bij mensen hulp zoekt, is de kans groot dat je een verwijt te horen krijgt. Ze vinden je maar brutaal of ze voelen zich gebruikt of zeggen dat je jezelf maar moet zien te redden omdat zij je toch ook niet kunnen helpen. Zoiets doet God niet. Als je Hem vraagt, zul je Hem leren kennen als een gevende God. Hij is geen eiser, tot wie je als smekeling nadert om hem te vermurwen. Nee, Hij is een God Die jou graag ziet komen, graag naar je luistert en je graag verhoort.

Lees nog eens Jakobus 1:2-5.

Verwerking: Vraag aan God om wijsheid met het oog op de verzoekingen waarmee jij te maken hebt.


Niet twijfelen, maar verdragen

6Laat hij echter vragen in geloof, geheel zonder te twijfelen. Want wie twijfelt, is gelijk aan een golf van [de] zee, die door de wind voortgedreven en opgejaagd wordt. 7Want laat die mens niet menen dat hij iets van de Heer zal ontvangen; 8hij is een wankelmoedig man, onberekenbaar in al zijn wegen. 9Laat de geringe broeder echter roemen in zijn hoogheid, 10en de rijke in zijn geringheid, omdat hij als een bloem van [het] gras zal vergaan. 11Want de zon gaat op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk gaat verloren; zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken. 12Gelukkig [de] man die verzoeking verdraagt; want beproefd geworden zal hij de kroon van het leven ontvangen, die Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.

V66Laat hij echter vragen in geloof, geheel zonder te twijfelen. Want wie twijfelt, is gelijk aan een golf van [de] zee, die door de wind voortgedreven en opgejaagd wordt.. In het vorige stukje heb je gezien dat God je graag ziet komen. Maar er is wel een voorwaarde aan verbonden. Die voorwaarde is dat je moet komen “in geloof” (vgl. Hb 11:66Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.) en zonder dat je in je hart ook maar enigszins twijfelt aan Zijn goedheid. Als je aan God om wijsheid vraagt, terwijl je toch twijfelt aan Zijn goedheid om die wijsheid te geven, lijk je op een golf van de zee. In zo’n geval richt je je tot God om aan Hem wijsheid te vragen, terwijl je in je hart ook naar andere mogelijkheden op zoek bent waar je wijsheid zou kunnen krijgen om uit de beproeving te komen. Je stelt je open voor God, maar tegelijk luister je naar meningen van mensen of je kijkt naar de omstandigheden en maakt je beslissingen daarvan afhankelijk.

Voor God is er dan geen ruimte om je iets duidelijk te maken. Het resultaat van een dergelijke houding is dat je heen en weer geslingerd wordt, zoals een golf van de zee op en neer gaat. Twijfel lijkt op de open zee, waarbij de golven een speelbal van de wind zijn. Zo is een man die twijfelt een speelbal van de meningen van anderen waarvoor hij zich openstelt.

V77Want laat die mens niet menen dat hij iets van de Heer zal ontvangen;. Raad bij elkaar vragen is niet verkeerd, maar die raad mag niet de eerste en voornaamste plaats innemen. Als de raad van anderen zoveel voor je betekent dat je vertrouwen op God niet meer werkzaam is, ontvang je niets van God. Raad vragen bij anderen of naar goede raad van anderen luisteren, moet het vertrouwen op God juist vergroten. God wil dat je Hem onvoorwaardelijk vertrouwt.

V88hij is een wankelmoedig man, onberekenbaar in al zijn wegen.. Een mens die dat niet doet, is ‘dubbelbezield’, want dat is de betekenis van het woord “wankelmoedig”. Dat zo’n mens innerlijk wankelmoedig is, zal ook blijken uit zijn wegen. Hij is daarin “onberekenbaar”, niet te volgen. Je denkt even dat hij op de goede weg is, maar een ogenblik later gaat hij een totaal andere richting op. Je kunt niet van hem op aan. Hij heeft een zwalkende koers. Elke standvastigheid in zijn geloofsleven ontbreekt.

V99Laat de geringe broeder echter roemen in zijn hoogheid,. Na de algemene uitgangspunten over het volharden in de verzoekingen past Jakobus deze uitgangspunten toe op “de geringe broeder”. Je kunt dat zien aan het woord “echter”. Jakobus brengt daardoor een tegenstelling aan met het voorgaande en vooral met de twijfelende mens. De geringe of maatschappelijk arme broeder loopt gevaar te gaan twijfelen aan de liefde van God voor hem. Als Israëliet is hij opgegroeid met de gedachte dat rijkdom het bewijs is van Gods zegen en dat armoede het bewijs is dat Gods zegen wordt tegengehouden door ontrouw. Maar zo is het niet meer, zegt Jakobus. Armoede is niet direct een bewijs van ontrouw en Gods misnoegen daarover. Armoede is een verzoeking die met vreugde verdragen kan worden omdat die kan worden gezien als een beproeving van het geloof.

Jakobus voegt daar een bijzondere bemoediging aan toe. Hij vertelt de maatschappelijk arme dat hij mag roemen in zijn geestelijke rijkdom en ”hoogheid”. Hij mag dat doen vanwege zijn verbinding met Christus. De arme mag zich verblijden in zijn hoogheid omdat Christus Zich niet schaamt hem ‘broeder’ te noemen (Hb 2:1111Want én Hij Die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt:). Deze titel wordt in de wereld miskend en als niets geacht. De arme weet echter dat de heerlijkheid van deze wereld voorbijgaat als een bloem van het gras, terwijl hij zich verheugt dat hij een deelgenoot is van hen die door de Heer der heerlijkheid als de Zijnen worden erkend.

V1010en de rijke in zijn geringheid, omdat hij als een bloem van [het] gras zal vergaan.. Jakobus heeft ook een woord voor de maatschappelijk rijke. De rijke die zich op zijn rijkdom beroemt, moet zich realiseren dat hij met al zijn rijkdom geestelijk gering en arm is. Jakobus roept de rijke op te roemen “in zijn geringheid”, dat wil zeggen in wat hij in zichzelf is voor God. In zichzelf is de rijke een zondaar die voor God niet kan bestaan. Daarnaast zal het goed zijn als hij zich bewust wordt dat al zijn rijkdom zal verwelken.

V1111Want de zon gaat op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk gaat verloren; zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.. Dat geldt niet alleen voor de rijkdom van de rijke, maar ook voor de rijke zelf. Gras stelt de voorspoed van het leven van de mens voor, met daar onlosmakelijk aan verbonden dat die voorspoed snel voorbij is. De bloem geeft het gras kleur en glans, maar ook de kleur en de glans van de bloem gaan snel voorbij.

Je ziet daarvan een illustratie in de geschiedenis die de Heer Jezus vertelt over de arme Lazarus en de rijke man (Lk 16:19-2519Nu was er een rijk mens, en hij ging gekleed in purper en fijn linnen en vierde elke dag schitterend feest.20Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren,21begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken.22Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.23De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.24En hij riep de woorden: Vader Abraham, erbarm u over mij en zend Lazarus om de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.25Abraham echter zei: Kind, bedenk dat u het goede hebt ontvangen in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij hier vertroost, maar u lijdt smart.). Lazarus was echt arm. De rijke keek niet naar hem om. Lazarus betekent ‘God is hulp’ en God had Lazarus in omstandigheden gebracht om de betekenis van zijn naam in praktijk te brengen. Lazarus had niets en niemand anders tot zijn hulp dan God. De rijke man leefde alleen voor zichzelf en had geen enkele behoefte aan hulp van God. Maar aan de andere kant van de dood zijn de rollen omgedraaid. Daar is de rijke een arme man geworden en de arme Lazarus een rijke.

De waarde van rijkdom, of liever de betekenisloosheid van rijkdom, blijkt als de hitte van de zon als een beeld van beproevingen in het leven komt. Wanneer ziekte en dood hun intrede doen, blijkt dat gezondheid en leven niet kunnen worden gekocht, al zou iemand alle geld van de wereld bezitten.

Je kunt de zon met zijn hitte ook zien als een beeld van de Heer Jezus, Die wordt voorgesteld als “de Zon der gerechtigheid” (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. Als Hij komt om de aarde te oordelen, zal Hij alles wat hoog en verheven is, vernederen (Js 2:10-1210Ga de rots[kloof] in,
verberg u in het stof
uit angst voor de HEERE
en vanwege de glorie van Zijn majesteit.
11De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden,
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
12Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
)
. Wat de mens hoog acht en bij hem in aanzien is, zal door Hem tenietgedaan worden. Alles waarop het hart van de mens kan vertrouwen en waardoor hij meent God niet nodig te hebben, zal verloren gaan wanneer de Zon der gerechtigheid opgaat. In het licht van de Zon, dat alles openbaart, zal gezien worden wat het allemaal waard is geweest.

V1212Gelukkig [de] man die verzoeking verdraagt; want beproefd geworden zal hij de kroon van het leven ontvangen, die Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.. Met de toezegging “gelukkig” voor de man die verzoeking verdraagt, sluit Jakobus het inleidende gedeelte over de beproeving van het geloof af. De man die de verzoeking heeft doorstaan, krijgt naast die goedkeuring ook een beloning. Hem wordt “de kroon van het leven” gegeven.

Het woord voor ‘kroon’ hier is stefanos. Er is ook een ander woord voor kroon, het woord diadèma. De diadèma – ons woord ‘diadeem’ – is het symbool van koninklijke of keizerlijke waardigheid. Dat woord wordt enkele keren in het boek Openbaring gebruikt (Op 12:33En er werd een ander teken gezien in de hemel; en zie, een grote, vuurrode draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen.; 13:11En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.; 19:1212En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.). Hier is het stefanos, dat is een erekroon als symbool voor een overwinnaar. Deze kroon is niet van goud, maar van laurierbladeren. De materiële waarde van de kroon is dan ook nihil. De symbolische waarde is echter enorm vanwege de eer die ermee verbonden is.

Deze kroon krijgt iemand als blijk van waardering voor het leveren van een bijzondere prestatie. Deze kroon kon worden verdiend bij de Olympische Spelen. Met deze kroon in het vooruitzicht was een deelnemer bereid zich grote inspanningen te getroosten en zichzelf allerlei ontzeggingen op te leggen. De stefanos is een enorme aanmoediging om de wedloop te lopen.

In deze betekenis wordt ‘de kroon van het leven’ – ook genoemd in Openbaring 2 (Op 2:1010Vrees niets [van] wat u zult lijden. Zie, de duivel zal [sommigen] van u in [de] gevangenis werpen, opdat u op de proef gesteld wordt, en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot [de] dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.) – door de Heer Jezus uitgedeeld op de ‘dag van de decoratie’. Op die dag worden ook andere te verdienen kronen uitgedeeld, zoals ‘de kroon van de gerechtigheid’ (2Tm 4:88Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook <allen> die Zijn verschijning hebben lief gekregen.) en ‘de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid’ (1Pt 5:44En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.). Wie door de verzoekingen zijn heengegaan en hebben getoond niet voor het leven op aarde te leven, maar voor het ware leven, die zelfs hun trouw met de dood hebben willen bekopen, krijgen die kroon als een speciaal eerbetoon van Godswege.

Als de Heer Jezus terugkomt met de Zijnen, zal aan hen ‘het leven’ als kenmerk worden gezien. Dat wil zeggen dat aan hen het speciale kenmerk van de Heer Jezus als het leven, want Hij is het leven (Jh 11:2525Jezus zei tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al sterft hij;; 14:66Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.), gezien zal worden. Zij zullen het leven als een ereteken dragen. Het leven dat zij hebben geleefd en waarvan de voortreffelijke kwaliteit in de moeilijkste omstandigheden is bewezen, zal dan uit de hand van de Heer Jezus, zichtbaar voor iedereen, worden ontvangen. Zo wordt Hij verheerlijkt in Zijn heiligen en bewonderd in allen die hebben geloofd (2Th 1:1010wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd; want ons getuigenis aan u is geloofd geworden.).

Wij moeten christenen zijn die zich trainen in het afstand doen van alles wat ons de prijs zou doen missen (1Ko 9:2727maar ik kastijd mijn lichaam en breng het tot slavernij, om niet, nadat ik anderen heb gepredikt, zelf verwerpelijk te worden.). Om dat met hart en ziel te doen is liefde nodig. Daarover spreekt Jakobus in het laatste deel van vers 1212Gelukkig [de] man die verzoeking verdraagt; want beproefd geworden zal hij de kroon van het leven ontvangen, die Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.. Alleen zij die Christus liefhebben, zijn bereid zich aan harde en langdurige training te onderwerpen.

“Die Hem liefhebben” is een prachtige uitdrukking, die vier keer in het Nieuwe Testament voorkomt, waarvan twee keer in deze brief (Rm 8:2828Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar [Zijn] voornemen zijn geroepen.; 1Ko 2:99maar zoals geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’., Jk 1:1212Gelukkig [de] man die verzoeking verdraagt; want beproefd geworden zal hij de kroon van het leven ontvangen, die Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.; 2:55Hoort, mijn geliefde broeders: heeft God niet de armen in de wereld uitverkoren om rijk te zijn in [het] geloof en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?). Dat laat wel zien dat echte geloofspraktijk slechts mogelijk is als liefde voor de Heer Jezus de drijfveer is. Alleen liefde voor Hem zal in jou bewerken dat jij je inspant en je opofferingen getroost. Daarvoor moest in jou een totale verandering plaatsvinden, want je was een hater van God. God liefhebben is jouw antwoord op Gods liefde voor jou.

Lees nog eens Jakobus 1:6-12.

Verwerking: Hoe kun jij de kroon van het leven ontvangen?


Deelhebbers aan de nieuwe schepping

13Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand. 14Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt. 15Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort. 16Dwaalt niet, mijn geliefde broeders. 17Elke goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering. 18Naar Zijn wil heeft Hij ons voortgebracht door [het] Woord van [de] waarheid, opdat wij in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen zouden zijn.

V1313Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.. De verzoekingen waarover Jakobus in dit vers spreekt, zijn van een heel andere soort dan die waarover hij tot nu toe heeft gesproken. Dat zijn verzoekingen waarmee je te maken hebt in het leven om je heen. Het zijn de omstandigheden te midden waarvan je je bevindt en die een uitdaging zijn voor jou om je geloof te tonen.

Bij de verzoekingen die Jakobus in de verzen 13-1413Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.14Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt. bedoelt, gaat het om verzoekingen die in jou zelf hun oorsprong hebben. Het zijn verzoekingen die verbonden zijn met je vlees, dat wil zeggen je zondige natuur. Jakobus spreekt dus over twee soorten verzoekingen: verzoekingen die van buitenaf op je afkomen, en verzoekingen die vanuit jezelf, van binnenuit, komen.

God kan je door uiterlijke omstandigheden beproeven. Het doel dat Hij daarmee heeft, is je te zegenen. Dat zie je bij Abraham. Om Abraham te verzoeken, dat is om zijn geloof op de proef te stellen en het zichtbaar te maken, vraagt God aan hem om zijn zoon te offeren (Gn 22:11En het gebeurde na deze dingen dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.). In de weg die Abraham dan in geloofsgehoorzaamheid gaat, zie je dat zijn geloof in God zich openbaart als geloof in de God van de opstanding. God wist wel dat hij dat geloof bezat, maar nu weet jij het ook. Abrahams geloof is zichtbaar geworden. Deze verzoeking van Abraham komt dus niet vanuit Abraham zelf, maar van God. Als er geen kwestie van zonde is, maar de gehoorzaamheid en de volharding op de proef gesteld worden, gaat het om de toestand van het hart, om het hart te onderwijzen, op te leiden en te vormen.

Maar zodra er sprake is van het opwekken van de begeerte, kan er onmogelijk ge­zegd worden dat God verzoekt. De verzoekingen die vanuit jezelf komen, komen niet van God. Je kunt nooit zeggen dat God probeert jou tot zonde aan te zetten. Een verleiding tot zonde ontstaat, wanneer jij je begeerte niet onder controle houdt, maar ruimte geeft aan je begeerte.

God kan niet door het kwade verzocht worden, want in Hem is geen kwaad. Daarom kan het kwaad of de zonde ook niet uit Hem voortkomen om jou daarmee op de een of andere manier te verzoeken. Dat zie je op treffende wijze in de Heer Jezus, met name in de verzoekingen waaraan Hij is blootgesteld in de woestijn (Lk 4:1-131Jezus nu, vol van [de] Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest geleid in de woestijn,2veertig dagen verzocht door de duivel. En Hij at helemaal niets in die dagen, en toen zij waren geëindigd had Hij honger.3De duivel nu zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan tot deze steen dat hij brood moet worden.4En Jezus antwoordde hem: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, <maar van alle woord van God>’.5En hij voerde Hem omhoog en toonde Hem alle koninkrijken van het aardrijk in een ogenblik tijds.6En de duivel zei tot Hem: U zal ik al deze macht en hun heerlijkheid geven, want zij is mij overgegeven en aan wie ik wil geef ik ze;7als U dan voor mij [geknield] zult aanbidden, zal zij geheel van U zijn.8En Jezus antwoordde en zei tot hem: Er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.9Hij nu voerde Hem naar Jeruzalem en liet Hem op de dakrand van de tempel staan en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan van hier naar beneden;10want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U om U te bewaren,11en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.12En Jezus antwoordde en zei tot hem: Er is gezegd: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.13En nadat de duivel alle verzoeking tot een eind had gebracht, week hij van Hem voor een tijd.). Hij is zonder zonde (Hb 4:1515Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.). Hij kan niet verzocht worden door iets vanuit Zichzelf omdat er geen zonde in Hem is (1Jh 3:55En u weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij <onze> zonden zou wegnemen; en in Hem is geen zonde.). De overste van de wereld had, toen Hij op aarde was, in Hem niets, geen enkel aanknopingspunt (Jh 14:3030Ik zal niet veel meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft in Mij helemaal niets;).

Maar de Heer Jezus is wel in moeilijke omstandigheden geweest. Zijn weg op aarde, die Hij ging in afhankelijkheid van Zijn God, bracht dat met zich mee. Hij heeft gehuild bij het graf van Lazarus en over Jeruzalem (Jh 11:3535Jezus weende.; Lk 19:4141En toen Hij naderde en de stad zag, weende Hij over haar). Zijn droefheid was waarachtig, want Hij voelde in volmaaktheid de gevolgen van de zonde. De ellende ging niet langs Hem heen. Ondanks alle verdriet en teleurstelling is Hij op God blijven vertrouwen. Maar nooit is Hij door God verzocht om te zondigen. God brengt ons ook niet tot zonde. Hij verzoekt niet tot zonde.

V1414Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt.. Als je toegeeft aan verzoeking, is dat omdat je door je eigen begeerte wordt meegesleept en verlokt. Je hebt naar iets slechts gekeken op internet en je bent erover gaan nadenken. Je hebt het niet radicaal veroordeeld, maar je hebt je laten verlokken door wat je hebt gezien. Dat kan een mooie auto zijn, het kan ook een mooie vrouw of een mooie man zijn. Je hebt je fantasie de vrije teugel gegeven en je hebt je op sleeptouw laten nemen door je begeerte.

V1515Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort.. Als dat proces eenmaal is ingezet, zal de begeerte niet slechts een innerlijk verlangen blijven, maar zal het tot een daad komen. Je bent in je denken aan het begeerde zover gekomen, dat je het ook wilt bezitten. De begeerte baart de zonde. Je eigent je het begeerde toe, hetzij in werkelijkheid, door bijvoorbeeld die auto te kopen, hetzij in je gevoelens, door je innerlijk die vrouw of die man toe te eigenen en er in je gevoelens omgang mee te hebben. Als je in die situatie blijft leven, zal de zonde zozeer macht over je krijgen, dat ze je boven het hoofd groeit. Ze wordt volwassen en sterk. Ze heeft je zo in haar greep, dat ze je in de dood brengt.

Jakobus zegt deze dingen om je te waarschuwen je niet te laten misleiden in de verzoekingen die vanuit jezelf komen. Die verzoekingen komen niet van God en je moet er dan ook niet op ingaan. Doe je dat wel, dan betekent dat het einde van je leven als christen. Het einde van de weg van een zondaar is de dood (Jk 5:2020laat hij dan weten dat wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, <zijn> ziel van [de] dood redden en een menigte van zonden bedekken zal.). Je kunt zeggen dat de begeerte de grootmoeder van de dood is: de begeerte baart de zonde en de zonde brengt de dood voort.

Als je kijkt hoe Paulus daarover spreekt, lijkt dat niet met elkaar te kloppen. Natuurlijk klopt het wel met elkaar. Je moet alleen weten hoe Paulus deze dingen voorstelt en hoe Jakobus dit doet. Als Paulus zegt dat de begeerte uit de zonde voortkomt, bedoelt hij met de zonde de inwonende zonde, de macht van de zonde (Rm 6:1212Laat dan de zonde niet regeren in uw sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen.). De inwonende zonde, de zondige natuur, is de bron waaruit alle zondige daden voortkomen. Door de inwonende zonde wordt de begeerte opgewekt (Rm 7:88Maar de zonde heeft door het gebod aanleiding gevonden en in mij elke begeerte opgewekt; want zonder wet is [de] zonde dood.).

Dat Jakobus het tegendeel lijkt te zeggen als hij zegt dat de begeerte de zonde baart, is een schijnbare tegenstelling. Wat hij zegt, is niet in strijd met wat Paulus zegt, maar sluit erop aan. Jakobus spreekt over de begeerte als een zondige daad, waaruit dan vervolgens slechts een volgende zondige daad kan voortkomen. Jakobus houdt zich met de werking bezig, terwijl Paulus zich met de bron bezighoudt.

V1616Dwaalt niet, mijn geliefde broeders.. Jakobus roept op om niet te dwalen met betrekking tot het feit dat wat vanuit jezelf voortkomt, niet uit God voortkomt. Hij doet dat met een bijzonder beroep op de waarde die zijn broeders voor hem hebben. Je beluistert dat in zijn aanspreken van hen als “mijn geliefde broeders”. Wanneer je je broeders en zusters als je ‘geliefde broeders en zusters’ ziet, zul je niet willen dat iets die band verstoort.

V1717Elke goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering.. Een verkeerde kijk op verzoekingen verstoort die band. Als je bijvoorbeeld zegt dat God het op jou heeft gemunt als je verzocht wordt, geef je een verkeerde indruk van God. Jakobus heeft dat aan de kaak gesteld. Hij gaat nu vertellen dat, hoewel je te midden van verzoekingen bent en hoewel er verzoekingen kunnen zijn die vanuit jezelf komen, je toch tot een volkomen nieuwe wereld behoort. Hij spreekt erover dat je “in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen” bent. Dat wil zeggen dat jij door het geloof in de Heer Jezus al behoort bij die nieuwe schepping die openbaar zal worden, wanneer Hij in majesteit en heerlijkheid zal regeren.

Dat prachtige nieuwe en alles wat daarmee verbonden is, vindt zijn oorsprong “boven”, in de hemel, vanwaar het als een “goede gave” en een “volmaakt geschenk” neerdaalt. De uitdrukking “elke goede gave” ziet op de handeling van het geven van God, waarin bij God nooit een verkeerd motief aanwezig is. De uitdrukking “elk volmaakt geschenk” ziet op de inhoud van wat God geeft.

Dé goede gave en hét volmaakte geschenk van God is de Heer Jezus (2Ko 9:1515God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.). Je kunt ook nog denken aan Zijn Geest en Zijn Woord als goede gaven en volmaakte geschenken. Zo is het met alles wat van God komt. Uit God komen alleen goede en volmaakte dingen voort. Je ziet hier dat God een Gever is, terwijl Hij in het Oude Testament meer als Gebieder wordt voorgesteld.

Hij geeft als “de Vader der lichten”, dat wil zeggen als de oorsprong van een meervoudig licht. Elke gave en elk geschenk komt uit het licht, maar blijft altijd in verbinding met het licht. Nooit zal een geschenk van God dan ook met duisternis en zonde verbonden kunnen worden.

V1818Naar Zijn wil heeft Hij ons voortgebracht door [het] Woord van [de] waarheid, opdat wij in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen zouden zijn.. Wilde God je kunnen geven wat Hij in Zijn hart had om te geven, dan was het nodig dat Hij Zelf daarvoor in jou aan het werk ging. Hij kan niet veranderen; jij moest veranderen. Dat heeft Hij bewerkt. Hij heeft het nieuwe leven in je geplant. Dat heeft Hij gedaan “naar Zijn wil”, wat inhoudt dat Hij er niet op terugkomt. Hij heeft het gedaan “door [het] Woord van [de] waarheid”, want alleen daardoor leer je God en ook jezelf kennen. Dat Woord is door de Heilige Geest op jou toegepast. Daardoor ben je een nieuw schepsel geworden.

Het is nog wel “in zekere zin”, omdat het nog niet je lichaam betreft. Innerlijk heb je echter al deel aan wat straks algemeen in de schepping zal zijn, in het vrederijk. In de oude schepping ziet God nu al mensen die bij die nieuwe schepping horen. Daarvan mag jij er een zijn. Is dat geen reden om God te prijzen?

Lees nog eens Jakobus 1:13-18.

Verwerking: Wat zijn de tegenstellingen tussen het gedeelte van de verzen 13-1513Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.14Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt.15Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort. en dat van de verzen 16-1816Dwaalt niet, mijn geliefde broeders.17Elke goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering.18Naar Zijn wil heeft Hij ons voortgebracht door [het] Woord van [de] waarheid, opdat wij in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen zouden zijn.?


De praktijk van het nieuwe leven

19Weet dit, mijn geliefde broeders; laat ieder mens echter snel zijn om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn. 20Want [de] toorn van een man bewerkt Gods gerechtigheid niet. 21Daarom, legt alle onreinheid en overmaat van boosheid af en ontvangt met zachtmoedigheid het ingeplante Woord, dat uw zielen kan behouden. 22En weest daders van [het] Woord en niet alleen hoorders, anders misleidt u zichzelf. 23Want als iemand een hoorder van [het] Woord is en geen dader, die is gelijk aan een man die zijn natuurlijk gezicht in een spiegel bekijkt; 24want hij bekijkt zich, gaat weg en is onmiddellijk vergeten hoe hij er uitzag. 25Maar wie zijn blik richt op [de] volmaakte wet, die van de vrijheid, en daarbij blijft, niet een vergeetachtig hoorder geworden maar een dader van [het] werk, die zal gelukkig zijn in zijn doen. 26Als iemand meent godsdienstig te zijn, terwijl hij zijn tong niet in toom houdt maar zijn hart bedriegt, diens godsdienst is inhoudsloos. 27Reine en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen te bezoeken in hun verdrukking [en] zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren.

V1919Weet dit, mijn geliefde broeders; laat ieder mens echter snel zijn om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn.. Na de prachtige uiteenzetting van het werk van God in de Zijnen gaat Jakobus verder met de praktijk van het nieuwe leven. Hij wil dat zijn lezers, die hij weer “mijn geliefde broeders” noemt, weten wat het nieuwe leven vooral behoort te kenmerken. Het eerste wat hij noemt, is “horen”, luisteren. Als je pas bekeerd bent, is het vooral van belang te luisteren naar de Heer en dat te doen in de houding van de jonge Samuel. Eli leert hem zeggen: “Spreek, HEERE, want Uw dienaar luistert” (1Sm 3:99Daarom zei Eli tegen Samuel: Ga [weer terug en] ga liggen. Wanneer het gebeurt dat Hij je roept, moet je zeggen: Spreek, HEERE, want Uw dienaar luistert. Toen ging Samuel [weer terug] en ging op zijn [slaap]plaats liggen.). De Heer Jezus is het volmaakte voorbeeld van Iemand Die luistert (Js 50:44De Heere HEERE gaf Mij een tong van een die onderwijs ontving,
zodat Ik weet met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken.
Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor,
zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen.
)
. Daarom wist Hij, toen Hij op aarde was, altijd het juiste te zeggen tot de juiste mensen op de juiste tijd.

Zo kun ook jij alleen iets zinnigs zeggen als je eerst hebt geluisterd. God heeft je twee oren en slechts één mond gegeven. Wees er snel bij om te horen naar wat de Heer te zeggen heeft.

Reageer niet te snel op wat mensen zeggen. Houd je tong in bedwang en probeer niet steeds je zegje te doen (vgl. Pr 5:11Wees niet te snel met uw mond,
en laat uw hart zich niet haasten
een woord te uiten voor het aangezicht van God.
Want God is in de hemel
en u bent op de aarde.
Laat daarom uw woorden weinig [in aantal] zijn.
)
. Laat je ook niet verleiden tot een scherpe, boze reactie als je onrecht wordt aangedaan. De toorn kan zomaar in je omhoog schieten als je iets ziet of hoort wat onrechtvaardig is, of als je je aangevallen voelt. Dan verlies je zomaar je geduld.

V2020Want [de] toorn van een man bewerkt Gods gerechtigheid niet.. Nu is toornig worden niet altijd verkeerd. Toorn is een kenmerk van God. Als Hij toornig wordt, oefent Hij Zijn toorn op volmaakt rechtvaardige manier uit. Soms is het nodig dat je toornig wordt, maar pas op dat er geen eigenbelang in het spel is. Paulus waarschuwt niet voor niets dat je in je toorn niet zondigt (Ef 4:2626Wordt toornig, en zondigt niet; laat de zon over uw toorn niet ondergaan;). Als je toornig wordt bij het zien van een bepaald onrecht, kun je zó verontwaardigd en opgewonden raken, dat je jezelf niet meer in de hand hebt. Je kunt dan zomaar dingen zeggen of doen die niet bij jou als een ‘eersteling van Zijn schepselen’ passen.

Bij de Heer Jezus gaan toorn en droefheid op volmaakte wijze samen (Mk 3:55En Hij keek hen rondom met toorn aan, bedroefd over de verharding van hun hart, en zei tot de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte die uit en zijn hand werd hersteld.), terwijl bij ons de kans bestaat dat toorn samengaat met een persoonlijk gekrenkt zijn. Als we toornig zijn omdat we persoonlijk beledigd zijn, heeft dat niets met “Gods gerechtigheid” te maken. Dan wordt zichtbaar dat we voor eigen rechter spelen, terwijl er van Gods recht niets te zien is.

V2121Daarom, legt alle onreinheid en overmaat van boosheid af en ontvangt met zachtmoedigheid het ingeplante Woord, dat uw zielen kan behouden.. Om niet in de valkuil van een verkeerde toorn te vallen geeft Jakobus enkele aanwijzingen. Je moet iets afleggen en iets ontvangen. Let op de volgorde. Je moet eerst iets afleggen, want dan komt er ruimte om iets te ontvangen. Jakobus noemt twee dingen die je moet afleggen. Hij is wel actueel als hij begint met “alle onreinheid”. Daarvan is de wereld vol en het kleeft o zo gemakkelijk de gelovige aan.

De onreinheid springt je soms tegemoet, het spat van de aanplakborden langs de weg en als je niet oppast van je beeldscherm. Kijk er niet naar, wend je blik ervan af, houd je er niet mee bezig. Je moet er innerlijk afstand van nemen.

Dat geldt ook voor de “overmaat aan boosheid”. Laat je niet verleiden tot het uiten van boosheid op een manier die meer laat zien van jezelf dan van dat waarover je boos bent.

Jakobus dringt aan op een goede gezindheid. Die goede gezindheid uit zich in “zachtmoedigheid”. Als je zachtmoedig bent, kan God Zijn Woord in je planten. ‘Zachtmoedigheid’ is de juiste grond waarin het geplante Woord kan groeien en tot rijpheid kan komen. Dat Woord kan dan zijn werk doen. Dan zul je door het Woord geleid worden op je levensweg en zul je die weg tot de volle behoudenis kunnen vervolgen. Je leven zal vrucht dragen die voortkomt uit de nieuwe schepping die je bent, een vrucht die voor God een vreugde is.

V2222En weest daders van [het] Woord en niet alleen hoorders, anders misleidt u zichzelf.. Op die manier zal duidelijk worden dat je niet alleen een hoorder van het Woord bent, maar ook een dader. Herodes bijvoorbeeld was alleen een luisteraar. Hij hoorde Johannes graag (Mk 6:2020want Herodes was bang voor Johannes, daar hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem; en toen hij hem had gehoord, was hij in grote verlegenheid; en hij hoorde hem graag.), maar hij was geen dader van het door Johannes gesproken woord. Toen het erop aankwam, liet hij liever Johannes doden, dan terug te komen op een snelle belofte, uitgesproken onder invloed van zijn opgewekte begeerte (Mk 6:21-2721En toen er een geschikte dag gekomen was en Herodes op zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte voor zijn rijksgroten en de legeroversten en de voornaamsten van Galiléa,22en de dochter van deze Herodias binnenkwam en danste, behaagde zij Herodes en hun die mee aanlagen. De koning nu zei tot het meisje: Vraag van mij wat je wilt en ik zal het je geven.23En hij zwoer haar <zeer>: Wat je mij ook zult vragen, ik zal het je geven, tot de helft van mijn koninkrijk.24En zij ging weg en zei tot haar moeder: Wat zal ik vragen? Deze nu zei: Het hoofd van Johannes de doper.25En zij ging terstond met haast naar binnen naar de koning en vroeg aldus: Ik wil dat u mij onmiddellijk op een schotel het hoofd van Johannes de doper geeft.26En hoewel de koning zeer bedroefd werd, wilde hij om de eden en om hen die aanlagen, het haar niet weigeren.27En terstond zond de koning een scherprechter en beval zijn hoofd te brengen. En deze ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,).

V23-2423Want als iemand een hoorder van [het] Woord is en geen dader, die is gelijk aan een man die zijn natuurlijk gezicht in een spiegel bekijkt;24want hij bekijkt zich, gaat weg en is onmiddellijk vergeten hoe hij er uitzag.. Johannes had hem de spiegel van het Woord voorgehouden. Herodes had er even in gekeken. Hij had gezien wie hij was, maar hij was weggegaan en vergeten hoe hij er uitzag. Als jij in de Bijbel leest, moet je dat niet snel, maar rustig doen. Als je vlug, vlug, even wat leest, kijk je niet echt in de spiegel. De Bijbel moet gelegenheid krijgen je te laten zien wie je bent en wat God van je verwacht, opdat je je leven aan Zijn wil aanpast.

V2525Maar wie zijn blik richt op [de] volmaakte wet, die van de vrijheid, en daarbij blijft, niet een vergeetachtig hoorder geworden maar een dader van [het] werk, die zal gelukkig zijn in zijn doen.. Daarvoor moet je kijken in “de volmaakte wet, die van de vrijheid”. De volmaakte wet is niet een serie regels en geboden die God als Zijn eisen op je legt. Met de volmaakte wet wordt het hele Woord van God bedoeld. Dat Woord van God houdt jou de wet, dat wil zeggen de wetmatigheid, van de vrijheid voor. Wie het ingeplante Woord met zachtmoedigheid heeft ontvangen, zal de vruchten van dat Woord vertonen. Dat is een wetmatigheid, een proces dat niet anders kan verlopen.

Je ziet dat volmaakt in het leven van de Heer Jezus. De wet van God was in Hem (Ps 40:99Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;
Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste.
)
en die wet sloot helemaal aan bij Zijn verlangen om de wil van God te doen. Een voorbeeldje kan dit misschien verduidelijken. Als ik een van mijn kinderen het bevel geef: ‘Eet die koekjes op’, doet hij of zij dat graag, want het is helemaal in overeenstemming met zijn of haar verlangen. Uit liefde gehoorzamen en dingen doen die je van nature graag doet, geeft de grootst mogelijke voldoening.

Jakobus voegt eraan toe dat je daar wel bij moet blijven, dat wil zeggen dat je moet volharden. Dan zul je “gelukkig zijn” in wat je doet, het geeft je het gevoel van geluk. Het betekent niet dat alles lukt wat je doet, maar dat je geluk beleeft bij wat je doet.

V2626Als iemand meent godsdienstig te zijn, terwijl hij zijn tong niet in toom houdt maar zijn hart bedriegt, diens godsdienst is inhoudsloos.. Jakobus komt terug op de tong. De tong is de belangrijkste graadmeter van wat er in het hart van de mens is. De Heer Jezus zegt zelfs dat we worden gerechtvaardigd of veroordeeld naar onze woorden (Mt 12:3737Want op grond van uw woorden zult u gerechtvaardigd en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden.). Als je je tong in toom weet te houden, ben je ook in staat om op de goede wijze God te dienen. Maar wie meent godsdienstig te zijn, wie meent dat God toch wel tevreden mag zijn met de wijze waarop hij Hem dient, terwijl er van zijn tong een waterval aan woorden komt, bedriegt zijn eigen hart (Sp 13:33Wie zijn mond behoedt, bewaart zijn ziel,
wie zijn lippen openspert, hem [wacht] de ondergang.
; 10:1919In de veelheid van woorden ontbreekt de overtreding niet,
maar wie zijn lippen inhoudt, is verstandig.
)
.

Waarom is Jakobus zo scherp in zijn veroordeling van de tong? Dat zal hij in Jakobus 3 indringend vertellen. Maar hier al mag duidelijk zijn dat het hem niet om mooie woorden gaat, maar om daden. Hij zegt als het ware: ‘Laat maar zien wat godsdienst voor jou betekent. Al dat gepraat, daar heb ik niets aan.’ Wie veel praat, maar niet tot daden komt, heeft een ‘inhoudsloze godsdienst’. Hij denkt misschien wel dat hij het geweldig doet, maar het stelt niets voor.

V2727Reine en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen te bezoeken in hun verdrukking [en] zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren.. Hoe het dan wel moet, vertelt Jakobus in het laatste vers van dit hoofdstuk. Het gaat om “reine en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader”. Al het dienen van God moet gebeuren in reinheid van hart. Er mogen geen onoprechte motieven een rol in spelen. Ook de dienst zelf moet gebeuren zonder dat die wordt bevlekt door het gebruik van ongepaste middelen. God dienen betekent dat God in het middelpunt staat. Hij bepaalt hoe er wordt gediend.

Als je weduwen en wezen in hun verdrukking bezoekt, toon je hun Gods Vaderliefde. Hij is immers de Vader van de wezen en de Rechter van de weduwen (Ps 68:66Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
; 146:99De HEERE bewaart de vreemdelingen,
Hij houdt wees en weduwe staande,
maar de weg van de goddelozen maakt Hij krom.
)
. Gods liefde gaat uit naar de hulpelozen en minderbedeelden. Hen bezoeken in hun verdrukking is meer dan alleen je belangstelling voor hen tonen. Het wil zeggen dat je probeert jezelf in hun omstandigheden te verplaatsten om op die manier uiting te geven aan je bewogenheid met hen.

Dit is echter niet de enige manier waarop ‘reine en onbesmette godsdienst voor God en de Vader’ inhoud krijgt. Als dat zo zou zijn, zou het christendom niet meer dan een sociaal programma zijn. God is niet alleen liefde, Hij is ook licht. Vandaar dat Jakobus eraan toevoegt dat je jezelf ook “onbesmet van de wereld te bewaren” hebt. Ware godsdienst verliest het karakter van de wereld niet uit het oog, maar bedenkt dat de wereld de Heer Jezus heeft verworpen. De wereld ligt in het boze (1Jh 5:1919Wij weten dat wij uit God zijn en de hele wereld in het boze ligt.). Jij bent eruit verlost (Gl 1:44Die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader,), je hoort er niet meer bij.

Om God te dienen kun je er ook niets van gebruiken. Alles wat je van de wereld zou willen gebruiken alleen om je verblijf erin zo aangenaam mogelijk te maken, doet God oneer aan. Zijn beoordeling van de wereld moet bepalend voor je zijn als het gaat om je omgang ermee, zoals ook Zijn zorg voor de weerlozen in die wereld bepalend moet zijn voor je zorg voor hen.

Lees nog eens Jakobus 1:19-27.

Verwerking: Hoe breng jij in praktijk wat Jakobus in dit gedeelte zegt?


Lees verder