1 Timotheüs
Inleiding
Inleiding

Lees eerst Handelingen 16:1-3; Filippenzen 2:19-23; 2 Timotheüs 1:5 (Hd 16:1-31Hij nu kwam <én> in Derbe en <ook> in Lystra. En zie, daar was een discipel, genaamd Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader,2die een [goed] getuigenis had van de broeders in Lystra en Iconium.3Paulus wilde dat deze met hem mee zou vertrekken en hij nam hem en besneed hem ter wille van de Joden die in die plaatsen waren; want zij wisten allen dat zijn vader een Griek was.; Fp 2:19-2319Maar ik hoop in [de] Heer Jezus Timotheüs spoedig naar u toe te zenden, opdat ook ik welgemoed mag zijn als ik uw omstandigheden weet.20Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw uw belangen zal behartigen,21want allen zoeken hun eigen [belang], niet dat van Jezus Christus.22En u kent zijn beproefdheid, dat hij, zoals een kind zijn vader, met mij in het evangelie heeft gediend.23Hem nu hoop ik onmiddellijk te zenden, zodra ik mijn omstandigheden heb overzien.; 2Tm 1:55als ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof in jou, dat eerst gewoond heeft in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik ben ervan overtuigd ook in jou.).

Tot nu toe hebben we steeds brieven voor ons gehad die zijn gericht aan gemeenten. De eerste brief aan Timotheüs is gericht aan één enkele persoon. Dat betekent dat je, nog meer dan in de andere brieven, in deze brief aanwijzingen zult vinden voor je persoonlijke geloofsleven. Je zult je, op een enkele uitzondering na, met Timotheüs kunnen identificeren. Dat is in elk geval de bedoeling. Als je opmerkt dat je in bepaalde dingen afwijkt, kun je dat corrigeren. Je hebt in deze brief een model voor je dat je helpt om te leven tot Gods eer.

We zullen eerst eens kijken naar de persoon aan wie Paulus deze brief schrijft. Door de ‘personalia’ van Timotheüs (zijn naam betekent ’vreze Gods’ of ‘geëerd door God’)’ na te gaan, krijgen we een beeld van deze jonge gelovige.

Familie:
Vader             > Griek (Hd 16:11Hij nu kwam <én> in Derbe en <ook> in Lystra. En zie, daar was een discipel, genaamd Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader,)
Moeder          > gelovige Joodse vrouw met een “ongeveinsd geloof” (Hd 16:11Hij nu kwam <én> in Derbe en <ook> in Lystra. En zie, daar was een discipel, genaamd Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader,; 2Tm 1:55als ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof in jou, dat eerst gewoond heeft in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik ben ervan overtuigd ook in jou.)
Grootmoeder > had een ongeveinsd geloof (2Tm 1:55als ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof in jou, dat eerst gewoond heeft in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik ben ervan overtuigd ook in jou.)

Opgevoed in het geloof:
Grootmoeder > moeder > Timotheüs (2Tm 1:55als ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof in jou, dat eerst gewoond heeft in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik ben ervan overtuigd ook in jou.).
Hij kent van kindsbeen af de heilige Schriften (2Tm 3:1515en omdat je van jongs af <de> heilige Geschriften kent, die je wijs kunnen maken tot behoudenis door [het] geloof dat in Christus Jezus is.). Vergelijk: Jochebed > Mozes (Ex 2:1-101Een man uit het geslacht van Levi ging en nam een dochter van Levi [tot vrouw].2De vrouw werd zwanger en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij mooi was, verborg zij hem drie maanden.3Maar toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een mandje van biezen en bestreek het met asfalt en pek. Zij legde het kind daarin en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl.4En zijn zuster ging op een afstand staan om te weten te komen wat er met hem gedaan zou worden.5Toen daalde de dochter van de farao af om zich te wassen in de Nijl. Terwijl haar dienaressen langs de kant van de rivier liepen, zag zij het mandje midden in het riet. Zij stuurde haar slavin om het te halen.6Toen zij het opendeed, zag zij hem, het kind. En zie, het jongetje huilde. Zij kreeg medelijden met hem en zei: Dit is een van de Hebreeuwse kinderen.7Toen zei zijn zuster tegen de dochter van de farao: Zal ik voor u een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen, die dat kindje voor u de borst kan geven?8De dochter van de farao zei tegen haar: Ga [maar]. Toen ging het meisje de moeder van het kindje roepen.9En de dochter van de farao zei tegen haar: Neem dit kindje mee en geef het voor mij de borst. Ikzelf zal [u] uw loon geven. De vrouw nam het jongetje mee en gaf het de borst.10En toen het jongetje groot geworden was, bracht zij hem bij de dochter van de farao, en hij werd haar tot zoon. Zij gaf hem de naam Mozes. Want, zei ze, ik heb hem uit het water getrokken.) en Hanna > Samuel (1Sm 1:21-2821Die man Elkana ging met zijn hele gezin op weg om de HEERE het jaarlijkse offer en [ook] zijn gelofte[offer] te brengen.22Hanna ging echter niet mee maar zei tegen haar man: Als de jongen van de borst af is, zal ik hem brengen, zodat hij voor het aangezicht van de HEERE verschijnt en daar voor eeuwig blijft.23En Elkana, haar man, zei tegen haar: Doe wat goed is in jouw ogen; blijf [hier] totdat hij van de borst af is; moge de HEERE Zijn woord gestand doen. Zo bleef de vrouw [thuis] en zoogde haar zoon, totdat hij van de borst af was.24Daarna, toen hij van de borst af was, nam zij hem met zich mee, met een driejarige jonge stier, een efa meel en een kruik wijn. Zij bracht hem in het huis van de HEERE in Silo, toen de jongen nog [heel] jong was.25Zij slachtten de stier en brachten de jongen bij Eli.26En zij zei: Och, mijn heer, [zo waar] u zelf leeft, mijn heer, ik ben die vrouw die hier bij u stond om tot de HEERE te bidden.27Ik bad om deze jongen, en de HEERE heeft mij gegeven wat ik van Hem gebeden heb.28Daarom heb ik hem ook voor al de dagen dat hij [op aarde] is, aan de HEERE overgegeven; hij is van de HEERE gebeden. En hij boog zich daar voor de HEERE neer.).

Bekering:
Timotheüs is mogelijk tijdens het eerste bezoek van Paulus aan Lystra (Hd 14:6-206vluchtten zij toen zij het gewaar werden, naar de steden van Lycaónië, Lystra en Derbe en de omstreken,7en verkondigden daar het evangelie.8En er zat in Lystra een man die geen kracht in zijn voeten had, kreupel van [de] schoot van zijn moeder af, die nooit had gelopen.9Deze hoorde Paulus spreken; die keek hem aandachtig aan, en daar hij zag dat hij geloof had om behouden te worden,10zei hij met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong op en liep.11En toen de menigten zagen wat Paulus had gedaan, verhieven zij hun stem in Lycaónisch en zeiden: De goden zijn aan mensen gelijk geworden en tot ons neergedaald.12En zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het woord voerde.13En de priester van [de tempel van] Zeus, die vóór de stad was, bracht stieren en kransen aan de voorpoorten en wilde met de menigten offeren.14Toen echter de apostelen Barnabas en Paulus dit hoorden, scheurden zij hun kleren, sprongen naar voren tussen de menigte15en schreeuwden aldus: Mannen, waarom doet u dit? Ook wij zijn mensen van gelijke natuur als u en verkondigen u dat u zich van deze nietige [goden] moet bekeren tot [de] levende God, Die de hemel, de aarde, de zee en alles wat daarin is, heeft gemaakt.16Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan,17hoewel Hij Zich niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.18En door dit te zeggen weerhielden zij ternauwernood de menigten ervan hun te offeren.19Er kwamen echter Joden van Antiochië en Iconium, en zij overreedden de menigten, stenigden Paulus en sleepten hem buiten de stad in de mening dat hij dood was.20Toen de discipelen hem echter omringden, stond hij op en ging de stad binnen. En de volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe.) op zijn eerste zendingsreis in geestelijke zin diens ‘kind’ geworden. Op zijn tweede zendingsreis komt Paulus daar weer en neemt Timotheüs mee, die dan een volgeling van de Heer Jezus is (Hd 16:1-31Hij nu kwam <én> in Derbe en <ook> in Lystra. En zie, daar was een discipel, genaamd Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader,2die een [goed] getuigenis had van de broeders in Lystra en Iconium.3Paulus wilde dat deze met hem mee zou vertrekken en hij nam hem en besneed hem ter wille van de Joden die in die plaatsen waren; want zij wisten allen dat zijn vader een Griek was.).

Aspecten in zijn roeping:
1. Hij heeft een goed getuigenis (Hd 16:22die een [goed] getuigenis had van de broeders in Lystra en Iconium.)
2. Paulus wil hem meenemen (Hd 16:33Paulus wilde dat deze met hem mee zou vertrekken en hij nam hem en besneed hem ter wille van de Joden die in die plaatsen waren; want zij wisten allen dat zijn vader een Griek was.)
3. Er zijn profetieën over hem uitgesproken (1Tm 1:1818Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetieën over jou, opdat je door deze de goede strijd strijdt,)
4. Paulus heeft hem de handen opgelegd (2Tm 1:66Om die reden herinner ik je eraan de genadegave van God aan te wakkeren, die in je is door de oplegging van mijn handen.)
5. De gezamenlijke oudsten hebben hem de handen opgelegd (1Tm 4:1414Verwaarloos niet de genadegave in je, die je gegeven is door profetie met oplegging van de handen van de gezamenlijke oudsten.)

Persoonlijkheid:
1. Hij is jong (1Tm 4:1212Laat niemand je jeugdige leeftijd verachten, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in reinheid.)
2. Hij is schuchter (1Ko 16:1010Wanneer nu Timotheüs komt, let erop dat hij zonder vrees bij u is, want hij werkt het werk van [de] Heer evenals ik.; 2Tm 1:6-86Om die reden herinner ik je eraan de genadegave van God aan te wakkeren, die in je is door de oplegging van mijn handen.7Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid.8Schaam je dus niet voor het getuigenis van onze Heer, noch voor mij, Zijn gevangene, maar lijd verdrukking met het evangelie, naar [de] kracht van God,)
3. Hij heeft een goede gezindheid (Fp 2:2020Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw uw belangen zal behartigen,)

Nu weet je een beetje wie je voor je hebt. Je kunt je wat meer inleven in de geadresseerde.

De reden voor het schrijven van de brief geeft Paulus duidelijk aan: “Deze dingen schrijf ik je in de hoop spoedig tot je te komen. Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid” (1Tm 3:14-1514Deze dingen schrijf ik je in de hoop spoedig tot je te komen.15Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). Ik citeer deze verzen helemaal, omdat je hier de sleutel hebt voor het begrijpen van de brief. Paulus schrijft dus de brief opdat Timotheüs het juiste onderwijs kan geven over het gedrag van de gelovigen in Gods huis.

Dit huis van God is natuurlijk geen stenen gebouw. Het huis van God bestaat uit alle gelovigen die op dit moment op aarde leven. Je hebt over de bouw van Gods huis al onderwijs gekregen bijvoorbeeld in de brief aan de Efeziërs (Ef 2:19-2219Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,20opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is,21in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.) en in de eerste brief aan de Korinthiërs (1Ko 3:9-179Want Góds medearbeiders zijn wij, Góds akker, Góds gebouw bent u.10Naar de genade <van God> die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester [het] fundament gelegd en een ander bouwt erop. Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt.11Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus.12Als nu iemand op het fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stro, –13ieders werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen, omdat deze in vuur geopenbaard wordt, en hoe ieders werk is, <dat> zal het vuur beproeven.14Als iemands werk dat hij daarop gebouwd heeft, zal blijven, zal hij loon ontvangen;15als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, maar zo als door vuur heen.16Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?17Als iemand de tempel van God verderft, God zal hem verderven. Want de tempel van God is heilig, en dat bent u.). Dat onderwijs bevat zeker al belangrijke aspecten voor de manier waarop je je daarin behoort te gedragen, maar deze eerste brief aan Timotheüs is er specifiek aan gewijd.

Er is nog een belangrijk ding dat je moet weten. Timotheüs wordt aangesproken als “mens Gods” (1Tm 6:1111Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, Godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.). Over deze prachtige uitdrukking zal ik het een en ander zeggen als we eraan toe zijn. Hier is het al goed op te merken dat het een eretitel is die niet zomaar voor iedere gelovige wordt gebruikt. De Heilige Geest gebruikt deze titel alleen voor een gelovige die laat zien Wie God is in een tijd dat de massa van de christenheid Hem ontrouw is. In een tijd van algemeen verval komt het aan op de trouw van de enkeling. Timotheüs was zo’n enkeling. Jij kunt zo’n enkeling zijn.

Paulus houdt Timotheüs voor, welke gedragslijn hij de gelovigen moet onderwijzen. Dat is voor Timotheüs als betrekkelijk jonge gelovige geen gemakkelijke taak. Daarom heeft deze brief aan zijn jonge mededienaar ook een bemoedigend karakter. De inhoud van de brief is ook van toepassing op ons, omdat de gedragslijn die Timotheüs moet onderwijzen, altijd door gelovigen moet worden gevolgd. Aan die gedragsregels gehoorzaam zijn is ook vandaag geen gemakkelijke taak. De weerstand daartegen groeit. Maar als jij ernaar wilt luisteren, zul je door deze brief bijzonder bemoedigd worden.

In dit verband is het van belang het onderscheid op te merken tussen wat speciaal tot Timotheüs wordt gezegd en dat waarin de gelovigen in het algemeen worden aangesproken. Zoals gezegd, is de eerste brief aan Timotheüs aan één persoon gericht, net als de tweede brief en die aan Titus. (Deze brieven worden ook wel de ‘pastorale brieven’ genoemd.) Je kunt je niet in alles wat tot hen wordt gezegd met hen identificeren. Zij zijn namelijk personen die door de apostel zijn afgevaardigd om in zijn naam te handelen of om tijdens zijn afwezigheid voor de gemeenten te zorgen. Als we de brief nader onder de aandacht nemen, zal het onderscheid duidelijk worden.

De brief bevat onderwijs voor hen die tot de gemeente behoren. De gemeente wordt in deze brief voorgesteld in de orde die naar de gedachten van God is en niet naar wat mensen ervan gemaakt hebben. Deze orde is van belang voor haar gedrag in de wereld, waar ze God als Heiland (1Tm 1:11Paulus, apostel van Christus Jezus naar [het] bevel van God, onze Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop,) vertegenwoordigt. Jouw gedrag in Gods huis wordt waargenomen door de mensen in de wereld om je heen. De mens van de wereld rekent steeds meer af met God als Schepper. Denk maar aan de evolutietheorie. Als God als Schepper terzijde wordt gesteld, is het heel belangrijk dat jij God als Heiland vertegenwoordigt. Deze brief reikt je daar de instructies voor aan.

Als je deze instructies ter harte neemt, zal jouw leven een verwijzing zijn naar “God, onze Heiland”. Dan komt deze brief in jouw leven tot zijn doel. In jouw wandel in de wereld, in je omgang met de mensen om je heen, wordt zichtbaar dat je een God van liefde vertegenwoordigt “Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen” (1Tm 2:3-43Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland,4Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen.).

Tot slot van deze inleiding wil ik je nog wijzen op het woord “Godsvrucht”. Dit woord kenmerkt deze brief, het loopt er als een rode draad doorheen (1Tm 2:22voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een rustig en stil leven leiden in alle Godsvrucht en eerbaarheid.; 3:1616En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.; 4:7-87Verwerp echter de ongoddelijke oude-vrouwenfabels. Oefen je echter in [de] Godsvrucht.8Want de lichamelijke oefening is tot weinig nuttig, maar de Godsvrucht is nuttig tot alle dingen, daar zij [de] belofte heeft van het tegenwoordige en van het toekomstige leven.; 6:3,5-6,113Als iemand een andere leer brengt en zich niet voegt naar de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus en de leer die overeenkomstig [de] Godsvrucht is,5voortdurend geruzie van mensen die verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd zijn, die menen dat de Godsvrucht een winst[bron] is.6Nu is de Godsvrucht met tevredenheid inderdaad een grote winst;11Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, Godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.). Je bent het nog niet eerder in de brieven van Paulus tegengekomen. Hij gebruikt het hier voor het eerst. Godsvrucht betekent vroom en geeft een op God gerichte houding aan die Hem welgevallig is. Als het geestelijk leven in het algemeen afneemt, zal deze Godsvrucht des te nodiger zijn en des te meer door God worden gewaardeerd.

Lees nog eens Hd 16:1-31Hij nu kwam <én> in Derbe en <ook> in Lystra. En zie, daar was een discipel, genaamd Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader,2die een [goed] getuigenis had van de broeders in Lystra en Iconium.3Paulus wilde dat deze met hem mee zou vertrekken en hij nam hem en besneed hem ter wille van de Joden die in die plaatsen waren; want zij wisten allen dat zijn vader een Griek was.; Fp 2:19-2319Maar ik hoop in [de] Heer Jezus Timotheüs spoedig naar u toe te zenden, opdat ook ik welgemoed mag zijn als ik uw omstandigheden weet.20Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw uw belangen zal behartigen,21want allen zoeken hun eigen [belang], niet dat van Jezus Christus.22En u kent zijn beproefdheid, dat hij, zoals een kind zijn vader, met mij in het evangelie heeft gediend.23Hem nu hoop ik onmiddellijk te zenden, zodra ik mijn omstandigheden heb overzien.; 2Tm 1:55als ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof in jou, dat eerst gewoond heeft in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik ben ervan overtuigd ook in jou.

Verwerking: Waarin zou jij graag op Timotheüs willen lijken?


Lees verder