1 Timotheüs
1-5 Werknemers en gezonde woorden 6-10 Rijk willen worden 11-13 De mens Gods – jagen, strijden, grijpen, betuigen 14-21 Lofprijzing en laatste vermaningen
Werknemers en gezonde woorden

1Laten allen die onder [het] slavenjuk zijn, hun eigen meesters alle eer waard achten, opdat de Naam van God en de leer niet gelasterd worden. 2En laten zij die gelovige meesters hebben, hen niet verachten omdat zij broeders zijn, maar hen des te meer dienen, omdat zij die deze goede dienst ontvangen, gelovigen en geliefden zijn. Leer en vermaan deze dingen. 3Als iemand een andere leer brengt en zich niet voegt naar de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus en de leer die overeenkomstig [de] Godsvrucht is, 4die is opgeblazen en weet niets, maar lijdt aan twistziekte en woordenstrijd, waaruit afgunst ontstaat en twist, lasteringen, kwade vermoedens, 5voortdurend geruzie van mensen die verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd zijn, die menen dat de Godsvrucht een winst[bron] is.

V11Laten allen die onder [het] slavenjuk zijn, hun eigen meesters alle eer waard achten, opdat de Naam van God en de leer niet gelasterd worden.. Paulus begint dit hoofdstuk met aanwijzingen voor gelovige slaven. Zij maken deel uit van de gemeente in Efeze. Het feit dat een slaaf gelovig is, verandert niets aan zijn positie van slaaf. Slavernij is niet iets wat door God is gegeven. Het is een gevolg van de zonde. Toch betekent het niet dat een slaaf bij zijn bekering automatisch zijn vrijheid terugkrijgt. Het christendom verandert namelijk geen (wan)toestanden, maar harten. Zo kwam de Heer Jezus niet om die misstand en andere misstanden aan te pakken, maar om zondaren te redden.

Een gelovige slaaf kan door verschillende omstandigheden in die positie terechtgekomen zijn, bijvoorbeeld door geboorte, door krijgsgevangenschap of door schulden te hebben gemaakt die hij niet kon terugbetalen. Juist een slaaf kan laten zien wat christen zijn betekent (Tt 2:9-109[Vermaan] de slaven aan hun eigen meesters onderdanig te zijn, in alles welbehaaglijk te zijn, niet tegen te spreken,10niet te ontvreemden, maar alle goede trouw te bewijzen, opdat zij de leer van God, onze Heiland, in alles versieren.; 1Pt 2:1818Huisknechten, weest aan uw meesters in alle ontzag onderdanig, niet alleen aan de goede en inschikkelijke, maar ook aan de verkeerde.). Met dit doel stuurde Paulus de weggelopen slaaf Onésimus zelfs naar zijn meester Filémon terug. Wel hoopte Paulus dat Filémon zijn slaaf Onésimus zou vrijlaten, opdat deze de apostel in zijn dienst voor de Heer zou kunnen helpen (Fm 1:1-251Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filémon, de geliefde en onze medearbeider,2aan Apfia, de zuster, en aan Archippus, onze medestrijder, en aan de gemeente in uw huis:3genade zij u en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Christus.4Ik dank mijn God, terwijl ik u altijd gedenk in mijn gebeden,5daar ik hoor van uw liefde en uw geloof dat u hebt tot de Heer Jezus en jegens alle heiligen,6opdat uw gemeenschap in het geloof krachtig wordt in [de] erkenning van al [het] goede dat in ons is voor Christus.7Want ik had veel blijdschap en troost wegens uw liefde, omdat de harten van de heiligen door u, broeder, verkwikt zijn.8Daarom, hoewel ik in Christus veel vrijmoedigheid heb u te bevelen wat gepast is,9doe ik ter wille van de liefde liever een beroep op u, daar het zo met mij is dat ik, Paulus, een oud man ben, en nu ook een gevangene van Christus Jezus.10Ik doe een beroep op u aangaande mijn kind dat ik in mijn gevangenschap heb verwekt, Onésimus,11die u vroeger van geen nut was, maar nu <én> voor u én mij zeer nuttig is,12die ik aan u heb teruggezonden; hem, dat wil zeggen mijn hart.13Ik had hem bij mij willen houden, opdat hij mij namens u zou dienen in mijn gevangenschap voor het evangelie.14Maar zonder uw goedvinden heb ik niets willen doen, opdat het goede bij u niet als uit dwang, maar vrijwillig zou zijn.15Want wellicht was hij daarom voor een tijd [van u] gescheiden, opdat u hem eeuwig zou bezitten,16niet langer als een slaaf, maar meer dan een slaaf, een geliefde broeder, vooral voor mij, hoeveel te meer dan voor u, zowel in [het] vlees als in [de] Heer.17Als u mij dus voor [uw] deelgenoot houdt, neem hem aan als mijzelf.18En als hij u enig onrecht heeft aangedaan of u iets schuldig is, breng dat mij in rekening.19Ik, Paulus, heb het met mijn eigen hand geschreven, ik zal het betalen, om u niet te zeggen dat u bovendien ook uzelf aan mij schuldig bent.20Ja broeder, laat mij voordeel van u hebben in [de] Heer; verkwik mijn hart in Christus.21Ik heb u geschreven in vertrouwen op uw gehoorzaamheid, daar ik weet dat u zelfs meer zult doen dan ik zeg.22En bereid mij tevens ook huisvesting, want ik hoop door uw gebeden u geschonken te zullen worden.23U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus,24Markus, Aristarchus, Demas en Lukas, mijn medearbeiders.25De genade van <onze> Heer Jezus Christus zij met uw geest.).

Slaven hadden in die tijd geen voorrechten, ze hadden nergens recht op. Naar Grieks-Romeinse opvattingen waren slaven geen personen, maar werktuigen. Ze waren het onbeperkte eigendom van hun meester en hadden geen enkel recht. Een privéleven bestond voor hen niet. Als zodanig is een vergelijking met de verhoudingen die wij in het Westen kennen, niet te maken. Wel kunnen we deze aanwijzingen toepassen op de verhouding werkgever-werknemer. De gelovige werknemer verwacht zijn heil niet van een vakbond en van pressiemiddelen als staking, bedrijfsbezetting of langzaamaanacties. Daaraan niet meedoen kan hem de smaad van zijn collega’s opleveren, maar het levert in elk geval de goedkeuring van de Heer op.

Van de gelovige werknemer wordt verwacht dat hij zijn werkgever “alle eer waard acht”. In vers 11Laten allen die onder [het] slavenjuk zijn, hun eigen meesters alle eer waard achten, opdat de Naam van God en de leer niet gelasterd worden. gaat het om een ongelovige werkgever. De gelovige werknemer behoort met respect over hem te spreken en hem met respect te behandelen. Hij zal trouw zijn in zijn werk en niet de kantjes er vanaf lopen. Ook zal hij niet (meer) meedoen met opstand. Opstandigheid past de christenslaaf niet. Als de gelovige slaaf opstandig zou zijn, zijn meester ongehoorzaam, dan zouden anderen reden hebben om te zeggen: ‘Wat is dat voor een God Die wanorde toestaat, wat is dat voor een leer die opstand en geweld duldt?’

Ook vandaag gaat van een gelovige op zijn arbeidsplek een positief of een negatief getuigenis voor zijn Heer uit. Als hij in zijn werk nauwgezet de bevelen van zijn baas opvolgt, zullen “de Naam van God en de leer niet gelasterd worden”. Het gaat er immers om dat God als Heiland wordt bekendgemaakt in overeenstemming met de christelijke leer. De leer en de praktijk horen onlosmakelijk bij elkaar.

V22En laten zij die gelovige meesters hebben, hen niet verachten omdat zij broeders zijn, maar hen des te meer dienen, omdat zij die deze goede dienst ontvangen, gelovigen en geliefden zijn. Leer en vermaan deze dingen.. In dit vers gaat het over “zij die gelovige meesters hebben”. Er is sprake van een dubbele verhouding: die van broeder en van baas. Dan dreigt het gevaar van een vermenging van geestelijke en maatschappelijke verhoudingen. Je kunt dan te vriendschappelijk met je baas omgaan of je meent je meer te kunnen veroorloven omdat hij een broeder van je is. De verhoudingen worden dan niet gerespecteerd en in wezen veracht je hem als je baas. Dat is geen getuigenis tegenover de ongelovige collega’s.

Het zou eerder zo moeten zijn, dat het feit dat je baas een gelovige is, je brengt tot een “des te meer dienen” van hem. Je mag je bewust zijn een “goede dienst” te doen aan je gelovige baas. De kwaliteit van de dienst is beter omdat die niet uit angst, maar uit liefde gebeurt.

Overigens vergt zo’n situatie van beide kanten veel wijsheid en voorzichtigheid. Er kan gemakkelijk iets gebeuren dat de broederliefde aantast en waardoor de werksfeer onder spanning komt te staan. Daar komt nog bij dat in de gemeente de rollen omgekeerd kunnen zijn. Niet in de zin dat de een boven de ander zou staan, maar wel dat de slaaf in de gemeente een meer vooraanstaande plaats heeft dan de meester. Dan is het wel van belang dat ze allebei een geestelijke gezindheid tonen.

Het is nodig dat Timotheüs ook deze dingen onderwijst en erop aandringt dat dit onderwijs in de praktijk wordt toegepast.

V33Als iemand een andere leer brengt en zich niet voegt naar de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus en de leer die overeenkomstig [de] Godsvrucht is,. “Een andere leer” ondergraaft de verhouding tussen slaaf en meester. Dat gebeurt als iemand zijn eigen menselijke, vleselijke gedachten en inzichten geeft over de maatschappelijke verhoudingen en voorbijgaat aan wat de Heer hiervan zegt. Je zou het stakingsrecht zo’n andere leer kunnen noemen. Dan voegt men zich niet naar “de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus”.

Alle woorden die de Heer heeft gesproken toen Hij op aarde was, zijn gezonde woorden. We vinden ze in de evangeliën. De Heer heeft ze van de Vader gehoord en ze aan Zijn discipelen doorgegeven (Jh 17:88Want de woorden die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en waarlijk erkend dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat U Mij hebt gezonden.). Hierop sluit het onderwijs van de apostel Paulus dat je in zijn brieven vindt, naadloos aan. De woorden van de Heer en het onderwijs van de apostel zetten aan tot een leven waarin God geëerd wordt, wat ook de maatschappelijke positie van een gelovige is.

V44die is opgeblazen en weet niets, maar lijdt aan twistziekte en woordenstrijd, waaruit afgunst ontstaat en twist, lasteringen, kwade vermoedens,. Wie daar geen boodschap aan heeft, “is opgeblazen”. Opgeblazenheid ontstaat als iemand vol is van zijn eigen kennis (1Ko 8:11Wat nu de afgodenoffers betreft, wij weten – (want wij hebben allen kennis; de kennis blaast op, maar de liefde bouwt op.). Het is de arrogantie van de onwetendheid die zich inbeeldt alles te weten. Paulus spreekt Gods oordeel over zo iemand uit: hij “weet niets”. En bleef het daar maar bij. Deze mensen lijden namelijk “aan twistziekte en woordenstrijd”. Het bewijs dat hun geest ziek is, blijkt daaruit dat ze altijd gelijk willen hebben. Die geest doet hen eindeloos debatteren en voert hen tot talloze zinloze speculaties. De politiek, ook de zogenaamd christelijke, is er vol van.

Het zieke denken van valse leraren openbaart zich in kleinzielige haarkloverijen en pseudo-intellectuele theorieën, waarbij alles draait om belachelijke onderscheidingen tussen woorden. Zulke mensen zijn ziek en vormen een haard van besmetting. Ieder die met hen meegaat, loopt ook ziekten op. Want wat komt uit hun denken voort? “Afgunst … en twist, lasteringen, kwade vermoedens.” Het contrast tussen wat ziek maakt en wat gezond is en gezond maakt aan woorden en leer wordt hier wel scherp getekend.

In hun twistziekte en woordenstrijd zijn ze afgunstig op de ander die het in het debat beter doet, overtuigender overkomt, meer medestanders wint. Men benijdt wat een ander heeft en wil dat zelf hebben. In plaats van dat men meningsverschillen bijlegt, ontstaat er verwijdering en twist. Om toch het eigen gelijk te halen bedient men zich van lasterpraat over de ander. Er worden leugenachtige dingen doorverteld en zelfs boze motieven bij de tegenstander verondersteld.

V55voortdurend geruzie van mensen die verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd zijn, die menen dat de Godsvrucht een winst[bron] is.. En dit houdt maar aan. Zonder pauze zijn deze mensen aan het ruziemaken. Het verderf zit in hun denken. Ze zijn niet meer in staat om normaal op de waarheid te reageren. Ze hebben alle realiteitszin verloren. Van hen staat dat ze “van de waarheid beroofd zijn”. Vroeger hadden ze kennis van alles wat God in Christus heeft geopenbaard, maar dat zijn ze kwijtgeraakt door zich niet langer te voegen naar de gezonde woorden en de gezonde leer. Je ziet in welke neerwaartse spiraal je kunt terechtkomen, als je aan menselijke ideeën de voorkeur geeft boven het Woord van God.

Bij al hun onverstand menen ze ook nog dat “de Godsvrucht een winst[bron]” is. Daar hebben ze ook alle reden toe. Zij laten zich voor hun dwaze ideeën betalen en de mensen betalen graag. Worden ook vandaag niet theologen door kerken financieel gesteund om hun dwaze redeneringen in woord en geschrift te kunnen verspreiden? Voor hun monsterachtige gedachtespinsels wordt grif betaald. De mensen smullen ervan. Of het waar is, interesseert ze niet. Het boek ‘De Da Vinci Code’ is er een van de recentere voorbeelden van.

Wat is het een voorrecht dat je voor de toetsing de onveranderlijke norm van Gods Woord hebt. Daar wijs ik je aan het slot van dit stukje toch nog graag even op.

Lees nog eens 1 Timotheüs 6:1-5.

Verwerking: Hoe beleef jij je plaats in de maatschappij?


Rijk willen worden

6Nu is de Godsvrucht met tevredenheid inderdaad een grote winst; 7want wij hebben niets in de wereld ingebracht, omdat wij er ook niets uit kunnen wegdragen. 8Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn. 9Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. 10Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.

V66Nu is de Godsvrucht met tevredenheid inderdaad een grote winst;. Paulus ontkent niet dat Godsvrucht een winstbron is. Alleen voegt hij er nog “tevredenheid” aan toe. Hij weet waarover hij het heeft (Fp 4:11-1511Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijd; want ik heb geleerd tevreden te zijn in de omstandigheden waarin ik ben.12Ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; in elk opzicht en in alles ben ik ingewijd, zowel in verzadigd zijn als in honger lijden, zowel in overvloed hebben als in gebrek lijden.13Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft.14Toch hebt u er goed aan gedaan deel te nemen aan mijn verdrukking.15U weet ook zelf, Filippenzen, dat in [het] begin van het evangelie, toen ik van Macedonië was vertrokken, geen gemeente in rekening van uitgave en ontvangst met mij in verbinding heeft gestaan dan u alleen.). Zijn tevredenheid is het gevolg van zijn afhankelijkheid van God. Als je echt tevreden bent, ben je niet gericht op uiterlijke dingen, maar op de Heer, Die in al je behoeften voorziet. Tevredenheid kan ook het gevolg zijn van eigen inspanning. Zo wilden bijvoorbeeld de Stoïcijnen zich door niets laten beïnvloeden en alles aanvaarden zoals het kwam. Dat kan tevredenheid lijken, maar het is hardheid en het gevolg van eigen wilskracht.

Daarom moet tevredenheid samengaan met Godsvrucht. Dat levert dan niet zomaar winst op, maar “inderdaad een grote winst”. Die winst is niet te becijferen in harde valuta, maar ziet op geestelijke winst. Waar dingen gebeuren in gemeenschap met God en met het oog op Zijn eer, zul je geestelijk rijker worden.

V77want wij hebben niets in de wereld ingebracht, omdat wij er ook niets uit kunnen wegdragen.. Wat had je bij je toen je in de wereld kwam, toen je geboren werd? Niets. Je zult het wel eens zijn met Job, die zei: “Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen” (Jb 1:21a21En hij zei:
Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen
en naakt zal ik daarheen terugkeren.
De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen;
de Naam van de HEERE zij geloofd!
; vgl. Pr 5:1515Daarom is ook dit een ziekmakend kwaad: op geheel dezelfde wijze als hij gekomen is, gaat hij heen. Welk voordeel heeft hij, dat hij zwoegt voor de wind?)
. Weet je wat je uit de wereld kunt meenemen, als je die weer moet verlaten? Ook niets (Ps 49:11-1311Want hij ziet dat wijzen sterven,
dat een dwaas en een onverstandige samen omkomen
en hun vermogen aan anderen nalaten.
12Hun diepste gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan,
hun woningen van generatie op generatie;
zij noemen de landen naar hun naam.
13Toch blijft de mens, in [al zijn] aanzien, niet bestaan;
hij wordt gelijk aan de dieren, [die] vergaan.
)
.

Bij het begin en aan het eind van het leven leer je de werkelijke waarde van de materiële dingen inschatten. De bedoeling is dat je inziet hoe betrekkelijk alles is wat je aan geld en goed in dit leven zou kunnen verwerven. Het kan je allemaal tijdens je leven zomaar ontvallen (Sp 23:4-54Mat u niet af om rijk te worden,
gebruik daarvoor uw inzicht niet.
5Laat u uw ogen erover vliegen, dan is het er niet [meer],
want het vliegt direct weg, als een arend die naar de hemel vliegt.
)
. In elk geval moet je bij het verlaten van de wereld alles achterlaten. Misschien ken je de uitdrukking: ’Het doodshemd heeft geen zakken.’

V88Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn.. Als je “voedsel en kleding” bezit, heb je de beschikking over de basisbehoeften van het leven (Dt 10:1818Die recht verschaft aan de wees en de weduwe, Die de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven.; Mt 6:25-3225Daarom zeg Ik u: weest niet bezorgd voor uw leven, wat u eten <of wat u drinken> zult, ook niet voor uw lichaam, waarmee u zich zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam dan de kleding?26Kijkt naar de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, niet maaien en niet in schuren verzamelen, en uw hemelse Vader voedt ze. Gaat u ze niet ver te boven?27Wie van u echter kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?28En wat bent u bezorgd over kleding? Let op de lelies op het veld, hoe zij groeien;29zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet was bekleed als een van deze.30Als nu God het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in een oven wordt geworpen, zo bekleedt, zal Hij niet veel meer u [bekleden], kleingelovigen?31Weest dan niet bezorgd, door te zeggen: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden?32Want naar al deze dingen zoeken de volken; want uw hemelse Vader weet dat u al deze dingen nodig hebt.). Als je daarmee tevreden bent (Hb 13:55Laat uw wandel zonder geldzucht zijn en weest tevreden met wat u hebt; want Hijzelf heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten’,), ben je een gelukkig mens. Het bewaart je voor een rusteloos bezig zijn met de materiële dingen, zoals je dat waarneemt bij de mensen van de wereld om je heen. Deze oproep tot tevredenheid mag je natuurlijk niet misbruiken om luiheid goed te praten (2Th 3:1010Immers, toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen: Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten.). Het gaat erom dat je niet koortsachtig op zoek bent naar steeds meer luxe.

V99Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.. Het voorgaande wil niet zeggen dat het verkeerd is om rijk te zijn. Als iemand rijk is, kan dat het resultaat van de zegen van de Heer zijn (Gn 13:22En Abram was zeer rijk, aan vee, aan zilver en aan goud.; Sp 22:22Rijken en armen ontmoeten elkaar,
de HEERE heeft hen allen gemaakt.
; 1Sm 2:77De HEERE maakt arm en maakt rijk,
Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
)
. Het is wel verkeerd om rijk te “willen worden”. Ook is het belangrijk te zien dat rijkdom gevaarlijk kan zijn voor het praktische geloofsleven (Mt 13:2222Hij nu die tussen de dorens is gezaaid, die is het die het Woord hoort, en de zorg van het leven en het bedrieglijke van de rijkdom verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar.). Het kan zelfs een verhindering zijn om behouden te worden (Mt 19:23-2423Jezus nu zei tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk het koninkrijk der hemelen zal binnengaan.24En opnieuw zeg Ik u: het is gemakkelijker dat een kameel gaat door [het] oog van een naald, dan dat een rijke het koninkrijk van God binnengaat.).

Als het je wil is om rijk te worden, zul je zeker “in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten” vallen. Je zult niet de eerste zijn die in verzoeking valt om rijk te willen worden door kansspelen, door gokken, of door speculeren op de beurs. Rijk willen worden betekent dat je je laat meeslepen door “vele onverstandige en schadelijke begeerten”. Dan hoef je ook niet te bidden “leid ons niet in verzoeking”, want dan ben je er doelbewust op uit om rijk te worden.

Na de ‘verzoeking’ en de ‘strik’ wacht je aan het einde “verderf en ondergang”. Daarin zink je weg. ‘Wegzinken’ ziet op een schip dat overvol beladen is en daardoor zinkt. In het Nieuwe Testament komt alleen in Lukas 7 hetzelfde woord nog een keer voor en wordt het in letterlijke zin gebruikt (Lk 5:77En zij wenkten hun metgezellen die in het andere schip waren, om hen te komen helpen, en zij kwamen; en zij vulden beide schepen zodat zij bijna zonken.). Hier, in 1 Timotheüs 6, betreft het iemand die overweldigd is door de zucht naar rijkdom en in de zee van zijn begeerten steeds verder wegzinkt. Het onverstandig omgaan met geld om maar meer te krijgen heeft al velen in het verderf gestort.

V1010Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.. “De geldzucht is een wortel van alle kwaad.” Dit vers moet je diep op je laten inwerken. Geldzucht is een vorm van hebzucht die in zijn wezen afgodendienst is (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,; Ef 5:55Want dit weet en erkent u, dat geen hoereerder, onreine of hebzuchtige, dat is een afgodendienaar, erfdeel heeft in het koninkrijk van Christus en van God.). Het is niet de wortel, het is een wortel, maar wel een wortel waaruit elke mogelijke vorm van kwaad kan voortkomen. Er zijn meer wortels waaruit kwaad voortkomt, maar er is geen kwaad dat niet uit deze wortel, geldzucht, kan voortkomen.

De waarschuwing is ernstig en indringend: als je ernaar streeft om rijk te worden, is de kans groot dat je van het geloof afdwaalt! Je belijdenis dat je een christen bent, kan niet samengaan met liefde voor geld. Je liefde voor geld, in welke vorm van luxe je dat ook wilt vertalen, zal je ogen sluiten voor alles wat Christus je te bieden heeft. Alle geloofswaarheden zullen je niets meer zeggen.

Als geldzucht een reëel gevaar voor je is, kijk dan eens naar mensen die zich daar ook door hebben laten leiden. Er zijn verhalen van bittere ervaringen, kapotte familiebetrekkingen, losbandige, verkwistende kinderen, onophoudelijke vrees voor verliezen. Dit hoort er allemaal bij als jij rijkdom als doelstelling in je leven hebt. Denk ten slotte ook aan het hiernamaals (Lk 12:20-2120God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.). Wat een ontgoocheling moet het zijn als je op je sterfbed moet ontdekken dat je van alle aardse rijkdom niets kunt meenemen. Dit zijn enkele van de “vele smarten” waarmee je dan jezelf hebt “doorboord”.

Lees nog eens 1 Timotheüs 6:6-10.

Verwerking: Welke rol speelt geld in jouw leven?


De mens Gods – jagen, strijden, grijpen, betuigen

11Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, Godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. 12Strijd de goede strijd van het geloof; grijp het eeuwige leven, waartoe je geroepen bent en de goede belijdenis hebt afgelegd voor vele getuigen. 13Ik beveel <je> voor God Die alles in leven houdt, en voor Christus Jezus Die voor Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,

V1111Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, Godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.. Paulus komt in het eerste deel van dit vers met een alternatief, met een totaal ander perspectief van leven. Dit leidt hij in met “maar jij, mens Gods”. Een mens Gods is iemand die in zijn leven en wandel de kenmerken van God vertoont in een wereld die van Hem is vervreemd. Dit kan een man of een vrouw zijn. In het Nieuwe Testament komt deze uitdrukking verder alleen nog voor in 2 Timotheüs 3 (2Tm 3:1717opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust.). In het Oude Testament wordt zo iemand een ‘man Gods’ genoemd: Mozes (Dt 33:11Dit nu is de zegen waarmee Mozes, de man Gods, de Israëlieten gezegend heeft, vóór zijn dood.); David (2Kr 8:1414Hij stelde overeenkomstig de bepaling van zijn vader David de afdelingen van de priesters over hun dienstwerk vast, en [die van] de Levieten over hun taken, om [God] te prijzen, en voor de priesters om te dienen, volgens het voorschrift voor elke afzonderlijke dag en [die van] de poortwachters volgens hun indelingen per poort. Zo luidde immers het gebod van David, de man Gods.); Elia (1Kn 17:1818Toen zei zij tegen Elia: Hoe heb ik het [nu] met u, man Gods? Bent u bij mij gekomen om mijn ongerechtigheid in herinnering te brengen en om mijn zoon te doen sterven?); Elisa (2Kn 4:77Zij kwam en vertelde het de man Gods. Hij zei: Ga de olie verkopen en betaal uw schuldeiser. En wat u [en] uw zonen betreft, u kunt leven van wat overblijft.). Zie verder 1Kn 12:2222Maar het woord van God kwam tot Semaja, de man Gods:; 13:11En zie, er kwam een man Gods door het woord van de HEERE uit Juda naar Bethel, terwijl Jerobeam bij het altaar stond om een reukoffer te brengen.; 20:2828De man Gods kwam naar voren en zei tegen de koning van Israël: Zo zegt de HEERE: Omdat de Syriërs hebben gezegd: De HEERE is een God van de bergen en Hij is niet een God van de dalen, daarom zal Ik heel deze grote troepenmacht in uw hand geven, opdat u weet dat Ik de HEERE ben.; 2Kr 25:77Toen kwam er een man Gods naar hem toe, die zei: Koning, laat het leger van Israël niet met u meegaan, want de HEERE is niet met Israël, [met] al die nakomelingen van Efraïm.; Jr 35:44en bracht hen in het huis van de HEERE, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man Gods, die naast de kamer van de vorsten is, die zich boven de kamer van Maäseja, de zoon van Sallum, de deurwachter, bevindt..

Een ‘mens Gods’ is een mens aan wie God Zijn Naam wil verbinden omdat deze mens voor Zijn rechten opkomt in Zijn volk dat geen rekening (meer) houdt met Zijn rechten. Een mens Gods is een enkeling die trouw Gods belangen behartigt te midden van een geheel dat van Hem is afgedwaald. In zo’n mens laat God zien Wie Hij is.

Timotheüs is zo’n mens. Maakt hem dat tot een mens die boven alle verzoeking verheven is? Zeker niet. De eerste opdracht die hij krijgt, is: “Ontvlucht deze dingen.” Hij wordt ervoor gewaarschuwd niet te denken dat hij boven de hiervoor genoemde verzoekingen staat, net zomin als jij dat moet menen.

Vluchten is geen bewijs van zwakheid, maar bewijst juist karakter en zelfkennis. ’Deze dingen’ is de geldzucht en wat daarmee samenhangt. Voor jou als jonge gelovige is de oproep om te ‘ontvluchten’ ook belangrijk. Jij bent niet ongevoelig voor de overvloed aan reclame die wekelijks door de brievenbus komt en die dagelijks via de media als een vloedgolf over je heen komt. Je moet je ervoor afsluiten en de Heer vragen wat je nodig hebt.

Je moet altijd dingen ontvluchten die een grote verzoeking inhouden omdat je zondige vlees wordt aangesproken. In die gevallen dreigt er een groot gevaar voor je geestelijk leven. Zo staat er ook dat je “de hoererij” (1Ko 6:1818Ontvlucht de hoererij! Elke zonde die een mens doet, gaat buiten het lichaam om, maar wie hoereert, zondigt tegen zijn eigen lichaam.), “de afgodendienst” (1Ko 10:1414Daarom, mijn geliefden, ontvlucht de afgodendienst.) en “de begeerten van de jeugd” (2Tm 2:2222Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.) moet ontvluchten. Een duidelijk voorbeeld van iemand die de hoererij ontvluchtte, is Jozef (Gn 39:1212dat zij hem bij zijn kleed pakte en zei: Slaap met me. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en ging naar buiten.).

Er zijn trouwens ook gevallen dat je niet moet vluchten, maar moet weerstaan. Dat is als de duivel zich als de tegenstander van het geloof openbaart (Jk 4:77Onderwerpt u dan aan God. Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten.; 1Pt 5:99Weerstaat hem, standvastig in het geloof, daar u weet dat hetzelfde lijden aan uw broederschap in <de> wereld zich voltrekt.; Ef 6:11,1311Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.). In die gevallen gaat het om je getuigenis tegenover de wereld. De vijand wil dat je daarvoor terugschrikt. Als je dan op de vlucht gaat, ben je een verliezer. De twee gevallen moeten niet verward worden. Je moet daarom weten wanneer je moet vluchten en wanneer je moet weerstaan, standvastig in het geloof.

De opdracht om te ontvluchten is één kant van je leven als christen. En die kant is noodzakelijk. Vervolgens komt de andere kant. Nu kun je en moet je laten zien dat je leven als christen bestaat uit jagen naar iets en strijd. Die kant wordt in het tweede deel van vers 1111Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, Godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. belicht.

De oproep om te ontvluchten en om te jagen en te strijden zijn telkens terugkerende en doorgaande activiteiten. Je bent hier nooit klaar mee. Je kunt niet zeggen dat er een ogenblik in je leven aanbreekt dat je niet meer hoeft te ontvluchten en te jagen en te strijden.

Na het negatieve, maar noodzakelijke, ‘ontvlucht’, komt nu het positieve. Je mag je energie inzetten om naar iets te ‘jagen’ (vgl. Rm 14:1919Laten wij dus jagen naar wat de vrede en de onderlinge opbouwing [dient].; Fp 3:1414maar één ding [doe ik]: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat vóór is, jaag ik in de richting van [het] doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus.; 1Th 5:1515Ziet toe dat niet iemand een ander kwaad met kwaad vergeldt, maar jaagt altijd naar het goede <én> voor elkaar én voor allen.; Hb 12:1414Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging zonder welke niemand de Heer zal zien,). In dit woord zit actie, snelheid en doelgericht bezig zijn. Het gaat erom dat je de dingen die worden genoemd om naar te jagen, in de praktijk van je leven inhoud geeft.

“Gerechtigheid” wordt het eerst genoemd. Hiermee wordt niet de gerechtigheid van God bedoeld die je op grond van geloof hebt gekregen (Fp 3:9b9en in Hem bevonden word, niet in het bezit van mijn gerechtigheid die uit [de] wet is, maar van die welke door [het] geloof in Christus is, de gerechtigheid die uit God is, [gegrond] op het geloof;) en waardoor je niet meer bang hoeft te zijn voor de hel. Nee, hier gaat het om wat er in je leven zichtbaar wordt, dat jouw spreken en handelen rechtvaardig zijn. Dat is het geval als het in overeenstemming is met het recht van God. Je zult dan niemand tekortdoen, maar ieder geven waar hij of zij recht op heeft. Dat kan in geld zijn, maar ook in de manier waarop je je tijd als werknemer besteedt of de eer die je iemand geeft.

Het volgende doel om naar te jagen is “Godsvrucht”. Zoals ik in de inleiding zei, betekent Godsvrucht eerbied voor God en geeft het een op God gerichte houding aan die Hem welgevallig is. Dit houdt in dat je de juiste houding tegenover God inneemt. Je eert Hem als je leeft in vrees voor Hem. Dat heeft niet te maken met angst voor God, maar met het bang zijn voor jezelf, dat je iets doet waardoor Hem oneer wordt aangedaan.

Voor “geloof” geldt hetzelfde als voor gerechtigheid. Het gaat hier niet om het geloof waardoor je weet een kind van God te zijn, maar om het geloofsvertrouwen in het leven van elke dag. Het is een opdracht je ervoor in te spannen God in alle dingen van het leven van elke dag te vertrouwen hoewel je Hem niet ziet. Een leven in geloof staat tegenover een leven door wat je ziet, de zichtbare en tastbare dingen. Houd eraan vast dat de dingen die je ziet, tijdelijk zijn en dat de dingen die je niet ziet, eeuwig zijn (2Ko 4:1818daar wij ons oog niet richten op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.).

Misschien had je verwacht dat “liefde” wel op de eerste plaats zou staan. Dat is niet zo. In een christelijke wereld waar velen doen wat recht is in eigen ogen, gaat het er in de eerste plaats om dat je naar gerechtigheid jaagt. Dat betekent niet dat het zonder liefde kan. Als je naar liefde jaagt, wil dat zeggen dat je in liefde toeneemt. Jouw liefde tot God, tot je broeders en zusters en tot je naaste in het algemeen, moet groeien. Liefde is Gods natuur (1Jh 4:8,168Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde.16En wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.). Hij wil dat je die liefde in de praktijk toont.

“Volharding” is nodig omdat je leeft in een wereld die erop uit is ons het leven als mens Gods onmogelijk te maken. Leven als mens Gods betekent tegen de stroom in zwemmen en niet opgeven. Zolang je niet bij de Heer bent, heb je volharding nodig. Mooie voorbeelden heb je in Kaleb (Dt 1:3636Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne: die zal het zien en aan hem zal Ik het land geven dat hij betreden heeft, en aan zijn kinderen, omdat hij erin volhard heeft de HEERE na [te volgen].; Jz 14:8-9,148Maar mijn broeders die met mij opgetrokken waren, deden het hart van het volk smelten; ikzelf echter volhardde [erin] de HEERE, mijn God, na te volgen.9Toen zwoer Mozes op die dag: Het land dat uw voet betreden heeft, zal voor eeuwig voor u en uw kinderen tot erfelijk bezit zijn, omdat u [erin] volhard hebt de HEERE, mijn God, na te volgen.14Daarom werd Hebron voor Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, tot erfelijk bezit tot op deze dag, omdat hij [erin] volhard had de HEERE, de God van Israël, na [te volgen].) en de gelovigen in de begintijd van de gemeente (Hd 2:4242Zij nu bleven volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden.). Om te volharden mag je rekenen op de steun van God, Die de “God van de volharding” wordt genoemd (Rm 15:55Moge nu de God van de volharding en de vertroosting u geven tegenover elkaar eensgezind te zijn in overeenstemming met Christus Jezus,).

De kenmerken van de mens Gods worden afgesloten met “zachtmoedigheid”. Dat geeft de gezindheid aan waarin je moet volharden. Bij alle tegenstand die je ondervindt, bestaat het gevaar dat je bitter of opstandig wordt, of kwaad met kwaad vergeldt. Een mens Gods reageert zoals de Heer Jezus heeft gedaan (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;). Dan sta je niet op je eigen rechten, maar zie je daar ten gunste van anderen juist van af.

V1212Strijd de goede strijd van het geloof; grijp het eeuwige leven, waartoe je geroepen bent en de goede belijdenis hebt afgelegd voor vele getuigen.. Ben je op jacht naar deze eigenschappen, dan ben je goed voorbereid om “de goede strijd van het geloof” te strijden. Zoals gezegd, is het niet mogelijk hier voor God te leven als een mens Gods en daarbij geen tegenstand te ondervinden. Wie als mens Gods leeft, ondervindt onvermijdelijk strijd.

De strijd waarover het hier gaat, is niet zozeer een oorlogsvoering. Zeker heb je te maken met een vijand die voor tegenstand zorgt. Je wordt hier echter niet opgeroepen je op je tegenstander te concentreren, maar op God. Het is hier dan ook niet een strijd of gevecht tegen een vijand, maar de strijd in een wedstrijd, waarbij het erom gaat dat er volgens de regels wordt gestreden. Die regels, in dit geval geestelijke eigenschappen, zijn hiervoor genoemd. Dan is er kracht voor de goede strijd en kan de prijs worden verkregen.

De goede strijd is die van het geloof. Een mens Gods zet zich ervoor in om alles wat het geloof betekent en inhoudt, vast te houden tot het einde van zijn leven op aarde. Als jij een mens Gods wilt zijn, mag niets van de geloofswaarheid je ontglippen. Dat betekent dat je bijbelse begrippen een voluit bijbelse betekenis blijft geven en daar geen andere betekenis aan geeft. Paulus kan aan het einde van zijn leven zeggen dat hij deze strijd heeft gestreden (2Tm 4:77Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.).

Dan ben je ook in staat om het volgende bevel uit te voeren, een bevel dat, als je eraan voldoet, een geweldige zegen oplevert: “Grijp het eeuwige leven.” Dit wordt gezegd tegen iemand die het eeuwige leven al bezit. De opdracht ‘grijp’ is dan ook niet gericht aan een ongelovige, maar aan een gelovige. Er wordt bedoeld dat je geniet van wat je bezit, dat je je erdoor laat leiden, dat je erin en ernaar leeft. Je strekt je uit naar wat je in volheid in de hemel zult genieten. Het eeuwige leven is de Heer Jezus (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Omgang met Hem is het mooiste op aarde en zal in de hemel tot in eeuwigheid volmaakt worden genoten.

Dat is “waartoe je geroepen bent”. Timotheüs heeft de roep van God gehoord bij zijn bekering. Het uiteindelijke doel van die roeping is het volle, ongestoorde genot van het eeuwige leven bij Hem. Van het bezit van het eeuwige leven heeft Timotheüs “de goede belijdenis … afgelegd voor vele getuigen”. Je kunt aan de buitenkant niet aan iemand zien of hij eeuwig leven heeft. Daar hoort een getuigenis bij. Je zou daarbij kunnen denken aan de doop. Dat is een openlijk getuigenis dat je hebt afgerekend met je oude leven en dat je voortaan ‘in nieuwheid van leven’ wilt wandelen (Rm 6:44Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.).

V1313Ik beveel <je> voor God Die alles in leven houdt, en voor Christus Jezus Die voor Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,. De vele getuigen voor wie Timotheüs eens zijn goede belijdenis heeft afgelegd, zijn niet altijd in zijn directe omgeving. Wie wel altijd bij hem zijn en zijn leven gadeslaan, zijn God en de Heer Jezus. Paulus brengt Timotheüs in de eerste plaats in de tegenwoordigheid van God. Hij stelt God voor als Degene “Die alles in leven houdt”. God is de Onderhouder van het leven (1Tm 4:1010want hiertoe arbeiden wij en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, Die een Onderhouder is van alle mensen, het meest van [de] gelovigen.). Hij is ook de Bron van het leven (Ps 36:1010Want bij U is de bron van het leven;
in Uw licht zien wij het licht.
)
. Jij mag je, net als Timotheüs, ervan bewust zijn dat Hij je alles geeft om als Zijn getuige te functioneren. Jij mag getuigenis geven van het ware leven.

Vervolgens brengt Paulus zijn kind in het geloof in de tegenwoordigheid van de Heer Jezus. Ook Hij is ten volle betrokken bij het getuigenis dat Zijn volgelingen afleggen. Hij is daarbij het volmaakte voorbeeld van het betuigen van de goede belijdenis. Dat kun je natuurlijk zeggen van het hele leven van de Heer Jezus. Toch wijst Paulus op een bijzonder moment uit het leven van de Heer om duidelijk te maken waar het bij het betuigen van de goede belijdenis op aankomt. Dat moment is, wanneer Hij voor Pontius Pilatus staat.

Pilatus vraagt Hem of Hij een Koning is. De Heer betuigt dan dat Hij dat inderdaad is. Maar Hij gaat verder. Hij verklaart dat, hoewel Hij een Koning is, Zijn koninkrijk nu niet van deze wereld is (Jh 18:3636Jezus antwoordde: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars hebben gestreden, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; maar nu is Mijn koninkrijk niet van hier.). Dat maakt Hem tot een verworpen Koning.

Dat is nu precies de goede belijdenis die van jou wordt verwacht. Je hoort bij een koninkrijk dat niet van deze wereld is en bij een Koning Die verworpen is. Als je dit vasthoudt en betuigt tegenover de wereld, ben je een waardig volgeling van de Heer Jezus naar wie Hij met welgevallen kijkt.

Lees nog eens 1 Timotheüs 6:11-13.

Verwerking: Hoe leg jij de goede belijdenis af?


Lofprijzing en laatste vermaningen

14dat je dit gebod onbesmet en onberispelijk bewaart tot op de verschijning van onze Heer Jezus Christus, 15Die de gelukkige en enige Heerser, de Koning der koningen en Heer der heren op Zijn eigen tijd zal vertonen, 16Hij Die alleen onsterfelijkheid heeft, Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen. 17Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten, 18om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en mededeelzaam, 19om voor zichzelf een goed fundament weg te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen. 20Timotheüs, bewaar het [jou] toevertrouwde pand, terwijl je je afwendt van het ongoddelijk gezwets en [de] tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis. 21Sommigen zijn, door die te belijden, van het geloof afgedwaald. De genade zij met jullie.

V1414dat je dit gebod onbesmet en onberispelijk bewaart tot op de verschijning van onze Heer Jezus Christus,. Timotheüs moet van Paulus “dit gebod [dat is het gebod om de goede strijd te strijden] onbesmet en onberispelijk” bewaren. Je kunt bij ‘bewaren’ denken aan eraan gehoorzamen (Jh 8:5151Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand Mijn woord bewaart, zal hij [de] dood geenszins aanschouwen tot in eeuwigheid.; 14:2121Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.), maar ook dat het in zijn oorspronkelijke staat wordt vastgehouden. Het mag niet worden besmet door menselijke meningen en moet onvervalst worden doorgegeven.

Dat lijkt een bijna onmogelijke opdracht. Hoe kun je zoiets volhouden? Door je oog te richten “op de verschijning van onze Heer Jezus Christus”. Tot dat moment moet Timotheüs zich, en moet jij je, wijden aan de gegeven opdracht. De Heer Jezus heeft beloofd dat Hij spoedig zal terugkeren, met Zijn loon bij Zich (Op 22:1212Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden zoals zijn werk is.).

Het gaat hier niet om Zijn komst voor de gemeente. Bij die komst past geen loon. Als Hij de gelovigen heeft opgenomen (1Th 4:15-1815(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)), zal Hij daarna met al Zijn heiligen naar de aarde komen (1Th 4:1414Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en opgestaan, evenzeer zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen.). Dan zal Hij op aarde het vrederijk oprichten. Allen die Hem hebben gediend, zal Hij dan belonen naar de mate van de trouw waarmee zij Hem hebben gediend toen Hij nog verworpen was. Is dit geen prachtig motief om door te gaan met de goede strijd?

V1515Die de gelukkige en enige Heerser, de Koning der koningen en Heer der heren op Zijn eigen tijd zal vertonen,. De gedachte aan die geweldige gebeurtenis voert de apostel tot een lofprijzing. Bij die verschijning zal “de gelukkige en enige Heerser” Zich openlijk vertonen. Hij Die Zich, toen Hij op aarde was, als een lam naar de slachtbank liet leiden, zal Zich dan openbaren als Heerser.

Hij is niemand anders dan ‘de gelukkige God’ (1Tm 1:1111volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd.). Hij heeft niets buiten Zichzelf nodig om gelukkig te zijn. Niets kan Zijn eeuwige rust, Zijn volkomen vrede en Zijn diepe geluk verstoren (Jb 35:5-75Kijk naar de hemel en zie,
en aanschouw de wolken, die hoger zijn dan jij.
6Als je zondigt, wat doe je [dan] tegen Hem?
Als je overtredingen talrijk zijn, wat doe je Hem [daarmee] aan?
7Als je rechtvaardig bent, wat geef je Hem [daarmee],
of wat ontvangt Hij uit jouw hand?
)
.

Hij is ook ‘de enige God’, Die Zijn gelijke niet heeft. Niets en niemand staat op gelijke voet met Hem.

Hij Zelf bestuurt en beheerst alles. Daarin heeft Hij niemand nodig. Hij is in alles soeverein. Hij heerst over leven en dood en bestuurt alles naar Zijn welgevallen en wijsheid (Ps 89:11-1311Ú hebt Rahab als een dodelijk gewonde verbrijzeld,
U hebt Uw vijanden verstrooid met Uw sterke arm.
12De hemel is van U, ja, de aarde is van U;
de wereld en al wat ze bevat, die hebt Ú gegrondvest.
13Het noorden en het zuiden, die hebt Ú geschapen,
Tabor en Hermon zingen vrolijk om Uw Naam.
)
. In Hem woont alle macht. Hij is de “Koning der koningen en Heer der heren” (vgl. Op 17:1414Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen – want Hij is Heer van [de] heren en Koning van [de] koningen – en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen.; 19:1616En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.). Onder Zijn universele heerschappij staan ook alle machthebbers van de aarde (1Kr 29:11-1211Van U, HEERE, is de grootheid, de macht, de luister, de kracht en de majesteit. Want alles wat in de hemel en op de aarde is, is [van U]. Van U, HEERE, is het Koninkrijk, en U hebt Zich verheven tot een Hoofd boven alles.12Rijkdom en eer komen van voor Uw aangezicht, en U heerst over alles. In Uw hand is kracht en macht, in Uw hand is het om ieder groot te maken en sterk te maken.).

Het tijdstip waarop de Heer Jezus zal verschijnen, ligt helemaal en alleen in Gods handen (Zc 14:77Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.
; Mt 24:3636Van die dag en dat uur echter weet niemand, ook de engelen van de hemelen niet, <ook de Zoon niet,> behalve de Vader alleen.; Hd 1:77Hij echter zei tot hen: Het komt u niet toe tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht heeft gesteld.)
. Als Hij verschijnt, zal Hij door elk oog worden gezien als Heerser, Koning en Heer (Op 1:77Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen.).

V1616Hij Die alleen onsterfelijkheid heeft, Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.. Er zijn ook niet-waarneembare kenmerken. In zijn lofprijzing roemt Paulus ook de innerlijke grootheid van God. Zo is Hij niet aan de dood onderworpen, Hij kan niet sterven, “Hij” is Degene “Die alleen onsterfelijkheid heeft”. Onsterfelijkheid is meer dan een leven zonder einde. Het is een voor de dood ongrijpbare toestand, een toestand waarop de dood nooit vat krijgt.

Het is ook meer dan alleen niet lichamelijk sterven. Op het moment dat Adam en Eva zondigden, stierven zij niet de lichamelijke dood, maar wel de geestelijke dood. Voor ieder mens die geen leven uit God heeft, geldt dat hij geestelijk dood is (Ef 2:11En u [heeft God opgewekt], toen u dood was in uw overtredingen en zonden,). Wie zich bekeert, krijgt leven uit God en zal bij de komst van de Heer Jezus met onsterfelijkheid bekleed worden (1Ko 15:53-5453Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen.54En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’.). Daardoor is hij voor de dood ongrijpbaar geworden.

God, Die Zichzelf zichtbaar heeft gemaakt in Zijn Zoon (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.; 14:99Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader?), is de God “Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft of zien kan” (vgl. Ex 33:2020Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.; Jh 1:1818Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft [Hem] verklaard.; 1Jh 4:1212Niemand heeft ooit God aanschouwd. Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en Zijn liefde is in ons volmaakt.; Ko 1:1515Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,). Nooit kunnen we iets van God zien buiten de Zoon om. Overal waar God Zich openbaart, doet Hij dat in en door de Zoon.

Diep onder de indruk van de geweldige grootheid en majesteit van God prijst Paulus Hem: “Hem zij eer en eeuwige kracht. Amen.” Paulus spreekt hier geen wens uit, maar verklaart met een plechtig ‘amen’ dat God alle eerbetoon waard is en dat Hij een kracht bezit die nooit vermindert. Al Zijn werken, zowel in de oude als in de nieuwe schepping, zullen Hem eren. Daartoe zal Hij hen door Zijn eeuwige kracht in staat stellen.

V1717Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,. Het zou een prachtig slot van de brief zijn geweest als hij hier was geëindigd. Toch voegt Paulus nog een tweetal vermaningen toe, één voor de rijken (verzen 17-1917Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,18om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en mededeelzaam,19om voor zichzelf een goed fundament weg te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen.) en één voor Timotheüs (verzen 20-2120Timotheüs, bewaar het [jou] toevertrouwde pand, terwijl je je afwendt van het ongoddelijk gezwets en [de] tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis.21Sommigen zijn, door die te belijden, van het geloof afgedwaald. De genade zij met jullie.). Rijkdom op zich is niet verkeerd, wel het rijk willen worden, zoals je hebt gezien. De apostel roept niet op om bezittingen te verkopen en alle geld weg te geven. Wel is het voor een rijke moeilijk om rijk te zijn zonder op die rijkdom te vertrouwen. Als dat gebeurt, gaat hij onafhankelijk van God handelen. En dat is in wezen de hoogmoed waar Timotheüs tegen moet waarschuwen.

De rijke is, net als zijn rijkdom, o zo betrekkelijk (Jk 1:10-1110en de rijke in zijn geringheid, omdat hij als een bloem van [het] gras zal vergaan.11Want de zon gaat op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk gaat verloren; zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.). Aards bezit is vergankelijk en de tijd vliegt voorbij. Rijkdom kan zomaar vervliegen (Sp 23:4-54Mat u niet af om rijk te worden,
gebruik daarvoor uw inzicht niet.
5Laat u uw ogen erover vliegen, dan is het er niet [meer],
want het vliegt direct weg, als een arend die naar de hemel vliegt.
)
. Wie op zijn rijkdom vertrouwt, zal tot een bespotting worden (Ps 52:7-97Maar God zal u voor altijd afbreken;
Hij zal u grijpen en wegrukken uit de tent,
ja, u ontwortelen uit het land van de levenden. /Sela/8De rechtvaardigen zullen het zien en ontzag hebben;
zij zullen om hem lachen [en zeggen]:
9Zie, de man [die] God niet tot zijn kracht maakte,
maar op zijn grote rijkdom vertrouwde;
hij was sterk geworden door zijn schadelijk [handelen].
)
. De rijken moet worden voorgehouden waarop zij hun hoop niet en wel moeten vestigen en waarom. Zij krijgen te horen “hun hoop niet gevestigd te hebben op de onzekerheid van de rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten”.

Je mag genieten van wat God je in overvloed geeft, als je maar bedenkt dat God de Bron van ware vreugde is en dat rijkdom en luxe je die vreugde niet kunnen geven. Het is niet de bedoeling je eraan over te geven en in weelde en genotzucht te leven (Jk 5:55U hebt in weelde en genotzucht geleefd op aarde; u hebt uw harten te goed gedaan op een slachtdag.). Het geld is niet je eigendom, je bent er rentmeester over. God heeft het je gegeven om het voor Hem te beheren.

V1818om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en mededeelzaam,. Daarom biedt rijkdom, ondanks de gevaren die het inhoudt, juist mogelijkheden om God ermee te dienen. Dat zal je geestelijke vreugde en voldoening geven. Je kunt op verschillende manieren met je rijkdom omgaan. Je kunt er goed mee doen aan anderen. Zij zullen er God voor prijzen. Je kunt ook rijk zijn in goede werken. Wat je weggeeft, maakt je in ander opzicht rijker, namelijk in goede werken (Sp 11:2525Een zegenende ziel wordt verzadigd,
en wie te drinken geeft, die zal ook te drinken krijgen.
)
.

Ook kun je “vrijgevig … zijn en mededeelzaam”. Als je ‘vrijgevig’ bent, handel je net zo als God ten opzichte van jou heeft gehandeld. Het moet trouwens wel met overleg gebeuren en niet in het wilde weg. ‘Mededeelzaam’ wil zeggen dat je anderen deel laat hebben aan de materiële dingen die je bezit. Mogen ze bijvoorbeeld je auto wel eens lenen als dat nodig is of ben je bang voor een krasje erop?

V1919om voor zichzelf een goed fundament weg te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen.. Als je zo naar je rijkdom kijkt en ermee omgaat, ben je bezig om voor jezelf “een goed fundament weg te leggen voor de toekomst”. Menselijk geredeneerd ben je kwijt wat je weggeeft. Geestelijk geredeneerd stuur je vooruit wat je weggeeft. Weggeven is de beste vorm van beleggen. Door zo op de toekomst gericht te zijn grijp je op aarde al “het werkelijke leven”. Dit is pas echt leven, als je leeft voor de ander. Dat deed en doet de Heer Jezus en daarin volg jij Hem dan na.

V2020Timotheüs, bewaar het [jou] toevertrouwde pand, terwijl je je afwendt van het ongoddelijk gezwets en [de] tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis.. Het noemen van de naam “Timotheüs” geeft extra nadruk aan de persoonlijke zorg van de apostel voor zijn jonge vriend. Hij bindt Timotheüs op het hart het hem “toevertrouwde pand”, dat is de waarheid zoals die aan hem in deze brief is meegedeeld, te bewaren. Met “ongoddelijk gezwets” moet hij zich niet inlaten. Dat is verspilling van tijd en energie.

Ook moet hij niet ingaan op “tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis”. Paulus doelt hier op gedachtespinsels van mensen die menen dat ze tot een hogere geestelijke klasse behoren en hogere kennis bezitten. Ontwikkeling en intelligentie zijn echter niet de sleutels tot het verstaan van de Schrift, maar een aan Gods Geest onderworpen gezindheid.

V2121Sommigen zijn, door die te belijden, van het geloof afgedwaald. De genade zij met jullie.. Wie het verstand boven de Schrift plaatst, zal zeker van de geloofswaarheid wegdwalen.

Tot slot wenst Paulus Timotheüs en de gelovigen in Efeze, waar Timotheüs is, de genade toe. Alleen als er besef van genade is, kunnen zij te midden van alle gevaren van afwijking bewaard blijven in het genot van de gemeenschap met God en met elkaar. Die genade hebben wij ook dagelijks nodig.

Lees nog eens 1 Timotheüs 6:14-21.

Verwerking: Wat is het aan jou toevertrouwde pand dat jij moet bewaren?