1 Timotheüs
1-6 Verplichtingen tegenover anderen 7-13 Verschillende groepen weduwen 14-19 Jongere weduwen en oudsten 20-25 Zonden, ziekte en zwakheden
Verplichtingen tegenover anderen

1Pak een oudere [man] niet hard aan, maar vermaan hem als een vader, de jongeren als broers; 2de oudere [vrouwen] als moeders; de jongere als zusters, in alle reinheid. 3Eer de weduwen die werkelijk weduwen zijn; 4maar als een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten dezen eerst leren aan hun eigen huis Godsvrucht te tonen en hun voorouders vergelding te doen, want dit is aangenaam tegenover God. 5Wie nu werkelijk weduwe is en alleen staat, heeft haar hoop op God gevestigd en volhardt in de smekingen en de gebeden nacht en dag; 6maar wie in genotzucht leeft, is levend dood.

Inleiding. De vermaningen in de voorgaande verzen betreffen de persoonlijke wandel, zowel die van Timotheüs als die van jou. In dit hoofdstuk wijst de apostel Timotheüs op zijn houding ten opzichte van verschillende groepen personen in de gemeente:
1. in de verzen 1-21Pak een oudere [man] niet hard aan, maar vermaan hem als een vader, de jongeren als broers;2de oudere [vrouwen] als moeders; de jongere als zusters, in alle reinheid. verschillende leeftijdsgroepen;
2. in de verzen 3-163Eer de weduwen die werkelijk weduwen zijn;4maar als een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten dezen eerst leren aan hun eigen huis Godsvrucht te tonen en hun voorouders vergelding te doen, want dit is aangenaam tegenover God.5Wie nu werkelijk weduwe is en alleen staat, heeft haar hoop op God gevestigd en volhardt in de smekingen en de gebeden nacht en dag;6maar wie in genotzucht leeft, is levend dood.7En beveel deze dingen, opdat zij onberispelijk zijn.8Maar als iemand voor de zijnen en vooral voor zijn huisgenoten niet zorgt, heeft hij het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige.9Laat een weduwe worden ingeschreven als zij niet minder dan zestig jaar oud is, de vrouw van één man is [geweest]10[en] getuigenis heeft door haar goede werken: als zij kinderen opgevoed, als zij gastvrijheid bewezen, als zij [de] voeten van heiligen gewassen, als zij aan verdrukten hulp verleend, als zij zich op alle goed werk toegelegd heeft.11Maar wijs jongere weduwen af; want wanneer zij zich in zinnelijkheid tegen Christus keren, willen zij trouwen12en zijn schuldig, omdat zij hun eerste geloof verworpen hebben.13En tevens leren zij ook in ledigheid rond te gaan bij de huizen, en niet alleen in ledigheid, maar ook babbelachtig, bemoeiziek, sprekend wat niet behoort.14Ik wil dan dat jongere [weduwen] trouwen, kinderen krijgen, hun huis besturen, de tegenstander geen enkele aanleiding tot lasteren geven.15Want sommigen hebben zich al afgewend, de satan achterna.16Als een gelovige <man of> vrouw weduwen heeft, laat deze hun hulp verlenen; en laat de gemeente er niet mee belast worden, opdat deze hulp kan verlenen aan hen die werkelijk weduwen zijn. de weduwen;
3. in de verzen 17-2017Laat de oudsten die goed besturen, dubbele eer worden waard geacht, vooral zij die arbeiden in woord en leer;18want de Schrift zegt: ‘Een dorsende os zult u niet muilbanden’, en: ‘De arbeider is zijn loon waard’.19Neem tegen een oudste geen beschuldiging aan, tenzij onder twee of drie getuigen.20Stel hen die zondigen in tegenwoordigheid van allen aan de kaak, opdat ook de overigen vrees hebben. de oudsten.

Het hoofdstuk eindigt in de verzen 21-2521Ik betuig voor God en Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, zonder iets te doen uit partijdigheid.22Leg niemand snel [de] handen op en heb geen gemeenschap met [de] zonden van anderen; houd je rein.23Drink niet langer [alleen] water, maar gebruik een beetje wijn om je maag en je veelvuldige zwakheden.24Van sommige mensen zijn de zonden tevoren openbaar en gaan [hun] voor in het gericht; maar bij anderen volgen zij.25Evenzo zijn ook de goede werken tevoren openbaar en die waarmee het anders is, kunnen niet verborgen blijven. met een aansporing om onpartijdig te zijn en verantwoord om te gaan met anderen en met zijn eigen lichaam.

V11Pak een oudere [man] niet hard aan, maar vermaan hem als een vader, de jongeren als broers;. Net als in een gezin moet ook in het huis van God het onderscheid in leeftijd en geslacht erkend worden. De eerste aanwijzing betreft de “oudere [man]” die vermaning nodig heeft. Soms is het nodig een oudere te vermanen. Ouderdom maakt niet immuun voor fouten. Bij vermaning past voorzichtigheid in de wijze waarop dit gebeurt (Lv 19:3232U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE.).

Een oudere broeder mag niet hard worden aangepakt. ‘Hard aanpakken’ betekent letterlijk ‘slaan’, waarbij je hier kunt denken aan ‘met woorden slaan’. Je mag tegen zo iemand geen harde toon aanslaan. Als een oudere broeder berispt moet worden, moet dat gebeuren met de gevoelens van een zoon ten opzichte van zijn vader. Als jongere broeders meer naar deze aanwijzing zouden handelen, zouden heel wat diepgaande en langdurige conflicten in gemeenten voorkomen zijn.

De tweede categorie waar je mee te maken hebt, zijn je leeftijdsgenoten, “de jongeren”. Als je daar iets opmerkt wat tegen Gods Woord ingaat, moet je hen benaderen met gevoelens van ware broederliefde. Zij maken samen met jou deel uit van de familie van God. In die verhouding past het niet om vanuit de hoogte, als een meerdere, te vermanen (vgl. Jb 33:66Zie, ik ben voor God net als jij;
ook ik ben [maar] uit leem gevormd.
)
.

V22de oudere [vrouwen] als moeders; de jongere als zusters, in alle reinheid.. De derde categorie is die van “de oudere [vrouwen]”. Evenals bij de oudere mannen moeten ook hier de gevoelens van een zoon aanwezig zijn, in dit geval tegenover zijn moeder. Evenals bij de andere groepen gaat het erom dat Timotheüs in zijn gedrag een familiaire genegenheid openbaart en boven alles respect voor de persoon.

De vierde categorie ligt het gevoeligst. Timotheüs moet als jongeman toch wel goed oppassen hoe hij “de jongere” vrouwen benadert als daar iets te corrigeren valt. Dat moet hij doen “als zusters, in alle reinheid”. De broederliefde mag niet ontaarden in vleselijke gevoelens. Hij moet ervoor waken innerlijk rein van gedachten te zijn, zodat hij een volledig oprecht en doorzichtig gedrag zal openbaren. Onreine gedachten, woorden of daden moeten worden vermeden. Als dit woord ter harte was genomen, niet alleen door jongere gelovigen, zouden heel wat drama’s die zich in het pastoraat op dit gebied hebben voorgedaan, niet hebben plaatsgevonden.

V33Eer de weduwen die werkelijk weduwen zijn;. Er volgt een vijfde categorie, “de weduwen”. Paulus brengt hen uitvoerig onder de aandacht. Het woord voor weduwe houdt ‘beroofd’ in, ‘een verlies geleden hebben’. Een ‘werkelijke weduwe’ is iemand die echt alleen is, ‘beroofd’ van haar man. Daardoor is ze in nood komen te verkeren. Ze heeft ook geen familie op wie ze een beroep kan doen.

De Heilige Geest ruimt veel plaats voor de weduwen in (liefst veertien verzen), omdat zij gemakkelijk vergeten worden. Dat was al in het begin van de gemeente het geval (Hd 6:11In die dagen nu, toen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemopper van de Griekssprekende [Joden] tegen de Hebreeën, omdat in de dagelijkse bediening hun weduwen over het hoofd werden gezien.), toen men zelfs alles gemeenschappelijk had en met elkaar alles deelde. Hoeveel te meer moet dan nu de oproep van Jakobus gehoord worden om “wezen en weduwen te bezoeken in hun verdrukking” (Jk 1:2727Reine en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen te bezoeken in hun verdrukking [en] zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren.).

Weduwen en hun kinderen zijn voorwerpen van de bijzondere zorg van God (Ps 68:66Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
; 146:99De HEERE bewaart de vreemdelingen,
Hij houdt wees en weduwe staande,
maar de weg van de goddelozen maakt Hij krom.
)
. Wie zorg aan hen besteedt, kan rekenen op de zegen van God (Dt 14:2929Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit [samen] met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet.; 24:1919Wanneer u de oogst op uw akker hebt binnengehaald, en u bent een schoof op de akker vergeten, dan mag u niet teruggaan om die op te halen. Hij is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in al het werk van uw handen.). Met dat in gedachten moet het niet moeilijk zijn hen te ‘eren’ of te respecteren en hoog te achten. Dit gepaste respect en deze hoogachting zullen tot uiting komen in financiële ondersteuning en in het met dienende en zorgende liefde omringen. Dan heeft het financieel ondersteunen niet de bijgedachte van een aalmoes aan een arme.

In deze zorg voor de weduwe kun je een voorbeeld zien van het functioneren van de gemeente in andere vormen van zorg. Een van de aspecten waaraan je een gemeente naar Gods gedachten kunt herkennen, is de zorg die men besteedt aan hen die zorg nodig hebben. Is er bijvoorbeeld zorg voor hen die het geestelijk moeilijk hebben, voor hen die dreigen te bezwijken voor bepaalde verleidingen, voor gelovigen die moeite hebben met de opvoeding van hun kinderen, voor ouderen?

V44maar als een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten dezen eerst leren aan hun eigen huis Godsvrucht te tonen en hun voorouders vergelding te doen, want dit is aangenaam tegenover God.. Er kan een neiging zijn om je aan zorg te onttrekken, terwijl die zorg duidelijk op je weg ligt. In het geval van de weduwen kunnen er ‘kinderen of kleinkinderen’ zijn. Paulus wijst hen op hun verplichtingen tegenover moeder of grootmoeder als deze weduwe is. Zij moeten “leren aan hun eigen huis Godsvrucht te tonen”. Zo tonen ze hun eerbied voor God, ze handelen naar Zijn wil. Ze mogen zich niet aan die verantwoordelijkheid onttrekken door te beweren dat dit een taak van de overheid of van de gemeente is. De Heer Jezus veroordeelt ook vrome motieven om zich aan deze verplichting te onttrekken scherp (Mt 15:3-63Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten. Hij echter antwoordde en zei tot hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God ter wille van uw overlevering?4Want God heeft gezegd: ‘Eer uw vader en moeder’ en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’.5Maar u zegt: ‘Wie tot zijn vader of moeder zegt: [Het is] een gave, wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, – die zal zijn vader <of zijn moeder> geenszins eren.6En u hebt [zo] het Woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering.).

Wie zijn moeder of grootmoeder bijstaat die weduwe is, doet dit niet alleen omdat de Heer het wil. Het behoort ook te gebeuren uit dankbaarheid voor wat de voorouders voor hen hebben gedaan. Het is een erkenning van de liefde en zorg die de voorouders aan hen hebben besteed. Het woord “vergelding” betekent voldoen aan een verantwoordelijkheid. Het heeft te maken met terugbetalen, iets teruggeven. Als jij in een dergelijke situatie bent, mag je weten dat je door dit te doen “aangenaam tegenover God” bent. Je verblijdt God daarmee. Dat is toch wel een prachtige aansporing.

V55Wie nu werkelijk weduwe is en alleen staat, heeft haar hoop op God gevestigd en volhardt in de smekingen en de gebeden nacht en dag;. Nu verkeert niet iedere weduwe in dezelfde omstandigheden. Je hebt gezien dat er zijn die kinderen en kleinkinderen hebben op wie zij kunnen terugvallen. Maar als dat nu eens niet het geval is, als je van een weduwe moet zeggen dat zij “werkelijk weduwe is en alleen staat”? Door de woorden “en alleen staat” wordt benadrukt dat deze weduwe echt geen mens heeft om op terug te vallen. Ze is permanent alleen en verlaten.

Dan blijft God haar steun en toeverlaat. Terwijl ze geen mens heeft om op terug te vallen, blijft God haar geweldige toevlucht. Zij mag op Hem haar vertrouwen stellen en haar hoop vestigen. Aanhoudend mag ze tot Hem gaan, zonder ophouden Hem naderen en vragen om wat ze nodig heeft. Van zo’n weduwe heb je een prachtig voorbeeld in Anna (Lk 2:36-3836En er was een profetes, Anna, een dochter van Fanuël, uit [de] stam van Aser; deze was op zeer hoge leeftijd gekomen, nadat zij na haar maagdelijke staat zeven jaar met [haar] man had geleefd.37En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.38En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij en loofde God en sprak over Hem tot allen die [de] verlossing van Jeruzalem verwachtten.). Zij was niet bezig met haar eigen nood. Ze was bezig met de nood waarin Gods volk verkeerde.

Denk je niet dat zulke weduwen een zegen zijn voor de gemeente? Zij verwachten niet hun hulp van de gemeente, maar van God. In hun kwetsbare positie van afhankelijkheid voelen ze des te meer, hoezeer ze de omgang met God nodig hebben. “Nacht en dag” wil zeggen zonder dat er iets tussen haar en God in komt. Het toont aan dat zij een ononderbroken gemeenschap met God heeft.

V66maar wie in genotzucht leeft, is levend dood.. Zo’n houding steekt scherp af tegen “wie in genotzucht leeft”. Dan is er geen sprake van op God gericht zijn en alle hulp van Hem verwachten. Die weduwe “is levend dood”. Niet iedere werkelijke weduwe is behoeftig. Er zijn er ook die over ruime middelen beschikken en die gebruiken om “in genotzucht” te leven. Wie zo leeft, mist de zegen van afhankelijk zijn van God. Het geestelijk leven van zo iemand is niet te zien. Ze leeft wel, maar zonder God bij haar leven te betrekken. Je kunt dan zeggen dat ze in feite dood is.

Het leven ‘in weelde en genotzucht’ (Jk 5:55U hebt in weelde en genotzucht geleefd op aarde; u hebt uw harten te goed gedaan op een slachtdag.) ziet op een verkwistende levenswijze. Voor God is geen plaats. Het is de mentaliteit van “laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij” (1Ko 15:3232Als ik, naar [de] mens [gesproken], in Efeze tegen wilde dieren heb gevochten, wat baat het mij? Als er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij.).

Lees nog eens 1 Timotheüs 5:1-6.

Verwerking: Hoe is jouw verhouding ten opzichte van de verschillende groepen die hier zijn genoemd? Zie jij voor jezelf een speciale categorie weggelegd waaraan je zorg zou kunnen besteden?


Verschillende groepen weduwen

7En beveel deze dingen, opdat zij onberispelijk zijn. 8Maar als iemand voor de zijnen en vooral voor zijn huisgenoten niet zorgt, heeft hij het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige. 9Laat een weduwe worden ingeschreven als zij niet minder dan zestig jaar oud is, de vrouw van één man is [geweest] 10[en] getuigenis heeft door haar goede werken: als zij kinderen opgevoed, als zij gastvrijheid bewezen, als zij [de] voeten van heiligen gewassen, als zij aan verdrukten hulp verleend, als zij zich op alle goed werk toegelegd heeft. 11Maar wijs jongere weduwen af; want wanneer zij zich in zinnelijkheid tegen Christus keren, willen zij trouwen 12en zijn schuldig, omdat zij hun eerste geloof verworpen hebben. 13En tevens leren zij ook in ledigheid rond te gaan bij de huizen, en niet alleen in ledigheid, maar ook babbelachtig, bemoeiziek, sprekend wat niet behoort.

V77En beveel deze dingen, opdat zij onberispelijk zijn.. Timotheüs moet de voorgaande aanwijzingen als een bevel aan de gemeente doorgeven. Hij moet het hun inscherpen. Door naar dit bevel te luisteren zal de gemeente in dit opzicht “onberispelijk zijn”. Buitenstaanders zullen dan geen opmerkingen kunnen maken over gebrek aan zorg of iets dergelijks.

V88Maar als iemand voor de zijnen en vooral voor zijn huisgenoten niet zorgt, heeft hij het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige.. Het is schadelijk voor het getuigenis van de gemeente “als iemand voor de zijnen en vooral voor zijn huisgenoten niet zorgt”. Hiermee komt Paulus terug op wat hij in vers 44maar als een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten dezen eerst leren aan hun eigen huis Godsvrucht te tonen en hun voorouders vergelding te doen, want dit is aangenaam tegenover God. heeft gezegd, maar dan nu in negatieve zin. Wie zich niet om zijn moeder of grootmoeder bekommert, geeft geen blijk van eerbied voor Gods waarheid. Zo iemand gaat achteloos voorbij aan wat God in Zijn Woord heeft gezegd. Door een dergelijke houding wordt “het geloof verloochend”. Er kan wel een fraaie belijdenis zijn, maar als de daden het tegendeel bewijzen, is er sprake van verloochening.

In dat geval gedraagt een gelovige zich “erger dan een ongelovige”. Ongelovigen voelen soms beter aan wat passend is ten opzichte van hun ouders en grootouders dan gelovigen. Het is een wangetuigenis als een gelovige nalaat de eenvoudigste en meest voor de hand liggende beginselen van christelijke barmhartigheid in praktijk te brengen tegenover hen die het dichtst bij hem staan.

V99Laat een weduwe worden ingeschreven als zij niet minder dan zestig jaar oud is, de vrouw van één man is [geweest]. Nu gaat Paulus iets zeggen over de zorg die de gemeente heeft voor de weduwen. Weduwen die in aanmerking komen voor ondersteuning, moeten op een lijst worden geschreven. Om op die lijst geplaatst te kunnen worden, moet aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. In de eerste plaats is er een leeftijdsgrens. Een weduwe wordt pas “ingeschreven als zij niet minder dan zestig jaar oud” is. De leeftijd van zestig jaar was in het Romeinse rijk de leeftijd waarop men oud was en niet meer hertrouwde.

Verder zijn er ook enkele voorwaarden die te maken hebben met de tijd dat ze getrouwd was. Ze moet “de vrouw van één man” zijn geweest, wat haar huwelijkstrouw bewijst.

V1010[en] getuigenis heeft door haar goede werken: als zij kinderen opgevoed, als zij gastvrijheid bewezen, als zij [de] voeten van heiligen gewassen, als zij aan verdrukten hulp verleend, als zij zich op alle goed werk toegelegd heeft.. Naast het getuigenis van haar huwelijk moet ze ook getuigenis hebben gegeven “door haar goede werken”. Door deze werken heeft zij de Heer verheerlijkt en van Hem een getuigenis gegeven in de wereld.

Deze goede werken zijn op verschillende wijzen tot uiting gekomen. Zo heeft “zij kinderen opgevoed”. Misschien hoeven we dat niet te beperken tot haar eigen kinderen, maar kan het ook slaan op kinderen in het algemeen, kinderen van anderen die aan haar zorg waren toevertrouwd.

Ze heeft ook “gastvrijheid bewezen”. Dit is een bijzonder kenmerk van de vrouw. Zij zette zich in voor hen die in haar huis kwamen. Het is ook van toepassing op mannen. Het wordt genoemd als een kwaliteit van de opziener (1Tm 3:22De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,). Het behoort zelfs iedere gelovige te kenmerken (Hb 13:22Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen onwetend engelen gehuisvest.; Rm 12:1313Deelt mee voor de behoeften van de heiligen; legt u toe op de gastvrijheid.). Bij een gastvrije ontvangst heeft ze getoond dat het slavenwerk van voeten wassen niet te gering voor haar was. Ze heeft de vermoeide geloofsgenoot verkwikt. In dit werk is zij een trouwe volgeling van de Heer Jezus geweest (Jh 13:1-171Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.2En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op4en legde Zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich.5Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.6Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten?7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen.8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.9Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.11Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.12Toen Hij dan hun voeten gewassen en Zijn kleren genomen had en weer aanlag, zei Hij tot hen: Begrijpt u wat Ik u heb gedaan?13U noemt Mij Meester en Heer, en u zegt het terecht, want Ik ben het.14Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook u elkaars voeten te wassen;15want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u doet zoals Ik u heb gedaan.16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een slaaf is niet groter dan zijn heer, en een gezant niet groter dan hij die hem heeft gezonden.17Als u deze dingen weet, gelukkig bent u als u ze doet.).

Ze heeft ook “aan verdrukten hulp verleend”. Hierin toonde zij haar medelijden en barmhartigheid aan hen die onder een bepaalde druk stonden. Dat kon zijn door de omstandigheden, bijvoorbeeld ziekte of werkeloosheid, of door tegenstand van mensen (vijandschap om het geloof). Veel gelovigen waren hun bezittingen kwijtgeraakt (Hb 10:3434Want u hebt ook mee geleden met de gevangenen en de roof van uw bezittingen met blijdschap aanvaard, daar u wist dat uzelf een beter en blijvend bezit hebt.) en hadden in hun nood hulp nodig. Deze weduwen hebben die hulp verleend.

Paulus sluit de opsomming van goede werken af met “als zij zich op alle goed werk toegelegd heeft” als een samenvatting van alle overige werk. Het goede werk hier kun je ook omschrijven als weldadigheid. Het is elk werk waarin de wens om anderen goed te doen tot uitdrukking komt. Zich daarop toeleggen geeft haar gezindheid en instelling aan. Hoewel het dus gaat om weduwen, is dit toch wel een gezindheid en instelling waar we allemaal naar mogen verlangen om zo dienstbaar te zijn.

V1111Maar wijs jongere weduwen af; want wanneer zij zich in zinnelijkheid tegen Christus keren, willen zij trouwen. Bij een goede regeling, zoals deze voor de weduwen van zestig jaar en ouder, bestaat altijd het gevaar van misbruik. Er waren in de dagen van Paulus ook weduwen die meenden voor ondersteuning in aanmerking te komen, maar die moesten worden afgewezen. Het betreft de “jongere weduwen”.

Paulus motiveert zijn afwijzing. Deze weduwen worden niet persoonlijk afgewezen, maar alleen hun verzoek om op de genoemde lijst geplaatst te worden. Financiële onafhankelijkheid kan tot gevolg hebben dat de jonge weduwen hun afhankelijkheid van God vergeten. Dat zou hen voeren tot een houding en gedrag die nader worden beschreven.

Het gevaar bestaat namelijk dat zij zich bij inschrijving “in zinnelijkheid tegen Christus keren”. Dit geldt niet algemeen, maar er zou zich een verkeerde geest van hen meester kunnen maken.

Het woord ‘zinnelijk’ is de vertaling van een woord waarbij gedacht wordt aan zowel comfort en weelde als seksuele bevrediging. Een nieuwe man zou dit soort leven dat zij wensten mogelijk maken. Dat leven doet echter in niets meer denken aan het leven dat zij kennelijk eerst hadden geleid (vers 1212en zijn schuldig, omdat zij hun eerste geloof verworpen hebben.). Het is leven op een ik-gerichte manier, wat betekent dat zij zich tegen Christus keren. Zulke weduwen moest Timotheüs afwijzen, want hun eigen wil stond centraal.

De wens om te trouwen is niet verkeerd. Even verderop staat zelfs dat jonge weduwen moeten trouwen (vers 1414Ik wil dan dat jongere [weduwen] trouwen, kinderen krijgen, hun huis besturen, de tegenstander geen enkele aanleiding tot lasteren geven.). Maar Paulus spreekt hier over verkeerde motieven die aan die wens ten grondslag liggen. Het wegnemen van de man is een spreken van God. Hij heeft iets te zeggen.

V1212en zijn schuldig, omdat zij hun eerste geloof verworpen hebben.. Al Zijn handelen heeft een doel. Jonge weduwen kunnen dat vergeten. Dan “willen zij trouwen en zijn schuldig” omdat zij aan vleselijke verlangens gehoor geven. Door dit gedrag laten ze zien dat zij “hun eerste geloof verworpen hebben”. Toen ze nog getrouwd waren en ook de eerste tijd dat ze weduwe waren, toonden deze vrouwen Godsvertrouwen. Nu willen ze echter in onafhankelijkheid van God hun eigen weg bepalen.

V1313En tevens leren zij ook in ledigheid rond te gaan bij de huizen, en niet alleen in ledigheid, maar ook babbelachtig, bemoeiziek, sprekend wat niet behoort.. Een ander gevaar van financiële onafhankelijkheid is dat ze niet hoeven te werken en daardoor over veel vrije tijd beschikken Wie niet langer leeft in vertrouwen op God, brengt haar tijd op een verkeerde manier door. In plaats van in haar eigen huis haar taak te verrichten verzuimt ze haar werk en gaat zij onrust en onheil stichten in andere gezinnen. Ze leert zichzelf daarmee een verkeerd gedrag aan en wordt een ‘professionele leegloper’.

En niet alleen haar aanwezigheid brengt onrust mee, ze praat ook veel. Haar gepraat is onzin en heeft een lasterend karakter. Ze bemoeit zich ongevraagd met andermans zaken die haar niets aangaan (2Th 3:1111Want wij horen dat sommigen onder u ongeregeld wandelen door niet te werken, maar zich met andere zaken te bemoeien.) en houdt anderen van hun werk. Wie op deze onzinnige manier druk bezig is met anderen, verwaarloost altijd de eigen verantwoordelijkheden. De wereld neemt dat waar en zal zo iemand bespotten (1Pt 4:1515Maar laat niemand van u lijden als moordenaar, dief, boosdoener of als bemoeial.).

Lees nog eens 1 Timotheüs 5:7-13.

Verwerking: Ga eens na welke aanwijzingen, die in de eerste plaats voor weduwen gelden, ook voor jou kunnen gelden.


Jongere weduwen en oudsten

14Ik wil dan dat jongere [weduwen] trouwen, kinderen krijgen, hun huis besturen, de tegenstander geen enkele aanleiding tot lasteren geven. 15Want sommigen hebben zich al afgewend, de satan achterna. 16Als een gelovige <man of> vrouw weduwen heeft, laat deze hun hulp verlenen; en laat de gemeente er niet mee belast worden, opdat deze hulp kan verlenen aan hen die werkelijk weduwen zijn. 17Laat de oudsten die goed besturen, dubbele eer worden waard geacht, vooral zij die arbeiden in woord en leer; 18want de Schrift zegt: ‘Een dorsende os zult u niet muilbanden’, en: ‘De arbeider is zijn loon waard’. 19Neem tegen een oudste geen beschuldiging aan, tenzij onder twee of drie getuigen.

V1414Ik wil dan dat jongere [weduwen] trouwen, kinderen krijgen, hun huis besturen, de tegenstander geen enkele aanleiding tot lasteren geven.. Na zijn opmerkingen over het afwijzen van jongere weduwen biedt Paulus een alternatief: “Ik wil dat jongere weduwen trouwen.” Deze alternatieve weg wordt niet alleen toegestaan, hij wordt aanbevolen. Zie ook 1 Korinthiërs 7, waar onder andere staat dat het de meeste mensen niet gegeven is om alleen te blijven, zoals Paulus (1Ko 7:1-9,25-281Wat nu de dingen aangaat waarover u geschreven hebt: Het is goed voor een mens geen vrouw aan te raken.2Maar laat vanwege de hoererijen ieder zijn eigen vrouw hebben en laat iedere [vrouw] haar eigen man hebben.3Laat de man voldoen wat verschuldigd is aan de vrouw, en evenzo ook de vrouw aan de man.4De vrouw heeft geen gezag over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo heeft ook de man geen gezag over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.5Onttrekt u niet aan elkaar, tenzij dan met onderling goedvinden, voor een tijd, opdat u zich aan het gebed wijdt en [daarna] weer samen bent, opdat de satan u niet verzoekt, omdat u zich niet kunt onthouden.6Maar dit zeg ik als toelating, niet als bevel;7ik zou echter willen dat alle mensen waren zoals ook ikzelf; maar ieder heeft zijn eigen genadegave van God, die een deze, de ander die.8Maar tegen de ongetrouwden en de weduwen zeg ik: Het is goed voor hen, als zij blijven zoals ook ik.9Maar als zij zich niet kunnen onthouden, laten zij trouwen; want het is beter te trouwen dan [van begeerte] te branden.25Aangaande de maagden nu heb ik geen bevel van [de] Heer; maar ik geef mijn mening als iemand die barmhartigheid van [de] Heer gekregen heeft om trouw te zijn.26Ik denk dan, dat het goed is, om de tegenwoordige nood, – dat het goed voor een mens is zo te blijven.27Bent u aan een vrouw verbonden, zoek geen losmaking; bent u los van een vrouw, zoek geen vrouw.28Maar ook al trouwt u, u zondigt niet; en al trouwt de maagd, zij zondigt niet. Maar zulke [personen] zullen verdrukking hebben in het vlees, en die wil ik u besparen.). Zo is ook de jonge weduwe vrij om te trouwen, mits in de Heer (1Ko 7:3939Een vrouw is verbonden zolang haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, mits in [de] Heer.).

Hertrouwen betekent ook een aanvaarden van het normale gevolg van een huwelijk en dat is “kinderen krijgen”. Een ander gevolg is dat de hertrouwde jonge weduwe in plaats van in ledigheid rond te gaan, ‘haar huis bestuurt’. Zeker als ze kinderen heeft, zal ze thuis genoeg te doen hebben. Voor het besturen van het huis is de vader wel hoofdverantwoordelijk, maar de praktische uitvoering ligt toch in de handen van de moeder. Hier geeft het Woord van God een voorbeeld van de belangrijke positie die vrouwen door het evangelie hebben gekregen: geen slaaf van de man, maar gelijkwaardig.

Als zij trouw is in haar eigen huis, zal er voor de tegenstander geen aanknopingspunt zijn om het huis van God te lasteren. Het woord “aanleiding” wordt in het leger gebruikt om een basis aan te duiden vanwaar een aanval wordt uitgevoerd. Helaas lukt het de tegenstander vaak om in christelijke huwelijken en gezinnen zo’n basis te krijgen.

V1515Want sommigen hebben zich al afgewend, de satan achterna.. Paulus blijkt bekend te zijn met de omstandigheden en de afzonderlijke personen van de gemeente in Efeze. Hij moet constateren dat enkelen van de weg van het geloof zijn afgeweken en de weg van de satan zijn opgegaan. Voor hen komt zijn raad te laat, maar hopelijk voor anderen op tijd.

V1616Als een gelovige <man of> vrouw weduwen heeft, laat deze hun hulp verlenen; en laat de gemeente er niet mee belast worden, opdat deze hulp kan verlenen aan hen die werkelijk weduwen zijn.. Hij komt er nog eens op terug dat de gemeente slechts in uitzonderlijke gevallen voor weduwen moet zorgen. De zorgplicht ligt niet alleen bij kinderen en kleinkinderen (vers 44maar als een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten dezen eerst leren aan hun eigen huis Godsvrucht te tonen en hun voorouders vergelding te doen, want dit is aangenaam tegenover God.), maar ook bij andere familieleden, zoals een broer of zus van de weduwe, of haar ouders. Met de duidelijke opdracht “laat deze hun hulp verlenen”, wijst Paulus op de verantwoordelijkheid van naaste familieleden.

Het blijkt nodig te zijn, ook voor ons, hierop te wijzen, omdat er altijd de neiging is om de verantwoordelijkheid af te schuiven op anderen. Maar het geloof ontslaat geen mens van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Als anderen ‘eerste hulp’ kunnen verlenen, moet de gemeente ”er niet mee belast worden”. De gemeente moet alleen in actie hoeven te komen in gevallen dat er geen anderen, eerst verantwoordelijken, zijn. Dan heeft zij de handen vrij om hulp te verlenen “aan hen die werkelijk weduwen zijn”.

V1717Laat de oudsten die goed besturen, dubbele eer worden waard geacht, vooral zij die arbeiden in woord en leer;. Na deze uitvoerige aanwijzingen voor Timotheüs hoe hij in de gemeente met weduwen moet omgaan, heeft Paulus nog enkele aanwijzingen met betrekking tot oudsten (of opzieners; zie verklaring bij 1Tm 3:22De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,). Oudsten besturen plaatselijke gemeenten (1Tm 3:55– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –), zij weiden de kudde van God en waken over de leer (1Pt 5:22hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;; Hd 20:28-3128Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].29Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.31Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.).

Er moet achting zijn voor hun werk (vgl. 1Th 5:1313en hen zeer hoog te achten in liefde om hun werk. Houdt vrede onder elkaar.; Hb 13:1717Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.; 1Ko 16:1616weest ook u aan zulke [personen] onderdanig, en aan ieder die meewerkt en arbeidt.). Timotheüs moet de gemeente erop wijzen dat oudsten zelfs “dubbele eer” waard geacht moeten worden. Dat heeft te maken met de bijzondere verantwoordelijkheid die hun werk met zich meebrengt. Het feit dat deze aansporing nodig is, lijkt erop te wijzen dat men zich ook toen al niet veel van de oudsten aantrok.

Iedere oudste moet zoveel kennis van de Schrift hebben, dat hij daarmee kan vermanen en terechtwijzen (1Tm 3:22De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,; Tt 1:99vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen.). Dat betekent niet dat iedere oudste daarin ook een arbeid heeft. Zijn eerste taak is besturen, de orde in Gods huis handhaven.

Er zijn echter ook oudsten die Gods Woord prediken en uitleggen. Zoiets gaat niet vanzelf. Prediking en uitleg betekenen voorbereidend werk. In het werk zelf is voortdurende afhankelijkheid van de Heer nodig. Ook de nazorg die een dergelijk werk met zich meebrengt, vraagt inspanning. Daarom is er sprake van “arbeiden”, dat wil zeggen, zwaar werk verrichten, tot aan de rand van uitputting. Zo zwaar kan geestelijke activiteit zijn.

V1818want de Schrift zegt: ‘Een dorsende os zult u niet muilbanden’, en: ‘De arbeider is zijn loon waard’.. De eer die “vooral” zij, die zo arbeiden, behoren te krijgen, kan tot uiting komen in de financiële ondersteuning door de gemeente. Om deze aanbeveling kracht bij te zetten haalt Paulus twee uitspraken van de Schrift aan. Door te stellen “de Schrift zegt”, onderstreept hij dat het spreken van God en van de Schrift hetzelfde gezag hebben.

De eerste aanhaling is Deuteronomium 25 (Dt 25:44Een rund mag u niet muilkorven als hij aan het dorsen is.). Paulus heeft dit vers al eerder aangehaald en wel in 1 Korinthiërs 9 (1Ko 9:9-109Want in de wet van Mozes staat geschreven: ‘U zult een dorsende os niet muilbanden’. Zorgt God voor de ossen?10Of zegt hij dit eigenlijk ter wille van ons? Want ter wille van ons is dit geschreven, dat de ploeger op hoop moet ploegen, en de dorser op hoop zijn deel te ontvangen.; vgl. Gl 6:66En laat hij die in het Woord wordt onderwezen, hem die onderwijst van alle goede dingen meedelen.). God heeft bepaald: Een dorsende os zult u niet muilbanden.” Dat spreekt van Gods zorg voor de ossen. Een dorsende os mag eten van het koren terwijl hij dat aan het dorsen is. Toch heeft God dit voorschrift niet in de eerste plaats gegeven voor de ossen, maar voor Zijn dienaars. Deze toepassing van een vers uit het Oude Testament is volkomen geoorloofd, zoals ook blijkt uit 1 Korinthiërs 10 en Romeinen 15 (1Ko 10:1111<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.; Rm 15:44Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben.).

Tegenover de Korinthiërs haalt Paulus dit vers aan om het recht op ondersteuning dat hij van hen heeft, naar voren te brengen. Hij doet dat niet om er zelf gebruik van te maken. Zelf ziet hij af van dat recht omdat hij zijn werk in het evangelie op geen enkele manier met geld wil verbinden. Daarom is het des te opmerkelijker en ook mooi om hier te zien hoe hij dit vers gebruikt voor anderen. Dit is best een les voor ons. Waar je voor jezelf van afziet, kun je toch van harte aan anderen gunnen.

De tweede aanhaling is een woord van de Heer Jezus. Toen Hij de zeventig uitzond, zei Hij tegen hen dat zij, wat zij kregen, niet als aalmoes hoefden aan te nemen, maar als loon voor hun werk, want “de arbeider is zijn loon waard” (Lk 10:77En blijft in datzelfde huis en eet en drinkt wat men er heeft, want de arbeider is zijn loon waard. Trekt niet van huis tot huis.). Ze mochten zich van harte toevertrouwen aan de Messias en aannemen wat hun aangeboden werd. Als ware arbeiders voor de Heer hadden ze daar namens Hem recht op.

Overigens blijkt door de woorden “de Schrift zegt”, gevolgd door een aanhaling uit het evangelie naar Lukas, dat dit evangelie al moet hebben bestaan. Het moet ook door de gelovigen als een deel van de Heilige Schrift zijn aanvaard. Je ziet ook dat de ene aanhaling uit het Oude Testament komt en de andere aanhaling uit het Nieuwe Testament. Dat bewijst de eenheid van beide Testamenten als beide volmaakt door Gods Geest geïnspireerd (vgl. 2Pt 3:1616evenals ook in alle brieven, waarin hij over deze dingen spreekt, waarin sommige dingen moeilijk te begrijpen zijn, die de onwetenden en onstandvastigen verdraaien, zoals ook de overige Schriften, tot hun eigen verderf.).

V1919Neem tegen een oudste geen beschuldiging aan, tenzij onder twee of drie getuigen.. Ook een oudste kan falen, zondigen. De gevolgen van een misstap van een leidinggevende broeder zijn hoogst ernstig. Zo iemand neemt door zijn vooraanstaande plaats de meest kwetsbare plek in de gemeente in. De vijand zal het speciaal op hem hebben gemunt. Als er dan ook een beschuldiging aan het adres van een oudste wordt geuit, mag daar niet op worden ingegaan, “tenzij onder twee of drie getuigen”.

Als een oudste van een bepaalde zonde wordt beschuldigd, moet die beschuldiging nauwkeurig worden onderzocht (Dt 13:1414dan moet u het onderzoeken, grondig uitzoeken en goed navragen. En zie, is het de waarheid, staat de zaak vast, is zo'n gruwelijke daad in uw midden gedaan,) en met grote voorzichtigheid worden behandeld. Er moeten minstens twee en liefst drie getuigen zijn van een eventuele zonde die door een oudste is begaan (Dt 19:1515Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men [ook] zou kunnen doen. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast.; Mt 18:1616als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.; 2Ko 13:11Dit is [de] derde keer dat ik naar u toe kom: in [de] mond van twee of drie getuigen zal elke zaak vaststaan.). De gemeente mag niet afgaan op geruchten. De gemeente houdt zich niet bezig met een gerucht, maar met een concrete zonde.

Deze aanwijzing is belangrijk. Het gevaar is reëel dat iemand die door een oudste is vermaand, maar zich niet laat gezeggen, die oudste in een kwaad daglicht zal willen stellen. Je hoort dan opmerkingen als ‘een verkeerde benadering’ en ‘liefdeloos optreden’. Ook worden suggestieve uitspraken gedaan, bijvoorbeeld dat de oudste zelf ook stiekem wel een bepaalde zonde zal koesteren. Al dergelijke lasterpraat over voorgangers is een beproefd middel van de satan. Het doet snel de ronde en richt enorme schade aan. Het is belangrijk je daar ver vandaan te houden.

Hoe er wel moet worden gehandeld met een oudste die zondigt, komt in het volgende stukje aan de orde.

Lees nog eens 1 Timotheüs 5:14-19.

Verwerking: Op welke wijze kun jij deelhebben aan het hulp verlenen aan weduwen en hoe kun jij oudsten eren?


Zonden, ziekte en zwakheden

20Stel hen die zondigen in tegenwoordigheid van allen aan de kaak, opdat ook de overigen vrees hebben. 21Ik betuig voor God en Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, zonder iets te doen uit partijdigheid. 22Leg niemand snel [de] handen op en heb geen gemeenschap met [de] zonden van anderen; houd je rein. 23Drink niet langer [alleen] water, maar gebruik een beetje wijn om je maag en je veelvuldige zwakheden. 24Van sommige mensen zijn de zonden tevoren openbaar en gaan [hun] voor in het gericht; maar bij anderen volgen zij. 25Evenzo zijn ook de goede werken tevoren openbaar en die waarmee het anders is, kunnen niet verborgen blijven.

V2020Stel hen die zondigen in tegenwoordigheid van allen aan de kaak, opdat ook de overigen vrees hebben.. Als duidelijk is gebleken dat een oudste heeft gezondigd, moet hij openlijk worden bestraft. Een voorbeeld hiervan is wat Paulus doet met Petrus (Gl 2:1111Maar toen Kefas in Antiochië kwam, weerstond ik hem in zijn gezicht, omdat hij te veroordelen was.). ‘Aan de kaak stellen’ wil zeggen dat de zonde moet worden blootgelegd en daardoor overtuigend zijn bewezen. Zo zal er niets tegen in te brengen zijn.

Het slechte voorbeeld van een leider zal anderen ertoe kunnen verleiden het ook niet zo nauw met de zonde te nemen. Daarom moet in dit geval een openlijke bestraffing plaatsvinden. Het gevolg is dat “ook de overigen vrees hebben” (vgl. 2Pt 2:66en als Hij [de] steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en <tot omkering> veroordeeld, en ze tot een voorbeeld gesteld heeft voor hen die goddeloos zouden leven;). Van een openlijke bestraffing gaat een preventieve werking uit naar ‘de overigen’.

Het is niet helemaal duidelijk wie met “de overigen” worden bedoeld. Zijn dat alleen de medeoudsten, of omvat het allen die de plaatselijke gemeente vormen? Ik ben geneigd te denken aan de hele plaatselijke gemeente. Het lijkt me dat een ‘openlijke’ bestraffing inhoudt dat deze gebeurt in tegenwoordigheid van de hele gemeente. Te spreken van een ‘openlijke’ bestraffing als die alleen in de kring van oudsten zou gebeuren, lijkt me niet voor de hand liggend.

V2121Ik betuig voor God en Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, zonder iets te doen uit partijdigheid.. Door de woorden “ik betuig”, legt Paulus grote nadruk op zijn woorden. Dit wordt nog onderstreept door de drie getuigen die hij bij deze zaak betrekt. Zij zijn, hoewel onzichtbaar, altijd aanwezig bij alles wat er in en door de gemeente gebeurt. De gemeente is het huis van “God”, “Christus Jezus” is daar het middelpunt en “de uitverkoren engelen” zijn toeschouwers van ons als leden van de gemeente (1Ko 11:1010Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen.; Ef 3:1010opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse [gewesten] door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekendgemaakt wordt,).

De Goddelijke Bewoners van de hemel – God en Christus Jezus – en ook schepselen die ervoor bewaard zijn gebleven tegen God in opstand te komen – de uitverkoren engelen –, zien voortdurend toe hoe jij je gedraagt in Gods huis. In de wereld wordt met Gods rechten op geen enkele manier rekening gehouden. Dat behoort in Gods huis wel zo te zijn. De zonde die daar bewijsbaar plaatsvindt, moet in overeenstemming met Gods heiligheid door de gemeente worden behandeld en geoordeeld.

Bij het uitoefenen van deze noodzakelijke tucht waarschuwt Paulus voor twee gevaren. Die gevaren zijn ook vandaag groot. Het ene gevaar is “vooroordeel”, het andere gevaar is “partijdigheid”. De verleiding bestaat om kwaad van voorgangers door de vingers te zien als men nadeel zou kunnen ondervinden wanneer men erop zou wijzen. Als je bij een invloedrijke voorganger in de gunst staat, wil je die gunst graag niet kwijtraken. Uit de gunst raken mag dan ook nooit een rol spelen bij het bepalen van wat zonde is.

Ook voorliefde voor een oudste kan een verhindering zijn om de zonde van de oudste bij de naam te noemen. Er is dan geen sprake meer van onpartijdigheid. Als iemand veel voor je heeft betekend, is het moeilijk om “zonder … partijdigheid” te handelen. Je voorkeur bepaalt te veel je beoordeling. Denk eraan dat God ‘geen partijdigheid kent’ (Dt 10:1717Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,) en zonder aanzien des persoons handelt (Gl 2:66Maar van hen die geacht werden iets te zijn – wat zij ook ooit waren, doet er voor mij niets toe: God neemt [de] persoon van [de] mens niet aan, – want zij die in aanzien waren, hebben mij [verder] niets meegedeeld;; Ko 3:2525Want wie onrecht doet, zal het onrecht dat hij gedaan heeft, terugontvangen; en er is geen aanzien des persoons.).

V2222Leg niemand snel [de] handen op en heb geen gemeenschap met [de] zonden van anderen; houd je rein.. Als een zonde is bewezen, heeft de hele plaatselijke gemeente daar mee te maken. Maar niet altijd is een zonde zo duidelijk aanwezig en bewijsbaar. Het geval kan zich voordoen dat iemand voorgeeft een dienst voor de Heer te doen, terwijl hij in zijn leven zonden laat bestaan, zonder dat die openlijk herkenbaar zijn. Paulus wijst Timotheüs erop dat hij daar rekening mee moet houden. Daarom maant hij hem tot voorzichtigheid met de waarschuwing: “Leg niemand snel de handen op.”

Handoplegging betekent zich een maken met. Bij de offerdienst in Israël heeft handoplegging een belangrijke plaats. Als de offeraar zijn hand op een brandoffer legt (Lv 1:44Daarna moet hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen, zodat het hem ten goede zal komen door verzoening voor hem te bewerken.), gaat daardoor als het ware de hele waarde die het brandoffer voor God heeft, op hem over. In het brandoffer is hij daardoor welgevallig voor God. Bij het brengen van een zondoffer is het omgekeerde het geval. Door zijn hand te leggen op het zondoffer (Lv 4:44Dan moet hij de jonge stier bij de ingang van de tent van ontmoeting voor het aangezicht van de HEERE brengen, zijn hand op de kop van de jonge stier leggen en de jonge stier slachten voor het aangezicht van de HEERE.) gaat zijn zonde als het ware over op het zondoffer dat daarna in zijn plaats wordt geslacht. God oordeelt het offer en de zondaar kan vrijuit gaan.

Voordat Timotheüs zich door handoplegging met de dienst van een ander een maakt, moet hij ervan overtuigd zijn dat zo iemand werkelijk een dienst van de Heer heeft ontvangen. Volgens Handelingen 13 (Hd 13:33Toen vastten en baden zij, legden hun de handen op en lieten hen gaan.) is het goed om aan de handoplegging een periode van gebed en vasten vooraf te laten gaan (Hd 6:66die zij voor de apostelen stelden; en na gebeden te hebben legden zij hun de handen op.).

Door een te snelle erkenning dat iemand een dienst voor de Heer verricht, loopt Timotheüs het gevaar zich een te maken met zonden. Dat is het geval als blijkt dat iemand alleen eigenwillig bezig is en de Heer slechts in naam dient. Door zo iemand de handen op te leggen wordt die persoon in een verkeerde weg gestimuleerd en wie hem de handen oplegt, volgt hem op die weg. Daardoor heeft hij gemeenschap met zijn zonden.

Hier wordt duidelijk dat directe verbinding met kwaad verontreinigt. Door voorzichtig te zijn met zich een te maken met een ander bewaart Timotheüs zichzelf in reinheid. De oproep “houd je rein”, geldt ook in algemene zin (2Ko 7:11Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest, en [de] heiligheid volbrengen in [de] vrees van God.). Je kunt alleen rein blijven, als je God vreest. Dan maakt Hij je Zijn wil bekend in al die gevallen waarin je eraan twijfelt of je je daaraan kunt verbinden of daaraan kunt meewerken (Ps 25:1414Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen, /samech/
Zijn verbond maakt Hij hun bekend.
)
.

V2323Drink niet langer [alleen] water, maar gebruik een beetje wijn om je maag en je veelvuldige zwakheden.. Zoals je weet, is Timotheüs een bescheiden, wat verlegen man. Hij is iemand die nauwgezet leeft en een nauw geweten heeft. Paulus’ aansporing om voorzichtig te zijn bij handoplegging zal zeker hebben aangesloten bij zijn voorzichtige levensstijl. Ik denk dat we in dit verband het advies van Paulus met betrekking tot de gezondheid van Timotheüs moeten plaatsen.

Timotheüs zal alles gedaan hebben om te voorkomen dat Gods werk door hem zou worden verhinderd. Hij wilde alles vermijden waaraan anderen aanstoot zouden kunnen nemen (Rm 14:2121Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, of [iets te doen] waardoor uw broeder struikelt <of ten val gebracht wordt of waarin hij zwak is>.). Zo zal hij geen druppel wijn hebben willen drinken. En waarschuwt Gods Woord niet vaak voor het misbruik van dit genotmiddel? Toch is wijn geen verboden drank. Van belang is de reden van gebruik. Nu heeft Timotheüs een maagprobleem en ook nog enkele andere lichamelijke zwakheden. Met het oog daarop beveelt Paulus hem aan een beetje wijn te gebruiken.

Paulus gebruikt hier dus niet zijn gave van genezing (Hd 28:8-98Het gebeurde nu, dat de vader van Publius door koorts en ingewandsziekte bevangen op bed lag; Paulus ging naar hem toe, en na te hebben gebeden legde hij hem de handen op en maakte hem gezond.9Toen nu dit was gebeurd, kwamen ook de overigen op het eiland die ziekten hadden naar hem toe en werden genezen;), maar beveelt hem aan wat wijn als medicijn te gebruiken. Er is geen sprake van een demon die de maag van Timotheüs teistert. Je ziet dat ziekte en lichamelijke zwakheid niet veroorzaakt hoeven te worden door een demon van ziekte die zou moeten worden uitgedreven. Hier zie je ook dat het gebruik van medicijnen geen teken van ongeloof is.

Het is nog wel belangrijk op te merken dat het gaat om een “beetje” wijn. Bovenmatig gebruik is uit de boze. Zoals gezegd, is gebruik van wijn toegestaan (Jh 2:1-111En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galiléa; en de moeder van Jezus was daar.2Jezus nu was ook op de bruiloft genodigd, alsook Zijn discipelen.3En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.4<En> Jezus zei tot haar: Wat heb Ik met u te doen, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen.5Zijn moeder zei tot de dienstknechten: Wat Hij u ook zegt, doet dat.6Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet, volgens het reinigingsgebruik van de Joden, elk met een inhoud van twee of drie metréten.7Jezus zei tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.8En Hij zei tot hen: Schept nu en brengt het naar de ceremoniemeester; en zij brachten het.9Toen nu de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet vanwaar die was, maar de dienstknechten die het water geschept hadden, wisten het), riep de ceremoniemeester de bruidegom en zei tot hem:10Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men veel gedronken heeft, de mindere; u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. –11Dit deed Jezus als begin van Zijn tekenen in Kana in Galiléa en openbaarde Zijn heerlijkheid; en Zijn discipelen geloofden in Hem.; 1Ko 10:1616De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?). Het is het symbool van vreugde (Ps 104:1515wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. Je mag dus best wat wijn gebruiken, als het maar niet dient om even alle ellende te vergeten, zoals de wereld doet (vgl. Sp 31:77Laat hem drinken en zijn armoede vergeten,
en niet langer aan zijn moeite denken.
)
.

V2424Van sommige mensen zijn de zonden tevoren openbaar en gaan [hun] voor in het gericht; maar bij anderen volgen zij.. Na de tussenzin over de gezondheid van Timotheüs en het advies daarvoor gaat Paulus in vers 2424Van sommige mensen zijn de zonden tevoren openbaar en gaan [hun] voor in het gericht; maar bij anderen volgen zij. weer verder met zijn onderwerp van vers 2222Leg niemand snel [de] handen op en heb geen gemeenschap met [de] zonden van anderen; houd je rein.. Hij wijst erop dat “van sommige mensen de zonden tevoren openbaar zijn”. Voordat het leven van zulke mensen voor de rechterstoel van Christus openbaar wordt (2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.), is op aarde al duidelijk geworden dat zij in zonde hebben geleefd. Hun zonden “gaan [hun] voor in het gericht”. In die gevallen liggen de zonden er dik bovenop en zal het niet moeilijk zijn ermee te handelen.

Er zijn ook mensen van wie het niet direct duidelijk is dat zij in zonde leven. Toch komt er, na hun leven waarin de zonde verborgen bleef, een moment dat alles openbaar wordt in het licht van de rechterstoel. Hun zonden volgen hen in het gericht.

V2525Evenzo zijn ook de goede werken tevoren openbaar en die waarmee het anders is, kunnen niet verborgen blijven.. Wat geldt voor de zonden, geldt “evenzo” voor “de goede werken”. Ook daarvan blijft niets verborgen. Er zijn goede werken die we als zodanig op aarde al herkennen (Mt 5:1616Laat zo uw licht schijnen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader Die in de hemelen is, verheerlijken.), zoals bij Dorkas (Hd 9:36,3936Nu was er te Joppe een discipelin, genaamd Tabitha, wat vertaald wil zeggen: Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en weldaden die zij deed.39En Petrus stond op en ging met hen mee; en toen hij was aangekomen, brachten zij hem naar de bovenzaal. En al de weduwen stonden wenend bij hem en toonden de onderklederen en mantels die Dorkas had gemaakt toen zij bij hen was.). Er zijn ook goede werken die onopgemerkt zijn gebleven voor de mensen. Die zullen evenzeer zichtbaar worden en een passende beloning krijgen.

Lees nog eens 1 Timotheüs 5:20-25.

Verwerking: Welke aanwijzingen in dit gedeelte kun jij ter harte nemen?


Lees verder