1 Timotheüs
1-5 De opziener 6-11 Opzieners (vervolg) en diakenen 12-16 Het huis van God
De opziener

1Het woord is betrouwbaar: als iemand streeft naar [het] opzienerschap, begeert hij een goed werk. 2De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren, 3geen drinker, geen vechter, maar inschikkelijk, niet twistziek, niet geldzuchtig, 4iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid, 5– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –

Als inleiding op dit hoofdstuk even een korte herhaling. Je weet dat deze brief in de eerste plaats bedoeld is voor Timotheüs persoonlijk. Als afgezant van de apostel moet hij weten welke richtlijnen hij de gelovigen moet voorhouden. In de tweede plaats – en dat komt bijzonder in dit hoofdstuk aan de orde – krijgt Timotheüs in deze brief aanwijzingen over hen die dienst willen doen als oudste of opziener en als diaken. In de derde plaats vinden alle gelovigen in deze brief praktisch onderwijs over hun levenswandel.

Niemand van ons neemt de positie van een Timotheüs in. Niemand kan dan ook op grond van deze brief oudsten of ouderlingen aanstellen. Evenmin kan iemand aan de gemeente verordeningen opleggen die hij rechtstreeks, mondeling, van een apostel heeft gehoord. Maar met de voorschriften die Paulus aan Timotheüs geeft, heb jij, omdat ze het leven van de gelovigen betreffen, wel degelijk te maken. En ook al ben je niet geroepen tot de taak van oudste of dienaar, dan heeft dit derde hoofdstuk toch ook jou veel te zeggen. De dingen die aan een oudste en een dienaar als voorwaarde gesteld worden, zijn voor alle gelovigen gedragsregels.

V11Het woord is betrouwbaar: als iemand streeft naar [het] opzienerschap, begeert hij een goed werk.. Wat Paulus gaat zeggen over het “opzienerschap” en de “opziener”, vindt zijn oorsprong in het “woord” dat “betrouwbaar” is omdat het van God komt. Dit uitgangspunt is van groot belang. Het moet motiveren tot de uitoefening van een zware dienst, want de dienst van opziener is voorwaar niet licht. Dat doe je er niet even bij. Dit werk brengt gegarandeerd teleurstellingen met zich mee. Wat is het betrouwbare Woord van God dan weer een bemoediging om door te gaan.

Naar het ambt van opziener mag gestreefd worden, net zoals naar genadegaven (1Ko 12:3131Streeft echter naar de grootste genadegaven. En ik wijs u een nog uitnemender weg.; 14:11Jaagt naar de liefde en streeft naar de geestelijke [uitingen], maar vooral, dat u mag profeteren.). Streven’ wijst op de inzet, het zich ernaar uitstrekken om als opziener te mogen functioneren. Het is niet een zich uitstrekken naar een gezagspositie, maar naar de taak van een dienaar. Overgave aan en liefde voor de Heer Jezus en de wens om Hem in afhankelijkheid en gehoorzaamheid te dienen, mogen het enige motief van dit streven zijn.

Enkele verschillen tussen ambten en gaven zijn:
1. Ambten hebben betrekking op de gemeente als huis van God (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.) – gaven hebben betrekking op de gemeente als lichaam van Christus (Rm 12:3-83Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik aan ieder die onder u is, dat hij [van zichzelf] niet hoger moet denken dan het behoort, maar dat hij bescheiden moet denken, zoals God aan ieder een maat van geloof heeft toebedeeld.4Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben,5zo zijn wij, de velen, één lichaam in Christus, en elk afzonderlijk leden van elkaar.6Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is,7hetzij profetie, [laat het zijn] naar gelang van het geloof; hetzij dienst, in het dienen; hetzij wie leert, in het leren;8hetzij wie vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid.; 1Ko 12:12-2712Want zoals het lichaam één is en vele leden heeft, en alle leden van het lichaam, hoewel vele, één lichaam zijn, zo ook Christus.13Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven.14Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid maar uit vele [leden].15Als de voet zegt: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, – is hij daarom niet van het lichaam?16En als het oor zegt: Omdat ik geen oog ben, ben ik niet van het lichaam, – is het daarom niet van lichaam?17Als het hele lichaam oog was, waar zou het gehoor zijn? Als het geheel gehoor was, waar zou de reuk zijn?18Maar nu heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild.19Waren zij alle één lid, waar zou het lichaam zijn?20Maar nu zijn er vele leden, maar het lichaam is één.21Het oog nu kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig; of ook het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig.22Integendeel, de leden van het lichaam die de zwakkere schijnen te zijn, zijn des te noodzakelijker;23en die ons de minder geëerde van het lichaam toeschijnen, deze bekleden wij met overvloediger eer; en onze onaantrekkelijke [leden] hebben overvloediger versiering;24maar onze aantrekkelijke hebben die niet nodig. Maar God heeft het lichaam zó samengesteld, dat Hij aan het mindere overvloediger eer gegeven heeft,25opdat er geen verdeeldheid in het lichaam is, maar de leden voor elkaar gelijke zorg dragen.26En als één lid lijdt, lijden alle leden mee; en als <één> lid wordt verheerlijkt, verblijden alle leden zich mee.27En u bent [het] lichaam van Christus en ieder afzonderlijk leden.; Ef 4:11-1611En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,12om de heiligen te volmaken, tot [het] werk van [de] bediening, tot [de] opbouwing van het lichaam van Christus;13totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot [de] maat van [de] volgroeidheid van de volheid van Christus,14opdat wij niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door [hun] sluwheid om door listen te doen dwalen,15maar terwijl wij de waarheid vasthouden in liefde, in alles opgroeien tot Hem Die het hoofd is, Christus,16uit Wie het hele lichaam, samengevoegd en verbonden door elk gewricht dat de ondersteuning [verleent] naar [de] werking die elk deel is toegemeten, de groei van het lichaam bewerkt tot opbouwing van zichzelf in liefde.).
2. Ambten zien toe op het gedrag van de gelovigen in het huis van God (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].) – Gaven werken aan de opbouw van het lichaam (Ef 4:1212om de heiligen te volmaken, tot [het] werk van [de] bediening, tot [de] opbouwing van het lichaam van Christus;).
3. Ambten dienen de plaatselijke gemeente (Hd 14:2323Nadat zij nu voor hen in elke gemeente oudsten hadden gekozen, baden zij met vasten en droegen hen op aan de Heer in Wie zij hadden geloofd.; Tt 1:55Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb.) – Gaven dienen het hele lichaam van Christus, over de hele wereld.
4. Niet iedere gelovige heeft een ambt – Ieder lid van het lichaam van Christus heeft een gave.

Het werk dat de opziener doet, het ‘opzienerschap’, is het zorg dragen voor de zielen en de wandel van de gelovigen. Het betekent zich ervoor inzetten dat de leden van Christus aan Zijn liefde beantwoorden en geen christelijke voorrechten verloren laten gaan. God waardeert dit als “een goed werk”, want het bestaat uit niets minder dan het hoeden van Zijn kudde (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].; vgl. 1Pt 5:1-41[De] oudsten onder u vermaan ik dus, de medeoudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden;2hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.4En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.).

Let er wel op dat Timotheüs niet de opdracht krijgt om opzieners aan te stellen. Paulus geeft hem een lijst met kwalificaties. Deze kwalificaties gaan over bepaalde geestelijke kenmerken (‘nuchter’, ‘niet twistziek’), over voorwaarden in omstandigheden (‘man van één vrouw’) en over ervaring (‘geen pasbekeerde’). De lijst is niet alleen voor Timotheüs nuttig, maar ook voor ons. Elke gemeente die aan Gods gedachten beantwoordt, zal ernaar verlangen dat mannen onder hen openbaar worden bij wie deze kenmerken worden gevonden. Zulke mannen hebben we te erkennen (1Th 5:1212Wij nu vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden en u leiding geven in [de] Heer en u terechtwijzen,).

Een opziener is hetzelfde als een oudste. Het bewijs daarvan vind je door Handelingen 20:17 en 28 met elkaar te vergelijken (Hd 20:17,2817Hij nu zond van Miléte [een boodschap] naar Efeze en riep de oudsten van de gemeente bij zich.28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].) en Titus 1:5 en 7 met elkaar te vergelijken (Tt 1:5,75Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb.7Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit,). Het woord ‘opziener’ karakteriseert meer de aard van het werk, het is een besturende, leidende taak. Het woord ‘oudste’ kenmerkt meer de ambtsdrager, de persoon die de taak uitvoert, het is iemand met gerijpte levenservaring.

1. V22De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,. De opziener “moet onberispelijk zijn”. Er mag niets op hem zijn aan te merken. Hij mag geen gebrek in karakter of gedrag vertonen. Dat zou door negatief ingestelde personen binnen of buiten de gemeente als wapen tegen hem kunnen worden gebruikt. Waar allemaal niets op aan te merken mag zijn, wordt in de volgende kenmerken nader aangeduid.

2. Het eerste is dat hij de “man van één vrouw” moet zijn. Er lijkt alles voor te zeggen dat een opziener getrouwd moet zijn. Hoe zou hij anders in huwelijksproblemen iets kunnen zeggen? Het belang van een rein huwelijk, waarin absolute trouw van de opziener aan zijn vrouw de voornaamste pijler is, staat voorop.

3. Verder moet hij “nuchter” zijn. Dit moet je in geestelijke zin opvatten. Het wil zeggen dat hij zich onthoudt van alles wat benevelt. Hij zal zich ver houden van alle overdrijving en zich niet laten meeslepen door emoties, hetzij van zichzelf, hetzij van anderen. Hij laat zich ook niet beïnvloeden door allerlei dwaalleringen. Hij blijft helder in zijn denken.

4. Ook is hij “ingetogen”, wat meer op het innerlijk ziet. Hij is beheerst in zijn optreden en zal zich niet snel opwinden.

5. “Waardig” ziet meer op het uiterlijk. Zijn uiterlijk en taalgebruik stralen waardigheid uit. Hij zal niet snel uitvallen en is niet chaotisch in zijn handelen en spreken.

6. Dat hij ”gastvrij” is, wil zeggen dat hij openstaat voor anderen, dat hij uitnodigend en hartelijk is.

7. Daardoor voldoet hij aan de volgende kwaliteit en is hij “geschikt om te leren”. Hij kent het Woord van God en weet het op de juiste wijze toe te passen.

V33geen drinker, geen vechter, maar inschikkelijk, niet twistziek, niet geldzuchtig,. Je hebt nu zeven positieve kenmerken gezien. Nu volgen enkele negatieve kenmerken.

1. Hij mag “geen drinker” zijn. Hij is niet alleen niet dronken, maar heeft ook controle over zichzelf met het oog op drankgebruik.

2. Ook is hij “geen vechter”. Hoe provocerend hij ook wordt benaderd, hij bewaart zijn zelfbeheersing en neemt niet zijn toevlucht tot geweld. Hij vecht ook niet met woorden voor zijn eigen gelijk.

3. In plaats van voor zijn eigen recht op te komen, desnoods met geweld, is hij “inschikkelijk”, schikt hij zich.

4. Hij is ook “niet twistziek”. Iemand die twistziek is, grijpt elk geschilpunt aan om over te redetwisten. Een opziener zoekt geen ruzie, hij is niet op oorlogspad, maar jaagt naar wat de vrede dient.

5. Hij staat bekend als iemand die “niet geldzuchtig” is. Hij is niet op geldelijk voordeel uit en laat zich niet omkopen.

V44iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid,. Na zijn persoonlijke kenmerken worden nu enkele kenmerken genoemd die te maken hebben met zijn optreden in zijn huis(gezin) en in de wereld. Het gezin is de eerste kring van verantwoordelijkheid. Opziener kan alleen iemand zijn “die zijn eigen huis goed bestuurt”. Zijn gezinsleven maakt duidelijk of hij geschikt is voor een wijdere kring van verantwoordelijkheid in de gemeente. Vooral voor de opziener geldt ‘ik en mijn huis’ (Jz 24:1515Maar als het in uw ogen kwalijk is de HEERE te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de goden die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden, gediend hebben, óf de goden van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen!). Zijn huis behoort een afspiegeling van het huis van God te zijn. Als de opziener op dat eerste terrein faalt, zal dat grote gevolgen hebben voor de dienst op het tweede terrein. Dit zien we bijvoorbeeld bij Eli (1Sm 2:11-3611Daarna ging Elkana naar Rama, naar zijn huis, terwijl de jongen de HEERE bleef dienen onder toezicht van de priester Eli.12De zonen van Eli echter waren verdorven mannen; zij kenden de HEERE niet.13Want de handelwijze van deze priesters met het volk was [aldus: wanneer] iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand,14stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, [en] alles wat de vork [dan] optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen.15Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw.16En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst in rook laten opgaan; neem daarna [maar] voor uzelf zoals uw ziel verlangt, [dan] zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld.17Zo was de zonde van deze jongemannen voor het aangezicht van de HEERE erg groot, want de mensen verwierpen [hierdoor] het offer van de HEERE.18Maar Samuel diende voor het aangezicht van de HEERE. Hij was een jongen, gekleed in een linnen priesterhemd.19Zijn moeder maakte van jaar tot jaar een klein bovenkleed voor hem en bracht hem dat, wanneer zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer te brengen.20Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw, en zei: Moge de HEERE u nageslacht geven uit deze vrouw, vanwege dat wat zij de HEERE gebeden heeft. Vervolgens gingen zij [weer terug] naar zijn [woon]plaats.21En inderdaad zag de HEERE naar Hanna om. Zij werd zwanger en baarde drie zonen en twee dochters, en de jonge Samuel werd groot bij de HEERE.22Eli nu was heel oud en hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden, en [ook] dat zij sliepen met de vrouwen die bij de ingang van de tent van ontmoeting dienst deden.23Hij zei tegen hen: Waarom doen jullie zulke dingen, zodat ik deze wandaden van jullie te horen krijg van dit hele volk?24[Dit kan] niet, mijn zonen! Nee, dit is geen goed bericht dat ik hoor; jullie laten het volk van de HEERE overtredingen begaan.25Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal [dan] voor hem bidden? Maar zij luisterden niet naar de stem van hun vader, want de HEERE wilde hen doden.26En de jonge Samuel kreeg gaandeweg meer aanzien en gunst, zowel bij de HEERE als ook bij de mensen.27Een man Gods kwam naar Eli, en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij niet duidelijk geopenbaard aan het huis van uw vader, toen zij in Egypte waren, in het huis van de farao?28Ik heb hem uit al de stammen van Israël voor Mij tot priester uitgekozen om op Mijn altaar te offeren, het reukwerk in rook te laten opgaan en de efod voor Mijn aangezicht te dragen; en Ik heb aan het huis van uw vader al de vuuroffers van de Israëlieten gegeven.29Waarom schopt u dan tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn graanoffer, dat Ik [in Mijn] woning geboden heb, en eert u uw zonen meer dan Mij, door u vet te mesten met het beste van alle graanoffers van Mijn volk Israël?30Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen [zelf] veracht worden.31Zie, de dagen komen dat Ik uw arm zal afhakken, en de arm van uw familie, zodat er geen oud man in uw huis zijn zal.32U zult de nood van [Gods] woning aanzien, in plaats van al het goede dat Hij Israël gedaan zou hebben; en er zal geen oude man in uw huis zijn, alle dagen.33Maar de man van uw [huis] die Ik niet van bij Mijn altaar zal uitroeien, zal er zijn om uw ogen te doen bezwijken en uw ziel te bedroeven; en het merendeel van uw huis zal sterven [als] mannen [in de kracht van hun leven].34Dit zal voor u het teken zijn dat over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven.35Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor [de ogen van] Mijn gezalfde wandelen.36En het zal gebeuren dat al wie van uw huis overgebleven is, zal komen om zich voor hem neer te buigen voor een weinig geld en een rond brood, en zal zeggen: Neem mij toch aan voor een van de priesterdiensten, zodat ik een stuk brood om te eten [zal hebben].).

In de ‘profielschets’ van de opziener is ook opgenomen dat hij “zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid” (vgl. Gn 18:18-1918Immers, Abraham zal zeker tot een groot en machtig volk worden, en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.19Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HEERE over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.; Jr 35:1-191Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:2Ga naar het huis van de Rechabieten, spreek met hen en breng hen in het huis van de HEERE, in een van de kamers, en geef hun wijn te drinken.3Toen haalde ik Jaäzanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Habazzinja met zijn broers en al zijn zonen, ja heel het huis van de Rechabieten,4en bracht hen in het huis van de HEERE, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man Gods, die naast de kamer van de vorsten is, die zich boven de kamer van Maäseja, de zoon van Sallum, de deurwachter, bevindt.5Ik zette de leden van het huis van de Rechabieten kannen vol wijn en bekers voor en ik zei tegen hen: Drink wijn!6Zij zeiden echter: Wij drinken geen wijn, want onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons geboden: U mag geen wijn drinken, u niet en uw kinderen niet, tot in eeuwigheid.7U mag geen huis bouwen, en geen zaad zaaien, geen wijngaard planten of [in bezit] hebben, maar u moet in tenten wonen, al uw dagen, opdat u vele dagen leeft in het land waar u als vreemdeling verblijft.8Wij nu hebben geluisterd naar de stem van onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, in alles wat hij ons geboden heeft, door al onze dagen geen wijn te drinken, wij niet [en] onze vrouwen niet, evenmin als onze zonen en onze dochters,9en door geen huizen te bouwen tot onze woning. We hebben geen wijngaard of akker, en geen zaaigoed.10Wij hebben in tenten gewoond, en hebben geluisterd en gedaan overeenkomstig alles wat onze voorvader Jonadab ons geboden heeft.11Maar het gebeurde, toen Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optrok, dat wij zeiden: Kom, laten wij Jeruzalem binnengaan, vanwege het leger van de Chaldeeën en vanwege het leger van de Syriërs. Daarom wonen wij [nu] in Jeruzalem.12Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia:13Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ga zeggen tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: Zult u niet de vermaning aanvaarden door te luisteren naar Mijn woorden? spreekt de HEERE.14De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn mochten drinken, hebben zij gestand gedaan. Zij hebben tot op deze dag geen [wijn] gedronken, want zij hebben geluisterd naar het gebod van hun voorvader. Ik echter heb vroeg en laat tot u gesproken, maar naar Mij hebt u niet geluisterd.15Ik zond tot u vroeg en laat al Mijn dienaren, de profeten, om te zeggen: Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg, en beter uw daden, ga geen andere goden achterna om die te dienen. Dan zult u in het land blijven dat Ik u en uw vaderen gegeven heb. Maar u hebt uw oor niet geneigd en naar Mij niet geluisterd.16Ja, de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, hebben het gebod van hun voorvader dat hij hun geboden had, gestand gedaan, maar naar Mij luistert dit volk niet.17Daarom, zo zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga over Juda en over al de inwoners van Jeruzalem al het onheil brengen dat Ik over hen heb uitgesproken, omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet geluisterd hebben, Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet geantwoord hebben.18Tegen het huis van de Rechabieten zei Jeremia: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Omdat u geluisterd hebt naar het gebod van uw voorvader Jonadab, al zijn geboden in acht genomen hebt, en gedaan hebt overeenkomstig alles wat hij u geboden heeft,19daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Het zal Jonadab, de zoon van Rechab, niet aan een man ontbreken die in Mijn dienst staat, alle dagen.). Hij is geen slappe vader, zoals Eli die zijn zonen niet eens zuur heeft aangekeken (1Sm 3:1313Want Ik heb hem bekendgemaakt dat Ik over zijn huis voor eeuwig gericht zal oefenen, omwille van de ongerechtigheid die hij geweten heeft; want toen zijn zonen zich vervloekt gemaakt hebben, heeft hij hen niet eens zuur aangekeken.). Voor zijn kinderen is hij ook geen tiran, die er in blinde woede op los slaat. Hij past de tucht toe, zoals God Zijn kinderen tuchtigt, in liefde en met een doel (Ef 6:44En u, vaders, prikkelt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in [de] tucht en vermaning van de Heer.; Hb 12:5-125en u hebt de vermaning vergeten die tot u als tot zonen spreekt: ‘Mijn zoon, acht [de] tuchtiging van [de] Heer niet gering en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt;6want wie [de] Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.7U verdraagt het tot tuchtiging; God behandelt u als zonen; want welke zoon is er die een vader niet tuchtigt?8Maar als u zonder tuchtiging bent waaraan allen deel hebben, dan bent u bastaarden en geen zonen.9Bovendien, wij hadden de vaders van ons vlees om [ons] te tuchtigen en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij <dan> niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven?10Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.11Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.12Daarom, richt op uw slappe handen en uw verlamde knieën; Sp 23:1313Onthoud een jongeman geen vermaning,
als u hem met de stok slaat, zal hij niet sterven.
; 29:1515De stok en de bestraffing geven wijsheid,
maar een jongeman die [aan zichzelf] is overgelaten, maakt zijn moeder beschaamd.
)
.

De opziener gaat met zijn kinderen om
1. met een standvastigheid die het raadzaam maakt om te gehoorzamen,
2. met een wijsheid die het natuurlijk maakt om te gehoorzamen en
3. met een liefde die het een lust maakt om te gehoorzamen.

V55– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –. Het zal duidelijk zijn dat ‘als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen’, hij ook niet in staat is tot het “zorg dragen voor de gemeente van God”. Als hij niet weet hoe hij met zijn kinderen moet omgaan, hoe zal hij dan wel kunnen omgaan met hen die in de gemeente zorg nodig hebben? Het is de gemeente van God (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].). Dat maakt die taak buitengewoon belangrijk.

In het ‘zorg dragen voor’ klinkt de liefdevolle belangstelling door die de opziener voor het welzijn van ieder lid van Gods gemeente heeft. Die zorg kan er alleen zijn, als die in het verlengde ligt van de liefdevolle belangstelling die hij als vader toont voor de leden van zijn gezin.

Lees nog eens 1 Timotheüs 3:1-5.

Verwerking: Zijn er mannen in de plaatselijke gemeente waar jij bij hoort, die jij als opziener herkent omdat ze voldoen aan de kwalificaties die Gods Woord hier geeft?


Opzieners (vervolg) en diakenen

6geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt. 7En hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn, opdat hij niet in opspraak komt en in [de] strik van de duivel valt. 8Dienaars [moeten] eveneens eerbaar zijn, niet tweetongig, niet aan wijn verslaafd, niet op schandelijke winst uit, 9de verborgenheid van het geloof vasthoudend in een rein geweten. 10En laten dezen ook eerst beproefd worden, [en] als zij onstraffelijk zijn daarna dienen. 11[Hun] vrouwen [moeten] eveneens eerbaar zijn, niet kwaadsprekend, nuchter, in alles trouw.

V66geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.. Een opziener mag “geen pasbekeerde”, letterlijk ‘nieuw geplante’, zijn. Een pasbekeerde is niet in staat om geestelijke problemen aan de hand van Gods Woord te benaderen. Daarvoor heeft hij eenvoudig de kennis nog niet. Ook is hij niet in staat om iemand die in geestelijke nood is, aan te voelen. Hij heeft zelf nog geen geestelijke groei, met de oefeningen die daarbij horen, doorgemaakt (vgl. 1Jh 2:12-2712Ik schrijf u, kinderen, omdat de zonden u vergeven zijn ter wille van Zijn Naam.13Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik schrijf u, jongelingen, omdat u de boze overwonnen hebt. Ik heb u geschreven, kinderen, omdat u de Vader kent.14Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze overwonnen hebt.15Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.16Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.17En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.18Kinderen, het is [het] laatste uur; en zoals u hebt gehoord dat [de] antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het [het] laatste uur is.19Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren niet van ons; want als zij van ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn; maar zij moesten openbaar worden dat zij geen van allen van ons zijn.20En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.21Ik heb u niet geschreven omdat u de waarheid niet weet, maar omdat u die weet en omdat geen leugen uit de waarheid is.22Wie is de leugenaar dan hij die loochent dat Jezus de Christus is? Deze is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent.23Ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet; wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader.24Wat u betreft, laat wat u van [het] begin af gehoord hebt, in u blijven. Als in u blijft, wat u van [het] begin af gehoord hebt, dan zult u ook in de Zoon en in de Vader blijven.25En dit is de belofte die Hij ons heeft beloofd: het eeuwige leven.26Dit heb ik u geschreven over hen die u misleiden.27En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.). Vaak is hij nog druk bezig met zichzelf en met het leren omgaan met de verleidingen van de wereld.

Opziener kan alleen iemand zijn die al langer bekeerd is. Zo iemand wordt geacht geestelijk gegroeid te zijn en ook in de praktijk te hebben geleerd dat in hem, dat is in zijn vlees, geen goed woont (Rm 7:1818Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet.). Je kunt met je hart geloven en met je verstand wel weten dat je met Christus gekruisigd bent (Rm 6:66daar wij dit weten, dat onze oude mens met [Hem] gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen.), maar het is nog iets anders om in de praktijk jezelf voor de zonde dood te houden (Rm 6:1111Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.). Het is belangrijk dat je waarheden ook ervaart. En ervaring in het geloofsleven kan een pasbekeerde nou eenmaal nog niet hebben opgedaan. Dat is geen schande, het is gewoon een onmogelijkheid.

Het is dan ook levensgevaarlijk als een jonge gelovige zich die taak wil toe-eigenen of ook wel die taak toegeschoven krijgt. Dan komt hij in de gevarenzone van de hoogmoed of opgeblazenheid. De belangrijkheid van de eigen persoon staat voorop. Dit leidt vaak tot zelfverheffing en daardoor tot de zonde van hoogmoed, zoals dat ook met de duivel is gebeurd, waardoor zo iemand ook zal delen in diens oordeel.

Een plaatselijke gemeente bewijst zichzelf geen dienst als ze een jonge gelovige een dergelijke verantwoordelijkheid geeft of toestaat. Het geeft een opening voor de hoogmoed van de duivel. Hoogmoed is de oerzonde en werd het eerst gevonden in de duivel. Bij hem kwam als eerste schepsel de gedachte aan zijn eigen belangrijkheid naar boven (Js 14:12-1512Hoe bent u uit de hemel gevallen,
morgenster, zoon van de dageraad!
U ligt geveld op de aarde,
overwinnaar over de heidenvolken!
13En ú zei in uw hart:
Ik zal opstijgen naar de hemel;
tot boven Gods sterren
zal ik mijn troon verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting
aan de noordzijde.
14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.
15Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort,
in het diepst van de kuil!
; Ez 28:12-1912Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus, en zeg tegen hem: Zo zegt de Heere HEERE:
U, toonbeeld van volkomenheid,
vol wijsheid en volmaakt van schoonheid,
13u was in Eden, de hof van God.
Allerlei edelgesteente was uw sieraad:
robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx
en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.
Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.
Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.
14U was een cherub die [zijn vleugels] beschermend uitspreidt.
[Daarvoor] heb Ik u aangesteld.
U was op Gods heilige berg,
u wandelde te midden van vurige stenen.
15Volmaakt was u in uw wegen,
vanaf de dag dat u geschapen werd,
totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd.
16Door de overvloed van uw handel
vulde men uw midden met geweld,
en ging u zondigen.
Daarom verbande Ik u van de berg van God,
en deed Ik u verdwijnen, beschermende cherub,
uit het midden van de vurige stenen.
17Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig,
u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister.
Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen,
opdat zij op u neer zouden zien.
18Vanwege de overvloed van uw ongerechtigheden door uw oneerlijke handel
ontheiligde u uw heiligdommen.
Daarom deed Ik een vuur uit uw midden oplaaien,
[en] dat verteerde u.
Ik maakte u tot [een hoop] as op de grond
voor de ogen van allen die naar u keken.
19Allen onder de volken die u kennen, zijn ontzet over u.
U bent een voorwerp van verschrikking geworden
en u zult niet [meer] bestaan tot in eeuwigheid.
)
. Dat voerde tot zijn val. Zijn oordeel staat vast. Laat dit een ernstige waarschuwing zijn voor het begeren van een taak door iemand of geven van een taak aan iemand die daarvoor (nog) niet geschikt is.

V77En hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn, opdat hij niet in opspraak komt en in [de] strik van de duivel valt.. De ‘profielschets’ van de opziener eindigt met de bekendheid die hij buiten de gemeente heeft, dat is in de maatschappij. “Hij moet een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn.” Het is ook belangrijk hoe de wereld tegen zo iemand aankijkt. Niet dat daarvoor een enquête in de buurt moet worden gehouden, maar de opziener moet bekendstaan als een beelddrager van Christus.

Het betekent niet dat iedereen goed van hem spreekt, want dat kan juist aangeven dat het helemaal niet goed zit (Lk 6:2626Wee wanneer alle mensen goed van u spreken; want op dezelfde wijze deden hun vaderen met de valse profeten.). Het gaat erom dat hij “niet in opspraak komt”. Dat gebeurt als hij een tweeledige reputatie heeft. Enerzijds wil hij in de gemeente voor een goed christen doorgaan. Hij voldoet trouw aan zijn financiële verplichtingen, aan zijn verantwoordelijkheden in de gemeente en bezoekt trouw de bijeenkomsten van de gemeente. Anderzijds toont hij in de wereld een temperament, een woordgebruik, een oneerlijkheid en onreinheid die hem een voorwerp van bespotting en hoon maken.

Dit tweeledige in zijn opstelling is de garantie dat hij “in de strik van de duivel valt”. Daarmee wordt bedoeld dat hij een prooi wordt van de duivel. Het gaat om de strik, de valkuil, die de duivel heeft klaargemaakt om daarin de heiligen, maar vooral de leiders te vangen en uit te schakelen (vgl. 2Tm 2:2626en weer ontnuchterd te worden uit de strik van de duivel door wie zij gevangen zijn, om zijn wil te doen.).

V88Dienaars [moeten] eveneens eerbaar zijn, niet tweetongig, niet aan wijn verslaafd, niet op schandelijke winst uit,. Na zijn belangwekkende beschrijving van de kenmerken van de opziener vertelt Paulus aan Timotheüs iets over een andere speciale groep. Het betreft de “dienaars”. De opzieners dragen zorg voor de innerlijke, geestelijke orde van de gemeente. De dienaars dragen zorg voor het uiterlijk welzijn van de gemeente, voor wat in materieel opzicht nodig is.

In Handelingen 6 komen zij voor het eerst voor (Hd 6:1-61In die dagen nu, toen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemopper van de Griekssprekende [Joden] tegen de Hebreeën, omdat in de dagelijkse bediening hun weduwen over het hoofd werden gezien.2De twaalf nu riepen de menigte van de discipelen bijeen en zeiden: Het is niet bevredigend dat wij het Woord van God nalaten en [de] tafels dienen.3Ziet nu uit, broeders, naar zeven mannen uit u, met een [goed] getuigenis, vol van [de] Geest en van wijsheid, die wij over deze nood zullen stellen.4Wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord.5En dit woord bevredigde de hele menigte; en zij kozen Stéfanus, een man vol van geloof en van [de] Heilige Geest, en Filippus, Próchorus, Nicánor, Timon, Pármenas en Nicolaüs, een proseliet van Antiochië,6die zij voor de apostelen stelden; en na gebeden te hebben legden zij hun de handen op.). Ze worden daar niet zo genoemd, maar het gaat daar wel om de dienst die zij verrichten. Daar blijkt dat deze dienst – het verdelen van gelden – aanvankelijk werd gedaan door de twaalf apostelen. Daar lezen we ook hun globale kenmerken (Hd 6:33Ziet nu uit, broeders, naar zeven mannen uit u, met een [goed] getuigenis, vol van [de] Geest en van wijsheid, die wij over deze nood zullen stellen.) en dat zij door de gemeente worden gekozen – in tegenstelling tot de oudsten of opzieners.

Hoewel het werk van de dienaar op een ander terrein ligt dan dat van de opziener, zijn voor dat werk “eveneens” bepaalde geestelijke eigenschappen noodzakelijk. Het is niet een ‘baantje’ dat wel geschikt is voor de zakelijk ingestelde gelovigen. Ook dit materiële werk moet op een geestelijke manier worden gedaan. Er moet een geestelijke afweging worden gemaakt voor de verdeling van geld of goederen. Het moet zonder aanzien des persoons gebeuren.

“Eerbaar zijn” wordt als eerste kenmerk van de dienaar genoemd. Zijn gedrag straalt een waardigheid uit waaraan je kunt zien waar de dienaar innerlijk, in zijn gedachten en overleggingen, mee bezig is.

Ook als hij iets zegt, hoef je niet bang te zijn dat hij iets anders bedoelt. Hij is “niet tweetongig”. Hij is geen spreker die zijn boodschap aanpast aan het publiek dat hij voor zich heeft, of die dingen zegt met achterbakse gedachten of bedoelingen.

Voor een dienaar is zelfbeheersing van belang. Hij mag “niet aan wijn verslaafd” zijn. Een gelovige verliest bijna nergens sneller zijn waardigheid door, dan door dronken te worden.

Direct verbonden aan de wijn komt de rijkdom die verkregen wordt door “schandelijke winst”, anders gezegd ‘vuile winst’. Het is wel heel vuil om met dingen van God om te gaan op een manier dat je daardoor rijk hoopt te worden. Handelen uit winstbejag is schandelijk. Het geld dat de dienaar is toevertrouwd, moet hij geven aan behoeftigen en niet misbruiken door bijvoorbeeld ermee te gaan speculeren. Hij mag ook niet op geestelijk voordeel uit zijn door bijvoorbeeld bepaalde personen voor te trekken om daardoor bij hen in aanzien te willen komen.

V99de verborgenheid van het geloof vasthoudend in een rein geweten.. Het bezig zijn met uiterlijke, materiële zaken mag nooit gezien worden als een bijkomstigheid. Ook deze dingen hebben te maken met “de verborgenheid van het geloof”. De uiterlijke handelingen spruiten hieruit voort. De verborgenheid van het geloof is het geheel van de waarheid die door Goddelijke openbaring bekend is gemaakt en die vervat is in Christus. Alleen als de dienaar vasthoudt aan Christus, is hij in staat zijn werk te doen zoals de Heer van hem verwacht. Met Christus voor ogen blijft hij bewaard voor verkeerde beslissingen en houdt hij een rein geweten.

V1010En laten dezen ook eerst beproefd worden, [en] als zij onstraffelijk zijn daarna dienen.. Zoals de opziener geen pasbekeerde mag zijn, zo moet ook de dienaar een zeker bewijs hebben geleverd van trouw en betrouwbaarheid. Je kunt niet zomaar iemand vragen of hij dit werk wil doen. Hij moet “eerst beproefd worden”. Dit heeft niets te maken met een proeftijd of een examen. Het gaat om een beoordeling van de hele persoon in zijn wandel in de wereld en te midden van de gelovigen (2Ko 8:2222En wij hebben met hen onze broeder meegezonden, die wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben, dat hij bereidwillig is, en die nu nog veel bereidwilliger is door [zijn] grote vertrouwen in u.; vgl. 1Th 2:44Maar zoals wij door God beproefd zijn bevonden dat ons het evangelie zou worden toevertrouwd, zó spreken wij, niet alsof wij mensen behagen, maar God Die onze harten beproeft.). Als er na onderzoek niets is waarvoor de ‘kandidaat-dienaar’ zich moet verantwoorden, als is gebleken dat hij “onstraffelijk” is, kan hij de dienst gaan verrichten.

V1111[Hun] vrouwen [moeten] eveneens eerbaar zijn, niet kwaadsprekend, nuchter, in alles trouw.. De “vrouwen” van dienaars worden in dit werk betrokken vanwege hun vaak praktische kijk op wat nodig is in een huishouding. (In het werk van de opziener, dat een werk van uitoefening van geestelijk gezag is, worden hun vrouwen niet genoemd.) Evenals hun mannen moeten zij “eerbaar” zijn (vers 88Dienaars [moeten] eveneens eerbaar zijn, niet tweetongig, niet aan wijn verslaafd, niet op schandelijke winst uit,). Hun wordt gezegd dat zij “niet kwaadsprekend” mogen zijn. De kwalijke dingen die ze horen, moeten ze voor zichzelf houden en niet verder vertellen.

In hun oordeel over gelovigen die voor ondersteuning in aanmerking komen, moeten ze “nuchter” zijn. Ze moeten zich niet laten beïnvloeden door allerlei zaken die een juist oordeel in de weg staan.

Als laatste kenmerk wordt genoemd dat ze “in alles trouw” zijn. Ze zullen geen misbruik maken van wat hun, zowel stoffelijk als geestelijk, wordt toevertrouwd. Ze zijn betrouwbaar, je kunt van hen op aan.

Lees nog eens 1 Timotheüs 3:6-11.

Verwerking: Zijn er kenmerken in dit stukje die niet op jou van toepassing zijn? Waarom niet?


Het huis van God

12Laten dienaars mannen van één vrouw zijn en hun kinderen en hun eigen huizen goed besturen. 13Want zij die goed gediend hebben, verwerven zich een goede positie en veel vrijmoedigheid in [het] geloof dat in Christus Jezus is. 14Deze dingen schrijf ik je in de hoop spoedig tot je te komen. 15Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid. 16En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.

V1212Laten dienaars mannen van één vrouw zijn en hun kinderen en hun eigen huizen goed besturen.. Evenals voor de opzieners is ook voor de dienaars huwelijkstrouw een absolute voorwaarde. In hun huwelijk moeten zij Gods gedachten van trouw weerspiegelen. Ook moeten zij “hun kinderen en hun eigen huizen goed besturen”. De manier waarop zij hun eigen kinderen en huizen besturen, laat zien of zij in staat geacht kunnen worden om financiële zorgen van anderen te verlichten.

Geld beheren en uitdelen waar dat nodig is, is een vorm van besturen. Zij krijgen toegang tot en inzicht in veel huizen en huishoudingen. Om goed te kunnen inschatten wat nodig is, is het van belang in eigen huwelijk en gezin de zaken in orde te hebben. Iemand die zelf schulden maakt, loopt gevaar om tekorten aan te zuiveren met geld dat uit inzamelingen komt als hem dat zou worden toevertrouwd.

V1313Want zij die goed gediend hebben, verwerven zich een goede positie en veel vrijmoedigheid in [het] geloof dat in Christus Jezus is.. Aan het goed verrichten van deze taak is nog een bijzondere beloning verbonden. Dienaars kunnen iets “verwerven”. Dit woord geeft aan dat zij zich hebben ingezet voor hun taak. God beloont die inzet met “een goede positie”. Positie is zoiets als basis, grondslag. Zij die goed hebben gediend, hebben een goede basis gelegd.

Deze basis dient niet om bevorderd te worden tot een hoger geestelijk ambt, maar is de basis voor een andere taak. Die taak ligt niet op het terrein van de stoffelijke, aardse dingen, maar heeft meer betrekking op geestelijk werk. Deze positie heeft te maken met de plaats in de dienst van de Heer. Voorbeelden daarvan zijn Stéfanus en Filippus. Zij waren dienaars en kregen later een geestelijke taak (Hd 6:88Stéfanus nu, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.; 8:4-13,26-404Zij dan die verstrooid waren, gingen [het land] door en verkondigden het Woord.5Filippus nu daalde af naar <de> stad van Samaria en predikte hun Christus.6En eendrachtig gaven de menigten acht op wat door Filippus werd gezegd, toen zij [hem] hoorden en de tekenen zagen die hij deed.7Want velen van hen die onreine geesten hadden, – dezen gingen luidkeels schreeuwend uit; en vele verlamden en kreupelen werden genezen.8En er kwam grote blijdschap in die stad.9Een man nu, genaamd Simon, bedreef vóór die tijd in de stad toverij en bracht het volk van Samaria buiten zichzelf en zei dat hij een groot man was;10en allen, van groot tot klein, gaven acht op hem en zeiden: Deze is de kracht van God, die de grote [kracht] wordt genoemd.11En zij gaven acht op hem, omdat hij hen geruime tijd met zijn toverijen buiten zichzelf had gebracht.12Toen zij echter Filippus geloofden, die het evangelie aangaande het koninkrijk van God en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, zowel mannen als vrouwen.13En ook Simon zelf geloofde, en na gedoopt te zijn bleef hij voortdurend bij Filippus; en toen hij tekenen en grote krachten zag gebeuren, was hij buiten zichzelf.26Een engel van [de] Heer nu sprak tot Filippus de woorden: Sta op en ga zuidwaarts de weg op die afdaalt van Jeruzalem naar Gaza; deze is eenzaam.27En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een machthebber van Candacé, koningin van [de] Ethiopiërs, die haar schatbewaarder was, die naar Jeruzalem was gekomen om te aanbidden;28en hij was op de terugreis en zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja.29En de Geest zei tot Filippus: Ga naar die wagen en blijf er in de buurt.30En Filippus liep er snel heen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen; en hij zei: Begrijpt u wel wat u leest?31Hij nu zei: Hoe zou ik dat immers kunnen, als niet iemand mij begeleidt? En hij verzocht Filippus in te stappen en bij hem te komen zitten.32De Schriftplaats nu die hij las was deze: ’Als een schaap werd Hij naar [de] slachting geleid, en zoals een lam stom is tegen zijn scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open.33In Zijn vernedering werd Zijn oordeel weggenomen; wie zal Zijn geslacht vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen’.34De kamerling nu antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, van wie zegt de profeet dit: van zichzelf of van iemand anders?35En Filippus opende zijn mond en te beginnen van die Schrift verkondigde hij hem Jezus.36Toen zij nu langs de weg voortgingen, kwamen zij bij een water; en de kamerling zei: Kijk, water; wat verhindert mij gedoopt te worden? [37Dit vers is als niet-authentiek weggelaten.]38En hij beval de wagen stil te houden. En zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.39Toen zij nu uit het water waren opgekomen, rukte [de] Geest van [de] Heer Filippus weg en de kamerling zag hem helemaal niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap.40Filippus echter werd in Asdod gevonden, en hij ging [het land] door en verkondigde het evangelie aan alle steden, totdat hij in Caesaréa kwam.). God handelt hier naar het beginsel dat ‘ieder die heeft, zal worden gegeven’ (Mt 25:2929Want aan ieder die heeft, zal worden gegeven en hij zal overvloedig hebben; van hem echter die niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden genomen.).

Bij deze ‘goede positie’ hoort “veel vrijmoedigheid in [het] geloof dat in Christus Jezus is”. “Vrijmoedigheid” wil zeggen dat er innerlijke vrijheid is om alles te zeggen wat iemand bezighoudt. Er is niets wat beperkt, er is geen verkeerd gedrag of zonde. Er is moed om iets te doen voor de Heer. Die vrijmoedigheid heeft niets te maken met menselijke moed. Het is het gemoed van iemand van wie het vertrouwen volledig in Christus Jezus verankerd ligt. Het is de vrijmoedigheid die door ervaring dit vertrouwen heeft leren kennen als een vertrouwen dat nooit beschaamt.

V1414Deze dingen schrijf ik je in de hoop spoedig tot je te komen.. Paulus heeft “deze dingen” niet mondeling aan Timotheüs meegedeeld, maar ze hem geschreven. Zo liggen de instructies voor zijn handelen vast en heb jij daar nu ook inzicht in. Het is voor jou immers net zo noodzakelijk te weten hoe je je moet gedragen in het huis van God als het voor Timotheüs was.

Paulus is naar Macedonië gereisd (1Tm 1:33Blijf, zoals ik je toen ik naar Macedonië reisde aangespoord heb, nog in Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen), maar hoopt spoedig naar Efeze terug te keren. Hij heeft zijn brief alvast gestuurd, maar dat maakt zijn verlangen om zelf ook te komen er niet minder om. Timotheüs zal zeker net zo verlangend zijn geweest naar de komst van Paulus. Ik denk dat de spoedige komst van Paulus een extra motief geweest is om wat Paulus heeft geschreven ook uit te voeren.

V1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.. Hoewel Paulus hoopt spoedig te komen, houdt hij toch rekening met de mogelijkheid dat zijn bezoek niet binnenkort zal plaatsvinden. Bezig als hij steeds is met Timotheüs en de gemeente in Efeze, wil hij Timotheüs toch een paar belangrijke dingen vertellen met het oog op het gedrag in Gods huis.

Het gaat om een gedrag dat in overeenstemming is met de Bewoner en Eigenaar van het huis. Daarvoor moeten de huisregels worden bekendgemaakt, die moet je weten. Zonder die te kennen is het niet mogelijk je op de juiste wijze, zoals God het wil, in Zijn huis te gedragen. Je kunt je in Gods huis niet gedragen zoals je zelf wilt. Je kunt daarin niet je eigen regels opstellen.

De gedragsregels worden Timotheüs voorgehouden, maar ze gelden voor allen, “men”, die in dit huis verkeren. God bepaalde ook de regels voor Zijn huis in het Oude Testament. Toen woonde Hij in de tabernakel en later in de tempel. Hij voorzag Zijn volk van uitvoerige voorschriften hoe Hij wilde dat men Hem naderde en bij Hem was. Het grote kenmerk daarbij was heiligheid (Ps 93:55Uw getuigenissen zijn zeer betrouwbaar;
de heiligheid is een sieraad voor Uw huis, HEERE,
tot in lengte van dagen.
)
.

Dat is voor Zijn huis in het Nieuwe Testament niet anders. De heilige God van het Oude Testament is dezelfde heilige God in het Nieuwe Testament. De voorwaarde waarop Hij in Zijn oudtestamentische huis woonde, is dezelfde als die waarop Hij in Zijn nieuwtestamentische huis woont. Zijn nieuwtestamentische huis is “de gemeente van de levende God”. Dit huis is gebouwd op Christus, de Zoon van de levende God (Mt 16:16-1816Simon Petrus nu antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.17Jezus nu antwoordde en zei tot hem: Gelukkig ben jij, Simon, Bar-Jona, want vlees en bloed heeft je dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader Die in de hemelen is.18En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.). God woont in Zijn huis door de Heilige Geest (1Ko 3:1616Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?; Ef 2:21-2221in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.).

De gemeente is op aarde om getuigenis af te leggen van “de waarheid”. De waarheid is Christus en alles wat in Christus is (Jh 14:66Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.). De gemeente is niet zelf de waarheid, maar is de drager van de waarheid. Ze verkondigt of predikt de waarheid niet, maar ze vertoont de waarheid, ze houdt die omhoog. Een “pilaar” houdt iets omhoog en ondersteunt het tegelijk. Tevens is de gemeente de “grondslag”. Ze is de basis, de vastheid en zekerheid van de waarheid. Het bestaan van de gemeente is het bewijs van de waarheid. Buiten de gemeente is geen waarheid te vinden.

V1616En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.. De inhoud van de waarheid is “ongetwijfeld … de verborgenheid van de Godsvrucht”. Elke twijfel hierover is uitgesloten. Al Gods kinderen stemmen hierin overeen en een afwijkende stem wordt niet gehoord. Iedere gelovige in de gemeente legt van deze verborgenheid openlijk getuigenis af. De waarheid in Christus is verborgen voor de wereld, maar wordt gekend en beleden door de gelovige. Is het niet indrukwekkend “groot” dat jij Christus kent en belijdt, terwijl dat voor de wereld nog verborgen is?

Het is Gods bedoeling dat Zijn huis wordt bewoond door mensen die door “Godsvrucht” worden gekenmerkt. Godsvrucht geeft een op God gerichte houding aan die Hem welgevallig is. De ‘voeding’ van de Godsvrucht is ‘de verborgenheid’. Hoe meer je van de verborgenheid leert kennen, des te meer zal er Godsvrucht in je leven zijn.

Daarom geeft Paulus een schitterende beschrijving van ‘de verborgenheid van de Godsvrucht’. Zonder dat hij de naam van Christus noemt, blijkt uit de hele omschrijving dat het over Hem gaat.

Wie kan “Hij Die geopenbaard is in [het] vlees” anders zijn dan Christus (vgl. Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.; Ko 1:1515Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,; Hb 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,). Hij is de waarachtige, eeuwige God (Ps 90:22[Al] vóór de bergen geboren waren
en U de aarde en de wereld voortgebracht had,
ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God.
; Ko 1:1717En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.)
, Die in de tijd waarachtig Mens werd (Rm 8:33Want wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was – God heeft, doordat Hij Zijn eigen Zoon in een [gedaante] gelijk aan [het] vlees van [de] zonde en voor [de] zonde heeft gezonden, de zonde in het vlees veroordeeld;; Gl 4:44maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder [de] wet,; Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,). Hij is het levende middelpunt van de waarheid. Hij is het alleen van Wie de gemeente getuigenis moet afleggen in de wereld.

Hij is “gerechtvaardigd in de Geest”. Van Hem is door de Heilige Geest een volkomen getuigenis afgelegd. Met alles wat Hij was en deed op aarde, was de Heilige Geest het volmaakt eens, Hij kon Zich daarbij aansluiten. De Heilige Geest verklaarde alles voor rechtvaardig, er was niets waarvan Hij Zich moest terugtrekken. De Heilige Geest was er bij Zijn geboorte (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.), in Zijn leven (Hd 10:3838[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.), in Zijn sterven (Hb 9:1414hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door [de] eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken, om [de] levende God te dienen.), in Zijn opstanding (Rm 1:44Die verklaard is als Gods Zoon in kracht naar [de] Geest van de heiligheid, door dodenopstanding), Jezus Christus onze Heer –) en in Zijn verheerlijking (Jh 16:13-1413Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.14Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.).

Hij is “gezien door de engelen”. De engelen zagen hun Schepper voor het eerst bij Zijn geboorte (Lk 2:9-149En <zie>, een engel van [de] Heer stond bij hen en [de] heerlijkheid van [de] Heer omscheen hen, en zij werden buitengewoon bang.10En de engel zei tot hen: Weest niet bang, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor het hele volk zal zijn;11want u is heden een Heiland geboren, Die Christus [de] Heer is, in [de] stad van David.12En dit zal voor u het teken zijn: u zult een Kindje vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.13En plotseling was er met de engel een menigte van een hemelse legermacht, die God prees en zei:14Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in mensen van [Zijn] welbehagen.). Verder zagen zij Hem ook in Zijn leven (Mt 4:1111Toen verliet de duivel Hem; en zie, engelen kwamen bij Hem en dienden Hem.; Lk 22:4343Hem nu verscheen een engel uit [de] hemel die Hem sterkte.), bij Zijn gevangenneming (Mt 26:5353Of meen je dat Ik Mijn Vader niet kan bidden en Hij zal Mij dadelijk meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?), bij Zijn opstanding (Mt 28:22En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel van [de] Heer daalde neer uit [de] hemel, trad toe en wentelde de steen af en ging daarop zitten.) en bij Zijn hemelvaart (Hd 1:1010En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenging, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleren,).

Daarna is Hij “gepredikt onder de volken”, wat aangeeft dat Zijn Persoon en wat in Hem door God is gegeven, niet tot Israël beperkt bleef.

Het resultaat van de prediking is dat Hij is “geloofd in de wereld”. Hij is het voorwerp van het geloof op het terrein waar Hij nog niet openlijk regeert, maar waar de satan nog de overste is.

Paulus sluit zijn indrukwekkende beschrijving af met “opgenomen in heerlijkheid”. Dit ziet op de hemelvaart van de Heer Jezus. Toen Hij opgenomen werd, was daar ‘de wolk’, het symbool van Gods heerlijkheid, die Hem aan de ogen van de discipelen onttrok (Hd 1:99En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.).

Als we in deze beschrijving een historische volgorde mogen zien, kan met ‘opgenomen in heerlijkheid’ het moment bedoeld zijn dat ook de gemeente is opgenomen en de Heer Jezus om zo te zeggen compleet is (1Th 4:1717daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.).

Lees nog eens 1 Timotheüs 3:12-16.

Verwerking: Wat wordt bedoeld met ‘de waarheid’ waarvan de gemeente de pilaar en grondslag is?


Lees verder