1 Timotheüs
1-4 Een huis van gebed 5-8 De middelaar – bidden van mannen 9-15 Vrouwen
Een huis van gebed

1Ik vermaan dan allereerst dat smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen, 2voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een rustig en stil leven leiden in alle Godsvrucht en eerbaarheid. 3Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, 4Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen.

Inleiding. Dit hoofdstuk heeft twee onderwerpen. Het eerste onderwerp is dat van het gebed en de speciale verantwoordelijkheid die dit voor mannen heeft met betrekking tot het bidden in het openbaar. Het tweede onderwerp is het uiterlijk en gedrag van de vrouw en haar plaats in de openbaarheid. Beide onderwerpen zijn van grote betekenis en kunnen niet te hoog gewaardeerd worden.

Ze horen ook in deze brief thuis. Het grote doel van de brief is immers om onderwijs te geven over het gedrag van de gelovigen in het huis van God. Dit gedrag betreft de juiste houding zowel ten opzichte van de ongelovigen die zich buiten het huis van God bevinden als ten opzichte van de medegelovigen, dat zijn zij die zich ook in Gods huis bevinden. Dit gedrag behoort het kenmerk te weerspiegelen dat God in deze brief toont, namelijk als God, onze Heiland.

V11Ik vermaan dan allereerst dat smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen,. Is het niet veelzeggend dat Paulus “allereerst” vermaningen geeft met het oog op het gebed? Er komen meer vermaningen of aansporingen, maar deze die nu komt, over het gebed, is de belangrijkste. Daar moet je als gelovige het eerst mee aan de slag gaan. Het is hard nodig deze vermaning te horen en ter harte te nemen. Gebed is een van de eerste kenmerken van geestelijk leven. Zo is het in elk geval bij de pasbekeerde Saulus (Hd 9:1111En de Heer zei tot hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt.). De eerste gelovigen van de gemeente volhardden in het gebed, ze kwamen daartoe samen (Hd 1:1414Deze allen volhardden eendrachtig in het gebed, met [enige] vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers.; 2:4242Zij nu bleven volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden.; 4:2424Toen zij nu dit hoorden, verhieven zij eendrachtig [hun] stem tot God en zeiden: Heer, U bent het Die gemaakt hebt de hemel en de aarde en de zee en alles wat daarin is;; 12:1212En toen hij dit had overlegd, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die bijgenaamd was Markus, waar velen waren samenvergaderd en in gebed waren.).

In de activiteit van het gebed komt het gedrag dat de bewoners van Gods huis behoort te kenmerken het meest tot uiting. Gods huis is in de eerste plaats een huis van gebed (Js 56:77hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
; Mk 11:1717En Hij leerde en zei tot hen: Staat er niet geschreven: ‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken’?)
.

De vier verschillende gebedsvormen die Paulus hier noemt, zijn van toepassing zowel op het persoonlijke als op het gemeenschappelijke gebed:
1. “Smekingen” benadrukken de nood, een aanhoudend, vurig bidden voor een concrete nood. Er ligt extra aandrang in.
2. In de “gebeden” nader je tot God om je verlangens in de ruimste zin van het woord uit te spreken. De meest gewone alledaagse behoeften mag je Hem zonder plichtplegingen vertellen.
3. “Voorbiddingen” doe je als je in een vertrouwelijke, vrije toegang tot Hem nadert om voor anderen iets concreets te vragen.
4. “Dankzeggingen” zijn de ondersteuning van de voorgaande activiteiten. Je nadert tot God en dankt Hem bij voorbaat voor wat Hij al dan niet gaat geven of doen, want Hij geeft of doet alleen wat goed is (Fp 4:66Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God.).

Dat Paulus vermaant om “voor alle mensen” te bidden, onderstreept de bedoeling van God dat wij Hem als de God-Heiland vertegenwoordigen. Zo wil Hij bij de mensen bekend worden (Mt 5:4545opdat u zonen wordt van uw Vader Die in [de] hemelen is; want Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.; Hd 14:16-1716Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan,17hoewel Hij Zich niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.; 1Tm 4:1010want hiertoe arbeiden wij en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, Die een Onderhouder is van alle mensen, het meest van [de] gelovigen.). Als je daarvan doordrongen bent, zal de eerste uitwerking ervan bij jou zijn dat je gaat bidden. Je bidt dan niet alleen voor de gelovigen, maar ook voor de ongelovigen en je sluit daarvan ook niemand buiten. De kring van je gebed mag niet beperkter zijn dan de kring waar Gods belangstelling naar uitgaat.

V22voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een rustig en stil leven leiden in alle Godsvrucht en eerbaarheid.. Onder ‘alle mensen’ vallen natuurlijk ook “koningen en alle hooggeplaatsten”. Toch doet Paulus een aparte aanmoediging om juist voor deze personen te bidden. We zijn namelijk geneigd hen te vergeten, of bewust uit onze gebeden weg te laten vanwege het vaak goddeloze karakter dat ze openbaren. Het laatste was zeker in de dagen van Paulus het geval. Toen regeerde de wrede, losbandige keizer Nero. Paulus spoort aan ook voor hem te bidden (vgl. Ea 6:1010Zo kunnen ze aangenaam [reukwerk] offeren aan de God van de hemel, en bidden voor het leven van de koning en zijn zonen.). Ook de Heer Jezus zegt tegen Zijn discipelen dat ze moeten bidden voor hen die hen vervolgen (Mt 5:4444Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen,).

Het gaat niet om de overheden op zich. Die moeten we onderdanig zijn en gehoorzamen (Rm 13:1-71Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.2Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.3Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.5Daarom is het nodig onderdanig te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten.6Want daarom betaalt u ook belasting; immers, zij zijn dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam.7Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].; Tt 3:11Herinner hen eraan, aan overheden <en> machten onderdanig te zijn, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid te zijn,; 1Pt 2:13-1413Weest aan elke menselijke instelling onderdanig om ‘s Heren wil; hetzij aan een koning als hoogste,14hetzij aan stadhouders als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van hen die goeddoen.; vgl. Hd 5:2929Petrus en de apostelen echter antwoordden en zeiden: Men moet God meer gehoorzamen dan mensen.). Het gaat om de personen die de overheid vormen. Allen die in hoogheid zijn, zijn allen die een hoge plaats hebben, die een hoog ambt bekleden. Het betreft niet alleen de regeerders van de eigen stad of het eigen land, maar ook daarbuiten. Er is sprake van ‘koningen en alle hooggeplaatsten’.

Het openbaar gebed zal een Godvijandige overheid laten merken dat de gelovigen geen opstandelingen zijn. God kan door het gebed de heersers in het hart geven dat zij de gelovigen toelaten hun leven te leiden zonder hen te betrekken bij de politiek van de wereld (Jr 29:77Zoek de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. Bid ervoor tot de HEERE, want in haar vrede zult u vrede hebben.). Toch is de uitwerking niet zozeer dat de overheid dan gun­stig gestemd zal raken, maar dat de gelovige zelf innerlijk bewaard blijft voor gevoelens van haat en verbittering. Door het gebed stijgt de christen uit boven de heersende situatie. Het maakt het hart “rustig en stil” te midden van vervolgingen.

Deze innerlijke rust en stilte worden zichtbaar in “Godsvrucht en eerbaarheid”. Het is “alle” Godsvrucht en eerbaarheid, wat inhoudt dat ze worden gezien op alle terreinen van het leven. ‘Godsvrucht’ wil zeggen leven in vrees voor God. Dat betekent niet angst, maar eerbied, rekening houden met Zijn wil. Bij ‘eerbaarheid’ kun je denken aan waardigheid en eerlijkheid. Je ziet dat je gedrag in hoge mate wordt bepaald door je gebedsleven.

V33Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland,. Die houding van gebed en als gevolg daarvan je manier van leven zijn “goed en aangenaam voor God”. God beziet jouw gebed als iets moois en waard om te aanvaarden. Hij wil het gebruiken om mensen te redden. Jouw gebed mag een bijdrage zijn aan de verkondiging van het evangelie.

V44Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen.. God wil namelijk “dat alle mensen behouden worden”. Dit is het eerste deel van Gods verlangen (Tt 2:1111Want de genade van God, heilbrengend voor alle mensen, is verschenen; 2Pt 3:99[De] Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.). Er is geen mens aan wie God de behoudenis misgunt. God wil zondaren redden (1Tm 1:1515Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.) en dat zijn alle mensen. Er is voor God geen onderscheid: allen hebben gezondigd en allen kunnen gered worden (Rm 3:22b-2522namelijk gerechtigheid van God door geloof in Jezus Christus tot <allen, en over> allen die geloven; want er is geen onderscheid.23Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,24en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.25Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed, tot betoning van Zijn gerechtigheid wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God;; 10:11-1311Want de Schrift zegt: ‘Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’.12Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek, want dezelfde Heer van allen is rijk jegens allen die Hem aanroepen:13‘want ieder die de Naam van [de] Heer zal aanroepen, zal behouden worden’.).

Als een mens verloren gaat, kan dat niet op rekening van de wil van God worden geschreven. Die mens heeft dat te danken aan zijn eigen stijfkoppigheid, hij wil zelf niet. Het betreft hier niet de wil van Gods raadsbesluit (Ef 1:55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,), want die wordt altijd uitgevoerd. Het gaat om de wensende wil van God, om Zijn verlangen (Mt 23:3737Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.), waartegen de mens in zijn verantwoordelijkheid zich kan verzetten.

Het tweede deel van Gods verlangen is dat alle mensen “tot kennis van [de] waarheid komen”. De behoudenis is geen doel op zichzelf. Zo werd Gods oude volk Israël verlost met een doel. Dat doel was dat God te midden van hen zou wonen. Zo is ook het nieuwtestamentische volk van God bevrijd uit de macht van de wereld om een woonplaats van God in de Geest te zijn (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.). Dat wordt beleefd als gelovigen als gemeente samenkomen met de Heer Jezus in hun midden (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

De “waarheid” is de waarheid over de persoon van de Heer Jezus. Hij is de waarheid (Jh 14:66Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.). We vinden alles over Hem in de Bijbel, het Woord dat de waarheid is (Jh 17:1717Heilig hen door de waarheid: Uw woord is [de] waarheid.). De kennis van de waarheid wordt verkregen in de gemeente van de levende God. De gemeente is namelijk de pilaar en grondslag van de waarheid (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). In de praktijk betekent dit dat een pas bekeerde zich bij een plaatselijke gemeente moet voegen. De plaatselijke gemeente is daar te herkennen waar de kenmerken aanwezig zijn die de hele gemeente heeft.

Enkele kenmerken zijn:
1. Het lichaam van Christus wordt daar gezien (1Ko 12:2727En u bent [het] lichaam van Christus en ieder afzonderlijk leden.);
2. de orde in de gemeente als het huis van God wordt er gehandhaafd door het gezag van de Heer Jezus te erkennen dat Hij uitoefent door zijn Woord en Geest (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.);
3. men ijvert ernaar de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede (Ef 4:2-32terwijl u in alle nederigheid en zachtmoedigheid met lankmoedigheid elkaar in liefde verdraagt3[en] u beijvert de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede:);
4. de zonde in de plaatselijke gemeente en in eigen leven wordt geoordeeld (1Ko 5:1313Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.; 11:3131Als wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet geoordeeld worden;).

Lees nog eens 1 Timotheüs 2:1-4.

Verwerking: Welke plaats neemt het gebed in jouw leven in?


De middelaar – bidden van mannen

5Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus, 6Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen, [volgens] het getuigenis op zijn eigen tijd; 7waartoe ik gesteld ben als prediker en apostel – ik zeg [de] waarheid, ik lieg niet –, als leraar van [de] volken in geloof en waarheid. 8Ik wil dan dat mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist.

V55Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus,. Door het woord “want” is vers 55Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus, verbonden met het voorgaande. Nu volgt hoe mensen behouden kunnen worden en wat de waarheid is die zij moeten leren kennen. Dat alle mensen zondaren zijn, is duidelijk. Dat er één God is, is ook duidelijk. Deze waarheid is niet nieuw. Het is de geloofsbelijdenis van de Israëlieten in het Oude Testament (Dt 6:44Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één!; Js 43:10-1110U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,
opdat u het weet en Mij gelooft,
en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:
vóór Mij is er geen God geformeerd
en na Mij zal er geen zijn.
11Ik, Ik ben de HEERE,
buiten Mij is er geen Heiland.
; Zc 14:99De HEERE zal Koning worden over heel de aarde.
Op die dag zal de HEERE de Enige zijn
en Zijn Naam de enige.
)
. Zij waren geroepen van die waarheid te getuigen in de wereld met zijn veelgodendom om hen heen. Die waarheid kom je onveranderd in het Nieuwe Testament tegen (Rm 3:2929Is [God] alleen de God van [de] Joden? Niet ook van [de] volken? Ja, ook van de volken;, 1Ko 8:4-64wat dan het eten van de afgodenoffers betreft, wij weten dat een afgod niets is in [de] wereld, en dat er geen God is dan Eén.5Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in [de] hemel, hetzij op aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn),6dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.; Gl 3:2020Een middelaar nu is niet [middelaar] van één, maar God is één.; Jk 2:1919U gelooft dat God één is? Daar doet u goed aan; de demonen geloven dat ook en zij sidderen.).

Maar het Nieuwe Testament laat wel iets zien wat in het Oude Testament niet bekend is. Dat nieuwe is dat de ene God Zich in drie Personen doet kennen: Vader, Zoon en Heilige Geest (Mt 28:1919Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen, hen dopend tot de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en hen lerend te bewaren alles wat Ik u heb geboden.). Dat is gebeurd toen de Heer Jezus op aarde kwam (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.; Ko 1:1919Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen). In dit nieuwe zie je tevens het middel dat God heeft gegeven om zondaren te behouden. De Heer Jezus is namelijk de Middelaar tussen God en mensen. Een middelaar was nodig, omdat God in Zijn heiligheid de mens in zijn zondigheid niet in Zijn tegenwoordigheid kan dulden (vgl. Jb 9:3333Er is geen scheidsrechter tussen ons,
[die] zijn hand op ons beiden kan leggen.
)
.

Er worden drie belangrijke feiten over de middelaar genoemd:
1. Er is slechts “één Middelaar”. Er is dus slechts één weg tot redding (“de weg”, Jh 14:66Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.), slechts één Persoon om door behouden te worden (Hd 4:1212En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden.). Elk alternatief om behouden te worden moet je als leugen en bedrog van de hand wijzen. Het is de dwaasheid van het ongeloof om Maria of bepaalde heiligen de plaats van middelaar(es) te geven.
2. De Middelaar is een Mens, “de Mens Christus Jezus”. Om Gods heiligheid te kennen en daaraan voldoening te schenken moet de Middelaar God zijn. Christus is God (Rm 9:55tot hen behoren de vaderen, en uit hen is naar [het] vlees de Christus, Die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid. Amen.). Maar om in de plaats van mensen het noodzakelijke verzoeningswerk te volbrengen moest Hij aan de mensen gelijk worden (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,). Alleen als Mens kon Hij Middelaar zijn, niet als de eeuwi­ge Zoon.
3. V66Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen, [volgens] het getuigenis op zijn eigen tijd;. De Middelaar heeft “Zichzelf gegeven” (Gl 1:44Die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader,; 2:2020Ik ben met Christus gekruisigd en ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu leef in [het] vlees, leef ik door [het] geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.; Ef 5:22en wandelt in liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offerande en een slachtoffer voor God tot een welriekende reuk.; 5:2525Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven,; Tt 2:1414Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken.). Meer was niet mogelijk, minder zou niet voldoen. Door Zichzelf te geven heeft Hij de noodzakelijke losprijs betaald. Niemand anders (Ps 49:88Niemand [van hen] kan [zijn] broeder metterdaad verlossen,
hij kan God zijn losgeld niet geven.
)
dan Hij kon de losprijs betalen, omdat Hij Zelf zonder zonde was.

Hij heeft de losprijs betaald “voor allen”. Het woord ‘voor’ betekent hier niet ‘in plaats van’, maar ‘ten behoeve van’ of ‘zich uitstrekkend tot’ (2Ko 5:1515En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem Die voor hen is gestorven en opgewekt.). De losprijs is zo groot, dat allen behouden kunnen worden; maar alleen zij die Hem in het geloof aannemen, worden behouden (Mt 20:2828zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.).

Van dit geweldige gebeuren is “op zijn eigen tijd”, dat wil zeggen precies op de juiste tijd, niet te vroeg en niet te laat, getuigenis gegeven. Toen Christus naar de hemel ging en de Heilige Geest op aarde kwam, was de tijd voor dit getuigenis aangebroken. Eerder kon dit getuigenis niet worden gegeven, want toen was Christus nog niet gestorven en de losprijs nog niet betaald. Hij stierf op de juiste tijd (Rm 5:66Want toen wij nog krachteloos waren, is Christus te rechter tijd voor goddelozen gestorven.). De prediking is ook op de juiste tijd de wereld ingegaan om het enige middel aan te kondigen dat volmaakt geschikt is gebleken om te beantwoorden aan de behoeften van de mens.

V77waartoe ik gesteld ben als prediker en apostel – ik zeg [de] waarheid, ik lieg niet –, als leraar van [de] volken in geloof en waarheid.. Voor het geven van dit getuigenis had God een bijzonder werktuig voorbereid en aangesteld. Dat is Paulus (Hd 26:16-1816Maar sta op en ga op je voeten staan; want daartoe ben Ik je verschenen, om je voor te bestemmen tot een dienaar en getuige zowel van wat je <van Mij> hebt gezien als van dat waarin Ik je zal verschijnen,17terwijl Ik je wegneem uit het volk en uit de volken, tot welke Ik je zend om hun ogen te openen,18opdat zij zich bekeren van [de] duisternis tot [het] licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij.). Hij is een “prediker” of heraut, dat is iemand die officiële mededelingen namens een heerser doet. Zo is de boodschap van de behoudenis gepredikt. Paulus is ook “apostel”. Hij is een speciale gezant die met volmacht van zijn Heer komt. Bij ‘prediker’ staan de mensen tot wie hij is gezonden op de voorgrond. Bij ‘apostel’ staat zijn Zender op de voorgrond. Omdat zijn apostelschap nog wel eens in twijfel werd getrokken, beklemtoont hij dit met “ik zeg de waarheid, ik lieg niet”.

Ten slotte is hij ook nog ”leraar van [de] volken”. Hij geeft onderwijs over wat de Heer hem heeft toevertrouwd. Zijn dienst is niet beperkt tot Israël, maar overschrijdt de nationale grenzen. Geen natie kan zijn dienst als exclusief voor die natie opeisen. God heeft van deze vurige Joodse nationalist niet alleen een prediker en apostel gemaakt, maar in hem ook een buitengewone openbaring van Zijn genade naar de volken toe gegeven.

Zijn dienst vindt plaats “in [dat is: in de sfeer van] geloof en waarheid” en niet in de sfeer van sociale verbetering of theologische discussie. Hij vervult zijn opdracht in geloof en waarheid. In geloofsvertrouwen predikt hij, oefent hij zijn apostelschap uit en leert hij. Al zijn uitspraken zijn in overeenstemming met de waarheid. Daarom is het zo belangrijk zijn dienst zonder enig verzet te aanvaarden.

Bij Timotheüs is natuurlijk geen sprake van verzet. Maar omdat hij toch wat timide is, stelt Paulus, om hem te bemoedigen, hem nog eens krachtig zijn bediening voor. Timotheüs moet dus niet onder de indruk komen van tegenstanders die de dienst van Paulus onderuit proberen te halen. Deze bekrachtiging heb jij eveneens nodig, want ook vandaag zijn er mensen die je willen vertellen dat Paulus het ook niet allemaal even duidelijk ziet.

V88Ik wil dan dat mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist.. Tegen de achtergrond van het gezag dat Paulus is gegeven, hoor je in vers 88Ik wil dan dat mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist. “ik wil”. Dat moet je dus niet opvatten als een vriendelijk verzoek, maar als een apostolisch bevel. Het bevel luidt: bidden! Dit bevel wordt tot “de mannen” gericht omdat het gaat om het bidden in het openbaar. Dat blijkt uit de plaatsaanduiding “in elke plaats”. Hiermee wordt elke plaats bedoeld, waar men ook maar als gelovigen samenkomt, ongeacht het gebouw of het doel (vgl. 1Ko 1:22aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan [de] geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, in elke plaats, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, zowel hun als onze [Heer]:; 2Ko 2:1414En God zij dank, Die ons altijd in triomf omvoert in Christus en de reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt op elke plaats.; 1Th 1:88Want van u uit heeft het Woord van de Heer weerklonken, niet alleen in Macedonië en in Achaje, maar in elke plaats is uw geloof jegens God uitgegaan, zodat wij daarvan niets hoeven te zeggen;).

De Schrift spreekt meer dan eens over biddende vrouwen (1Sm 2:11Toen bad Hanna en zei:
Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE,
mijn hoorn is opgeheven in de HEERE;
mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden,
want ik verheug mij in Uw heil.
; Lk 1:4646En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heer groot,; 2:3737En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.)
. Maar het is de vrouw niet toegestaan om in een openbare samenkomst waar ook mannen aanwezig zijn, namens het geheel voor te gaan in gebed (1Ko 11:5-105en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde alsof zij geschoren was.6Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook [maar] het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw een schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken.7Want [de] man behoort zijn hoofd niet te dekken, daar hij [het] beeld en [de] heerlijkheid van God is; maar de vrouw is [de] heerlijkheid van [de] man.8Want [de] man is niet uit [de] vrouw, maar [de] vrouw uit [de] man;9want [de] man is ook niet geschapen om de vrouw, maar [de] vrouw om de man.10Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen.; 14:34-3534Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt.35En als zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen; want het is schandelijk voor een vrouw te spreken in [de] gemeente.).

In de christenheid kom je een onbijbelse inperking en een onbijbelse verruiming van dit bevel tegen. De inperking is dat slechts één man het openbaar gebed doet. De verruiming is dat zowel mannen als vrouwen het openbaar gebed doen. Een gevaar bij hen die beide onbijbelse praktijken afwijzen, is dat deze belangrijke dienst aan slechts enkelen wordt overgelaten en niet alle mannen bidden. De mannen worden als klasse aangesproken, in onderscheid met de vrouwen als klasse. Het betreft het geheel van de mannen, alle mannen, en niet een speciale klasse onder hen. Bidden vereist geen gave of een speciaal gevoel.

Bidden vereist wel iets anders en dat zijn “heilige handen”. Zij die openbaar bidden, behoren in hun daden (‘handen’) heilig te zijn. Hun gedrag moet in overeenstemming zijn met Hem tot Wie zij bidden. De “opheffing” van de handen geeft de toen gebruikelijke gebedshouding aan. Er is in de Schrift ook sprake van andere gebedshoudingen, zoals knielen (Dn 6:1111Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. [Op] drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.; Hd 20:3636En toen hij dit had gezegd, knielde hij neer en bad met hen allen.; Ef 3:1414Om deze oorzaak buig ik mijn knieën voor de Vader <van onze Heer Jezus Christus>,), staan (Gn 18:22-2322Toen keerden die mannen vandaar om en gingen naar Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor het aangezicht van de HEERE.23En Abraham kwam dichterbij en zei: Zult U ook de rechtvaardige [tegelijk] met de goddeloze wegvagen?), op het aangezicht liggend (Jz 5:1414Hij zei: Nee, maar Ik ben de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Nu ben Ik gekomen. Toen wierp Jozua zich met het gezicht ter aarde, boog zich neer en zei tegen Hem: Wat [wil] mijn Heere tot Zijn dienaar spreken?), zittend (2Sm 7:1818Toen ging koning David [de heilige tent] binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?). De apostel geeft geen voorschrift voor één specifieke de gebedshouding.

Niet alleen de daden, maar ook het innerlijk en de woorden moeten passen bij het zoeken van Gods aangezicht. “Toorn en twist” blokkeren de weg tot God. Het woord ’toorn’ met betrekking tot mensen beschrijft een innerlijke hartstocht die uitbreekt in een ongecontroleerd, onbeheerst temperament. Geen element daarvan mag de heilige sfeer van het gebed binnendringen. ‘Twist’ is discussie, met een ander in woordenstrijd zijn. Het gebed mag niet ontaarden in een woordenvloed naar de hemel om de ander ervan langs te geven. Wie de heiligen in zo’n heilige activiteit leiden, moeten rein zijn in motief en gedrag.

Als je een vrouw bent, zul je net zo goed ‘heilige handen’ moeten hebben om gehoord te worden en zal je gebed ‘zonder toorn en twist’ moeten plaatsvinden om geen blokkade te ondervinden. Maar het ‘gebedsgebod’ is gericht tot de man. Als je man bent, weet je wat er met betrekking tot het gebed van je wordt verwacht.

Lees nog eens 1 Timotheüs 2:5-8.

Verwerking: Wat zijn de kenmerken van de Heer Jezus als de Middelaar? Iemand die voorgaat in gebed is in zekere zin ook een middelaar. Wat zijn van zo iemand de kenmerken?


Vrouwen

9Evenzo dat <ook> vrouwen zich tooien in waardige kleding met bescheidenheid en ingetogenheid, niet met haarvlechten en goud of parels of kostbare kleding; 10maar – zoals het vrouwen past die belijden Godvrezend te zijn – door goede werken. 11Een vrouw moet zich stil, in alle onderdanigheid laten leren; 12maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn. 13Want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva; 14en Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding. 15Maar zij zal bewaard blijven tijdens het ter wereld brengen van kinderen, als zij blijven in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.

V99Evenzo dat <ook> vrouwen zich tooien in waardige kleding met bescheidenheid en ingetogenheid, niet met haarvlechten en goud of parels of kostbare kleding;. Na het speciale bevel voor de mannen, als klasse, volgt er nu een speciaal bevel voor de vrouwen, ook als klasse. Het woord “evenzo” waarmee Paulus over de vrouwen begint te schrijven, slaat terug op ‘ik wil’ in vers 88Ik wil dan dat mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist.. De zin is dus: ‘Evenzo wil ik dat …’ Hij bedoelt dus niet dat de vrouwen ‘evenzo zouden bidden’. Nee, hij wil dat ook de vrouwen een bijdrage leveren aan het getuigenis van God in de wereld. De mannen leveren een hoorbare bijdrage. Van de vrouw zegt Paulus dat zij in haar uiterlijk een zichtbare bijdrage behoort te leveren.

Als Paulus het over het uiterlijk van de vrouw gaat hebben, volgt geen modevoorschrift. Hij wil haar vertellen dat de kracht van haar getuigenis ligt in haar verschijning en haar houding. Het gaat hier om de samenhang tussen haar kleding en haar christelijke karakter en getuigenis. Het betreft de uitstraling die zij heeft in de samenkomsten, maar ook in het openbare leven.

Daarbij zijn twee kenmerken van belang: “bescheidenheid” (of schaamte) en “ingetogenheid”. De christenvrouw zal niet de aandacht op zichzelf willen vestigen. Dat zou ze kunnen doen “met haarvlechten en goud of parels of kostbare kleding”. Je leest hier geen verbod om het haar te vlechten of sieraden of dure kleding te dragen. Wat niet mag, is deze dingen doen om de aandacht op zichzelf te vestigen. Het lange haar is haar eer (1Ko 11:1515Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.) en het is een schande als ze het afknipt (1Ko 11:66Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook [maar] het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw een schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken.), maar het is evengoed een antigetuigenis als ze veel geld en tijd besteedt om haar lange haar in allerlei kunstige vlechtwerken te (laten) draaien om ermee te pronken.

V1010maar – zoals het vrouwen past die belijden Godvrezend te zijn – door goede werken.. Na dingen waardoor ze niet moet opvallen, komt wat wel bij haar gezien mag worden, namelijk “goede werken”. Dit zijn werken die voortkomen uit het geloof. Ze zijn een vrucht van de nieuwe mens (Ef 2:1010Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.). Ze zijn in hun karakter nutbrengend en anderen ervaren het nut daarvan. Voorbeelden van vrouwen die goede werken hebben gedaan, zie je in Maria (Mt 26:7-107kwam bij Hem een vrouw met een albasten fles met zeer kostbare balsem en goot die uit op Zijn hoofd, terwijl Hij aanlag.8Toen nu de discipelen dit zagen, namen zij het [haar] zeer kwalijk en zeiden: Waartoe die verkwisting?9Want deze had duur verkocht en aan [de] armen gegeven kunnen worden.10Jezus echter, Die dit wist, zei tot hen: Waarom valt u de vrouw lastig? Want zij heeft een goed werk aan Mij verricht.), Fébe (Rm 16:1-21Ik nu beveel u Fébe aan, onze zuster, die <ook> een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is,2opdat u haar ontvangt in [de] Heer, op een wijze de heiligen waardig, en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig mocht hebben; want ook zijzelf heeft bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf.), Lydia (Hd 16:14-1514En een vrouw genaamd Lydia, een purperverkoopster van [de] stad Thyatira, die God vereerde, hoorde toe; en de Heer opende haar hart, zodat zij acht gaf op wat door Paulus werd gesproken.15Toen zij nu was gedoopt en haar huis, verzocht zij ons aldus: Als u van oordeel bent dat ik de Heer trouw ben, komt dan in mijn huis en blijft er. En zij drong er bij ons op aan.) en Dorkas (Hd 9:36-3936Nu was er te Joppe een discipelin, genaamd Tabitha, wat vertaald wil zeggen: Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en weldaden die zij deed.37Het gebeurde nu in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en nadat zij haar hadden gewassen, legden zij haar in een bovenzaal.38Daar nu Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden dat Petrus daar was, twee mannen tot hem om hem aan te sporen: Kom zonder dralen naar ons toe.39En Petrus stond op en ging met hen mee; en toen hij was aangekomen, brachten zij hem naar de bovenzaal. En al de weduwen stonden wenend bij hem en toonden de onderklederen en mantels die Dorkas had gemaakt toen zij bij hen was.). Je leest ook van vrouwen die de Heer dienden met hun goederen (Lk 8:2-32en enige vrouwen die van boze geesten en ziekten waren genezen: Maria, Magdalena geheten, van wie zeven demonen waren uitgegaan,3en Johanna, [de] vrouw van Chusas, zaakwaarnemer van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die hen dienden met hun bezittingen.).

Paulus zegt dit tot “vrouwen … die belijden Godvrezend te zijn”. Van hen mag hij een gedrag verwachten dat bij hun belijdenis past. Er moet harmonie zijn tussen leer en leven, anders laat het leven valse noten horen. Als jij, als christenvrouw, belijdt Godvrezend te zijn, als je zegt dat je hart gevuld is met eerbied voor God, zal dat in je kleding en in je daden tot uiting komen.

V1111Een vrouw moet zich stil, in alle onderdanigheid laten leren;. Na iets gezegd te hebben over de algemene houding van de vrouw in de openbaarheid als een getuigenis voor God zegt Paulus vervolgens iets over haar houding ten opzichte van de man. Hij begint ermee dat zij “stil” moet zijn. Ook dit zul je moeten zien in verband met het optreden in het openbaar (1Ko 14:3434Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt.) en niet in verband met persoonlijke gesprekken of in de huiselijke sfeer. Van nature zal de vrouw niet naar een plaats op de voorgrond zoeken. Maar de geest van de wereld gaat ook de christenvrouw niet voorbij, waardoor ze wordt gestimuleerd wel naar voren te komen en zich te laten gelden.

Ook de houding en gezindheid “in alle onderdanigheid” hoeft in de wereld niet op bijval te rekenen. Het gaat er echter niet om hoe de wereld iets waardeert, maar hoe God het waardeert. Door haar onderdanigheid wordt duidelijk dat haar ‘stil’ zijn geen teken is van bitterheid of slavernij, maar dat het voortkomt uit een bereidwillig aanvaarden van en leven in de sfeer die de Schrift aan vrouwen geeft. Het gaat niet om onderwerping aan de man, maar aan de waarheid van de Schrift. Daarom zal ze zich ook willen “laten leren”. Ze zal aandachtig luisteren en opletten om alles op te nemen wat tot haar geestelijke groei en zegen dient.

V1212maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn.. Dan klinkt in de woorden “ik sta … niet toe” een nieuw apostolisch bevel met betrekking tot het optreden van de vrouw bij openbare gelegenheden. Het bevel houdt in dat de vrouw niet de plaats van leraar mag innemen en dat zij niet over de man mag heersen. Het leerverbod is algemeen en geldt ook in situaties waar ze alleen met vrouwen is. Ze mag wel profeteren (als ze het hoofd bedekt, 1Ko 11:55en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde alsof zij geschoren was.), want dat is de waarheid van Gods Woord toepassen op het dagelijks leven. Ook mag ze een lerares “van het goede” zijn (Tt 2:3-53de oude vrouwen eveneens in [hun] gedrag zoals het heiligen past, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, leraressen van het goede, …4opdat zij de jonge vrouwen inscherpen hun mannen en kinderen lief te hebben,5ingetogen te zijn, kuis, huishoudelijk, goed, aan hun eigen mannen onderdanig, opdat het Woord van God niet gelasterd wordt.).

De vrouw mag ook niet domineren of gezag uitoefenen over de man. Als de vrouw heerst over de man, worden de rollen, zoals die door God zijn vastgesteld, omgedraaid. Leren en heersen zijn haar niet gegeven.

De kracht van haar getuigenis ligt in haar “stil zijn” (vgl. 1Pt 3:1-61Evenzo, vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, opdat, ook als sommigen ongehoorzaam zijn aan het Woord, zij door de wandel van hun vrouwen zonder woord gewonnen worden,2wanneer zij uw kuise wandel in vrees hebben opgemerkt.3Laat uw versiering niet de uiterlijke zijn: [het] vlechten van [het] haar en [het] omhangen van gouden [dingen] of [het] aantrekken van kleren,4maar de verborgen mens van het hart, in de onvergankelijke [versiering] van de zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God.5Want zo versierden zich vroeger ook de heilige vrouwen die hun hoop op God stelden, terwijl zij aan hun eigen mannen onderdanig waren;6zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem ‘heer’ noemde; en haar kinderen bent u geworden, als u goeddoet en geen enkele verschrikking vreest.). De zin begint in vers 1111Een vrouw moet zich stil, in alle onderdanigheid laten leren; met ‘stil’ en eindigt hier in vers 1212maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn. met ‘stil’. Daardoor wordt er wel een bijzondere nadruk op gelegd. Overigens mogen mannen zich wel afvragen hoe het komt dat vrouwen ertoe komen om te willen leren en heersen. Nemen mannen wel hun verantwoordelijkheid?

V13-1413Want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva;14en Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding.. In de verzen 13-1413Want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva;14en Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding. geeft Paulus twee redenen voor het gebod van vers 1212maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn.. Die twee redenen vindt hij helemaal aan het begin van de Bijbel. Toen heeft God dingen bepaald en zijn er dingen gebeurd die Hij heeft laten vastleggen in Zijn Woord, opdat daar altijd naar verwezen zou kunnen worden. Zo wijst ook de Heer Jezus terug naar het begin als Hij vragen krijgt over de man-vrouw verhouding (Mt 19:44Hij antwoordde echter en zei: Hebt u niet gelezen dat Hij Die hen heeft geschapen, hen van [het] begin af als man en vrouw heeft gemaakt).

De eerste reden die Paulus voor zijn gebod geeft, is de volgorde waarin Adam en Eva zijn geschapen (vers 1313Want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva;). Adam, de man, is als eerste een zelfstandig levend wezen met een specifieke opdracht. Pas toen God met betrekking tot de schepping en de taak van Adam alles geregeld had, vormde Hij Eva. Zo maakte Hij het vrouwelijke afhankelijk van het mannelijke.

Als tweede reden noemt Paulus de zondeval (vers 1414en Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding.). De scheppingsorde toont aan hoe God het verordend heeft. De zondeval toont aan hoe de man is en hoe de vrouw is. De vrouw kan gemakkelijk verleid worden. In de aanloop naar de zondeval speelde Adam niet de hoofdrol. De satan richtte zich niet tot hem. Hij werd wel meegetrokken in die dramatische gebeurtenis, maar niet als gevolg van verleiding. De man doet meer verstandelijk overwegend de dingen en is daardoor meer geschikt om te leren.

Dat de vrouw niet mag leren, vloeit niet voort uit het feit dat ze lichtgeloviger zou zijn dan de man. Het gaat erom dat als zij leert, zij haar plaats verlaat en de gevolgen dan fataal zijn, zoals gebleken is bij de zondeval. De zondeval toont niet haar lichtgelovigheid aan, maar het verlaten van haar plaats als vrouw. Daarmee verdraaide ze de Goddelijke orde en Adam accepteerde met open ogen haar leiderschap met de catastrofale gevolgen.

God heeft bepaald dat de vrouw afhankelijk is van de man. Haar houding tegenover de man is die van een “zwakker vat” (1Pt 3:77Mannen, evenzo, woont bij hen met verstand als bij een zwakker vat, het vrouwelijke, en bewijst hun eer, omdat zij ook mede-erfgenamen van [de] genade van [het] leven zijn, opdat uw gebeden niet verhinderd worden.). De duivel vond ingang bij haar door te appelleren aan haar gevoel en “de vrouw werd verleid” (2Ko 11:33Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus.). Het is niet voor niets dat Johannes zijn tweede brief, die over dwaalleraren gaat, richt aan een vrouw (2Jh 1:11De oudste aan [de] uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid kennen,). Zij moet vooral uitkijken zich niet te laten verleiden.

Eva overschreed de grens die God om haar heen had getrokken. Zij “viel in overtreding” betekent dan ook letterlijk dat zij ‘een grens overschreed’. Man en vrouw worden in hun getuigenis voor God bewaard als zij ieder blijven binnen de grenzen die God voor hen heeft vastgesteld.

V1515Maar zij zal bewaard blijven tijdens het ter wereld brengen van kinderen, als zij blijven in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.. Het gedeelte tot de vrouw eindigt met een bijzondere blijk van Gods genade die alleen door de gelovige vrouw kan worden beleefd. Na de zondeval die door haar schuld is gebeurd, wordt door God aan het ter wereld brengen van kinderen smart verbonden (Gn 3:1616Tegen de vrouw zei Hij:
Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken;
met pijn zult u kinderen baren.
Naar uw man zal uw begeerte uitgaan,
maar hij zal over u heersen.
)
. Maar in die smart is bewaring mogelijk. Voorwaarde is dat “zij blijven in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid”. Dit ziet op de sfeer waarin ze is binnengegaan toen ze tot geloof kwam. Haar ‘ingetogenheid’ betekent dat zij gezond blijft denken over deze sfeer en zich niet opnieuw laat verleiden tot het innemen van een plaats die haar niet past.

Hiermee is niet alles gezegd wat er over dit laatste vers te zeggen is. Er is wel opgemerkt dat dit vers een van de moeilijkst te verklaren verzen van het Nieuwe Testament is. Dit vers roept vragen op, waarop niet zomaar een antwoord is te geven. Denk maar aan Godvrezende vrouwen die niet bij de bevalling bewaard zijn gebleven, maar gestorven zijn. En wat te denken van vrouwen die geen kinderen kunnen krijgen of die ongetrouwd blijven.

Ik denk dan ook dat Paulus hier een algemene aanwijzing geeft met het oog op de bijzondere plaats die de vrouw door God in de schepping is gegeven. Als een tegenhanger van het voorgaande wil Paulus de vrouw duidelijk maken, waarom God haar heeft geschapen. Zij vindt de zin van haar leven in de vervulling van Gods bestemming voor haar en dat is haar rol als vrouw en moeder. Daarin vindt zij haar grootste voldoening en niet in het overnemen van de rol van de man.

Het is zeker waar dat God ook voor de kinderloze vrouw (vgl. Js 54:11Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
)
en voor de ongetrouwde vrouw (1Ko 7:3434Er is ook onderscheid tussen de vrouw en de maagd. De ongetrouwde wijdt haar zorg aan de dingen van de Heer om heilig te zijn, zowel naar het lichaam als naar de geest; maar de getrouwde wijdt haar zorg aan de dingen van de wereld, hoe zij haar man zal behagen.) een plan heeft, maar daarover gaat het hier niet.

Lees nog eens 1 Timotheüs 2:9-15.

Verwerking: Waarin ligt de kracht van het getuigenis van de vrouw?


Lees verder