1 Timotheüs
1-4 Zegenwens en aansporing 5-7 Het doel van het bevel 8-11 Wet en evangelie 12-14 Vroeger en nu 15-17 Lofprijzing 18-20 Profetieën en de goede strijd
Zegenwens en aansporing

1Paulus, apostel van Christus Jezus naar [het] bevel van God, onze Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop, 2aan Timotheüs, [mijn] echt kind in [het] geloof: genade, barmhartigheid en vrede van God <de> Vader en van Christus Jezus, onze Heer. 3Blijf, zoals ik je toen ik naar Macedonië reisde aangespoord heb, nog in Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen 4en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in [het] geloof is.

V11Paulus, apostel van Christus Jezus naar [het] bevel van God, onze Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop,. Paulus is de afzender. Hij wijst op zijn apostelschap. “Apostel” wil zeggen gezondene. Hij is gezonden door “Christus Jezus”. De naam van zijn Zender bepaalt je bij de Heer Jezus, zoals Hij nu is in de hemel (‘Christus’) en zoals Hij eens in vernedering op aarde was (‘Jezus’). De Heer Jezus is door God gemaakt tot ‘Christus’, nadat Hij als de door mensen verachte ‘Jezus’ het werk op het kruis had volbracht (Hd 2:3636Laat het hele huis van Israël dan zeker weten, dat God Hem zowel tot Heer als tot Christus heeft gemaakt, deze Jezus Die u hebt gekruisigd.). Eens zal elk wezen in het heelal de knie voor Jezus buigen en Hem als Heer belijden (Fp 2:10-1110opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.).

Paulus heeft zijn knieën al gebogen. Hij heeft zich aan de Heer Jezus onderworpen. Paulus’ apostelschap is geen keus van hemzelf, hij heeft er niet naar gesolliciteerd. Hij is apostel omdat hij daartoe een “bevel”, een opdracht, heeft gekregen van gezaghebbende Personen. Het is onmogelijk zich daaraan te onttrekken. Dat wenst hij ook niet (vgl. 1Ko 9:17b17Want als ik het vrijwillig doe, heb ik loon; maar als ik het onvrijwillig [doe], mij is een rentmeesterschap toevertrouwd.). Hij heeft met inzet van al zijn krachten zijn taak verricht (vgl. 1Ko 9:19-2119Want terwijl ik vrij ben van allen, heb ik mij allen tot slaaf gemaakt om er zoveel mogelijk te winnen.20En ik ben de Joden geworden als een Jood, om [de] Joden te winnen; hun die onder [de] wet zijn, als onder [de] wet (hoewel ik zelf niet onder [de] wet ben), om hen die onder [de] wet zijn te winnen;21hun die zonder wet zijn, als zonder wet (hoewel ik niet zonder wet voor God ben, maar aan Christus wettelijk onderworpen), om hen die zonder wet zijn te winnen.).

Zijn Opdrachtgevers zijn twee Goddelijke Personen. De namen van deze Personen zijn veelzeggend. Ze geven aan dat Gods volk zich in verval bevindt. Zo noemt God Zich in Jesaja 45 “Heiland”, wanneer het einde van Israël nadert (Js 45:1515Voorwaar, U bent een God Die Zich verborgen houdt,
de God van Israël, de Heiland.
)
. Een Heiland of Verlosser is nodig als het einde van het bestaan van een volk of een mens in zicht komt. Hoe groot is God dat Hij Zich dan ook zo voorstelt (Lk 1:4747en mijn geest verheugt zich over God, mijn Heiland,; 1Tm 2:33Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland,; Tt 1:33die mij is toevertrouwd naar [het] bevel van God, onze Heiland;; 2:1010niet te ontvreemden, maar alle goede trouw te bewijzen, opdat zij de leer van God, onze Heiland, in alles versieren.; 3:44Maar toen de goedertierenheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, verschenen is,; Jd 1:2525[de] enige God onze Heiland, door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, vóór alle eeuwen, én nu, én tot in alle eeuwigheid! Amen.).

Paulus richt het oog van Timotheüs ook op “Christus Jezus, onze hoop”. Als er geen hoop meer is dat het met Gods volk als geheel nog goed komt, mag je weten dat voor jou persoonlijk de situatie toch niet hopeloos is. Als de Persoon van Christus Jezus in deze tijd van verval je enige hoop is, zul je te midden van het verval een weg kunnen gaan die op een bijzondere manier tot eer van God en de Heer Jezus is.

Samenvattend kun je zeggen: als alles heeft gefaald, stellen trouwe gelovigen hun hoop niet op kerken, oudsten of welk mens ook, maar zijn ze bezig met God hun Heiland en met Christus Jezus hun hoop. Zulke trouwe gelovigen kom je bijvoorbeeld tegen in Maleachi 3 (Ml 3:1616Dan spreken zij die de HEERE vrezen,
ieder tot zijn naaste:
De HEERE slaat er acht op en luistert.
Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht,
voor wie de HEERE vrezen
en wie Zijn Naam hoogachten.
)
en in Lukas 1 en 2. Daar tref je de situatie aan dat Gods volk niet meer aan God denkt, maar alleen aan zichzelf. Er zijn slechts enkelingen die rekening houden met God en van Hem hun verlossing verwachten en hun hoop op Hem vestigen.

V22aan Timotheüs, [mijn] echt kind in [het] geloof: genade, barmhartigheid en vrede van God <de> Vader en van Christus Jezus, onze Heer.. De brief is gericht aan Timotheüs. Over hem heb ik in de inleiding al enkele dingen gezegd. Paulus noemt hem zijn “echt kind in [het] geloof”. Timotheüs is zijn geestelijk kind. Hij heeft hem door het evangelie verwekt (vgl. 1Ko 4:1515Want al had u tienduizend leermeesters in Christus, dan hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het evangelie verwekt.; Gl 4:1919mijn kinderen, van wie ik opnieuw in barensweeën ben, totdat Christus gestalte in u krijgt.). Maar ook in zijn leven als gelovige is Timotheüs zijn kind. Timotheüs heeft zoveel van ‘vader’ Paulus gezien en geleerd (2Tm 3:1010Maar jij hebt nauwkeurig nagevolgd mijn leer, mijn wijze van doen, mijn bedoeling, mijn geloof, mijn lankmoedigheid, mijn liefde, mijn volharding,), dat Paulus veel van zichzelf in hem ziet. Zo bezit hij eenzelfde gezindheid (Fp 2:2020Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw uw belangen zal behartigen,) en is de dienst die hij doet, volledig in de lijn van de dienst van Paulus (1Ko 4:1717Daarom <juist> heb ik Timotheüs naar u toe gezonden, die mijn geliefd en trouw kind in [de] Heer is; die zal u mijn wegen, die in Christus <Jezus> zijn, in herinnering brengen, zoals ik overal in elke gemeente leer.; Fp 2:19-2219Maar ik hoop in [de] Heer Jezus Timotheüs spoedig naar u toe te zenden, opdat ook ik welgemoed mag zijn als ik uw omstandigheden weet.20Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw uw belangen zal behartigen,21want allen zoeken hun eigen [belang], niet dat van Jezus Christus.22En u kent zijn beproefdheid, dat hij, zoals een kind zijn vader, met mij in het evangelie heeft gediend.).

Dan volgt de zegenwens. In de aanhef van de brieven aan gemeenten luidt die steeds ‘genade en vrede’, maar hier luidt de zegenwens “genade, barmhartigheid en vrede”. Aan de gebruikelijke zegenwens is “barmhartigheid” toegevoegd. Dat is nu weer zo kenmerkend voor een brief aan een persoon. Je ziet het ook in de tweede brief aan Timotheüs, in de brief aan Titus en in de tweede brief van Johannes, die alle aan een persoon zijn gericht.

‘Genade’ bepaalt je bij je totale afhankelijkheid van God om tot Zijn eer te kunnen leven. In jou is niets aanwezig waardoor je God welgevallig kunt zijn. Het is belangrijk dat te beseffen, want dan ben je in de juiste houding om gebruik te maken van de genade die God in overvloed wil geven.

‘Barmhartigheid’ mag je van God verwachten met het oog op de ellendige situatie waarin je bent. Hij wil je helpen als je in nood bent en helpen opstaan als je gestruikeld bent.

‘Vrede’ is de innerlijke rust die je hebt als je op God vertrouwt (Js 26:3-43Het is [Uw] vaste voornemen:
U zult volkomen vrede bewaren,
want men heeft op U vertrouwd.4Vertrouw op de HEERE, tot in eeuwigheid,
want de HEERE HEERE is een eeuwige rots.
)
.

Paulus wijst Timotheüs voor het ontvangen van deze drie zegeningen op de bron ervan. Ze komen “van God <de> Vader en van Christus Jezus, onze Heer”. In vers 11Paulus, apostel van Christus Jezus naar [het] bevel van God, onze Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop, wordt God als Heiland voorgesteld. Nu hoor je over God de Vader. Dit is om je te bemoedigen terwijl er om je heen zoveel is waartegen je moet strijden. Je kunt altijd bij je Vader terecht om Hem je moeiten en zorgen, je strijd en verlangens te vertellen.

In vers 11Paulus, apostel van Christus Jezus naar [het] bevel van God, onze Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop, heb je ook gelezen over Christus Jezus als je hoop. Nu hoor je dat Hij ‘Heer’ is. Hij heeft gezag over je leven. Om dat waar te maken in je leven kun je bij Hem terecht voor genade, barmhartigheid en vrede.

V33Blijf, zoals ik je toen ik naar Macedonië reisde aangespoord heb, nog in Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen. Timotheüs krijgt van Paulus de opdracht om in Efeze te blijven, terwijl hij zelf verder naar Macedonië reist. Door de manier waarop Paulus dit tegen Timotheüs zegt, lijkt het erop dat hij een zachte aandrang moet gebruiken om Timotheüs daar te houden. De opdracht is dan ook niet eenvoudig voor de van nature schuchtere Timotheüs. De reden voor de opdracht is, dat de vijand probeert verschillende vormen van kwaad in de gemeente in Efeze in te voeren. En denk er maar om dat de vijand gebruik weet te maken van gewiekste praters, mensen die niet zomaar tot de orde zijn te roepen. Tegen hen moet Timotheüs optreden.

Misschien denk je: ‘Efeze, dat was toch een gemeente waarmee niets mis was? Die kenden toch de leer; Paulus heeft daar immers de hoogste waarheden van het christendom onderwezen?’ Maar hier zie je dat kennis van de hoogste waarheden geen garantie is tegen valse leringen. Als je niet blijft in de genade van God, zul je gaan dwalen. Alleen door te beseffen dat je door de genade van God weet wat je weet, blijf je daarvoor bewaard.

Timotheüs moet dus een einde maken aan verkeerde leringen die “sommigen” in Efeze brengen. Hij moet die ‘sommigen’ niet vriendelijk verzoeken op te houden met hun onstichtelijke bezigheden. Tegenover een andere leer dan “de gezonde leer” (vers 1010hoereerders, hen die bij mannen liggen, mensenrovers, leugenaars, meinedigen en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer,) mag geen enkele verdraagzaamheid zijn. Mensen die zich hieraan schuldig maken, moeten worden bevolen “geen andere leer te brengen”.

V44en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in [het] geloof is.. Die ‘andere leer’ uit zich op verschillende manieren. De verschijningsvormen worden in de verzen 4-114en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in [het] geloof is.5Het doel nu van het bevel is liefde uit een rein hart en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof.6Sommigen zijn daarvan afgeweken en hebben zich gewend tot zinloos gepraat.7Zij willen leraars van de wet zijn, zonder te begrijpen hetzij wat zij zeggen of waarover zij zich zo stellig uitspreken.8Maar wij weten dat de wet goed is als iemand haar wettig gebruikt,9doordat hij dit weet dat [de] wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar voor wettelozen en weerspannigen, voor goddelozen en zondaars, voor onheiligen en ongoddelijken, voor vadermoorders en moedermoorders, voor doodslagers,10hoereerders, hen die bij mannen liggen, mensenrovers, leugenaars, meinedigen en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer,11volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd. beschreven. In alle gevallen gaat het om een leer die in strijd is met de leer van de Schrift (vgl. Gl 1:77dat geen ander is; maar er zijn sommigen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien.; Hd 20:3030en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.). Daarbij is sprake van “fabels”, “geslachtsregisters” en “de wet”. De leringen die hiermee verband houden, stammen achtereenvolgens uit de menselijke fantasie, de menselijke nieuwsgierigheid en de menselijke godsdienstigheid. Het staat allemaal tegenover de waarheid die alleen ten doel heeft ons Christus voor te stellen.

In vers 44en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in [het] geloof is. gaat Paulus eerst in op de fabels en geslachtsregisters. ‘Fabels’ komen voort uit de verdorven geest van de mens. Het zijn voortbrengselen van de menselijke fantasie (2Pt 1:1616Want niet als navolgers van vernuftig verzonnen fabels hebben wij u de kracht en komst van onze Heer Jezus Christus bekendgemaakt, maar als ooggetuigen van Zijn majesteit.). Het zijn ideeën uit de wereld van de heidenen, ook al gaat het om fraaie theorieën uit de Griekse filosofiescholen. Daaraan mag in de gemeente absoluut geen ruimte worden geven. De opdracht luidt eenvoudig: je er niet mee bezighouden.

De ’eindeloze geslachtsregisters’ zijn een ander product van de verdorven geest van de mens. Ook daarvoor geldt: je er niet mee bezighouden. Het zijn de leringen van Joden over de afstamming van allerlei machten en goden. Ze dienen om de mens groot te maken en God buiten te sluiten. De mens die zich ermee bezighoudt, matigt zich aan te kunnen verklaren dat alle zegen die ons heeft bereikt het gevolg is van een proces (denk maar aan de evolutietheorie).

Je moet dit soort geslachtsregisters trouwens niet verwarren met de geslachtsregisters die je in het Woord van God vindt (1Kr 1-9; Mt 1:1-171Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.2Abraham verwekte Izaäk, en Izaäk verwekte Jakob, en Jakob verwekte Juda en zijn broers;3en Juda verwekte Perez en Zera bij Thamar; en Perez verwekte Hezron, en Hezron verwekte Ram,4en Ram verwekte Aminádab, en Aminádab verwekte Nahesson, en Nahesson verwekte Salmon,5en Salmon verwekte Boaz bij Rachab; en Boaz verwekte Obed bij Ruth; en Obed verwekte Isaï,6en Isaï verwekte David, de koning. En David verwekte Salomo bij de [vrouw] van Uria;7en Salomo verwekte Rehabeam, en Rehabeam verwekte Abia, en Abia verwekte Asa,8en Asa verwekte Josafat, en Josafat verwekte Joram, en Joram verwekte Uzzia,9en Uzzia verwekte Jotham, en Jotham verwekte Achaz, en Achaz verwekte Hizkia,10en Hizkia verwekte Manasse, en Manasse verwekte Amon, en Amon verwekte Josia,11en Josia verwekte Jechonia en zijn broers ten tijde van de wegvoering naar Babel.12En na de wegvoering naar Babel verwekte Jechonia Seálthiël; en Seálthiël verwekte Zerubbabel,13en Zerubbabel verwekte Abiud, en Abiud verwekte Eljakim, en Eljakim verwekte Azor,14en Azor verwekte Zadok, en Zadok verwekte Achim, en Achim verwekte Eliud,15en Eliud verwekte Eleazar, en Eleazar verwekte Matthan, en Matthan verwekte Jakob,16en Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus is geboren, Die Christus wordt genoemd.17Al de geslachten dus van Abraham tot David zijn veertien geslachten, en van David tot de wegvoering naar Babel veertien geslachten, en van de wegvoering naar Babel tot Christus veertien geslachten.). Die zijn door Gods Geest geïnspireerd en dienen dus Gods doel.

Je moet een leer beoordelen naar zijn uitwerking, de vruchten die hij voortbrengt. Als twistvragen het gevolg zijn, is de leer verdorven (Tt 3:99Maar vermijd dwaze twistvragen, geslachtsregisters, ruzie en twisten over de wet; want zij zijn nutteloos en inhoudsloos.). De godsdienstige arena is vol van twijfelaars en het weergalmt er van leeg gezwets. Gezonde leer bewerkt geen twistvragen, maar een gezonde geestelijke groei. Twistvragen laten de ziel in duisternis en twijfel. Ze geven geen zekerheid aan de zoekende ziel.

Twistvragen staan tegenover “Gods rentmeesterschap”. Hiermee wordt bedoeld: opdrachten en verantwoordelijkheden die God geeft en die vervuld moeten worden (Lk 16:2-132En hij riep hem en zei tot hem: Wat is dit dat ik van u hoor? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u kunt niet langer rentmeester zijn.3De rentmeester nu zei bij zichzelf: Wat moet ik doen? Want mijn heer neemt het rentmeesterschap van mij af. Graven kan ik niet, voor bedelen schaam ik mij.4Ik weet wat ik moet doen, opdat, wanneer ik uit het rentmeesterschap ben ontzet, zij mij in hun huizen opnemen.5En hij riep elk van de schuldenaars van zijn heer afzonderlijk bij zich en zei tot de eerste: Hoeveel bent u mijn heer schuldig?6En hij zei: Honderd vat olie. Hij nu zei tot hem: Neem uw schuldbekentenis, ga vlug zitten en schrijf vijftig.7Daarna zei hij tot een ander: En u, hoeveel bent u schuldig? Hij nu zei: Honderd mud tarwe. Hij zei tot hem: Neem uw schuldbekentenis en schrijf tachtig.8En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij met overleg had gehandeld; want de zonen van deze eeuw zijn verstandiger ten aanzien van hun eigen geslacht dan de zonen van het licht.9En Ik zeg u: maakt u vrienden met de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer die [u] ontvalt, men u ontvangt in de eeuwige tenten.10Wie trouw is in [het] minste, is ook in veel trouw; en wie in [het] minste onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig.11Als u dan in de onrechtvaardige Mammon niet trouw bent geweest, wie zal u het ware toevertrouwen?12En als u in dat van een ander niet trouw bent geweest, wie zal u het uwe geven?13Geen huisknecht kan twee heren dienen, want hij zal óf de een haten en de ander liefhebben, óf zich aan de een hechten en de ander verachten. U kunt niet God dienen en Mammon.; 1Ko 4:1-21Laat men ons zó beschouwen: als dienaren van Christus en rentmeesters van [de] verborgenheden van God.2Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden.; 1Pt 4:1010Naarmate ieder een genadegave heeft ontvangen, dient elkaar daarmee als goede rentmeesters van [de] veelvoudige genade van God.; 1Ko 9:1717Want als ik het vrijwillig doe, heb ik loon; maar als ik het onvrijwillig [doe], mij is een rentmeesterschap toevertrouwd.; Ef 3:2,92(waar u immers hebt gehoord van het rentmeesterschap van de genade van God, mij voor u gegeven,9en <voor allen> in het licht te stellen wat het rentmeesterschap is van de verborgenheid die van alle eeuwen verborgen was in God, Die alle dingen geschapen heeft;; Ko 1:2525waarvan ik een dienaar geworden ben overeenkomstig het rentmeesterschap van God dat mij gegeven is voor u, om het Woord van God te voleindigen:). Ieder kind van God, dus ook jij, heeft een opdracht en is verantwoordelijk die uit te voeren. En dat moet gebeuren “in geloof”, dat wil zeggen in volledig vertrouwen op Hem.

Lees nog eens 1 Timotheüs 1:1-4.

Verwerking: Ken jij je opdracht?


Het doel van het bevel

5Het doel nu van het bevel is liefde uit een rein hart en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof. 6Sommigen zijn daarvan afgeweken en hebben zich gewend tot zinloos gepraat. 7Zij willen leraars van de wet zijn, zonder te begrijpen hetzij wat zij zeggen of waarover zij zich zo stellig uitspreken.

V55Het doel nu van het bevel is liefde uit een rein hart en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof.. Paulus geeft een uitvoerige toelichting op het bevel dat Timotheüs sommigen moet geven. Als God iets beveelt, heeft dat altijd een doel. Het bevel hier luidt om op te houden met het verkeerde. Het verkeerde houdt Gods zegen tegen en als het verkeerde wordt weggedaan, kan de zegen weer vrij stromen. Dat gaat ook op in je persoonlijke leven. Deze toelichting laat Timotheüs zien waarom hij zonder aarzeling en direct die ‘sommigen’ de mond moet snoeren. Er komt dan namelijk weer ruim baan voor de liefde.

Liefde is het grote kenmerk van God. “God is liefde” (1Jh 4:8,168Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde.16En wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.). De liefde van God is in onze harten uitgestort (Rm 5:55en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door [de] Heilige Geest Die ons gegeven is.). Verkeerde leer blokkeert het uitstromen van die liefde, terwijl die vrij moet kunnen uitstromen naar God, naar de medegelovigen en naar de medemensen. Verkeerde leer bewerkt altijd het verderf, terwijl de liefde van God altijd het goede voor de ander zoekt. Deze liefde heeft in de gelovige drie bronnen. Alleen als de liefde uit die bronnen voortkomt, wordt het doel van het bevel bereikt.

De eerste bron is “een rein hart”. Vanuit je hart ontspringt je leven in al zijn uitingen (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
. Je hart moet rein zijn. Als er geen rein hart is, kan er geen zuivere liefde uit komen. Als je naar werelds vertier verlangt, als je van de zonde geniet, als je uit bent op je eigen eer, is je hart niet rein. In een rein hart heeft de zonde geen plaats. Een rein hart is een hart dat leeft in gemeenschap met God. De reinen van hart zullen God zien (Mt 5:88Gelukkig de reinen van hart, want zij zullen God zien.).

De tweede bron die van belang is voor een juiste werkzaamheid van de liefde, is “een goed geweten”. Een goed geweten is niet zozeer een geweten dat zich van niets kwaads bewust is, maar veelmeer een geweten dat goed functioneert. Het is een geweten dat is geoefend om je kenbaar te maken wat goed en kwaad is zoals God dat beoordeelt opdat je daarnaar ook handelt. Je krijgt geen slecht geweten door het feit dat de zonde nog in je is, maar alleen als het vlees in je werkzaam is en je dat niet wilt oordelen.

Als je je laat dopen, krijg je een goed geweten (1Pt 3:2121Dit behoudt nu ook u: [het] tegenbeeld [de] doop, die niet is een afleggen van onreinheid van [het] vlees, maar een vraag voor God van een goed geweten, door [de] opstanding van Jezus Christus,). Je laat je immers dopen, omdat je het oordeel van God erkent over alles wat niet bij Hem hoort, inclusief jezelf in je oude natuur. Met je doop zeg je dat je de kant hebt gekozen van de verworpen Jezus. Hem wil je volgen. Dat kan alleen vanuit het goede geweten verbonden met je doop. Dan kan het niet zo zijn dat je nog iets met de zonde te maken wilt hebben (Rm 6:2-32Volstrekt niet! Hoe zouden wij, die ten opzichte van de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?3Of weet u niet, dat wij allen die tot Christus Jezus gedoopt zijn, tot Zijn dood gedoopt zijn?). In dat geval zou je loochenen wat je in de doop hebt beleden en zou je je geweten besmetten (Tt 1:1515Voor de reinen is alles rein, maar voor de besmetten en ongelovigen is niets rein, maar zowel hun verstand als hun geweten is besmet.).

Overigens is je geweten op zichzelf niet de maatstaf van goed en kwaad. Het moet worden gevormd door het Woord van God. Kijk maar naar Paulus. Hij werd niet in zijn geweten aangeklaagd toen hij de gemeente vervolgde (Hd 23:11Terwijl nu Paulus de ogen op de Raad vestigde, zei hij: Mannen broeders, ik heb met een volkomen goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag.), maar wat hij deed, maakte hem wel tot de grootste van de zondaren (1Tm 1:1515Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.).

De derde bron van waaruit de liefde ongehinderd moet kunnen stromen, is “een ongeveinsd geloof”. ‘Ongeveinsd’ wil zeggen oprecht, zonder te huichelen. Het gaat er dus om dat je aangaande je geloof geen toneel speelt, dat je geloof geen lege belijdenis is, maar dat je in alles op God vertrouwt.

V66Sommigen zijn daarvan afgeweken en hebben zich gewend tot zinloos gepraat.. Als je hart en geweten niet in het licht van God blijven en je geloof alleen maar uiterlijke schijn is, zul je afwijken van de weg van de liefde. Dat beperkt zich hier nog tot “sommigen” (vers 33Blijf, zoals ik je toen ik naar Macedonië reisde aangespoord heb, nog in Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen). Bij hen zijn de zojuist genoemde bronnen niet aanwezig. De liefde ontbreekt en Gods werk wordt niet gedaan. Dan gaat het tegendeel gebeuren: je hoort alleen “zinloos gepraat”. Zo moet je alle gezwets, dat is hol en leeg geklets, waarderen. Dat is wel anders dan ervan onder de indruk komen.

V77Zij willen leraars van de wet zijn, zonder te begrijpen hetzij wat zij zeggen of waarover zij zich zo stellig uitspreken.. En denk er maar om dat deze lieden proberen indruk te maken. Ze komen met fraaie redeneringen en doen daarbij een uitdrukkelijk beroep op de Bijbel. Hun doel is niet minder dan “leraars van de wet” te zijn. Dat ’willen’ ze. Ze doen alsof ze Gods wet kennen en stellen dat zij als enigen bevoegd zijn om die te onderwijzen. Deze valse leraren stellen zich bewust zo op en hebben een vast doel, waaraan al het andere ondergeschikt gemaakt moet worden.

Wie afwijkt van de liefde omdat het niet meer goed zit met hart, geweten en geloof, wordt óf vrijzinnig óf wettisch. De vrijzinnige gelooft alleen wat hij kan zien of beredeneren. In de dagen van de Heer Jezus waren dat de sadduceeën (Mt 22:2323Op die dag kwamen er sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is;; Hd 23:88Want sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is, en geen engel of geest; farizeeën echter belijden beide.). Vrijzinnige mensen leiden hun leven helemaal naar eigen inzicht. Zij die tot wetticisme vervallen, stellen voor zichzelf en vooral voor anderen allerlei regels op die het leven moeten leiden. In de dagen van de Heer Jezus waren dat de farizeeën (Mt 23:44Zij nu binden zware <en moeilijk te dragen> lasten en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zijzelf willen ze met hun vinger niet verroeren.). Wettische mensen hebben een standaard van uiterlijke kenmerken opgesteld om daaraan het geloofsleven van ieder af te meten.

Als ik deze dingen zo zeg, is het gevaar groot dat we onszelf buiten schot laten. Laten we maar oppassen dat we niet alleen kijken naar anderen, of we iets van deze beide kwalijke uitingen in hun geloofsleven kunnen opmerken. We hebben allemaal iets van beide principes in ons, want we hebben het vlees nog in ons. We zullen er goed aan doen daar oog voor te hebben.

Deze leraren moeten zich zeer beledigd hebben gevoeld, toen ze hoorden hoe Paulus hen als leraren kwalificeerde. Je zult een hoge pet van jezelf ophebben en hoog opgeven van je kwaliteiten en dat wordt zonder enig respect van tafel geveegd. Hij diskwalificeert ze voor Timotheüs om te voorkomen dat deze ook maar een ogenblik aandachtig naar hen zou luisteren. Verspil je kostbare tijd niet aan mensen die, “zonder te begrijpen hetzij wat zij zeggen of waarover zij zich zo stellig uitspreken”, jou met hun gedachtespinsels willen bezighouden.

Zulke mensen, die de wet weer willen introduceren, weten niet Wie God werkelijk is. Ook zijn ze onwetend wat betreft de ware toestand van de mens. Ze kennen het doel van de wet niet en nog minder het ware karakter van het christendom. Het zijn mensen die met veel wollig gepraat hun zelfbewuste beweringen ondersteunen en als waarheid aanprijzen. Maar hun rijk gebruik van woorden maakt hun onwetendheid openbaar aan ieder die zich door de Geest aan de hand van het Woord wil laten onderwijzen.

Elk gebruik van de wet als een toevoeging aan het geloof om behouden te worden is een vals gebruik ervan. Deze vorm van misbruik zie je in de roomse kerk. Door de reformatie heeft God bevrijding van die dwaling gebracht. God heeft laten zien dat een mens alleen op grond van geloof gerechtvaardigd wordt. Maar door de ontrouw van de mens is het de duivel gelukt om in de reformatie een andere dwaling naar binnen te brengen, namelijk de wet te maken tot een leefregel voor de gelovige. Het wordt dan zo mooi gezegd: om die te doen uit dankbaarheid.

Maar in beide gevallen gaat men helemaal voorbij aan het doel van de wet. Het is een ernstige dwaling te veronderstellen dat aan het geloof in de Heer Jezus om behouden te worden, enig werk van de mens moet worden toegevoegd. Even ernstig is de dwaling te veronderstellen dat een kind van God geroepen is de wet te houden. In beide gevallen wordt de werking van de wet miskend.

Ik raad je aan de brief aan de Galaten nog eens te lezen. Die brief is een unieke uitleg over de betekenis van de wet. Glashelder wordt de onverenigbaarheid van de wet met het geloof en het evangelie aangetoond. Er staat duidelijk in dat wie zich op de grondslag van de werken van de wet stelt, zich onder de vloek stelt (Gl 3:1010Want allen die op grond van werken van [de] wet zijn, zijn onder [de] vloek; want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’.). Dat is een algemeen geldige regel die geen uitzondering toelaat. Het maakt daarbij niet uit of je de wet misbruikt als aanvulling om behouden te worden, of als aanvulling op je geloof om daardoor je dankbaarheid te tonen. In beide gevallen misken je dat je de wet niet kunt houden en dat het onafwendbare resultaat de vloek van de wet is.

Hoe de wet dan wel gebruikt moet worden, zullen we in het volgende stukje zien.

Lees nog eens 1 Timotheüs 1:5-7.

Verwerking: Is jouw hart rein, je geweten goed en je geloof ongeveinsd?


Wet en evangelie

8Maar wij weten dat de wet goed is als iemand haar wettig gebruikt, 9doordat hij dit weet dat [de] wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar voor wettelozen en weerspannigen, voor goddelozen en zondaars, voor onheiligen en ongoddelijken, voor vadermoorders en moedermoorders, voor doodslagers, 10hoereerders, hen die bij mannen liggen, mensenrovers, leugenaars, meinedigen en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer, 11volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd.

V88Maar wij weten dat de wet goed is als iemand haar wettig gebruikt,. Tegenover de onwetendheid van de zogenaamde ‘leraren van de wet’ stelt Paulus het “wij weten” van het christelijk geloof. Dit is de christelijke kennis die jij mag bezitten door goed onderwijs, in tegenstelling tot de valse leraren. Alleen iemand die op de hoogte is van de waarheid van God, kan alles op zijn juiste plaats zetten.

Je hoeft geen enkele twijfel aangaande de wet en het gebruik ervan te hebben. Hoe het met de wet zit, gaat Paulus vanaf vers 88Maar wij weten dat de wet goed is als iemand haar wettig gebruikt, op indrukwekkende wijze uitleggen. Deze verzen zijn van enorme betekenis voor de christen. Globaal gesproken houdt het reformatorische deel van de christenheid vast aan de wet ‘om die te doen uit dankbaarheid’. Maar ook in het evangelische deel van de christenheid wordt de stroom steeds breder die ervoor pleit om de wet, of bepaalde delen ervan, weer ‘in ere’ te herstellen door zich er weer aan te gaan houden.

Paulus veroordeelt zowel hen die zich bezighouden met fabels en geslachtsregisters als de leraren van de wet. Er is wel een groot onderscheid. De fabels en geslachtsregisters komen voort uit de verbeelding van de mens, terwijl de wet van God komt. Daarom is de wet ook goed (Rm 7:1212De wet is dus heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.). Waar het nu om gaat, is hoe je de wet gebruikt.

Je moet de wet “wettig” gebruiken, dat wil zeggen in overeenstemming met de bedoeling ervan. Je moet die bedoeling dus kennen. Van belang is, om eraan te denken dat de wet is gegeven:
1. bij de Sinaï, ongeveer 2500 jaar na Adam en 1500 jaar voor Christus, dus niet vanaf de schepping (Rm 5:2020Maar [de] wet is daarbij gekomen, opdat de overtreding zou toenemen; maar waar de zonde toenam, is de genade veel overvloediger geworden;; Gl 3:1919Waartoe dan de wet? Ter wille van de overtredingen werd zij er bijgevoegd, totdat het Zaad zou komen waaraan de belofte was gedaan; [de wet] die door engelen werd verordend in [de] hand van een middelaar.);
2. aan Israël, aan één volk dus (Rm 9:44Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften;);
3. om dit volk af te zonderen van de overige volken (Ef 2:14-1514Want Hij is onze vrede, Die die beiden een gemaakt en de scheidsmuur van de omheining weggebroken heeft,15toen Hij in Zijn vlees de vijandschap, de wet van de geboden [die] in inzettingen [bestaat], tenietgedaan had, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makend,);
4. als een tuchtmeester tot op Christus (Gl 3:2424De wet is dus onze tuchtmeester geweest tot op Christus, opdat wij op grond van geloof gerechtvaardigd zouden worden.), wat het tijdelijke karakter ervan aangeeft.

Verder ligt de kracht van de wet in de veroordeling. De wet bewerkt toorn (Rm 4:1515Want de wet bewerkt toorn, maar waar geen wet is, is ook geen overtreding.) en is de bediening van de dood (2Ko 3:7,97(Als nu de bediening van de dood, met letters op stenen gegraveerd, met heerlijkheid ontstond, zodat de zonen van Israël hun ogen niet konden vestigen op het gezicht van Mozes wegens de heerlijkheid van zijn gezicht, die tenietgedaan moest worden;9Want als de bediening van de veroordeling heerlijkheid had, zoveel te meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid.). De wet geeft geen kracht om aan de heilige eisen van God te voldoen. Ze stelt de zonde als overtreding duidelijk in het licht (Rm 3:2020Daarom zal op grond van werken van [de] wet geen enkel vlees voor Hem gerechtvaardigd worden; want door [de] wet [komt] kennis van zonde.) en velt daarover een onbarmhartig en rechtvaardig oordeel (Hb 10:2828Iemand die [de] wet van Mozes verworpen heeft, sterft zonder ontferming op [het woord van] twee of drie getuigen;).

V99doordat hij dit weet dat [de] wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar voor wettelozen en weerspannigen, voor goddelozen en zondaars, voor onheiligen en ongoddelijken, voor vadermoorders en moedermoorders, voor doodslagers,. Daarom wil Paulus dat je “dit weet” en wel als eerste “dat de wet niet bestemd is voor een rechtvaardige”. Net als in het vorige vers is dit ‘weten’ het kennen van de christelijke waarheid in tegenstelling tot het Jodendom. Het is het ‘weten’ dat allen bezitten die leven vanuit geloof en die leven in het tijdperk van het geloof.

Een rechtvaardige is iemand die door het geloof in Christus door God voor rechtvaardig is verklaard (Rm 4:55Maar hem die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid;; 5:1,91Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus,9Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn.). Op zo iemand kan de wet van God niet meer van toepassing zijn omdat Christus hem van al zijn zonden heeft bevrijd door er Zelf het oordeel over te dragen. De eis van de wet heeft zijn volle uitwerking gehad. Christus ging in de dood. Wie in Hem gelooft, is met Hem in de dood gegaan. Het is dwaasheid op iemand die dood is, de wet van toepassing te verklaren.

Daarbij komt dat de wet door geen mens te volbrengen is. Dat ligt niet aan de wet, maar aan de mens. Ieder mens, christen of niet, die zich onder de wet plaatst, al is het om die te doen uit dankbaarheid, stelt zich daarmee onder de vloek (Gl 3:1010Want allen die op grond van werken van [de] wet zijn, zijn onder [de] vloek; want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’.). De gelovige is niet onder de wet (Rm 6:1414Want [de] zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder [de] wet, maar onder [de] genade.; 7:4,64Dus bent ook u, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat u aan een ander toebehoort, aan Hem Die uit [de] doden is opgewekt, opdat wij voor God vrucht dragen.6Maar nu zijn wij van de wet vrijgemaakt, gestorven aan dat waarin wij gevangen waren, zodat wij dienen in nieuwheid van [de] Geest en niet in oudheid van [de] letter.; Gl 3:23,2523Maar voordat het geloof kwam, waren wij als gevangenen onder [de] wet, in verzekerde bewaring tot op het geloof dat geopenbaard zou worden.25Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een tuchtmeester;), want hij is in Christus (2Ko 5:1717Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden.) en Christus is het einde van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft (Rm 10:44Want Christus is [het] einde van [de] wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.).

Ik hoop dat dit genoeg is om je ervan te overtuigen dat jij, ‘een rechtvaardige’, niets meer met de wet te doen hebt als een middel waardoor je verhouding met God wordt geregeld. Op wie je de wet dan wel kunt toepassen? De wet is van God en kan nuttig gebruikt worden (in tegenstelling tot de ‘fabels’ van vers 44en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in [het] geloof is.) als een zwaard voor het geweten van de zondaar. De zondaar kan erdoor worden overtuigd dat hij een zondaar is. Paulus laat een aantal categorieën de revue passeren om af te sluiten met een allesomvattende categorie.

Hij begint met enkele categorieën die hij samenvoegt door het woord “en”. Het eerste paar bestaat uit “wettelozen en weerspannigen”. Een ‘wetteloze’ is iemand die weigert enige vorm van gezag te erkennen. Een ‘weerspannige’ weigert aan een bevel te gehoorzamen. Zulke mensen moet de wet worden voorgehouden om hun duidelijk te maken dat ze Gods toorn over zich afroepen.

“Goddelozen en zondaars” vormen het tweede paar. Een ‘goddeloze’ denkt niet aan God, trekt zich niets van God aan. Een ‘zondaar’ mist het doel waarvoor God hem het leven heeft gegeven.

Het volgende paar, “onheiligen en ongoddelijken”, wordt gekenmerkt door het negatieve voorvoegsel ‘on’. Niet alleen ontbreekt er iets, er wordt een negatieve invulling gegeven. Een ‘onheilige’ leeft in verbinding met het verderf. Een ‘ongoddelijke’ is niet alleen goddeloos, maar behandelt God respectloos, tart Hem door zijn levenswijze.

De voorgaande duo’s maken de innerlijke verdorvenheid van de mens en zijn vervreemding van God duidelijk. Bij de volgende categorieën gaat het om de daden die voortkomen uit de mens die in zo'n toestand leeft. Deze daden vormen een rechtstreekse overtreding van een gebod.

Het paar “vadermoorders en moedermoorders” overtreedt het vijfde gebod (Ex 20:1212Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.). “Doodslagers” overtreden het zesde gebod (Ex 20:1313U zult niet doodslaan.).

V1010hoereerders, hen die bij mannen liggen, mensenrovers, leugenaars, meinedigen en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer,. “Hoereerders” en “hen die bij mannen liggen” overtreden het zevende gebod (Ex 20:1414U zult niet echtbreken.). Dit gebod betreft alle zonden van seksuele aard, ongeacht of het gaat om heteroseksuele zonden of om homoseksualiteit.

“Mensenrovers” overtreden het achtste gebod (Ex 20:1515U zult niet stelen.; 21:1616Wie een mens ontvoert, of hij hem [nu] verkocht heeft, of dat hij hem [nog] in zijn bezit heeft, moet zeker gedood worden.; Dt 24:77Wanneer er iemand ontdekt wordt die iemand van zijn broeders, [een] van de Israëlieten, ontvoert en hem als slaaf behandelt en hem verkoopt, dan moet de ontvoerder sterven. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.).

“Leugenaars” en “meinedigen” overtreden het negende gebod (Ex 20:1616U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.).

Na deze opsomming besluit Paulus de lijst niet met ‘alles wat verder tegen de wet ingaat’. Dat is belangrijk om op te letten. In plaats daarvan besluit hij met een veel hogere maatstaf om te bepalen wat zonde is en wel “al wat verder ingaat tegen de gezonde leer”, dat is de gezond makende leer. In die leer wordt de heiligheid van God volkomen gehandhaafd. Die leer is rein en zonder vermenging met vreemde, menselijke gedachten.

De in de vorige verzen vermelde zonden worden niet alleen door de wet veroordeeld. Ze zijn ook in strijd met de gezonde leer van het Nieuwe Testament.

V1111volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd.. Die gezonde leer is in overeenstemming met “het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God”. God is de gelukkige God Die alle geluk in Zichzelf vindt, maar Die ook mensen door het evangelie wil laten delen in Zijn geluk.

Dit evangelie gaat ver boven de wet uit. In het evangelie spreekt God niet in donder en bliksem vanaf de Sinaï. Hij spreekt daarin in de volheid van Zijn genade en waar­heid in Christus om verloren zondaren barmhartigheid te bewijzen. Bij de Sinaï was niet Zijn volheid te zien. Daar maakte God Zich bekend in Zijn eisen. En dan moet je daarbij bedenken dat de wet niet het maximale is wat God van de mens eist, maar het minimale. De ‘heerlijkheid van God’ daarentegen is het geheel van al Zijn volmaaktheden, die bovenal zichtbaar geworden zijn in Christus op het kruis.

In ‘het evangelie van de heerlijkheid’ wordt de heerlijkheid van God geopenbaard in Christus (2Ko 4:44in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die [het] beeld van God is, [hen] niet zou bestralen.). Je ogen zijn opengegaan voor de heerlijkheid van God. De schitterende uitwerking van dit evangelie is dat je steeds meer veranderd kunt worden in overeenstemming met Christus. Daarvoor moet je je bezighouden met de heerlijkheid van Christus (2Ko 3:1818Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door [de] Heer, [de] Geest.).

Dit evangelie is Paulus “toevertrouwd”. Hij heeft het leren kennen toen hij op weg was naar Damascus (Hd 22:6,116Het gebeurde mij echter, terwijl ik reisde en Damaskus naderde, dat omstreeks [de] middag plotseling uit de hemel een fel licht mij omstraalde.11Toen ik nu vanwege de heerlijkheid van dat licht niet kon zien, werd ik bij de hand geleid door hen die bij mij waren, en ik kwam in Damaskus.). De heerlijkheid die hij toen gezien heeft, is het uitgangspunt van zijn dienst. Als Paulus over dit evangelie spreekt, vermeldt hij vol geestdrift dat het hem is toevertrouwd. Hij beschouwt het als een erezaak dit evangelie te mogen verkondigen. Is dat met jou ook zo?

Lees nog eens 1 Timotheüs 1:8-11.

Verwerking: Noem een aantal verschillen tussen het evangelie en de wet.


Vroeger en nu

12Ik dank Christus Jezus, onze Heer, Die mij kracht gegeven heeft, dat Hij mij trouw heeft geacht, daar Hij mij in [de] bediening gesteld heeft, 13mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof; 14en de genade van onze Heer is meer dan overvloedig geweest met geloof en liefde, die in Christus Jezus is.

V1212Ik dank Christus Jezus, onze Heer, Die mij kracht gegeven heeft, dat Hij mij trouw heeft geacht, daar Hij mij in [de] bediening gesteld heeft,. Het gedeelte van de verzen 12-1712Ik dank Christus Jezus, onze Heer, Die mij kracht gegeven heeft, dat Hij mij trouw heeft geacht, daar Hij mij in [de] bediening gesteld heeft,13mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof;14en de genade van onze Heer is meer dan overvloedig geweest met geloof en liefde, die in Christus Jezus is.15Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.16Maar mij is daarom barmhartigheid bewezen, opdat Christus Jezus aan mij, de voornaamste, al Zijn lankmoedigheid bewees tot een voorbeeld voor hen die in Hem zouden geloven tot [het] eeuwige leven.17De Koning der eeuwen nu, [de] onvergankelijke, onzichtbare, enige God, zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen. laat de tegenstelling zien tussen wat aan Paulus is toevertrouwd en de wet. Paulus heeft in vers 1111volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd. gezegd wat hem is toevertrouwd. Hij komt er opnieuw van onder de indruk. Daarom keert hij zich tot de Bron, de Oorsprong van zijn bediening en dankt “Christus Jezus, onze Heer” voor de dienst die Hij hem heeft toevertrouwd. Hij dankt hier niet voor de verlossing, maar voor wat de Heer op grond daarvan met hem wil doen. Doe jij dat ook?

Voor die dienst ben jij, en is Paulus, niet aangewezen op eigen kracht. Als je dat probeert, wordt de dienst zeker een fiasco. Maar de Heer geeft kracht. Dat is Paulus zich bewust en het is belangrijk dat jij je dat bewust bent. Enerzijds dus niet in eigen kracht aan het werk. Anderzijds is er iets wat wél bij jou aanwezig moet zijn om je dienst goed te verrichten en dat is “trouw”.

Omdat de Heer wist dat Paulus trouw zou zijn, heeft Hij hem die dienst gegeven. Ook in zijn leven voor zijn bekering heeft Paulus een grote mate van trouw en inzet aan de dag gelegd. Zijn daden waren afkeurenswaardig, maar zijn trouw en inzet voorbeeldig. Door zijn bekering kunnen die kwaliteiten door de Heer worden gebruikt in de dienst voor Hem. Met wat eerst diende tot zijn eigen eer, verheerlijkt hij nu zijn Heer.

Paulus is niet door mensen “in [de] bediening” gesteld, maar door de Heer (Hd 20:2424Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.; Gl 1:15-1615Maar toen het God, Die mij vanaf [de] schoot van mijn moeder afgezonderd en door Zijn genade geroepen heeft, behaagde16Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de volken verkondigde, ging ik terstond niet te rade met vlees en bloed,). Menselijke aanstelling is een ongeoorloofde inmenging in de rechten die de Heer aan Zichzelf voorbehoudt.

Je hoeft ook niet te wachten op een officiële bekrachtiging door mensen, voordat je iets voor de Heer kunt doen. Oudere en rijpere gelovigen kunnen je wel bemoedigen en van advies dienen in je dienst. Het getuigt van eigenzinnigheid als je je daarvan niets zou aantrekken. Maar de Heer blijft jouw Opdrachtgever. Hij heeft jou in dienst genomen en aan Hem ben je verantwoording verschuldigd voor wat je doet en hoe je het doet.

V1313mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof;. Als Paulus terugdenkt aan zijn verleden, wordt hij nog dankbaarder dat de Heer hem wil gebruiken in Zijn dienst. Naar menselijke maatstaven is hij de meest ongeschikte persoon voor een dienst als die van vers 1111volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd., maar naar Gods maatstaven is er geen geschiktere persoon dan juist hij (vers 1616Maar mij is daarom barmhartigheid bewezen, opdat Christus Jezus aan mij, de voornaamste, al Zijn lankmoedigheid bewees tot een voorbeeld voor hen die in Hem zouden geloven tot [het] eeuwige leven.). Hij herinnert zich nog goed dat hij “vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was” (Gl 1:1313U hebt immers gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: dat ik de gemeente van God uitermate vervolgde en haar verwoestte,).

Weet jij nog hoe je was, voordat je tot bekering kwam? Of, als je niet zo’n radicale bekering hebt beleefd, heb je ontdekt hoeveel zondigheid er in je hart schuilgaat? Als je denkt aan je verleden, of aan de boosheid en slechtheid van de gedachten die bij je kunnen opkomen, verbaas je je dan niet regelmatig over Gods genade? Kom je er dan niet diep van onder de indruk dat Hij jou heeft gered en je nu wil gebruiken?

Zonder trots of ophef vermeldt Paulus dat hij vroeger ‘een lasteraar’ was, dat wil zeggen dat hij vervloekingen uitsprak. Zijn daden lagen in het verlengde daarvan. Hij was ‘een vervolger’ van de heiligen, hij jaagde hen op en jaagde op hen. In heel zijn houding was hij een brutaal, misdadig mens, ‘een smader’. Hij was als een bezetene tekeergegaan. Uit diverse uitspraken van Lukas of hemzelf daarover in Handelingen, kun je opmaken dat hij niets liever wilde dan alle christenen uitroeien (Hd 7:5858en zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem. En de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, Saulus geheten.; 8:33Saulus echter verwoestte de gemeente, terwijl hij huis na huis binnenging en mannen en vrouwen meesleepte, en hij leverde hen over in [de] gevangenis.; 9:1,13-14,211Terwijl nu Saulus nog steeds dreiging en moord blies tegen de discipelen van de Heer, ging hij naar de hogepriester13Ananias echter antwoordde: Heer, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan;14en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen die Uw Naam aanroepen te boeien.21En allen die het hoorden, raakten buiten zichzelf en zeiden: Is deze niet degene die in Jeruzalem hen verdelgde die deze Naam aanroepen, en die daarom hier gekomen is om hen geboeid naar de overpriesters te brengen?; 22:2020en dat, toen het bloed van Stéfanus, Uw getuige, werd vergoten, ik ook zelf erbij stond en ermee instemde en de kleren bewaarde van hen die hem doodden.; 26:9-119Ik meende dan bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus de Nazoreeër veel vijandigs moest doen,10wat ik ook heb gedaan in Jeruzalem; en velen van de heiligen heb ik in gevangenissen opgesloten, waartoe ik de volmacht van de overpriesters had ontvangen; en als zij werden gedood, stemde ik ervoor.11En in alle synagogen dwong ik, door hen te straffen, hen dikwijls te lasteren; en bovenmate woedde ik tegen hen en vervolgde hen tot zelfs in de buitenlandse steden.).

Dan komt, ingeleid door het woord “maar”, het grote contrast tussen wat hij had verdiend en wat hij heeft gekregen. Paulus erkent de barmhartigheid die hem is bewezen, terwijl hij toch zo tekeer was gegaan tegen de Heer Jezus. Hem wordt “barmhartigheid bewezen”. Dit woord kende hij voordien niet. Zonder enige barmhartigheid heeft hij de christenen vervolgd. Hij was toen een dienaar van de wet en de wet kent geen barmhartigheid (Hb 10:2828Iemand die [de] wet van Mozes verworpen heeft, sterft zonder ontferming op [het woord van] twee of drie getuigen;). Nu hem die bewezen is, wenst hij ze anderen toe (1Tm 1:22aan Timotheüs, [mijn] echt kind in [het] geloof: genade, barmhartigheid en vrede van God <de> Vader en van Christus Jezus, onze Heer.; 2Tm 1:2,16,182aan Timotheüs, [mijn] geliefd kind: genade, barmhartigheid, vrede van God [de] Vader en van Christus Jezus, onze Heer.16Moge de Heer het huis van Onesíforus barmhartigheid geven, omdat hij mij dikwijls verkwikt en zich voor mijn keten niet geschaamd heeft;18Moge de Heer hem barmhartigheid te vinden geven van [de] Heer in die dag. En hoeveel diensten hij in Efeze bewezen heeft, weet jijzelf het best.; Tt 1:44aan Titus, [mijn] echt kind naar [het] gemeenschappelijk geloof: genade en vrede van God [de] Vader en van Christus Jezus, onze Heiland.).

God kon Paulus barmhartig zijn omdat hij niet wist wat hij deed toen hij de gemeente vervolgde (Lk 23:3434<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.; Hd 3:1717En nu, broeders, ik weet dat u het uit onwetendheid hebt gedaan, zoals ook uw oversten;). Hij heeft het “onwetend” gedaan. Dat wil niet zeggen dat hij daarom niet schuldig was. Dat was hij wel. Hij heeft gezondigd, maar in onwetendheid. Hij is niet willens en wetens tegen Gods wil ingegaan. Hij heeft niet ‘met opgeheven hand’ gezondigd (Lv 22:1414Wanneer iemand zonder opzet van de heilige [gave] eet, moet hij er een vijfde deel aan toevoegen en het met de heilige [gave] aan de priester [terug]geven.; Nm 15:22-3122En wanneer u zonder opzet gezondigd hebt, en niet al deze geboden gedaan hebt, die de HEERE tot Mozes gesproken heeft23– alles wat de HEERE u door de dienst van Mozes geboden heeft, vanaf de dag dat de HEERE het geboden heeft en daarna, [al] uw generaties door –24wanneer het zal zijn dat iets zonder opzet gedaan is, iets wat voor de ogen van de gemeenschap [verborgen was], dan moet heel de gemeenschap volgens de bepaling één jonge stier, het jong van een rund, als brandoffer bereiden, als een aangename geur voor de HEERE, met het bijbehorende graanoffer en het bijbehorende plengoffer, en één geitenbok als zondoffer.25Dan moet de priester verzoening doen voor heel de gemeenschap van de Israëlieten, en het zal hun vergeven worden, want het was zonder opzet. Zij hebben zelf hun offergave gebracht, een vuuroffer voor de HEERE, en hun zondoffer, voor het aangezicht van de HEERE, vanwege hun [zonde] zonder opzet.26Dan zal het heel de gemeenschap van de Israëlieten vergeven worden, en [ook] de vreemdeling die in hun midden verblijft, want het is heel het volk zonder opzet [overkomen].27Als nu één persoon zonder opzet gezondigd heeft, moet hij een geit van een jaar oud als zondoffer aanbieden.28Dan moet de priester verzoening doen voor die persoon die zonder opzet [gezondigd heeft], met een onopzettelijke zonde, voor het aangezicht van de HEERE, om verzoening voor hem te doen, en het zal hem vergeven worden.29Voor de ingezetene onder de Israëlieten, en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft: één wet geldt voor u, voor hem die zonder opzet [zonde] doet.30Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden,31want hij heeft het woord van de HEERE veracht en Zijn gebod verbroken. Die persoon moet beslist uitgeroeid worden, zijn ongerechtigheid is op hem.). Wat hij deed, heeft hij gedaan met een goed geweten (Hd 23:11Terwijl nu Paulus de ogen op de Raad vestigde, zei hij: Mannen broeders, ik heb met een volkomen goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag.; 2Tm 1:33Ik dank God, Die ik van [mijn] voorouders af met een rein geweten dien, zoals ik je onophoudelijk in mijn gebeden in herinnering houd, nacht en dag,).

Hij meende zelfs dat hij God een dienst bewees, hij meende dat hij ’veel vijandigs’ tegen de Naam van de Heer Jezus moest doen (Hd 26:99Ik meende dan bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus de Nazoreeër veel vijandigs moest doen,; Jh 16:22Zij zullen u uit de synagoge bannen; ja, het uur komt, dat ieder die u doodt, zal menen God een dienst te bewijzen.). Zijn mening was gevormd door de godsdienst van zijn vaderen. Door hen had hij de verering van de ware God leren kennen. Hij kon daardoor alleen maar tot de conclusie komen dat het christelijke geloof en het oudtestamentische geloof in de Heer (Jahweh) tegenover elkaar stonden. Door het ombrengen van de christenen meende hij de eer van God te verdedigen. Hij betoonde ijver, maar zonder verstand (Rm 10:22Want ik getuig van hen dat zij ijver voor God hebben, maar niet met verstand.; Hd 22:33Ik ben een Joods man, geboren in Tarsus in Cilicië, maar opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar [de] gestrengheid van de voorvaderlijke wet, en ik was een ijveraar voor God, zoals u allen vandaag bent;). Zijn mening maakte hem blind voor Gods openbaring in Christus en maakte hem tot de grootste van de zondaren.

Is het niet verbijsterend dat een man die zo onderwezen was in de Schriften, die het beste onderwijs had gevolgd (aan de voeten van Gamaliël, Hd 22:33Ik ben een Joods man, geboren in Tarsus in Cilicië, maar opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar [de] gestrengheid van de voorvaderlijke wet, en ik was een ijveraar voor God, zoals u allen vandaag bent;), moet zeggen dat hij iets ‘onwetend’ heeft gedaan? Hier zie je dat de beste theologische opleiding geen garantie is om de gezonde leer te begrijpen (vgl. 1Ko 2:1414Maar [de] natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest <van God> is, want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoordeeld wordt.). Integendeel, het kan voeren tot een praktijk die volkomen tegen het Woord van God ingaat.

Hij was “in ongeloof” bezig geweest. Er was in zijn vroegere daden geen vertrouwen op God. Het waren allemaal prestaties van het zondige vlees, het eigen ‘ik’. Zoals Gods rentmeesterschap zich beweegt binnen de sfeer van het geloof (‘in geloof’, vers 44en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in [het] geloof is.), zo speelde het vroegere leven van Paulus zich af in de sfeer van ongeloof. “En alles wat niet op grond van geloof is, is zonde” (Rm 14:2323Maar wie twijfelt als hij eet, is veroordeeld, omdat het niet op grond van geloof is; en alles wat niet op grond van geloof is, is zonde.).

V1414en de genade van onze Heer is meer dan overvloedig geweest met geloof en liefde, die in Christus Jezus is.. Diep onder de indruk van de barmhartigheid die hem is bewezen, spreekt Paulus vervolgens over een “genade” die “meer dan overvloedig is geweest” (Rm 5:2020Maar [de] wet is daarbij gekomen, opdat de overtreding zou toenemen; maar waar de zonde toenam, is de genade veel overvloediger geworden;). Hij doet dat, omdat die genade hem als de voornaamste van de zondaren is verleend. Door hem genade te bewijzen, is de genade over elke beperking heengegaan die een mens maar zou kunnen bedenken. Zijn bekering is het bewijs dat de genade van de Heer groter is dan de grootste zonde. Hij is het levende bewijs dat het geduld van God groter is dan het uithoudingsvermogen van Zijn meest verbitterde vijand.

En het is “onze Heer” Die hem die genade heeft verleend. Hij zegt niet ‘mijn’ Heer, maar “onze Heer”. Hij plaatst hierdoor Timotheüs, tot wie hij zich immers in deze brief richt, in dezelfde verhouding tot de Heer die hij heeft en in dezelfde genade die zijn deel is geworden. Genade staat altijd tegenover loon (Rm 4:44Hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend uit genade, maar als verschuldigd.). Genade is volkomen onverdiende gunst. Een juist besef van verleende genade zal ons tot toegewijde dienaars maken.

Samen met de genade die de Heer hem heeft geschonken, heeft Hij hem ook “geloof en liefde” gegeven. Dat ‘geloof’ en die ‘liefde’ worden in zijn leven zichtbaar. Hij leeft in volkomen geloofsvertrouwen op de Heer en dient Hem met al de liefde van zijn hart. “In Christus Jezus” vindt zijn leven zijn voorwerp en doel. Sinds Christus Jezus aan Paulus Zijn meer dan overvloedige genade heeft betoond, is Hij de hele sfeer van zijn leven. Alles waarin zijn geloof en zijn liefde tot uiting komen, gebeurt vanuit de gemeenschap met Hem.

Lees nog eens 1 Timotheüs 1:12-14.

Verwerking: Denk eens na over wat je vroeger was en wat je geworden bent door de genade van God. Waaruit blijkt bij jou het verschil?


Lofprijzing

15Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben. 16Maar mij is daarom barmhartigheid bewezen, opdat Christus Jezus aan mij, de voornaamste, al Zijn lankmoedigheid bewees tot een voorbeeld voor hen die in Hem zouden geloven tot [het] eeuwige leven. 17De Koning der eeuwen nu, [de] onvergankelijke, onzichtbare, enige God, zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen.

V1515Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.. De prachtige en moedgevende uitdrukking “het woord is betrouwbaar” komt alleen in de pastorale brieven voor (1Tm 3:11Het woord is betrouwbaar: als iemand streeft naar [het] opzienerschap, begeert hij een goed werk.; 4:99Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard;; 2Tm 2:1111Het woord is betrouwbaar; want als wij met [Hem] gestorven zijn, zullen wij ook met [Hem] leven;; Tt 3:88Het woord is betrouwbaar, en ik wil dat je op deze dingen aandringt, opdat zij die God geloven, ervoor zorgen zich toe te leggen op goede werken. Deze dingen zijn goed en nuttig voor de mensen.). Als elke steun wegvalt en je er alleen voor lijkt te staan, zal het Woord van God je nooit in de steek laten. Je kunt er altijd een beroep op doen. Of het nu gaat om het behoud van zondaren (hier), of in hoofdstuk 3:1 om de dienst in het huis van God, of in hoofdstuk 4:9 om de Godsvrucht, of in 2 Timotheüs 2:11 om onze toekomst, of in Titus 3:8 om onze erfenis, altijd geeft Gods Woord je houvast.

Omdat Gods Woord zo betrouwbaar is, is het ook “alle aanneming waard”. Deze toevoeging vind je ook nog in hoofdstuk 4:9. En waarom is het hier alle aanneming waard? Omdat “Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars te behouden” (vgl. Lk 19:1010Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te behouden.). Deze waarheid heeft geen enkel effect als ze niet in geloof wordt aangenomen. Er is alleen behoudenis voor wie deze onloochenbare waarheid gelooft (Rm 1:1616Want ik schaam mij niet voor het evangelie; want het is Gods kracht tot behoudenis voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.).

“De wereld” geeft de sfeer aan waarin de Heer Jezus als Mens verkoos binnen te komen. Hij verwisselde niet alleen de hemel voor een plek op aarde, maar Hij kwam in een wereld waar zonde en dood heersen, het terrein waar zondaren wonen. Hij is gekomen uit de heerlijke sfeer van de hemel in een sfeer van duisternis, haat en dood, om uit die wereld zondaren te behouden.

Zondaren voelen zich in de wereld als vissen in het water. Maar waar de wereld in het boze ligt en rijp wordt voor het oordeel, is in Christus Jezus de mensenliefde van God onze Heiland in de wereld verschenen om mensen van dit oordeel te behouden. Voordat de Heer Jezus in de wereld kwam, heeft God alle middelen gebruikt om het de mens mogelijk te maken met Hem in verbinding te komen. De mens faalde echter hopeloos. Toen gaf God Zijn Zoon. Juist daardoor werd de hopeloze toestand van de mens ten volle openbaar, want toen bleek zijn haat tegen God. Tegelijk werd daar tegenover toen ook Gods liefde ten volle openbaar.

Hiervan is Paulus als geen ander doordrongen. Als hij aan zichzelf als zondaar denkt, kan hij alleen maar zeggen: “Van wie ik de voornaamste ben” (vgl. 1Ko 15:99Want ik ben de geringste van de apostelen, ik, die niet waard ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God heb vervolgd.; Ef 3:88Mij, de allergeringste van alle heiligen, is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus onder de volken te verkondigen,). Hij wilde de actieve vijand zijn van het geloof, overal, om de Naam van Jezus uit te roeien. Daarvoor ging hij zelfs tot in de buitenlandse steden (Hd 26:1111En in alle synagogen dwong ik, door hen te straffen, hen dikwijls te lasteren; en bovenmate woedde ik tegen hen en vervolgde hen tot zelfs in de buitenlandse steden.). Hij stond vooraan in de rij van hen die met haat tegen Christus vervuld waren.

Als Paulus dit zegt, is dat geen overdrijving, maar een diep ervaren bewustzijn van zijn eigen onwaardigheid. Hij zegt ook niet ‘van wie ik de voornaamste was’, maar “ben”. Dit bewustzijn wordt steeds groter naarmate hij steeds meer ziet van de genade van de Heer Jezus.

Je ziet zijn bewustzijn groter worden als hij zijn bekeringsgeschiedenis vertelt. Bij zijn bekering is er sprake van “een licht uit de hemel” (Hd 9:33Terwijl hij echter reisde, gebeurde het dat hij Damaskus naderde; en plotseling omstraalde hem een licht uit de hemel;). De eerste keer dat hij hiervan getuigt, vertelt hij dat “uit de hemel een fel licht” hem omstraalde (Hd 22:66Het gebeurde mij echter, terwijl ik reisde en Damaskus naderde, dat omstreeks [de] middag plotseling uit de hemel een fel licht mij omstraalde.). De tweede keer spreekt hij over “een licht uit de hemel, sterker dan de glans van de zon” (Hd 26:1313zag ik, o koning, midden op [de] dag onderweg een licht uit de hemel, sterker dan de glans van de zon, mij en die met mij reisden omstralen.). Kom jij ook elke dag steeds meer onder de indruk van wat God in jouw bekering met jou heeft gedaan?

V1616Maar mij is daarom barmhartigheid bewezen, opdat Christus Jezus aan mij, de voornaamste, al Zijn lankmoedigheid bewees tot een voorbeeld voor hen die in Hem zouden geloven tot [het] eeuwige leven.. In vers 1313mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof; noemt Paulus de oorzaak van Gods barmhartigheid tegenover hem: hij heeft het in onwetendheid gedaan. Hier zegt Paulus wat het doel is van de barmhartigheid die hem is bewezen: God wilde hem tot een voorbeeld van het betonen van genade stellen voor allen. Dat ligt opgesloten in het woord “opdat”, dat het doel aangeeft. De hem bewezen barmhartigheid is dus niet alleen voor hemzelf, maar heeft ook betekenis voor anderen.

Als de voornaamste van de zondaren behouden is, is er voor iedereen redding mogelijk. Je kunt het vergelijken met een sluis. Als het grootste schip door een sluis kan, kan elk ander schip er ook door. Paulus is vóór zijn bekering als het ware de belichaming van alle vijanden van Christus. Nu hij tot bekering tot God en geloof in de Heer Jezus is gekomen, is hij ook vertegenwoordiger van allen “die in Hem zouden geloven”.

God heeft aan hem “al Zijn lankmoedigheid” bewezen. ‘Lankmoedigheid’ (of geduld) geeft aan hoe God reageert op het trappen en slaan van de opstandige mens die Paulus was. God heeft hem verdragen toen hij woest tekeerging tegen de discipelen van de Heer Jezus. De bekering van Paulus is het bewijs dat in de strijd om het behoud van een zondaar God de langste adem heeft. Zijn lankmoedigheid is volkomen.

De behoudenis van Paulus als de voornaamste van de zondaren is een voorbeeld voor elke andere behoudenis. Is Gods lankmoedigheid aan hem bewezen? Dan is Gods lankmoedigheid er voor iedereen. Paulus was de voornaamste, ijverigste en meest verbitterde vijand. En hij is behouden. Dan is hij de beste en krachtigste getuige dat de genade overvloedig is over de zonde en dat het werk van Christus volmaakt in staat is die zonde weg te doen.

Het voorbeeld van wat met Paulus is gebeurd, is niet bedoeld om aan te geven dat elke bekering zo moet verlopen. Het is bedoeld om aan te tonen wat God kan doen. Elke bekering verloopt anders omdat de levensloop van ieder mens anders is. God zal niet eerder een mens oordelen dan nadat Zijn lankmoedigheid ten volle aan die mens is bewezen en omdat die mens daarop niet reageert. In Paulus heeft Zijn lankmoedigheid het gewenste resultaat, een resultaat dat God voor iedere zondaar wenst (2Pt 3:99[De] Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.).

Het eeuwige leven is het deel van ieder die gelooft (Jh 3:1616Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.). Dat ziet op wat iemand innerlijk ontvangt. De Heer Jezus is het eeuwige leven. Wie gelooft, ontvangt Hem als zijn leven. Maar er is ook een toekomstig aspect. Paulus ziet het eeuwige leven hier als iets wat in de toekomst ligt (vgl. Tt 3:77opdat wij, door Zijn genade gerechtvaardigd, erfgenamen werden naar [de] hoop van [het] eeuwige leven.). Als de gelovige bij de Heer Jezus in de heerlijkheid is, zal hij ten volle het eeuwige leven tot in eeuwigheid genieten: de ongestoorde gemeenschap met de Vader en de Zoon (Jh 17:33En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus Die U hebt gezonden.).

V1717De Koning der eeuwen nu, [de] onvergankelijke, onzichtbare, enige God, zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen.. De dankbaarheid van vers 1212Ik dank Christus Jezus, onze Heer, Die mij kracht gegeven heeft, dat Hij mij trouw heeft geacht, daar Hij mij in [de] bediening gesteld heeft, zwelt aan tot een lofprijzing in vers 1717De Koning der eeuwen nu, [de] onvergankelijke, onzichtbare, enige God, zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen.. Paulus is overweldigd door alles wat de Heer voor hem als zondaar heeft gedaan en wat Hij met hem heeft gedaan door hem in de bediening te stellen. Er komt een lofprijzing bij hem op voor die genade van God. In Romeinen 11 is de wijsheid van God de aanleiding voor een lofprijzing (Rm 11:33-3533O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!34Want wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?35Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden?) en in Efeziërs 3 jubelt hij het uit vanwege de liefde van God (Ef 3:14-2114Om deze oorzaak buig ik mijn knieën voor de Vader <van onze Heer Jezus Christus>,15naar Wie elke familie in hemelen en op aarde wordt genoemd,16opdat Hij naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid u geeft door Zijn Geest met kracht gesterkt te worden naar de innerlijke mens,17zodat Christus door het geloof in uw harten woont, terwijl u in [de] liefde geworteld en gegrond bent;18opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is,19en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God.20Hem nu, Die in staat is zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt,21Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van alle eeuwigheid! Amen.)).

Hij bejubelt God als “de Koning der eeuwen”. Als ‘Koning der eeuwen’ brengt God alles door de tijd heen tot Zijn doel. Daartoe bestuurt Hij de loop van de wereldgeschiedenis, maar ook de geschiedenis van ieder mens. In Zijn grote majesteit en soevereiniteit is Hij verheven boven de tijd en alle gewoel van de wereld en de mensen. Hij beschikt over de eeuwen. Hij volvoert Zijn heilsplan met de schepping en met mensen. Paulus heeft aan den lijve ondervonden dat God ‘de Koning der eeuwen’ is.

Hij eert Hem als de “onvergankelijke, onzichtbare, enige God”. ‘Onvergankelijk’ wil zeggen niet door de dood aan te tasten, en staat tegenover alles wat vergaat, vooral de vergankelijke afgoden (Rm 1:2323en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door [iets] dat lijkt op [het] beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.). Hetzelfde woord wordt ook gebruikt voor de lichamen van de heiligen in de opstanding (1Ko 15:5252in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.), voor de erfenis van de heiligen (1Pt 1:44tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in [de] hemelen weggelegd voor u,) en voor de zachtmoedige en stille geest van de Godvrezende vrouw (1Pt 3:44maar de verborgen mens van het hart, in de onvergankelijke [versiering] van de zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God.).

God is ook “onzichtbaar”, niet waarneembaar voor het oog van de mens (1Tm 6:16; Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,; Ko 1:1515Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,; Hb 11:2727Door [het] geloof verliet hij Egypte, zonder de toorn van de koning te vrezen; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare.). In Christus heeft Hij Zichzelf geopenbaard, dat wil zeggen zichtbaar gemaakt (Jh 1:1818Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft [Hem] verklaard.; 14:99Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader?; Ko 1:1515Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,). Hij is tevens de “enige God” (Jh 5:4444Hoe kunt u geloven, u die eer van elkaar aanneemt en niet de eer zoekt die van de enige God [komt]?; 17:33En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus Die U hebt gezonden.; Jd 1:2525[de] enige God onze Heiland, door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, vóór alle eeuwen, én nu, én tot in alle eeuwigheid! Amen.). Alle andere goden zijn afgoden, het werk van mensenhanden. God is absoluut uniek in Zijn Wezen en waardigheid.

Hij is alle “eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid” waard. Al Zijn voortreffelijkheden die Hij heeft geopenbaard, Zijn heerlijkheid die zichtbaar is geworden, geven tot in alle eeuwigheid aanleiding Hem te bezingen. We mogen nu al daarmee beginnen en dat voortzetten zonder dat er ooit een einde aan komt.

Met een hartgrondig “amen”, dat betekent ‘voorwaar’ of ‘zo is het’, sluit Paulus zijn lofprijzing af. Daarmee stemmen wij natuurlijk van harte in.

Lees nog eens 1 Timotheüs 1:15-17.

Verwerking: Prijs God voor Wie Hij is, voor wat Hij voor jou heeft gedaan en voor wat Hij van jou heeft gemaakt. Gebruik de namen van God die je hebt leren kennen. Vertel Hem wat die namen voor jou betekenen.


Profetieën en de goede strijd

18Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetieën over jou, opdat je door deze de goede strijd strijdt, 19terwijl je [het] geloof behoudt en een goed geweten, dat sommigen van zich hebben gestoten, waardoor zij aangaande het geloof schipbreuk hebben geleden. 20Onder hen zijn Hymenéüs en Alexander, die ik aan de satan heb overgegeven, opdat hun het lasteren wordt afgeleerd.

V1818Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetieën over jou, opdat je door deze de goede strijd strijdt,. Je kunt zeggen dat de verzen 6-176Sommigen zijn daarvan afgeweken en hebben zich gewend tot zinloos gepraat.7Zij willen leraars van de wet zijn, zonder te begrijpen hetzij wat zij zeggen of waarover zij zich zo stellig uitspreken.8Maar wij weten dat de wet goed is als iemand haar wettig gebruikt,9doordat hij dit weet dat [de] wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar voor wettelozen en weerspannigen, voor goddelozen en zondaars, voor onheiligen en ongoddelijken, voor vadermoorders en moedermoorders, voor doodslagers,10hoereerders, hen die bij mannen liggen, mensenrovers, leugenaars, meinedigen en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer,11volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd.12Ik dank Christus Jezus, onze Heer, Die mij kracht gegeven heeft, dat Hij mij trouw heeft geacht, daar Hij mij in [de] bediening gesteld heeft,13mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof;14en de genade van onze Heer is meer dan overvloedig geweest met geloof en liefde, die in Christus Jezus is.15Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.16Maar mij is daarom barmhartigheid bewezen, opdat Christus Jezus aan mij, de voornaamste, al Zijn lankmoedigheid bewees tot een voorbeeld voor hen die in Hem zouden geloven tot [het] eeuwige leven.17De Koning der eeuwen nu, [de] onvergankelijke, onzichtbare, enige God, zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen. een onderbreking in het betoog van Paulus zijn geweest. Hij heeft in dat gedeelte het verschil tussen wet en genade duidelijk gemaakt. Het bevel waarover hij spreekt in vers 1818Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetieën over jou, opdat je door deze de goede strijd strijdt,, sluit dan ook aan op wat hij daarover in vers 55Het doel nu van het bevel is liefde uit een rein hart en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof. heeft gezegd. Nu gaat hij Timotheüs verklaren wat de basis van het bevel is. Hij leidt die verklaring trouwens in met woorden waaruit vertrouwen en vaderlijke liefde blijken: “Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs.”

Het zal een bemoediging voor de jonge Timotheüs zijn geweest van de oudere Paulus een bevel toevertrouwd te krijgen. Paulus doet dat niet uit partijdigheid of vanuit zijn emotie, maar omdat hij in Timotheüs ‘gelooft’ en hij zegt hem dat ook. Timotheüs kan deze bevestiging wel gebruiken. De Heer heeft hem geroepen, maar het is ook fijn dat Paulus dat onderstreept. Geestelijk gezinde oudere gelovigen zullen zich een verklaren met de roeping en dienst van een jongere gelovige.

Timotheüs wordt voor de uitvoering van het bevel herinnerd aan “voorafgegane profetieën” over hem. Het bevel dat Paulus hem geeft, is daarmee in overeenstemming. Het gaat hier helemaal niet over bijzondere openbaringen van anderen over Timotheüs. Het betreft eenvoudig voorzeggingen aangaande Timotheüs door gelovigen die in hem een werk van Gods Geest herkenden. Timotheüs had een goed getuigenis in de wijde omtrek (Hd 16:22die een [goed] getuigenis had van de broeders in Lystra en Iconium.). Als zoiets wordt opgemerkt, kan aan zo iemand worden voorzegd dat hij zeker door de Heer zal worden gebruikt.

Als je kijkt naar de voorbereiding van Timotheüs op zijn dienst, kun je daarin vier aspecten ontdekken die een rol hebben gespeeld:
1. voorafgegane profetieën (1Tm 1:1818Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetieën over jou, opdat je door deze de goede strijd strijdt,);
2. genadegave van God (1Tm 4:1414Verwaarloos niet de genadegave in je, die je gegeven is door profetie met oplegging van de handen van de gezamenlijke oudsten.; 2Tm 1:66Om die reden herinner ik je eraan de genadegave van God aan te wakkeren, die in je is door de oplegging van mijn handen.);
3. handoplegging door Paulus (2Tm 1:66Om die reden herinner ik je eraan de genadegave van God aan te wakkeren, die in je is door de oplegging van mijn handen.);
4. handoplegging door de gezamenlijke oudsten (1Tm 4:1414Verwaarloos niet de genadegave in je, die je gegeven is door profetie met oplegging van de handen van de gezamenlijke oudsten.).

De aspecten 2, 3 en 4 zullen we bekijken als we aan de betreffende verzen toe zijn. Hier wordt Timotheüs door Paulus aan de ‘voorafgegane profetieën’ herinnerd om hem daarmee extra te bemoedigen. Het is een bijzondere ondersteuning in het voldoen aan de verantwoordelijkheid die de dienst die hij te verrichten heeft met zich meebrengt.

Hij is niet toevallig in deze positie geraakt. Het hoeft voor anderen dan ook geen verrassing te zijn dat hij een opdracht van de apostel uitvoert. Iedereen die hem kent, heeft zijn geestelijke groei opgemerkt. Sommigen zagen dat al in een vroeg stadium en hebben gezegd: ‘Die jongen zal veel voor de Heer gaan betekenen.’ Anderen zullen het pas ontdekt hebben, toen zijn dienst hen persoonlijk raakte. Heb jij enig idee hoe dat bij jou ligt?

Met de steun in de rug van wat anderen in hem gezien hebben, kan hij “de goede strijd” aanbinden. Gezien het bevel van vers 33Blijf, zoals ik je toen ik naar Macedonië reisde aangespoord heb, nog in Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen zal de goede strijd waartoe Paulus hier oproept, zich vooral afspelen in het huis van God met het oog op valse leer. De strijd hiertegen is een goede, een edele, een God welgevallige strijd.

Er zijn meer soorten strijd waartoe je wordt opgeroepen, na een strijd die je al hebt gestreden. De laatstbedoelde strijd is die van de zondaar om behouden te worden (Lk 13:2424Hij nu zei tot hen: Strijdt om in te gaan door de nauwe deur; want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan en het niet kunnen.; Mt 7:13-1413Gaat in door de nauwe poort; want wijd <is de poort> en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor binnengaan;14hoe nauw is de poort en smal de weg die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.). Het was vooral een strijd tegen jezelf, tegen alles wat jou wilde tegenhouden om je zonden aan God te belijden en in het geloof de Heer Jezus aan te nemen.

Jouw strijd als gelovige gaat tegen dingen buiten jou. Deze strijd kent verschillende aspecten. Zo lees je van

1. strijd in het evangelie (Fp 4:33Ja, ik vraag ook u, trouwe metgezel, wees hun behulpzaam die met mij hebben gestreden in het evangelie, samen met Clemens en mijn overige medearbeiders, van wie de namen in [het] boek van [het] leven staan.);
2. strijd tegen de boze machten enzovoort (Ef 6:12-1812Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,);
3. strijd tegen de zonde als een macht buiten ons (Hb 12:4-54U hebt nog niet ten bloede toe tegenstand geboden in de strijd tegen de zonde,5en u hebt de vermaning vergeten die tot u als tot zonen spreekt: ‘Mijn zoon, acht [de] tuchtiging van [de] Heer niet gering en bezwijk niet als u door Hem bestraft wordt;);
4. strijd voor het geloof, ofwel de geloofswaarheid (Jd 1:33Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.);
5. strijd in de gebeden (Rm 15:3030Maar ik spoor u aan, <broeders,> door onze Heer Jezus Christus en door de liefde van de Geest, dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;; Ko 4:1212U groet Epafras, die [een] van u is, een slaaf van Christus <Jezus>, die altijd voor u strijdt in de gebeden dat u mag vaststaan, volmaakt en ten volle verzekerd in [de] hele wil van God.);
6. de goede strijd – die omvat alle hiervoor genoemde soorten strijd (1Tm 1:1818Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetieën over jou, opdat je door deze de goede strijd strijdt,; 6:12; 2Tm 4:77Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.).

Je hebt met strijd te maken omdat je je op vijandelijk gebied bevindt. Je staat voor je Heer en verdedigt Zijn belangen en die van je medegelovigen. Het mag nooit een strijd zijn voor je eigen belangen. Een ander gevaar is dat je de strijd uit de weg gaat. Maar dat is iemand die alles aan de Heer Jezus te danken heeft, toch wel onwaardig. Ik wil er in jouw geval graag van uitgaan dat je, net als ik, op Timotheüs wilt lijken en dus de strijd niet ontwijkt. Je mag je dan ook alles aantrekken wat Paulus in dit verband tot Timotheüs ter bemoediging zegt.

V1919terwijl je [het] geloof behoudt en een goed geweten, dat sommigen van zich hebben gestoten, waardoor zij aangaande het geloof schipbreuk hebben geleden.. Van groot belang in de strijd is je persoonlijk “geloof”. Het gaat hier om je innerlijke geloofsvertrouwen, het vasthouden aan de trouw van God, ook al is de strijd nog zo fel. Houd in de strijd je geloofsvertrouwen vast. Geef je vertrouwen in God niet prijs, hoe groot de druk ook is die de vijand uitoefent.

Een even belangrijke voorwaarde om de goede strijd te kunnen strijden is het bezitten en behouden van “een goed geweten”. Het geweten werkt als een kompas dat iedere afwijking van de juiste koers aangeeft. Maar het is wel nodig dat de naald van het kompas gericht blijft op het Woord van God. Als het geweten niet zuiver is, zal dat invloed hebben op de dienst, op de strijd. De nodige kracht is niet vol aanwezig. De Heilige Geest kan niet vrij werken.

Het is mogelijk een goed geweten ‘van je te stoten’. Dat doe je als je de waarschuwingen van de Geest in de wind slaat. Deze waarschuwingen geeft Hij als je een verkeerde weg gaat of wilt gaan, of bij het beramen van eigenwillige plannen. Dit ‘van je stoten’ is een bewuste handeling, je doet het zelf. Voor de “schipbreuk” ben je dan ook zelf verantwoordelijk.

Als je ondanks de waarschuwingen via je geweten toch je eigen zin doorzet, heeft dat grote gevolgen voor je zicht op de inhoud van de geloofswaarheid. Dat wordt hier bedoeld met “het geloof”. Het ziet op wat je gelooft, de inhoud van je geloof, de geloofswaarheid die je in Gods Woord gegeven is. ‘Geloof’ betekent hier dus iets anders dan ‘geloof’ in het begin van dit vers. Daar betekent het ‘geloofsvertrouwen’ en hier betekent het ‘de geloofswaarheid’ of ‘de geloofsinhoud’.

Als je een eerste misstap niet voor God veroordeelt, zul je verder afwijken. De vijand heeft een gemakkelijke ingang als er sprake is van een slecht geweten omdat je kwaad hebt toegelaten en het niet hebt veroordeeld. Het gevolg is dat je aangaande de leer van de Schrift ook onderuitgaat. Je zult Schriftplaatsen gaan verdraaien en zo gaan uitleggen als ze je het beste uitkomen om de stem van je geweten te sussen en je dwaalweg te kunnen voortzetten.

V2020Onder hen zijn Hymenéüs en Alexander, die ik aan de satan heb overgegeven, opdat hun het lasteren wordt afgeleerd.. Paulus noemt van hen, van wie het geloof schipbreuk heeft geleden, “Hymenéüs en Alexander” bij name. Deze mensen zullen in Efeze bekend zijn geweest, anders zou het noemen van hun namen niet veel betekenis hebben. Paulus heeft hen “aan de satan overgegeven”. Dit kon hij als apostel doen. Hij doet dat nog een keer en wel in Korinthe (1Ko 5:55zo iemand aan de satan over te geven tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden wordt in de dag van de Heer <Jezus>.). Omdat het daar gaat om een zaak waarover de gemeente in Korinthe tucht moet uitoefenen, verwacht hij dat de gemeente daarmee zal instemmen. De plicht van de gemeente wordt daar vermeld (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.).

De genoemde personen hebben naar de satan geluisterd. Ze zijn zijn instrumenten geweest en hebben zich door hem laten gebruiken. Ze moeten nu voelen wie hij is aan wie zij het oor hebben geleend. Zodoende maakt God gebruik van de satan zelf als een stok om Zijn weerspannige kinderen tot hun bestwil te kastijden. De satan wordt hun leermeester door middel van de pijnen die hij hen doet lijden. Hij krijgt vrij spel met zo iemand, hoewel binnen de door God bepaalde grenzen (vgl. Jb 1:1212De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.; 2:66En de HEERE zei tegen de satan: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven.).

De satan is altijd uit op iemands verderf, terwijl het God altijd om behoudenis gaat. God gebruikt de satan om Zijn doel te bereiken. Het doel van elke tucht is het herstel van de ziel die is afgedwaald.

Deze mensen waren aan het “lasteren” geslagen, iets wat Paulus deed vóór zijn bekering (vers 1313mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof;). ‘Lasteren’ is verachtelijk spreken over God, Zijn Woord en Zijn volk. Zij moeten dat afleren door de tucht die Paulus over hen heeft gebracht door hen aan de satan over te leveren.

Lees nog eens 1 Timotheüs 1:18-20.

Verwerking: Hoe kun je voorkomen dat je aangaande het geloof schipbreuk lijdt?


Lees verder