Titus
1-6 Vroeger en nu 7-15 Erfgenamen, aanwijzingen en groeten
Vroeger en nu

1Herinner hen eraan, aan overheden <en> machten onderdanig te zijn, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid te zijn, 2niemand te lasteren, niet twistziek te zijn, inschikkelijk, alle zachtmoedigheid te bewijzen aan alle mensen. 3Want ook wij waren vroeger onverstandig, ongehoorzaam, dwalend, aan allerlei begeerten en genietingen verslaafd, in boosheid en afgunst levend, verfoeilijk [en] elkaar hatend. 4Maar toen de goedertierenheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, verschenen is, 5heeft Hij ons behouden, niet op grond van werken in gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar naar Zijn barmhartigheid, door [de] wassing van [de] wedergeboorte en [de] vernieuwing van [de] Heilige Geest, 6Die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland,

V11Herinner hen eraan, aan overheden <en> machten onderdanig te zijn, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid te zijn,. In het vorige hoofdstuk spreekt Paulus erover hoe de verschillende groepen in het huis van God zich moeten gedragen. In dit hoofdstuk gaat hij in op de houding van de christen in de wereld. De Kretenzen mogen dan wel weten dat ze van alle wetteloosheid verlost zijn (Tt 2:1414Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken.), maar dat betekent niet dat ze zich niets van de overheid hoeven aan te trekken (vgl. 1Pt 2:13-1413Weest aan elke menselijke instelling onderdanig om ‘s Heren wil; hetzij aan een koning als hoogste,14hetzij aan stadhouders als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van hen die goeddoen.; Rm 13:11Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.).

Ze weten wel dat ze zich aan de overheid moeten onderwerpen, maar het lijkt erop dat ze dit vergeten zijn. Titus moet hen eraan herinneren. Hun vroegere leven speelt hun mogelijk parten. Toen trokken ze zich van niemand iets aan, ook niet van de burgerlijke gezagsinstanties.

Hoe is dat met jou? Vind je het ook moeilijk om het gezag van de overheid te erkennen? Hoe is het met je naleving van de verkeersregels of het invullen van bepaalde formulieren van de overheid of van een verzekering waarin je het recht op een bepaalde vergoeding claimt? Misschien moet je er ook wel aan worden herinnerd om je niet te laten meeslepen door de geest van opstand tegen gezag of de mildere vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid. Ik heb dat in elk geval wel nodig.

Er wordt trouwens niet alleen gehoorzaamheid gevraagd, maar er wordt ook verwacht dat je “tot alle goed werk bereid” bent. Dat houdt in dit verband in dat je met de overheid meewerkt in alles wat voor de staat en de maatschappij goed is. Dat betekent ook dat je erop let dat wat je doet, aan de wil van God beantwoordt.

V22niemand te lasteren, niet twistziek te zijn, inschikkelijk, alle zachtmoedigheid te bewijzen aan alle mensen.. In dit vers gaat het niet meer alleen om de overheid, maar om “alle mensen”. Tegenover alle mensen geldt wat hier staat. Hoe kennen je buren, je medescholieren of je collega’s je? Pas ervoor op dat je niet minachtend spreekt over je ongelovige naaste die misschien als een ‘luie buik’ of een ‘kwaad beest’ leeft. Hoe zie jij je ongelovige collega? De opdracht om “niemand te lasteren” heeft hier betrekking op ongelovigen. Ik hoop dat je niet meedoet aan een roddel die over een collega in omloop is.

Ik hoop ook dat je niet bekendstaat als iemand die “twistziek” is, als een ruziezoeker, maar veelmeer als iemand die “inschikkelijk” is, vriendelijk en behulpzaam. Het kan toch niet zo zijn dat je vriendelijk bent tegen je broeders en zusters en intussen ruzie maakt met je buurman, bijvoorbeeld omdat hij zijn auto heeft gezet op de plek waar jij altijd jouw auto parkeert, zelfs al zou hij dat doen om jou te sarren. Je laat dan een kans liggen om alle zachtmoedigheid te bewijzen aan alle mensen. ‘Alle mensen’ is niet ‘alle mensen behalve je sarrende buurman’.

Als je “zachtmoedigheid” bewijst, laat je een prachtige eigenschap van de Heer Jezus zien, Die tegen je zegt dat je dit van Hem kunt leren (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;). Zo zullen de mensen zien dat je een burger van een ander rijk bent. De mensen zouden moeten wensen ook burgers van dat rijk te worden. Het hele gedrag straalt zachtmoedigheid uit, altijd vriendelijk en behulpzaam voor ‘alle mensen’, niet alleen voor lieve mensen.

V33Want ook wij waren vroeger onverstandig, ongehoorzaam, dwalend, aan allerlei begeerten en genietingen verslaafd, in boosheid en afgunst levend, verfoeilijk [en] elkaar hatend.. De herinnering aan wat je was, zal je helpen het voorgaande in praktijk te brengen. Je kunt dan de mensen dezelfde liefde bewijzen die God jou heeft bewezen. De vreselijkste dingen waartoe die ander in staat is en die jou tot in het diepst van je wezen kunnen krenken, komen niet uit een bron die bozer is dan jouw oude natuur. Bedenk daarom dat ook jij tot de vreselijkste daden kunt vervallen als de Heer je niet bewaart. Daarom kun je niet minachtend over een misdadiger spreken, hoe groot en terecht je afschuw over zijn daden ook is.

Hoe was je vroeger zelf, en ben je helaas misschien nog wel eens?
1. Je was “onverstandig”, dat is zonder verstand. Dat is niet vleiend voor mensen die vinden dat ze toch wel pienter zijn.
2. Je was ook “ongehoorzaam”, niet bereid te doen wat er van je werd gevraagd.
3. Je zag ook het doel van je leven niet, je was “dwalend”, want je dwaalde maar wat rond zonder dat je wist waar je uitkwam.
4. Dat bracht je tot een leven waarin je “verslaafd” was “aan allerlei begeerten en genietingen”.
5. Respect voor anderen was er niet. De “boosheid” die in je was, uitte zich onder andere in het pijn doen en kwetsen van anderen.
6. Je was “afgunstig”. Je misgunde de ander wat hij had; jij wilde dat ook hebben.
7. Je hele optreden was “verfoeilijk”, afstotelijk.
8. Het plezier dat je had, was onecht, want de sfeer waarin je was, was er een van “elkaar hatend”.

V44Maar toen de goedertierenheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, verschenen is,. Als God met je had gehandeld naar je gedrag, was je in de hel terechtgekomen. Maar dat heeft Hij niet gedaan. Hij is je integendeel tegemoetgekomen met Zijn “goedertierenheid en mensenliefde”. Daardoor leef je nog en ben je niet in de goot beland en zul je niet, wat nog erger zou zijn, in de hel terechtkomen.

Zijn ‘goedertierenheid’ heeft je totaal veranderd. Die goedertierenheid moeten de mensen in je kunnen zien. Je bent niet vriendelijk omdat anderen dat tegen jou zijn, maar omdat je christen bent. Terwijl jij verfoeilijk was, heeft God Zijn ‘mensenliefde’ aan jou laten zien. Hij heeft jou daarin laten zien dat Hij om jou geeft om wie jij als mens bent. Met eerbied gesproken heeft God zo gehandeld omdat Hij niet anders kon. Die liefde voor mensen moeten anderen in jou kunnen zien, niet omdat ze jou liefde bewijzen, maar omdat jij niet anders kunt.

V55heeft Hij ons behouden, niet op grond van werken in gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar naar Zijn barmhartigheid, door [de] wassing van [de] wedergeboorte en [de] vernieuwing van [de] Heilige Geest,. Hoe heeft God je behouden? In elk geval niet op basis van je eigen werken, want die waren voor je bekering allemaal ongerechtigheid. Zelfs jouw zogenaamde goede werken, waarvan jij vond dat God die toch wel als gerechtigheden moest aanmerken, waren bezoedeld door de zonde en daardoor verwerpelijk (Js 64:66Echter, wij zijn allen als een onreine,
al onze rechtvaardige daden zijn als een bezoedeld kleed
wij allen vallen af als een blad
en onze misdaden voeren ons weg als de wind.
)
. Van jouw kant heb je niets kunnen aandragen wat God kon belonen met behoudenis.

Maar wat jij niet kon, deed God als uiting van “Zijn barmhartigheid”. In plaats van Zijn rechtvaardige toorn over je uit te storten, hield Hij die in en gaf je in Zijn genade wat jij nooit kon bereiken: behoudenis. Barmhartigheid vooronderstelt de grootste nood bij het voorwerp ervan en ook het noodzakelijke middel tot hulp om aan de nood tegemoet te komen.

God heeft je behouden omdat Hij barmhartig is. Om je te behouden heeft Hij gebruikgemaakt van twee middelen. Het eerste middel is “[de] wassing van [de] wedergeboorte”. Hoewel wedergeboorte veel lijkt op de nieuwe geboorte (Jh 3:3-63Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien.4Nicodémus zei tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij soms voor de tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan.6Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.), is het toch niet hetzelfde. Terwijl de nieuwe geboorte in jou, in je innerlijk, gebeurt, is wedergeboorte meer een uiterlijke zaak.

Je kunt dat opmaken uit de enige andere keer dat het woord ‘wedergeboorte’ voorkomt en dat is in Mattheüs 19 (Mt 19:2828Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.). Daar ziet wedergeboorte op de tijd dat het koninkrijk van God uiterlijk is aangebroken, waarbij de Heer Jezus op aarde regeert en de Zijnen met Hem regeren. De schepping zal dan als het ware wedergeboren zijn. Alles wat je dan ziet, is nieuw.

Wat dan de algemene situatie zal zijn, geldt nu al voor jou persoonlijk. Voor jou is die nieuwe staat van zaken nu al aangebroken. De zonden waarin je vroeger leefde (vers 33Want ook wij waren vroeger onverstandig, ongehoorzaam, dwalend, aan allerlei begeerten en genietingen verslaafd, in boosheid en afgunst levend, verfoeilijk [en] elkaar hatend.), zijn van je afgewassen. Deze wassing is gebeurd door het Woord (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,; vgl. Jk 1:1818Naar Zijn wil heeft Hij ons voortgebracht door [het] Woord van [de] waarheid, opdat wij in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen zouden zijn.; 1Pt 1:2323u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend Woord.). Daardoor is je gedrag totaal veranderd. Wat de mensen van je zien, is niet meer wat je vroeger was, maar is van de wereld die er straks zal zijn.

Toch kun je alleen uiterlijk zo leven als er innerlijk iets met je is gebeurd. Je uiterlijke leven vindt van binnenuit plaats, waar “[de] vernieuwing van [de] Heilige Geest” heeft plaatsgevonden. De vernieuwing van de Heilige Geest wil zeggen de vernieuwing vanwege de Heilige Geest, de vernieuwing die van Hem uitgaat en door Hem is bewerkt. Door dit vernieuwende werk van de Heilige Geest heb je een nieuwe geestelijke bekwaamheid gekregen, waardoor je in staat bent om te zien en te denken in overeenstemming met God (zie Rm 12:22En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, opdat u beproeft wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is., de enige andere plaats waar het woord ‘vernieuwd’ wordt gebruikt). De Heilige Geest is de bron van een volkomen nieuw leven, van geheel nieuwe gedachten.

V66Die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland,. Er is niet alleen sprake van het werk van de Geest, maar ook van de gave van de Geest. Hij is je gegeven (Ef 1:1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,) en geeft kracht aan het nieuwe leven, zodat dit nieuwe leven zich kan uiten. Hij bewerkt een dagelijkse vernieuwing in je en bevrijdt je tevens van het oude leven dat je leidde. De uitstorting van de Heilige Geest is een eenmalige gebeurtenis die heeft plaatsgevonden op de Pinksterdag (Hd 2:3333Nu Hij dan door de rechterhand van God is verhoogd en de belofte van de Heilige Geest heeft ontvangen van de Vader, heeft Hij dit uitgestort wat u <én> ziet én hoort.; 1Ko 12:1313Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven.). De Heer Jezus heeft op grond van Zijn werk en als resultaat daarvan de belofte van de Heilige Geest van de Vader ontvangen en Hem vervolgens uitgestort. Dat heeft Hij niet mondjesmaat gedaan, maar “rijkelijk”.

Ga maar na: Je bent niet alleen uit Hem geboren, maar Hij werkt in je en staat je ter beschikking. Hij woont in je en blijft bij je en maakt je alles bekend wat in Christus van jou is. Door de Heilige Geest mag je in rijke mate genieten van het ware leven, van het leven in overvloed (Jh 10:1010De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.).

Lees nog eens Titus 3:1-6.

Verwerking: Wat zijn in jouw leven de verschillen tussen vroeger en nu?


Erfgenamen, aanwijzingen en groeten

7opdat wij, door Zijn genade gerechtvaardigd, erfgenamen werden naar [de] hoop van [het] eeuwige leven. 8Het woord is betrouwbaar, en ik wil dat je op deze dingen aandringt, opdat zij die God geloven, ervoor zorgen zich toe te leggen op goede werken. Deze dingen zijn goed en nuttig voor de mensen. 9Maar vermijd dwaze twistvragen, geslachtsregisters, ruzie en twisten over de wet; want zij zijn nutteloos en inhoudsloos. 10Verwerp een sektarisch mens na [de] eerste en tweede vermaning, 11daar je weet dat zo iemand afgeweken is en zondigt, terwijl hij door zichzelf veroordeeld is. 12Wanneer ik Artemas of Tychicus tot je zend, beijver je dan tot mij te komen in Nikópolis, want ik heb besloten daar te overwinteren. 13Help ijverig Zenas de wetgeleerde voort, en Apollos, opdat het hun aan niets ontbreekt. 14En laten ook de onzen leren zich toe te leggen op goede werken voor de noodzakelijke behoeften, opdat zij niet onvruchtbaar zijn. 15Jou groeten allen die bij mij zijn. Groet hen die ons liefhebben in [het] geloof. De genade zij met jullie allen.

V77opdat wij, door Zijn genade gerechtvaardigd, erfgenamen werden naar [de] hoop van [het] eeuwige leven.. Nu krijg je het doel van de behoudenis te horen. God heeft je behouden, opdat je ‘erfgenaam’ zou worden “naar [de] hoop van [het] eeuwige leven”. In de voorgaande verzen heb je gezien wat God daarvoor allemaal heeft gedaan. Hij is in goedertierenheid en mensenliefde aan je verschenen; Hij heeft je barmhartigheid bewezen; Hij heeft je gereinigd en vernieuwd. Maar om je erfgenaam te maken moest er nog iets gebeuren. Als erfgenaam moet je namelijk volmaakt in overeenstemming met de gerechtigheid van God zijn. Als een echte erfgenaam moet jouw ‘recht’ op de erfenis niet aangevochten kunnen worden.

Ook daarvoor heeft de Heer Jezus gezorgd door Zijn werk op het kruis. Hij heeft volmaakt voldaan aan het recht van God. Door het geloof in Hem en Zijn werk voor jou rekent God jou Zijn eigen gerechtigheid toe (Rm 3:21-2221Maar nu is, buiten [de] wet om, gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de wet en de profeten getuigenis gegeven wordt,22namelijk gerechtigheid van God door geloof in Jezus Christus tot <allen, en over> allen die geloven; want er is geen onderscheid.). Je bent in Christus een nieuwe schepping. Je hebt nieuw leven, leven uit God. Je bent een kind van God en daardoor ook een erfgenaam van God (Rm 8:1717En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, als wij inderdaad met [Hem] lijden, opdat wij ook met [Hem] verheerlijkt worden.). God ziet je in Christus Die voor jou de gerechtigheid van God is geworden (1Ko 1:3030Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing;). Het zal duidelijk zijn dat je die rechtvaardiging alleen aan Gods “genade” te danken hebt (Rm 3:2424en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.).

Wat de erfenis precies inhoudt, wordt hier niet vermeld. Dat betekent niet dat je niet weet waaruit de erfenis bestaat. Het is namelijk alles wat Christus erft, want we zijn mede-erfgenamen van Hem (Rm 8:1717En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, als wij inderdaad met [Hem] lijden, opdat wij ook met [Hem] verheerlijkt worden.; Ef 3:66dat [zij uit] de volken mede-erfgenamen zijn en mede-ïngelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie,). Hier wordt het erfgenaamschap verbonden met ‘de hoop van het eeuwige leven’. Het woord ‘hoop’ geeft geen onzekerheid aan, maar richt je blik naar de toekomst. Je zult de erfenis genieten op dezelfde wijze als je het eeuwige leven zult genieten in de tijd dat de zonde zijn verderfelijke invloed niet meer kan laten gelden.

Jij en alle gelovigen zijn dan volmaakt en de omstandigheden zijn dan ook volmaakt, zonder enige kans dat de zonde er nog een keer binnendringt. Het volle resultaat van het werk van Christus wordt in al Zijn heerlijkheid tot in alle eeuwigheid gezien en genoten. En jij mag daarin delen. Dat is even een geweldig vooruitzicht!

V88Het woord is betrouwbaar, en ik wil dat je op deze dingen aandringt, opdat zij die God geloven, ervoor zorgen zich toe te leggen op goede werken. Deze dingen zijn goed en nuttig voor de mensen.. Wat Paulus zojuist heeft gezegd, is een absoluut betrouwbaar woord, je kunt ervan op aan. Maar het moet niet bij mooie bespiegelingen blijven. Titus moet erop aandringen dat de gelovigen dit woord geloven en hun leven daarnaar inrichten. Geef de dingen die je zojuist hebt geleerd, maar door aan anderen die ook in God geloven, dat wil zeggen die Hem ook op Zijn Woord nemen. Misschien dat ze dit allemaal nog niet weten, maar als je hun erover vertelt, merk je dat ze erdoor bemoedigd en verder geholpen worden.

Net als jij zullen zij zich dan gaan toeleggen “op goede werken”, dat wil zeggen dat ze goed voor zichzelf nagaan welke goede werken ze kunnen doen. Ze gaan met overleg te werk. Als jij bezig bent met goede, eerbare werken, ben je niet bezig anderen te beschadigen of te belasten, maar juist met dingen die een “goed en nuttig” effect hebben op de mensen in je omgeving.

V99Maar vermijd dwaze twistvragen, geslachtsregisters, ruzie en twisten over de wet; want zij zijn nutteloos en inhoudsloos.. Je toeleggen op goede werken voorkomt dat je tijd verspilt aan dingen die niet goed zijn. Je zult die dingen vermijden. Paulus noemt enkele van die dingen. Titus moet “dwaze twistvragen” vermijden, dat zijn vragen die nergens over gaan en nergens op slaan. Ook van het uitpluizen van en discussiëren over “geslachtsregisters” moet hij zich ver houden, want daarover werden de wildste fantasieën ten beste gegeven.

Hij moet ook niet meedoen aan de ruzieachtige discussies die Joodse wetgeleerden voeren over de wet om daaraan allerlei geboden toe te voegen. Al zulke woordenkramerij is zonder nut en inhoud. Het levert niets anders op dan hete hoofden en koude harten. Wie in zijn spreken het hoofdzakelijk over uiterlijke dingen heeft, begrijpt niet veel van de goedertierenheid en mensenliefde van God.

V1010Verwerp een sektarisch mens na [de] eerste en tweede vermaning,. Tussen mensen die zulke onzinnigheden ventileren, kan zich zomaar “een sektarisch mens” openbaren. Daarom is het niet verwonderlijk dat Paulus in het verlengde hiervan Titus een aanwijzing geeft wat hij met een sektarisch mens moet doen. Een sektarisch mens kan tevens een dwaalleraar zijn (2Pt 2:11Er waren echter ook valse profeten onder het volk, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die verderfelijke sekten heimelijk zullen invoeren en de Meester Die hen gekocht heeft, zullen verloochenen en een spoedig verderf over zichzelf brengen.), maar dat hoeft niet. De farizeeën vormden een sekte (Hd 15:55Enigen echter van hen die van de sekte der farizeeën waren, die tot geloof waren gekomen, stonden uit [hun midden] op en zeiden dat men hen moest besnijden en bevelen de wet van Mozes te bewaren.; 26:55daar zij van vroeger, van de eerste tijd af, van mij weten (als zij het willen getuigen) dat ik naar de strengste sekte van onze godsdienst heb geleefd: als farizeeër.). Zij maakten van veel dingen een strijdvraag en sloten anderen uit die niet hun mening deelden. Toch kun je niet zeggen dat ze een dwaalleer verkondigden. Ze waren zuiver in de leer, maar voegden toe aan Gods Woord, waardoor ze het krachteloos maakten (Mt 15:66En u hebt [zo] het Woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering.).

Een sekte is een groep van gelovigen die zich van andere gelovigen onderscheidt door een bovenmatige nadruk te leggen op bepaalde onderdelen van de waarheid. Om gemeenschap met hen te kunnen hebben stellen zij als voorwaarde dat men hun opvatting over die onderdelen van de waarheid onderschrijft. Als er, om aanvaard te worden, meer voorwaarden worden gesteld dan de Schrift vraagt, is een sekte ontstaan. Toch is niet ieder die tot een sekte behoort een sektarisch mens. De leiders van de groep zijn dat echter wel.

Dan geeft Paulus aan hoe Titus, en ook jij en ik, met een sektarisch mens moet handelen. Bedenk wel dat dit een persoonlijke brief is en niet een brief aan een gemeente. Het gaat om een persoonlijke houding tegenover een sektarisch mens. Er wordt dan ook niet gesproken over ‘uit uw midden wegdoen’ (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.), maar over ‘vermanen’ en ‘verwerpen’. Zodra een mens zich als sektarisch openbaart, moet er een en andermaal gewaarschuwd worden. Pas als duidelijk is dat de vermaningen niet helpen, kan worden vastgesteld dat iemand een sektarisch mens is en moet er verwerping komen. Een dergelijk mens volhardt zozeer in zijn afwijking, dat verdere inspanningen hem tot inkeer te bewegen vergeefs zullen zijn.

V1111daar je weet dat zo iemand afgeweken is en zondigt, terwijl hij door zichzelf veroordeeld is.. Titus moet zo iemand verwerpen omdat hij weet dat die mens van de waarheid “afgeweken is en zondigt”. Verdere omgang zal schadelijk voor hemzelf zijn (1Ko 15:3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.). De sektarische mens spreekt door zijn halsstarrige houding het oordeel over zichzelf uit, zonder zich dat overigens bewust te zijn.

V1212Wanneer ik Artemas of Tychicus tot je zend, beijver je dan tot mij te komen in Nikópolis, want ik heb besloten daar te overwinteren.. Op een heel andere toon spreekt Paulus in zijn slotwoorden over enkele mededienaars. Hij zou Titus graag weer bij zich hebben. Maar Paulus wil de gelovigen op Kreta niet zonder leiding laten. Daarom zegt hij toe dat hij een vervanger voor Titus zal sturen. Hij weet nog niet of hij Artemas of Tychicus zal sturen. Van Artemas weten we niets anders dan wat hier van hem staat. Hij moet een betrouwbare medewerker van Paulus zijn geweest. Van Tychicus weten we meer (Hd 20:44En hem vergezelden <tot in Asia> Sópater, [de zoon] van Pyrrhus, van Beréa; van [de] Thessalonicenzen, Aristarchus en Secundus, Gajus van Derbe, Timotheüs, en [de] Asiaten Tychicus en Trófimus.; Ef 6:2121Opdat ook u mijn omstandigheden weet, hoe het met mij gaat, zal Tychicus, de geliefde broeder en trouwe dienaar in [de] Heer, u alles bekendmaken;; Ko 4:77Alles wat mij aangaat zal Tychicus, de geliefde broeder en trouwe dienaar en medeslaaf in [de] Heer, u bekendmaken.; 2Tm 4:1212Tychicus nu heb ik naar Efeze gezonden.). Pas als de vervanger er is, kan Titus naar hem toe komen in Nikópolis, waar Paulus besloten heeft de winter door te brengen. Hij zal dan in het voorjaar in gezelschap van Titus verder kunnen reizen.

V1313Help ijverig Zenas de wetgeleerde voort, en Apollos, opdat het hun aan niets ontbreekt.. Artemas en Tychicus blijken medewerkers van de apostel te zijn die door hem ergens heen gestuurd kunnen worden. Dat geldt niet voor iemand als Apollos. Apollos bepaalt zelf in afhankelijkheid van de Heer wat zijn opdracht is en waar hij heen gaat (vgl. 1Ko 16:1212Wat nu broeder Apollos aangaat, ik heb hem dringend gevraagd met de broeders naar u toe te komen; en het was helemaal [zijn] wil niet nu te komen, maar hij zal komen wanneer hij gelegenheid heeft.). Het is een gevaar om, als je voor jezelf de weg duidelijk ziet, die dan ook voor anderen te bepalen. Dat is niet wat Paulus doet. Zenas en Apollos zullen ook komen, niet gezonden door Paulus, maar door de Heer.

Paulus is niet jaloers dat anderen op het terrein komen waar hij heeft gewerkt. Hij is daar juist blij om. Hij ziet geen concurrentie, maar een helpen van elkaar. Zenas heeft kennis van de wet en kan daardoor de Judaïstische valse leraren van repliek dienen. Apollos is machtig in de Schriften (Hd 18:2424Een Jood nu genaamd Apollos, van geboorte een Alexandrijn, een welsprekend man, kwam in Efeze; hij was machtig in de Schriften.). Paulus draagt Titus op ervoor te zorgen dat deze twee dienaars niets tekortkomen.

V1414En laten ook de onzen leren zich toe te leggen op goede werken voor de noodzakelijke behoeften, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.. De gelovigen op Kreta kunnen daar hun bijdrage aan leveren. Titus moet hen aanmoedigen zich op dit soort “goede werken” toe te leggen. Dan zijn ze niet “onvruchtbaar”. “De onzen” zijn in directe zin alle gelovigen op Kreta en in ruime zin alle gelovigen op aarde. We mogen dat niet beperken tot hen die ‘met ons dezelfde gemeentelijke weg’ gaan.

Je kunt leren je toe te leggen op goede werken. Ben jij ook zo leergierig om te weten hoe je in “de noodzakelijke behoeften” kunt voorzien? Deze aansporing wordt bijna met de dag actueler omdat we leven in een wereld waarin mensen steeds meer alleen voor zichzelf gaan leven. Deze geest tast ook christenen meer en meer aan. Dat gaat ten koste van verloren zondaren en behoeftige gelovigen.

V1515Jou groeten allen die bij mij zijn. Groet hen die ons liefhebben in [het] geloof. De genade zij met jullie allen.. Paulus sluit af met Titus de groeten te doen van allen die bij hem zijn. Waar hij is, heeft hij gemeenschap met andere gelovigen. Op zijn beurt moet Titus alle gelovigen op Kreta, zonder onderscheid, groeten van Paulus en van hen die bij hem zijn. Hij veronderstelt bij allen op Kreta dat zij hem en allen die bij hem zijn, liefhebben als gelovigen. Hij wenst allen op Kreta de genade toe.

Zo neemt hij afscheid. Zo mogen ook jij en ik afscheid nemen van elkaar. We wensen elkaar op onze afzonderlijke wegen toe dat genade ons zal begeleiden en dat we ons daarvan bewust zullen zijn.

Lees nog eens Titus 3:7-15.

Verwerking: Waarvoor moest Titus op zijn hoede zijn en waaraan moest hij meewerken?