Titus
2-4 De belofte van het eeuwige leven 5-9 Oudsten 10-16 Valse leraren
De belofte van het eeuwige leven

2in [de] hoop van [het] eeuwige leven dat God, Die niet kan liegen, beloofd heeft vóór [de] tijden van de eeuwen; maar op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn Woord geopenbaard door [de] prediking 3die mij is toevertrouwd naar [het] bevel van God, onze Heiland; 4aan Titus, [mijn] echt kind naar [het] gemeenschappelijk geloof: genade en vrede van God [de] Vader en van Christus Jezus, onze Heiland.

V22in [de] hoop van [het] eeuwige leven dat God, Die niet kan liegen, beloofd heeft vóór [de] tijden van de eeuwen; maar op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn Woord geopenbaard door [de] prediking. Een derde toetsing van het apostelschap van Paulus is dat het hoort bij “[de] hoop van [het] eeuwige leven”. Hier wordt het eeuwige leven voorgesteld als iets wat je nog moet krijgen. Dat lijkt in tegenspraak met wat Johannes daarover schrijft. Johannes spreekt immers over eeuwig leven als iets wat je nu al hebt (1Jh 5:1111En dit is het getuigenis: dat God ons eeuwig leven heeft gegeven, en dit leven is in Zijn Zoon.). Toch is er geen tegenspraak. Het leven wordt namelijk op twee manier voorgesteld.

Kort gezegd: Johannes heeft het over het leven waardoor wij leven, Paulus over het leven waarin wij leven. Het ene is het leven in jou, het andere het leven om je heen, je omgeving. Wij kennen dit verschil in leven ook in ons dagelijks spraakgebruik. In het eerste geval spreken we wel van een gezond leven en in het tweede geval van een stadsleven of plattelandsleven.

Je hebt het eeuwige leven in je, maar je leeft nog in een wereld die onder de zonde ligt. Als je in de hemel bent, zal de hele omgeving en atmosfeer waarin het eeuwige leven geleefd en genoten wordt, volkomen passen bij het eeuwige leven in je. Eeuwig leven duidt niet alleen de duur of de lengte aan, maar ook de kwaliteit.

Toepassing: Vandaag herken je de ware geestelijke leider eraan dat hij de harten van de uitverkorenen bemoedigt door hun de hemelse heerlijkheid aan het einde van hun reis voor te stellen.

Je kunt er vast van op aan dat je het eeuwige leven als die leefsfeer zult genieten. Het is namelijk beloofd door de “niet-liegende God”, zoals er letterlijk staat. God kan niet liegen, Hij is daartoe niet in staat, het is onmogelijk voor Hem (Hb 6:1818opdat wij door [deze] twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke vertroosting hebben, wij die de toevlucht hebben genomen om de voorgestelde hoop aan te grijpen.). Dat staat tegenover het karakter van de Kretenzen, die blijkbaar niet anders kunnen dan liegen (vers 1212Iemand van hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: Kretenzen zijn altijd leugenaars, kwade beesten, luie buiken.), en tegenover de leugenachtige natuur die ieder mens bezit (Rm 3:44Volstrekt niet! Maar God zij waarachtig en ieder mens leugenachtig, zoals geschreven staat: ‘Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U geoordeeld wordt’.). God is volmaakt betrouwbaar in Zijn belofte van het eeuwige leven.

Ik had bijna geschreven dat het eeuwige leven aan jou beloofd is. Dat zou ook niet echt verkeerd zijn. Je bent immers uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld. De belofte is wel voor jou, maar zo staat het er niet. Er staat dat God de belofte “vóór de tijden van de eeuwen” heeft gedaan. Als ik daaraan denk, vind ik de gedachte toch wel mooier dat God dit eeuwige leven beloofd heeft aan de Heer Jezus, want alleen Hij was er toen. Niet dat het eeuwige leven beloofd is aan de Heer Jezus als iets wat Hij niet bezat, want de Heer Jezus ís het eeuwige leven (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Nee, God heeft het eeuwige leven aan Hem beloofd dat Hij het zal geven aan Zijn uitverkorenen (Jh 17:22zoals U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, opdat alles wat U Hem hebt gegeven, Hij hun eeuwig leven geeft.).

Van die belofte zou je niets hebben geweten als God dit niet had geopenbaard. Het is toch wel indrukwekkend dat God je bekendmaakt met iets wat in de eeuwigheid een onderwerp van gesprek was tussen de Vader en de Zoon. Als je daarbij bedenkt dat jouw naam is genoemd door de Vader aan de Heer Jezus om jou het eeuwige leven te geven, dan duizelt het je toch helemaal?

Voor het openbaar maken van deze belofte heeft God “Zijn eigen tijd” afgewacht. Eerst moest duidelijk worden wat er in het hart van de mens is voor God. Dat is ten volle gebleken bij het kruis. Daar liet de mens de Heer Jezus, God geopenbaard in goedheid en genade, de vreselijkste dood sterven.

Dat dieptepunt in de geschiedenis van de mens is tegelijkertijd het moment waarop God Zijn hart volledig blootlegt en Hij de breedte, lengte, hoogte en diepte van Zijn raadsbesluiten bekendmaakt (Ef 3:1818opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is,).

V33die mij is toevertrouwd naar [het] bevel van God, onze Heiland;. En hoe maakt God die bekend? “Door [de] prediking” van “Zijn Woord”. Deze prediking heeft Hij toevertrouwd aan de apostel Paulus (vgl. Rm 10:14-1714Hoe zullen zij nu Hem aanroepen in Wie zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij geloven in Hem van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt?15En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden zijn? Zoals geschreven staat: ‘Hoe liefelijk zijn de voeten <van hen die vrede verkondigen,> van hen die <het> goede verkondigen’.16Maar niet allen hebben het evangelie gehoorzaamd. Want Jesaja zegt: ‘Heer, wie heeft onze prediking geloofd?’17Dus is het geloof uit [de] prediking, en de prediking door [het] Woord van Christus.; 1Ko 2:7-107maar wij spreken Gods wijsheid in verborgenheid, de bedekte [wijsheid], die God vóór alle eeuwen heeft voorbestemd tot onze heerlijkheid,8die geen van de oversten van deze wereld heeft gekend (want als zij haar hadden gekend, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben);9maar zoals geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’.10Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.). Dat Woord hebben we nu in de Schrift (Rm 16:25-2725Hem nu Die machtig is u te bevestigen naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar [de] openbaring van [de] verborgenheid, die in [de] tijden van de eeuwen verzwegen is geweest,26maar die nu is geopenbaard en door profetische Schriften, naar [het] bevel van de eeuwige God, tot geloofsgehoorzaamheid aan alle volken is bekendgemaakt,27[de] alleen wijze God, door Jezus Christus, Hem zij de heerlijkheid tot in <alle> eeuwigheid! Amen.). Daardoor komt de openbaring ook tot jou (1Ko 2:10-1410Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.11Want wie van de mensen kent het innerlijk van de mens, dan de geest van de mens die in hem is? Zo kent ook niemand het innerlijk van God, dan de Geest van God.12En wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest Die uit God is, opdat wij weten de dingen die ons door God geschonken zijn.13Hiervan spreken wij ook, niet met woorden door menselijke wijsheid geleerd, maar met [woorden] door [de] Geest geleerd, terwijl wij geestelijke [dingen] door geestelijke [woorden] meedelen.14Maar [de] natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest <van God> is, want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoordeeld wordt.).

Paulus heeft deze dienst niet naar zich toe getrokken of eigenmachtig ingevuld (Gl 1:11-1211Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie dat door mij verkondigd is, niet is naar [de] mens.12Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.). Zijn apostelschap en de dienst die daarmee samenhangt, zijn “naar [het] bevel van God, onze Heiland”. Deze naam voor God laat Hem zien als Degene Die heil of behoudenis aanbrengt – ofwel dat Hij een Heiland is – voor alle mensen (vgl. Tt 2:1111Want de genade van God, heilbrengend voor alle mensen, is verschenen; 1Tm 2:3-43Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland,4Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen.). De prediking die Paulus is toevertrouwd, is dan ook tweeledig. Enerzijds predikt hij het evangelie aan alle mensen waardoor zij behouden moeten worden. Anderzijds ontvouwt hij de volle waarheid aan allen die het evangelie hebben aangenomen en behouden zijn.

Toepassing: Ook vandaag is aan iedere geestelijk leider iets toevertrouwd om aan de gelovigen door te geven. Wat zij doorgeven, moet ertoe dienen dat gelovigen met elkaar leren leven tot eer van God.

V44aan Titus, [mijn] echt kind naar [het] gemeenschappelijk geloof: genade en vrede van God [de] Vader en van Christus Jezus, onze Heiland.. Paulus richt zich tot Titus die hij zijn “echt kind naar [het] gemeenschappelijk geloof” noemt. Het woord voor ‘echt’ betekent eigenlijk ‘wettig verwekt’. Dat wil niet zeggen dat Titus zijn lijfelijke zoon is. De toevoeging ‘gemeenschappelijk geloof’ maakt duidelijk dat het om een geestelijke verwekking gaat (vgl. 1Tm 1:22aan Timotheüs, [mijn] echt kind in [het] geloof: genade, barmhartigheid en vrede van God <de> Vader en van Christus Jezus, onze Heer.; 1Ko 4:1515Want al had u tienduizend leermeesters in Christus, dan hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het evangelie verwekt.; Fm 1:1010Ik doe een beroep op u aangaande mijn kind dat ik in mijn gevangenschap heb verwekt, Onésimus,). Titus is door de dienst van Paulus tot geloof gekomen en opnieuw geboren. De heiden Titus en de Jood Paulus belijden hetzelfde geloof (vgl. 2Pt 1:11Simon Petrus, slaaf en apostel van Jezus Christus, aan hen die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben door [de] gerechtigheid van onze God en Heiland Jezus Christus:). Ze behoren beiden tot de gemeente, waarin Jood noch Griek is (1Ko 12:1313Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven.; Ko 3:1111Daarin is niet Griek en Jood, besnijdenis en onbesnedenheid, barbaar, Scyth, slaaf, vrije; maar Christus is alles en in allen.).

Paulus sluit zijn inleiding af met de gebruikelijke zegenwens van “genade en vrede”. ‘Genade’ staat voorop. Titus kan zijn werk alleen maar doen als hij zich ervan bewust is dat Gods genade nodig is voor zijn taak. Hij zal zijn opdracht nooit in eigen kracht kunnen uitvoeren. Als hij zich afhankelijk weet van de genade die God hem geeft, zal hij met de ‘vrede’ van God in zijn hart zijn werk kunnen doen. Hij zal niet snel ontmoedigd raken als er steeds tegenstand is, of als er geen medewerking is, of als er maar geen vrucht op zijn werk lijkt te komen.

Genade en vrede worden hem toegewenst van “God [de] Vader en van Christus Jezus, onze Heiland”. Dat plaatst Titus in de verhouding van een kind tot zijn Vader en tot de Heer Jezus als zijn Verlosser. Het een geeft vertrouwen, het ander bewerkt toewijding en inzet.

Toepassing: Een geestelijk leider kent God als zijn Vader en vertrouwt zich helemaal aan Hem toe. Ook kent hij de Heer Jezus als zijn Verlosser Die hem heeft bevrijd om voor Hem te leven. De prijs die de Verlosser heeft betaald en het besef dat hij daardoor verlost is, is de grootste aansporing om Hem te dienen.

Lees nog eens Titus 1:2-4.

Verwerking: Welke criteria voor geestelijk leiderschap ontdek je in de verzen 2 en 32in [de] hoop van [het] eeuwige leven dat God, Die niet kan liegen, beloofd heeft vóór [de] tijden van de eeuwen; maar op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn Woord geopenbaard door [de] prediking3die mij is toevertrouwd naar [het] bevel van God, onze Heiland;?


Oudsten

5Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb. 6Zo iemand moet onstraffelijk zijn, man van één vrouw zijn en gelovige kinderen hebben die niet van losbandigheid te beschuldigen of weerspannig zijn. 7Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit, 8maar gastvrij, een liefhebber van het goede, ingetogen, rechtvaardig, heilig, matig, 9vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen.

V55Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb.. Na zijn inleiding komt Paulus in vers 55Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb. tot het hoofdonderwerp van zijn brief. Hij heeft op Kreta gemeenten gesticht. Dat hij spreekt over “in elke stad”, wekt de indruk dat het evangelie ruime ingang op het eiland heeft gevonden, waardoor mogelijk in elke stad op het eiland er wel een gemeente is ontstaan. Paulus heeft echter geen gelegenheid gehad om de gemeenten op te bouwen en te bevestigen in de waarheid. Er ontbreekt nog het een en ander aan onderwijs.

Als je de volgende hoofdstukken leest, kun je bijvoorbeeld denken aan onderwijs over de verhoudingen van de gelovigen onderling (Titus 2) en de houding ten opzichte van de overheid (Titus 3). Hoewel Paulus niet zelf in het ontbrekende kan voorzien, zorgt hij in de persoon van Titus voor bekwame vervanging.

Het is trouwens ook niet de bedoeling dat Titus altijd op Kreta blijft. Paulus zal hem laten vervangen door iemand anders (Tt 3:1212Wanneer ik Artemas of Tychicus tot je zend, beijver je dan tot mij te komen in Nikópolis, want ik heb besloten daar te overwinteren.). Iedere afgezant van de apostel zal de gelovigen tot grote steun zijn om hun leven als christenen te leven. Maar er is ook bekwame leiding onder de gelovigen nodig die niet zal wisselen. Daarom krijgt Titus nog een opdracht en wel om oudsten aan te stellen in elke stad waar een gemeente is. Daarover gaat het in de rest van Titus 1.

De Kretenzen zijn naar hun aard zeer slechte mensen (vers 1212Iemand van hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: Kretenzen zijn altijd leugenaars, kwade beesten, luie buiken.). Paulus kent ze. Daarom weet hij welke eigenschappen oudsten moeten bezitten om de gemeenten op Kreta te besturen, zodat ze zullen beantwoorden aan de wil van de Heer.

Om de Kretenzen in het gareel te houden of te krijgen ontwikkelt Paulus geen kerkorde. Hij draagt Titus niet op om kerkregels in te voeren die voor hun leven op een eiland en hun levensstijl het meest geschikt lijken. Dat is wel in de kerkgeschiedenis gebeurd, maar het is niet in overeenstemming met de Bijbel. Wat er samenhangt met het aanstellen van oudsten, zal ik je proberen uit te leggen.

Over het aanstellen van oudsten is altijd veel te doen (geweest). Steeds worden vragen gesteld als: ‘Wie stelt aan?’ en: ‘Wie kan worden aangesteld?’ en: ‘Hebben we vandaag ook nog oudsten en hoe herken je ze?’ Om op dit soort vragen een goed antwoord te kunnen vinden moet je enkele dingen bedenken. Zo is het belangrijk eraan te denken dat oudsten een positie van gezag bekleden en dat zij in die positie worden gesteld door een hoger gezag.

Waar je in het Nieuwe Testament over aanstelling van oudsten leest (Hd 14:2323Nadat zij nu voor hen in elke gemeente oudsten hadden gekozen, baden zij met vasten en droegen hen op aan de Heer in Wie zij hadden geloofd.; 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].; Tt 1:5,75Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb.7Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit,), zie je dat ze worden aangesteld door apostelen of hun afgezanten. Aanstelling gebeurt niet door de gemeente. Het zou toch vreemd zijn als de gemeente zelf zou bepalen wie gezag over haar uitoefent. Daarom is de brief ook gericht aan Titus en niet aan de gemeente op Kreta. Nee, gezag komt altijd van boven.

Titus krijgt de opdracht om namens de apostel oudsten aan te stellen. Het aanstellen van oudsten is hier nodig omdat de gemeente nog niet het complete Nieuwe Testament heeft. Een officiële aanstelling geeft aan oudsten het gezag om in de gemeente op te treden tegen personen die zich als geestelijke leidslieden voordoen, maar misleiders zijn. De gemeente moet naar de oudsten luisteren en zal daarvan de zegen ervaren. In onze dagen is die officiële aanstelling niet nodig, want we hebben het complete Woord van God.

Als je bedenkt dat oudsten alleen kunnen worden aangesteld door een hoger gezag, is de vraag of er nu nog oudsten kunnen of moeten worden aangesteld, niet zo moeilijk te beantwoorden. Er zijn geen apostelen meer en ook geen personen die in opdracht van een apostel kunnen handelen. Aanstelling van oudsten kan daarom niet meer. Dat wil echter niet zeggen dat ze er niet meer zijn. Er wordt vaker over oudsten gesproken in de Bijbel, zonder dat daarbij wordt vermeld dat zij officieel zijn aangesteld (Hd 11:3030wat zij ook deden door het te zenden aan de oudsten, door [de] hand van Barnabas en Saulus.; 1Tm 5:1717Laat de oudsten die goed besturen, dubbele eer worden waard geacht, vooral zij die arbeiden in woord en leer;; Jk 5:1414Is iemand onder u ziek? Laat hij de oudsten van de gemeente bij zich roepen en laten zij over hem bidden en <hem> zalven met olie in de Naam van de Heer.; 1Pt 5:1-21[De] oudsten onder u vermaan ik dus, de medeoudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden;2hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;).

Het woord ‘oudste’ duidt zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament op iemand met levenservaring. In die zin zijn er gelukkig nog steeds ‘oudsten’, waarbij je ook mag denken aan hen die leiding geven, aan voorgangers en aan de genadegave van besturingen (Hd 15:2222Toen besloten de apostelen en de oudsten met de hele gemeente mannen uit hen te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden: Judas, Barsabbas geheten, en Silas, mannen die voorgangers onder de broeders waren,; Rm 12:88hetzij wie vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid.; 1Ko 12:2828En God heeft sommigen in de gemeente gesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten, vervolgens genadegaven van genezingen, hulpbetoningen, besturingen, allerlei talen.; 1Th 5:1212Wij nu vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden en u leiding geven in [de] Heer en u terechtwijzen,; Hb 13:7,17,247Houdt uw voorgangers in herinnering die het Woord van God tot u gesproken hebben, en volgt, terwijl u het einde van hun wandel beschouwt, hun geloof na.17Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.24Groet al uw voorgangers en alle heiligen. U groeten die van Italië.). Zij hebben allemaal geen formele autoriteit, maar je zult je aan hen onderwerpen als je hun gave opmerkt en ziet dat zij in overeenstemming met Gods Woord handelen.

V66Zo iemand moet onstraffelijk zijn, man van één vrouw zijn en gelovige kinderen hebben die niet van losbandigheid te beschuldigen of weerspannig zijn.. Dan volgen de eigenschappen waaraan een oudste moet voldoen. Voordat ik daar met je naar ga kijken, wil ik je erop wijzen dat die eigenschappen niet alleen van belang zijn voor een oudste. Het is goed dat je je ook afvraagt in hoeverre ze bij jou aanwezig of afwezig zijn. Je kunt het zo zeggen, dat wat aan een oudste als voorwaarde wordt gesteld, aan jou als gedragsregel wordt voorgehouden.

De eerste voorwaarde is dat een oudste “onstraffelijk” moet zijn. Dat wil zeggen dat er tegen hem geen aanklacht is in te brengen, dat hem niets kan worden verweten. Het eerste terrein waar dat geldt, is zijn huwelijk en zijn gezin. Hij moet “man van één vrouw” zijn. Als hij als gevolg van zijn leven in de zonde meer dan één vrouw heeft, kan hij geen oudste zijn. En als hij kinderen heeft, moeten die ook gelovig zijn. En dat niet alleen. Die kinderen mogen niet bekend staan als geld verkwistende losbollen die niet door hun vader onder controle te houden zijn.

Er moet op het gezin van de oudste niets aangemerkt kunnen worden. Immers, als hij zijn gezin niet goed bestuurt, hoe zal hij dan de gemeente kunnen besturen (1Tm 3:55– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –)? Lijkt je dat allemaal wat veel gevraagd? Het kan wel zo lijken, maar je kunt je toch ook niet voorstellen dat God Zijn normen verlaagt naar onze praktijk?

Het is zeker genade als de kinderen gelovig worden, want geloof is geen erfgoed. Maar er is ook de kant van de menselijke verantwoordelijkheid. God veronderstelt dat in een gezin waar gelovige ouders zijn, ook de kinderen gelovig zijn. Het is Gods bedoeling iemand met zijn huis te behouden (Hd 16:3131En zij zeiden: Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden, u en uw huis.; Jz 2:1818Zie, als wij in het land komen, moet u dit koord van scharlaken draad aan het venster binden waardoor u ons hebt neergelaten. En verzamel bij u in huis uw vader, uw moeder, uw broers en heel uw familie.; Ex 12:33Spreek tot heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende [dag] van deze maand moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin.; Gn 6:1818Maar met u zal Ik Mijn verbond maken; en u moet in de ark gaan, u, uw zonen, uw vrouw en de vrouwen van uw zonen met u.; 7:11Daarna zei de HEERE tegen Noach: Ga in de ark, u en heel uw gezin, want Ik heb gezien dat u te midden van uw tijdgenoten voor Mijn aangezicht rechtvaardig bent.).

Toepassing: Geestelijk leiders zijn verantwoordelijk om hun kinderen verlangend te maken de Heer Jezus te volgen.

V77Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit,. Na het gezin komen de persoonlijke kwaliteiten van de opziener. Zie je dat Paulus in vers 55Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb. heeft gesproken over ‘oudsten’ en dat hij in vers 77Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit, spreekt over “de opziener”? Zoals al eerder opgemerkt (zie de verklaring van 1 Timotheüs 3:1-5), maakt dit duidelijk dat de oudste en de opziener dezelfde persoon zijn.

1. Als eerste persoonlijke kenmerk, nu los van zijn gezin, wordt weer genoemd dat hij “onstraffelijk” moet zijn, dat wil zeggen van niets te betichten mag zijn.
2. Hij moet zich ervan bewust zijn dat het om een taak in Gods huis gaat. Hij is daarin een “rentmeester” en geen eigenaar. Hem is iets toevertrouwd om te beheren dat aan een ander, God, toebehoort. Hij is dan ook voor zijn gedrag aan Hem verantwoording verschuldigd.
3. Als de opziener zich dat bewust is, zal hij zich “niet aanmatigend” opstellen. Hij zal geen gezag claimen en gehoorzaamheid eisen zonder dat naar een reden gevraagd mag worden.
4. Hij erkent het recht van de anderen op een toelichting waarom iets wel of niet goed is. Als er vragen komen, zal hij “niet opvliegend”, als door een wesp gestoken, reageren, zelfs al vermoedt hij kwade bedoelingen. Hij is niet snel tot toorn te prikkelen, maar kan zich goed beheersen.
5. Die zelfcontrole is er ook over zijn begeerten. Hij laat zich niet verleiden door de alcohol, hij is “geen drinker”. Het is niet verkeerd om een keer wat wijn te drinken (1Tm 5:2323Drink niet langer [alleen] water, maar gebruik een beetje wijn om je maag en je veelvuldige zwakheden.), maar de begeerte ernaar is wel verkeerd.
6. Een opziener is ook geen vechtersbaas, hij is “geen vechter” Hij is er niet op uit anderen te overmeesteren, noch met zijn vuisten, noch met zijn tong.
7. Ook is hij “niet op schandelijke winst uit”, dat wil zeggen dat hij zijn ambt niet uitoefent om er financieel beter van te worden.

V88maar gastvrij, een liefhebber van het goede, ingetogen, rechtvaardig, heilig, matig,. Na de kenmerken in vers 77Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit, – waarvan er zes negatief zijn –, houdt Paulus in de verzen 8-98maar gastvrij, een liefhebber van het goede, ingetogen, rechtvaardig, heilig, matig,9vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen. een aantal positieve kenmerken aan Titus voor. Christen zijn wordt niet slechts gekenmerkt door afwezigheid van negatieve dingen, maar vooral door de aanwezigheid van positieve dingen die ook verder ontwikkeld moeten worden. In plaats van uit te zijn op eigen belang en winst is de oudste erop uit iets voor anderen te betekenen.

1. Dat komt in de eerste plaats tot uiting in “gastvrij” zijn. Hij nodigt niet alleen vrienden uit op de koffie, maar hij heeft een open hart voor behoeftige, hem misschien onbekende, gelovigen.
2. Als “een liefhebber van het goede” (of: ‘vriend van de goeden’) heeft hij een hart dat ruim openstaat voor alles wat goed en nuttig is. Dat maakt hem niet lichtzinnig, iemand die zonder onderscheid overal voor warm loopt.
3. Hij is “ingetogen” of bezonnen, evenwichtig in zijn mening en daden.
4. Tegenover anderen gedraagt hij zich “rechtvaardig”, hij behandelt anderen eerlijk en oprecht.
5. Hij is “heilig”, dat wil zeggen dat hij op God gericht is en in toewijding aan Hem leeft.
6. Wat zichzelf betreft, is hij “matig”. Dat houdt meer in dan alleen in drankgebruik. Het gaat om iemand die meester is over zichzelf en zijn begeerten en lusten in bedwang heeft.

Samenvattend kun je zeggen dat een oudste rechtvaardig moet zijn ten opzichte van mensen, heilig ten opzichte van God en matig ten opzichte van zichzelf.

V99vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen.. Een oudste krijgt ook met tegensprekers te maken, vooral uit de Joden (‘die uit de besnijdenis zijn’, vers 1010Want er zijn vele <en> weerspannige zwetsers en bedriegers, vooral zij die uit de besnijdenis zijn.). Deze lieden zijn altijd en overal actief in hun verzet tegen de waarheid. Op een listige manier proberen ze de gedachten van de mensen te verwarren. De opziener moet niet proberen deze mensen te weerstaan met zijn eigen woorden, maar met een woord dat in overeenstemming is met de leer van de apostel. Hij moet vermanen en weerleggen met een woord uit het Woord dat alleen echt betrouwbaar is omdat het van God komt en dat Paulus heeft doorgegeven.

De opziener is wel een man met gezag, maar hij staat zelf ook onder gezag en wel het gezag van het door de apostel onderwezen Woord van God. Dit wordt “de gezonde leer” genoemd. Die leer is in zichzelf gezond, niet vermengd met vreemde, menselijke gedachten. Die leer is ook in zijn uitwerking gezond. Als je ernaar luistert, zul je daardoor gezond in het geloof worden.

Lees nog eens Titus 1:5-9.

Verwerking: Van welke eigenschappen wil je dat ze in jouw leven wat meer te zien zijn? Wat denk je daaraan te kunnen doen?


Valse leraren

10Want er zijn vele <en> weerspannige zwetsers en bedriegers, vooral zij die uit de besnijdenis zijn. 11Men moet hun de mond stoppen, daar zij hele huizen omkeren, door te leren wat niet behoort ter wille van schandelijke winst. 12Iemand van hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: Kretenzen zijn altijd leugenaars, kwade beesten, luie buiken. 13Dit getuigenis is waar. Stel hen daarom scherp aan de kaak, opdat zij gezond zijn in het geloof 14en zich niet afgeven met Joodse fabels en geboden van mensen die zich van de waarheid afwenden. 15Voor de reinen is alles rein, maar voor de besmetten en ongelovigen is niets rein, maar zowel hun verstand als hun geweten is besmet. 16Zij belijden God te kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en voor alle goed werk ongeschikt.

V1010Want er zijn vele <en> weerspannige zwetsers en bedriegers, vooral zij die uit de besnijdenis zijn.. De arbeid die Paulus op Kreta heeft verricht, is door God gezegend. In veel steden zijn gemeenten ontstaan. Maar waar God aan het werk is, wordt ook de satan actief. De tegenstander heeft niet slechts een enkele weerspannige de gemeenten binnengeloodst om het werk te verderven, maar “vele”. Dat is de reden waarom formeel gezag op Kreta zo nuttig en noodzakelijk is.

Deze ‘vele weerspannigen’ zijn personen die gedoopt zijn en belijden christenen te zijn. Ze hebben hun plaats in de gemeente ingenomen. Maar ze zijn wolven in schaapskleren. Ze weerstaan openlijk de waarheid die door God geopenbaard en door Paulus gepredikt is. Door op te staan tegen de gezonde leer openbaren zij hun weerspannigheid. Er is bij deze mensen geen enkel respect voor gezag.

Paulus noemt ze ook nog eens “zwetsers”, die slechts inhoudsloze woorden uitbraken die tot niets goeds voeren. Mogelijk zijn het welbespraakte, goed van de tongriem gesneden personen. Gelovigen die geen geestelijk inzicht hebben, worden door dit gezwets misleid. Daar is het hun ook om te doen. Het zijn bedriegers die de gedachten van de gelovigen om de tuin leiden, misleiden en ze op een dwaalweg brengen. Het zijn geen mensen die oprecht menen dat zij het gelijk aan hun kant hebben, maar oplichters die de gelovigen innerlijk in de war brengen.

De hoofdmoot van deze valse leraren komt “uit de besnijdenis”, dat betekent uit het Jodendom. Het zijn christenen die van oorsprong besneden Joden zijn. Zij zijn nooit helemaal los van de wet gekomen en proberen de christenen op Kreta de wet op te leggen. Ook vandaag zijn er veel van zulke mensen te vinden in een christenheid waar zoveel Joodse godsdienstigheid uit het Oude Testament aanwezig is. Er waart door de christenheid een Judaïstische geest van uiterlijke vormendienst en wetticisme. Maar het is in strijd met de geest van de Schrift om elementen van de Joodse godsdienst, met name de wet, in te voeren.

Daarover is in de vroege gemeente een strijdvraag geweest. Op deze strijdvraag is op een apostelvergadering in Jeruzalem een antwoord gekomen (Hd 15:5-105Enigen echter van hen die van de sekte der farizeeën waren, die tot geloof waren gekomen, stonden uit [hun midden] op en zeiden dat men hen moest besnijden en bevelen de wet van Mozes te bewaren.6En de apostelen en de oudsten vergaderden samen om deze zaak te bezien.7Toen er nu veel redetwist was ontstaan, stond Petrus op en zei tot hen: Mannen broeders, u weet dat God lang geleden mij onder u heeft uitverkoren, opdat de volken door mijn mond het woord van het evangelie zouden horen en geloven.8En God, Die de harten kent, heeft getuigenis gegeven door aan hen de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons;9en Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, daar Hij door het geloof hun harten heeft gereinigd.10Nu dan, waarom verzoekt u God door een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaderen noch wij in staat zijn geweest te dragen?). Daar is vastgesteld dat de wet niet mag worden opgelegd aan de gelovigen ‘uit de volken’. De wet kan niet de leefregel van de christen zijn. Je bent trouwens niet wettisch als je nauw leeft voor jezelf, terwijl je ruimte laat voor een ander. Je wordt pas wettisch als jij jouw leefregels aan anderen oplegt.

V1111Men moet hun de mond stoppen, daar zij hele huizen omkeren, door te leren wat niet behoort ter wille van schandelijke winst.. Wetticisme moet radicaal worden bestreden, want het doortrekt hele gezinnen. In de brief aan de Galaten reageert Paulus ook scherp tegen dit soort valse broeders (Gl 2:4-54en [dat] vanwege de binnengeslopen valse broeders, die zich hadden binnengedrongen om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons tot slavernij te brengen.5Voor hen zijn wij ook geen uur geweken door ons te onderwerpen, opdat de waarheid van het evangelie bij u blijft.). Hun leer deugt niet en hij wordt uit boze motieven verkondigd. Hier gebiedt Paulus in het algemeen, “men”, dat hun de mond moet worden gestopt. ‘De mond stoppen’ is iets op de mond doen als een muilkorf, zodat hij geen kwaad meer kan aanrichten. Het betekent het zwijgen opleggen. Dat kan alleen door de kracht van Gods Woord en Gods Geest (vgl. Mt 22:3434Toen nu de farizeeën hadden gehoord dat Hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen.).

Tegenover valse leraren en hun leer kun je geen passieve houding aannemen. Hebben ze een keer ingang gekregen in een gezin, als bijvoorbeeld van een gezin een lid zich bij hen aansluit, dan zal dat het hele gezin ontwrichten. Zij ruïneren gezinnen door verwarring te zaaien ten aanzien van de gezonde leer. Het motief dat erachter steekt, is geldzucht (vgl. Hd 20:3333Niemands zilver, goud of kleding heb ik begeerd.).

V1212Iemand van hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: Kretenzen zijn altijd leugenaars, kwade beesten, luie buiken.. Deze Joodse dwaalleraren vinden een gemakkelijke ingang vanwege de verdorven volksaard van de Kretenzen. Als iemand tot geloof komt, behoort hij principieel niet meer tot een bepaald volk. Toch draagt hij nog wel die volksaard met de slechte eigenschappen ervan mee. Hij moet altijd oppassen dat die zich niet laten gelden. Paulus wijst Titus daarop. Het is nodig pal te staan en tegen de uitingen van deze kwalijke volksaard met gezag op te treden, opdat de gelovigen gezond in het geloof blijven.

Deze bewering over hun volksaard is maar niet een visie van Paulus, maar wordt bevestigd door een van hun eigen profeten, een zekere Epimenides. Die stelt onomwonden dat de Kretenzen altijd liegen. Hun leugenachtigheid is zelfs spreekwoordelijk. ‘Praten als een Kretenzer’ betekent liegen.

Hun eigen profeet vergelijkt hen ook met een kwaad, wild dier. Zo’n dier wil geen teugel, want zijn natuur is opstandig. Hij wil bijten en heeft een hang naar wreedheden. Een ‘luie buik’ denkt aan niets anders dan de bevrediging van zijn eigen laagste behoeften. Hij heeft een onbeheersbare vraatzucht. Paulus onderstreept de waarheid van hun eigen profeet. Hoewel deze Epimenides geen profeet van God is, erkent God door de mond van Paulus zijn getuigenis.

V1313Dit getuigenis is waar. Stel hen daarom scherp aan de kaak, opdat zij gezond zijn in het geloof. De valse leraren worden in hun boze praktijken door deze verdorven volksaard geleid. Paulus weet waarover hij het heeft. Hij heeft tijdens zijn verblijf op Kreta ervaren dat het moeilijke mensen zijn. Daarom houdt hij Titus voor dat hij tegen de uitbraken van die volksaard in de gemeente scherp moet optreden. Het doel van dit optreden is dat zij gezond zullen zijn in het geloof.

V1414en zich niet afgeven met Joodse fabels en geboden van mensen die zich van de waarheid afwenden.. Paulus verbindt nog een doel aan dit optreden. Titus moet fantasieën, menselijke inzettingen en overleveringen scherp bestraffen. Het zijn boze plagen in de gemeente van God die Zijn toorn opwekken en in strijd zijn met Zijn genade, want zij verheffen de mens. Dat geldt voor de gelovigen op Kreta en geldt voor alle gelovigen in alle tijden overal in de wereld.

Het betreft in de eerste plaats “Joodse fabels”. Dat zijn allerlei fantasieën en verzinsels over de oorsprong van geestelijke wezens als engelen en demonen. Het zijn allemaal speculaties zonder een greintje waarheid. Het kan interessant lijken en er worden boeken over geschreven die ook nog een lezerspubliek vinden. Maar om gezond te zijn in het geloof moeten gelovigen zich daarvan afwenden. Er moet geen aandacht aan worden geschonken, het moet volledig worden genegeerd.

Het betreft in de tweede plaats “geboden van mensen”. Geboden van mensen stellen de mens in het middelpunt en beelden hem in dat hij de behoudenis kan verdienen door bepaalde gebruiken en rituelen in acht te nemen. Dat kan gebeuren door toevoegingen aan een gebod van God of door een verdraaiing van een gebod van God. Joodse schriftgeleerden zijn daar meesters in. Het gevolg is dat de mensen het gebod van God verwaarlozen, terwijl zij de overlevering van de mensen houden (Mk 7:5-135vroegen de farizeeën en schriftgeleerden Hem: Waarom wandelen Uw discipelen niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten het brood met onreine handen?6Hij zei echter tot hen: Treffend heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven staat: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan;7en tevergeefs vereren zij Mij, door leringen te leren die geboden van mensen zijn’.8Terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u de overlevering van de mensen.9En Hij zei tot hen: Treffend doet u het gebod van God teniet, opdat u uw overlevering bewaart.10Want Mozes heeft gezegd: ‘Eer uw vader en uw moeder’, en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’.11Maar u zegt: ‘Als een mens tot zijn vader of zijn moeder zegt: [Het is] korban (dat is: een gave), wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, –12dan laat u hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen,13terwijl u het Woord van God krachteloos maakt door uw overlevering die u hebt overgeleverd; en vele dergelijke dingen doet u.).

In beide gevallen is er sprake van een “zich van de waarheid afwenden” (vgl. 2Tm 4:3-43Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;4en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden.). Je herkent het vandaag in veel protestantse kerken waar menselijke inzettingen – denk aan predikant en voorgeprogrammeerde dienst – een grote rol spelen, en in de rooms-katholieke kerk waar overleveringen – denk aan fabels, mystiek en afgoderij – ook een grote rol spelen.

V1515Voor de reinen is alles rein, maar voor de besmetten en ongelovigen is niets rein, maar zowel hun verstand als hun geweten is besmet.. Het christendom dat de Schrift ons toont, kent geen uiterlijke gebruiken, behalve doop en avondmaal. Het komt aan op het innerlijk (1Sm 16:77Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.; Ps 51:88Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
)
. Wie innerlijk rein is, mag van alle dingen vrij gebruikmaken, zonder angst voor verontreiniging. Daarbij laat hij zich niet leiden door zijn vleselijke begeerten, maar door de liefde (Rm 14:2020Breek ter wille van voedsel het werk van God niet af. Alle dingen zijn wel rein, maar het is kwaad voor de mens die door zijn eten een struikelblok vormt.).

“Alles” ziet natuurlijk niet op moreel slechte dingen, maar op uiterlijke dingen als eten en drinken. Daarvan is niets op zichzelf onrein (Rm 14:1414Ik weet en ben overtuigd in [de] Heer Jezus, dat niets op zichzelf onrein is; alleen voor hem die meent dat iets onrein is, voor die is het onrein.; 1Tm 4:44Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen,). Zij die door zonde besmet zijn en ongelovigen, vervuilen alles waarmee zij in aanraking komen. Dat komt, doordat hun verstand en ook hun wil en al hun wensen en doelen bevlekt en bevuild zijn. Dat geldt ook voor hun geweten, hun innerlijk bewustzijn. Zij hebben het vermogen verloren om onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Waar gezindheid en geweten bevlekt zijn, kan geen reinheid zijn.

V1616Zij belijden God te kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en voor alle goed werk ongeschikt.. Het gaat niet om openlijk afvalligen. Zij beweren dat ze volledig over God geïnformeerd zijn en voegen zich zo in de gelederen van de gelovigen. Maar belijdenis en praktijk staan bij deze mensen tegenover elkaar. Als je ziet wat ze doen, heeft dat niets met God te maken. Deze verloochening van God met hun werken maakt hen “verfoeilijk”. Het woord ‘verfoeilijk’ wordt ook voor een afgodsbeeld gebruikt en dan weergegeven met ‘gruwel’ (Mt 24:1515Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –; Mk 13:1414Wanneer u nu de gruwel van de verwoesting zult zien staan waar het niet behoort, – laat hij die het leest erop letten! – laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;). Hier ligt een nauwe verbinding met het optreden van de antichrist. Deze valse leraren ademen zijn geest.

Een ander kenmerk is hun ongehoorzaamheid aan God en Zijn waarheid. Ze willen zich er niet voor buigen, maar verzetten zich ertegen. Van zulke mensen is geen enkel goed werk, dat is alles wat nuttig is, te verwachten, ze zijn er volledig ongeschikt voor.

Lees nog eens Titus 1:10-16.

Verwerking: Waaraan kun je valse leraren herkennen en hoe moet je je tegen hun invloed beschermen?


Lees verder