Joël
Inleiding 1 Een keer in het lot van Juda en Jeruzalem 2 God oordeelt de volken 3 Mensen als koopwaar 4 Israël, Gods oogappel 5 De HEERE beroofd 6 Ver van hun gebied 7 God ziet de Zijnen overal 8 De HEERE oefent door Juda gericht 9 Verklaar de oorlog! 10 Alles gebruikt voor de oorlog 11 Gods helden 12 De HEERE als Rechter 13 De wijnoogst 14 Het dal van de dorsslede 15 Verdonkerd en verbleekt 16 De HEERE spreekt en beschermt 17 Waar God woont, is het heilig 18 Overvloed 19 Egypte en Edom 20 Het contrast 21 De HEERE woont eeuwig op Sion
Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een compleet beeld van de gebeurtenissen in de laatste dagen. Eerst gaat de HEERE Zijn volk bevrijden van hun vijanden. Alleen zoals God dat kan, zal Hij de vijanden bij elkaar brengen en gezamenlijk voor Zijn rechterstoel laten verschijnen. Hij zal ervoor zorgen dat elke misdaad door Israëls vijanden aan Zijn volk begaan, rechtvaardige vergelding zal krijgen (verzen 1-16a1Want zie, in die dagen en in die tijd,
als Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Juda en Jeruzalem,2zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen
en hen doen afdalen naar het dal van Josafat.
Daar zal Ik met hen een rechtszaak voeren,
vanwege Mijn volk en Mijn eigendom Israël,
dat zij onder de heidenvolken verstrooid hebben.
Mijn land hebben zij verdeeld.3Zij hebben het lot geworpen over Mijn volk.
Zij gaven een jongen voor een hoer;
zij verkochten een meisje voor wijn, zodat zij konden drinken.4En ook,
wat wilt u van Mij, Tyrus en Sidon,
en alle gebieden van Filistea?
Wilt u Mij [Mijn] handelwijze vergelden?
Als u Mij dat wilt aandoen,
zal Ik snel en onmiddellijk
uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren,5omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen,
het beste van Mijn kostbaarheden naar uw tempels hebt gebracht.6U hebt de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem
aan de Grieken verkocht,
om hen ver weg te voeren
uit hun [eigen] gebied.7Zie, Ik wek hen op uit de plaats
waarheen u hen verkocht hebt.
Ik zal uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren.8Ik zal uw zonen en uw dochters verkopen
in de hand van de Judeeërs.
Zij zullen hen aan de inwoners van Sjeba verkopen,
aan een volk ver weg,
want de HEERE heeft [het] gesproken.9Roep dit uit onder de heidenvolken:
Verklaar de oorlog!
Wek de helden op!
Laten zij aantreden en oprukken,
alle strijdbare mannen!10Smeed uw ploegscharen tot zwaarden
en uw snoeimessen tot speren.
Laat de zwakke zeggen:
Ik ben een held.11Snel te hulp en kom,
alle heidenvolken van rondom,
verzamel u!
HEERE, laat Uw helden daarheen afdalen!12Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!13Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.14Menigten, menigten
in het dal van de dorsslede,
want de dag van de HEERE is nabij
in het dal van de dorsslede.15Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren hebben hun schijnsel ingetrokken.16De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.
)
.

Terwijl de vijanden geoordeeld worden, zal de HEERE voor Zijn volk een schuilplaats zijn. Het zal veilig bij Hem wonen (verzen 16b-1716De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.17Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw God ben,
Die op Sion, Mijn heilige berg, woont.
Jeruzalem zal een heiligdom zijn
en vreemden zullen er niet meer doorheen trekken.
)
. Na de strafuitoefening voor de volken komt er voor Israël een tijd van overvloedige zegen (verzen 18-2018Op die dag zal het gebeuren
dat de bergen van jonge wijn zullen druipen,
de heuvels van melk zullen stromen,
en alle waterstromen van Juda
zullen overlopen van water.
Een bron zal uit het huis van de HEERE ontspringen,
die het dal van Sittim zal bevochtigen.19Egypte zal worden tot een woestenij,
Edom zal worden tot een woeste wildernis
vanwege het geweld tegen de Judeeërs:
in hun land hebben zij onschuldig bloed vergoten.20Maar Juda zal voor eeuwig blijven,
Jeruzalem van generatie op generatie.
)
. Het centrum van waaruit alle zegen komt, is de HEERE Die op Sion zal blijven wonen (vers 2121Ik zal hun bloed voor onschuldig houden,
[dat] Ik niet voor onschuldig gehouden had.
En de HEERE zal wonen in Sion.
)
. Daarmee is tevens gewaarborgd dat de zegen zal voortduren.


Een keer in het lot van Juda en Jeruzalem

1Want zie, in die dagen en in die tijd,
als Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Juda en Jeruzalem,

Juda en Jeruzalem zijn door de eeuwen heen vertrapt, verkwanseld, uitgemoord. Keer op keer hebben steeds andere volken er bezit van genomen. Sinds 14 mei 1948 is er wel een eigen staat Israël ontstaan, maar de druk van de volken is groot en hun afhankelijkheid van de Verenigde Staten ook. Het is nog geen volk dat het van de HEERE verwacht. Het steunt nog op eigen kracht en de kracht van zijn bondgenoten.

Dit handelen naar eigen inzicht en de opgevoerde druk zal erop uit lopen dat ze de antichrist zullen aannemen, die in zijn eigen naam komt en zich aandient als Messias (Jh 5:43b43Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.). Op hem zullen ze hun hoop vestigen. De bevrijding wordt van hem verwacht. Dat zal echter tevergeefs zijn. De volken zullen naar Jeruzalem optrekken en de stad belegeren. De situatie wordt totaal hopeloos, zeker voor de getrouwen. De getrouwen zullen in die “tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
bedreigd worden door vijanden van buitenaf en ook door hun afvallige volksgenoten die de antichrist achternagaan.

Maar dan komt de Heer Jezus van de hemel om hen te bevrijden. Met Zijn verschijning is het definitieve keerpunt in de geschiedenis van Juda en Jeruzalem aangebroken. De keer in het lot van Juda en Jeruzalem wordt gebracht als de nood het hoogst is. Daarna breekt direct de tijd van vrede en zegen aan. De volgende verzen laten zien wat de HEERE allemaal gaat doen om die tijd te laten aanbreken.

De “gevangenschap” van Juda en Jeruzalem en de verstrooiing van de tien stammen duurt nog steeds voort. Met de gevangenschap van Juda en Jeruzalem wordt bedoeld dat zij, hoewel er wel een eigen staat is, toch niet echt vrij zijn. Ze zijn met handen en voeten gebonden aan de steun van de Verenigde Staten en ook goede betrekkingen met de Europese Unie zijn van wezenlijk belang. Hoewel hier niet over het Israël van de tien stammen wordt gesproken, zullen ook zij delen in de resultaten van het handelen van de Heer Jezus. Ook zij zullen in het land worden teruggebracht.


God oordeelt de volken

2zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen
en hen doen afdalen naar het dal van Josafat.
Daar zal Ik met hen een rechtszaak voeren,
vanwege Mijn volk en Mijn eigendom Israël,
dat zij onder de heidenvolken verstrooid hebben.
Mijn land hebben zij verdeeld.

In Joël 2 is de pleitgrond voor Israël om de HEERE te vragen Zijn volk te sparen wat de heidenen zullen zeggen als Hij hen aan smaad overgeeft (Jl 2:1717Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?
)
. Ze gebruiken daar de woorden “Uw volk” en “Uw erfelijk bezit”. Hier neemt de HEERE als het ware die woorden over en spreekt Hij van “Mijn volk” en “Mijn eigendom”. Wat de volken met Gods volk en erfdeel hebben gedaan, vormt hier de aanklacht tegen hen.

Het verstrooien van Gods volk en het verdelen van Gods land is een aantasten van het bezit van God. De volken die zich aan Zijn volk en Zijn erfdeel vergrepen hebben, worden door de HEERE verzameld. Hij zal hun laten zien dat Hij al het onrecht dat Zijn volk en Zijn erfdeel is aangedaan, niet is vergeten. De volken zullen worden vergolden naar wat ze Gods volk hebben aangedaan. Dat zien we ook in Mattheüs 25 waar het criterium bij het oordeel ook is de houding die men heeft aangenomen tegenover de broeders van de Heer (Mt 25:40,4540En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het aan een van deze geringsten niet hebt gedaan, hebt u het Mij ook niet gedaan.).

De procesvoering vindt plaats in het dal van Josafat. Hoe God de volken daar zal krijgen, staat beschreven in de verzen 9-129Roep dit uit onder de heidenvolken:
Verklaar de oorlog!
Wek de helden op!
Laten zij aantreden en oprukken,
alle strijdbare mannen!10Smeed uw ploegscharen tot zwaarden
en uw snoeimessen tot speren.
Laat de zwakke zeggen:
Ik ben een held.11Snel te hulp en kom,
alle heidenvolken van rondom,
verzamel u!
HEERE, laat Uw helden daarheen afdalen!12Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!
. Josafat betekent ‘Jahweh oordeelt’ of ‘de scepter van Jahweh’, of ‘Jahweh spreekt recht’ of ‘Jahweh is Rechter’. In het dal met die naam treedt Hij in een rechtsgeding met de volken over Zijn volk dat door hen is verstrooid en over Zijn land dat zij hebben verdeeld.

Waar het dal van Josafat ligt, is niet bekend. Het is niet waarschijnlijk dat dit het dal Beracha is, waar koning Josafat de vijand heeft verslagen (2Kr 20:25-2625Toen Josafat en zijn volk aankwamen om hun buit te roven, troffen zij een grote hoeveelheid [last]dieren, bezittingen, kleding en kostbare voorwerpen bij hen aan, en zij plunderden voor zichzelf [zo veel], dat zij [het] niet [meer] dragen konden. Drie dagen [lang] roofden zij de buit, zo groot was die.26Op de vierde dag kwamen zij bijeen in Emek-Beracha. Omdat zij daar de HEERE loofden, gaven zij deze plaats de naam Emek-Beracha. Tot op deze dag [heet die zo].). Dat ligt niet in de buurt van Jeruzalem. Omdat het eindgericht in de buurt van Jeruzalem zal zijn, moet dit dal ergens bij Jeruzalem liggen. Gedacht is wel aan het Kidrondal, dat tussen Jeruzalem en de Olijfberg ligt. Dat is wel smal, maar mogelijk zal het door het splijten van de Olijfberg (Zc 14:44Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.) verbreed worden. Een dal is vaker de plaats waar het gericht plaatsvindt (Js 22:1,51De last over het Dal van het Visioen.
Wat hebt u toch dat u
allen op de daken klimt?
5Want het is een dag van verwarring, vertrapping en ontreddering,
[een dag] van de Heere, de HEERE van de legermachten,
in het Dal van het Visioen; [een dag] waarop muren omver worden gehaald,
en [een dag] van geschreeuw tegen het gebergte.
; Ez 39:1111Op die dag zal het gebeuren dat Ik Gog daar in Israël een plaats voor een graf zal geven, het dal van de reizigers, dat reizigers [de weg] verspert, ten oosten van de zee. Daar zullen zij Gog en heel zijn menigte begraven en zullen het noemen: Dal van de menigte van Gog.)
.


Mensen als koopwaar

3Zij hebben het lot geworpen over Mijn volk.
Zij gaven een jongen voor een hoer;
zij verkochten een meisje voor wijn, zodat zij konden drinken.

Hier zien we nog een aanklacht. De volken hebben de Judeeërs die bij de bezetting van Jeruzalem krijgsgevangen zijn gemaakt, door middel van het lot onder zich verdeeld en hen als koopwaar verkwanseld (vgl. Ri 5:3030Zouden zij dan geen buit vinden en verdelen,
één meisje of twee meisjes voor elke man?
Een buit van gekleurde stoffen voor Sisera,
een buit van gekleurde stoffen,
geborduurde, gekleurde stoffen, aan beide zijden geborduurd,
voor [om] de halzen van de buit.
; Ob 1:1111Op de dag dat u aan de kant stond,
op de dag dat vreemden zijn leger als gevangenen wegvoerden,
buitenlanders zijn poorten binnentrokken
en over Jeruzalem het lot wierpen,
was ook u als een van hen!
; Es 3:77In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het 'pur', dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, [tot] de twaalfde maand, dat is de maand Adar.)
. De volken hebben Israël op deze wijze met ontstellende minachting voor de menselijke waardigheid behandeld. Ze hebben hun ‘slaven’ niet verkocht om er rijker door te worden, niet om er nut van te hebben, maar enkel en alleen om aan hun vleselijke begeerten te voldoen.

De vijanden van Israël hebben van de vreemde overheersing geprofiteerd door zich de rijkdommen en het land van Israël toe te eigenen. En de veroveraars hebben de inwoners uitgeleverd aan de vijanden om hun laagste hartstochten te kunnen botvieren. Ze hebben genomen wat van God is om zich te kunnen uitleven. Ze hebben de diensten van een hoer met een Joods jongetje betaald.

Wat Joël hier beschrijft, heeft in de loop van de geschiedenis regelmatig plaatsgevonden, onder andere na de verwoesting van Jeruzalem door Titus in het jaar 70. Bijna anderhalf miljoen inwoners van Jeruzalem en het gebied eromheen zijn omgekomen in die vreselijke strijd. Meer dan honderdduizend Joden zijn gevangengenomen.

De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus beschrijft dat Titus als volgt met deze Joden heeft gehandeld: ‘Allen die jonger waren dan 17 jaar, werden publiekelijk verkocht; van de overblijvenden werden sommigen direct gedood, sommigen naar de Egyptische mijnen gestuurd om daar te werken (wat erger was dan de dood), sommigen werden achtergehouden om als een publieke attractie in de voornaamste steden met wilde dieren te vechten; alleen de grootsten en mooisten werden gespaard om mee te gaan in de triomftocht naar Rome.’

Zo was het toen. Joden werden verkocht voor een beetje gerst. Zo werden duizenden van de hand gedaan. En zo is de geschiedenis van dit volk de eeuwen door geweest. Nog niet zo lang geleden zijn ze massaal als beesten uit alle delen van Europa naar concentratiekampen vervoerd om daar vergast te worden. En de geschiedenis is nog niet ten einde. De “tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
moet nog komen, een tijd die er niet geweest is van het begin van de wereld tot dan toe (Mt 24:2121Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.). Maar ook komt de dag dat de HEERE al het kwaad zal wreken dat Zijn volk is aangedaan.


Israël, Gods oogappel

4En ook,
wat wilt u van Mij, Tyrus en Sidon,
en alle gebieden van Filistea?
Wilt u Mij [Mijn] handelwijze vergelden?
Als u Mij dat wilt aandoen,
zal Ik snel en onmiddellijk
uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren,

De buurvolken van Israël – Tyrus, Sidon en Filistea – zijn de eersten die worden genoemd. Deze handelaars krijgen de vraag te horen: “Wat wilt u van Mij?” Mogelijk is een betere vertaling: ‘Wat hebt u Mij gedaan?’ Zo komt duidelijker het ter verantwoording roepen van deze volken naar voren voor wat ze de HEERE hebben aangedaan door zo met Israël te handelen. Het is een vraag die vanuit de hemel als een bom op de uitbuiters van Israël valt. Daaruit wordt duidelijk hoezeer de HEERE Zich vereenzelvigt met Zijn volk. Wat hun is aangedaan, is Hem aangedaan. Zo spreekt ook Zacharia erover (Zc 2:8b8Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nadat [Hij] heerlijkheid [heeft beloofd],
heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven,
want wie u aanraakt,
raakt Zijn oogappel aan.
)
. Hier zien we van hoe grote betekenis dit voor de HEERE is.

Toen Paulus nog Saulus heette, kwam tot hem ook de vraag uit de hemel: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” (Hd 9:44en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?). En waarmee was hij bezig? Met het vervolgen van de gemeente. Ook daar is die vereenzelviging van de Heer in de hemel met Zijn volk op aarde. Er is altijd een verbinding geweest tussen de Heer in de hemel en Zijn volk op aarde. Dat is zo in het Oude Testament waar het gaat om de verbinding tussen de HEERE in de hemel en Israël als Zijn verbondsvolk op aarde. Dat is ook zo in het Nieuwe Testament waar het gaat om de verbinding tussen de Heer Jezus als Hoofd in de hemel en de gemeente als Zijn lichaam op aarde.

Als de volken dan Gods oogappel, Israël, en daarmee God Zelf willen aanvallen, zullen ze daarvoor de rechte vergelding ontvangen. Het aan Israël gedane kwaad zal op hun eigen hoofd terechtkomen. Wat de volken ten opzichte van Israël laten zien, is eigenlijk de aloude haat van de satan tegen God. De satan wil altijd verderven wat van God is en hij wil voorkomen dat Gods plannen worden uitgevoerd.

Zijn grootste haat geldt Christus. De satan heeft altijd willen voorkomen dat Hij geboren zou worden. De geschiedenis van het boek Esther is daarvan een sprekend voorbeeld. In dat boek komen we Haman tegen, de Jodenhater, die erop uit is alle Joden om te brengen, het ras uit te roeien. Haman is bij uitstek een type, een voorbeeld, van de satan en zijn bedoelingen.


De HEERE beroofd

5omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen,
het beste van Mijn kostbaarheden naar uw tempels hebt gebracht.

Dat wegnemen hoeft niet alleen te slaan op zilver en goud en kostbaarheden uit de tempel, maar kan ook het privébezit betreffen, de kostbare bezittingen van de Judeeërs. Alle bezittingen van de Judeeërs vallen evengoed als het land onder het eigendomsrecht van de HEERE (Hg 2:99Van Mij is het zilver en van Mij is het goud,
spreekt de HEERE van de legermachten.
)
. Daarmee is alles wat hun ontnomen is, aan de HEERE ontnomen. Het onrecht treft Hem Persoonlijk.


Ver van hun gebied

6U hebt de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem
aan de Grieken verkocht,
om hen ver weg te voeren
uit hun [eigen] gebied.

Wat Tyrus en Sidon het volk hebben aangedaan, geldt nog steeds. Van hen is bekend dat zij overzeese handelsbetrekkingen hadden met de Grieken. Van hen wordt gezegd dat zij met de Grieken in mensen hebben gehandeld (Ez 27:1313Javan, Tubal en Mesech, díe waren uw handelaars. Zij leverden u slaven en koperen voorwerpen als handelswaar.). Door zo met Gods volk te handelen hebben ze niet alleen koopwaar van hen gemaakt. Dat is al erg genoeg. Maar door hen zo ver weg te transporteren hebben ze hen ook gemaakt tot ontheemde, godsdienstig en maatschappelijk ontwortelde mensen voor wie het praktisch onmogelijk is naar hun vaderland terug te keren.


God ziet de Zijnen overal

7Zie, Ik wek hen op uit de plaats
waarheen u hen verkocht hebt.
Ik zal uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren.

Hoe ver de slavenhandelaars hen ook hebben weggevoerd, de HEERE heeft hen niet uit het oog verloren. Hij zal hen terugbrengen. Dit is voor al de verstrooiden een grote bemoediging. Waar ze zich ook bevinden, de HEERE ziet hen. Dit geldt ook voor vandaag. Hoe eenzaam een kind van God zich ook kan voelen, de Heer weet waar hij of zij is en Hij is bij hem of haar. Hij bereikt Zijn doel met elk leven dat ernaar hunkert te beantwoorden aan het doel dat God met dat leven heeft.

Hoe Hij de verstrooiden zal terugbrengen vanuit de plaatsen waarheen ze verkocht zijn, staat er hier niet bij. Maar Zijn toezegging is voldoende. Hij verliest niet alleen de Zijnen niet uit het oog, Hij verliest ook de vijanden van Zijn volk (en die daarom ook Zijn vijanden zijn) niet uit het oog. Hij zal hen, hoe dan ook, de vergelding geven die hun toekomt voor de mishandeling van Zijn volk (vgl. Ri 1:77Toen zei Adoni-Bezek: Zeventig koningen, van wie de duimen van hun handen en hun grote tenen afgehakt waren, zaten onder mijn tafel en raapten [de kruimels] op. Zoals ik [met anderen] gedaan heb, zo heeft God mij vergolden. En zij brachten hem naar Jeruzalem en hij stierf daar.).


De HEERE oefent door Juda gericht

8Ik zal uw zonen en uw dochters verkopen
in de hand van de Judeeërs.
Zij zullen hen aan de inwoners van Sjeba verkopen,
aan een volk ver weg,
want de HEERE heeft [het] gesproken.

De HEERE zal de vijandige volken overleveren in de hand van Zijn volk. Door Zijn volk zal Hij hetzelfde kwaad dat Zijn volk is aangedaan, als een oordeel doen neerkomen op die volken. Hierdoor zullen ze zelf aan den lijve ervaren wat ze anderen hebben aangedaan. Dat God uiteindelijk Zijn volk, dat wil zeggen het overblijfsel dat in de Messias gelooft, zal gebruiken om hun vroegere vijanden te tuchtigen, vinden we op meer plaatsen in de Schrift (Ob 1:1818Dan zal het huis van Jakob een vuur zijn,
het huis van Jozef een vlam,
en het huis van Ezau zal tot stoppels worden;
zij zullen tegen hen ontbranden en hen verslinden,
zodat er geen ontkomene zal zijn voor het huis van Ezau,
want de HEERE heeft gesproken!
; Mi 4:1313Sta op en dors, dochter van Sion,
want Ik zal uw hoorn van ijzer maken
en Ik zal uw hoeven van brons maken,
en u zult vele volken verpletteren
en Ik zal hun winstbejag met de ban slaan: [het is] voor de HEERE,
hun vermogen is voor de Heere van heel de aarde.
; Zc 12:5-65Dan zullen de leiders van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen voor mij een [bron van] kracht zijn door de HEERE van de legermachten, hun God.6Op die dag zal Ik de leiders van Juda maken als een vuurbekken in [een stapel] hout en als een brandende fakkel in een graanschoof. Rechts en links zullen zij al de volken rondom verteren en Jeruzalem zal nog op zijn plaats blijven, in Jeruzalem.; Ps 149:6-96Gods lofzangen klinken uit hun mond,
een tweesnijdend zwaard is in hun hand,
7om wraak te oefenen over de heidenvolken,
bestraffingen over de natiën,
8om hun koningen te binden met ketenen
en hun aanzienlijken met ijzeren boeien,
9om het beschreven recht aan hen te voltrekken.
Dát zal de glorie van al Zijn gunstelingen zijn.
Halleluja!
; Es 9:11In de twaalfde maand, [dat is] de maand Adar, op de dertiende dag ervan, toen [het moment] gekomen was om het woord van de koning en zijn wet uit te voeren, op de dag waarop de vijanden van de Joden hoopten hen in hun macht te krijgen, gebeurde het omgekeerde, want de Joden zelf kregen hun haters in hun macht.)
. Zo wordt duidelijk, hoe nauw de HEERE Zich aan Zijn volk verbonden weet.


Verklaar de oorlog!

9Roep dit uit onder de heidenvolken:
Verklaar de oorlog!
Wek de helden op!
Laten zij aantreden en oprukken,
alle strijdbare mannen!

De heidenvolken worden opgeroepen om zich op de oorlog voor te bereiden, want de oorlog wordt verklaard. Nog eenmaal mobiliseert de HEERE de heidenvolken. Zij mogen nog één keer hun haat tegen Jeruzalem uitleven. Dat is althans wat de volken bij deze oproep voelen. Vroeger heeft de HEERE dat gedaan om Zijn volk te tuchtigen als ze van Hem waren afgeweken. Maar nu roept Hij de volken op met als doel hen zelf te oordelen. Zo is de oproep ten oorlog in werkelijkheid een oproep die tot hun eigen ondergang voert.

Daarom heeft de oproep iets van heimelijke ironie. Deze keer zullen de volken met hun grote aantal en brute kracht immers slechts dienen om Gods triomf nog glansrijker te doen uitkomen. Zijn triomf zal schitteren als zij vlak voor Jeruzalem te gronde zullen gaan (Mi 4:11-1311Nu verzamelen zich tegen u
vele heidenvolken.
Zij zeggen: Laat haar ontheiligd worden,
en laten onze ogen Sion aanschouwen.12Zíj echter kennen de gedachten van de HEERE niet.
Zij begrijpen Zijn raadsbesluit niet:
dat Hij hen bijeengebracht heeft als graanschoven op de dorsvloer.13Sta op en dors, dochter van Sion,
want Ik zal uw hoorn van ijzer maken
en Ik zal uw hoeven van brons maken,
en u zult vele volken verpletteren
en Ik zal hun winstbejag met de ban slaan: [het is] voor de HEERE,
hun vermogen is voor de Heere van heel de aarde.
)
. Hetzelfde zien we in Ezechiël 38-39 waar de volken zich opmaken om tegen de HEERE ten strijde te trekken zonder dat ze in de gaten hebben dat de HEERE hen achter Zich aan trekt (Ez 38:4a4Ik zal u omkeren, Ik zal haken in uw kaken slaan en Ik zal [u] doen uittrekken: u, met heel uw leger, paarden en ruiters, allen uitmuntend gekleed, een grote strijdmacht [met] grote en kleine schilden, die allen het zwaard hanteren.). Hij doet dat zoals een boer een stier in bedwang houdt en meevoert aan een ring door zijn neus.


Alles gebruikt voor de oorlog

10Smeed uw ploegscharen tot zwaarden
en uw snoeimessen tot speren.
Laat de zwakke zeggen:
Ik ben een held.

De volken worden opgeroepen tot een totale oorlog. Er mag niets anders meer belangrijk zijn. Het gewone werk wordt neergelegd en de gereedschappen die ze daarbij gebruiken, moeten worden omgebouwd tot oorlogstuig (vgl. Js 2:44Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
; Mi 4:33Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
. We kunnen dit vergelijken met wat in de tweede wereldoorlog (1940-1945) gebeurde. Toen moesten ook gebruiksvoorwerpen van verschillende metalen, vooral koper, worden ingeleverd voor de fabricage van munitie en ander oorlogstuig.

In de eindstrijd om Jeruzalem zullen alle beschikbare tijd en materiaal worden gebruikt om de stad de genadeslag toe te brengen. Ook het moreel wordt flink opgevijzeld. Iedereen krijgt ingepeperd dat hij een man van staal is, een held, die in staat is mee te vechten voor een zekere overwinning. Zelfs de zwakkeling, die zich gewoonlijk aan de strijd onttrekt, moet zich door het enthousiasme van de oorlogspsychose laten meeslepen. Hij zal zich vermannen en zeggen: ‘Ik ben een held’, en vervolgens ook aan de oorlog deelnemen.


Gods helden

11Snel te hulp en kom,
alle heidenvolken van rondom,
verzamel u!
HEERE, laat Uw helden daarheen afdalen!

Dit vers bevat twee oproepen die aan twee verschillende adressen worden gericht. Het eerste deel van het vers is nog een extra aansporing tot de volken om zich gereed te maken en te komen op de plaats waar God hen hebben wil. Volgens de verzen 2,122zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen
en hen doen afdalen naar het dal van Josafat.
Daar zal Ik met hen een rechtszaak voeren,
vanwege Mijn volk en Mijn eigendom Israël,
dat zij onder de heidenvolken verstrooid hebben.
Mijn land hebben zij verdeeld.12Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!
is dat in het dal van Josafat.

Het tweede deel van het vers lijkt een roep van de profeet tot God te zijn. Als de profeet in de geest zo de vijanden vlak voor Jeruzalem verzameld ziet, roept hij het uit tot de HEERE dat nu het ogenblik gekomen is om met Zijn helden die hele menigte van vijanden te verdelgen. God heeft immers ook Zijn helden, Zijn sterke mannen? Hij kan die zo doen neerdalen.

Met “Uw helden” worden engelen bedoeld. Dat ze “afdalen”, wil zeggen dat ze uit de hemel komen. Engelen worden “sterke helden” genoemd (Ps 103:2020Loof de HEERE, [u,] Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.
)
. In Zacharia 14 roept de profeet Zacharia uit: “Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!” (Zc 14:55Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!). Die “heiligen” zijn engelen (Mt 25:3131Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;; 2Th 1:77en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,; Jd 1:1414En ook Henoch, [de] zevende van Adam af, heeft van dezen geprofeteerd door te zeggen: Zie, [de] Heer is gekomen te midden van Zijn heilige tienduizenden,).


De HEERE als Rechter

12Laten de heidenvolken opgewekt worden en oprukken
naar het dal van Josafat,
want daar zal Ik zitten om te berechten
alle heidenvolken van rondom!

Gezien de inhoud van de vorige verzen zouden we verwachten dat nu de strijd losbrandt. Maar niets is minder waar. Plotseling gaat het beeld terug naar dat van een rechtsproces, zoals is aangekondigd in vers 22zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen
en hen doen afdalen naar het dal van Josafat.
Daar zal Ik met hen een rechtszaak voeren,
vanwege Mijn volk en Mijn eigendom Israël,
dat zij onder de heidenvolken verstrooid hebben.
Mijn land hebben zij verdeeld.
. Dáár is de HEERE meer de Aanklager, terwijl hier, te midden van alle woelingen van de volken, het beeld opdoemt van de majesteitelijke rust van de rechterstoel waarop de HEERE zit. In hun opmars lopen de verzamelde heidenvolken de Rechter zo in de armen. Zijn vonnis luidt wat we lezen in vers 1313Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.
.


De wijnoogst

13Sla de sikkel erin,
want de oogst is rijp.
Kom [en] daal af,
want de wijnpers is vol.
De perskuipen stromen over,
want hun kwaad is groot.

Hoe groot de hoogmoed van de zich sterk wanende volken ook mag zijn, uiteindelijk is daar toch het oordeel van God. De sikkel van God zal de aarde maaien. Het beeld dat we hier waarnemen, doet denken aan de tarweoogst en de wijnoogst waarover we lezen in Openbaring 14 (Op 14:14-2014En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk zat [Iemand, de] Zoon des mensen gelijk, Die op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel had.15En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tegen Hem Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai, want het uur om te maaien is gekomen, want de oogst van de aarde is overrijp geworden.16En Hij Die op de wolk zat, sloeg Zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid.17En een andere engel kwam uit de tempel die in de hemel is, en ook hij had een scherpe sikkel.18En een andere engel, die macht had over het vuur, <kwam> uit het altaar; en hij riep met luider stem tegen hem die de scherpe sikkel had en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.19En de engel sloeg zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijnstok van de aarde en wierp het in de grote wijnpersbak van de grimmigheid van God.20En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.). Er is, ook in geestelijk opzicht, een onderscheid tussen die twee. De tarweoogst betekent vooral oordeel waarbij de goeden van de kwaden worden gescheiden. De wijnoogst is de uitoefening van wraak. Om het tweede, de wijnoogst, gaat het hier.

De beschrijving “en de wijnpersbak werd buiten de stad getreden” (Op 14:2020En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.) sluit aan op wat Joël zegt. “De stad” is de stad Jeruzalem. Bij de oogst worden engelen ingeschakeld (Mt 13:4141De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden en zij zullen uit Zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen,). Zoals het rijpe koren wordt afgesneden door de zeis van de maaiers en de druiven worden getreden door de voeten in de wijnpersbak, zo zullen de volken worden verdelgd door de helden van God.


Het dal van de dorsslede

14Menigten, menigten
in het dal van de dorsslede,
want de dag van de HEERE is nabij
in het dal van de dorsslede.

“Het dal van de dorsslede” kan ook vertaald als “het dal van de beslissing”. ‘Het dal van de dorsslede’ houdt een verwijzing in naar het onderscheid dat er is tussen kaf en koren, tussen kwaden en goeden. Omdat het oordeel meer de wraak over de volken inhoudt die Israël hebben uitgebuit, gaat de voorkeur uit naar de vertaling “het dal van de beslissing” omdat daar het onherroepelijke vonnis, dat is de verdelging van de volken, zal worden voltrokken. Daarmee is de dag van de HEERE gekomen. Die dag houdt geen onheil in voor Zijn volk, maar geeft bevrijding van de vijanden en de zegen van de HEERE.


Verdonkerd en verbleekt

15Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren hebben hun schijnsel ingetrokken.

Het licht van zon en maan wordt zwart en de schittering van de sterren verbleekt bij de taferelen die zich, als gevolg van het aanbreken van de dag van de HEERE, op aarde afspelen. Het is ook mogelijk te denken aan een symbolische betekenis. De hemellichamen worden bij de schepping genoemd als lichten die heerschappij uitoefenen (Gn 1:1616En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.). We kunnen dan zon, maan en sterren zien als beelden van machtige heersers.

Als de dag van de HEERE is aangebroken, zullen die heersers niet meer regeren als een ‘door God ingestelde overheid’, zoals dat nu nog wel het geval is (Rm 13:1-71Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.2Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.3Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.5Daarom is het nodig onderdanig te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten.6Want daarom betaalt u ook belasting; immers, zij zijn dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam.7Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].). Ze werpen elke erkenning van God van zich af om zich in opstand tegen Hem te verenigen (Ps 2:1-31Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!
)
. Verduisterd en verblind als ze zijn, komen ze in opstand en zullen in het dal van de beslissing omkomen. Van hun glans en uitstraling, waardoor zij talloze menigten voor hun doel hebben gewonnen, is niets over.


De HEERE spreekt en beschermt

16De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.

De HEERE verheft Zijn machtige stem zoals een leeuw brult in het woud. Hij doet Zijn donder rollen als Hij opstaat om tussenbeide te komen. Als bij het verheffen van Zijn stem hemel en aarde al beven, wat zal dan het effect zijn op de verzamelde volken, die door Hem worden geacht “als een druppel aan een emmer, als een stofje op een weegschaal” (Js 40:1515Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer,
als een stofje op de weegschaal.
Zie, Hij heft de eilanden op als fijn stof.
)
? Zullen ze niet volledig ineenschrompelen? De ontgoocheling moet groot zijn.

Daar staan ze, voor de poorten van Jeruzalem, klaar om de stad in te nemen. Maar nu worden ze vanuit de stad toegesproken. Niet met een bevende stem, een stem die verklaart dat de stad zich overgeeft. De stem die ze horen, doet horen en zien vergaan. De HEERE is in Sion en ook zij die zijn ontkomen zijn daar (Jl 2:3232Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.
Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn,
zoals de HEERE gezegd heeft,
namelijk bij hen die ontkomen zijn,
die de HEERE roepen zal.
)
. De stad biedt bescherming, omdat het de woonplaats van God is. Wie bij Hem woont, woont in een onneembare vesting en kan zich veilig en gerust voelen.


Waar God woont, is het heilig

17Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw God ben,
Die op Sion, Mijn heilige berg, woont.
Jeruzalem zal een heiligdom zijn
en vreemden zullen er niet meer doorheen trekken.

Overal waar God woont, is het heilig. Sion is een heilige berg en Jeruzalem is een heiligdom omdat Hij heilig is. Als Hij in een braamstruik aan Mozes verschijnt, is de grond heilig (Ex 3:55En Hij zei: Kom hier niet dichterbij. Doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond.), en als Hij aan Jozua verschijnt bij Jericho is de grond ook heilig (Jz 5:1515Toen zei de Bevelhebber van het leger van de HEERE tegen Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilig. En Jozua deed dat.). Hij heeft Zijn heiligdom, dat is de tempel in Jeruzalem, moeten verlaten omdat zij Zijn woonplaats totaal ontheiligd hebben (Ez 10:4,184Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.). Als Hij Zich uit Jeruzalem terugtrekt, hebben de vijanden vrij spel (Ez 10:4-224Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.5Het geluid van de vleugels van de cherubs was tot in de buitenste voorhof te horen, als de stem van de almachtige God wanneer Hij spreekt.6En het gebeurde toen Hij de Man Die in linnen gekleed was, geboden had: Neem vuur uit de ruimte tussen de wielen, uit de ruimte tussen de cherubs, dat Hij naast een wiel ging staan.7Daarop strekte de cherub vanuit de ruimte tussen de cherubs zijn hand uit naar het vuur dat in de ruimte tussen de cherubs was. Hij pakte [het] op en gaf het in de handen van Hem Die in linnen gekleed was. Die nam [het] aan en ging weg.8Er was bij de cherubs onder hun vleugels [iets] zichtbaar met de vorm van een mensenhand.9Toen zag ik, en zie, er waren vier wielen naast de cherubs: één wiel naast één cherub en een ander wiel naast een andere cherub. En het uiterlijk van de wielen was als de schittering van een turkooissteen.10En wat betreft het uiterlijk ervan, ze hadden alle vier dezelfde gedaante, alsof het [ene] wiel midden in het [andere] wiel zat.11Wanneer ze gingen, konden ze naar vier zijden gaan. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen, want naar de plaats waarheen het hoofd zich wendde, [daar] gingen ze heen. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen.12Hun hele lichaam dan, hun rug, hun handen, hun vleugels, en de wielen zaten rondom vol ogen. Alle vier hadden zij hun wielen.13Wat de wielen betreft, ze werden ten aanhoren van mij Galgal genoemd.14Iedere [cherub] had vier gezichten: het eerste gezicht was het gezicht van een cherub, het tweede gezicht het gezicht van een mens, het derde de kop van een leeuw, en het vierde de kop van een arend.15Toen verhieven de cherubs zich. Dit was hetzelfde levende wezen dat ik bij de rivier de Kebar gezien had.16Wanneer de cherubs gingen, gingen de wielen naast hen mee. Wanneer de cherubs hun vleugels ophieven om zich van de aarde te verheffen, draaiden die wielen ook niet bij hen vandaan.17Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil, en wanneer zij verheven werden, verhieven die zich [ook], want de geest van de levende wezens was in hen.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.20Dit is het levende wezen dat ik gezien had onder de God van Israël bij de rivier de Kebar. Toen wist ik dat het cherubs waren.21Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk had vier vleugels met onder hun vleugels [iets] wat leek op mensenhanden.22Verder, waar hun gezichten op leken: het waren dezelfde gezichten die ik gezien had bij de rivier de Kebar, hun uiterlijk en zijzelf. Zij gingen ieder recht voor zich uit.).

De HEERE kan pas weer bij Zijn volk wonen nadat zij van hun zonden gereinigd zijn. Dan zal geen vreemdeling er meer doortrekken om de stad te ontheiligen, precies zoals in het nieuwe Jeruzalem, dat boven is, niets zal binnengaan wat onrein is (Op 21:2727En geenszins zal iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.). Niemand zal daar zijn dan alleen zij die er het recht toe hebben.


Overvloed

18Op die dag zal het gebeuren
dat de bergen van jonge wijn zullen druipen,
de heuvels van melk zullen stromen,
en alle waterstromen van Juda
zullen overlopen van water.
Een bron zal uit het huis van de HEERE ontspringen,
die het dal van Sittim zal bevochtigen.

Vanaf dit vers komt er een weldadige rust in het tot hiertoe onstuimige profetenboek. De strijd is voorbij, het oordeel is voltrokken, rust, vrede en zekerheid zijn gegarandeerd. De uitdrukking “op die dag” staat voor de tijd dat het vrederijk is aangebroken. De overvloed die er aan drinken is – wijn, melk en water –, staat in een groot contrast met de droogte en de gevolgen daarvan die we in Joël 1 zien (Jl 1:5,105Ontwaak, dronkaards, en ween.
Weeklaag, alle wijndrinkers,
over de jonge wijn, want die is van uw mond weggenomen.10Het veld is verwoest,
de grond treurt,
want het koren is verwoest,
de nieuwe wijn opgedroogd,
de olie verkommerd.
)
.

De profeet beschrijft deze zegeningen van hoog naar laag. Eerst ziet hij de hooggelegen berghellingen met wijnstokken, vervolgens de lagergelegen heuvelen met de melkgevende kudden, en ten slotte het dal van Sittim dat gevuld zal worden met de neerdalende wateren. De overvloed aan wijn is een teken van de overstelpende levensvreugde in het vrederijk (Ps 104:1515wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
; Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?; Pr 9:77Ga [uw] weg, eet uw brood met blijdschap, drink uw wijn met een vrolijk hart, want God schept al behagen in uw werken.; 10:1919Men richt maaltijden aan om te lachen,
wijn verblijdt de levenden,
en het geld verantwoordt alles.
)
. Waar de HEERE woont, is een bron van zegen die eerst ontspringt en vervolgens zegen brengt waar hij heen stroomt (Ez 47:1-121Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.2Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water.3Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.4Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen.5[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan.6Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek.7Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant.8Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond.9Het zal gebeuren [dat] alle levende wezens die er wemelen, overal waar een van beide beken naartoe komt, zullen leven. Daar zal zeer veel vis zijn, omdat dit water daarheen komt, en alles waarheen deze beek komt, zal gezond worden en leven.10Verder zal het gebeuren dat er vissers langs zullen staan vanaf Engedi tot En-Eglaïm. Er zullen droogplaatsen voor sleepnetten zijn. Hun vis zal van elke soort zijn, zeer talrijk, zoals de vis in de Grote Zee.11Maar de moerassen ervan en de poelen ervan zullen niet gezond worden: ze zijn aan het zout prijsgegeven.12En langs de beek, langs de oever ervan, zullen aan deze kant en aan de andere kant allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan het blad niet zal verwelken en waarvan de vrucht niet zal opraken. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, want het water ervoor stroomt uit het heiligdom. De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing.; Ps 65:1010U zag om naar het land en gaf het overvloed,
U maakt het zeer rijk;
de beek van God is vol water;
U geeft hun koren; ja, zó geeft U het:
)
. De HEERE Zelf is de enige bron van elke zegen.

Bij het zien van dit tafereel worden we herinnerd aan de toestand die er in het paradijs is, voordat de zondeval plaatsvindt. Het vrederijk is in zekere zin een voortzetting van het paradijs. Alleen is het handhaven van het genot ervan niet meer afhankelijk van de eerste mens, de eerste Adam of zijn nageslacht, maar van de tweede Mens, de laatste Adam. Hij bestuurt Zijn rijk op volkomen wijze, zodat er duizend jaar lang zonder onderbreking een situatie van vrede, rust en zegen is.

Misschien kunnen we bij Sittim denken aan Sittim in het land van Moab (Nm 25:11Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.; 33:4949En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan Abel-Sittim, in de vlakten van Moab.). Dat Sittim is de laatste kampplaats van Israël voordat zij de Jordaan oversteken en het beloofde land binnentrekken. Als het die plaats betreft, kan dat zijn om Gods belofte van een nieuwe tijd van zegen uit te beelden. Gods volk staat dan als het ware opnieuw in Sittim, dat wil zeggen op de drempel van een nieuwe tocht over de Jordaan en een nieuwe intocht in het land. Die nieuwe intocht geldt dan ook nog letterlijk voor de verstrooiden en verdrevenen (verzen 2,62zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen
en hen doen afdalen naar het dal van Josafat.
Daar zal Ik met hen een rechtszaak voeren,
vanwege Mijn volk en Mijn eigendom Israël,
dat zij onder de heidenvolken verstrooid hebben.
Mijn land hebben zij verdeeld.6U hebt de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem
aan de Grieken verkocht,
om hen ver weg te voeren
uit hun [eigen] gebied.
)
. Het doel van die nieuwe intocht, zowel in letterlijk als in geestelijk opzicht, is Sion, waar de HEERE woont te midden van Zijn volk.


Egypte en Edom

19Egypte zal worden tot een woestenij,
Edom zal worden tot een woeste wildernis
vanwege het geweld tegen de Judeeërs:
in hun land hebben zij onschuldig bloed vergoten.

Behalve een uitzonderlijke vruchtbaarheid is er ook politieke veiligheid. Het genot van de zegen van vers 1818Op die dag zal het gebeuren
dat de bergen van jonge wijn zullen druipen,
de heuvels van melk zullen stromen,
en alle waterstromen van Juda
zullen overlopen van water.
Een bron zal uit het huis van de HEERE ontspringen,
die het dal van Sittim zal bevochtigen.
is alleen mogelijk als Juda kan leven zonder te worden bedreigd door vijanden. Daarom moeten die worden uitgeschakeld. Egypte en Edom vertegenwoordigen alle vijandige volken, maar dat niet alleen. Het tweede deel van het vers geeft concrete daden aan waaruit de vijandschap van deze volken blijkt. Het zijn daden van geweld waarbij ze onschuldig bloed hebben vergoten.

Egypte is vaak door Israël heengetrokken in de strijd met Assyrië en heeft daar vreselijk huisgehouden. Edom heeft elke kans aangegrepen om het leed te verzwaren dat Israël van vijanden heeft ondervonden. De profeet Obadja spreekt er in zijn profetie uitvoerig over wat Edom Gods volk heeft aangedaan.


Het contrast

20Maar Juda zal voor eeuwig blijven,
Jeruzalem van generatie op generatie.

De verwoesting van Egypte en Edom is geen doel op zichzelf, maar maakt de weg vrij voor het doel dat God met Zijn volk heeft. Als de vijanden eenmaal zijn uitgeschakeld, zullen Juda en Jeruzalem blijven tot in eeuwigheid of voor een onafzienbare tijd, dat is tot in verre geslachten. Het is een contrast: Egypte en Edom gaan ten onder, Juda herrijst en blijft voortbestaan in onbedreigde veiligheid.


De HEERE woont eeuwig op Sion

21Ik zal hun bloed voor onschuldig houden,
[dat] Ik niet voor onschuldig gehouden had.
En de HEERE zal wonen in Sion.

Door Zijn radicale strafgericht over de vijanden van Juda, die veel bloed van de Judeeërs vergoten hebben, laat de HEERE zien dat het onschuldig bloed is. Daarom hebben zij de strenge straf verdiend, waarmee Hij tot nog toe heeft gewacht, maar die Hij nu toch zal gaan voltrekken. Door de uitoefening van het oordeel over de betrokken volken zal de HEERE de bloedschuld wegnemen die zij op zich hebben geladen, doordat zij Gods volk vervolgd hebben.

Het tweede deel van het vers is een herhaling van de inhoud van vers 1717Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw God ben,
Die op Sion, Mijn heilige berg, woont.
Jeruzalem zal een heiligdom zijn
en vreemden zullen er niet meer doorheen trekken.
. Deze herhaling legt een grote nadruk op Gods blijvend wonen te midden van Zijn volk, omdat dat alleen waarborg kan zijn voor alle beloofde zegen en ook voor het voortbestaan van Juda.

Het einde van het boek Joël doet denken aan het einde van de geschiedenis, het moment dat de tijd overgaat in de eeuwigheid. We lezen daarover in Openbaring 21 (Op 21:1-81En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.2En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is.3En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.4En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn, <want> de eerste dingen zijn voorbijgegaan.5En Hij Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alles nieuw. En Hij zei <tegen mij>: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig.6En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.7Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal Hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.8Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood.). Daar staat ook dat God bij de mensen zal wonen (Op 21:33En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.).