Maleachi
1 Een last, een woord 2 Een liefdesverklaring 3-5 Ezau heb Ik gehaat 6 Eerbied en vrees ontbreken 7-8 Onrein brood en een verachtelijke tafel 9 Dit gebeurt door uw hand 10 Ik heb geen welgevallen in u 11 Gods Naam groot onder de heidenvolken 12-13 Nog eens de houding van de priesters 14 De HEERE is een groot Koning
Een last, een woord

1Een last, het woord van de HEERE tot Israël, door de dienst van Maleachi.

Maleachi begint zijn boek zowel met “een last” als met “het woord van de HEERE” (vgl. Zc 9:11Een last, het woord van de HEERE in het land Chadrach.
Damascus zal zijn rustplaats zijn,
want de HEERE heeft oog [voor] mensen,
net als [voor] al de stammen van Israël,
; 12:11De last, het woord van de HEERE over Israël. De HEERE spreekt, Die de hemel uitspant, de aarde grondvest en de geest van de mens in zijn binnenste vormt.)
. Andere profeten gebruiken een van de twee uitdrukkingen. De beschrijving van de profetie als een ‘last’ duidt erop dat de boodschap er meer een is van vermaning dan van vertroosting of bemoediging. Het ziet meer op de drager van de boodschap. Hij draagt deze boodschap als een last op zijn hart. Tegelijk is het niet zijn woord, maar het woord dat God hem heeft opgedragen om te spreken.

Het is een woord “tot Israël”, dat zijn allen van de twaalf stammen die zijn teruggekeerd uit de ballingschap. Maleachi is een dienaar van God. Hij verricht een dienst aan het volk door hun de woorden van God mee te delen. Dat betekent dat hij een plaats inneemt die lager is dan het volk. De dienaar is altijd minder dan degene(n) die hij dient (Lk 22:2727Want wie is groter, hij die aanligt of hij die dient? Niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Degene Die dient.).


Een liefdesverklaring

2Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE.
Toch heb Ik Jakob liefgehad,

Maleachi spreekt het volk aan in een dialoog. De profetie begint met de hartverwarmende verklaring van Gods liefde voor Zijn volk (Dt 10:1515[Maar] alleen voor uw vaderen heeft de HEERE liefde opgevat om hen lief te hebben, en Hij heeft hun nageslacht na hen, u, uit al de volken verkozen, zoals het heden ten dage [nog] is.; 33:33Ja, Hij heeft de volken lief!
Al Zijn heiligen zijn in Uw hand,
Zíj zitten aan Uw voeten
en vangen [iets] op van Uw woorden.
)
. Voordat de gewetens worden aangesproken, wil God het hart van Zijn volk raken. We zien dat ook in de laatste zendbrief van Johannes in Openbaring 2-3, die aan het lauwe Laodicéa. Juist tot Laodicéa spreekt de Heer over “allen die Ik liefheb” (Op 3:1919Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.).

Maar de reactie van het volk, juist op deze uiting van Gods liefde, toont de verdorven staat van het volk aan. Omdat zij die liefde niet ervaren, werpen ze de vraag op waarin die liefde dan wel is gebleken. De gedachte komt niet bij hen op om de oorzaak daarvan bij zichzelf te zoeken. Ze voelen zich door God in de steek gelaten. Ook zijn ze tevreden over zichzelf en dat gaat samen met ontevreden zijn over God.

De vraag waarin die liefde dan gebleken zou zijn, is de wortel van de zonde. Het is geen oprechte, maar een opstandige vraag, een brutaliteit. Ze dagen God uit om te bewijzen dat Hij hen liefheeft, alsof al de bewijzen die ze ervan hebben ervaren van geen enkele betekenis zijn.

Zouden wij iets dergelijks durven zeggen? Ook wij lopen gevaar te zeggen: ‘Als God mij liefheeft, waarom laat Hij dan ellende in mijn leven toe?’ Als we negatief denken en alleen maar verval zien, kennen we die liefde niet. We horen niet bij de Heer omdat wij Hem hebben liefgehad, maar omdat Hij ons heeft liefgehad en tot de Zijnen heeft gemaakt.

In Zijn antwoord op hun vraag naar Zijn liefde stelt de HEERE hun een vraag. Die betreft de relatie tussen hun voorvader Jakob en zijn broer Ezau. God spreekt over Ezau als “de broer van Jakob”. Daarmee legt Hij bijzondere nadruk op de verwantschap tussen hun voorvader Jakob en Ezau. Hij stelt het als vraag, waarbij zij natuurlijk wel weten dat het zo is. Maar in het licht van hun brutale vraag naar Zijn liefde moet hun duidelijk worden wat een enorm verschil er is tussen Jakob en Ezau in hun verhouding tot God.

Hoewel Ezau de oudste was en als eerstgeborene recht op de erfenis had, is de liefde van God naar Jakob uitgegaan. Dat was niet omdat Jakob aantrekkelijker voor God was dan Ezau, maar omdat God ervoor koos Jakob lief te hebben. Jakob was het voorwerp van Gods uitverkiezende liefde. Dat heeft Hij de hele geschiedenis van Jakob persoonlijk en in die van zijn nageslacht laten zien. Het volk heeft op die liefde keer op keer met ontrouw gereageerd. Ondanks dat woont een overblijfsel van het volk toch weer in Jeruzalem, met een tempel en een altaar.


Ezau heb Ik gehaat

3en Ezau heb Ik gehaat.
Ik heb zijn bergen gemaakt [tot] een woestenij,
en zijn erfelijk bezit [prijsgegeven] aan de jakhalzen van de woestijn.
4Hoewel Edom zegt: Als wij verwoest worden,
bouwen wij de puinhopen weer op,
zegt de HEERE van de legermachten dit:
Zullen zíj bouwen, dan zal Ík afbreken,
en men zal hen noemen: Goddeloos gebied,
en: Het volk waarop de HEERE tot in eeuwigheid toornig is.
5Uw [eigen] ogen zullen het zien,
en u zult zelf zeggen: Groot is de HEERE,
tot over de grenzen van Israël!

Het gaat niet om de geschiedenis van twee personen, maar om de geschiedenis van hun nakomelingen, de volken die uit hen zijn gegroeid. In die hele geschiedenis laat God Zijn liefde voor Zijn volk en Zijn haat voor Ezau zien (vers 2b2Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE.
Toch heb Ik Jakob liefgehad,
; vers 3a3en Ezau heb Ik gehaat.
Ik heb zijn bergen gemaakt [tot] een woestenij,
en zijn erfelijk bezit [prijsgegeven] aan de jakhalzen van de woestijn.
)
. Ezau heeft het ernaar gemaakt gehaat te worden vanwege zijn hele geschiedenis van opstand tegen God. Daarom wordt dit woord pas hier, in Maleachi, helemaal aan het einde van het Oude Testament, uitgesproken en niet al in Genesis.

In Genesis spreekt God er niet over dat Hij Ezau heeft gehaat. Daar zegt Hij alleen dat de oudere Ezau de jongere Jakob zal dienen. God is soeverein en geeft aan ieder van de broers een bepaalde plaats op aarde. Hij doet dat, nog voordat de broers geboren zijn (Rm 9:11-1311zelfs toen [de kinderen] nog niet geboren waren en niets goeds of kwaads bedreven hadden, (opdat het voornemen van God naar verkiezing zou blijven, niet op grond van werken, maar uit Hem die roept,)12werd tegen haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen’;13zoals geschreven staat: ‘Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat’.; Gn 25:2323De HEERE zei toen tegen haar:
Er zijn twee volken in uw schoot,
en twee naties zullen zich uit uw lichaam  vaneenscheiden.
Het ene volk zal sterker zijn dan het  andere
en de meerdere zal de mindere dienen.
)
.

De verkiezing van Jakob heeft niets te maken met een verdienste van zijn kant. Zijn nakomelingen claimen die verkiezing omdat zij immers van Abraham afstammen. Als dat de grond van de verkiezing zou zijn, zou Ezau er ook recht op hebben gehad. Gods verkiezing is soeverein en staat los van het gedrag van de mens, terwijl Zijn verwerping het gevolg van de zonde van de mens is. God kiest mensen uit tot zegen, maar Hij kiest geen mensen uit om verloren te gaan.

Dat kunnen wij met ons verstand niet rijmen. Onze menselijke logica is: als God bepaalde mensen uitkiest om hen te zegenen, is het automatisch zo, dat Hij andere mensen uitkiest om verloren te gaan. Maar dan proberen wij met ons menselijke en daarom beperkte verstand God na te rekenen en rekenen met Hem af omdat Hij niet aan onze rekenmethode voldoet.

De leer dat God mensen uitkiest om verloren te laten gaan, is een duivelse leer, die de liefde van God niet alleen tekortdoet, maar zelfs loochent. Ook is het een loochening van de verantwoordelijkheid van de mens. Als zijn verdoemenis vastligt in Gods voornemen, kan hij er immers niets aan doen dat hij niet behouden wordt.

God heeft Jakob uitgekozen vanuit Zichzelf, ondanks zijn vele falen. Hij heeft Ezau gehaat omdat hij zich als “een ongoddelijke” (Hb 12:1616dat niet iemand een hoereerder is of een ongoddelijke zoals Ezau, die voor één gerecht zijn eerstgeboorterecht verkocht,) heeft geopenbaard, als iemand die totaal geen interesse in God heeft. Die ongoddelijkheid heeft zijn nageslacht op onverminderde wijze getoond. De profeet Obadja geeft daarvan een uitvoerig getuigenis (Ob 1:1-151Het visioen van Obadja.
Zo zegt de Heere HEERE over Edom:
Een bericht hebben wij gehoord van de HEERE,
en een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:
Sta op! Laten wij tegen [Edom] opstaan ten strijde!2Zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken;
diep veracht wordt u.3De overmoed van uw hart heeft u bedrogen,
[hij] die woont in de rotskloven, [in] zijn hoge verblijfplaats,
[hij] die zegt in zijn hart:
Wie zal mij neerhalen naar de aarde?4Al verhief u zich als een arend,
en al bouwde u uw nest tussen de sterren,
[ook] vandaar zou Ik u neerhalen, spreekt de HEERE.5Als er dieven bij u komen,
of nachtelijke verwoesters
– hoe zult u uitgeroeid worden! –
stelen zij niet tot zij genoeg hebben?
Als er druivenplukkers bij u komen,
zullen zij niet een nalezing overlaten?6Hoe is Ezau doorzocht,
wat hij verborgen heeft, opgespoord!7Tot aan de grens hebben zij u gestuurd,
al uw bondgenoten.
Zij met wie u [in] vrede [leefde],
hebben u bedrogen, u overwonnen.
[Zij die] uw brood [eten],
leggen een valstrik voor u.
Er is geen inzicht in hem.8Zal het niet op die dag zijn, spreekt de HEERE,
dat Ik zal ombrengen de wijzen uit Edom
en het inzicht uit het bergland van Ezau?9Uw helden, Teman, zullen ontsteld zijn,
zodat ieder uit het bergland van Ezau
wordt uitgeroeid door een slachting.10Vanwege het geweld tegen uw broeder Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.11Op de dag dat u aan de kant stond,
op de dag dat vreemden zijn leger als gevangenen wegvoerden,
buitenlanders zijn poorten binnentrokken
en over Jeruzalem het lot wierpen,
was ook u als een van hen!12U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,
op de dag dat hij een vreemde [voor u] was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten [tegen hen]
op de dag van [hun] benauwdheid.13U had de poort van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.
U had [uw handen] niet mogen uitstrekken naar zijn leger
op de dag van zijn ondergang.14U had niet op het kruispunt mogen staan
om degenen van hen die ontkomen waren, uit te roeien.
U had degenen van hen die ontvlucht waren niet mogen overleveren
op de dag van [hun] benauwdheid.15Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;
zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;
wat u verdient, zal op uw [eigen] hoofd terugkeren!
)
.

Al in de dagen van Maleachi kan God wijzen op Zijn oordeel over Ezau (vers 3b3en Ezau heb Ik gehaat.
Ik heb zijn bergen gemaakt [tot] een woestenij,
en zijn erfelijk bezit [prijsgegeven] aan de jakhalzen van de woestijn.
)
. Het is nog niet het definitieve eindoordeel. Dat komt nog. Wat God heeft weggenomen, zijn de bergen waarin zij hun woningen hadden gemaakt en waar ze zich onvindbaar en daardoor veilig voelden. Maar voor God kan niemand zich onvindbaar maken. Ezau’s verwoeste land is een woonplaats voor jakhalzen geworden.

De ongoddelijkheid van Ezau, zijn niet erkennen van God, blijkt ook uit zijn hoogmoedige taal (vers 44Hoewel Edom zegt: Als wij verwoest worden,
bouwen wij de puinhopen weer op,
zegt de HEERE van de legermachten dit:
Zullen zíj bouwen, dan zal Ík afbreken,
en men zal hen noemen: Goddeloos gebied,
en: Het volk waarop de HEERE tot in eeuwigheid toornig is.
)
. “Edom”, dat zijn de nakomelingen van Ezau (Gn 36:1,81Dit zijn de afstammelingen van Ezau, dat is Edom.8Daarom ging Ezau in het Seïrgebergte wonen. Ezau, dat is Edom.), snoeft dat zij de puinhopen wel weer zullen opbouwen als ze verwoest worden. Er is bij hen geen enkele gedachte aanwezig om zich voor God te vernederen. Een trotse, arrogante houding kenmerkt hen. Maar “de HEERE van de legermachten” antwoordt daarop. Hier stelt God Zich in Zijn verhevenheid boven alle hemelse en aardse machten voor.

Gods antwoord houdt in dat Hij weer zal afbreken wat zij hebben opgebouwd. Het gebied van puinhopen dat dan ontstaat, krijgt de naam waarin het karakter van Edom tot uitdrukking komt: “Goddeloos gebied.” En het volk dat daar woont, komt nooit onder de toorn van God uit, want die blijft er tot in eeuwigheid op liggen.

Wat de HEERE met Edom heeft gedaan, wordt aan Israël voorgehouden (vers 55Uw [eigen] ogen zullen het zien,
en u zult zelf zeggen: Groot is de HEERE,
tot over de grenzen van Israël!
)
. Zij zullen met eigen ogen het einde van Edom zien. Dat is enerzijds een bewijs te meer van Gods goedheid en liefde voor Israël. Anderzijds houdt wat God met Edom doet ook een waarschuwing voor Israël in. Het moet Israël niet trots maken, maar het besef geven dat zij hetzelfde oordeel verdiend hebben. Het bewijst ook dat God niet alleen de God van de Joden, maar ook de God van de volken is. Zijn grootheid is niet alleen voor Israël zichtbaar, maar overal op aarde.


Eerbied en vrees ontbreken

6Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam?

Het volk zal instemmend hebben geknikt bij de woorden die Maleachi over Ezau heeft gesproken. Maar dan richt hij zich tot hen. God heeft Israël als zoon behandeld, maar hebben zij Hem als Vader geëerd? Zij staan ook met God in verbinding als slaaf tegenover een heer, maar hebben zij Hem met het verschuldigde respect gediend?

Echt kennen van God is altijd een combinatie van kinderlijk vertrouwen en diep ontzag. Het vertrouwen leidt nooit tot ongepaste familiariteit en het ontzag leidt nooit tot slaafse kruiperigheid. Deze twee verhoudingen zijn de pilaren van de maatschappij. Als die verhoudingen in acht worden genomen, is dat een zegen voor de samenleving. Als er geen rekening mee wordt gehouden, wordt de samenleving ontwricht.

God richt Zich bij deze vragen, die een aanklacht zijn, tot “u, priesters”. Het hele gedeelte van Maleachi 1:6-2:9 is tot hen gericht. God zegt onomwonden tegen hen dat zij Zijn Naam verachten. Zij zijn geroepen het volk het onderscheid tussen heilig en onheilig en tussen rein en onrein te leren (Ez 44:2323Zij moeten Mijn volk [het onderscheid] leren tussen heilig en onheilig, en hun [het onderscheid] laten weten tussen onrein en rein.). Maar de priesters in de dagen van Maleachi hebben daar geen boodschap aan. Dat zij hun bestaan aan God te danken hebben, bedenken ze niet.

De naam “Vader” betekent dat zij als natie aan Hem hun oorsprong te danken hebben. Dat Hij hun Heer is, aan Wie zij gehoorzaamheid verschuldigd zijn, interesseert hen niet. Zij denken alleen aan hun eigen belangen.

De naam ‘Vader’ houdt voor de nieuwtestamentische gelovige een persoonlijke verbinding met Hem in. Iedere gelovige in deze tijd is geroepen tot priesterdienst. Het opnieuw inzicht krijgen in het verrichten van priesterdienst is een van de zegeningen geweest van de opwekking in het begin van de negentiende eeuw. Maar als we vergeten dat het een geschenk van God is en ons erop verheffen, dan worden we vet en is onze offerdienst voor Hem een gruwel.

Quasi verongelijkt reageren de priesters op de beschuldiging van de HEERE. Hun ongevoeligheid voor dit verwijt blijkt uit hun huichelachtige vraag die ze met een uitgestreken gezicht stellen: “Waardoor verachten wij Uw Naam?” Zij vinden juist van zichzelf dat zij heel trouwe dienaren van God zijn. Nee, hier vergist de HEERE Zich toch wel heel erg, vinden zij. Hun vraag maakt duidelijk dat ze het helemaal oneens zijn met het verwijt van de HEERE dat zij Zijn Naam verachten.

God confronteert Zijn volk heel wat keren met deze manier van reageren:
1. “Maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?“ (Ml 1:22Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE.
Toch heb Ik Jakob liefgehad,
)
2. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam? (Ml 1:66Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam?)
3. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? (Ml 1:77[Doordat] u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van de HEERE, die is verachtelijk.)
4. “Dan zegt u: Waarom?“ (Ml 2:1414Dan zegt u: Waarom?
Omdat de HEERE Getuige is tussen u
en de vrouw van uw jeugd,
tegen wie ú trouweloos handelt,
terwijl zíj toch uw metgezellin
en de vrouw van uw verbond is.
)
5. “Toch zegt u: Waarmee vermoeien wij [Hem]?“ (Ml 2:17a17U vermoeit de HEERE met uw woorden,
toch zegt u: Waarmee vermoeien wij [Hem]?
Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,
is in de ogen van de HEERE goed,
Híj is hun genegen.
Of: Waar is de God van het oordeel?
)
6. “Of: Waar is de God van het oordeel?“ (Ml 2:17b17U vermoeit de HEERE met uw woorden,
toch zegt u: Waarmee vermoeien wij [Hem]?
Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,
is in de ogen van de HEERE goed,
Híj is hun genegen.
Of: Waar is de God van het oordeel?
)
7. “Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren?“ (Ml 3:77Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen,
en hebt u ze niet in acht genomen.
Keer terug naar Mij,
en Ik zal naar u terugkeren,
zegt de HEERE van de legermachten.
Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren?
)
8. “En dan zegt u: Waarvan beroven wij U?“ (Ml 3:88Zou een mens God beroven?
Werkelijk, u berooft Mij!
En dan zegt u: Waarvan beroven wij U?
Van de tienden en het hefoffer!
)
9. Maar u zegt: Wat hebben wij onder elkaar tegen U gesproken? (Ml 3:1313Uw woorden tegen Mij waren te hard, zegt de HEERE.
Maar u zegt: Wat hebben wij onder elkaar tegen U gesproken?
)

Telkens geeft het volk in vragende zin aan het helemaal niet eens te zijn met wat God hun voorhoudt. Het komt er steeds op neer dat ze God vragen hoe Hij erbij komt dat Hij hun dat verwijt maakt. En telkens geeft God in Zijn grote geduld een niet mis te verstaan antwoord. Het antwoord dringt echter niet tot hen door omdat ze zichzelf als trouwe dienaren van God zien.


Onrein brood en een verachtelijke tafel

7[Doordat] u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van de HEERE, die is verachtelijk. 8En als u een blind [dier] ten offer brengt: Dat is niet erg! En als u een kreupel of ziek [dier] ten offer brengt: Dat is niet erg! Bied het maar eens aan uw landvoogd aan. Zou hij u goedgezind zijn of u ter wille zijn? [Dit] zegt de HEERE van de legermachten.

De HEERE beantwoordt hun vraag waaruit dan wel mag blijken dat zij Zijn Naam verachten. Het is geen vraag die in eerlijke onwetendheid wordt gesteld, maar vanuit regelrechte huichelarij. Toch antwoordt de HEERE. Hij wijst hen op hun handelingen, waarmee en hoe ze Hem naderen. In de manier waarop zij God dienen, komt op duidelijke wijze hun verachting van Hem tot uiting.

Kijk maar eens waarmee ze komen aanzetten. Ze brengen “onrein brood” op Zijn “altaar”. Met ‘brood’ wordt een offer bedoeld dat door God als Zijn voedsel wordt aanvaard. Het geeft Hem vreugde als Zijn volk Hem offers brengt. Hij noemt die offers “Mijn voedsel” (Nm 28:22Gebied de Israëlieten en zeg tegen hen: U moet zorg dragen voor Mijn offergave – Mijn voedsel voor Mijn vuuroffers, voor Mij een aangename geur – door Mij [die] op de ervoor vastgestelde tijd aan te bieden.; Lv 21:6,8,176Zij moeten heilig zijn voor hun God en de Naam van hun God mogen zij niet ontheiligen, want zij bieden de vuuroffers van de HEERE aan, het voedsel van hun God. Daarom moeten zij heilig zijn.8Daarom moet u hem voor heilig houden, want hij biedt het voedsel van uw God aan. Hij moet heilig voor u zijn, want Ik ben heilig. Ik ben de HEERE, Die u heiligt.17Spreek tot Aäron en zeg: Niemand van je nageslacht, [al] hun generaties door, die een gebrek heeft, mag naar voren komen om het voedsel van zijn God aan te bieden.). Maar de offers die zij op Gods altaar, het brandofferaltaar, brengen, zijn onrein.

Het gaat niet om dieren die God onrein heeft verklaard en die ze niet mogen eten. Die worden in een lijst in Leviticus 11 en Deuteronomium 14 genoemd. Nee, het gaat om reine dieren, maar waaraan een gebrek is. En dat is ook door God verboden (Lv 22:2020Niets waaraan een gebrek is, mag u aanbieden, want dat zou u niet ten goede komen.). Ze brengen reine dieren, maar Hij kan die niet aanvaarden omdat ze niet beantwoorden aan de norm van Zijn heiligheid. Die norm heeft Hij in Zijn Woord neergelegd en de priesters zouden daar als geen ander lid van Gods volk rekening mee moeten houden. Maar ze lappen Gods Woord aan hun laars. Dit is wat God hun aanrekent en waarop Hij hen aanspreekt.

Het volk reageert bij monde van de priesters voor de derde keer verongelijkt. Ze vragen: “Waardoor maken wij U onrein?” Hoe kan God nou vinden dat ze Hem onrein maken? Ze hebben er werkelijk geen idee van, want ze zijn ervan overtuigd dat ze heel goed bezig zijn. God krijgt toch wat van hen? En zegt Hij van wat ze brengen, dat het Hem onrein maakt? Dan moet Hij wel wat aan Zijn ogen mankeren, want aan hen ligt het niet. Ze leggen het probleem helemaal bij God. Zo manipuleren vandaag talloze christenen het Woord van God. God maakt het allemaal veel te ingewikkeld. Hij moet maar eens naar hen luisteren, in plaats van Zijn wil aan hen op te leggen.

Ze zijn er blind voor dat ze minderwaardige offers brengen, iets wat uitdrukkelijk door God verboden is (Dt 15:2121Maar als er een gebrek aan is, [als] het mank is of blind, [of als] het enig ernstig gebrek heeft, mag u het niet aan de HEERE, uw God, offeren.). Die offers brengen ze op Zijn altaar dat hier ook “de tafel van de HEERE” wordt genoemd (vgl. Ez 41:2222De hoogte van het houten altaar was drie el en de lengte ervan twee el. En de hoeken eraan, de lengte ervan en de zijwanden ervan, waren van hout. Toen sprak Hij tot mij: Dit is de tafel die voor het aangezicht van de HEERE zal zijn.). Ze schepen Hem af met wat ze kunnen missen. Wat een belediging voor Hem!

Maar vergeten wij ook niet snel hoe geweldig groot het werk van de Heer Jezus is voor God en ook voor ons? Hoe en waarmee gaan wij naar de tafel van de Heer (1Ko 10:16-2116De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?17Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood.18Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?19Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?20[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.21U kunt niet [de] drinkbeker van [de] Heer drinken en [de] drinkbeker van [de] demonen; u kunt niet deelnemen aan [de] tafel van [de] Heer en aan [de] tafel van [de] demonen.)? Sommigen blijven gemakkelijk weg van de tafel van Heer. Anderen nemen nonchalant deel aan het avondmaal, zonder eraan te denken waarvan het spreekt. Misschien dat ons niets kan worden verweten aan zonde, maar hoe vaak doen we niet slechts plichtmatig wat we al zo vaak hebben gedaan, zonder dat het ons hart raakt. De waardering van de tafel van de Heer hangt af van onze waardering van de Heer Jezus en Zijn werk.

De tafel van de Heer is Zijn tafel waarvan Hij eet en waarvan Hij samen met Zijn volk wil eten. Maar hun handelwijze brengt hun minachting voor Zijn tafel tot uitdrukking. Zeggen zullen ze het nooit, maar hun daden maken hen openbaar. Ze brengen wel offers, maar de inhoud ervan is niets. Ze brengen niet echt een offer, maar iets wat ze kunnen missen.

Hoe ver is dat verwijderd van de gezindheid van David die geen offer aan de HEERE wilde geven dat hem niets heeft gekost (1Kr 21:2424Toen zei koning David tegen Ornan: Nee, ik wil het beslist voor de volle prijs kopen, want ik wil niet wat van u is voor de HEERE nemen, zodat ik een brandoffer breng dat niets kost.). Ook het offer dat Maria aan de Heer Jezus brengt, vormt een groot contrast met deze offers (Mk 14:3-53En toen Hij in Bethanië was in het huis van Simon de melaatse, kwam er, terwijl Hij aanlag, een vrouw met een albasten fles met balsem van echte, kostbare nardus; zij brak de albasten fles en goot die uit op Zijn hoofd.4Nu waren er sommigen die [haar] dit zeer kwalijk namen bij zichzelf <en zeiden>: Waartoe is deze verkwisting van de balsem gebeurd?5Want deze balsem had voor meer dan driehonderd denaren verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. En zij werden zeer verontwaardigd tegen haar.). Zelfs de discipelen waarderen niet wat Maria doet. Ze zeggen van haar offer dat het verkwisting is. Met het geld dat zij ervoor heeft betaald, hadden naar hun oordeel betere dingen gedaan kunnen worden.

De tafel van de Heer is de plaats waar we het avondmaal vieren. Dat brengt bij ons offers van lof en dank teweeg, geestelijke offers, slachtoffers van lof. Wie aan de Heer Jezus denkt in alles wat Hij heeft volbracht, kan niet anders dan zich daarover in dankbaarheid en bewondering uiten.

Maar wat hebben die offers ons gekost? Er zijn offers die heel goedkoop zijn. Daarbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan dankzeggingen die slechts een nazeggen van anderen zijn, of een greep uit de oude doos van onszelf. Wat geven we voor de armen, voor het werk van de Heer, aan hen die voor Zijn Naam zijn uitgegaan zonder iets aan te nemen uit de volken? Geven we het beste, de eerstelingen, of geven we een klein beetje van onze overvloed, waarvan we het gemis niet voelen, of geven we zelfs onze waardeloze dingen? Als we met de Heer leven, zullen we veel verzameld hebben en zal ons offer steeds groter zijn, steeds meer waard zijn.

Het dier dat de priesters brengen, is een illustratie van het offer van de Heer Jezus. Wij moeten ons realiseren hoe volmaakt Hij in alles was. We mogen op geen enkele manier afbreuk aan Hem doen en ook niet aan het Woord van God. Als we met mismaakte, ongezonde offers tot God komen, houdt dat een grote miskenning in van het offer van Christus en een verachting van de waardering die God voor Hem heeft.

1. Wij brengen een blind dier als wij menen dat de Heer Jezus niet wist wat Hij deed en niet voortdurend Zijn oog op de Vader had gericht. Zo’n offer is God onwaardig. De Heer Jezus wist volmaakt alles wat over Hem zou komen en deed in alles volmaakt de wil van de Vader (Jh 18:44Jezus dan, Die alles wist wat over Hem zou komen, ging uit en zei tot hen: Wie zoekt u?; 17:44Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven;).

2. We brengen een kreupel dier als wij menen dat de Heer Jezus niet in al Zijn handelingen volmaakt was, dat Hij de weg niet volkomen ging. We kunnen bijvoorbeeld menen dat Hij had kunnen zondigen, hoewel Hij het niet gedaan heeft. Ook dat is een offer dat God niet kan aannemen. In de Heer Jezus is geen zonde, Hij heeft de zonde niet gekend en niet gedaan (1Jh 3:55En u weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij <onze> zonden zou wegnemen; en in Hem is geen zonde.; 2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.; 1Pt 2:2222Hij ‘Die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in Zijn mond gevonden’,).

3. Een ziek dier is een dier dat inwendig niet gezond is. Dat brengen wij als we twijfelen aan de motieven waardoor de Heer gedreven werd, alsof Hij toch niet in alles volkomen onbaatzuchtig was en toch ook wel eens iets uit eigen belang deed. Als wij met zulke gedachten over de Heer Jezus bij God komen, verwerpt Hij dat offer. Christus was innerlijk en uiterlijk volmaakt. Hij was geheel wat Hij zei (Jh 8:2525Zij zeiden dan tot Hem: Wie bent U? Jezus zei tot hen: Geheel wat Ik ook tot u spreek.). Wat Hij naar buiten presenteerde, was volmaakt wat Hij ook innerlijk was.

God houdt de priesters voor dat ze het niet zouden wagen de offers die ze Hem brengen te geven aan hun landvoogden. Als ze aan hen zulke minderwaardige offers zouden geven, zouden die daar niet echt vrolijk van worden. Nee, hen willen ze niet tegen de haren instrijken, maar hen te vriend houden. Maar God, Die zoveel groter is, kunnen ze wel iets toestoppen wat ze wel kunnen missen.

Het is werkelijk verbijsterend wat God allemaal door mensen wordt aangedaan, wat diezelfde mensen nooit andere mensen zouden aandoen. God moet alles maar slikken, anders hoeven ze Hem niet meer. Zo gaat men in de christenheid met God om.


Dit gebeurt door uw hand

9Nu dan, tracht toch het aangezicht van God gunstig te stemmen, dat Hij ons genadig zal zijn. Dit gebeurt door uw hand: zou Hij u ter wille zijn? zegt de HEERE van de legermachten.

Wat in dit vers wordt gezegd, is ironisch bedoeld. Laat ze maar trachten “het aangezicht van God gunstig te stemmen” met hun minderwaardige offers. Ze verkeren in de waan dat Hij hun offers wel waardeert en dat Hij als reactie daarop hen genadig zal zijn. Hoe blind kan een mens, en dan nog wel een bevoorrecht lid van Gods volk, zijn voor Wie God is en voor wat Hem toekomt.

Wie een houding aanneemt zoals die in de vorige verzen is beschreven, moet niet menen dat hij iets van God kan vragen om er vervolgens ook nog op te rekenen dat hij het zal ontvangen. Als we bidden om een oplossing voor onze problemen zonder dat we de zonde uit ons leven wegdoen, kan God daar niet naar horen. Hij kan ons niet gunstig gezind zijn.

Ze moeten maar eens goed naar zichzelf kijken. “Door uw hand”, dat is door de offers die ze brengen en door hun daden in het algemeen, laten ze zien dat ze er een eigenwillige godsdienst en levensstijl op na houden. Menen ze dan werkelijk dat God hen ter wille zal zijn? Met Wie denken ze dat ze te doen hebben? Hij Die spreekt, is “de HEERE van de legermachten”!


Ik heb geen welgevallen in u

10Was er ook maar [iemand] onder u die de deuren zou sluiten, dan zou u niet zonder reden Mijn altaar aansteken. Ik heb geen welgevallen in u, zegt de HEERE van de legermachten, en een graanoffer uit uw hand aanvaard Ik niet.

We horen God als het ware de verzuchting slaken dat er onder de priesters maar iemand was die de deuren zou sluiten. Hij geeft hiermee uiting aan Zijn verlangen dat het kwaad buiten de deur van Zijn huis wordt gehouden of ook dat de dienst helemaal zou stoppen. Maar zo iemand is er niet. Het kwaad is Zijn huis binnengedrongen en wordt er niet uit verwijderd. Als het kwaad zou worden tegengehouden of verwijderd, zouden de offers die op Zijn altaar worden ontstoken niet zonder (de goede) reden zijn. Ze zouden dan gebracht worden in het bewustzijn van Wie Hij is en wat Hem toekomt.

De toepassing kan worden gemaakt op kerken en diensten die geen plaatsen (meer) zijn waar mensen aanbidden in geest en in waarheid, maar zijn verworden tot niets anders dan plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten om het gezellig met elkaar te hebben. Het zou beter voor hen zijn om te deuren sluiten dan om verder te gaan met het misleiden van mensen die denken dat ze God een plezier doen door zo samen te komen.

God walgt van een dienst als deze onoprecht en alleen voor de show gehouden wordt (Js 1:11-1511Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
14Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
15En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.
)
. Het is beter geen offer te krijgen dan een offer dat waardeloos is. Hij heeft geen welgevallen in de priester en ook niet in het offer dat Hem wordt aangeboden. Het graan- of spijsoffer dat ze in hun hand houden en Hem aanbieden, aanvaardt Hij niet. Duidelijker kan Hij niet zeggen hoe Hij over hen en hun dienst denkt.


Gods Naam groot onder de heidenvolken

11Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de HEERE van de legermachten.

God zegt tegen de ontrouwe priesters dat Hij voor de offers die Hij wil ontvangen, niet afhankelijk is van hen. Hij zal ervoor zorgen dat Zijn Naam groot zal zijn onder alle volken en niet alleen in Israël. Zijn Naam zal in elke plaats, en niet alleen in Jeruzalem, een reukoffer worden gebracht, en een rein graan- of spijsoffer. Dit zal vervuld worden in het vrederijk. Er zal een algemene aanbidding van God door de heidenen zijn (vgl. Zf 2:99Daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE van de legermachten,
de God van Israël:
Voorzeker, Moab zal als Sodom worden
en de Ammonieten als Gomorra:
een distelveld, een zoutgroeve
en een woestenij tot in eeuwigheid!
De rest van Mijn volk zal hen plunderen,
het overblijfsel van Mijn volk zal hen in erfelijk bezit nemen.
)
. Bij de verschijning van de Heer Jezus zal God alom eer worden gebracht en zal het heelal vol zijn van Zijn heerlijkheid, die de aarde zal vullen zoals de wateren de bodem van de zee bedekken.

Voor de gemeente is dat nu al zo, zij het dat de gemeente geen letterlijke, maar geestelijke offers brengt (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.; 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). Sinds de gemeente op aarde is, gebeurt dat overal op aarde (1Ko 1:22aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan [de] geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, in elke plaats, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, zowel hun als onze [Heer]:). De aanbidding is niet meer gekoppeld en voorbehouden aan een geografische plaats. Het gaat nu om geestelijke kenmerken (Jh 4:21,2321Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.23Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.).


Nog eens de houding van de priesters

12Maar u ontheiligt hem, wanneer u zegt: De tafel van de Heere, die is onrein, en wat zij oplevert, haar voedsel, is verachtelijk. 13Verder zegt u: Zie, wat een vermoeienis! Maar u zou het kunnen wegblazen, zegt de HEERE van de legermachten. U brengt wat geroofd, kreupel en ziek is. Als u dat graanoffer brengt, zou Ik dat uit uw hand aanvaarden? zegt de HEERE.

In vers 1212Maar u ontheiligt hem, wanneer u zegt: De tafel van de Heere, die is onrein, en wat zij oplevert, haar voedsel, is verachtelijk. keren we terug naar de rauwe werkelijkheid van die dagen. Hoe vreselijk is het als mensen die belijden tot Gods volk te behoren Zijn Naam door hun spreken en hun gedrag oneer aandoen. Zij onteren Zijn Naam vooral doordat zij hun offerdienst verrichten op een wijze die hun verachting voor God toont. Ze zeggen het niet, maar hun omgang met de tafel van de HEERE en de offers tonen hun minachting daarvoor.

En daar blijft het niet bij. Ze vinden de dienst van de HEERE maar een vermoeiende, lastige bezigheid (vers 1313Verder zegt u: Zie, wat een vermoeienis! Maar u zou het kunnen wegblazen, zegt de HEERE van de legermachten. U brengt wat geroofd, kreupel en ziek is. Als u dat graanoffer brengt, zou Ik dat uit uw hand aanvaarden? zegt de HEERE.). Ze kunnen die dienst wel wegblazen, zo weinig betekent die voor hen. In een andere vertaling staat dat ze er de neus voor ophalen. Dat geeft wel aan hoe minachtend zij over de dienst aan God doen. De HEERE stelt Zich weer aan hen voor als “de HEERE van de legermachten”. Ze hebben met Hem te doen!

Zien we niet in onze dagen deze zelfde vermoeidheid in de dingen van de Heer? Zijn er niet christenen die ooit actief in de dienst van de Heer waren, maar nu moe geworden zijn? Ze zijn moe geworden, moe van het bidden, moe van het Bijbel lezen, moe van het denken aan de Heer, moe van de prediking van het evangelie, moe van de dingen van de Heer en moe van het volk van de Heer. Een belijdenis zonder praktijk en een dienst zonder toewijding leiden tot vermoeidheid in de dingen van de Heer. En als mensen ergens moe van worden, zullen ze dat ten slotte verachten.

De HEERE houdt hun ook voor met wat voor fraaie offers ze bij Hem komen. Ze brengen “wat geroofd” is. Een geroofd offer is het offer dat van een ander is gestolen en dat wordt gebracht alsof het hun eigen offer is. Zo kunnen we de woorden uit Gods Woord in onze dankzegging gebruiken zonder ze tot ons eigendom te hebben gemaakt. Dan stelen of roven we Gods woorden (Jr 23:3030Daarom zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.). We moeten geen uitdrukkingen overnemen omdat we ze mooi vinden en waarmee we indruk willen maken. God wil dat we eerlijk zijn en niet voorgeven dat we meer zijn dan we zijn. Hij wil graag dat we in onze eigen woorden Hem vertellen Wie de Heer Jezus is.

De HEERE herhaalt ook het brengen van wat “kreupel en ziek is” (vers 1313Verder zegt u: Zie, wat een vermoeienis! Maar u zou het kunnen wegblazen, zegt de HEERE van de legermachten. U brengt wat geroofd, kreupel en ziek is. Als u dat graanoffer brengt, zou Ik dat uit uw hand aanvaarden? zegt de HEERE.; vers 88En als u een blind [dier] ten offer brengt: Dat is niet erg! En als u een kreupel of ziek [dier] ten offer brengt: Dat is niet erg! Bied het maar eens aan uw landvoogd aan. Zou hij u goedgezind zijn of u ter wille zijn? [Dit] zegt de HEERE van de legermachten.). Dit laat wel zien hoe diep Hij door hun minachting geraakt is. Ze moeten niet denken dat Hij hun graan- of spijsoffer wel uit hun hand zal aanvaarden. Hun hand is niet rein, hun handelingen zijn niet zuiver. Daarom neemt Hij er niets uit aan. Het graan- of spijsoffer spreekt van het volmaakte leven van de Heer Jezus. We kunnen Hem daar misschien heel wat over vertellen, maar als ons handelen onrein is, neemt Hij onze dankzeggingen niet aan. Hij luistert niet naar ons.

Wat geven wij aan de Heer? Geven wij Hem het beste van alles wat we hebben, of alleen dat wat we niet nodig hebben? Hoe besteden we bijvoorbeeld onze tijd? Staat Hij vooraan en bovenaan als we de dag beginnen? Zo kunnen we kijken naar onze bezittingen en naar onze capaciteiten. Dienen we Hem daarmee of onszelf en moet Hij genoegen nemen met de restanten?


De HEERE is een groot Koning

14Ja, vervloekt is de bedrieger die een mannetjes[dier] in zijn kudde heeft, en een gelofte doet, maar aan de Heere offert wat geschonden is! Voorzeker, Ik ben een groot Koning, zegt de HEERE van de legermachten, en Mijn Naam is ontzagwekkend onder de volken.

Het volk handelt net zoals de priesters. Er zijn mensen die een gelofte doen dat ze een gezond mannetjesdier aan de HEERE zullen offeren, maar ze offeren aan Hem “wat geschonden is”. Maleachi noemt iemand die zo handelt een “bedrieger”. Het is een bewuste, weloverwogen ‘wisseltruc’. Iets beloven maar het niet doen is voor de Heer een gruwel. Met een krachtig “ja, vervloekt” spreekt Maleachi zijn diepe verontwaardiging over een dergelijke handelwijze uit.

Het is te vergelijken met de zonde van Ananias en Saffira. Zij willen de indruk wekken dat zij al hun geld geven, terwijl ze stiekem een deel voor zichzelf hebben achtergehouden (Hd 5:1-111Een man nu genaamd Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom2en hield iets van de opbrengst achter met medeweten van zijn vrouw, en hij bracht een deel en legde het aan de voeten van de apostelen.3Petrus echter zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om te liegen tegen de Heilige Geest en van de opbrengst van het land achter te houden?4Als het [onverkocht] was gebleven, bleef het niet van u en was na de verkoop [de opbrengst] niet in uw macht? Waarom hebt u zich deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.5Toen nu Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en stierf. En er kwam grote vrees over allen die het hoorden.6De jongemannen nu stonden op, wikkelden hem in, droegen hem naar buiten en begroeven hem.7Het gebeurde nu ongeveer drie uur daarna, dat zijn vrouw binnenkwam, zonder te weten wat er was gebeurd.8Petrus nu antwoordde haar: Zeg mij: hebt u het land voor zóveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zóveel.9Petrus nu zei tot haar: Waarom bent u onderling overeengekomen de Geest van [de] Heer te verzoeken? Zie, de voeten van hen die uw man hebben begraven, zijn voor de deur en zij zullen u naar buiten dragen.10En zij viel onmiddellijk neer aan zijn voeten en stierf. En de jongemannen kwamen binnen en vonden haar dood, en zij droegen haar naar buiten en begroeven haar bij haar man.11En er kwam grote vrees over de hele gemeente en over allen die dit hoorden.). Het is de huichelarij van zich vroom voordoen, maar handelen met het oog op eigen voordeel, zowel financieel als in aanzien.

God richt Zich in al Zijn grootheid op. Hij stelt Zich aan hen voor als “een groot Koning”. Hoe waagt de mens het zich tegen Hem te verzetten of Hem te minachten! Hij is “de HEERE van de legermachten”. Hij staat boven alle hemelse en aardse machten. Zijn Naam kan niet anders dan ontzag inboezemen, niet alleen onder Zijn volk, maar onder alle volken. Er is geen grotere autoriteit in de schepping dan de Zijne. Er is ook niets in het heelal wat niet onder Zijn regering en gezag staat. Als Israël zich dat bewust zou zijn, zouden ze inzien hoe dwaas het is om Hem te bedriegen. Hetzelfde geldt voor ons.


Lees verder