Haggaï
Inleiding
Inleiding

De naam Haggaï betekent ‘iemand van het feest’. Hij wordt nog genoemd in Ezra (Ea 5:11De profeten Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden onder de Joden die in Juda en in Jeruzalem waren; in de Naam van de God van Israël [profeteerden zij] tegen hen.; 6:1414En de oudsten van de Joden bouwden en maakten goede vorderingen onder de profetie van Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. Ze bouwden en voltooiden het overeenkomstig het bevel van de God van Israël en overeenkomstig het bevel van Kores en Darius en Arthahsasta, de koning van Perzië.). In de lijsten van de teruggekeerden in de eerste hoofdstukken van het boek Ezra komt Haggaï niet voor. We weten niets van zijn afkomst, tot welke stam hij behoort of waar zijn grootouders hebben gewoond. Ook is er geen enkele informatie over zijn beroep, behalve dat hij als profeet optreedt.

Hij verricht zijn dienst nadat een overblijfsel uit de Babylonische ballingschap is teruggekeerd in het beloofde land. De periode waarin hij de beschreven profetie heeft uitgesproken, beslaat vier maanden. De aanleiding van zijn dienst is het neerleggen van het werk aan de bouw van de tempel. Het excuus voor het staken van de herbouw is de tegenstand ertegen (Ea 4:17-2417De koning zond dit antwoord aan Rehum, de kanselier, Simsai, de secretaris, en de overigen van hun ambtgenoten die in Samaria woonden en [in] de rest [van het gebied] aan deze zijde van de Eufraat: Vrede [zij u], en op dit tijdstip.18De brief die u ons gestuurd hebt, is duidelijk aan mij voorgelezen.19Er is een bevel door mij uitgevaardigd. Men heeft het onderzocht en gevonden dat deze stad zich van oudsher tegen koningen heeft verzet en dat er in haar opstand en oproer is ontketend.20Er zijn [zelfs] machtige koningen in Jeruzalem geweest die overal aan de overzijde van de Eufraat geheerst hebben en aan wie belasting, accijnzen en tol is betaald.21Welnu, geef bevel deze mannen op te laten houden, zodat die stad niet herbouwd wordt, totdat door mij [daartoe] het bevel wordt gegeven.22Hoed u ervoor om hierin een nalatigheid te begaan. Waarom zou de schade toenemen ten nadele van de koningen?23Zodra het afschrift van de brief van koning Arthahsasta voorgelezen was voor Rehum, Simsai, de secretaris, en hun ambtgenoten, vertrokken ze haastig naar Jeruzalem, naar de Joden en lieten hen met kracht en geweld ophouden.24Toen hield het werk aan het huis van God in Jeruzalem op, ja, het hield op tot het tweede regeringsjaar van Darius, de koning van Perzië.). Maar de werkelijke reden ligt dieper en wordt door de profeet aan het volk voorgehouden.

Tegenstand kan geen werkelijke verhindering voor Gods werk zijn. De echte verhindering is een afnemende belangstelling voor de dingen van God. Als wat bij God de hoofdzaak is, voor ons geen hoofdzaak meer is, is de oorzaak daarvan dat eigen belangen een rol zijn gaan spelen. Haggaï spoort het volk aan om weer aan het werk te gaan (Ea 5:11De profeten Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden onder de Joden die in Juda en in Jeruzalem waren; in de Naam van de God van Israël [profeteerden zij] tegen hen.). Een profeet spreekt tot het geweten van Gods volk als dat van Hem is afgeweken en eigen interesses gaat nastreven. Als het geweten niet actief is, zal het volk snel de omstandigheden uitleggen zoals die het beste passen in de eigen visie.

De woorden van de HEERE “ga het gebergte in, haal hout en herbouw dit huis. Dan zal Ik er behagen in scheppen, en verheerlijkt worden” (Hg 1:88Ga het gebergte in, haal hout,
en herbouw dit huis.
Dan zal Ik er behagen in scheppen, en verheerlijkt worden,
zegt de HEERE.
)
, geven de kern van het boek aan. Alles in dit korte boek draait om dit bevel: Bouw het huis van God!

Dit bevel klinkt door een groot deel van Israëls geschiedenis. We zien het in de dagen van de tabernakel. Mozes krijgt het bevel een heiligdom voor de HEERE te bouwen waarin Hij kan wonen (Ex 25:8-98En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen.9Volgens alles wat Ik u zal tonen, een ontwerp van de tabernakel en een ontwerp van al zijn voorwerpen, zó moet u [het] maken.). We zien het in de wens van David en in de opdracht die hij zijn zoon Salomo geeft om een huis voor de HEERE te bouwen (1Kr 17:1-151En het gebeurde, toen David in zijn huis zat, dat David tegen de profeet Nathan zei: Zie, ik verblijf in een huis van ceder[hout], maar de ark van het verbond van de HEERE onder tentkleden.2Nathan zei tegen David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u.3Maar in die nacht gebeurde het dat het woord van God tot Nathan kwam:4Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: Zo zegt de HEERE: Ú mag voor Mij geen huis bouwen om in te wonen.5Ik heb immers niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël [uit Egypte] deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben van tent tot tent gegaan, en van tabernakel [tot tabernakel].6Heb Ik [ooit], overal waar Ik met heel Israël rondtrok, een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van ceder[hout]?7Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk Israël te zijn.8Ik was met u overal waar u heen ging, en heb al uw vijanden voor uw [ogen] uitgeroeid. Ik heb een naam voor u gemaakt, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.9Ik heb aan Mijn volk Israël een plaats toegewezen en het [daar] geplant, zodat het in zijn eigen [gebied] woont en niet meer heen en weer gedreven wordt. En onrechtvaardige mensen zullen het niet meer verdrukken zoals vroeger,10en sinds de dagen waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb al uw vijanden vernederd. Ook maak Ik u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal bouwen.11En het zal gebeuren, wanneer uw dagen voorbij zijn en u heen gaat naar uw vaderen, dat Ik uw nakomeling na u, die [een] van uw zonen zal zijn, zal doen opstaan, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.12Die zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor eeuwig bevestigen.13Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, en Mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem wegnemen, zoals Ik [die] weggenomen heb van hem die [er] vóór u was,14maar Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.15Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.; 28:6,106Hij zei tegen mij: Uw zoon Salomo, hij is het die Mijn huis en Mijn voorhoven zal bouwen. Ja, Ik heb hem voor Mijzelf uitgekozen tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn.10Zie nu, want de HEERE heeft jou uitgekozen om een huis als heiligdom te bouwen; wees sterk en doe het.). Tegen de ballingen die onder Kores mogen terugkeren naar het land, wordt hetzelfde gezegd ten aanzien van de tempel die door Nebukadnezar is verwoest (Ea 1:33Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].).

Het korte verslag van de dienst van Haggaï toont hem als een man van overtuiging. Hij heeft de unieke plaats onder de profeten van iemand naar wie Gods volk werkelijk luistert en aan wiens woorden men gehoorzaam is. Het volk doet wat hij predikt, met als resultaat dat in slechts vier jaar de bouw van de tempel voltooid wordt.

Nog een uniek kenmerk van Haggaï is de precisie waarmee hij zijn profetieën dateert. Er worden enkele specifieke dagen in zijn boek genoemd. Daaruit blijkt dat de duur van zijn dienst nog geen vier maanden is geweest.

1. Zijn eerste prediking houdt hij in het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand” (Hg 1:11In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE, door de dienst van de profeet Haggaï, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester:). Die prediking is gericht aan het adres van Zerubbabel, de landvoogd van Juda, en aan Jozua, de hogepriester (Hg 1:11In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE, door de dienst van de profeet Haggaï, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester:).

2. De tweede datum is “de vierentwintigste dag van de zesde maand, in het tweede jaar van koning Darius” (Hg 2:11op de vierentwintigste dag van de zesde maand, in het tweede jaar van koning Darius.). De boodschap op die dag is voor Zerubbabel, Jozua en de rest van het volk (Hg 1:1414En de HEERE wekte de geest op van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, landvoogd van Juda, en de geest van Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en de geest van heel het overblijfsel van het volk. Toen kwamen zij en begonnen het werk aan het huis van de HEERE van de legermachten, hun God, te doen,).

3. De derde datum is “in de zevende [maand], op de eenentwintigste van de maand (Hg 2:22In de zevende maand, op de eenentwintigste van de [maand], kwam het woord van de HEERE door de dienst van de profeet Haggaï:). Deze boodschap is ook voor Zerubbabel, Jozua en de rest van het volk (Hg 2:33Zeg toch tegen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël [en] landvoogd van Juda, en tegen Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en tegen de rest van het volk:).

4. De vierde datum is “de vierentwintigste [dag] van de negende [maand]” (Hg 2:1111Op de vierentwintigste dag van de negende [maand], in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE tot de profeet Haggaï:). Die dag is er een woord voor de priesters (Hg 2:1212Zo zegt de HEERE van de legermachten: Vraag toch de priesters [onderwijs in] de wet.).

5. De vijfde datum is “de vierentwintigste van de maand” (Hg 2:2121Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Haggaï, op de vierentwintigste van de maand:), dat is dezelfde maand als die bij het vorige punt is genoemd, de negende (Hg 2:1111Op de vierentwintigste dag van de negende [maand], in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE tot de profeet Haggaï:). Dan is er een woord alleen voor Zerubbabel (Hg 2:2121Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Haggaï, op de vierentwintigste van de maand:).

De plaats waar Haggaï als profeet heeft gediend, is kennelijk Jeruzalem. De twee hoofdstukken van zijn boek bevatten verwijzingen naar het huis van God, de tempel in Jeruzalem.

Een vers uit Haggaï 2 wordt in Hebreeën 12 geciteerd (Hg 2:77Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nog één [ogenblik], en dat is een korte [tijd],
dan zal Ik de hemel en de aarde,
de zee en het droge doen beven.
; Hb 12:2626Toen deed Zijn stem de aarde wankelen; maar nu heeft Hij beloofd en gezegd: ‘Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde doen beven maar ook de hemel’.)
. Dit onderstreept de Goddelijke inspiratie en daarmee het Goddelijke gezag van dit boek.

Indeling van het boek:

I. Oproep om het huis van God te bouwen (Haggaï 1:1-11)
  1. Inleiding (Haggaï 1:1-3)
  2. Rangschikking van de prioriteiten (Haggaï 1:4-11)

II. De positieve reactie (Haggaï 1:12-15)

III. De beloofde glorie van het herbouwde huis (Haggaï 2:1-9)
  1. Aanmoediging voor Zerubbabel (Haggaï 2:1-5)
  2. De glorie van het herbouwde huis (Haggaï 2:6-9)

IV. Zegen voor een onrein volk (Haggaï 2:10-19)
  1. De vroegere onreinheid (Haggaï 2:10-14)
  2. De toekomstige zegen (Haggaï 2:15-19)

V. Zerubbabel, de zegelring van de HEERE (Haggaï 2:20-23)


Lees verder