Judas
1-3 Afzender, geadresseerden, doel van de brief 4-9 Voorbeelden van afval en Gods oordeel 10-16 Kenmerken van goddeloosheid 17-25 Vermaningen en bemoedigingen
Afzender, geadresseerden, doel van de brief

1Judas, slaaf van Jezus Christus en broer van Jakobus, aan de geroepenen die in God [de] Vader geliefd en in Jezus Christus bewaard zijn: 2barmhartigheid, vrede en liefde zij u vermenigvuldigd. 3Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.

V11Judas, slaaf van Jezus Christus en broer van Jakobus, aan de geroepenen die in God [de] Vader geliefd en in Jezus Christus bewaard zijn:. Judas stelt zich voor als “slaaf van Jezus Christus en broer van Jakobus”. Bij de verklaring van de brief van Jakobus hebben we gezien dat Jakobus een broer van de Heer Jezus is (Jk 1:11Jakobus, slaaf van God en van [de] Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: gegroet!; Gl 1:1919ik zag echter niemand anders van de apostelen dan Jakobus, de broer van de Heer.). Behalve een Jakobus treffen we onder de broers van de Heer naar het vlees ook een Judas aan (Mt 13:5555Is Deze niet de Zoon van de timmerman? Heet Zijn moeder niet Maria en Zijn broers Jakobus, Jozef, Simon en Judas?). Het ligt voor de hand dat hij de schrijver van deze brief is.

Evenmin als Jakobus noemt Judas zich ‘broer’ van Jezus Christus, maar noemt hij zich met vreugde ‘slaaf’. Hij spreekt ook niet over ‘Jezus’, maar over ‘Jezus Christus’. Hoewel hij en Jakobus samen met de Heer Jezus in hetzelfde ouderlijk huis zijn opgegroeid, ontbreekt elke familiariteit. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat ze Hem hebben leren kennen als de Opgestane (1Ko 15:77Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen.). Het is belangrijker met Hem in een geestelijke betrekking te staan en dat te laten zien door naar Zijn Woord te luisteren, dan met Hem in een natuurlijke familieverhouding te staan (Lk 11:27-2827Het gebeurde nu, toen Hij dit zei, dat een vrouw uit de menigte [haar] stem verhief en tot Hem zei: Gelukkig de schoot die U heeft gedragen en [de] borsten die U hebt gezogen.28Hij echter zei: Jawel, maar veeleer gelukkig zij die het Woord van God horen en bewaren.).

Zoals al is opgemerkt, richt Judas zich in zijn brief tot alle gelovigen zonder onderscheid. Hij noemt hen “geroepenen”. Hij heeft alle gelovigen op het oog, allen die tot de wereldwijde gemeente behoren. Tegelijk is de brief ook heel persoonlijk, want roeping is een persoonlijke zaak van iedere gelovige. De geroepenen – en daar hoor jij door Gods genade dus ook bij – stelt hij direct aan het begin van zijn brief in tweeërlei betrekking voor: eerst tot “God [de] Vader” en dan tot “Jezus Christus”. De betrekking tot God de Vader is verbonden met liefde en de betrekking tot Jezus Christus met bewaring.

Wat Judas hier doet, ligt in dezelfde lijn als wat de Heer Jezus doet in Zijn gebed tot Zijn Vader als Hij vraagt om bewaring van de Zijnen (Jh 17:1111En Ik ben niet meer in de wereld, en zij zijn in de wereld, en Ik kom tot U, Heilige Vader: bewaar hen in Uw Naam die U Mij hebt gegeven, opdat zij een zijn zoals Wij.). Wat Judas zegt en wat de Heer Jezus heeft gebeden, is met het oog op de inhoud van de brief zeer bemoedigend. Je mag weten dat je een voorwerp bent van Goddelijke liefde, hoeveel kwaad er ook in de christenheid is binnengedrongen. Je mag ook weten dat je door Jezus Christus tot het einde toe wordt bewaard, terwijl het binnengedrongen kwaad door Hem zal worden geoordeeld. Wat een bemoediging! Dat geeft zekerheid en kracht aan je geloof, dat in de tijd van afval waarin je leeft, zwaar op de proef wordt gesteld.

V22barmhartigheid, vrede en liefde zij u vermenigvuldigd.. Na zijn adressering heeft Judas een drievoudige wens voor zijn lezers, “barmhartigheid, vrede en liefde”. Hij voegt daaraan nog de wens toe dat die zal worden “vermenigvuldigd”. We vinden in de aanhef van de brieven van Paulus steeds ‘genade en vrede’ als wens. Slechts in de twee brieven aan Timotheüs voegt hij daar de wens van ‘barmhartigheid’ aan toe. Dat laat zien dat ‘barmhartigheid’ vooral bedoeld is voor individuele personen, wat het persoonlijke karakter van de brief van Judas benadrukt.

De combinatie van de drie wensen die Judas hier uitspreekt, komt alleen bij hem voor.

1. Hij begint met “barmhartigheid”. Daarin zit het aspect van nood en medelijden. Judas weet dat de gelovigen dat bijzonder nodig hebben met het oog op de tijd die hij dadelijk zal beschrijven.

2. Ook “vrede” is in een dergelijke tijd van groot belang. Alle kwaad dat overvloedig de gemeente is binnengedrongen, kan aanleiding zijn om vol onvrede te raken. Als alles hopeloos schijnt en er geen uitweg lijkt te zijn, kan de onvrede gemakkelijk binnensluipen.

3. Ten slotte is “liefde” nodig. Hoe boos de tijden ook zijn, altijd kan de gelovige zich bewust zijn van de liefde van God.

Judas noemt deze dingen in zijn algemeenheid. Natuurlijk wenst hij ze je toe van Godswege. Tegelijk is het de bedoeling dat deze kenmerken in een tijd van verval ook uitingen zullen zijn die van jou naar anderen mogen gaan. Je hebt immers het nieuwe leven, je bent uit God geboren en hebt Zijn natuur. Als de afval zich steeds duidelijker manifesteert, is het des te dringender gewenst dat onder de gelovigen deze uitingen van Gods zorg ook naar elkaar toe worden gevonden. En Judas wenst niet alleen maar dat ze er zijn en zullen toenemen, maar dat ze er in overvloedige mate zijn door vermenigvuldiging, dat wil zeggen dat ze steeds meer toenemen.

V33Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.. Judas noemt zijn lezers “geliefden” en sluit zich hiermee aan bij God de Vader van Wie hij heeft gezegd dat Hij de Zijnen liefheeft (vers 11Judas, slaaf van Jezus Christus en broer van Jakobus, aan de geroepenen die in God [de] Vader geliefd en in Jezus Christus bewaard zijn:). Hij heeft voor hen dezelfde gevoelens als God de Vader. Het is belangrijk om je broeders en zusters te zien zoals God de Vader hen ziet en voor ze te voelen wat Hij voor hen voelt.

Judas vertelt dat hij van plan is geweest hun een brief te schrijven. Dat plan voert hij ook uit. Hij vertelt ook waarover hij had willen schrijven en dat daar iets in is veranderd. Heel graag had hij met hen willen delen wat hij en zij gemeenschappelijk bezitten in de behoudenis die ze hebben gekregen (vgl. 2Pt 1:11Simon Petrus, slaaf en apostel van Jezus Christus, aan hen die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben door [de] gerechtigheid van onze God en Heiland Jezus Christus:). Het verlangen om over de “gemeenschappelijke behoudenis” te schrijven is echter verdrongen door een last die Gods Geest op zijn hart heeft gelegd. Hij is daaraan gehoorzaam geweest en heeft de noodzaak erkend om een vermaning te schrijven in plaats van over vreugdevolle waarheden.

Hij vertelt over deze verandering in zijn voornemen omdat dit je de ernst van de inhoud van zijn brief des te sterker doet voelen. Het toont aan dat er wel eens van plan moet worden veranderd en dat in plaats van te genieten van geloofswaarheden ervoor moet worden gestreden.

Het geloof – hiermee wordt de geloofswaarheid bedoeld en niet zozeer je persoonlijk geloof – is uitermate kostbaar. Het is alles wat je van God in Christus weet, zoals je dat in het geïnspireerde, onfeilbare, gezaghebbende en complete Woord van God hebt. Dat moet ook als zodanig worden gehandhaafd en verdedigd. Alles wat van God komt, zal altijd worden aangevallen en moet daarom worden verdedigd. Je moet eraan vasthouden dat het alleen aan de apostelen is gegeven het geloof maatgevend vast te leggen in geïnspireerde geschriften.

Het geloof uitleggen en onderwijzen is niet de taak van allen, maar van door de Heer Jezus gegeven gaven (Ef 4:1111En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,). Het is wel de opdracht van iedere gelovige, ook van jou, om het geloof te verdedigen en ervoor te strijden. Dat is niet een zaak van slechts enkelen. Het is immers het geloof dat “aan de heiligen is overgeleverd”, dat zijn alle heiligen, alle gelovigen, en niet een kleine groep bevoorrechte mensen. Het gevolg is dat alle heiligen het moeten verdedigen. De uitdrukking ‘heiligen’ maakt ook het contrast duidelijk met de onheiligheid van de goddelozen over wie Judas in de volgende verzen schrijft.

Wat je moet verdedigen, is het geloof dat “eenmaal”, dat is ‘eens voor altijd’, is overgeleverd. Het gaat dus niet om een nieuw ontdekt geloof of een geloof dat zich ontwikkelt en waaraan telkens nieuwe dingen worden toegevoegd. Het is eenmaal en volledig door God geopenbaard. Mensen hebben er niets aan bijgedragen al zijn zij de instrumenten waardoor het is doorgegeven. Er komen geen nieuwe openbaringen meer. Het is wel eens zo opgemerkt: Als het nieuw is, kan het niet waar zijn en als het waar is, is het niet nieuw.

Lees nog eens Judas 1:1-3.

Verwerking: Welke bemoedigingen vind je in deze verzen?


Voorbeelden van afval en Gods oordeel

4Want bepaalde mensen zijn binnengeslopen, die van ouds tot dit oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en onze enige Meester en Heer Jezus Christus verloochenen. 5Ik wil u echter eraan herinneren, u die eens alles wist, dat <de> Heer, na een volk uit [het] land Egypte verlost te hebben, de tweede keer hen die niet geloofden, heeft verdelgd. 6En engelen die hun oorsprong niet bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij tot [het] oordeel van [de] grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard. 7Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen, die op dezelfde wijze als dezen hoereerden en ander vlees achternagingen, daar liggen als een voorbeeld, doordat zij een straf van eeuwig vuur ondergaan. 8Evenzo inderdaad verontreinigen ook deze dromers [het] vlees en verwerpen [de] heerschappij en lasteren [de] heerlijkheden. 9De aartsengel Michaël echter durfde, toen hij met de duivel redeneerde en redetwistte over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uitbrengen, maar zei: Moge [de] Heer u bestraffen!

V44Want bepaalde mensen zijn binnengeslopen, die van ouds tot dit oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en onze enige Meester en Heer Jezus Christus verloochenen.. Judas gaat zijn oproep om te strijden nu verklaren en onderbouwen. Als je al bedenkingen zou hebben of je wel zult deelnemen aan de strijd waartoe hij oproept, dan zul je door zijn verklaring wel overtuigd raken van de noodzaak van je inzet. Hij schildert op indrukwekkende wijze de toestand van de belijdende christenheid zoals die zich toen al ontwikkelde. Die ontwikkeling is sindsdien niet stil blijven staan, maar het is steeds erger geworden. Dat betekent dat de noodzaak om te strijden voor het geloof alleen maar is toegenomen.

Er zijn namelijk “bepaalde mensen”, dat wil zeggen mensen met een bepaald karakter, de gemeente “binnengeslopen”, heel stiekem, met list, via een zijdeur (vgl. Gl 2:44en [dat] vanwege de binnengeslopen valse broeders, die zich hadden binnengedrongen om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons tot slavernij te brengen.). Die mensen zijn geen gelovigen. Ze worden door Judas nadrukkelijk “goddelozen” genoemd. Het zijn mensen die “van ouds tot dit oordeel tevoren opgeschreven zijn”. Dat wil niet zeggen dat hun namen opgeschreven zijn, maar dat mensen die zulke dingen doen, dit oordeel treft. Het oordeel is al vele eeuwen geleden door Henoch aangekondigd, nog voor de zondvloed. Toen heeft God al laten bekendmaken wat Hij met deze goddelozen aan het einde van de tijd zou doen (verzen 14-1514En ook Henoch, [de] zevende van Adam af, heeft van dezen geprofeteerd door te zeggen: Zie, [de] Heer is gekomen te midden van Zijn heilige tienduizenden,15om oordeel uit te oefenen tegen allen en elke ziel te bestraffen om al hun werken van goddeloosheid die zij goddeloos bedreven hebben, en om alle harde [woorden] die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.).

Er zijn mensen, onder wie ook oprechte kinderen van God, die uit wat Judas hier zegt, concluderen dat God mensen voorbestemt om verloren te gaan. Maar deze conclusie is niet in overeenstemming met de leer van de Schrift. God bestemt niemand voor om voor eeuwig verloren te gaan. Het van tevoren aangekondigde oordeel betreft mensen die zichzelf tot het verderf hebben bereid (Rm 9:2222Als nu God, daar Hij Zijn toorn wilde betonen en Zijn macht bekendmaken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft [de] vaten van [de] toorn, tot [het] verderf toebereid;; 2Pt 2:33En door hebzucht met verzonnen woorden zullen zij koopwaar van u maken; het oordeel rust niet voor hen van oudsher en hun verderf sluimert niet.). Het is ermee als met een boete die ik krijg als ik bijvoorbeeld ergens parkeer zonder een kaartje te kopen, terwijl dat op straffe van een bekeuring verplicht is. Als ik op die plaats parkeer zonder een kaartje te kopen, ben ik ertoe veroordeeld een bekeuring te krijgen. De veroordeling ligt allang klaar voor ieder die deze overtreding begaat, maar van het invullen van namen is pas sprake als de overtreding is begaan.

Judas is niet voorzichtig in zijn ontmaskering van deze lieden. Hij werkt er niet heel langzaam naar toe, maar stelt hen direct aan de kaak. Hij doet dat om direct hun karakter duidelijk te maken en daarmee de goedgelovigen in de gemeente de ogen te openen voor deze verdorven personen. Zulke mensen doen zich voor als christenen en kunnen ook mooi praten, zoals je verderop zult zien. Judas windt er geen doekjes om. Het zijn “goddelozen”, die het geloof verderven. Ze hebben twee hoofdkenmerken. Het eerste kenmerk is dat ze de genade misbruiken door die te gebruiken als een dekmantel voor het voldoen aan hun eigen begeerten. Het tweede kenmerk is dat ze het gezag van de Heer Jezus volledig verwerpen.

Dat zij ‘goddeloos’ zijn (het woord ‘goddeloos’ komt in deze brief maar liefst zeven keer voor), wil zeggen dat zij zonder enige eerbied en vrees voor God zijn. Die houding komt tot uiting in de twee genoemde kenmerken. Zij wagen het de genade te misbruiken om hun losbandigheid te rechtvaardigen (vgl. Tt 2:1212en onderwijst ons, dat wij met verzaking van de goddeloosheid en de wereldse begeerten ingetogen, rechtvaardig en Godvruchtig zouden leven in deze tegenwoordige eeuw, waar de genade het tegengestelde onderwijst). Ze grijpen de christelijke vrijheid aan om een leven “in losbandigheid” te leiden. Elk gevoel van wat gepast is, ontbreekt bij hen. Tevens “verloochenen” en verachten zij het volstrekte en Goddelijke gezag van de Heer Jezus.

Deze ‘binnengeslopen’ personen kun je dus herkennen aan hun manier van leven. Het is absoluut geen vraag of zij misschien toch wedergeboren zouden zijn. Zij leven zoals de mens dat sinds de zondeval los van God doet. Ze volgen de lusten van het vlees waaraan zij in losbandigheid toegeven en leven in hoogmoed het leven zoals ze daar zelf zin in hebben. Ook houden ze totaal geen rekening met het gezag van de absolute Heerser, “onze enige Meester en Heer Jezus Christus”. Je merkt dat vooral aan de manier waarop ze met Gods Woord handelen. Daarvoor hebben ze geen enkel respect, ze buigen zich er niet voor, het maakt op hen geen enkele indruk.

V55Ik wil u echter eraan herinneren, u die eens alles wist, dat <de> Heer, na een volk uit [het] land Egypte verlost te hebben, de tweede keer hen die niet geloofden, heeft verdelgd.. Uit datzelfde Woord dat door hen geloochend wordt, wil Judas je herinneren aan drie voorvallen uit het begin van het Oude Testament. In deze drie voorvallen worden de afval waarover hij spreekt en Gods oordeel daarover duidelijk aangetoond.

Je wordt aangesproken als iemand “die eens alles wist”. Dat is waar voor iedere gelovige, hoe pas bekeerd ook. Je hebt namelijk de “zalving vanwege de Heilige” en je “weet alles” (1Jh 2:2020En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.). Na verloop van tijd kan het besef hiervan wel eens wegzakken. Dan is het goed daaraan herinnerd te worden.

Het eerste voorval is dat van het volk Israël toen het uit Egypte was verlost. God had het volk verlost en hun het land Kanaän beloofd. In de belofte lag opgesloten dat Hij hen ook zou helpen het land in bezit te nemen. Maar toen het volk naar het kwade gerucht luisterde dat de tien verspieders over het beloofde land verspreidden, kwamen ze in opstand tegen de Heer en geloofden Hem niet. Ze weigerden botweg het land in bezit te nemen (Nm 13:25-3325Daarna keerden zij terug van het verkennen van het land, na verloop van veertig dagen.26Zij gingen op weg en kwamen bij Mozes en bij Aäron, en bij heel de gemeenschap van de Israëlieten, in de woestijn Paran, bij Kades. En zij brachten aan hen en heel de gemeenschap verslag uit en toonden hun de vruchten van het land.27Zij vertelden [het Mozes] en zeiden: Wij zijn in dat land gekomen waarheen u ons gestuurd hebt, en werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en dit is zijn vrucht.28Het volk echter dat in dat land woont, is sterk, de steden zijn versterkt [en] heel groot, en ook hebben wij daar nakomelingen van Enak gezien.29In het Zuiderland woont Amalek, in het bergland [wonen] de Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten, aan de zee en aan de oever van de Jordaan wonen de Kanaänieten.30Toen bracht Kaleb het volk tegenover Mozes tot bedaren, en zei: Laten wij vrijmoedig optrekken, wij zullen het [land] in bezit nemen, want wij zullen het zeker overmeesteren.31Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, want het is sterker dan wij.32En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, [bestaat uit] mannen van grote lengte.33Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.; 14:1-41Toen begon heel de gemeenschap [luid te weeklagen] en bleef het volk in die nacht luid jammeren.2Al de Israëlieten morden tegen Mozes en tegen Aäron. Heel de gemeenschap zei tegen hen: Waren wij maar in het land Egypte of in deze woestijn gestorven! Waren wij maar gestorven!3Waarom brengt de HEERE ons dan naar dit land, zodat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen en onze kleine kinderen tot prooi worden [van de vijand]? Zou het niet beter voor ons zijn naar Egypte terug te keren?4En zij zeiden tegen elkaar: Laten wij een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren!; 1Ko 10:5-105Maar in de meesten van hen had God geen welgevallen, want zij zijn neergeveld in de woestijn.6En deze dingen gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden.7Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, zoals geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen’.8Laten wij ook niet hoereren, zoals sommigen van hen hoereerden, en er vielen er op één dag drieëntwintigduizend.9Laten wij ook Christus niet verzoeken, zoals sommigen van hen [Hem] verzochten en door de slangen omkwamen.10Moppert ook niet, zoals sommigen van hen mopperden en door de verderver omkwamen.) en toonden daarmee hun ongeloof. Ze schoven God aan de kant.

Nadat God eerst met hen in genade had gehandeld door hen uit Egypte te verlossen, handelde God “de tweede keer” met hen op grond van hun ongeloof. Het resultaat was dat allen stierven die bij de uittocht twintig jaar en ouder waren, behalve Jozua en Kaleb (Nm 14:29-30,3529In deze woestijn zullen uw dode lichamen vallen, [te weten] allen van u die geteld zijn, naar hun volledige aantal, van twintig jaar oud en daarboven, [u] die tegen Mij gemord hebt.30U zult beslist niet in dat land komen waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou laten wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.35Ík, de HEERE, heb gesproken: Voorwaar, Ik zal dit doen met heel deze boosaardige gemeenschap, die tegen Mij samenspant. Zij zullen in deze woestijn omkomen, ja, zij zullen er sterven!; Hb 3:16-1916Want wie waren het die, hoewel zij gehoord hadden, Hem verbitterden? Waren dat immers niet allen die door Mozes uit Egypte waren uitgegaan?17En op wie is Hij veertig jaar lang vertoornd geweest? Was dat niet op hen die gezondigd hadden, van wie de lichamen vielen in de woestijn?18En aan wie heeft Hij gezworen dat zij in zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen die ongehoorzaam geweest waren?19En wij zien dat zij niet konden ingaan wegens ongeloof.).

V66En engelen die hun oorsprong niet bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij tot [het] oordeel van [de] grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard.. Het tweede voorbeeld van opstand en afval zijn engelen die op afschuwelijke wijze gezondigd hebben. Zij hebben “hun oorsprong”, dat wil zeggen hun oorspronkelijke en/of verheven staat, “niet bewaard, maar hun eigen woonplaats”, die hun door God was gegeven, “verlaten”. Het lijkt erop dat we dit voorval in Genesis 6 vinden (Gn 6:1-71En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden,2dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen, dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden.3Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.4In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die [kinderen] voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars vanuit vroeger tijd, mannen van naam.5En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en [dat] al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.6Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.7En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.). Daar is sprake van “Gods zonen” van wie we uit Job 1-2 weten dat dit engelen zijn (Jb 1:66Het gebeurde [op] een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam.; 2:11[Opnieuw] was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam om zijn opwachting te maken bij de HEERE.). Deze zonen Gods hebben een menselijke gedaante aangenomen en hebben zich vrouwen uit de mensen genomen.

Dit kwaad is zo erg, dat God deze engelen elke bewegingsvrijheid heeft ontnomen. Hij heeft hen nu al geboeid met “eeuwige boeien”, dat zijn boeien die ze tot in eeuwigheid zullen dragen, en hen nu al in “duisternis” opgesloten, zodat ze nooit meer het licht zullen zien. Zij worden daar “bewaard” tot het definitieve oordeel over hen wordt voltrokken.

V77Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen, die op dezelfde wijze als dezen hoereerden en ander vlees achternagingen, daar liggen als een voorbeeld, doordat zij een straf van eeuwig vuur ondergaan.. Het derde voorbeeld sluit direct op het vorige aan, wat je kunt zien aan het woord “zoals” waarmee vers 77Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen, die op dezelfde wijze als dezen hoereerden en ander vlees achternagingen, daar liggen als een voorbeeld, doordat zij een straf van eeuwig vuur ondergaan. begint. Wat in “Sodom en Gomorra en de steden daaromheen” gebeurde, is van dezelfde soort verdorvenheid als wat de engelen deden, maar nog weer wat erger. Het voert de afval tot een hoogtepunt. Het gaat om de grofste schaamteloosheid, een schaamteloosheid die is gericht tegen al het natuurlijke dat door God is gegeven. Deze bijzondere perversie is die van de homoseksuele omgang van mannen die met elkaar “schandelijkheid bedrijven” (Rm 1:26b-2726Daarom heeft God hen overgegeven aan onterende hartstochten; want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke;27en evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven en zijn in hun lust tegen elkaar ontbrand, zodat mannen met mannen schandelijkheid bedrijven en het verdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangen.). Zij hebben hun oorspronkelijke natuur verlaten. Dat is opstand en afval. Het is ‘hoereren’ en daarbij het achternagaan van “ander vlees”, wat betekent dat het volledig ingaat tegen de natuurlijke orde van God.

De door liberalen gepropageerde ongebonden, vrije leefwijze en de dwang tot volledige acceptatie van een homoseksuele leefwijze als ‘normale’ leefwijze, worden vergeleken met de praktijken van ‘Sodom en Gomorra en de steden daaromheen’. Wat God met die steden heeft gedaan, laat zien hoe Hij hierover oordeelt. Dit moet een waarschuwing zijn voor ieder die zo leeft of dat als normaal accepteert en mogelijk zich zelfs voor algemene acceptatie inzet. De “straf van eeuwig vuur” laat zien dat er aan Gods oordeel daarover nooit een einde komt. Alle afvalligen zullen door dit oordeel worden getroffen.

In de drie voorbeelden is niet een chronologische, maar een geestelijke volgorde aanwezig. De afvalligen zullen
1. net als de ongelovige Israëlieten de lichamelijke dood sterven,
2. vervolgens net als de engelen die hun oorsprong niet hebben bewaard in de duisternis bewaard worden tot het oordeel voor de grote, witte troon en
3. ten slotte net als Sodom en Gomorra en de steden daaromheen in het eeuwige vuur worden geworpen.

V88Evenzo inderdaad verontreinigen ook deze dromers [het] vlees en verwerpen [de] heerschappij en lasteren [de] heerlijkheden.. Na deze voorbeelden van afval en Gods oordeel daarover keert Judas terug naar zijn thema van de afvalligen van zijn tijd. Het hele gedachteleven van die mensen is onrein. Ze zijn “dromers” die leven in een fantasiewereld met smerige fantasieën. De vervulling van hun dromen vinden ze ten slotte in walgelijke seksuele zonden, net als de mannen van Sodom. Ze leven in opstand tegen God en verwerpen elke door Hem gegeven vorm van gezag. Tevens spreken ze lasterende taal over alles waaraan God een bepaalde eer, een bepaalde heerlijkheid, heeft gegeven en waarin daardoor iets van Hem te zien is.

V99De aartsengel Michaël echter durfde, toen hij met de duivel redeneerde en redetwistte over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uitbrengen, maar zei: Moge [de] Heer u bestraffen!. Deze mensen hebben de brutaliteit om dingen te zeggen die zelfs “de aartsengel Michaël” niet waagde te zeggen tegen “de duivel” toen hij met hem “redeneerde en redetwistte over het lichaam van Mozes”. Judas deelt hier een voorval mee dat je nergens in de Bijbel vindt. Deze informatie heeft hij door Gods Geest gekregen. We weten dat God Mozes in een dal in het land Moab heeft begraven en dat niemand zijn graf weet (Dt 34:66En Hij begroef hem in een dal in het land van Moab, tegenover Beth-Peor. En niemand weet [waar] zijn graf [is], tot op deze dag.). Het is niet onwaarschijnlijk dat de duivel op zoek was naar de plaats waar Mozes begraven lag, met de bedoeling het volk die plaats te laten weten om er een bedevaartsoord, dat is een afgodsplaats, voor het volk van te maken. Daarin stond Michaël hem tegen.

In de toekomst zal Michaël sterker blijken te zijn dan de duivel, want hij zal hem uit de hemel werpen (Op 12:7-97En er kwam oorlog in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, en de draak voerde oorlog en zijn engelen;8en hij was niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.9En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.). Michaël kent zijn tijd om tegen de duivel op te treden en grijpt daarop niet vooruit. Daarom neemt hij tegenover deze engelenvorst in het rijk van de duisternis geen “oordeel van lastering” in de mond. Het oordeel over de lastering door de duivel laat de aartsengel aan de Heer over. Kijk ook maar eens naar de houding van David tegenover Saul als Saul al door God is verworpen. Zolang Saul regeert, neemt David een onderdanige houding tegenover hem aan (1Sm 24:3-8,12-163Toen nam Saul drieduizend van de beste mannen uit heel Israël, en ging [op weg] om David en zijn mannen te zoeken bij de Steenbokrotsen.4Hij kwam bij de schaapskooien aan de weg, waar een grot was; Saul ging daarin om zijn behoefte te doen. Nu zaten David en zijn mannen aan de zijkanten in de grot.5Toen zeiden de mannen van David tegen hem: Zie de dag waarvan de HEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen. Toen stond David op en sneed stilletjes een punt van Sauls mantel af.6En het gebeurde daarna dat het hart van David in hem bonsde, omdat hij die punt van de [mantel] van Saul afgesneden had.7En hij zei tegen zijn mannen: Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik [ooit] zoiets zou doen bij mijn heer, bij de gezalfde van de HEERE, dat ik mijn hand tegen hem uit zou steken, want hij is de gezalfde van de HEERE.8En David weerhield zijn mannen met [deze] woorden, en hij liet hun niet toe tegen Saul op te staan. En Saul stond op en ging de grot uit, naar de weg.12Zie toch, mijn vader, ja zie, een punt van uw mantel in mijn hand! Toen ik namelijk die punt van uw mantel afsneed, heb ik u niet gedood. Erken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad of overtreding is, en dat ik tegen u niet gezondigd heb. Toch jaagt u op mijn leven om dat weg te nemen.13De HEERE zal rechtspreken tussen mij en u. De HEERE zal Zich vanwege mij op u wreken, maar mijn hand zal niet tegen u zijn.14Zoals het oude spreekwoord zegt: Uit de goddelozen komt goddeloosheid voort. Mijn hand zal echter niet tegen u zijn.15Achter wie is de koning van Israël aan getrokken? Achter wie jaagt u aan? Achter een dode hond, achter een enkele vlo?16De HEERE zal Rechter zijn en oordelen tussen mij en u. Hij zal toezien en het voor mij opnemen, en mij recht doen [en bevrijden] uit uw hand.; 26:3-113Saul sloeg zijn kamp op op de heuvel Hachila, die tegenover de wildernis aan de weg ligt; maar David bleef in de woestijn en zag dat Saul achter hem aan kwam naar de woestijn.4Toen stuurde David verkenners, en hij kwam met zekerheid te weten dat Saul gekomen was.5David stond op en kwam bij de plaats waar Saul zijn kamp had opgeslagen. En David overzag de plaats waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn legerbevelhebber. Saul lag in het wagenkamp en het volk was rondom hem gelegerd.6Toen nam David het woord en zei tegen Achimelech, de Hethiet, en tegen Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab: Wie gaat er met mij mee naar Saul in de legerplaats? Toen zei Abisai: Ik ga met u mee.7Zo kwamen David en Abisai ‘s nachts bij het volk; en zie, Saul lag te slapen in het wagenkamp, met zijn speer aan zijn hoofdeinde in de grond gestoken. Abner en het volk lagen rondom hem.8Toen zei Abisai tegen David: God heeft vandaag uw vijand in uw hand overgeleverd. Laat mij hem toch met [zijn] speer aan de grond spietsen, in één keer; ik hoef het geen tweede keer te doen.9David zei echter tegen Abisai: Breng hem niet om; want wie sloeg zijn hand aan de gezalfde van de HEERE en is onschuldig gebleven?10Verder zei David: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de HEERE zal hem treffen: óf zijn dag komt, dat hij sterft, óf hij wordt weggevaagd als hij ten strijde trekt.11Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik mijn hand sla aan de gezalfde van de HEERE. Neem echter wel de speer mee, die bij zijn hoofdeinde staat, en de waterkruik, en laten wij gaan.).

Het gevaar bestaat dat wij macht willen uitoefenen over hen die het werk van de duivel doen. Daarom moeten wij het Schriftwoord in gedachten houden: “Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden” (Rm 12:1919Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’.). We kunnen uit de houding van Michaël ook leren dat we niet moeten spotten met de duivel en menen dat we hem belachelijk kunnen maken door hem allerlei minachtende namen te geven, zoals wel eens gebeurt.

Lees nog eens Judas 1:4-9.

Verwerking: Waaraan kun je mensen herkennen die binnengeslopen zijn?


Kenmerken van goddeloosheid

10Maar dezen, alles wat zij niet kennen, lasteren zij, en in alles wat zij van nature weten, zoals de redeloze levende wezens, daarin verderven zij zich. 11Wee hun, omdat zij de weg van Kaïn gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn. 12Dezen zijn de vlekken in uw liefdemalen, als zij zonder vrees bij u brassen en zichzelf weiden; waterloze wolken, door winden voortgedreven, bomen in de late herfst zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld; 13wilde golven van [de] zee, die hun eigen schandelijkheden opschuimen; dwaalsterren, voor wie de donkerheid van de duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt. 14En ook Henoch, [de] zevende van Adam af, heeft van dezen geprofeteerd door te zeggen: Zie, [de] Heer is gekomen te midden van Zijn heilige tienduizenden, 15om oordeel uit te oefenen tegen allen en elke ziel te bestraffen om al hun werken van goddeloosheid die zij goddeloos bedreven hebben, en om alle harde [woorden] die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. 16Dezen zijn morrenden, klagers over hun lot die naar hun begeerten wandelen, en hun mond spreekt gezwollen taal en zij bewonderen personen ter wille van voordeel.

V1010Maar dezen, alles wat zij niet kennen, lasteren zij, en in alles wat zij van nature weten, zoals de redeloze levende wezens, daarin verderven zij zich.. Weer gebruikt Judas dat geringschattende “dezen”. In tegenstelling tot Michaël “lasteren” deze afvalligen doldriest en vol eigenzinnigheid “alles wat zij niet kennen”. Dat is arrogante hoogmoed ten voeten uit. Van nature is er bij hen een wetenschap aanwezig die ook bij “de redeloze levende wezens”, dat zijn de dieren, aanwezig is. Deze wetenschap betreft de natuurlijke instincten, behoeften die ze hebben als eten en drinken en seksualiteit. Dieren handelen naar hun natuur, hun instinct. Ze kunnen niet nadenken, want verstand hebben ze niet. Deze mensen handelen op dezelfde manier als de dieren. Maar juist omdat zij geacht worden te kunnen denken bij wat ze doen, terwijl ze toch dierlijk handelen tot bevrediging van hun lusten, verlagen zij zich en “verderven zij zich” in hun handelwijze. Met het onverstand van dieren geven zij zich aan seksuele bevrediging over.

V1111Wee hun, omdat zij de weg van Kaïn gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn.. Over hen wordt het “wee” uitgesproken, de enige keer dat we in de brieven een ‘wee’ horen uitspreken. Het is de taal van het boek van de eindoordelen, het boek Openbaring. Aan de hand van enkele oudtestamentische goddelozen beschrijft Judas de weg die naar dit ‘wee’ voert.

Zij zijn “de weg van Kaïn gegaan”. Ze zijn als Kaïn en gaan zijn weg, dat is de weg van een godsdienst die niet uitgaat van Gods gerechtigheid, maar van hun eigen gerechtigheid. Kaïn was de eerste die deze weg ging en deze weg is nog steeds ongekend populair. Hij geloofde in God, maar meende God op zijn eigen manier te kunnen eren, met zijn eigen ‘goede werken’ (Gn 4:3-83En het gebeurde na verloop van dagen dat Kaïn van de opbrengst van de aardbodem aan de HEERE een offer bracht.4Ook Abel bracht [een offer], van de eerstgeborenen van zijn kleinvee en van hun vet. De HEERE nu sloeg acht op Abel en op zijn offer,5maar op Kaïn en op zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen ontstak Kaïn in grote [woede] en liet hij zijn hoofd zakken.6En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken?7Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.8En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel en hem doodde.). Daar moest God maar mee tevreden zijn. Hij peinsde er niet over om met een bloedig offer te komen. Dat had God Zelf na de zondeval laten zien (Gn 3:2121En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen [daarmee].) en was door Abel begrepen (Gn 4:44Ook Abel bracht [een offer], van de eerstgeborenen van zijn kleinvee en van hun vet. De HEERE nu sloeg acht op Abel en op zijn offer,). Deze houding van Kaïn, God dienen met goede werken, een houding die bij de heidenen normaal is, is in de christenheid binnengedrongen en vindt bij tallozen navolging.

De volgende stap is “de dwaling van Bileam” (Nm 22:77Toen gingen de oudsten van Moab en de oudsten van Midian op weg, en zij hadden het waarzeggers[loon] in hun hand. En zij kwamen bij Bileam en spraken tot hem de woorden van Balak.; 31:1616Zie, zíj waren door de raad van Bileam voor de Israëlieten de aanleiding tot trouwbreuk tegen de HEERE, in het geval van Peor, waardoor de plaag kwam onder de gemeenschap van de HEERE.). Dat staat voor het zichzelf verrijken in de dienst van God. Bileam noemde zichzelf een profeet van God, maar hij was hebzuchtig en wilde zijn profetische gave voor geld verkopen, wat inhield dat hij voor geld bereid was Gods volk te vervloeken.

Zoals Bileam zijn ook de dwaalleraren van vandaag heel goed in het gebruik van de tong en spreken ze voor geld wat het volk wil horen. Ze manipuleren de waarheid voor geldelijk gewin. Zo maken ze van het huis van God een huis van koophandel. Het goede dat van God komt tot koopwaar maken wordt in de christenheid veelvuldig gevonden, in het bijzonder in de roomse kerk waar alle zogenaamde weldaden vanaf de geboorte tot het sterven geld kosten. Zelfs de situatie na de dood wordt een bron van gewin, want men wordt in staat gesteld de tijd in het verzinsel ‘vagevuur’ te verkorten met een tijdsduur die afhankelijk is van het bedrag dat wordt betaald.

De derde en laatste stap in de afval is de regelrechte opstand tegen God, zoals dat “in de tegenspreking van Korach” te zien is (Nm 16:19-3519Korach liet heel zijn aanhang vanwege hen bijeenkomen, bij de ingang van de tent van ontmoeting. Toen verscheen de heerlijkheid van de HEERE aan heel de gemeenschap.20En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron:21Zonder u af uit het midden van deze gemeenschap, [want] Ik zal hen in een ogenblik vernietigen!22Maar zij wierpen zich met hun gezicht [ter aarde] en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! Als één man zondigt, zult U dan zeer toornig worden op heel de gemeenschap?23En de HEERE sprak tot Mozes:24Spreek tot de gemeenschap en zeg: Trek u terug van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram.25Toen stond Mozes op en hij ging naar Dathan en Abiram, en de oudsten van Israël gingen achter hem aan.26En hij sprak tot de gemeenschap: Ga toch bij de tenten van deze goddeloze mannen vandaan, raak niets aan van alles wat van hen is, anders zult u door al hun zonden weggevaagd worden.27En zij trokken zich terug van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram, maar Dathan en Abiram kwamen naar buiten en bleven [bij] de ingang van hun tenten staan, met hun vrouwen, en hun zonen en hun kleine kinderen.28Toen zei Mozes: Hierdoor zult u weten dat de HEERE mij gezonden heeft om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn [eigen] hart voortgekomen zijn.29Als dezen zullen sterven zoals elk mens sterft, en hun vergolden zal worden zoals elk mens vergolden wordt, [dan] heeft de HEERE mij niet gezonden.30Maar als de HEERE iets nieuws zal scheppen, zodat de aardbodem zijn mond zal opensperren, en hen en alles wat van hen is, zal verzwelgen en zij levend naar het graf zullen afdalen, dan zult u weten dat deze mannen de HEERE verworpen hebben.31En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd.32De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.33En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente.34En heel Israël dat rondom hen stond, vluchtte weg voor hun gejammer, want zij zeiden: Als de aarde ons ook maar niet verzwelgt!35En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.). Korach verwierp Gods verkiezing van het priesterschap en daarmee Gods gezag. Hij wilde zelf het priesterambt hebben en de plaats van middelaar innemen, waardoor hij heerschappij over Gods volk zou kunnen uitoefenen. Ook dat zien we in het rooms-katholicisme ten voeten uit. Gods oordeel werd over hem en zijn medestanders voltrokken. Ze zijn levend in het dodenrijk neergedaald.

Deze drie personen hebben allen gemeenschappelijk dat ze zich iets aanmatigden wat ze niet waren. In Kaïn zien we een valse aanbidder, in Bileam een valse profeet en in Korach een valse priester. De afval van ieder van hen had met godsdienst te doen. Ook hier is de volgorde niet chronologisch maar geestelijk: Kaïn ging, Bileam gaf zich over en Korach kwam om. Het is een tekening van een geestelijke neergang en het einde van de mensen die het betreft.

V1212Dezen zijn de vlekken in uw liefdemalen, als zij zonder vrees bij u brassen en zichzelf weiden; waterloze wolken, door winden voortgedreven, bomen in de late herfst zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld;. Het is alsof Judas zich uitput in het zoeken naar voorbeelden om je maar duidelijk te maken wat voor soort lieden deze afvalligen zijn. Om het karakter en lot van die afvalligen nog duidelijker voor te stellen gebruikt hij in de verzen 12-1312Dezen zijn de vlekken in uw liefdemalen, als zij zonder vrees bij u brassen en zichzelf weiden; waterloze wolken, door winden voortgedreven, bomen in de late herfst zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld;13wilde golven van [de] zee, die hun eigen schandelijkheden opschuimen; dwaalsterren, voor wie de donkerheid van de duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt. enkele voorbeelden uit de natuur.

Het eerste voorbeeld is dat van “vlekken”. ‘Vlekken’ zijn letterlijk ‘klippen’, dat zijn onder water staande rotsen waarop boten dreigen schipbreuk te lijden als de stuurman ze niet in de gaten heeft. Hij noemt de afvalligen “vlekken in uw liefdemalen”. ‘Liefdemalen’ zijn de liefdemaaltijden die de eerste christenen koppelden aan het avondmaal (1Ko 11:2020Wanneer u nu op één plaats samenkomt, is dat niet ‘s Heren avondmaal eten;).

Bij deze afvalligen is echter niets van christelijke liefde en gemeenschap te zien. Tijdens de liefdemalen denken ze alleen aan zichzelf. Ze “brassen”, zonder enige vrees dat ze voor onfatsoenlijk of hebberig zouden worden aangezien. Onbeschoft zijn ze zichzelf aan het weiden en daarmee het uitgesproken tegendeel van de Heer Die op het welzijn van de schapen uit is. Over hen wordt in Ezechiël 34, een hoofdstuk dat over valse herders gaat, het ‘wee’ uitgesproken (Ez 34:22Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?).

Mogelijk hebben deze mensen, onder het genot van al dat lekkers, met mooie woorden stichtelijke gedachten uitgesproken. Ze hebben een wervelende show laten zien, maar het bleek niets anders dan de schittering van zeepbellen te zijn. Het beloofde een verkwikking te zijn zoals wolken waaruit water wordt verwacht (het volgende voorbeeld uit de natuur), maar zij zijn “waterloze wolken”. Ze vormen een groot contrast met Mozes die als zijn verlangen met betrekking tot zijn woorden tot Gods volk het volgende uitspreekt: “Laat mijn leer neerdruppelen als een regen, laten mijn woorden stromen als de dauw” (Dt 32:22Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.
; vgl. Js 55:1010Want zoals regen of sneeuw
neerdaalt van de hemel
en daarheen niet terugkeert,
maar de aarde doorvochtigt
en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen,
zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter,
)
.

Er is geen houvast aan wat ze zeggen, want ze worden als “door winden voortgedreven”. Steeds gedragen ze zich onbestendig en zeggen telkens weer andere dingen, waar je geen touw aan kunt vastknopen. Ze laten slechts ontnuchtering en hopeloosheid achter. Wat een verschil met wat Paulus voor de gelovigen wenst: “Niet meer … heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door [hun] sluwheid om door listen te doen dwalen, maar … de waarheid vasthouden in liefde” (Ef 4:14-1514opdat wij niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door [hun] sluwheid om door listen te doen dwalen,15maar terwijl wij de waarheid vasthouden in liefde, in alles opgroeien tot Hem Die het hoofd is, Christus,; Hb 13:99Laat u niet meeslepen door allerlei en vreemde leringen; want het is goed dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, waarvan zij die daarin wandelden, geen nut hadden.).

Ze zijn als “bomen in de late herfst zonder vrucht”, dat wil zeggen bomen waaruit het leven weg is en waar dus ook geen vrucht van te verwachten is. Ze zijn “tweemaal gestorven”. In de eerste plaats zijn ze “dood … in … overtredingen en zonden” (Ef 2:11En u [heeft God opgewekt], toen u dood was in uw overtredingen en zonden,) en in de tweede plaats zijn ze dood in hun belijdenis, want daarin ontbreekt elk leven.

Ze zijn dood tot in de wortel, er is geen enkele verbinding met het leven, dat er ook nooit kan komen, afgesneden als ze zijn van de wortel. Ze zijn “ontworteld”. Zo blijft de beloofde vrucht uit, zoals ook het beloofde water uit de wolken uitblijft. Zulke bomen moeten worden omgekapt (Lk 13:99en als hij dan in de toekomst vrucht voortbrengt …, maar zo niet, hak hem om.). Deze mensen zijn gelijk aan ontwortelde bomen, wat wil zeggen dat ze zijn weggenomen van de plaats die ze beleden in te nemen. Alles wat ontwortelde bomen wacht, is het vuur.

V1313wilde golven van [de] zee, die hun eigen schandelijkheden opschuimen; dwaalsterren, voor wie de donkerheid van de duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt.. Een volgend voorbeeld dat Judas gebruikt, is dat van de zee. Hij vergelijkt deze mensen met “wilde golven van [de] zee”. Er is volkomen onbeheersbaarheid bij hen, als bij een woedende zee (vgl. Js 57:2020Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee,
want die kan niet tot rust komen,
en zijn water woelt modder en slijk op.
)
. Als je wel eens aan zee bent geweest terwijl het stormde, heb je misschien wel gezien hoe er op de golven schuimkoppen ontstaan door de wind. Die schuimkoppen worden door de wind op het strand geblazen. Het schuim vliegt alle kanten op en er blijft niets van over.

Zo gaat het met deze mensen en hun leringen. Ondanks alle lawaai dat ze veroorzaken, vertonen ze niets anders dan hun eigen schandelijkheden die op de toppen van de golven zichtbaar zijn en op het strand worden geblazen. Het wit op de golven lijkt op reinheid te wijzen, maar het is de witheid van het gepleisterde graf (Mt 23:2727Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u lijkt op witgepleisterde graven, die van buiten wel fraai schijnen, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn.). Er blijft niets van over, ze laten niets na wat enige waarde heeft.

In hun hele optreden willen ze ook nog de indruk geven dat je hun leven als voorbeeld kunt nemen om je richting te bepalen, maar ze zijn “dwaalsterren”. Ze komen terecht waarin ze leven en dat is “in de donkerheid van de duisternis” en dat “tot in eeuwigheid”. Nooit zullen ze daar meer iemand kunnen misleiden en nooit zullen ze zich meer aan iets te goed kunnen doen.

V1414En ook Henoch, [de] zevende van Adam af, heeft van dezen geprofeteerd door te zeggen: Zie, [de] Heer is gekomen te midden van Zijn heilige tienduizenden,. Over hen is al van de vroegste tijden af geprofeteerd dat zij zullen worden geoordeeld. Als bewijs daarvoor haalt Judas Henoch aan. Om deze Henoch niet te verwarren met een andere, namelijk de man met dezelfde naam die een nakomeling van Kaïn is (Gn 4:17-1817En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch. [Kaïn] was een stad aan het bouwen, en hij noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch.18En bij Henoch werd Hirad geboren; en Hirad verwekte Mechujaël; en Mechujaël verwekte Methusaël; en Methusaël verwekte Lamech.), wordt van hem gezegd dat hij de “zevende van Adam af” is. Hij heeft “geprofeteerd” van de komst van de Heer Jezus om het oordeel over de goddeloze afvalligen te brengen.

Deze profetie van Henoch hebben we alleen in deze brief. In het Oude Testament lezen we daar niet van. Gods Geest heeft Judas ook dit geopenbaard (net als wat in vers 99De aartsengel Michaël echter durfde, toen hij met de duivel redeneerde en redetwistte over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uitbrengen, maar zei: Moge [de] Heer u bestraffen! staat). Henoch heeft in zijn dagen geprofeteerd over de komst van Christus ten oordeel, waarbij Hij vergezeld zal zijn van “Zijn heilige tienduizenden”, dat zijn al de verlosten van alle tijden. Dit oordeel heeft in de zondvloed een voorvervulling gekregen.

Het is mooi om eraan te denken dat Henoch zelf, voordat de zondvloed kwam, is weggenomen door God, zonder de dood te zien (Hb 11:55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.). Daarmee is hij een beeld van de gemeente die ook zal worden opgenomen in de hemel, voordat de oordelen over de aarde losbarsten. De gelovigen komen niet in het oordeel (Jh 5:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in [het] oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven.).

V1515om oordeel uit te oefenen tegen allen en elke ziel te bestraffen om al hun werken van goddeloosheid die zij goddeloos bedreven hebben, en om alle harde [woorden] die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.. Het oordeel komt over alle ongelovigen. Christus zal zowel alle werken als alle woorden van de goddeloze zondaars oordelen. Zie je hoe de Heilige Geest het karakter van goddeloosheid benadrukt? De mensen zijn goddeloos, evenals hun werken en werkwijze, en evenals de harde woorden die zij “tegen Hem gesproken hebben”. Iedere ziel zal persoonlijk daarvoor door Hem worden gestraft. Omdat het oordeel niet direct op de daad volgt, lijkt het alsof God vergeet te straffen en blijft de mens maar kwaad doen (Pr 8:1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.). Maar de dag van de afrekening komt.

V1616Dezen zijn morrenden, klagers over hun lot die naar hun begeerten wandelen, en hun mond spreekt gezwollen taal en zij bewonderen personen ter wille van voordeel.. Hun goddeloze woorden zijn in morrende taal geuit. Ze zijn ontevreden, altijd willen ze meer of anders hebben, ze klagen over hun lot. Steeds leggen ze de schuld bij God. Waarom laat Hij oorlogen en ellende toe? Als Hij zo almachtig is, waarom verandert Hij de wereld dan niet?

Het zijn mensen “die naar hun begeerten wandelen”. Ze zijn altijd uit op de bevrediging van hun hartstochten. Ze spreken “gezwollen taal”, dat is arrogante, opgeklopte taal, hooghartig en huichelachtig uitgesproken. Ze geven voor meer te zijn dan ze zijn. Ze kruipen voor personen die boven hen staan en vleien hen puur uit egoïsme, om er beter van te worden. Intussen volgen ze hun eigen verborgen agenda, want ze malen niet om anderen. Slechts het eigen ‘ik’ is belangrijk.

Lees nog eens Judas 1:10-16.

Verwerking: Welke voorbeelden van goddeloosheid stelt Judas in deze verzen voor?


Vermaningen en bemoedigingen

17Maar u, geliefden, denkt terug aan de woorden die tevoren zijn gesproken door de apostelen van onze Heer Jezus Christus, 18dat zij u zeiden dat er in [het] laatst van <de> tijd spotters zouden zijn, die naar hun eigen goddeloze begeerten wandelen. 19Dezen zijn het die [zich] afscheiden, natuurlijke [mensen] die [de] Geest niet hebben. 20Maar u, geliefden, terwijl u zichzelf opbouwt op uw allerheiligst geloof en bidt in [de] Heilige Geest, 21bewaart uzelf in [de] liefde van God en verwacht de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus tot [het] eeuwige leven. 22En hebt medelijden met sommigen die twijfelen, 23redt anderen door [hen] uit [het] vuur te rukken, hebt medelijden met anderen in vrees, en haat zelfs het kleed dat door het vlees bevlekt is. 24Hem nu Die machtig is u te bewaren zonder dat u struikelt en u onberispelijk voor Zijn heerlijkheid te stellen met vreugdegejuich, 25[de] enige God onze Heiland, door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, vóór alle eeuwen, én nu, én tot in alle eeuwigheid! Amen.

V17. Judas heeft uitvoerig de kenmerken van de afvallige goddelozen beschreven. Met de woorden “maar u” richt hij zich weer tot de gelovigen. Evenals hij in vers 33Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd. heeft gedaan, spreekt hij hen weer met “geliefden” aan. Hij zegt hun dat het hen niet zou hoeven te verbazen dat er zulke mensen, als hij hiervoor heeft beschreven, onder hen zijn. Ze hoeven zich maar te herinneren wat “de apostelen van onze Heer Jezus Christus” hebben gezegd. Als ze dat ter harte nemen, zullen ze ervoor bewaard blijven zich met deze lieden in te laten of zich door hun spotternijen en goddeloze begeerten te laten beïnvloeden.

Je ziet dat Judas je verwijst naar de geïnspireerde Schriften, waarin opgetekend staat wat de apostelen hebben gezegd. Terug naar de Schrift en niet naar menselijke geschriften, hoe bijbelgetrouw die misschien ook zijn. In Handelingen 20 vind je waarschuwingen uit de mond van Paulus over het optreden van mensen voor wie Judas hier waarschuwt (Hd 20:29-3029Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.). Ook Petrus en Johannes schrijven over zulke lieden (2Pt 2:11Er waren echter ook valse profeten onder het volk, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die verderfelijke sekten heimelijk zullen invoeren en de Meester Die hen gekocht heeft, zullen verloochenen en een spoedig verderf over zichzelf brengen.; 3:33Weet dit eerst, dat er in [het] laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen; 1Jh 2:18-1918Kinderen, het is [het] laatste uur; en zoals u hebt gehoord dat [de] antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het [het] laatste uur is.19Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren niet van ons; want als zij van ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn; maar zij moesten openbaar worden dat zij geen van allen van ons zijn.).

V18. Hun waarschuwende woorden komen erop neer “dat er in [het] laatst van de tijd spotters zouden zijn”. Die tijd is begonnen toen de Heer Jezus op aarde kwam en verworpen werd en zal duren tot Zijn wederkomst. Deze hele tijd wordt gekenmerkt – niet door een onderwerping van de wereld aan het evangelie, maar – door het optreden van spotters die doen waar ze zelf zin in hebben en die zich aan God niets gelegen laten liggen. Hun hele leven staat in het teken van de bevrediging “van hun eigen goddeloze begeerten”.

V19. De mensen over wie Judas spreekt, zijn onverbeterlijk. Omdat ze geen deel hebben aan wat de gelovigen bindt, vormen ze een eigen groep te midden van de gemeente. Ze zonderen zich af als de farizeeën en vormen een partij in de gemeente om daar hun boos werk uit te voeren. Ze voelen zich verheven boven de anderen die in hun ogen bekrompen en kleinzielig zijn en op wie zij minachtend neerkijken.

Het zijn “natuurlijke mensen”, dat wil zeggen mensen die door hun ziel, hun gevoelens, worden geleid en niet, zoals God het had bedoeld, door hun geest in verbinding met Hem. Ze hebben geen nieuw leven, maar zijn en blijven natuurlijke mensen die leven naar hun lusten. Elk spoor van leven uit God ontbreekt. Ze zijn niet wedergeboren en daarom zijn het mensen “die [de] Geest niet hebben”. Wat ze ook mogen beweren met het oog op hun christen zijn, hun toestand is onmogelijk het werk van Gods Geest.

Hiermee eindigen de verzen die over de afval en de afvalligen handelen en waarin geen enkele lichtstraal van hoop op verbetering aanwezig is. Het oordeel zal in volle hevigheid over hen losbarsten bij de komst van de Heer Jezus met al de Zijnen.

V20. Vanaf vers 20 geeft Judas een aantal bemoedigingen door. In de verzen 20-23 doet hij dat in de vorm van vermaningen en in de verzen 24-25 in de vorm van een lofprijzing. De vermaningen zijn zeven in getal, waarvan er vier op jou persoonlijk betrekking hebben en drie op je verhouding tot anderen.

De vermaningen worden opnieuw ingeleid met de woorden “maar u, geliefden”. Het markeert weer de tegenstelling met de categorie mensen van de vorige verzen. Dan komen de vermaningen:

1. V20a. Er moet niet alleen voor het geloof gestreden worden (vers 33Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.), je moet ook op je “allerheiligst geloof” worden opgebouwd. Daar moet je zelf voor zorgen. Dat doe je door je met Gods Woord bezig te houden om de geloofswaarheid beter te leren kennen. De geloofswaarheid is het fundament waarop je met hart en ziel rust. De gezonde leer die door je hart wordt opgenomen, is voor je geestelijk welzijn onmisbaar. Het is een zaak van je hart.

2. V20b. Naast de noodzaak van de opbouw in het geloof is er ook de noodzaak van het gebed “in (en niet ‘tot’!) [de] Heilige Geest”. Voor hen die de Geest niet hebben, is dit onmogelijk. Maar het is ook niet altijd de manier van bidden van iedere gelovige. Een gelovige kan formeel bidden, volgens een standaardpatroon, of een gebed waarin het eigen ‘ik’ centraal staat (Jk 4:33U bidt en ontvangt niet, omdat u verkeerd bidt, om het in uw hartstochten te verkwisten.). Zulke gebeden bezitten geen kracht. Een gebed “in [de] Heilige Geest” is een gebed in de kracht van de Heilige Geest, waarin Hij samen met de geest van de gelovige aan God vraagt wat tot nut van Gods werk en tot verheerlijking van de Heer Jezus is.

3. V21a. Bij de opbouw van jezelf op het allerheiligst geloof en het gebed in de Heilige Geest moet je nog voegen het jezelf bewaren “in [de] liefde van God”. Hierin ligt de opdracht om je bewust te blijven van Gods liefde. De liefde van God is de atmosfeer waarin je je bevindt. Het is jouw verantwoordelijkheid je dat bewust te zijn. Het is leven in de bewuste zekerheid dat niets je kan scheiden van de liefde van God (Rm 8:3939noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.).

Het is als met het schijnen van de zon. De zon schijnt altijd, maar er kan iets tussen jou en de zon komen, waardoor je niet meer in de zon staat en de warmte ervan niet voelt. Als er zonde en ongeloof bij je zijn, sluit je je af voor de stralen van Gods liefde voor jou. Zijn liefde is er wel, maar je kunt er op dat moment niet van genieten. Je hebt jezelf ervoor afgesloten. Niet alleen zonden hebben dat effect. Ook moeilijkheden in je leven kunnen je zo in beslag nemen, dat je de liefde van God vergeet. Het gaat erom dat je niet toelaat dat iets zich plaatst tussen jou en het besef van Gods liefde voor jou.

4. V21b. Als vierde en laatste vermaning met het oog op jezelf zegt Judas dat je “de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus tot [het] eeuwige leven” moet verwachten. Het gaat hier om de tweede komst van Christus. Zijn eerste komst was ook een uiting van Gods barmhartigheid (Lk 1:72,7872om barmhartigheid te doen aan onze vaderen en te gedenken aan Zijn heilig verbond,78door [de] innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee [de] Opgang uit [de] hoogte ons zal bezoeken,). Nu Hij in het laatst van de tijd op het punt staat voor de tweede keer te komen, wordt je blik daarop gericht. Als Hij komt, kunnen de afvalligen geen onheil meer aanrichten. Hij neemt je dan weg uit de omstandigheden van ellende tot Zich om bij Hem het eeuwige leven in zijn volheid te genieten.

V22. Nu komen nog drie vermaningen met het oog op anderen. Als je de vorige vier vermaningen ter harte neemt, zul je ernaar verlangen anderen te helpen die mogelijk in de strik van de binnengeslopen personen zijn gelopen of al min of meer door hen zijn beïnvloed.

De vertalingen van deze verzen zijn trouwens nogal verschillend. Als je over meerdere vertalingen beschikt, moet je ze maar eens vergelijken. Ik ga in mijn verklaring uit van de vertaling die mij het meest overtuigend lijkt.

5. De eerste categorie betreft de twijfelaars. Zij moeten worden ‘terechtgewezen’ (wat een betere vertaling lijkt dan ‘medelijden hebben met’) omdat zij van hun twijfels strijdpunten maken. Je moet hen uit hun twijfels en discussies halen door hen te overtuigen van de vaste grondslag van Gods waarheid.

6. V23a. “Anderen” zijn al wat meer onder de invloed van de binnengeslopen mensen gekomen. Je ziet dat ze de verkeerde weg opgaan, de weg naar het vuur. Denk aan de evolutietheorie, een vergif dat vanwege fraai klinkende zogenaamd wetenschappelijke argumenten door talloze argeloze jongeren wordt ingedronken. Ook bijbelkritiek valt daaronder. Daar is niet alleen terechtwijzing op zijn plaats, maar deze ‘anderen’ moeten met kracht uit de klauwen van deze lieden worden gerukt. Het krachtig gebed van een rechtvaardige is noodzakelijk om hen van hun dwaalweg te redden (Jk 5:16b-2016Belijd dus elkaar de zonden en bidt voor elkaar, opdat u gezond wordt. Een krachtig gebed van een rechtvaardige vermag veel.17Elia was een man van gelijke natuur als wij, en hij bad een gebed dat het niet zou regenen, en het regende drie jaar en zes maanden niet op aarde.18En hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort.19Mijn broeders, als iemand onder u van de waarheid afdwaalt en iemand brengt hem terug,20laat hij dan weten dat wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, <zijn> ziel van [de] dood redden en een menigte van zonden bedekken zal.).

7. V23b. De derde groep is het verst gegaan. Als je een taak hebt ten opzichte van hen, zul je die moeten verrichten “in vrees”, dat is met vrees voor jezelf dat je niet door hen zult worden meegesleept. Je moet er zeer voor oppassen dat je je op geen enkele manier met hun onreinheid verbindt, zelfs niet met dat wat de uiterlijke schijn (voorgesteld door “het kleed dat door het vlees bevlekt is”) ervan heeft. In je pogingen hen te helpen loop je het gevaar dat je in verzoeking wordt gebracht om mee te doen met hun zondige manier van leven in plaats van afstand te bewaren.

Elke verbinding met het zondige leven moet worden weggedaan, al gaat het om dingen die op zichzelf niet zondig zijn. Je kunt bijvoorbeeld denken aan spullen die een ander op een zondige manier in bezit heeft gekregen, waardoor hij zijn zondige leven aangenaam maakte. Zo kreeg ik eens van iemand die zich wilde reinigen van zijn zonden uit dankbaarheid voor mijn hulp een apparaat voor mijn computer. Na een poosje bleek dat hij dit ding had gekocht met geleend geld. Hij had bij diverse instanties een forse schuld opgebouwd om zich een luxe levensstijl te permitteren. Hij had mij dat ding zonder enige bijbedoeling gegeven, maar het was een ‘kleed dat door het vlees bevlekt’ was. Dat voelde hij zelf niet aan, toen hij het me gaf. Ik heb hem dit apparaat teruggeven en gezegd dat hij het zelf moest verkopen om zijn schuld te verminderen.

V24. Als je alles wat Judas heeft gezegd op je laat inwerken, kan zich een gevoel van machteloosheid van je meester maken. Wat is het dan geweldig mooi dat hij zijn brief besluit met je oog te richten op Hem “Die machtig is u te bewaren zonder dat u struikelt”. Hij bewaart je niet alleen onderweg voor struikelen, maar het is Zijn doel jou “onberispelijk voor Zijn heerlijkheid te stellen” en dat “met vreugdegejuich”. Dat doel zal worden bereikt en de vreugde zal door niets worden verstoord.

V25. God bewaart ons en maakt ons volkomen, omdat Hij “God onze Heiland” is. Hij is dat “door Jezus Christus”, zoals Hij alles door Zijn Zoon doet. Jezus Christus is ook “onze Heer”. Hij heeft alle gezag. Als je daaraan denkt en het tot je laat doordringen, zul je Hem daarvoor verheerlijken. In deze gevaarlijke tijd is er toch altijd aanleiding om God te verheerlijken, of misschien wel juist vanwege die omstandigheden. Je zult Hem alles toewensen wat Judas hier noemt:

1. “heerlijkheid”, dat is alle voortreffelijkheid die van Hem zichtbaar is,
2. “majesteit”, dat is Zijn waardigheid en pracht boven alles,
3. “kracht”, dat is Zijn almacht, alle middelen die Hij heeft, alles wat Hem ter beschikking staat om al Zijn plannen uit te voeren en
4. “macht”, dat is Zijn persoonlijk recht en de innerlijke bekwaamheid om dat te doen.

Dit alles wordt Hem “vóór alle eeuwen” en ook door de tijden heen, zowel “nu” als “tot in alle eeuwigheid”, door al de Zijnen toegewenst.

Daarmee stemmen jij en ik van harte in en zeggen met Judas: “Amen”, zo is het, en niet anders.

Lees nog eens Judas 1:17-25.

Verwerking: Welke vermaningen en bemoedigingen vind je in dit gedeelte?