Zefanja
1 Inleiding 2-3 Aankondiging van een algemeen oordeel 4-6 Het oordeel over Juda en Jeruzalem 7 Wees stil! 8-9 De straf van de HEERE 10 Hulpgeroep, gejammer, noodgeschrei 11 Het volk van kooplieden is omgebracht 12 De HEERE doorzoekt Jeruzalem met lampen 13 God laat zien dat Hij er is 14-16 De grote dag van de HEERE 17 De reden voor het oordeel 18 Het vuur van Gods na-ijver
Inleiding

1Het woord van de HEERE dat gekomen is tot Zefanja, de zoon van Cusji, de zoon van Gedalia, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia, in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda.

Buiten wat we in dit vers hebben, is er niets van de profeet met zekerheid bekend. Zefanja betekent ‘Jahweh verbergt of bewaart’ of ‘hij die Jahweh verbergt’. Zijn voorgeslacht wordt tot vier generaties terug gegeven, tot op zijn betovergrootvader Hizkia. Dit is opmerkelijk. Iets dergelijks vinden we bij geen andere profeet.

Bij de meeste andere profeten wordt alleen de vader genoemd. Alleen bij Zacharia wordt ook nog de grootvader genoemd. Deze uitvoerige vermelding van zijn voorgeslacht wijst erop dat hij een man van aanzien is geweest en misschien wel de achter achterkleinzoon van de Godvrezende koning Hizkia en dus van koninklijken bloede.

Hij profeteert ongeveer een halve eeuw na Nahum, tijdens de regering van koning Josia over Juda (ca. 640-609 v.Chr.). De tien stammen zijn dan ongeveer tachtig jaar geleden door de Assyriërs weggevoerd. Onder Josia heeft een grote hervorming in Juda plaatsgevonden. Helaas heeft die op de hartsgesteldheid van het volk geen effect gehad. Het volk heeft zich niet tot de HEERE bekeerd. Zefanja rept ook niet van de hervorming van Josia, maar spreekt tot een volk dat in opstand tegen de HEERE leeft.


Aankondiging van een algemeen oordeel

2Ik zal alles volkomen wegvagen
van de aardbodem, spreekt de HEERE.
3Ik zal mens en dier wegvagen,
Ik zal de vogels in de lucht en de vissen in de zee wegvagen
en de struikelblokken, [samen] met de goddelozen;
ja, Ik zal de mensen uitroeien
van de aardbodem, spreekt de HEERE.

Er wordt een verwoesting aangekondigd over “alles” (vers 22Ik zal alles volkomen wegvagen
van de aardbodem, spreekt de HEERE.
)
. Dat de HEERE alles volkomen zal wegvagen “van de aardbodem”, herinnert aan wat Hij bij de zondvloed heeft gezegd en gedaan (Gn 6:77En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.). Het houdt een algemeen oordeel in, waarbij soms het oordeel over een bepaald gebied meer speciaal wordt genoemd.

Zefanja beschrijft wie door het oordeel worden weggevaagd (vers 33Ik zal mens en dier wegvagen,
Ik zal de vogels in de lucht en de vissen in de zee wegvagen
en de struikelblokken, [samen] met de goddelozen;
ja, Ik zal de mensen uitroeien
van de aardbodem, spreekt de HEERE.
)
. Hij doet dat paarsgewijs, wat we kunnen opmaken aan het twee keer toegevoegde woord “wegvagen”. Mens en dier – geschapen op de zesde scheppingsdag – en vogels en vissen – geschapen op de vijfde scheppingsdag – worden weggevaagd. De dieren liggen onder de vloek vanwege de zonde van de mens (Rm 8:2020Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),). Hetzelfde lot ondergaan “de struikelblokken”, dat zijn de afgoden, en “de goddelozen”, dat zijn de afgodendienaars. Ook zij worden weggevaagd.

De zondvloed is een voorafschaduwing van het wereldwijde oordeel in de eindtijd. De Heer Jezus zegt dat het in de eindtijd zal zijn als in de tijd van Noach (Lk 17:24-2724Want zoals de bliksem bliksemt, die van het [ene einde] onder de hemel tot het [andere einde] onder [de] hemel weerlicht, zo zal de Zoon des mensen zijn <in Zijn dag>.25Eerst echter moet Hij veel lijden en verworpen worden door dit geslacht.26En zoals het is gebeurd in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen:27zij aten, zij dronken, zij trouwden, zij huwelijkten uit, tot op de dag dat Noach in de ark ging en de zondvloed kwam en hen allen verdelgde.). De mensen dachten in de dagen van Noach dat het allemaal zo zou blijven als het altijd was. Dat denken de mensen vandaag ook. Maar plotseling wordt de kringloop van het dagelijkse gebeuren doorbroken door de komst van de dag van de HEERE.


Het oordeel over Juda en Jeruzalem

4Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda
en tegen alle inwoners van Jeruzalem.
Ik zal van deze plaats uitroeien het overblijfsel van de Baäl,
de naam van de afgodspriesters, met de priesters,
5en hen die zich neerbuigen op de daken
voor het leger aan de hemel,
en hen die zich neerbuigen en zweren bij de HEERE
én zweren bij Malcam,
6en die zich van de HEERE afkeren, bij [Hem] vandaan,
en die de HEERE niet hebben gezocht
en niet naar Hem hebben gevraagd.

Na de aankondiging van het algemene oordeel versmalt de profeet het gebied van zijn boodschap en kondigt het speciale oordeel over Juda en Jeruzalem aan (vers 44Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda
en tegen alle inwoners van Jeruzalem.
Ik zal van deze plaats uitroeien het overblijfsel van de Baäl,
de naam van de afgodspriesters, met de priesters,
)
. God strekt Zijn hand in oordeel tegen hen uit (vgl. Js 5:2525Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
; 9:12,17,2112Want het volk bekeert zich niet tot Hem Die het slaat,
en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet.
17Want de goddeloosheid brandt als vuur,
verteert dorens en distels,
steekt het struikgewas in het woud aan,
en ze gaan op in een wolk van rook.
)
. Zij zijn de ontvangers van de speciale openbaring van God geweest; nu zullen ze de ontvangers van Zijn speciale oordeel worden. Dat oordeel zal God op korte termijn uitvoeren door de Babyloniërs.

Josia heeft tijdens zijn regering veel van de Baälsdienst uitgeroeid (2Kr 34:44En men brak voor zijn [ogen] de altaren van de Baäls af. Hij brak de wierookaltaren, die er bovenop stonden, stuk. Ook de gewijde palen en de gesneden en gegoten beelden brak hij in stukken en hij verpulverde [ze], en hij strooide [het stof] op de graven van hen die daaraan geofferd hadden.), maar niet alles. God kan er niets van tolereren bij Zijn volk. Wat er nog van over is, roept om Zijn oordeel en uitroeiing. Baäl betekent ‘heer’. De “afgodspriesters” worden niet alleen als personen uitgeroeid, maar zelfs hun naam wordt uitgewist. God delgt zelfs de gedachtenis aan hen uit. De “priesters” hier zijn die van de HEERE, maar dan wel priesters die zich niet om de eer van de HEERE bekommeren.

In de verzen 5-65en hen die zich neerbuigen op de daken
voor het leger aan de hemel,
en hen die zich neerbuigen en zweren bij de HEERE
én zweren bij Malcam,
6en die zich van de HEERE afkeren, bij [Hem] vandaan,
en die de HEERE niet hebben gezocht
en niet naar Hem hebben gevraagd.
worden enkele afgodendienaars en wat zij doen, beschreven. Ook zij zullen worden geoordeeld. “Die zich neerbuigen op de daken voor het leger van de hemel”, zijn de aanbidders van hemellichamen, mensen die we vandaag als esoterische en new age mensen kennen, dat zijn mensen die ‘het licht’ in zichzelf en in de schepping zoeken en niet in God. Op de daken kunnen ze beter naar de hemel kijken. Mozes heeft er indringend tegen gewaarschuwd (Dt 4:1919[Pas er ook voor op] dat u uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren ziet, heel het leger aan de hemel, en u laat verleiden om u voor hen neer te buigen en hen te dienen. De HEERE, uw God, heeft hen aan al de volken onder de hele hemel toebedeeld,).

De platte daken lenen zich uitstekend voor het oprichten van een altaar (Jr 8:22en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn.; 19:1313De huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen [even] onrein worden als de plaats van Tofet, met alle huizen waar zij op de daken ervan reukoffers hebben gebracht aan heel het leger aan de hemel en plengoffers hebben uitgegoten voor andere goden.; 32:2929En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen komen en deze stad met vuur aansteken en haar verbranden, mét de huizen waarvan men op de daken reukoffers heeft gebracht aan de Baäl en plengoffers heeft uitgegoten voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekten.). Manasse en zijn opvolgers hebben het wijd en zijd gepraktiseerd, waardoor elk huis een afgodshuis is geworden (2Kn 21:3,53Hij herbouwde de offerhoogten die Hizkia, zijn vader, vernield had; hij richtte altaren op voor de Baäl, maakte een gewijde paal zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor heel het leger aan de hemel en diende het.5Verder bouwde hij altaren voor heel het leger aan de hemel in beide voorhoven van het huis van de HEERE.; 23:5-65Ook zette hij de afgodspriesters af die de koningen van Juda aangesteld hadden om op de offerhoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem reukoffers te brengen, evenals hen die aan de Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden en heel het leger aan de hemel reukoffers brachten.6Ook bracht hij de Asjera uit het huis van de HEERE, naar de beek Kidron, buiten Jeruzalem, en verbrandde hem bij de beek Kidron. Hij verpulverde hem tot stof, en wierp het stof ervan over de begraafplaats van het gewone volk.; Jr 7:17-1817Ziet u niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?18De kinderen sprokkelen hout, de vaders steken het vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin van de hemel. Zij gieten plengoffers uit voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekken.; 44:17-19,2517Nee, wij zullen beslist alle dingen doen die uit onze mond zijn uitgegaan, door reukoffers te brengen aan de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten, zoals wij gedaan hebben, wij en onze vaderen, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem. Toen werden wij met brood verzadigd, hadden wij het goed en hebben wij geen kwaad gezien.18Maar van toen af dat wij ermee zijn opgehouden aan de koningin van de hemel reukoffers te brengen en plengoffers voor haar uit te gieten, hebben wij aan alles gebrek gehad en kwamen wij door het zwaard en door de honger om.19En als wij, [vrouwen,] aan de koningin van de hemel reukoffers brengen en plengoffers voor haar uitgieten, gaat het dan buiten onze mannen om dat wij voor haar offerkoeken maken naar haar beeltenis en voor haar plengoffers uitgieten?25Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: U en uw vrouwen hebben met uw [eigen] mond gesproken (en met uw [eigen] handen hebt u het uitgevoerd): Wij zullen beslist onze geloften volbrengen die wij hebben afgelegd, door reukoffers te brengen aan de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten. [Nu,] doe beslist uw geloften gestand en volbreng beslist uw geloften!).

Anderen hebben een compromisgodsdienst die aanbidding van God en tegelijk aanbidding van de Malcam inhoudt. Dit is voor God onacceptabel en in feite onmogelijk (vgl. Lk 16:1313Geen huisknecht kan twee heren dienen, want hij zal óf de een haten en de ander liefhebben, óf zich aan de een hechten en de ander verachten. U kunt niet God dienen en Mammon.; Hd 3:66Petrus echter zei: Zilver en goud heb ik niet; maar wat ik heb, dat geef ik u: in de Naam van Jezus Christus de Nazoreeër, <sta op en> loop!). Malcam betekent ook ‘koning’. Dit ziet vooruit op de antichrist, de valse koning in Israël in de eindtijd die ze als een god zullen vereren.

Een volgende groep die geoordeeld zal worden, is die van de afvalligen. Dat zijn zij die eerst in de hervorming van Josia hebben gedeeld, maar later toch zijn teruggekeerd naar de afgoderij. Ook zijn er de onverschilligen, “die de HEERE niet hebben gezocht en niet naar Hem hebben gevraagd”. Elke vorm van ongerechtigheid wordt opgemerkt en opgenoemd. Niets is verborgen voor Gods oog.


Wees stil!

7Wees stil voor het aangezicht van de Heere HEERE.
Want nabij is de dag van de HEERE,
ja, de HEERE heeft een offer bereid,
Zijn genodigden geheiligd.

Voordat de profeet verdergaat met de aankondiging van het oordeel over alle hiervoor genoemde ongerechtigheid, roept hij eerst op tot een zwijgen voor God (Hk 2:2020Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel.
Wees stil voor Zijn aangezicht, heel de aarde!
)
. De reden daarvoor is dat “de dag van de HEERE”, de dag van het oordeel, de dag van de afrekening, “nabij” is (vgl. Jl 1:1515Ach, die dag!
Ja, de dag van de HEERE is nabij,
en hij zal komen als een verwoesting van de Almachtige.
; Ob 1:1515Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;
zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;
wat u verdient, zal op uw [eigen] hoofd terugkeren!
)
. De mens moet zwijgen, want God heeft het laatste woord.

Het “offer” dat de HEERE heeft bereid, is … Juda. De “genodigden” die door Hem “geheiligd” zijn, zijn de Babyloniërs (Js 13:33Ík heb opdracht gegeven
aan Mijn geheiligden;
ook heb Ik Mijn helden opgeroepen om Mijn toorn [uit te voeren]
– zij die uitgelaten zijn over Mijn majesteit.
; 34:66Het zwaard van de HEERE zit vol bloed,
het is verzadigd van vet,
van het bloed van lammeren en bokken,
van het niervet van rammen.
Want de HEERE richt een offer aan in Bozra,
een grote slachting in het land Edom.
; Jr 46:1010Deze dag is van de Heere, de HEERE van de legermachten,
een dag van wraak om Zich te wreken op Zijn tegenstanders.
Het zwaard zal verslinden en verzadigd worden,
en dronken worden van hun bloed.
Want het is een slachting voor de Heere, de HEERE van de legermachten,
in het land in het noorden, aan de rivier de Eufraat.
; Ez 39:1717En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Zeg tegen alle soorten vogels en tegen alle dieren van het veld: Verzamel u en kom, kom van rondom bijeen, bij Mijn offer, dat Ik breng, een groot offer voor u op de bergen van Israël, en eet vlees en drink bloed.; vgl. Op 19:17-1817En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.)
. Hoe bitter moet het zijn dat God de heidense Babyloniërs heiligt om Zijn ‘priesters’ te zijn om Zijn volk als offerdieren te slachten. Als de zondaar zich niet bekeert en zichzelf als een levende offerande aan God aanbiedt (Rm 12:11Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, [dat is] uw redelijke dienst.), zal hij het slachtoffer van zijn eigen zonden worden.


De straf van de HEERE

8Het zal gebeuren op de dag van het offer van de HEERE
dat Ik de vorsten zal straffen, en de koningskinderen,
en allen die gekleed gaan in uitheemse kleding.
9Ook zal Ik op die dag straffen allen die over de drempel springen,
die het huis van hun heren vullen met geweld en bedrog.

“De dag van het offer van de HEERE” is de dag van het oordeel dat Hij over de afvalligen en ongelovigen brengt (vers 88Het zal gebeuren op de dag van het offer van de HEERE
dat Ik de vorsten zal straffen, en de koningskinderen,
en allen die gekleed gaan in uitheemse kleding.
)
. Zij hebben het Offer, Zijn Zoon, verworpen en zullen nu zelf ten offer vallen aan het oordeel. De eersten die worden geslacht, zijn “de vorsten” die de gewoonten van de heidenen hebben overgenomen. Zij zijn de meest verantwoordelijken. Zij hadden leiders in het goede moeten zijn in plaats van in het kwade. “De koningskinderen” zijn waarschijnlijk die van Zedekia (2Kn 25:77Zij slachtten de zonen van Zedekia voor diens ogen af. Verder maakte men de ogen van Zedekia blind en men bond hem met twee bronzen ketenen en bracht hem naar Babel.; Jr 39:66De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia in Ribla voor diens ogen afslachten. Ook [liet] de koning van Babel alle edelen van Juda afslachten.).

De “uitheemse kleding” kan verwijzen naar de kleding van de Babyloniërs, waarin de Judeeërs graag liepen (Ez 23:14-1514Ja, zij ging nog verder met haar hoererijen: toen zij in de muur ingegrifte mannen zag, afbeeldingen van Chaldeeën, getekend in rode kleuren,15die een gordel om hun middel droegen, met een overhangende tulband om hun hoofd, die er allen uitzagen als officieren, die leken op Babyloniërs uit Chaldea, hun geboorteland,). Hun voorliefde daarvoor verraadt de slechte gezindheid van hun hart. De HEERE wil dat in hun kleding wordt gezien dat ze een volk zijn dat voor Hem apart is gesteld (Nm 15:3838Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen dat zij voor zichzelf, [al] hun generaties door, kwastjes moeten maken aan de hoeken van hun kleren. Aan de kwastjes aan de hoek moeten zij een blauwpurperen draad bevestigen.; Dt 22:11-1211U mag geen kleding van twee soorten stof aantrekken, van wol en linnen tegelijk.12Aan de vier hoeken van het bovenkleed waarin u zich hult, moet u voor uzelf kwastjes maken.).

In de toepassing ziet de “uitheemse kleding” op allerlei uiterlijkheden die Gods volk overneemt van de wereld en waardoor blijk wordt gegeven van een innerlijke vervreemding van God en Zijn Woord. Ons taalgebruik en onze manier van leven, waaronder ook de manier waarop we ons kleden, verraden de gerichtheid van ons hart. Kleding kan veel te doen hebben met het heidendom. Kleding is vaak immoreel. Wie dergelijke kleding draagt, predikt door de lichaamstaal afval van God.

“Over de drempel springen” lijkt te slaan op de ijver waarmee slaven van rijke heren over de drempel van hun huizen springen, dat wil zeggen hun huizen verlaten, om de eigendommen van anderen te roven om hun heren nog rijker te maken. Hierbij gebruiken ze geweld en bedrog, zodat de huizen van de rijken worden gevuld met goederen die ze hebben verkregen door geweld en bedrog.


Hulpgeroep, gejammer, noodgeschrei

10En op die dag, spreekt de HEERE,
zal er hulpgeroep [klinken] vanuit de Vispoort,
gejammer vanuit het nieuwe gedeelte [van de stad],
en groot nood[geschrei] vanuit de heuvels.

Met “die dag” wordt de dag van de HEERE bedoeld, de tijd dat er hulpgeroep en gejammer uit alle delen van de stad zal klinken. De Vispoort (Ne 3:33De Vispoort bouwden de nakomelingen van Senaä. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten de deuren ervan, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels.; 12:3939boven de Efraïmpoort [langs], en over de Oude Poort en over de Vispoort, de Hananeëltoren en de Honderdtoren, tot aan de Schaapspoort. Vervolgens bleven ze bij de Gevangenpoort staan.; 2Kr 33:1414Hierna bouwde hij de buitenmuur om de stad van David, aan de west[kant] van Gihon, in het dal, tot de ingang van de Vispoort; hij trok [die] om de Ofel heen en liet die zeer hoog optrekken. Hij stelde legerbevelhebbers aan in alle versterkte steden van Juda.) ligt in het noorden van de stad. Via deze poort komt de vijand, die uit het noorden komt, Jeruzalem binnen. Deze poort heeft zijn naam te danken aan de dichtbijgelegen vismarkt waar de vis wordt gebracht die is gevangen in het meer van Tiberias. Deze poort heet nu de Damascuspoort.

“Het nieuwe gedeelte [van de stad]” is het stadsdeel waar de profetes Hulda woont (2Kn 22:1414Toen gingen de priester Hilkia, Ahikam, Achbor, Safan en Asaja naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de beheerder van de [priester]kleding – zij woonde in Jeruzalem, in het nieuwe gedeelte – en zij spraken met haar.). Bij alle geschreeuw uit genoemde plaatsen komt nog het geschreeuw vanuit de heuvels. Alles wordt veroorzaakt door de oprukkende legers van Babel.


Het volk van kooplieden is omgebracht

11Weeklaag, inwoners van de Vijzelwijk,
want heel het volk van kooplieden is omgebracht,
allen die geld afwegen zijn uitgeroeid.

“De Vijzelwijk” is een deel van Jeruzalem waar kooplieden handeldrijven. Het woord ‘vijzel’ wordt gebruikt voor het vermalen van koren. Dat zal met de oneerlijke handelslieden gebeuren: zij zullen als koren vermalen en omgebracht worden.


De HEERE doorzoekt Jeruzalem met lampen

12En in die tijd zal het gebeuren
dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken.
Ik zal de mannen straffen
die dik worden op hun droesem,
die in hun hart zeggen:
De HEERE doet geen goed
en Hij doet geen kwaad.

Niemand zal kunnen ontkomen aan het oordeel dat God over Juda en Jeruzalem brengt. De HEERE zal er Zelf voor zorgen dat niemand aan Zijn oordeel ontkomt. Als met het licht van lampen zal Hij de meest afgelegen plaatsen beschijnen en alle ongerechtigheid aan het licht brengen. Zijn oordeel zal de mensen treffen die in onverschilligheid en vadsigheid leven. Geen enkele zonde ontsnapt aan Gods opmerkzaamheid. Hij brengt die aan het licht. Dat doet Hij niet voor Zichzelf, maar voor Zijn volk, opdat zij dit weten en de zonde bij zichzelf veroordelen.

Als we aan een lamp en licht denken, kunnen we dat toepassen op het licht van het geweten, waarbij de geest van de mens is als een lamp van de Heer, waardoor Hij de mens aanspreekt op zijn zonden. Er is ook het licht van een gebeurtenis, waardoor de Heer spreekt en ons tot de orde kan roepen. Hij kan daardoor plotseling en onverwachts licht werpen op bepaalde zaken in ons leven die niet goed zijn. Een derde licht hebben we in het Woord van God. Gods Woord werpt licht op ons leven en wijst aan wat verkeerd is.

Het doorzoeken met lampen herinnert aan het doorzoeken door de Israëliet van zijn huis met het oog op het Pascha om te zien of er nog ergens zuurdeeg aanwezig is, zodat dat kan worden verwijderd (Ex 13:77Zeven dagen [lang] moeten er ongezuurde [broden] gegeten worden. Wat gezuurd is, mag bij u niet gezien worden, ja, geen zuurdeeg mag er in heel uw gebied bij u gezien worden.). Het is nu nog steeds de gewoonte dat de vader aan de vooravond van het Pascha met een kaars door het huis gaat. In geestelijk opzicht wordt de lamp nu nog gebruikt om te zoeken naar de verloren zondaar (Lk 15:8-108Of welke vrouw steekt niet, als zij tien drachmen heeft en één drachme verliest, een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat zij die vindt?9En als zij die heeft gevonden, roept zij haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen en zegt: Weest blij met mij, want ik heb de drachme gevonden die ik had verloren.10Zo, zeg Ik u, ontstaat er blijdschap voor de engelen van God over één zondaar die zich bekeert.).

De mensen die de HEERE zal straffen, worden vergeleken met wijn die niet van de droesem wordt verwijderd. De droesem is het bezinksel. Als de wijn niet uit het vat in een ander vat wordt overgegoten, terwijl de droesem in het oude vat wordt achtergelaten, bederft de wijn. Het gaat hier dus om mensen die in hun slechtheid voortleven (Jr 48:1111Moab is vanaf zijn jeugd zonder zorgen geweest,
en heeft [als wijn] op zijn droesem stilgelegen.
Het is niet van het ene vat in het andere overgegoten:
het is niet in ballingschap gegaan.
Daarom heeft het zijn smaak behouden
en is zijn geur niet veranderd.
)
.

Daarbij hebben ze ook een hart waarin ze zeggen met de HEERE af te rekenen. Ze loochenen niet Zijn bestaan, maar zeggen dat Hij niet leeft. In elk geval laat Hij Zich niet zien. Deze dwaze conclusie verbinden ze aan hun even dwaze opvatting dat Hij geen goed doet en geen kwaad doet, Hij zegent niet en Hij oordeelt niet. Ze zien niets van Zijn aanwezigheid, dus doet Hij niets. Hij bewijst Zichzelf niet, dus is het maar de vraag of Hij er is. Het zijn de moderne agnosten, die zeggen dat het mogelijk is dat God er is, maar dat het ook mogelijk is dat Hij is er niet is. Men kan het niet weten. Zulke mensen zijn dwazen en blinden.


God laat zien dat Hij er is

13Daarom zal hun vermogen tot buit worden,
hun huizen tot een woestenij.
Zij zullen huizen bouwen, maar die niet bewonen;
zij zullen wijngaarden planten, maar daarvan de wijn niet drinken.

Vanwege hun zelfvoldaanheid en vadsigheid zal God de vloek van de wet over hen brengen. Dit betekent dat ze niet zullen kunnen genieten van hun welvaart, hun huizen en de vrucht van hun wijngaarden (Lv 26:32-3332Ik Zelf zal het land verwoesten, zodat uw vijanden die daarin zijn gaan wonen, zich erover zullen ontzetten.33Ik zal u dan onder de heidenvolken verstrooien en Ik zal achter u een zwaard trekken. Uw land zal een woestenij worden en uw steden een puinhoop.; Dt 28:30,3930Met een vrouw zult u in ondertrouw gaan, maar een andere man zal met haar slapen; een huis zult u bouwen, maar er niet in wonen; een wijngaard zult u planten, maar de vrucht ervan niet eten.39Wijngaarden zult u planten en bewerken, maar u zult geen wijn drinken of iets verzamelen, want de worm zal het opeten.; Am 5:1111Omdat u de arme vertrapt
en van hem een heffing op koren neemt,
daarom hebt u huizen van gehouwen steen kunnen bouwen,
maar u zult er niet in wonen;
begerenswaardige wijngaarden hebt u kunnen planten,
maar u zult de wijn ervan niet drinken.
; Mi 6:1515Zelf zult u zaaien, maar niet maaien,
zelf zult u olijven treden, maar u niet met olie zalven,
en nieuwe wijn [oogsten], maar geen wijn drinken.
)
. Zo zal God laten zien dat Hij er is en de wereld bestuurt. Hij vervult Zijn beloften aan Zijn volk, ook ten oordeel.


De grote dag van de HEERE

14De grote dag van de HEERE is nabij;
hij is nabij en nadert zeer snel.
Hoor, de dag van de HEERE!
De held zal daar bitter schreeuwen!
15Een dag van verbolgenheid is die dag,
een dag van benauwdheid en angst,
een dag van verwoesting en vernietiging,
een dag van wolken en donkerheid,
een dag van donkere wolken,
16een dag van bazuin[geschal] en [krijgs]geschreeuw
tegen de versterkte steden
en tegen de hoge hoektorens.

Het is “de grote dag van de HEERE” (vers 1414De grote dag van de HEERE is nabij;
hij is nabij en nadert zeer snel.
Hoor, de dag van de HEERE!
De held zal daar bitter schreeuwen!
)
. Die dag is groot vanwege zijn vreselijke oordelen en de gevolgen daarvan (Jl 2:1111En de HEERE laat Zijn stem klinken
voor Zijn leger uit,
want Zijn leger is zeer groot,
ja, machtig is Hij, Die Zijn woord ten uitvoer brengt.
Groot is immers de dag van de HEERE
en zeer ontzagwekkend. Wie zal hem kunnen verdragen?
)
. Hij wordt eerst voorgesteld als nabij en als een dag die snel nadert. Hij is veel dichterbij dan het volk zich realiseert en hij spoedt zich naar zijn volle openbaring. Als ze goed luisteren, waartoe ze nadrukkelijk worden opgeroepen, “hoor”, zullen ze het geluid ervan al kunnen horen. Ze horen dan ook het bittere schreeuwen van de held.

Hoe vreselijk die dag is, wordt op meerdere manieren in deze beschrijving aangegeven (verzen 15-1615Een dag van verbolgenheid is die dag,
een dag van benauwdheid en angst,
een dag van verwoesting en vernietiging,
een dag van wolken en donkerheid,
een dag van donkere wolken,
16een dag van bazuin[geschal] en [krijgs]geschreeuw
tegen de versterkte steden
en tegen de hoge hoektorens.
)
. Er worden woorden gebruikt die de verschrikkingen van die dag aangeven.
1. Het is een dag van “verbolgenheid” van de HEERE over de zonden (vers 1515Een dag van verbolgenheid is die dag,
een dag van benauwdheid en angst,
een dag van verwoesting en vernietiging,
een dag van wolken en donkerheid,
een dag van donkere wolken,
)
. Hij is boos en diep ontstemd over het gedrag van Zijn volk.
2. Als Hij Zijn verbolgenheid over hen brengt, veroorzaakt dat “benauwdheid en angst” bij hen over wie Hij Zijn toorn brengt.
3. De gevolgen zijn “verwoesting en vernietiging”.
4. De sfeer waarin Gods toorn zich openbaart, is er een “van duisternis en donkerheid” en “van donkere wolken”.

De HEERE openbaart Zich als een krijgsman die de bazuin blaast en een krijgsgeschreeuw laat horen tegen elk bolwerk dat door mensen is gebouwd om zichzelf te beschermen (vers 1616een dag van bazuin[geschal] en [krijgs]geschreeuw
tegen de versterkte steden
en tegen de hoge hoektorens.
)
. “Versterkte steden” en “hoge hoektorens” zullen niet baten. Er is geen bescherming te vinden tegen de ontplooiing van verbolgenheid van de HEERE, zoals het volgende vers laat zien.


De reden voor het oordeel

17Ik zal de mensen benauwen,
zodat zij zullen gaan als de blinden,
want zij hebben tegen de HEERE gezondigd.
Hun bloed zal uitgegoten worden als stof
en hun lichaam als uitwerpselen.

Omdat de HEERE Zelf de mensen benauwt, zullen ze niet in staat zijn een uitweg uit deze wanhopige ellende te vinden. Daardoor zullen de mensen van Juda als blinden wandelen (Dt 28:2929U zult op de middag rondtasten, zoals een blinde rondtast in het donker. U zult uw wegen niet voorspoedig maken. U zult alle dagen alleen maar onderdrukt en beroofd worden, en er zal geen verlosser zijn.). Dat is het resultaat als er “tegen de HEERE gezondigd” wordt. Mensen die God de rug toekeren en niet bereid zijn zich te bekeren, worden door God ook met minachting bezien en behandeld. Hun waardeloosheid wordt tot uitdrukking gebracht door hun bloed te vergelijken met “stof” en hun lichaam met “uitwerpselen”.


Het vuur van Gods na-ijver

18Ook hun zilver, ook hun goud zal hen niet kunnen redden
op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.
Door het vuur van Zijn na-ijver zal heel dit land verteerd worden,
want Hij zal zeker [en] spoedig een vernietigend einde maken aan alle inwoners van het land.

Om de hopeloosheid van hun situatie te onderstrepen wijst de profeet erop dat er ook geen enkele mogelijkheid is om een uitweg te kopen. Al hun rijkdom baat op dat ogenblik niet. Hun zilver en hun goud bieden geen bescherming tegen het oordeel van God (vgl. 1Pt 1:18-1918daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,19maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus.). Het land en alle inwoners ervan zullen door het vuur van Gods na-ijver worden verteerd. Met de beschrijving van dit algemene oordeel eindigt het hoofdstuk zoals het is begonnen (verzen 2-32Ik zal alles volkomen wegvagen
van de aardbodem, spreekt de HEERE.
3Ik zal mens en dier wegvagen,
Ik zal de vogels in de lucht en de vissen in de zee wegvagen
en de struikelblokken, [samen] met de goddelozen;
ja, Ik zal de mensen uitroeien
van de aardbodem, spreekt de HEERE.
)
.


Lees verder