Zacharia
Inleiding 1-2 De eerste zegen 3 De tweede zegen 4-5 De derde zegen 6 De vierde zegen 7-8 De vijfde zegen 9-13 De zesde zegen 14-17 De zevende zegen 18-19 De achtste zegen 20-22 De negende zegen 23 De tiende zegen
Inleiding

Dit hoofdstuk is het vervolg op Zacharia 7 en laat de andere kant zien. Het hoofdstuk heeft twee delen. Beide delen worden ingeleid door de mededeling dat het woord van de HEERE tot Zacharia komt (verzen 1,181Het woord van de HEERE van de legermachten kwam [tot mij]:18Het woord van de HEERE van de legermachten kwam tot mij:).

Het eerste deel (verzen 1-171Het woord van de HEERE van de legermachten kwam [tot mij]:2Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Ik heb Mij met grote na-ijver voor Sion ingezet,
ja, met grote grimmigheid heb Ik Mij voor haar ingezet.3Zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HEERE van de legermachten ‘de heilige berg’.4Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Er zullen weer oude mannen en oude vrouwen zitten
op de pleinen van Jeruzalem,
ieder met zijn stok in zijn hand vanwege de hoge leeftijd.
5De pleinen van de stad zullen vol worden
met jongens en meisjes
die spelen op haar pleinen.6Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Al zou het in die dagen wonderlijk zijn
in de ogen van het overblijfsel van dit volk,
zou het ook in Mijn ogen wonderlijk zijn?
spreekt de HEERE van de legermachten.7Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, Ik ga Mijn volk verlossen uit het land waar [de zon] opkomt
en uit het land waar de zon ondergaat.
8Ik zal hen [hierheen] brengen,
zij zullen midden in Jeruzalem wonen.
Zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ík zal hun tot een God zijn,
in waarheid en in gerechtigheid.9Zo zegt de HEERE van de legermachten: Grijp moed, u die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit de mond van de profeten die er waren op de dag waarop het huis van de HEERE van de legermachten gegrondvest werd om de tempel te herbouwen.
10Vóór die dagen
was er immers geen loon voor de mensen,
en was er geen loon voor het vee.
Voor wie uittrok en wie binnenkwam, was er geen vrede, vanwege de tegenstander,
want Ik zette alle mensen tegen elkaar op.
11Maar nu zal Ik voor het overblijfsel van dit volk
niet meer zijn zoals in de vorige dagen,
spreekt de HEERE van de legermachten.
12Want het zaad zal voorspoedig zijn,
de wijnstok zal zijn vrucht geven,
het land zal zijn opbrengst geven,
de hemel zal zijn dauw geven.
Ik zal het overblijfsel van dit volk
dit alles in erfelijk bezit doen nemen.
13Het zal gebeuren, zoals u, huis van Juda en huis van Israël,
een vloek onder de heidenvolken geweest bent,
zo zal Ik u verlossen
en zult u een zegen worden.
Wees niet bevreesd, grijp moed.14Want zo zegt de HEERE van de legermachten: Zoals Ik Mij had voorgenomen u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij zeer toornig maakten, zegt de HEERE van de legermachten, en Ik er geen berouw over gekregen heb,15zo heb Ik Mij in deze dagen opnieuw voorgenomen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda. Wees niet bevreesd!16Dit zijn de dingen die u doen moet: spreek [de] waarheid tegen elkaar, oordeel [naar] waarheid in uw poorten met een oordeel [dat] de vrede [dient],17bedenk in uw hart geen kwaad tegen elkaar en heb een valse eed niet lief, want dit alles is [iets] wat Ik haat, spreekt de HEERE.
)
verklaart dat, onder bepaalde voorwaarden, het volk wordt hersteld in de gunst van God. Het tweede deel bevat het antwoord op de oorspronkelijke vragen over het vasten, de verklaring van vreugde en de verspreiding van het evangelie (verzen 18-2318Het woord van de HEERE van de legermachten kwam tot mij:19Zo zegt de HEERE van de legermachten: Het vasten in de vierde, het vasten in de vijfde, het vasten in de zevende en het vasten in de tiende [maand], zal voor het huis van Juda worden tot vreugde, tot blijdschap en tot vreugdevolle feestdagen. Heb dan de waarheid en de vrede lief!20Zo zegt de HEERE van de legermachten: Er zullen weer volken komen en inwoners van veel steden.21De inwoners van de ene [stad] zullen gaan naar [die van de] andere [en] zeggen: Laten we meteen gaan om het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, om de HEERE van de legermachten te zoeken; ík zal ook gaan.22Dan zullen veel volken komen en machtige heidenvolken, om de HEERE van de legermachten in Jeruzalem te zoeken en om het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen.23Zo zegt de HEERE van de legermachten: In die dagen [zal het gebeuren] dat tien mannen uit alle talen van de heidenvolken, vastgrijpen, ja, de punt [van de mantel] van een Joodse man zullen zij vastgrijpen, en zeggen: Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord [dat] God met u is.).

Beide delen kunnen nog verder worden onderverdeeld in tien delen die alle tien beginnen met de uitspraak “zo zegt de HEERE” (verzen 2,3,4,6,7,9,14,19,20,232Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Ik heb Mij met grote na-ijver voor Sion ingezet,
ja, met grote grimmigheid heb Ik Mij voor haar ingezet.3Zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HEERE van de legermachten ‘de heilige berg’.4Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Er zullen weer oude mannen en oude vrouwen zitten
op de pleinen van Jeruzalem,
ieder met zijn stok in zijn hand vanwege de hoge leeftijd.
6Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Al zou het in die dagen wonderlijk zijn
in de ogen van het overblijfsel van dit volk,
zou het ook in Mijn ogen wonderlijk zijn?
spreekt de HEERE van de legermachten.7Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, Ik ga Mijn volk verlossen uit het land waar [de zon] opkomt
en uit het land waar de zon ondergaat.
9Zo zegt de HEERE van de legermachten: Grijp moed, u die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit de mond van de profeten die er waren op de dag waarop het huis van de HEERE van de legermachten gegrondvest werd om de tempel te herbouwen.
14Want zo zegt de HEERE van de legermachten: Zoals Ik Mij had voorgenomen u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij zeer toornig maakten, zegt de HEERE van de legermachten, en Ik er geen berouw over gekregen heb,19Zo zegt de HEERE van de legermachten: Het vasten in de vierde, het vasten in de vijfde, het vasten in de zevende en het vasten in de tiende [maand], zal voor het huis van Juda worden tot vreugde, tot blijdschap en tot vreugdevolle feestdagen. Heb dan de waarheid en de vrede lief!20Zo zegt de HEERE van de legermachten: Er zullen weer volken komen en inwoners van veel steden.23Zo zegt de HEERE van de legermachten: In die dagen [zal het gebeuren] dat tien mannen uit alle talen van de heidenvolken, vastgrijpen, ja, de punt [van de mantel] van een Joodse man zullen zij vastgrijpen, en zeggen: Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord [dat] God met u is.
)
. We kunnen wel spreken van tien zegeningen die het deel van het volk zijn als het in Gods gunst hersteld is.


De eerste zegen

1Het woord van de HEERE van de legermachten kwam [tot mij]: 2Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Ik heb Mij met grote na-ijver voor Sion ingezet,
ja, met grote grimmigheid heb Ik Mij voor haar ingezet.

Voor de derde keer komt het woord van de HEERE tot Zacharia (vers 11Het woord van de HEERE van de legermachten kwam [tot mij]:; Zc 7:1,81Het gebeurde in het vierde jaar van koning Darius, op de vierde van de negende maand, in [de maand] Chisleu, [dat] het woord van de HEERE tot Zacharia kwam.8Verder kwam het woord van de HEERE tot Zacharia:). Na de vermaningen in het vorige hoofdstuk komen nu de beloften van zegen. De eerste belofte is de bemoediging van de HEERE dat Hij Zich voor Sion heeft “ingezet” en dat “met grote na-ijver” en “met grote grimmigheid”. Hij laat Zijn volk niet in de steek. Zijn hart blijft in genade voor hen kloppen en Hij zal Zijn beloften waarmaken.

Twee keer spreekt Hij hier over Zijn inzet voor Sion (vgl. Zc 1:1414De Engel Die met mij sprak, zei tegen mij: Predik: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Met grote na-ijver zet Ik Mij in
voor Jeruzalem en voor Sion.
)
. Hij betuigt op versterkende wijze Zijn warme liefde voor hen, opdat ze hiervan maar diep overtuigd zullen worden. Hij wil het volk helemaal en alleen voor Zichzelf bezitten en hun liefde niet met iemand anders delen.


De tweede zegen

3Zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HEERE van de legermachten ‘de heilige berg’.

De HEERE is vanwege de hardnekkige zonden van het volk uit Jeruzalem weggetrokken. Dat wordt door Ezechiël beschreven (Ez 8:33Hij strekte [iets] uit [met] de vorm van een hand en pakte mij bij mijn hoofdhaar. Toen hief de Geest mij op tussen de aarde en de hemel en in visioenen van God bracht Hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de poort van de binnenste [voorhof] die naar het noorden gekeerd is, waar zich de zetel van het afgodsbeeld van de na-ijver bevond, dat na-ijver oproept.; 9:33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.; 10:3-4,18-193De cherubs stonden rechts van het huis toen de Man binnenkwam, en de wolk vervulde de binnenste voorhof.4Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:22-2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Maar de HEERE komt terug. Dat gebeurt als de Heer Jezus – Hij is Jahweh – met zegen tot Zijn volk zal komen. Als Hij terugkeert naar de stad, kan dat alleen als er trouw en heiligheid gevonden worden (Js 1:2626Ik zal uw rechters teruggeven als vroeger,
en uw raadslieden als in het begin.
Daarna zult u genoemd worden:
stad van de gerechtigheid, trouwe stad.
; Zf 3:1313Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen
en geen leugen spreken,
en in hun mond zal niet gevonden worden
een tong die bedriegt.
Ja, zij zullen weiden en neerliggen,
en niemand zal [hun] schrik aanjagen.
)
. Dat zal in Jeruzalem zo zijn. De stad “zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden”.

De berg Sion, waarop de tempel wordt gebouwd, zal “de heilige berg” genoemd worden. Dat is niet alleen een naam, maar de berg zal werkelijk heilig zijn. Het is een berg die afgezonderd is van alle andere bergen om alleen en totaal aan Jahweh gewijd te zijn. In het boek Jesaja noemt Jahweh deze berg meerdere keren “Mijn heilige berg” (Js 11:99Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
; 56:77hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
; 57:1313Wanneer u roept, laten zij u [dan] redden die door u verzameld zijn.
Maar de wind zal hen allemaal wegvoeren,
een zucht zal hen wegnemen.
Maar wie tot Mij de toevlucht neemt, zal de aarde in erfelijk bezit krijgen
en Mijn heilige berg in bezit nemen.
; 65:1111Maar u die de HEERE verlaat,
u die Mijn heilige berg vergeet,
u die de tafel gereedmaakt voor de [god] Gad,
u die voor [de god] Meni [de bekers] vult [met] gemengde drank,
, 65:25; 66:20).
Andere profeten doen dat ook (Jr 31:2323Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zij zullen in het land Juda en in zijn steden weer dit woord zeggen, wanneer Ik een omkeer zal brengen in hun gevangenschap: Moge de HEERE u zegenen, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg.; Jl 2:11Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!
; 3:1717Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw God ben,
Die op Sion, Mijn heilige berg, woont.
Jeruzalem zal een heiligdom zijn
en vreemden zullen er niet meer doorheen trekken.
; Ob 1:16,1716Want zoals u op Mijn heilige berg gedronken hebt,
zullen alle heidenvolken voortdurend drinken;
zij zullen drinken en slurpen;
zij zullen worden alsof zij er niet geweest waren!17Maar op de berg Sion zal ontkoming zijn:
die zal een heilige plaats zijn;
zij die van het huis van Jakob zijn,
zullen hun bezittingen [weer] in bezit nemen.
; Zf 3:1111Op die dag zult u niet beschaamd zijn over al uw daden
waarmee u tegen Mij in opstand kwam,
want dan zal Ik hen uit uw midden wegdoen
die uitgelaten zijn over uw hoogmoed.
Voortaan zult u zich niet meer verheffen
omwille van Mijn heilige berg.
; Dn 9:16,2016Heere, laten toch Uw toorn en Uw grimmigheid zich afwenden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg, op grond van al Uw gerechtigheden, want om onze zonden en om de ongerechtigheden van onze vaderen zijn Jeruzalem en Uw volk tot smaad geworden voor allen om ons heen.20Terwijl ik nog sprak en bad, en belijdenis deed van mijn zonde en van de zonde van mijn volk Israël, en mijn smeekbede uitstortte voor het aangezicht van de HEERE, mijn God, omwille van de heilige berg van mijn God –)
.


De derde zegen

4Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Er zullen weer oude mannen en oude vrouwen zitten
op de pleinen van Jeruzalem,
ieder met zijn stok in zijn hand vanwege de hoge leeftijd.
5De pleinen van de stad zullen vol worden
met jongens en meisjes
die spelen op haar pleinen.

Dit tafereel zal in het Messiaanse rijk werkelijkheid worden. Dat is nog toekomst, maar deze blik in de toekomst is voor het moment een bemoediging voor Zerubbabel en de zijnen. Dit tafereel is een gevolg van de waarheid en heiligheid van het vorige vers. Die hebben een uitwerking onder Gods volk van harmonie en vreugde.

Met de komst van de Heer Jezus is de vrede aangebroken, de oorlog is voorbij. Iedereen, ook de zwakste en meest weerloze leden van de samenleving, kan zonder angst voor oprukkende vijandige legers op de pleinen van Jeruzalem zijn. De leeftijden zullen weer die van vóór de zondvloed zijn (Js 65:20,2220Daar zal niet meer zijn
een zuigeling die [maar enkele] dagen [leeft]
of een oude man
die zijn dagen niet zal volmaken,
want een jonge man zal sterven als een honderdjarige,
maar een zondaar, al is hij honderd jaar, zal vervloekt worden.
22In [wat] zij bouwen, zal geen ander wonen,
van [wat] zij planten, zal geen ander eten.
Want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom,
en Mijn uitverkorenen zullen lang genieten van het werk van hun handen.
)
. De belofte van een lang leven wordt door de Joden als een van de grootste zegeningen van de Godsregering beschouwd. Het is de beloning voor gehoorzaamheid (Ex 20:1212Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.; Dt 4:4040En u moet Zijn verordeningen en Zijn geboden, die ik u heden gebied, alle dagen in acht nemen, opdat het u en uw kinderen na u goed gaat en opdat u [uw] dagen verlengt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft, alle dagen.).

Het nageslacht zal talrijk, gezond en gelukkig zijn. De kinderen kunnen onbezorgd spelen. Er is geen dreiging van oorlog en de daarmee verbonden dood of gevangenschap meer. De haat van de wereld is gesmoord. De straten zullen vol zijn van spelende kinderen en niet van protesterende mensen. Nu zijn de straten nog gevaarlijke plaatsen voor kinderen, zowel door verkeer als door misdrijf.

Het spelen van kinderen is iets waar God ook plezier in heeft (Mt 11:16-1716Met wie echter zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen die op de markten zitten en de anderen de woorden toeroepen:17Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en jullie hebben niet geweeklaagd.). Ouders mogen daaraan een voorbeeld nemen. Het spelen van kinderen en het genieten daarvan door ouderen is een zaak waaraan God vreugde beleeft. Het is geen tijdverspilling. Ouden en jongen zullen in harmonie samenleven. Het tafereel van welvaart en tevredenheid vormt een groot contrast met de armoede, verwarring en ontevredenheid waarin wij leven.

In de gemeente mag de hier beschreven letterlijke situatie in geestelijk opzicht nu al aanwezig zijn. Daar is, als het goed is, geen generatiekloof. Er is ook ruimte voor de ontplooiing van elk stadium en openbaring van geestelijk leven. We moeten jongens en meisjes alle geestelijke hulp geven die maar mogelijk is, zowel in woord als in voorbeeld.

Het zijn twee tegengestelde leeftijdsgroepen, de oude mannen en de jongens en meisjes. De oude mannen zijn zo oud, dat zij hun bevende ledematen ondersteunen met een stok. Daartegenover zien we kinderen die energie uitstralen met een vreugde die het leven toelacht. In beide categorieën zien we de goedheid van de Schepper.

De kinderen staan aan het begin van het leven. Alles in hen moet nog tot ontwikkeling komen. Zij mogen rekenen op Gods hulp hierin. Bij de zeer ouden zien we dat Hij hen heeft geholpen, hun hele lange leven lang. Hij heeft hen door alle veranderingen, kansen en gevaren van dit broze leven heen geleid, ook in de periode waarin zij hun krachten hebben zien afnemen.


De vierde zegen

6Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Al zou het in die dagen wonderlijk zijn
in de ogen van het overblijfsel van dit volk,
zou het ook in Mijn ogen wonderlijk zijn?
spreekt de HEERE van de legermachten.

De vierde zegen is een bemoediging met het oog op de vorige zegen. Het in de vorige verzen geschilderde tafereel lijkt een onmogelijkheid. Ook voor ons is het moeilijk voorstelbaar als we de wereldsituatie bezien. Maar voor God is niets te wonderlijk (Gn 18:1414Zou er iets voor de HEERE te wonderlijk zijn? Op de vastgestelde tijd, over een jaar, zal Ik bij u terugkomen, en Sara zal een zoon hebben!). Wij mogen op Hem rekenen voor de verwerkelijking van Zijn wil. Het ingewikkelde leven van nu zal plaatsmaken voor een ongecompliceerd leven in het vrederijk.

Er is dan niets wat schadelijk is voor het leven. Alles wat het leven nu zo moeilijk en soms ondraaglijk maakt, alle geestelijke en lichamelijke ziekten en zelfs de dood (Js 65:18-2518Maar wees vrolijk en verheug u tot in eeuwigheid
[in] wat Ik schep,
want zie, Ik schep Jeruzalem een vreugde
en zijn volk blijdschap.
19En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem
en vrolijk zijn over Mijn volk.
Geen stem van geween zal erin meer gehoord worden,
of een stem van geschreeuw.
20Daar zal niet meer zijn
een zuigeling die [maar enkele] dagen [leeft]
of een oude man
die zijn dagen niet zal volmaken,
want een jonge man zal sterven als een honderdjarige,
maar een zondaar, al is hij honderd jaar, zal vervloekt worden.
21Zij zullen huizen bouwen en [erin] wonen,
zij zullen wijngaarden planten en van hun vrucht eten.
22In [wat] zij bouwen, zal geen ander wonen,
van [wat] zij planten, zal geen ander eten.
Want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom,
en Mijn uitverkorenen zullen lang genieten van het werk van hun handen.
23Zij zullen zich niet voor niets vermoeien
of kinderen baren voor iets verschrikkelijks,
want zij zijn het nageslacht van de gezegenden door de HEERE,
en hun nakomelingen met hen.
24En het zal geschieden dat voordat zij roepen, Ík zal antwoorden,
terwijl zij nog spreken, Ík zal horen.
25Een wolf en een lammetje zullen gezamenlijk weiden,
een leeuw zal stro eten als een rund,
een slang – zijn voedsel zal stof zijn.
Zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg, zegt de HEERE.
)
, alle jaloersheid en streven naar meer, zijn dan verleden tijd. Iedereen zal volmaakt gelukkig zijn met zijn deel en er volkomen van kunnen genieten. Ze zullen anderen uitnodigen ervan mee te genieten (Zc 3:1010Op die dag, spreekt de HEERE van de legermachten,
zal ieder zijn naaste uitnodigen
onder de wijnstok en onder de vijgenboom.
)
. En dat alles omdat God in hun midden woont.


De vijfde zegen

7Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, Ik ga Mijn volk verlossen uit het land waar [de zon] opkomt
en uit het land waar de zon ondergaat.
8Ik zal hen [hierheen] brengen,
zij zullen midden in Jeruzalem wonen.
Zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ík zal hun tot een God zijn,
in waarheid en in gerechtigheid.

We zien dat God Zelf alles bewerkt. Menselijke inspanningen worden niet gevraagd, maar ook niet verwacht. Het ligt volkomen buiten het vermogen van de mens om Gods plan te verwerkelijken. Om Zijn voornemen te verwezenlijken zal God Zelf Zijn volk verlossen uit alle windstreken waar ze zich maar als gevangenen bevinden (vers 77Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, Ik ga Mijn volk verlossen uit het land waar [de zon] opkomt
en uit het land waar de zon ondergaat.
)
. Uit het oosten, waar de zon opkomt, en het westen, waar de zon ondergaat, zullen ze komen (Ps 50:11Een psalm van Asaf.
De God der goden, de HEERE, spreekt,
en roept de aarde,
vanwaar de zon opkomt
tot waar hij ondergaat.
; Ml 1:1111Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de HEERE van de legermachten.)
.

Hij zal hen naar Jeruzalem brengen (vers 88Ik zal hen [hierheen] brengen,
zij zullen midden in Jeruzalem wonen.
Zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ík zal hun tot een God zijn,
in waarheid en in gerechtigheid.
; Js 11:11-1211En het zal op die dag gebeuren
dat de Heere opnieuw, voor de tweede keer, met Zijn hand
het overblijfsel van Zijn volk zal verwerven,
dat overgebleven zal zijn in Assyrië en in Egypte,
in Pathros, Cusj, Elam,
en in Sinear, Hamath en op de eilanden in de zee.
12Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
; 43:5-65Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.
; Ez 37:2121En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.; Am 9:14-1514Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van Mijn volk Israël.
Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.15Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.
)
. Ze mogen wonen waar Hij woont. Dit betekent dat zij Zijn tegenwoordigheid zullen genieten. Het betekent ook dat Hij van hun aanwezigheid geniet. Zij zijn Hem tot een volk en Hij zal hun tot een God zijn.

Dat zal zo zijn omdat zij dan volkomen beantwoorden aan “waarheid” en “gerechtigheid”. “In waarheid” zal God al Zijn beloften vervullen en “in waarheid” zal het volk de beloften genieten. God doet dat “in gerechtigheid”, want er is aan Zijn recht voldaan door het kruiswerk van Zijn Zoon. Daardoor krijgt Zijn volk “in gerechtigheid” deel aan de zegen.


De zesde zegen

9Zo zegt de HEERE van de legermachten: Grijp moed, u die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit de mond van de profeten die er waren op de dag waarop het huis van de HEERE van de legermachten gegrondvest werd om de tempel te herbouwen.
10Vóór die dagen
was er immers geen loon voor de mensen,
en was er geen loon voor het vee.
Voor wie uittrok en wie binnenkwam, was er geen vrede, vanwege de tegenstander,
want Ik zette alle mensen tegen elkaar op.
11Maar nu zal Ik voor het overblijfsel van dit volk
niet meer zijn zoals in de vorige dagen,
spreekt de HEERE van de legermachten.
12Want het zaad zal voorspoedig zijn,
de wijnstok zal zijn vrucht geven,
het land zal zijn opbrengst geven,
de hemel zal zijn dauw geven.
Ik zal het overblijfsel van dit volk
dit alles in erfelijk bezit doen nemen.
13Het zal gebeuren, zoals u, huis van Juda en huis van Israël,
een vloek onder de heidenvolken geweest bent,
zo zal Ik u verlossen
en zult u een zegen worden.
Wees niet bevreesd, grijp moed.

De voorgaande beloften (verzen 1-81Het woord van de HEERE van de legermachten kwam [tot mij]:2Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Ik heb Mij met grote na-ijver voor Sion ingezet,
ja, met grote grimmigheid heb Ik Mij voor haar ingezet.3Zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HEERE van de legermachten ‘de heilige berg’.4Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Er zullen weer oude mannen en oude vrouwen zitten
op de pleinen van Jeruzalem,
ieder met zijn stok in zijn hand vanwege de hoge leeftijd.
5De pleinen van de stad zullen vol worden
met jongens en meisjes
die spelen op haar pleinen.6Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Al zou het in die dagen wonderlijk zijn
in de ogen van het overblijfsel van dit volk,
zou het ook in Mijn ogen wonderlijk zijn?
spreekt de HEERE van de legermachten.7Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, Ik ga Mijn volk verlossen uit het land waar [de zon] opkomt
en uit het land waar de zon ondergaat.
8Ik zal hen [hierheen] brengen,
zij zullen midden in Jeruzalem wonen.
Zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ík zal hun tot een God zijn,
in waarheid en in gerechtigheid.
)
zijn een bemoediging voor Zacharia en zijn tijdgenoten. De verzen 9-139Zo zegt de HEERE van de legermachten: Grijp moed, u die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit de mond van de profeten die er waren op de dag waarop het huis van de HEERE van de legermachten gegrondvest werd om de tempel te herbouwen.
10Vóór die dagen
was er immers geen loon voor de mensen,
en was er geen loon voor het vee.
Voor wie uittrok en wie binnenkwam, was er geen vrede, vanwege de tegenstander,
want Ik zette alle mensen tegen elkaar op.
11Maar nu zal Ik voor het overblijfsel van dit volk
niet meer zijn zoals in de vorige dagen,
spreekt de HEERE van de legermachten.
12Want het zaad zal voorspoedig zijn,
de wijnstok zal zijn vrucht geven,
het land zal zijn opbrengst geven,
de hemel zal zijn dauw geven.
Ik zal het overblijfsel van dit volk
dit alles in erfelijk bezit doen nemen.
13Het zal gebeuren, zoals u, huis van Juda en huis van Israël,
een vloek onder de heidenvolken geweest bent,
zo zal Ik u verlossen
en zult u een zegen worden.
Wees niet bevreesd, grijp moed.
zijn een bemoediging en een vermaning tegelijk. Dit gedeelte begint in vers 99Zo zegt de HEERE van de legermachten: Grijp moed, u die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit de mond van de profeten die er waren op de dag waarop het huis van de HEERE van de legermachten gegrondvest werd om de tempel te herbouwen.
met de vermaning “grijp moed” [letterlijk “laat uw handen sterk zijn”] en het eindigt daar ook mee in vers 1313Het zal gebeuren, zoals u, huis van Juda en huis van Israël,
een vloek onder de heidenvolken geweest bent,
zo zal Ik u verlossen
en zult u een zegen worden.
Wees niet bevreesd, grijp moed.
. De tussenliggende woorden zijn een aanmoediging daartoe.

Dit woord van aansporing komt tot hen die op dat moment de woorden van de profeet horen. Gods woorden houden altijd een aansporing in om het opgedragen werk te doen en geven daarbij tevens de kracht om het werk uit te voeren. Zo komt Gods Woord ook tot ons als een woord voor vandaag.

In vers 1010Vóór die dagen
was er immers geen loon voor de mensen,
en was er geen loon voor het vee.
Voor wie uittrok en wie binnenkwam, was er geen vrede, vanwege de tegenstander,
want Ik zette alle mensen tegen elkaar op.
wordt een motivatie gegeven voor de aansporing om moed te grijpen. Die motivatie ligt in het contrast tussen de huidige en de vroegere tijden. “Vóór die dagen”, dat zijn de dagen dat de bouw van de tempel is hervat en voortgezet, is er voor de mensen geen loon voor hun werk. Zelfs het vee krijgt niets.

Na de grondlegging van de tempel is de belangstelling voor de bouw ervan weggeëbd. Haggaï beschrijft de oorzaak ervan. Zolang ze aan zichzelf en hun eigen huis denken, hebben ze gebrek. Als God niet Zijn plaats en deel krijgt, zal de bewerking van het land niets opleveren. Al hun inzet levert niets op in vergelijking met de verrichte werkzaamheden. De resultaten zijn uiterst mager, ze zijn ver beneden de verwachting (Hg 1:9-119U rekent op veel, maar zie, het wordt weinig.
Wat u in huis bracht, daar blies Ik in.
Waarom? spreekt de HEERE van de legermachten.
Vanwege Mijn huis, dat verwoest ligt,
terwijl u zich uitslooft, ieder voor zijn eigen huis.10Daarom onthoudt de hemel u dauw,
en het land onthoudt [u] zijn opbrengst,
11want Ik riep droogte uit over het land en over de bergen
en over het koren, over de nieuwe wijn en over de olie,
en over wat het land oplevert,
over de mensen en over de dieren
en over al de inspanning van [uw] handen.
; 2:16,1916Nu dan, let toch aandachtig op,
vanaf deze dag en daarna,
voordat steen op steen gelegd werd
aan de tempel van de HEERE.
19Let toch aandachtig op,
vanaf deze dag en daarna,
vanaf de vierentwintigste dag van de negende [maand],
vanaf de dag dat de tempel van de HEERE gegrondvest is;
let aandachtig op.
)
.

Behalve tegenvallende resultaten is het ook mis met de leefomstandigheden. Er is geen vrede “voor wie uittrok en wie binnenkwam”. Er is geen veiligheid en geborgenheid om het kleine beetje resultaat van het harde zwoegen in vrede te genieten. De onvrede wordt niet veroorzaakt door een vijand van buiten, maar door intern wantrouwen. Iedereen is de tegenstander van de ander. Deze interne verdeeldheid en ruzie zijn hun gezonden door God. Het is Zijn tucht over het zoeken van hun eigen belangen, terwijl ze Zijn huis verwaarlozen.

Voor ons is ook altijd het gevaar aanwezig dat wij ons meer inzetten voor onze eigen huizen en belangen dan voor het huis van God en Zijn belangen. Het belangrijkste moet op de eerste plaats staan.

Maar de HEERE zal niet meer zo met hen doen, want “nu” is “het overblijfsel van dit volk” met Zijn huis bezig (vers 1111Maar nu zal Ik voor het overblijfsel van dit volk
niet meer zijn zoals in de vorige dagen,
spreekt de HEERE van de legermachten.
)
. Omdat zij niet meer zijn zoals in de vorige dagen, zal Hij ook niet meer zo voor hen zijn. Dit betekent dat Hij hen niet meer zal tuchtigen, want zij verwaarlozen Zijn huis niet meer ten gunste van de bouw van hun eigen huizen.

In vers 1111Maar nu zal Ik voor het overblijfsel van dit volk
niet meer zijn zoals in de vorige dagen,
spreekt de HEERE van de legermachten.
staat wat de HEERE niet meer voor hen zal zijn. In vers 1212Want het zaad zal voorspoedig zijn,
de wijnstok zal zijn vrucht geven,
het land zal zijn opbrengst geven,
de hemel zal zijn dauw geven.
Ik zal het overblijfsel van dit volk
dit alles in erfelijk bezit doen nemen.
laat de HEERE hun vervolgens weten wat Hij wel voor hen zal zijn. Hij zal het zaad voorspoed geven, wat betekent dat Hij hun een rijke oogst zal geven. Hetzelfde geldt voor de wijnstok. Dat zal gebeuren door de dauw van de hemel. De hemel, God, is de oorsprong van de zegen. Hij zal ervoor zorgen dat het overblijfsel al die zegen als hun eigen bezit zal genieten.

Als we op de zegeningen zien, zal dat ons kracht geven om het werk te doen dat de Heer ons heeft opgedragen. Wie iets voor God zoekt, zal zoveel zegen krijgen, dat hij het niet allemaal kan bevatten.

In vers 1313Het zal gebeuren, zoals u, huis van Juda en huis van Israël,
een vloek onder de heidenvolken geweest bent,
zo zal Ik u verlossen
en zult u een zegen worden.
Wees niet bevreesd, grijp moed.
gaan de gedachten verder naar de toekomst. Hier worden Juda en Israël samen genoemd. Juda, de twee stammen, en Israël, de tien stammen, zullen weer verenigd zijn tot één volk. Zij zullen onder één Hoofd, Jezus Christus, verenigd zijn.

De Joden worden onder de volken vaak als een vloek gezien. Zij krijgen de schuld van allerlei rampen. In het algemeen is het volk altijd door de naties veracht. God zal dat veranderen. Zijn volk zal door de volken erkend en geëerd worden.

Voor ons betekenen de voorgaande verzen dat ook wij geen voorspoed hebben als wij alleen of vooral aan eigen onze zaken denken. Zegen zal er zijn als wij eerst aan Gods huis, de gemeente, denken. De zegeningen van de hemelse gewesten (Ef 1:3-143Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,8waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;9daar Hij ons de verborgenheid van Zijn wil bekend heeft gemaakt, naar Zijn welbehagen,10dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;13in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.) zullen weer door ons genoten worden als we Gods huis de eerste plaats geven. Wij kunnen niet het gemeenteleven van Handelingen imiteren, maar wel naar Gods Woord luisteren voor onze tijd.


De zevende zegen

14Want zo zegt de HEERE van de legermachten: Zoals Ik Mij had voorgenomen u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij zeer toornig maakten, zegt de HEERE van de legermachten, en Ik er geen berouw over gekregen heb, 15zo heb Ik Mij in deze dagen opnieuw voorgenomen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda. Wees niet bevreesd! 16Dit zijn de dingen die u doen moet: spreek [de] waarheid tegen elkaar, oordeel [naar] waarheid in uw poorten met een oordeel [dat] de vrede [dient], 17bedenk in uw hart geen kwaad tegen elkaar en heb een valse eed niet lief, want dit alles is [iets] wat Ik haat, spreekt de HEERE.

In de verzen 14-1514Want zo zegt de HEERE van de legermachten: Zoals Ik Mij had voorgenomen u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij zeer toornig maakten, zegt de HEERE van de legermachten, en Ik er geen berouw over gekregen heb,15zo heb Ik Mij in deze dagen opnieuw voorgenomen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda. Wees niet bevreesd! neemt God het initiatief. Hij heeft hen niet voor altijd verstoten. Hij maakt Zijn Woord waar. Toen zij zondigden, heeft Hij hen moeten straffen (vers 1414Want zo zegt de HEERE van de legermachten: Zoals Ik Mij had voorgenomen u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij zeer toornig maakten, zegt de HEERE van de legermachten, en Ik er geen berouw over gekregen heb,). Dat had Hij Zich voorgenomen en dat heeft Hij gedaan. In Zijn tucht heeft Hij hen kwaad moeten doen. Maar die tijd is voorbij. Hij heeft hen tot Zichzelf teruggebracht. Ze dienen Hem en Zijn belangen.

Daarom heeft Hij Zich “opnieuw voorgenomen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda” (vers 1515zo heb Ik Mij in deze dagen opnieuw voorgenomen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda. Wees niet bevreesd!; Jr 31:2828Dan zal het gebeuren, dat Ik ten aanzien van hen zal waken om te bouwen en te planten, zoals Ik ten aanzien van hen gewaakt heb om weg te rukken en af te breken, om omver te halen en te vernielen, en [hun] kwaad aan te doen, spreekt de HEERE.
)
. Zijn handelen is altijd in overeenstemming met wat Hij Zich heeft voorgenomen. Hij hoeft nooit ergens op terug te komen. “Hij is geen mens, dat Hij ergens berouw over hebben zou” (1Sm 15:29b29Ook liegt de Onveranderlijke van Israël niet, en Hij heeft er geen berouw over; want Hij is geen mens, dat Hij ergens berouw over hebben zou.).

Zoals de straf van de ballingschap over Israël is gekomen door het voornemen van God, zo is er nu een voornemen van de HEERE om Juda goed te doen. Hij zegt door Jeremia: “Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad” (Jr 29:1111Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, [namelijk] om u toekomst en hoop te geven.). Ze hoeven er niet bang voor te zijn dat Hij niet doet wat Hij Zich ten goede heeft voorgenomen.

Wat Hij volgens Zijn voornemen heeft gedaan ten kwade, benadrukt des te meer dat Hij ten goede zal doen wat Hij Zich heeft voorgenomen. Dat Hij Zijn Woord heeft gehouden dat Hij ten kwade heeft gesproken, is de garantie dat Hij Zijn Woord zal houden dat Hij ten goede heeft gesproken.

Ze mogen rekenen op Zijn zegen. Maar er is ook een andere kant. Hij verwacht wel wat van hen. Wat dat is, staat in de verzen 16-1716Dit zijn de dingen die u doen moet: spreek [de] waarheid tegen elkaar, oordeel [naar] waarheid in uw poorten met een oordeel [dat] de vrede [dient],17bedenk in uw hart geen kwaad tegen elkaar en heb een valse eed niet lief, want dit alles is [iets] wat Ik haat, spreekt de HEERE.. In vers 1616Dit zijn de dingen die u doen moet: spreek [de] waarheid tegen elkaar, oordeel [naar] waarheid in uw poorten met een oordeel [dat] de vrede [dient], gaat het om daden, in vers 1717bedenk in uw hart geen kwaad tegen elkaar en heb een valse eed niet lief, want dit alles is [iets] wat Ik haat, spreekt de HEERE. om gedachten, het hart. Het eerste wat God wil dat gebeurt, is dat zij “waarheid tegen elkaar spreken”. Jeruzalem zal de stad van de waarheid worden genoemd (vers 33Zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HEERE van de legermachten ‘de heilige berg’.
)
. Dit betekent dat de bewoners ervan waarheid tegen elkaar zullen spreken. Leugen past niet bij iemand die of een volk dat met de God van de waarheid in verbinding staat. Het spreken van waarheid is altijd tot zegen.

Voor ons, leden van Gods gemeente, is dit ook een opdracht. Paulus haalt dit vers aan in zijn brief aan de Efeziërs. Hij geeft daar als reden: “Want wij zijn leden van elkaar” (Ef 4:2525Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar.). Omdat wij aan elkaar verbonden zijn als leden van hetzelfde lichaam, is het spreken van waarheid niet alleen een weldaad voor de ander, maar ook voor de spreker zelf. Als er waarheid wordt gesproken, verstevigt dat de band tussen de leden van Gods volk, terwijl leugen aan die band afbreuk doet.

Het spreken van waarheid moet zeker en vooral gebeuren in rechtszaken. De poort is de plaats waar de rechtspraak plaatsvindt (Gn 19:11De twee engelen kwamen 's avonds in Sodom aan, terwijl Lot in de poort van Sodom zat. Toen Lot [hen] zag, stond hij op om hun tegemoet te gaan, en boog hij zich met [zijn] gezicht ter aarde.; Ru 4:11Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.; Am 5:10,1210Zij haten wie in de poort opkomt voor het recht,
zij hebben een afschuw van wie de waarheid spreekt.12Want Ik weet dat uw overtredingen veel zijn,
en uw zonden talrijk:
u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de poort opzij.
)
. Als daar een oordeel wordt uitgesproken dat in overeenstemming met de waarheid is, zal dat de vrede dienen. Er zal geen tegenspraak of opstand komen. Een oordeel dat naar waarheid is, zal algemene instemming vinden.

In vers 1717bedenk in uw hart geen kwaad tegen elkaar en heb een valse eed niet lief, want dit alles is [iets] wat Ik haat, spreekt de HEERE. staat wat God haat. Het is de som van de twee stenen tafels van de wet. Wie de naaste liefheeft, zal geen kwaad in zijn hart tegen zijn broeder of zuster bedenken. Hij zal uit zijn op het goede voor de ander. Het liefhebben van de valse eed betekent dat Gods Naam wordt verbonden aan onrecht en leugen. Het gaat in beide gevallen om de innerlijke houding. God zegt niet alleen dat het verkeerd is, maar dat Hij het haat.


De achtste zegen

18Het woord van de HEERE van de legermachten kwam tot mij: 19Zo zegt de HEERE van de legermachten: Het vasten in de vierde, het vasten in de vijfde, het vasten in de zevende en het vasten in de tiende [maand], zal voor het huis van Juda worden tot vreugde, tot blijdschap en tot vreugdevolle feestdagen. Heb dan de waarheid en de vrede lief!

Hier geeft God antwoord op de vraag met betrekking tot de vastendagen. Het zullen dagen worden die vol vreugde worden gehouden. De oorzaak daarvan is dat ze zullen inzien dat die vastendagen hun aanleiding hebben in hun eigen ontrouw. Als er erkenning van zonden is, worden eerdere lasten bezigheden die vol vreugde worden verricht.

De HEERE zegt niet dat ze het vasten maar achterwege moeten laten. Hij somt nog een keer de twee vastendagen op die Hij in het vorige hoofdstuk heeft genoemd – het vasten in de vijfde en in de zevende maand (Zc 7:3,53zeiden zij tegen de priesters die in het huis van de HEERE van de legermachten waren, en tegen de profeten: Moet ik in de vijfde maand blijven treuren [en mij blijven] afzonderen, zoals ik dit nu [al] zoveel jaren gedaan heb?5Zeg tegen de hele bevolking van het land
en tegen de priesters:
Wanneer u deze zeventig jaar
gevast en rouw bedreven hebt in de vijfde en in de zevende [maand],
hebt u [dan] werkelijk voor Mij gevast?
)
– en voegt er nog twee aan toe. Daarmee komt het aantal vastendagen op vier.

De vastendagen zijn verbonden aan vier vreselijke gebeurtenissen in de recente geschiedenis van Israël en dienen om aan die vreselijke gebeurtenissen terug te denken.
1. Het vasten in de vierde maand is ter herinnering aan de inname van Jeruzalem door Nebukadnezar (2Kn 25:3-43Op de negende van de [vierde] maand, toen de hongersnood in de stad zo sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,4werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen [vluchtten en trokken] ‘s nachts [de stad uit] via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En [de koning] ging in de richting van de Vlakte.; Jr 39:22In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van die maand, werd de stad opengebroken.; 52:6-76In de vierde maand, op de negende van de maand, toen de hongersnood in de stad [zo] sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,7werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen vluchtten en trokken 's nachts de stad uit via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En zij gingen in de richting van de Vlakte.).
2. Het vasten in de vijfde maand vindt plaats vanwege de verwoesting van de stad en de tempel (2Kn 25:8-98Daarna, in de vijfde maand, op de zevende van de maand – dit jaar was het negentiende [regerings]jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, de dienaar van de koning van Babel, in Jeruzalem.9Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.; Jr 52:12-1312Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende [regerings]jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die in dienst stond van de koning van Babel, in Jeruzalem.13Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.).
3. Het vasten in de zevende maand gebeurt ter nagedachtenis aan de moord op Gedalia (Jr 41:1-171Het gebeurde echter in de zevende maand [dat] Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, [iemand] van koninklijken bloede, en de bevelhebbers van de koning en tien mannen met hem, naar Gedalia, de zoon van Ahikam, in Mizpa kwamen. Samen gebruikten zij daar de maaltijd in Mizpa.2Toen stond Ismaël, de zoon van Nethanja, op, met de tien mannen die bij hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, dood met het zwaard. Zo bracht hij hem ter dood die de koning van Babel over het land had aangesteld.3Ismaël versloeg alle Judeeërs die bij hem, [namelijk] bij Gedalia, in Mizpa waren, en de Chaldeeën, de strijdbare mannen, die zich daar bevonden.4Het gebeurde op de tweede dag, nadat hij Gedalia ter dood gebracht had – en niemand wist [het nog] –5dat er mannen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria aankwamen, tachtig man, met afgeschoren baard, gescheurde kleren, die [hun lichaam] gekerfd hadden, met in hun hand een graanoffer en wierook om in het huis van de HEERE te brengen.6Ismaël, de zoon van Nethanja, ging Mizpa uit, hun tegemoet, [en] ging al huilend [zijn] weg. Het gebeurde, zodra hij hen tegenkwam, dat hij tegen hen zei: Kom naar Gedalia, de zoon van Ahikam.7Het gebeurde echter zodra zij in het midden van de stad gekomen waren, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, hen afslachtte. Hij en de mannen die bij hem waren, [wierpen hen] midden in de put.8Er bevonden zich echter onder hen tien mannen die tegen Ismaël zeiden: Breng ons niet ter dood, want wij hebben verborgen voorraden in het veld: tarwe, gerst, olie en honing. Toen zag hij ervan af en bracht hen niet ter dood te midden van hun broeders.9De put nu, waarin Ismaël alle dode lichamen geworpen had van de mannen die hij aan de zijde van Gedalia doodgeslagen had, is dezelfde [put] die koning Asa had gemaakt vanwege Baësa, de koning van Israël. Ismaël, de zoon van Nethanja, vulde deze met de gesneuvelden.10Ismaël voerde heel het overblijfsel van het volk dat in Mizpa was, als gevangene weg, [te weten] de dochters van de koning en heel het volk dat in Mizpa was overgebleven, waarover Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, Gedalia, de zoon van Ahikam, had aangesteld. Ismaël, de zoon van Nethanja, voerde hen als gevangenen weg en ging [op weg] om naar de Ammonieten over te steken.11Toen Johanan, de zoon van Kareah, en alle bevelhebbers van de legers die bij hem waren, van al het kwaad hoorden dat Ismaël, de zoon van Nethanja, had gedaan,12namen zij alle manschappen mee en gingen [op weg] om te strijden tegen Ismaël, de zoon van Nethanja. Zij troffen hem bij het grote water dat bij Gibeon is.13Het gebeurde nu, zodra heel het volk dat bij Ismaël was, Johanan, de zoon van Kareah en alle bevelhebbers van de legers die bij hem waren, zag, dat zij verblijd waren.14Heel het volk dat Ismaël als gevangene uit Mizpa had weggevoerd, keerde zich om, ging terug en liep over naar Johanan, de zoon van Kareah.15Ismaël echter, de zoon van Nethanja, ontkwam met acht man aan Johanan, en hij ging naar de Ammonieten.16Toen nam Johanan, de zoon van Kareah, met alle bevelhebbers van de legers die bij hem waren, heel het overblijfsel van het volk mee dat hij van Ismaël, de zoon van Nethanja, uit Mizpa had teruggebracht, nadat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, had doodgeslagen – mannen, strijdbare mannen, vrouwen, kleine kinderen en hovelingen, die hij uit Gibeon had teruggebracht.17Zij gingen [op weg] en verbleven in Geruth Chimham, dat bij Bethlehem ligt, om verder te trekken om in Egypte te komen,; 2Kn 25:2525Het gebeurde echter in de zevende maand dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, [iemand] van koninklijken bloede, kwam, en tien mannen met hem. Zij sloegen Gedalia neer, zodat hij stierf, evenals de Judeeërs en de Chaldeeën die bij hem in Mizpa waren.).
4. Het vasten in de tiende maand is vanwege de belegering van Jeruzalem die begon op de tiende van de tiende maand (2Kn 25:11Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.; Jr 52:44Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.; Ez 4:11En u, mensenkind, neem u een tegel, leg die vóór u neer en teken daarop een stad, Jeruzalem.; 24:22Mensenkind, schrijf voor uzelf de naam van de dag op, [juist] deze zelfde dag: op deze zelfde dag heeft de koning van Babel het beleg voor Jeruzalem geslagen.).

Tegen de achtergrond van de door het volk zelf ingestelde vastendagen roept de HEERE op tot het liefhebben van de waarheid en de vrede. Eerst wordt liefde tot de waarheid genoemd en dan liefde tot de vrede (2Tm 2:2222Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.). Er kan namelijk geen vrede zijn zonder waarheid. God heeft de waarheid gesproken, daarom zullen zij (en wij) de waarheid liefhebben. Op grond van waarheid geeft Hij vrede, daarom zullen zij (en wij) de vrede liefhebben.

Als het volk de waarheid en de vrede liefheeft, zullen ze hun verleden veroordelen. De aanleidingen tot vasten zijn immers gelegen in hun eigen ontrouw en afwijking. Als ze dat erkennen, zullen deze verschillende aanleidingen tot vasten veranderd worden in blijdschap en vreugdevolle feesten. Een feest is een gemeenschappelijk iets. Mensen komen bij elkaar om samen vrolijk te zijn.

De HEERE zal deze vastendagen veranderen in dagen van blijdschap en vreugdevolle feesten. Dit betekent dat Hij hun een zo volle rijkdom aan behoudenis zal schenken, dat Juda niet meer zal denken aan de vroegere verdrietige gebeurtenissen. De nieuwe situatie van zegen spoelt alle leed en verdriet van het verleden weg. Er is alleen maar vreugde vanwege de zegeningen die hun uit genade door God geschonken zijn (Js 35:1010Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;
zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.
)
.


De negende zegen

20Zo zegt de HEERE van de legermachten: Er zullen weer volken komen en inwoners van veel steden. 21De inwoners van de ene [stad] zullen gaan naar [die van de] andere [en] zeggen: Laten we meteen gaan om het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, om de HEERE van de legermachten te zoeken; ík zal ook gaan. 22Dan zullen veel volken komen en machtige heidenvolken, om de HEERE van de legermachten in Jeruzalem te zoeken en om het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen.

De zegen zal niet tot het huis van Juda beperkt blijven (vers 1515zo heb Ik Mij in deze dagen opnieuw voorgenomen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda. Wees niet bevreesd!), maar zich ook tot de volken en de inwoners van steden buiten Israël uitstrekken (vers 2020Zo zegt de HEERE van de legermachten: Er zullen weer volken komen en inwoners van veel steden.). Als Israël eenmaal bekeerd is, zal dat de wereld aantrekken naar dat land te gaan (Js 2:1-51Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
2Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
5Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEERE.
; Mi 4:1-51Het zal echter in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE
vast zal staan als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat de volken ernaartoe zullen stromen.2Vele heidenvolken zullen op weg gaan
en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.3Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.4Maar zij zullen zitten,
ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom,
niemand zal [ze] schrik aanjagen,
want de mond van de HEERE van de legermachten heeft [het] gesproken.5Want alle volken gaan [op weg],
elk in de naam van zijn god,
maar wij zullen [op weg] gaan
in de Naam van de HEERE, onze God,
voor eeuwig en altijd.
)
. In tegenstelling tot de weinige en zwakke Joden die nu de tempel bouwen, zal er in de toekomst van dit volk een enorme aantrekkingskracht uitgaan. Daardoor zullen veel en sterke volken naar Jeruzalem komen. Hun doel is daar de HEERE te zoeken en Hem te aanbidden en Hem daardoor “gunstig te stemmen” (Js 60:33En heidenvolken zullen naar uw licht gaan
en koningen naar de glans van uw dageraad.
; 66:2323En het zal geschieden dat van nieuwe maan tot nieuwe maan
en van sabbat tot sabbat
alle vlees zal komen
om zich neer te buigen voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
)
.

Dat de inwoners van de ene stad naar de andere zullen gaan, toont hun zorg voor het geestelijk welzijn van elkaar (vers 2121De inwoners van de ene [stad] zullen gaan naar [die van de] andere [en] zeggen: Laten we meteen gaan om het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, om de HEERE van de legermachten te zoeken; ík zal ook gaan.). Ze willen anderen stimuleren te gaan naar de plaats van aanbidding en zegen en wel “meteen”. Er is geen tijd te verliezen. Ze sporen die anderen niet alleen aan, maar geven zelf het goede voorbeeld, “ík zal ook gaan”. Ze gaan zelf voorop. De anderen kunnen volgen.

Ze leggen ijver voor de eer en glorie van God aan de dag in hun bereidheid om God te eren op de plaats waar Hij woont. Er is geen betere methode voor vaders om hun gezin te stimuleren en te motiveren naar de samenkomst van de gemeente te gaan dan zelf voorop te gaan. Goed voorbeeld doet goed volgen.

Ook de volken zullen beseffen dat het gunstig stemmen van de HEERE alleen kan door Hem te erkennen in Zijn rechten (vers 2222Dan zullen veel volken komen en machtige heidenvolken, om de HEERE van de legermachten in Jeruzalem te zoeken en om het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen.). Dat hebben ze eerder niet gedaan, maar dat doen ze nu. Dat houdt ook in dat ze zullen vragen naar Zijn wil, hoe Hij gediend en aangebeden wil worden. Ze vragen naar Zijn wet. Deze zaak vraagt de grootste spoed. Ze willen het aangezicht van de HEERE zoeken. Dit betekent dat Hij alleen het Voorwerp van hun gebeden is en niet langer iets van de schepping of eigenhandig gemaakte afgoden.


De tiende zegen

23Zo zegt de HEERE van de legermachten: In die dagen [zal het gebeuren] dat tien mannen uit alle talen van de heidenvolken, vastgrijpen, ja, de punt [van de mantel] van een Joodse man zullen zij vastgrijpen, en zeggen: Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord [dat] God met u is.

Het vastgrijpen van de slip gebeurt nu niet om de Jood te terroriseren, maar geeft het verlangen aan naar de zegen en voorrechten die de Joden bezitten (Nm 15:3838Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen dat zij voor zichzelf, [al] hun generaties door, kwastjes moeten maken aan de hoeken van hun kleren. Aan de kwastjes aan de hoek moeten zij een blauwpurperen draad bevestigen.; Dt 22:1212Aan de vier hoeken van het bovenkleed waarin u zich hult, moet u voor uzelf kwastjes maken.). Het vastgrijpen van de mantel is het gebaar van een smekeling (Js 3:66Ja, iemand zal zijn broer uit het huis van zijn vader vastgrijpen [met de woorden]:
Jij hebt [nog] een mantel, wees leider over ons,
en neem deze puinhoop onder je hoede.
; 4:11Op die dag zullen zeven vrouwen
één man vastgrijpen
[en] zeggen: Ons [eigen] brood zullen wij eten
en met onze [eigen] kleren zullen wij ons kleden.
Laat ons slechts uw naam mogen dragen.
Neem onze smaad weg!
)
.

Hoewel God in de harten moet werken, wil Hij toch graag het getuigenis van de gelovigen gebruiken om mensen ertoe te brengen naar Hem te vragen. Omdat de tien mannen hebben gehoord dat God met de Joden is, willen ze met hen meegaan. Wat ze hebben gehoord, hebben ze ook geloofd. Ze zijn gekomen omdat ze graag willen delen in de godsdienstige voorrechten van de Joden.

Er is een groot gebrek aan geluk en blijdschap in de wereld. Als geluk en blijdschap in de verbinding met de Heer en met elkaar onder de gelovigen worden gevonden, zal dat mensen uit de wereld aantrekken. Ze zullen ons vragen met ons mee te mogen naar een plaats waar de Heer Jezus aangebeden wordt. Het is een goede evangelieprediking. Als ongelovigen in de samenkomst van de gemeente komen, is het mogelijk dat ze tot de erkenning komen dat God aanwezig is (1Ko 14:2525het verborgene van zijn hart wordt openbaar, en dus zal hij op zijn aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is.).


Lees verder