Zacharia
Inleiding 1 Een vliegende boekrol 2 De maten van de boekrol 3 De tweeledige, algemene vloek 4 De vloek gaat uit 5-6 De efa 7-8 De vrouw in de efa 9 Twee vrouwen en de efa 10-11 De efa naar Sinear
Inleiding

In Zacharia 4 wordt het volk getoond naar het ideaal van God. Zacharia 5 laat het volk zien zoals het werkelijk is. Daarom handelt het over het oordeel, evenals het laatste nachtgezicht in Zacharia 6 (Zc 6:1-81Opnieuw sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, vier wagens kwamen tevoorschijn tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper.2De eerste wagen had rode paarden, de tweede wagen zwarte paarden,3de derde wagen witte paarden en de vierde wagen sterke, gevlekte paarden.4Ik nam het woord en zei tegen de Engel Die met mij sprak: Wat betekenen deze [wagens], mijn Heere?5Daarop antwoordde de Engel en zei tegen mij: Dat zijn de vier winden van de hemel, die eropuit trekken van [de plaats] waar zij voor de Heere van heel de aarde hebben gestaan.6Die de zwarte paarden hebben, trekken uit naar het land van het noorden; de witte [paarden] trekken uit, hen achterna, en de gevlekte trekken uit naar het land van het zuiden.7En de sterke [paarden] trokken uit en wilden het land doorgaan, want Hij had gezegd: Ga, ga het land door. Toen gingen zij het land door.8Vervolgens riep Hij mij en sprak tot mij: Zie, zij die zijn uitgetrokken naar het land van het noorden, hebben Mijn geest doen rusten in het land van het noorden.). Tot nu toe heeft bemoediging geklonken, maar nu wordt het oordeel aangekondigd vanwege de werkelijke toestand van het volk.

In het zesde nachtgezicht met daarin de vliegende boekrol (verzen 1-41Opnieuw sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, een vliegende boekrol.2Hij zei tegen mij: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een vliegende boekrol. Zijn lengte is twintig el en zijn breedte tien el.3Toen zei Hij tegen mij: Dit is de vloek die zal uitgaan over heel het land. Volgens deze vloek zal namelijk ieder die steelt, vanhier weggevaagd worden, en volgens deze [vloek] zal ieder die een valse eed aflegt, vanhier weggevaagd worden.4Ik heb deze [vloek] doen uitgaan,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Hij zal naar het huis van de dief gaan,
en naar het huis van hem die in Mijn Naam een valse eed aflegt.
Hij zal midden in zijn huis overnachten
en het vernietigen, met zijn hout en zijn stenen.
)
worden de overtreders van de wet geoordeeld en worden zo de zondaars weggedaan. In het zevende nachtgezicht met daarin de vrouw in de efa (verzen 5-115En de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en zei tegen mij: Sla toch uw ogen op en zie wat daar tevoorschijn komt.6Ik zei: Wat is dat? Hij zei: Dat is een efa die tevoorschijn komt. Hij zei: Dat is het oog [dat] over hen [waakt] in heel het land.7En zie, een loden deksel werd opgelicht, en er was een vrouw, [die] midden in de efa zat.8En Hij zei: Dit is [vrouwe] Goddeloosheid. Hij wierp haar [terug] midden in de efa en Hij wierp het loden gewicht op de opening ervan.9Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie, twee vrouwen kwamen tevoorschijn met de wind onder hun vleugels. Zij hadden vleugels als de vleugels van een ooievaar en zij tilden de efa op tussen de aarde en de hemel.10Toen zei ik tegen de Engel Die met mij sprak: Waar brengen zij deze efa heen?11Hij zei tegen mij: Naar het land Sinear om voor haar een huis te bouwen. Is het gereed, dan wordt zij daar op haar voetstuk geplaatst.) wordt het land gereinigd door de goddeloosheid, het beginsel van de zonde, eruit te verwijderen. Zo zal het land werkelijk het “heilige land” worden (Zc 2:1212De HEERE zal Juda in eigendom nemen
[als] Zijn deel in het heilige land.
Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
)
.


Een vliegende boekrol

1Opnieuw sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, een vliegende boekrol.

Zacharia slaat in een visioen opnieuw zijn ogen op. In het visioen ziet hij “een vliegende boekrol”. De vliegende boekrol stelt de actieve kracht van het Woord van God voor, dat hier in oordeel werkzaam is, een oordeel dat snel wordt voltrokken.

De boekrol speelt in de Schrift een grote rol. Hij bevat de raadsbesluiten van God ten aanzien van Christus (Ps 40:88Toen zei Ik: Zie, Ik kom,
in de boekrol is over Mij geschreven.
)
, Zijn genade die Hij in de Heer Jezus openbaart. De boekrol bevat ook Gods voornemens met de aarde. Die boekrol is in de hand van God en wordt aan de Heer Jezus, het Lam, gegeven (Op 5:77En Het kwam en nam [het boek] uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat.; vgl. Ez 2:1,2,9,101Hij zei tegen mij: Mensenkind, ga op uw voeten staan, en Ik zal met u spreken.2Terwijl Hij tot mij sprak, kwam de Geest in mij. Hij deed mij op mijn voeten staan en ik luisterde naar Hem Die tot mij sprak.9Toen zag ik, en zie, er was een hand naar mij uitgestoken. En zie, daarin was een boekrol.10En Hij spreidde die voor mijn gezicht uit: hij was vanvoren en vanachteren beschreven. Er waren klaagliederen, zuchten en weeklachten op geschreven.). De hoofdgedachte in Openbaring is enerzijds Gods genade in redding voor Zijn volk, de gelovigen, en anderzijds het oordeel over de goddelozen. Hier in Zacharia gaat het om het oordeel over Zijn ontrouwe volk.


De maten van de boekrol

2Hij zei tegen mij: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een vliegende boekrol. Zijn lengte is twintig el en zijn breedte tien el.

De HEERE vraagt Zacharia wat hij ziet. Zacharia antwoordt met een nauwkeurige beschrijving van de boekrol. Hij ziet dat deze vliegt. Ook geeft hij de lengte- en breedtemaat ervan, omdat het opvallende maten zijn.

De maten van de boekrol zijn de maten van Gods heiligdom, het heilige van de tempel (1Kn 6:33En de voorhal, vóór aan de grote zaal van het huis, was twintig el in zijn lengte, overeenkomstig de breedte van het huis, [en] tien el in zijn breedte, vóór aan het huis.). Dat wijst erop dat het Woord van God in niets afwijkt van wat passend is voor Gods tegenwoordigheid, maar er volledig mee in overeenstemming is. Het is een groot boek, want het bevat veel vloeken vanwege de vele zonden van het volk. Het is een volledig ontrold boek, het is door iedereen te lezen, en ook lang en breed, door allen te zien en waar te nemen. De boodschap van oordeel is voor niemand verborgen.

We kunnen hieruit leren dat God het oordeel op de geestelijke toestand van het volk toepast naar de maat van het heiligdom. De relatie tussen dit boek met vloeken en het heiligdom bepaalt ons er ook bij dat het oordeel begint bij het huis van God (Ez 9:66Dood ouderen, jongemannen en meisjes, kleine kinderen en vrouwen, om hen te gronde te richten. Raak echter niemand aan op wie het merkteken is. Begin vanuit Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oudere mannen die zich vóór het huis bevonden.; 1Pt 4:1717Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; als het echter eerst bij ons [begint], wat zal het einde zijn van hen die het evangelie van God niet gehoorzamen?). Met deze maat zullen alle zondaars gemeten worden. Dit betekent dat zij geen deel uitmaken van de gemeente van God en dat zij verwijderd zullen zijn en blijven van de heilige plaats waar God woont.


De tweeledige, algemene vloek

3Toen zei Hij tegen mij: Dit is de vloek die zal uitgaan over heel het land. Volgens deze vloek zal namelijk ieder die steelt, vanhier weggevaagd worden, en volgens deze [vloek] zal ieder die een valse eed aflegt, vanhier weggevaagd worden.

Het is een boek met vervloekingen voor “heel het land”, omdat het hele land vol van zonde is. De vloek treft in het bijzonder de leden van Gods volk die dieven zijn en die vals zweren. Niet alle zonden worden opgesomd. Ze worden samengevat in de zonde tegenover de naaste, stelen, en tegenover God, een valse eed afleggen. We zien deze tweedeling dan ook in de tien geboden op de twee stenen tafelen van de wet (Lk 10:2727Hij nu antwoordde en zei: ‘U zult [de] Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf’.). Wie zich aan één gebod schuldig maakt, is schuldig aan alle (Jk 2:1010Want wie de hele wet houdt, maar in één [gebod] struikelt, is schuldig geworden aan alle.).

Stelen is de overtreding van het achtste gebod (Ex 20:1515U zult niet stelen.). Het is een zonde tegen de naaste, maar ook tegen God, want bij elke zonde wordt van Hem gestolen waar Hij recht op heeft. Elk beetje christelijke belijdenis dat niet het werk van God is, is gestolen.

Vals zweren is de overtreding van het derde gebod (Ex 20:77U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.). Het is een zonde tegen God waarbij Zijn Naam ten onrechte wordt gebruikt en wordt verbonden aan onze eigen zaken. Deze zonde gebeurt als een verkeerde zaak wordt goedgekeurd door de Naam van God eraan te verbinden. Zo is Gods Naam verbonden aan veel zaken in de christenheid die Hij haat en waarover Hij het oordeel, de vloek, zal brengen.

Misbruik van de Naam van de Heer kan ook met betrekking tot het samenkomen tot de Naam van de Heer of in Zijn Naam profetieën uitspreken, zoals ‘zo zegt de Heer’ in de charismatische kringen. Als we belijden in de Naam van de Heer samen te komen, maar we doen dat op sektarische grondslag, betekent het dat we Zijn Naam ijdel gebruiken, daar vals bij zweren. We stelen bijvoorbeeld van Hem als we tijd die Hem toekomt voor onszelf gebruiken en als we geld dat Hem toekomt voor onszelf besteden. Op deze wijze moeten wij op onszelf toepassen wat op de boekrol staat geschreven.


De vloek gaat uit

4Ik heb deze [vloek] doen uitgaan,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Hij zal naar het huis van de dief gaan,
en naar het huis van hem die in Mijn Naam een valse eed aflegt.
Hij zal midden in zijn huis overnachten
en het vernietigen, met zijn hout en zijn stenen.

De HEERE doet Zelf de vloek uitgaan, dat wil zeggen vanuit Zijn tegenwoordigheid. Hij zegt dit als “de HEERE van de legermachten”. Als Hij de vloek doet uitgaan, is die door niets en niemand tegen te houden. De vloek gaat uit en wordt gericht gestuurd naar het huis van zowel de dief als van hem die vals zweert. God weet iedere boosdoener te vinden (Jr 23:2424Zou iemand zich op verborgen plaatsen kunnen verbergen
en zou Ík hem niet zien? spreekt de HEERE.
Vervul Ik niet de hemel en de aarde?
spreekt de HEERE.
)
om hem zijn rechtvaardige straf te bezorgen. Al denken zij dat niemand hun zonden ziet, voor God is niets verborgen (Ps 94:7,97en zeggen: De HEERE ziet het niet,
de God van Jakob merkt het niet.9Zou Hij Die het oor plant, niet horen?
Zou Hij Die het oog vormt, niet zien?
)
.

De vloek gaat het huis van de wetsovertreder binnen en neemt daar de centrale plaats in, “midden in zijn huis”. Hij is er niet uit te verjagen, er is geen bezwering tegen mogelijk. De vloek overnacht er en doet vanaf zijn centrale positie zijn vernietigend werk. Het hele huis gaat eraan (vgl. Lv 14:4545Dan moet men het huis, de stenen en het hout ervan afbreken, en [ook] al het leem van het huis, en men moet het buiten de stad brengen, naar een onreine plaats.). Er blijft niets over van hun eigen huis waarvoor ze zich zo hebben ingespannen, terwijl ze Gods huis hebben verwaarloosd.


De efa

5En de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en zei tegen mij: Sla toch uw ogen op en zie wat daar tevoorschijn komt. 6Ik zei: Wat is dat? Hij zei: Dat is een efa die tevoorschijn komt. Hij zei: Dat is het oog [dat] over hen [waakt] in heel het land.

Het lijkt erop dat de Engel Zich na het visioen van de boekrol heeft teruggetrokken en nu weer naar voren komt met een nieuwe mededeling in een nieuw visioen (vers 55En de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en zei tegen mij: Sla toch uw ogen op en zie wat daar tevoorschijn komt.). Hij zegt tegen Zacharia dat hij zijn ogen moet opslaan om te zien wat er tevoorschijn komt.

Dit nachtgezicht, het zevende, gaat over “een efa”, dat is een korenmaat van vermoedelijk tussen de twintig en vijfenveertig liter. De efa staat symbool voor beroep en handel die eerlijk moeten worden bedreven (Ez 45:9-119Zo zegt de Heere HEERE: Laat het u genoeg zijn, vorsten van Israël! Doe geweld en verwoesting weg en doe recht en gerechtigheid. Hef uw afpersingen van Mijn volk op, spreekt de Heere HEERE.10U moet een zuivere weegschaal, een zuivere efa(1) en een zuivere bath(2) hebben.11De efa en de bath moeten een vaste [inhouds]maat hebben, zodat een bath een tiende van een homer(3) bevat, en [ook] een efa een tiende deel van een homer. De maat ervan moet volgens de homer zijn.; Am 8:55door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.). God heeft de zonde precies gemeten en tevens onder controle. Hier stelt de efa het zondige systeem voor, terwijl het in het vorige gezicht over de zondige daden gaat. Dit zondige systeem wordt in het hele land gevonden en gehandhaafd. Er wordt over gewaakt dat dit heersende systeem niet wordt aangetast. Het beheerst het hele geestelijke klimaat.


De vrouw in de efa

7En zie, een loden deksel werd opgelicht, en er was een vrouw, [die] midden in de efa zat. 8En Hij zei: Dit is [vrouwe] Goddeloosheid. Hij wierp haar [terug] midden in de efa en Hij wierp het loden gewicht op de opening ervan.

Op de efa ligt een loden deksel (vers 77En zie, een loden deksel werd opgelicht, en er was een vrouw, [die] midden in de efa zat.), wat de absoluutheid van de heersende goddeloosheid benadrukt, maar tegelijk ook de volle openbaring tegenhoudt. Zo wordt dit hier door God aangeduid. Het deksel is geen verhindering voor God om te openbaren welke verborgen macht er achter de goddeloosheid werkzaam is, waardoor de goddeloosheid wordt bestuurd. Het deksel wordt opgelicht om Zacharia en ons erin te laten kijken.

In de efa zit een vrouw. De vrouw of het vrouwelijke als symbool stelt vaak een bepaalde positie voor die iemand of iets inneemt. Deze vrouw symboliseert de positie die de afgoderij in Gods volk heeft gekregen. Afgoderij heeft er een vaste plaats gekregen. Dat de vrouw zit, betekent dat ze in volkomen rust is en de situatie beheerst.

De vrouw heet “Goddeloosheid”. Zij stelt de goddeloosheid voor (vgl. Op 17:33En hij voerde mij weg in [de] Geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was [en] zeven koppen en tien horens had.-5). Dit beantwoordt aan wat Paulus “de verborgenheid van de wetteloosheid” noemt (2Th 2:77Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen Hij Die nu tegenhoudt, [blijft] totdat Hij weggenomen wordt.). De Septuaginta – de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament – gebruikt hier in Zacharia dezelfde woorden als Paulus in de tweede brief aan de Thessalonicenzen.

“De zonde is de wetteloosheid” (1Jh 3:5b5En u weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij <onze> zonden zou wegnemen; en in Hem is geen zonde.), dat wil zeggen het niet erkennen van enig gezag. In onze dagen zien we de voorboden van de grote afval. De aanwezigheid van de Heilige Geest houdt de volle ontplooiing nog tegen. Onze morele normen verlagen zich ongemerkt tot de normen die in de wereld gelden. Die verlaging werkt door in onze dienst voor de Heer.

Dit visioen toont aan dat in het volk van God afgodische beginselen aan het werk zijn. Dat is voor God niet verborgen, maar velen van Gods volk zien dit niet. Zacharia krijgt er inzicht in, zoals iedere gelovige die met de Heer leeft, dit inzicht krijgt als hij Gods Woord leest.

Het kwaad is hier in de kiem aanwezig. Het wordt nog beteugeld door het loden deksel. God laat nog niet toe dat de volle openbaring van de goddeloosheid er is (2Th 2:6-86En nu, u weet wat [hem] tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn eigen tijd.7Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen Hij Die nu tegenhoudt, [blijft] totdat Hij weggenomen wordt.8En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst;).


Twee vrouwen en de efa

9Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie, twee vrouwen kwamen tevoorschijn met de wind onder hun vleugels. Zij hadden vleugels als de vleugels van een ooievaar en zij tilden de efa op tussen de aarde en de hemel.

Als Zacharia zijn ogen nog eens opslaat, ziet Hij twee vrouwen tevoorschijn komen. We kunnen hen als tweelingzussen beschouwen. Zij stellen het burgerlijke en geestelijke gezag voor, of bijgeloof en ongeloof, of farizeeën en sadduceeën. We kunnen hen beschouwen als de demonische tegenhangers van Zerubbabel en Jozua. De afgoderij heeft Zerubbabel en Jozua verdrongen van hun door God gegeven plaats als leiders van Gods volk en heeft hun plaats ingenomen.

Ze worden door de wind, een beeld van demonische krachten – ‘wind’ en ‘geest’ zijn hetzelfde woord –, gedragen en voortgedreven en voeren het volk naar de totale afval. Zij hebben, om zo te zeggen, de wind in de zeilen en hebben voorspoed in hun boze onderneming. We zien vaak dat goddeloze mensen in voorspoed leven (Ps 73:2-52Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden,
mijn schreden waren haast uitgeschoten,
3want ik was jaloers op de dwazen,
toen ik de vrede van de goddelozen zag.
4Tot aan hun dood zijn er immers geen boeien,
en hun kracht is fris.
5Zij verkeren niet in moeiten, [zoals andere] stervelingen,
en worden niet gekweld met [andere] mensen.
)
.

De vrouwen hebben “vleugels als de vleugels van een ooievaar”. Een ooievaar is een onreine vogel (Lv 11:1919de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis.). Door deze verdorven machten wordt de efa met de vrouw erin – het afvallige Israël – opgetild “tussen de hemel en de aarde”. In die positie kan geen aardse macht erbij komen en er iets mee doen. God kan het wel, maar Hij laat het kwaad zich ontwikkelen tot de maat vol is. De ooievaar is een sterke vogel die in staat is om een lange afstand af te leggen.


De efa naar Sinear

10Toen zei ik tegen de Engel Die met mij sprak: Waar brengen zij deze efa heen? 11Hij zei tegen mij: Naar het land Sinear om voor haar een huis te bouwen. Is het gereed, dan wordt zij daar op haar voetstuk geplaatst.

De profeet vraagt niet wat de efa betekent, hij vraagt ook niet naar de betekenis van de vrouwen die hem dragen, maar wil alleen weten waar de efa heen wordt gebracht (vers 1010Toen zei ik tegen de Engel Die met mij sprak: Waar brengen zij deze efa heen?).

Het antwoord gaat verder dan de vraag (vers 1111Hij zei tegen mij: Naar het land Sinear om voor haar een huis te bouwen. Is het gereed, dan wordt zij daar op haar voetstuk geplaatst.). De Engel beantwoordt de vraag waar de vrouwen de efa naartoe brengen, maar voegt er nog enkele bijzonderheden aan toe. De efa wordt naar Sinear gebracht. In Sinear ligt Babel (Gn 10:1010Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.; 11:2,92En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.). Het is het land waar de mens zich voor het eerst verenigt in opstand tegen God. Daar hoort de vrouw in de efa thuis. De beginselen van de afgoderij horen thuis in Babel, maar ze worden gevonden onder het overblijfsel.

In de – nu nabije – toekomst zullen deze afgodische beginselen hun ware plaats, “haar voetstuk”, weer krijgen. In het geloof moeten wij ze die plaats nu al geven. De bouw van een huis veronderstelt een vaste woonplaats. Dat is op de plaats waar de goddeloosheid vandaan is gekomen. De goddeloosheid wordt naar zijn oorsprong teruggevoerd.

Babel loochent God niet, maar wil zich in zijn hoogmoed aan God gelijk maken. Het is een godsdienstig systeem dat altijd in opstand is tegen God. Dit systeem heeft grote aantrekkingskracht op het volk van God (Jz 7:2121Want ik zag onder de buit een mooie kostbare Babylonische mantel, tweehonderd sikkel zilver, en een goudstaaf met een gewicht van vijftig sikkel. Ik begeerde ze en nam ze mee. En zie, ze zijn verborgen in de grond, in het midden van mijn tent, en het zilver eronder.). Hoeveel is door ons van ‘Babel’, dat is de naamchristelijke wereld, overgenomen in onze dienst aan God? Het is afgoderij en moet uit het land worden verwijderd.


Lees verder