Zacharia
Inleiding 1 Zacharia gewekt 2-3 De kandelaar en de twee olijfbomen 4-5 Vraag naar het visioen 6 Niet door kracht, maar door Gods Geest 7 Genade, genade 8-9 Belofte van de voltooiing 10 De dag van de kleine dingen 11-12 Vraag naar de olijfbomen 13-14 Wat de olijfbomen voorstellen
Inleiding

In Zacharia 3 gaat het over het godsdienstige hoofd, de hogepriester. In Zacharia 4 gaat het over het politieke hoofd, de vorst.

Eerst wordt Gods ideaal voorgesteld, dat Israël een getuigenis voor Hem in de wereld zal zijn. Daarna zien we ook de kracht die God geeft om daaraan te beantwoorden.


Zacharia gewekt

1De Engel Die met mij sprak, kwam terug en wekte mij, zoals iemand die uit zijn slaap gewekt wordt.

Het lijkt erop dat Zacharia door wat hij heeft gezien in een slaaptoestand is gekomen (vgl. Dn 8:1818Terwijl hij met mij sprak, viel ik in een diepe slaap, met mijn gezicht op de grond. Toen raakte hij mij aan en liet mij opstaan op de plaats waar ik gestaan had.; 10:9-109Toen hoorde ik het geluid van Zijn woorden. En toen ik het geluid van Zijn woorden hoorde, viel ik in een diepe slaap op mijn gezicht, en met mijn gezicht op de grond.10En zie, een hand raakte mij aan en maakte dat ik bevend op [mijn] handen en knieën [steunde].). Hij moet wakker worden gemaakt, omdat er nog meer te zien en door te geven is. Het is nog niet afgelopen.

Dat Zacharia wakker wordt gemaakt, veronderstelt dat dit nachtgezicht bijzonder bedoeld is voor een tijd van geestelijk ontwaken. Deze profetie wordt gegeven om hen te bemoedigen die het huis van God bouwen in een ‘overblijfseltijd’, dat wil zeggen in een tijd dat het volk van God door grote zwakheid wordt gekenmerkt. Dat wakker maken gebeurt door God of namens Hem, niet door menselijke tussenkomst. Alleen de Geest van God kan een ontwaken bewerken, waardoor God in staat wordt gesteld Zijn mededelingen te doen op een wijze dat ze ook worden begrepen en aangenomen.


De kandelaar en de twee olijfbomen

2Hij zei tegen mij: Wat ziet u? Daarop zei ik: Ik zie, en zie, een kandelaar, geheel van goud, met een olievaatje aan de bovenkant ervan en daarbovenop zeven bijbehorende lampen met telkens zeven toevoerbuisjes aan de lampen, die daarboven zitten, 3met twee olijfbomen ernaast, een aan de rechterkant van het olievaatje en een aan de linkerkant ervan.

Zacharia is gewekt. Hij is ontwaakt. Dan stelt de HEERE hem de vraag wat hij ziet. De vraag dwingt Zacharia nauwkeurig te kijken. Hij wordt opgeroepen om de grootste aandacht te geven aan wat hij ziet. Dan kan hij gedetailleerd beschrijven wat hij ziet. Hij ziet “een kandelaar, geheel van goud”. Zo een heeft er in de tabernakel gestaan (Ex 25:31-4031U moet ook een kandelaar van zuiver goud maken. Als gedreven werk moet de kandelaar gemaakt worden, zijn schacht en zijn armen; zijn bloemkelken, zijn knoppen en zijn bloesems moeten er één geheel mee vormen.32En zes armen moeten uit de zijkanten ervan uitsteken: drie armen van de kandelaar uit zijn ene kant, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere kant.33Drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de ene arm, [met] knop en bloesem, en drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de andere arm, [met] knop en bloesem. Zo moeten de zes armen worden die uit de kandelaar steken.34En op de kandelaar [zelf] moeten vier bloemkelken komen in de vorm van amandelbloesem, [met] zijn knoppen en zijn bloesems.35Er moet een knop komen onder het [eerste] paar armen dat eruit [steekt], een knop onder het [tweede] paar armen dat eruit [steekt], en een knop onder het [derde] paar armen dat eruit [steekt. Zo moet het worden] bij de zes armen die uit de kandelaar steken.36Zijn knoppen en zijn armen moeten [met de kandelaar] één geheel vormen; het geheel moet één stuk gedreven werk van zuiver goud zijn.37Vervolgens moet u de bijbehorende zeven lampen maken. Men moet die lampen aansteken en licht doen verspreiden in de richting van de voorzijde van [de kandelaar].38Zowel de bijbehorende snuiters als de bijbehorende vuurschalen moeten van zuiver goud zijn.39Van één talent zuiver goud moet men hem maken, met al die [genoemde] voorwerpen.40Zie dan [erop] toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.).

Zacharia ziet ook hoe de olie, waardoor de zeven lampen van de kandelaar kunnen branden, naar die lampen gevoerd wordt. Aan de bovenkant van de kandelaar zit een olievaatje. Vanuit dit olievaatje lopen zeven toevoerbuisjes naar elk van de zeven lampen. Via deze toevoerbuisjes stroomt de olie naar de lampen. De olie in het olievaatje wordt geleverd door twee olijfbomen. Van de olijfbomen wordt de olie door twee toevoerbuizen naar het olievaatje aan de bovenkant van de kandelaar getransporteerd. Zo kan de kandelaar voortdurend blijven branden. Van de twee bomen staat er een aan de rechterkant en een aan de linkerkant van de kandelaar.

Dit beeld laat de constante, onbegrensde en door God bestuurde toevoer zien voor het licht dat Hij door middel van Zijn volk wil verspreiden. Hieraan komt geen menselijke hulp te pas, zoals dat wel bij de verzorging van het licht in de tabernakel en de tempel het geval is geweest. Alleen als Gods Geest – de olie is een beeld van Hem (1Jh 2:20,2720En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.27En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.) – elk detail bestuurt, kan de dienst tot heerlijkheid van God zijn.

De kandelaar is een beeld van de Heer Jezus. Hij is het licht van de wereld. We zien daarin de kracht van de Heilige Geest, die uitgaat van Christus, de Gezalfde. Zoals de kandelaar de lampen draagt, zo draagt de Heer Jezus de gelovigen. Tegen ons, de volgelingen van Christus, wordt gezegd dat wij het licht van de wereld zijn (Mt 5:1414U bent het licht van de wereld; een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.). Wij moeten onze lampen laten branden en ons licht laten schijnen in de wereld (Lk 12:3535Laten uw lendenen omgord en uw lampen brandend zijn,; Fp 2:1515opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in [de] wereld,; Op 1:2020De verborgenheid van de zeven sterren die u hebt gezien op Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaars: de zeven sterren zijn [de] engelen van de zeven gemeenten, en de zeven kandelaars zijn [de] zeven gemeenten.). Daarvoor hebben wij de kracht van de Heilige Geest nodig.


Vraag naar het visioen

4Ik antwoordde en zei tegen de Engel Die met mij sprak: Mijn Heere, wat betekenen deze dingen? 5Toen antwoordde de Engel Die met mij sprak, en zei tegen mij: Weet u niet wat deze dingen betekenen? Ik zei: Nee, mijn Heere.

De profeet blijft na het vertellen van wat hij ziet niet stil. Hij wil er ook de betekenis van weten en vraagt daarnaar. Hij stelt zijn vraag niet omdat hij de betekenis van de kandelaar niet kent. Daarvan is hij goed op de hoogte. Hij vraagt naar de betekenis van “deze dingen”, dat is het geheel van het nachtgezicht. Hij wil weten wat de kandelaar en de olijfbomen te zeggen hebben, wat de toepassing ervan is voor hem en de zijnen en voor hun omstandigheden.

De reactie van de HEERE geeft de indruk dat Hij veronderstelt dat Zacharia de betekenis toch had moeten weten. Maar Zacharia moet toegeven dat hij die niet weet. Hij doet dat met groot respect en eerbied voor de HEERE, Die hij aanspreekt met “Heere”, Adonai, dat is de soevereine Heer.


Niet door kracht, maar door Gods Geest

6Daarop antwoordde Hij en zei tegen mij:
Dit is het woord van de HEERE tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de HEERE van de legermachten.

De HEERE gaat vervolgens op de vraag van Zacharia in. Hij begint ermee te zeggen dat het antwoord een “woord van de HEERE tot Zerubbabel” is. Het woord van de HEERE is ten aanzien van toekomstige gebeurtenissen met het oog op de herbouw van de tempel. Zerubbabel is ontmoedigd door de tegenstand bij de herbouw. Nu wordt hij bemoedigd dat hij het niet van menselijke kracht, van eigen inspanning, hoeft te verwachten, maar dat de Geest van God garant staat dat het werk klaarkomt.

Bij “kracht” en “geweld” kunnen we denken aan een krachtige enkeling en aan het geweld van een menigte, waarbij het in beide gevallen om menselijke inbreng gaat. Al is iemand nog zo sterk en al zijn er nog zoveel mensen bij elkaar, niets ervan kan God gebruiken om Zijn werk te doen.

Dit zegt Hij Die geen menselijke kracht kan gebruiken en die ook niet hoeft te gebruiken, daar Hij “de HEERE van de legermachten” is. Alle aardse en hemelse legermachten zijn aan Hem onderworpen en staan Hem ter beschikking.

Met deze uitleg verklaart de HEERE dat het visioen spreekt van Gods Geest door Wie Zerubbabel Gods werk kan doen. Het resultaat van dat werk is het getuigenis van Gods heerlijkheid in de wereld.

Hoe belangrijk is dit woord ook voor onze dagen die vol zijn van comités, planningen, organisaties, budgetten, sponsoracties enzovoorts. Omdat een werk voor God een door en door geestelijk werk is, kan dat nooit door menselijke inspanning, niet door eigen kracht of met gezag van anderen, worden verricht (vgl. Hs 1:77Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en Ik zal hen verlossen door de HEERE, hun God. Ik zal hen echter niet verlossen door boog, door zwaard, door strijd, door paarden of door ruiters.). Gods werk kan alleen slagen in de kracht van de almachtige, onfeilbare Geest van God.

Zoals de lampen van olie worden voorzien zonder menselijke tussenkomst, komend van een bron die niet van menselijke makelij is, gebeurt Gods werk niet via een menigte of door energieke en overredende mensen. Zwakheid is geen verhindering, maar juist een noodzaak wil God Zijn werk kunnen doen (2Ko 12:9a9en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.; 1Sm 14:6b6Jonathan nu zei tegen de knecht die zijn wapens droeg: Kom, laten wij oversteken naar de wachtpost van deze onbesnedenen; misschien zal de HEERE voor ons werken, want het is voor de HEERE niet te moeilijk om te verlossen, door veel of door weinig [mensen].; 2Kr 14:1111Toen riep Asa tot de HEERE, zijn God, en zei: HEERE, U bent de Enige Die kan helpen, hem die geen kracht heeft tegen de machtige. Help ons, HEERE, onze God, want wij steunen op U en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze troepenmacht. HEERE, U bent onze God, laat geen sterveling tegen U iets kunnen doen.; Hb 11:3434[de] kracht van [het] vuur blusten, [de] scherpte van [het] zwaard ontvluchtten, uit zwakheid krachten verkregen, in [de] oorlog sterk werden, legers van vreemden op de vlucht dreven.).


Genade, genade

7Wie bent u, grote berg?
Voor [de ogen van] Zerubbabel zult u een vlakte worden.
Hij zal de sluitsteen aandragen
[onder] luid geroep: Genade, genade zij hem!

Als de overtuiging er is dat Gods Geest werkt en werkelijk voldoende is om Gods werk te doen, kan de uitdagende vraag worden gesteld: “Wie bent u, grote berg?” Deze uitdagend klinkende woorden zijn geen hoogmoed, maar een uiting van het volste vertrouwen dat de “grote berg”, het indrukwekkende wereldrijk dat heerschappij heeft, het werk van God niet kan verhinderen (vgl. Jr 51:2525Zie, Ik zál u, berg die te gronde richt, spreekt de HEERE,
[u,] die heel de aarde te gronde richt!
Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken,
Ik zal u van de rotsen afrollen
en Ik zal u maken tot een berg die in brand staat.
; Op 8:88En de tweede engel bazuinde, en [iets] als een grote berg, brandend van vuur, werd in de zee geworpen; en het derde deel van de zee werd bloed,)
. In de “grote berg” kunnen we in algemene zin ook de kolossale moeilijkheden en hindernissen zien die als een berg oprijzen bij het doen van een werk voor God (Mt 21:2121Jezus nu antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: als u geloof hebt en niet twijfelt, zult u niet alleen doen wat met de vijgenboom [is gebeurd], maar al zegt u ook tot deze berg: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zal gebeuren.; Js 40:3-53Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
5De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
; Ea 4:1-4,23-241Toen de tegenstanders van Juda en Benjamin hadden gehoord dat de ballingen een tempel bouwden voor de HEERE, de God van Israël,2kwamen zij naar Zerubbabel toe en naar de familiehoofden en zeiden tegen hen: Laten wij samen met u bouwen, want zoals u zoeken [ook] wij uw God. En aan Hem offeren wij sinds de dagen van Esar-Haddon, de koning van Assyrië, die ons hierheen heeft laten trekken.3Maar Zerubbabel en Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden tegen hen: Het is niet aan u en aan ons om [samen] een huis voor onze God te bouwen, want wíj alleen zullen [het] bouwen voor de HEERE, de God van Israël, zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden heeft.4Het volk van het land ontmoedigde het volk van Juda en zij joegen hun schrik aan bij het bouwen.23Zodra het afschrift van de brief van koning Arthahsasta voorgelezen was voor Rehum, Simsai, de secretaris, en hun ambtgenoten, vertrokken ze haastig naar Jeruzalem, naar de Joden en lieten hen met kracht en geweld ophouden.24Toen hield het werk aan het huis van God in Jeruzalem op, ja, het hield op tot het tweede regeringsjaar van Darius, de koning van Perzië.; 5:1-51De profeten Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden onder de Joden die in Juda en in Jeruzalem waren; in de Naam van de God van Israël [profeteerden zij] tegen hen.2Toen stonden Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, op en begonnen het huis van God, Die in Jeruzalem [woont], te herbouwen. Gods profeten, die hen ondersteunden, waren bij hen.3In die tijd kwam Tattenai, landvoogd van [het gebied] aan deze zijde van de Eufraat, met Sthar-Boznai en hun ambtgenoten naar hem toe. Ze zeiden tegen hen als volgt: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te herbouwen en deze muur te voltooien?4Toen vroegen zij hun als volgt: Wat zijn de namen van de mannen die dit gebouw herbouwen?5Maar het oog van hun God rustte op de oudsten van de Joden, zodat men hen niet liet ophouden totdat de zaak voor Darius zou komen, en men dan daarover een brief zou terugbrengen.)
.

Zerubbabel zal met eigen ogen zien dat door Gods Geest zal worden verwijderd wat hem in de weg staat bij zijn werk om de herbouw te voltooien. Het geloof mag weten dat door de macht van Gods Geest de bergen van moeilijkheden “een vlakte” of een gebaande weg zullen worden.

De sluitsteen moet er nog op en dan is het werk klaar. Christus is het fundament en Hij is de Voleinder van het werk. De tempel, het heiligdom moet er komen om de kandelaar erin te zetten.

De laatste woorden van dit vers kunnen worden opgevat als een biddende wens dat Gods zegen voortdurend op dit werk zal rusten. Volharding, door de genade van God, bekroont het leven van de christen. De blijvende aanwezigheid van onze Heer in genade in Zijn gemeente op aarde tot aan Zijn komst is het getuigenis dat Hij Die haar heeft gegrondvest, haar ook in stand houdt.

De herhaling “genade, genade” benadrukt dat het vanaf het begin tot het einde alles genade is. Hindernissen verdwijnen voor het geloof, het werk wordt afgemaakt, alles is genade.


Belofte van de voltooiing

8Het woord van de HEERE kwam tot mij:
9De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest,
zijn handen zullen het ook voltooien.
Dan zult u weten
dat de HEERE van de legermachten Mij tot u gezonden heeft.

Het woord van de HEERE komt tot de profeet. Het woord gaat over Zerubbabel. Hier ontvangt Zerubbabel een bevestiging dat hij eigenhandig het werk zal voltooien. Het betekent voor hem een extra bemoediging. Deze belofte is letterlijk vervuld (Ea 6:1515En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar; het was het zesde regeringsjaar van koning Darius.).

De ‘Mij’ Die gezonden is, ziet niet op Zacharia, maar op de Messias (Zc 6:1515Men zal van verre komen en bouwen aan de tempel van de HEERE. Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten mij tot u gezonden heeft. Dit zal gebeuren als u aandachtig zult luisteren naar de stem van de HEERE, uw God.; vgl. Zc 2:9,119Want, zie, Ik beweeg Mijn hand over hen
en zij zullen hun dienaren tot buit worden.
Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij gezonden heeft.11Veel heidenvolken zullen op die dag bij de HEERE gevoegd worden
en zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ik zal in uw midden wonen.
Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij tot u gezonden heeft.
; 3:22De HEERE zei echter tegen de satan: De HEERE zal u bestraffen, satan! De HEERE, Die Jeruzalem verkiest, zal u bestraffen. Is deze [Jozua] niet een stuk brandhout [dat] aan het vuur ontrukt [is]?)
. Als de profetieën ten volle zijn vervuld en de nieuwe tempel is gebouwd, zal de Messias tot Zijn tempel komen. Dan zal iedereen erkennen dat Hij het is Die door God tot Zijn volk is gezonden.


De dag van de kleine dingen

10Want wie veracht de dag van de kleine dingen,
terwijl die zeven blij zijn
als zij het tinnen gewicht zien in de hand van Zerubbabel?
Die [zeven] zijn de ogen van de HEERE,
die over heel de aarde trekken.

“De dag van de kleine dingen” is de dag waarop Hij kan werken met Zijn kracht die in de zwakheid van Zijn volk wordt volbracht. Ook zien we hier de zeven Geesten van God (Op 4:55En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit; en zeven vurige fakkels brandden vóór de troon; dit zijn de zeven Geesten van God.) Die er toch zijn in de dag van de kleine dingen. Ze kunnen met weinig mensen zijn om Gods werk te doen. De massa is in Babel gebleven. Een rest slechts vat het werk aan om de priesterdienst te herstellen. Ze kunnen niemand dwingen, maar door de volle werkzaamheid van Gods Geest – het getal zeven spreekt van volheid – is toch een aantal mensen wakker geworden en aan het bouwen gegaan.

Van de gemeente in Filadelfia zegt de Heer Jezus dat zij “kleine kracht” heeft (Op 3:88Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten; want u hebt kleine kracht en hebt Mijn Woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend.). Maar Hij laat er direct op volgen: “U hebt Mijn Woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend.” Daarom geeft Hij de belofte dat zij zullen zijn tot een pilaar in de tempel van Zijn God (Op 3:1212Wie overwint, die zal Ik maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God en hij zal geenszins meer daaruit weggaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God, en Mijn nieuwe Naam.). Dat mag nu al door ons in het geloof worden verwerkelijkt in de kracht van de Geest.

Het geringe en zwakke overblijfsel wordt blijdschap in het vooruitzicht gesteld als ze zullen zien hoe Zerubbabel het eindresultaat zal nameten en het zal blijken naar Gods maatstaven in orde te zijn. Hij doet dat met “het tinnen gewicht” als een paslood in zijn hand. Het laat zijn nauwe, persoonlijke betrokkenheid bij het werk zien.

“Die zeven” die “blij zijn”, “zijn de ogen van de HEERE” die alles zien wat op aarde gebeurt (2Kr 16:9a9Want de ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan [hen] van wie het hart volkomen is met Hem. U hebt hierin dwaas gehandeld, want vanaf nu zullen oorlogen uw deel zijn.; Sp 15:33De ogen van de HEERE zijn op elke plaats:
ze slaan slechte en goede [mensen] gade.
)
. De HEERE neemt zowel de tegenstand tegen Zijn werk waar als hen die voor Hem werken. Deze ogen zien nu met welgevallen op Zerubbabel die aan het bouwen is. Zerubbabel is een type van de Messias Die de tempel in het vrederijk zal bouwen (Ezechiël 40-43). Zo ziet God ook met welgevallen naar ons als we voor Hem bouwen, al is het de dag van de kleine dingen. Maar de kracht van de Heilige Geest is aanwezig.


Vraag naar de olijfbomen

11[Daarna] antwoordde ik en zei tegen Hem: Wat betekenen die twee olijfbomen aan de rechterkant van de kandelaar en aan de linkerkant ervan? 12En voor de tweede keer antwoordde ik en zei tegen Hem: Wat betekenen die twee olijftakken die door twee gouden buisjes gouden [olie] uit zich weg laten lopen?

Het nachtgezicht is nog niet helemaal duidelijk voor Zacharia. Vandaar dat hij verder vraagt (vers 1111[Daarna] antwoordde ik en zei tegen Hem: Wat betekenen die twee olijfbomen aan de rechterkant van de kandelaar en aan de linkerkant ervan?). Hij stelt de vraag zelfs nog een keer, waarbij hij aan de vraag iets toevoegt waarvan hij ook graag de betekenis wil weten (vers 1212En voor de tweede keer antwoordde ik en zei tegen Hem: Wat betekenen die twee olijftakken die door twee gouden buisjes gouden [olie] uit zich weg laten lopen?).

In zijn herhaling van de vraag spreekt de profeet over de olie als “gouden [olie]”. In beeld wordt daarmee aangegeven dat de Heilige Geest een Goddelijk Persoon is, evenals Christus – voorgesteld in de gouden kandelaar – dat is. De twee gouden buisjes waardoor de olie loopt, kunnen we zien als de middelen waarvan God Zich bedient om de stroom van de Geest te laten lopen.

We kunnen denken aan voorschriften, maar ook aan dienaren van het Woord. De olie komt niet uit een dood reservoir, maar van levende olijfbomen die door God worden gevoed (vgl. Ps 52:1010Maar ik zal zijn als een bladerrijke olijfboom
in het huis van God;
ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
eeuwig en altijd.
; Hs 14:77Zijn jonge loten zullen uitlopen,
zodat zijn pracht zal zijn als [die van] de olijfboom,
en hij zal een geur hebben als de Libanon.
; Rm 12:11Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, [dat is] uw redelijke dienst.)
. De gouden stroom met olie staat ons ter beschikking in het werk dat de Heer ons opdraagt. Zowel de olie als de buisjes zijn van goud, wat inhoudt dat er in dit geval geen onderscheid is tussen de middelen waarvan de Heer zich bedient en dat wat Hij geeft. Hier is, om zo te zeggen, geen onderscheid tussen de zwakheid van het vat, de dienaar, en de schat in het vat, de Geest.


Wat de olijfbomen voorstellen

13Toen sprak Hij tot mij: Weet u niet wat deze dingen betekenen? Ik zei: Nee, mijn Heere. 14Daarop zei Hij: Dat zijn de twee gezalfden, die bij de Heere van heel de aarde staan.

De Heere beantwoordt de vragen van Zacharia eerst met een wedervraag (vers 1313Toen sprak Hij tot mij: Weet u niet wat deze dingen betekenen? Ik zei: Nee, mijn Heere.). In de wedervraag klinkt weer de veronderstelling door dat hij zou kunnen weten wat de betekenis van deze dingen is (vers 55Toen antwoordde de Engel Die met mij sprak, en zei tegen mij: Weet u niet wat deze dingen betekenen? Ik zei: Nee, mijn Heere.). Weer moet hij erkennen dat hij de betekenis niet weet en weer doet hij dat met groot respect en eerbied voor de HEERE, Die hij opnieuw aanspreekt met “Heere”, Adonai, dat is de soevereine Heer.

Dan krijgt hij de verklaring (vers 1414Daarop zei Hij: Dat zijn de twee gezalfden, die bij de Heere van heel de aarde staan.). De twee olijfbomen “zijn de twee gezalfden” (letterlijk ‘zonen van olie’). Ze staan “bij de Heere [Adonai] van heel de aarde”. Ze staan in een positie waarin dienaren wachten op orders van hun heer. Zij stellen Jozua en Zerubbabel voor, de twee gezalfden. In het Oude Testament zien we dat koningen – Zerubbabel staat in de koninklijke lijn – en priesters – Jozua is hogepriester – worden gezalfd met het oog op hun dienst.

De twee olijfbomen, een beeld van de Koning en de Priester, Christus, leveren de olie voor het getuigenis van de HEERE aangaande de Messias. De Heer Jezus doet altijd alles door de Heilige Geest. We zien dat tijdens Zijn leven op aarde vóór het kruis, Zijn werk op het kruis en Zijn leven na het kruis in de opstanding. Ook straks in het vrederijk zal Hij alles doen in de kracht van de Heilige Geest, zoals blijkt uit dit visioen (vgl. Js 11:22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
)
.

In Openbaring 11 lezen we ook over twee getuigen die “de twee olijfbomen en de twee kandelaars” worden genoemd en “die vóór de Heer van de aarde staan” (Op 11:44Dezen zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars, die vóór de Heer van de aarde staan.). Hun getuigenis heeft het karakter van Mozes en Elia. Mozes was koning en Elia offerde voor Israël als priester. De Heer Jezus is de Koning-Priester. De twee getuigen leggen daarvan getuigenis af. In die moeilijke tijden doen ze dat door de kracht van de Heilige Geest.


Lees verder