Zacharia
Inleiding 1 De hogepriester en de satan 2 De HEERE bestraft de satan 3-4 Vuile kleren – feestkleren 5 Een reine tulband en feestkleren 6-7 Voorwaarden om Gods huis te besturen 8 De belofte van de Spruit 9 De Steen 10 Ieder onder zijn wijnstok en vijgenboom
Inleiding

Zacharia 2 toont het voornemen van de HEERE in genade in het toekomstige herstel van Jeruzalem en Zijn volk. Zacharia 3 verklaart hoe Hij dit voornemen vervult in overeenstemming met Zijn gerechtigheid. Zacharia 3 is een bijzondere boodschap voor de hogepriester Jozua, terwijl Zacharia 4 een bijzondere boodschap voor Zerubbabel bevat. Samen met Zerubbabel is Jozua de leider en samen stellen zij de twee zijden van de Messias voor, Die Koning en Priester is. Het volmaakte beeld is Melchizedek, koning van Salem en priester van God de Allerhoogste (Hb 7:1-21Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,2aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van [de] gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van [de] vrede,).

In de Heer Jezus is alles volmaakt, maar met de praktijk van het volk als een volk van priesters is het slecht gesteld. Het gaat in Zacharia 3 om de priesterlijke toestand van het volk. We zien hier het herstel van Israël als een priesterlijke natie, naar Gods bedoeling (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.). Voor ons is de vraag hoe het met het priesterschap nu bij Gods volk staat.

Dit vierde visioen is anders dan de drie vorige visioenen. Er worden hier geen vragen gesteld door de profeet en er is geen uitleg door een engel. De redenen hiervoor zijn dat de identiteit van Jozua vanaf het begin bekend is en dat de handelingen worden verklaard terwijl het visioen zich ontvouwt. Niemand twijfelt er ook aan dat Jozua een echte priester is.


De hogepriester en de satan

1[Daarna] liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel van de HEERE stond, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen.

Na de bemoedigende nachtgezichten in Zacharia 1-2 zien we in het vierde nachtgezicht hoe het er in de praktijk werkelijk uitziet. In de ene priester, de hogepriester, wordt de toestand van het volk getoond dat door God is voorbestemd om “een koninkrijk van priesters en een heilig volk” voor Hem te zijn (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.). Hun toestand is echter niet in overeenstemming met de hun door God gegeven positie. Voordat de heerlijke dingen van de vorige nachtgezichten werkelijkheid kunnen worden, moet er eerst iets met het volk zelf gebeuren. Het moet een geestelijke verandering ondergaan.

De HEERE Zelf laat dit nachtgezicht aan Zacharia zien. Zacharia ziet daarin een rechtszaak met een rechter, een aangeklaagde en een aanklager. De Engel van de HEERE – dat is de HEERE Zelf (vers 22De HEERE zei echter tegen de satan: De HEERE zal u bestraffen, satan! De HEERE, Die Jeruzalem verkiest, zal u bestraffen. Is deze [Jozua] niet een stuk brandhout [dat] aan het vuur ontrukt [is]?) – is de Rechter; de hogepriester Jozua – hij vertegenwoordigt het volk – is de aangeklaagde; de satan is de aanklager. De satan klaagt geen ongelovigen aan, hij klaagt gelovigen aan. Hij wordt “de aanklager van onze broeders” genoemd (Op 12:1010En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van Zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht vóór onze God aanklaagde, is neergeworpen.). De ‘rechterhand’ is zowel de plaats van de aanklager (Ps 109:66Stel een goddeloze over hem aan
en moge de satan aan zijn rechterhand staan.
)
als die van de verdediger (Ps 109:3131Want Hij zal aan de rechterhand van de arme staan
om hem te verlossen van hen die zijn ziel veroordelen.
)
.

Wij krijgen hier een indruk van wat er buiten ons gezichtsveld gebeurt. Dat hebben we ook in de geschiedenis van Bileam die Gods volk wil vervloeken (Numeri 22-24). De aanklager wil ons verlammen door op alles te wijzen wat niet goed is. En hij verzint dat niet. Het is terecht. Maar er is een oplossing. De aanklager wordt volledig in het ongelijk gesteld. Hoe dat mogelijk is, zien we in het vervolg van het visioen.


De HEERE bestraft de satan

2De HEERE zei echter tegen de satan: De HEERE zal u bestraffen, satan! De HEERE, Die Jeruzalem verkiest, zal u bestraffen. Is deze [Jozua] niet een stuk brandhout [dat] aan het vuur ontrukt [is]?

Hier blijkt dat de Engel van de HEERE van vers 11[Daarna] liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel van de HEERE stond, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. de HEERE Zelf is. De satan heeft toegang gekregen tot de tegenwoordigheid van God om Jozua aan te klagen. Maar voordat hij zijn mond kan opendoen om zijn aanklacht te uiten en de HEERE tot een veroordeling te brengen, bestraft de HEERE hem voor zijn boze plan. We horen ook geen verdediging uit de mond van Jozua. De HEERE verdedigt hem tegenover de aanklacht van de satan. Hoe kan dat? Is de aanklacht niet terecht? Het antwoord is ja en nee.

Er is genoeg ontrouw en er zijn genoeg zonden die om veroordeling vragen. God kan daaraan niet zonder meer voorbijgaan. Maar er is ook een volkomen afdoende oplossing voor, een oplossing waarin door God Zelf is voorzien. Die oplossing is het offerbloed van Zijn Zoon Jezus Christus. Daardoor heeft God kunnen voorbijgaan aan de door Zijn volk begane zonden en dat op een volkomen rechtvaardige wijze (Rm 3:2525Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed, tot betoning van Zijn gerechtigheid wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God;). Hij ziet hier vooruit naar het offer van Zijn Zoon.

God heeft Jeruzalem in genade kunnen verkiezen (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.) omdat Hij het werk van Zijn Zoon vooruit heeft gezien. Elke verkiezing is altijd verbonden aan de Heer Jezus. Daardoor heeft elke beschuldiging geen enkele kans van slagen. Door Christus is aan het volle recht van God voldaan. Met dat bewijs kan elke beschuldiging worden weerlegd, omdat door Hem de schuld is voldaan.

Als de satan belang in ons stelt, is dat een gunstig teken. De boze tracht altijd te beschuldigen. Maar “God is het Die rechtvaardigt” (Rm 8:3333Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt;). Het hoogste gerechtshof spreekt ons vrij. We hebben het bewijs ervan op zak. Elke beschuldiging kan met dat bewijs worden weerlegd. De grondslag is: “Christus Jezus is het Die gestorven is, ja nog meer, Die ook opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt” (Rm 8:3434wie is het die veroordeelt? Christus <Jezus> is het Die gestorven is, ja nog meer, Die opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt.).

Het beeld van het “stuk brandhout [dat] aan het vuur ontrukt [is]”, geeft aan dat de redding ternauwernood, op het laatste nippertje, is gebeurd (vgl. Am 4:1111Ik heb u ondersteboven gekeerd,
zoals God Sodom en Gomorra ondersteboven keerde;
u werd als een stuk brandhout dat aan de vlammen ontrukt is,
maar u hebt zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.
)
. Wie aan het vuur is ontrukt, wordt gered van de totale vernietiging. Dat is gebeurd met een bepaald doel. Bijna zou Gods volk volkomen uitgedelgd zijn. God heeft Israël gestraft met de ballingschap naar Babel. Maar Hij heeft daaruit een handjevol gered en daarmee de totale verdwijning van het volk voorkomen. Het vuur stelt hier Babel voor.


Vuile kleren – feestkleren

3Nu was Jozua in vuile kleren gekleed, terwijl hij voor het aangezicht van de Engel stond. 4Toen nam Hij het woord en zei tegen hen die voor Zijn aangezicht stonden: Trek hem de vuile kleren uit! Daarop zei Hij tegen hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en zal u feestkleren aantrekken.

Gods Geest verheelt niet dat Jozua “in vuile kleren gekleed” is (vers 33Nu was Jozua in vuile kleren gekleed, terwijl hij voor het aangezicht van de Engel stond.). Het woord voor ‘vuil’ is in het Hebreeuws een woord dat wijst op een vuil van het smerigste en walgelijkste soort (Sp 30:1212een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
; Js 4:44Wanneer de Heere de vuilheid van de dochters van Sion afgewassen zal hebben en de vele bloedschuld van Jeruzalem uit het midden ervan weggespoeld zal hebben door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding,; 64:66Echter, wij zijn allen als een onreine,
al onze rechtvaardige daden zijn als een bezoedeld kleed
wij allen vallen af als een blad
en onze misdaden voeren ons weg als de wind.
)
. Zoals hiervoor al is gezegd, kan God de zonden van Zijn volk niet door de vingers zien. Jozua staat echter niet voor de satan in die vuile kleren, maar voor God. Het houdt als het ware een erkenning van zijn vuilheid in, dat wil zeggen dat het volk schuld erkent aan de vuile toestand van het priesterschap.

Israël is wel gered uit de ballingschap, maar als priesterlijke natie is het een onrein volk. Het priesterschap is besmeurd door een lang verblijf in een vreemd land, waarvan de nawerking nog (of: weer) te zien is. Het priesterschap wordt niet uitgeoefend op de wijze zoals God het wil. Heidense elementen hebben het onrein gemaakt.

Er wordt niet tegen Jozua gezegd dat hij die vuile kleren zelf moet uitdoen (vers 44Toen nam Hij het woord en zei tegen hen die voor Zijn aangezicht stonden: Trek hem de vuile kleren uit! Daarop zei Hij tegen hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en zal u feestkleren aantrekken.). De HEERE neemt het woord en geeft Zijn engelen bevel de vuile klederen van Jozua uit te trekken. Het is een symbool van het wegdoen van de ongerechtigheid. Hierin wordt vergeving voorgesteld (vgl. 2Sm 12:13b13Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.).

In de brieven van Paulus zien we hoe in geestelijk opzicht bij ons de vuile kleren zijn weggenomen. In elke brief zijn die kleren door iets anders bevuild. Zo kan het gaan om de vuilheid van het wetticisme (de brief aan de Galaten) of de vuilheid van de filosofie (de brief aan de Kolossenzen). Het uiteindelijke doel van Paulus’ dienst is om “iedere mens volmaakt te stellen in Christus” (Ko 1:2828Hem verkondigen wij, terwijl wij iedere mens terechtwijzen en iedere mens leren in alle wijsheid, om iedere mens volmaakt te stellen in Christus.). Dat wil zeggen dat ieder die tot bekering is gekomen, zijn nieuwe positie in Christus ziet, wat hier wordt weergegeven door de “feestkleren”.

Een dergelijk werk kan alleen gebeuren door hen die in Gods tegenwoordigheid leven, en van wie het leven daarmee in overeenstemming is. Gods barmhartigheid voorziet in nieuwe kleren. Hij geeft opdracht het “beste kleed” te halen en dat de berouwvolle mens aan te trekken (Lk 15:20-2420En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig.21De zoon nu zei tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten.22De vader echter zei tot zijn slaven: Haalt vlug het beste kleed tevoorschijn en trekt het hem aan, en doet een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten,23en haalt het gemeste kalf, slacht het en laten wij eten en vrolijk zijn;24want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.). Voor ieder die tot de gemeente behoort, betekent dit dat hij mag weten dat hij is “aangenaam gemaakt in de Geliefde” (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,).

Dit wordt voorgesteld in de aanneming en het herstel in de positie van de hogepriester Jozua. Zo neemt God de ongerechtigheden van Zijn volk weg en geeft het feestkleren. Feestkleren – een woord dat alleen hier en in Jesaja 3 voorkomt (Js 3:2222de feestkleren, de mantels, de omslagdoeken, de tasjes,) – spreken van reinheid, vreugde en heerlijkheid. Ze symboliseren hier het herstel van Israël in zijn oorspronkelijke roeping (Js 61:1010Ik ben zeer vrolijk in de HEERE,
mijn ziel verheugt zich in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil,
de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan,
zoals een bruidegom zich bekleedt met priesterlijk [hoofd]sieraad,
en een bruid zich tooit met haar sieraden.
)
.


Een reine tulband en feestkleren

5Vervolgens zei Ik: Laat hen een reine tulband op zijn hoofd zetten. Daarop zetten zij de reine tulband op zijn hoofd en trokken hem feestkleren aan, terwijl de Engel van de HEERE [erbij] stond.

De profeet – ‘ik’ is hier niet de HEERE, maar Zacharia – is zo bij dit tafereel betrokken en zo op de hoogte van Gods gedachten, dat hij een verzoek uitspreekt waaraan de engelen gevolg geven. Hij zegt dat ze een reine tulband bij de hogepriester op moeten zetten. Is er bij ons ook de bereidheid om hulp te bieden, opdat onze broeder of zuster weer in de heilige gemeenschap met de Heer terugkomt?

De Engel van de HEERE staat erbij. Dit alles vindt plaats in Zijn tegenwoordigheid als een bewijs dat Hij het er helemaal mee eens is. De reine tulband op het hoofd stelt voor dat Jozua – en in hem het volk – nieuwe gedachten over het priesterschap heeft, gedachten die in overeenstemming zijn met Gods bedoeling ervan.


Voorwaarden om Gods huis te besturen

6Toen verzekerde de Engel van de HEERE Jozua: 7Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Als u in Mijn wegen gaat
en als u [uw] taak ten behoeve van Mij vervult,
dan zult ú ook Mijn huis besturen,
en ook Mijn voorhoven bewaken,
en zal Ik u omgang geven
met hen die [hier] staan.

Een vernieuwd priesterschap heeft een nieuwe opdracht nodig. Er is sprake van ‘verzekeren’ wat ziet op plechtig verklaren, een term die ook wordt gebruikt voor de bevestiging van een eed. God verklaart hier plechtig dat Hij het priesterschap voor het volk herstelt en welke voorwaarden daarbij horen. De voorwaarden komen van “de HEERE van de legermachten”. Hij is Dezelfde als “de Engel van de HEERE”, maar de nadruk ligt meer op Zijn gezag over alle dingen.

Hier is sprake van ‘als’, wat een voorwaarde aangeeft. Dat is bij de reiniging niet aan de orde. Daar is alles genade. Maar als het op dienst aankomt, moet wel aan voorwaarden worden voldaan. Er zijn eerst twee voorwaarden – twee keer “als u” – en vervolgens drie resultaten – “dan zult ú … en … en”. Het eerste wat van belang is in deze nieuwe positie, is persoonlijke Godsvrucht en gehoorzaamheid in een wandel in de wegen van de HEERE. Als dat goed is, krijgt Jozua een dienst opgedragen. Voor ons geldt ook dat de Heer ons een taak geeft als we de nieuwe staat hebben gekregen én als de ongerechtigheid in de praktijk ons niet meer aankleeft en we getrouw blijven in die weg.

Als aan de voorwaarden wordt voldaan, zal het volk
1. Gods huis mogen besturen, dat wil zeggen dat Hij inzicht geeft om toe te zien hoe de dienst gebeurt;
2. de voorhoven van Gods huis mogen bewaken, dat wil zeggen dat zij erop toezien wie dienst mogen doen;
3. door de HEERE omgang gegeven worden met het gezelschap van priesters en een vrije toegang tot God hebben.


De belofte van de Spruit

8Luister toch, hogepriester Jozua,
u en uw vrienden die vóór u zitten
– zij zijn immers een wonderteken –
want zie, Ik ga Mijn Knecht, de SPRUIT, doen komen.

Na de opdracht komt nog een belofte. Hiervoor wordt met de oproep “luister toch”, de speciale aandacht van Jozua gevraagd. Ook wordt daarmee het belang onderstreept van wat volgt. De vrienden van Jozua, zijn medepriesters, moeten ook goed luisteren, want de belofte is ook voor hen. Ze zitten “vóór” hem, dat wil zeggen in zijn tegenwoordigheid, voor zijn aangezicht (vgl. Ez 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.). We kunnen in Jozua hier een type van de Heer Jezus zien in gezelschap van Zijn discipelen, die Hij “vrienden” noemt, omdat Hij hun alles heeft bekendgemaakt wat Hij van Zijn Vader heeft gehoord (Jh 15:1515Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, bekendgemaakt heb.).

De vrienden zijn “een wonderteken”, dat wil zeggen dat zij in hun priesterlijke functie een wonder van God zijn, Die het priesterschap weer heeft mogelijk gemaakt. Tevens zijn zij een teken dat verwijst naar de grote Priester, Jezus Christus. Het zijn tekenen met een profetische betekenis, tekenen van een toekomstige gebeurtenis (vgl. Js 8:1818Zie, ik en de kinderen die de HEERE mij gegeven heeft, dienen tot tekenen en wonderen in Israël,
afkomstig van de HEERE van de legermachten, Die op de berg Sion woont.
)
. Jozua en zijn vrienden verwijzen ook nog naar iets anders en dat is dat God altijd een priesterlijk geslacht, door reiniging, in stand zal houden. God is een God van wonderen, waarvan de handhaving van het priesterschap er een is. Dat mag ons tot bemoediging zijn.

God wijst Jozua en zijn vrienden op Zijn Knecht Die Hij zal zenden. Hij wordt als bemoediging voor de blikken van de gereinigde Jozua en zijn medepriesters gesteld. Een door God gereinigd priesterschap verheugt zich altijd over de Heer Jezus. De Heer Jezus is de Spruit, de Knecht, Die God zal doen komen (Zc 6:22De eerste wagen had rode paarden, de tweede wagen zwarte paarden,; Js 4:22Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot een heerlijk sieraad zijn, en de vrucht van de aarde tot trots en luister voor hen in Israël die ontkomen zijn.; 11:11Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
; 53:22Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
; Jr 23:55Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
; 33:1515In die dagen en in die tijd zal Ik voor David een SPRUIT van gerechtigheid doen opkomen. Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.; Lk 1:7878door [de] innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee [de] Opgang uit [de] hoogte ons zal bezoeken,)
. Hij is de Spruit uit de afgehouwen tronk van Isaï. Het koningschap leek dood, maar het leeft in Hem.

Zijn Naam Spruit tekent de nederigheid, de teerheid van de komende Messias en dat Hij Mens is. Ook is er de gedachte aan frisheid en de kracht van een leven dat ontspruit. Het spreekt van Christus met Wiens komst er iets totaal nieuws ontstaat. Dat Christus hier wordt ingevoerd, is omdat God wil dat we begrijpen dat niets juist is als het niet wordt ingebracht door Christus. Iets is alleen goed als het verbonden is met Hem en dat is alleen het geval als het door Hem is bewerkt.

Hij is ook de bron van alle toekomstige zegeningen. In de toekomst zal God deze omstandigheden onder Zijn volk herstellen wanneer de priesterdienst weer zal geschieden voordat de antichrist die zal doen ophouden. Hun hart zal gericht worden op de komende Spruit. Ook voor ons geldt dat het priesterschap alleen goed functioneert als ons oog gericht is op de Heer Jezus.


De Steen

9Want zie, wat betreft de steen die Ik voor Jozua neergelegd heb,
op die ene steen zullen zeven ogen zijn.
Zie, Ik zal [er] Zijn gravering [in] aanbrengen,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Ik zal de ongerechtigheid van dit land
op één dag wegnemen.

Na Knecht en Spruit is “Steen” de derde naam voor de Messias (Ps 118:2222De steen [die] de bouwers verworpen hadden,
is tot een hoeksteen geworden.
; Js 28:1616daarom, zo zegt
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet [weg]haasten.
; Mt 21:4242Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen; van [de] Heer is dit gebeurd en het is wonderlijk in onze ogen’?; Hd 4:1111Deze is de steen Die door u, de bouwlieden, is veracht, Die tot een hoeksteen is geworden.; 1Pt 2:66Want er staat in [de] Schrift: ‘Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren, kostbare hoeksteen, en wie in Hem gelooft, zal geenszins beschaamd worden’.)
. Christus is de grondslag van een gebouw dat Zijn kenmerk draagt. Wie Hem ziet, weet dat het fundament in orde is, al is alles nog zo zwak. De “zeven ogen” zijn de “zeven Geesten van God” (Op 4:55En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit; en zeven vurige fakkels brandden vóór de troon; dit zijn de zeven Geesten van God.) en wijzen op Zijn alwetendheid, Zijn volkomen inzicht in alle dingen. Door Gods Geest zal het werk tot stand gebracht worden.

Door het graveerwerk dat God Zelf doet, is het een prachtige Steen, een pracht die in Zijn hele leven, Zijn hele Persoon, in alles wat Hij heeft gedaan en nog doet en zal doen, zichtbaar wordt. Op deze Steen staat oneindig veel meer gegraveerd dan op de twee stenen tafelen van de wet. Er staan de namen in gegraveerd van allen die tot Zijn volk behoren (vgl. Ex 28:9,11,219Vervolgens moet u twee onyxstenen nemen en daarin de namen van de zonen van Israël graveren:11[Als] werk van een graveerder van [edel]stenen, zoals men zegels graveert, moet u de twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israël. U moet ze [zó] maken dat ze gevat zijn in gouden kassen.21En de stenen moeten twaalf [in getal] zijn, overeenkomstig de namen van de zonen van Israël, overeenkomend met hun namen. [De stenen] moeten zegelgraveringen krijgen, ieder met zijn naam. Zij zijn voor de twaalf stammen bestemd.).

Op één dag zal de ongerechtigheid worden weggedaan, dat is bij de komst van Christus. Het is symbolisch voorgesteld in het verwijderen van de vuile kleren in vers 44Toen nam Hij het woord en zei tegen hen die voor Zijn aangezicht stonden: Trek hem de vuile kleren uit! Daarop zei Hij tegen hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en zal u feestkleren aantrekken.. Door de kracht van de Geest van God zal dit alles al verwerkelijkt worden. Hier kunnen we een verwijzing zien naar de grote Verzoendag die eenmaal per jaar wordt gehouden. Maar de jaarlijkse herhaling maakt duidelijk dat het bloed dat op die dag wordt geofferd geen zonden kan wegnemen.

De ongerechtigheid wegdoen is verbonden met de Steen, Christus, de grondslag. Die grondslag is wat Hij op het kruis heeft gedaan. Door Hem wordt de ongerechtigheid van het volk weggenomen. Dat is gebeurd op het kruis, op die ene, unieke dag die centraal staat in de eeuwigheid, toen Hij daar is gestorven. Het wegdoen van de zonden is geen proces. Hij heeft het in Zijn werk volbracht. Het is eens voor altijd volbracht, herhaling is niet nodig (Hb 10:10,12,1410Door die wil zijn wij geheiligd door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens voor altijd.12Maar Hij, nadat Hij één slachtoffer voor [de] zonden geofferd heeft, is voor altijd gaan zitten aan Gods rechterhand14Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden.).


Ieder onder zijn wijnstok en vijgenboom

10Op die dag, spreekt de HEERE van de legermachten,
zal ieder zijn naaste uitnodigen
onder de wijnstok en onder de vijgenboom.

Wanneer Israël het volle resultaat van het werk van Christus zal worden toegerekend, zal dat ook zijn gevolg hebben voor hun onderlinge omgang. Dit zal ten volle in het vrederijk het geval zijn, waar vrede, vrijheid en veiligheid genoten worden (1Kn 4:2525En Juda en Israël woonden onbezorgd, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba, al de dagen van Salomo.; Mi 4:44Maar zij zullen zitten,
ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom,
niemand zal [ze] schrik aanjagen,
want de mond van de HEERE van de legermachten heeft [het] gesproken.
)
. Het resultaat wordt genoten in gemeenschap met elkaar. De wijnstok spreekt van vreugde en de vijgenboom spreekt van gerechtigheid.

Wij kunnen anderen uitnodigen ook te genieten van wat we zelf hebben ontvangen. Het is een delen van de vreugde (1Jh 1:33wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.). Deze vreugde is gebaseerd op gerechtigheid. Dit genot wordt ons door de Heilige Geest gegeven. Het koninkrijk van God, dat onder de heerschappij van de Heer Jezus op aarde gevestigd zal worden, is voor de gelovigen nu al een geestelijke werkelijkheid. Wat straks voor Israël en de hele aarde geldt, geldt nu al voor de gelovigen van de gemeente. Voor hen is “het koninkrijk van God … niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest” (Rm 14:1717Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest.).


Lees verder