Zacharia
Inleiding 1 De dag voor de HEERE 2-3 De heidenvolken verzameld en geoordeeld 4-5 Zijn voeten op de Olijfberg 6-7 Een bijzondere dag 8-11 De HEERE is de Enige 12-15 Nog een keer het oordeel beschreven 16-19 Het Loofhuttenfeest 20-21 Alles is aan de HEERE gewijd
Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de introductie van het vrederijk.


De dag voor de HEERE

1Zie, er komt een dag voor de HEERE waarop de buit, [op] u [behaald], in uw midden zal worden verdeeld.

We komen nu tot een bijzondere dag (vgl. vers 77Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.
)
, “een dag voor de HEERE” (vers 11Zie, er komt een dag voor de HEERE waarop de buit, [op] u [behaald], in uw midden zal worden verdeeld.), waarover al zo vaak is gesproken. Het is letterlijk de dag van de HEERE, het is Zijn dag. Daarmee wordt de periode bedoeld waarin Hij openlijk de heerschappij over de schepping opeist en handhaaft (Js 2:1212Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
)
. Dat is het einde van het gezag van de mens onder aanvoering van de satan en van zijn verachting van God.

Christus zal alle vijanden oordelen en tevens de buit verdelen. De buit die er zal zijn, is die van Christus en Hij zal die verdelen. De volken menen hun doel te hebben bereikt en de buit te kunnen verdelen. Maar ze hebben buiten Christus gerekend Die op deze dag met hen zal afrekenen. Hij doet dat in Harmagedon.


De heidenvolken verzameld en geoordeeld

2Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad. 3Dan zal de HEERE uittrekken en tegen die heidenvolken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd.

Hier wordt de laatste invasie in Jeruzalem door “alle heidenvolken” van de aarde beschreven (vers 22Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.), evenals in Zacharia 12 (Zc 12:22Zie, Ik ga Jeruzalem maken [tot] een bedwelmende beker voor alle volken rondom, ja, ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem.). Het is een eigenzinnige daad van de volken, terwijl ze door de HEERE worden verzameld voor hun strijd tegen Jeruzalem. De HEERE staat achter de gebeurtenissen en bestuurt ze, zodat Zijn doel wordt bereikt. Dat doel is de bevrijding van Zijn volk door het oordeel over hun vijanden.

Eerst lijkt het erop dat de volken in hun voornemen slagen. Ze nemen de stad in, plunderen de huizen en verkrachten de vrouwen. Hiermee voeren ze Gods oordeel over het afvallige Israël uit. Ook nemen ze een deel van de bevolking van Jeruzalem mee in ballingschap. Maar er is sprake van “het overige van het volk”, dat is een overblijfsel dat niet wordt uitgeroeid en in de stad blijft. Er is dus geen totale verwoesting van de stad zoals dat wel in het jaar 70 het geval is. Het is de laatste belegering door de volken. Als de Heer Jezus hen verdelgt, zullen de tijden van de volken ten einde zijn (Lk 21:2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.).

Als de nood het hoogst is, verschijnt de HEERE. Zijn volk wordt aangevallen en wie dat aanraakt, raakt Zijn oogappel aan. Hij zal dan uittrekken uit de hemel (Op 19:11-1611En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.) om te strijden zoals Hij dat vroeger heeft gedaan. We kunnen bij dit laatste denken aan Zijn strijd tegen de Egyptenaren als Hij Zijn volk uit de slavernij bevrijdt (Ex 14:1414De HEERE zal voor u strijden, en ú moet stil zijn.). Hij strijdt ook voor Zijn volk als zij het land Kanaän in bezit nemen (Jz 10:1414En er is geen dag geweest als deze, daarvoor niet en ook daarna niet, waarop de HEERE de stem van een mens [zó] verhoorde. De HEERE streed immers voor Israël.).


Zijn voeten op de Olijfberg

4Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden. 5Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!

Deze verzen kennen geen voorvervulling. Ze moeten in hun geheel nog in vervulling gaan. De Heer Jezus komt terug op de Olijfberg vanwaar Hij naar de hemel is gegaan (vers 44Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.; Hd 1:9-129En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.10En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenging, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleren,11die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus Die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.12Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, Olijfberg geheten, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis er vandaan.). “Zijn voeten”, dat zijn de voeten van de Heer Jezus, staan op de Olijfberg. Hier hebben we weer een bewijs dat Hij de HEERE, Jahweh, is. Hij is de Zoon des mensen Die komt met de wolken van de hemel en Hij is tevens de Oude van dagen (Dn 7:13,2213[Verder] zag ik in de nachtvisioenen,
en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand
als een Mensenzoon.
Hij kwam tot de Oude van dagen
en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbijkomen.
22totdat de Oude van dagen kwam, de heiligen van de Allerhoogste recht verschaft werd en het tijdstip was bereikt dat de heiligen het koningschap in bezit namen.
)
. Hij is de HEERE Die van de HEERE komt, een voor ons onbegrijpelijk mysterie.

Het lijkt erop dat de aanraking van Zijn voeten een aardbeving tot gevolg heeft waardoor de Olijfberg in tweeën splijt. Omdat de ene helft van de berg naar het noorden en de andere helft naar het zuiden wijkt, ontstaat er “een zeer groot dal” dat van oost naar west loopt.

Dit dal zal als vluchtweg dienen (vers 55Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!). Maar wie vluchten hier? Is dat het overblijfsel dat in Jeruzalem is achtergebleven voor wie hier door de HEERE een vluchtroute wordt geopend? Meer waarschijnlijk is het zo, dat de goddelozen plotseling een mogelijkheid zien om de gekomen Rechter te ontvluchten – wat natuurlijk een illusie zal blijken te zijn.

“De aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda” waarnaar Zacharia verwijst, heeft twee eeuwen eerder plaatsgevonden (Am 1:11De woorden van Amos, die behoorde tot de veehouders uit Tekoa, die hij gezien heeft over Israël in de dagen van Uzzia, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, twee jaar voor de aardbeving.). Het moet een aardbeving geweest zijn die diep in het geheugen van het volk gegrift staat en in de geschiedenis een vaste plaats heeft gekregen. Men is toen uit grote angst voor de aardbeving weggevlucht. Zo zal men straks niet alleen voor de vijand vluchten, maar vooral uit angst voor de verschijning van de HEERE die met dergelijke indrukwekkende natuurverschijnselen gepaard gaat.

De profeet is zo vol van wat hij ziet, dat hij in het laatste deel van het vers overgaat van beschrijvend naar aansprekend. Hij ziet in de geest hoe alles zal gaan. Hij is er zo bij betrokken, dat hij zich ongemerkt richt tot Hem Die hem alles laat zien. Hij spreekt de Heer Jezus aan. Zacharia vertegenwoordigt hier het overblijfsel.

“De heiligen” die met de Heer Jezus terugkomen, zijn niet de engelen. Het zijn de gelovigen uit het Oude Testament en uit het Nieuwe Testament die allen opgenomen zijn bij de komst van de Heer Jezus in de lucht (1Th 3:1313opdat Hij uw harten versterkt om onberispelijk te zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus met al Zijn heiligen. <Amen>.; 4:14-1814Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en opgestaan, evenzeer zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen.15(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)). Nadat alle gelovigen zijn geopenbaard voor de rechterstoel van Christus en de bruiloft van het Lam is gevierd, komen ze met Christus terug naar de aarde.

In wat volgt, beschrijft Zacharia eerst het volle en zekere resultaat van de komst van de Heer Jezus (verzen 6-116Op die dag zal het geschieden
dat het kostbare licht er niet zal zijn,
[evenmin] de dikke duisternis.
7Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.8Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
9De HEERE zal Koning worden over heel de aarde.
Op die dag zal de HEERE de Enige zijn
en Zijn Naam de enige.
10Heel het land zal als de Vlakte worden, van Geba tot Rimmon, ten zuiden van Jeruzalem. Maar [Jeruzalem] zal verheven worden en op zijn plaats bewoond blijven, van de poort van Benjamin af tot de plaats van de vroegere poort toe, tot aan de Hoekpoort, en [van] de Hananeëltoren [af] tot aan de perskuipen van de koning.11Zij zullen erin wonen, een ban[vloek] zal er niet meer zijn: Jeruzalem zal onbezorgd wonen.
)
. Daarna toont hij het oordeel over de vijand (verzen 12-1512En dit zal de plaag zijn waarmee de HEERE al de volken zal treffen die tegen Jeruzalem hebben gestreden: Hij zal ieders vlees, terwijl hij [nog] op zijn voeten staat, doen wegteren; de ogen van allen zullen wegteren in hun kassen en de tong van allen zal wegteren in hun mond.
13Op die dag zal het geschieden
dat er een grote, door de HEERE [bewerkte], verwarring onder hen zal ontstaan,
zodat zij elkaars hand zullen vastgrijpen
en tegen elkaar de hand zullen opheffen.
14Ook zal Juda in Jeruzalem strijden,
zodat het vermogen van alle heidenvolken rondom verzameld wordt:
goud, zilver en kleding in zeer grote hoeveelheden.
15En zo zal de plaag die de paarden, de muildieren, de kamelen, de ezels en al de dieren die zich in die legerkampen bevinden, [zal treffen,] dezelfde zijn als die plaag.
)
en wat daarvan de gevolgen zijn (verzen 16-2116Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren.17Het zal geschieden dat er geen regen zal vallen op hem die uit de geslachten van de aarde niet zal opgaan naar Jeruzalem om zich voor de Koning, de HEERE van de legermachten, neer te buigen.18Als het geslacht van de Egyptenaren, waarop geen [regen] is [gevallen], niet zal opgaan en komen, dan zal de plaag komen waarmee de HEERE de heidenvolken zal treffen die niet zullen optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren.19Dit zal de straf zijn voor de zonde van Egypte en de straf voor de zonde van alle heidenvolken die niet zullen opgaan om het Loofhuttenfeest te vieren.20Op die dag zal op de bellen van de paarden staan: HEILIG VOOR DE HEERE. En de potten in het huis van de HEERE zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar.21Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen voor de HEERE van de legermachten heilig zijn, zodat allen die willen offeren, zullen komen en ervan nemen om erin te koken. Op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HEERE van de legermachten.).


Een bijzondere dag

6Op die dag zal het geschieden
dat het kostbare licht er niet zal zijn,
[evenmin] de dikke duisternis.
7Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.

De dag van de HEERE zal een zeer bijzondere dag zijn. Het is een dag van oordeel over de goddelozen, een dag waarop alle licht voor hen afwezig is (vers 66Op die dag zal het geschieden
dat het kostbare licht er niet zal zijn,
[evenmin] de dikke duisternis.
; Jl 3:1515Zon en maan worden in het zwart gehuld
en de sterren hebben hun schijnsel ingetrokken.
; Ez 32:7-87Ik zal de hemel bedekken wanneer Ik u uitblus,
zijn sterren zal Ik in het zwart hullen.
Ik zal de zon met wolken bedekken,
en de maan zal zijn licht niet laten schijnen.
8Alle lichten die aan de hemel stralen,
zal Ik omwille van u in het zwart hullen.
Ik zal duisternis over uw land brengen,
spreekt de Heere HEERE.
; Mt 24:2929Terstond nu na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen.; Op 6:1212En ik zag, toen het [Lam] het zesde zegel opende, en er kwam een grote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak en de hele maan werd als bloed,)
. Er is voor hen alleen dikke duisternis (Am 5:1818Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!
)
.

Het is een unieke dag die alleen bij de HEERE bekend is (vers 77Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.
)
. Deze dag begint niet met licht, maar met duisternis en eindigt niet met duisternis, maar met licht. Het licht verdwijnt tegen de avond niet, maar het blijft licht. Dat licht komt van Hem Die de Zon der gerechtigheid is. Hij gaat niet onder, maar zal duizend jaar lang blijven schijnen.


De HEERE is de Enige

8Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
9De HEERE zal Koning worden over heel de aarde.
Op die dag zal de HEERE de Enige zijn
en Zijn Naam de enige.
10Heel het land zal als de Vlakte worden, van Geba tot Rimmon, ten zuiden van Jeruzalem. Maar [Jeruzalem] zal verheven worden en op zijn plaats bewoond blijven, van de poort van Benjamin af tot de plaats van de vroegere poort toe, tot aan de Hoekpoort, en [van] de Hananeëltoren [af] tot aan de perskuipen van de koning. 11Zij zullen erin wonen, een ban[vloek] zal er niet meer zijn: Jeruzalem zal onbezorgd wonen.

Wanneer de Heer Jezus regeert, zal Jeruzalem een bron van zegen voor de aarde zijn (vers 88Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
)
. Er zal levend water uit de stad stromen. Dat water stroomt in twee richtingen. Het stroomt in oostelijke richting, “naar de zee in het oosten” dat is de Dode Zee. Het stroomt ook in westelijke richting, “naar de zee in het westen”, dat is de Middellandse Zee. De zegen die vanuit Jeruzalem stroomt, zal niet opdrogen. Zomer en winter blijft het water onophoudelijk stromen (Ez 47:1-81Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.2Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water.3Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.4Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen.5[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan.6Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek.7Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant.8Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond.; Jl 3:1818Op die dag zal het gebeuren
dat de bergen van jonge wijn zullen druipen,
de heuvels van melk zullen stromen,
en alle waterstromen van Juda
zullen overlopen van water.
Een bron zal uit het huis van de HEERE ontspringen,
die het dal van Sittim zal bevochtigen.
)
.

In die tijd is de HEERE Koning, niet alleen over Israël, maar “over heel de aarde” (vers 99De HEERE zal Koning worden over heel de aarde.
Op die dag zal de HEERE de Enige zijn
en Zijn Naam de enige.
)
. De belijdenis van de Jood zal dan ook de belijdenis van de heidenvolken zijn, dat de HEERE de Enige is en Zijn Naam de enige Naam. Dan zullen er geen afgoden meer zijn en gediend worden (vgl. Zc 13:22Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik uit het land de namen van de afgoden zal uitroeien, zodat aan hen niet meer gedacht zal worden. Ja, ook de profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen.). Er zal maar één Naam genoemd en gehoord worden. Er zal in die gezegende tijd slechts één godsdienst zijn, slechts één manier waarop die godsdienst beoefend wordt.

Vers 1010Heel het land zal als de Vlakte worden, van Geba tot Rimmon, ten zuiden van Jeruzalem. Maar [Jeruzalem] zal verheven worden en op zijn plaats bewoond blijven, van de poort van Benjamin af tot de plaats van de vroegere poort toe, tot aan de Hoekpoort, en [van] de Hananeëltoren [af] tot aan de perskuipen van de koning. beschrijft het herstel van het land. Te midden van een vlakte ligt op een hoogte Jeruzalem als stralend hoogtepunt (Zc 12:66Op die dag zal Ik de leiders van Juda maken als een vuurbekken in [een stapel] hout en als een brandende fakkel in een graanschoof. Rechts en links zullen zij al de volken rondom verteren en Jeruzalem zal nog op zijn plaats blijven, in Jeruzalem.; Js 2:22Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
; Mi 4:11Het zal echter in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE
vast zal staan als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat de volken ernaartoe zullen stromen.
)
. “Geba” ligt in het noordelijke Benjamin (Jz 21:1717En van de stam Benjamin: Gibeon met zijn weidegronden en Geba met zijn weidegronden,) en “Rimmon” in het zuidelijke Juda (Jz 15:3232Lebaoth, Silhim, Aïn en Rimmon. In totaal negenentwintig steden met hun dorpen.). Er worden verschillende bekende namen genoemd van gebouwen in Jeruzalem, waardoor het duidelijk is dat het over het aardse Jeruzalem gaat en niet over het hemelse.

Jeruzalem is hersteld. De inwoners van de stad zullen niet meer onder enige last gebukt gaan (vers 1111Zij zullen erin wonen, een ban[vloek] zal er niet meer zijn: Jeruzalem zal onbezorgd wonen.). Ze zijn vrij van elk juk. Er is niets meer te vrezen. Ze zijn veilig.


Nog een keer het oordeel beschreven

12En dit zal de plaag zijn waarmee de HEERE al de volken zal treffen die tegen Jeruzalem hebben gestreden: Hij zal ieders vlees, terwijl hij [nog] op zijn voeten staat, doen wegteren; de ogen van allen zullen wegteren in hun kassen en de tong van allen zal wegteren in hun mond.
13Op die dag zal het geschieden
dat er een grote, door de HEERE [bewerkte], verwarring onder hen zal ontstaan,
zodat zij elkaars hand zullen vastgrijpen
en tegen elkaar de hand zullen opheffen.
14Ook zal Juda in Jeruzalem strijden,
zodat het vermogen van alle heidenvolken rondom verzameld wordt:
goud, zilver en kleding in zeer grote hoeveelheden.
15En zo zal de plaag die de paarden, de muildieren, de kamelen, de ezels en al de dieren die zich in die legerkampen bevinden, [zal treffen,] dezelfde zijn als die plaag.

Zacharia beschrijft nog een keer de verdelging van de volken die tegen Jeruzalem zijn opgetrokken (verzen 12-1512En dit zal de plaag zijn waarmee de HEERE al de volken zal treffen die tegen Jeruzalem hebben gestreden: Hij zal ieders vlees, terwijl hij [nog] op zijn voeten staat, doen wegteren; de ogen van allen zullen wegteren in hun kassen en de tong van allen zal wegteren in hun mond.
13Op die dag zal het geschieden
dat er een grote, door de HEERE [bewerkte], verwarring onder hen zal ontstaan,
zodat zij elkaars hand zullen vastgrijpen
en tegen elkaar de hand zullen opheffen.
14Ook zal Juda in Jeruzalem strijden,
zodat het vermogen van alle heidenvolken rondom verzameld wordt:
goud, zilver en kleding in zeer grote hoeveelheden.
15En zo zal de plaag die de paarden, de muildieren, de kamelen, de ezels en al de dieren die zich in die legerkampen bevinden, [zal treffen,] dezelfde zijn als die plaag.
)
. Hij heeft in de eerste verzen van dit hoofdstuk daar al over gesproken, maar hier voegt hij er nog enkele details aan toe. De HEERE zal voor het verslaan van Zijn vijanden ook een bovennatuurlijke plaag sturen en daardoor de vijand vellen (vers 1212En dit zal de plaag zijn waarmee de HEERE al de volken zal treffen die tegen Jeruzalem hebben gestreden: Hij zal ieders vlees, terwijl hij [nog] op zijn voeten staat, doen wegteren; de ogen van allen zullen wegteren in hun kassen en de tong van allen zal wegteren in hun mond.
)
. Zo voltrekt Hij een razendsnel oordeel over de militaire macht van de vijanden. De burgers van de vijandelijke volken worden geoordeeld als Christus de troon van Zijn heerlijkheid op aarde heeft opgericht. Dan zal Hij de volken in schapen en bokken scheiden (Mt 25:31-4631Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.41Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan Zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid;42want Ik had honger en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij niet te drinken gegeven;43Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet opgenomen; naakt en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in [de] gevangenis en u hebt Mij niet bezocht.44Dan zullen ook dezen antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in [de] gevangenis, en hebben U niet gediend?45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het aan een van deze geringsten niet hebt gedaan, hebt u het Mij ook niet gedaan.46En dezen zullen gaan in [de] eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in [het] eeuwige leven.).

Bij de vijanden wordt de aandacht gericht op “de ogen van allen”. Hun ogen “zullen wegteren in hun kassen” omdat zij daarmee alleen in hebzucht naar hun vermeende buit hebben gekeken. Ook wordt “de tong van allen” genoemd. Hun tong “zal wegteren in hun mond” omdat zij daarmee de HEERE hebben gelasterd.

De volken die tegen Jeruzalem ten strijde zijn getrokken, zullen voor een deel wegteren als gevolg van een door de HEERE gezonden plaag (vers 1212En dit zal de plaag zijn waarmee de HEERE al de volken zal treffen die tegen Jeruzalem hebben gestreden: Hij zal ieders vlees, terwijl hij [nog] op zijn voeten staat, doen wegteren; de ogen van allen zullen wegteren in hun kassen en de tong van allen zal wegteren in hun mond.
)
. Een ander deel zal omkomen door het zwaard van het eigen leger (vers 1313Op die dag zal het geschieden
dat er een grote, door de HEERE [bewerkte], verwarring onder hen zal ontstaan,
zodat zij elkaars hand zullen vastgrijpen
en tegen elkaar de hand zullen opheffen.
)
. Een laatste deel zal omkomen door het overblijfsel van Juda dat de wapens heeft opgenomen (vers 1414Ook zal Juda in Jeruzalem strijden,
zodat het vermogen van alle heidenvolken rondom verzameld wordt:
goud, zilver en kleding in zeer grote hoeveelheden.
)
.

Naast de lichamelijke uittering zal er ook een door de HEERE bewerkte verwarring onder hen ontstaan, waardoor ieder zijn medestrijder als zijn vijand zal zien (vgl. Ri 7:2222Toen de driehonderd op de bazuinen bliezen, richtte de HEERE het zwaard van de een tegen de ander, en [dat] in heel het kamp. En het leger vluchtte naar Beth-Sitta in de richting van Zerera, tot aan de oever van Abel-Mehola, boven Tabbath.; 1Sm 14:15-2015En er ontstond schrik in het legerkamp, op het veld en onder heel het volk. De wachtpost en de plunderaars beefden zelf ook. Ja, het land sidderde, want het was een schrik van God.16Toen nu de schildwachten van Saul te Gibea in Benjamin zagen dat – zie – de troepenmacht [van de Filistijnen van angst] weggesmolten was en heen en weer liep,17toen zei Saul tegen het volk dat bij hem was: Stel toch een onderzoek in en kijk wie er van ons weggegaan zijn. Zij stelden een onderzoek in, en zie, Jonathan en zijn wapendrager waren er niet.18Toen zei Saul tegen Ahia: Breng de ark van God hierheen. Want de ark van God was in die dagen bij de Israëlieten.19En het gebeurde, terwijl Saul nog tot de priester sprak, dat het rumoer dat er in het leger van de Filistijnen was, gaandeweg toenam. Toen zei Saul tegen de priester: Laat maar achterwege.20En Saul en al het volk dat bij hem was, werden [bijeen]geroepen en kwamen naar de [plaats van de] strijd. En zie, het zwaard van de een was tegen de ander; er heerste een bijzonder grote verwarring.; 2Kr 20:2323De Ammonieten en Moab vielen namelijk de bewoners van het Seïrgebergte aan door [hen] met de ban te slaan en [hen] weg te vagen. Zodra zij de bewoners van Seïr hadden vernietigd, hielpen zij elkaar in het verderf.). Interne verdeeldheid zal ook een middel zijn waardoor de vijand ten onder gaat. Dit vindt plaats vóór de muren van Jeruzalem.

Een derde oorzaak van de ondergang van de vijanden zijn de getrouwen van Juda. Zij zullen de vijand verdrijven (vers 1414Ook zal Juda in Jeruzalem strijden,
zodat het vermogen van alle heidenvolken rondom verzameld wordt:
goud, zilver en kleding in zeer grote hoeveelheden.
)
. Dat levert een grote buit voor hen op. Juda zal niet tegen, maar in Jeruzalem strijden. Er zijn er die in Juda gevlucht zijn en nu terugkomen om Jeruzalem te bevrijden. Na de strijd wordt de buit verdeeld (2Kr 20:21-2521Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en [mensen] die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende [mannen] uit trokken en zeiden:
Loof de HEERE,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!
22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.23De Ammonieten en Moab vielen namelijk de bewoners van het Seïrgebergte aan door [hen] met de ban te slaan en [hen] weg te vagen. Zodra zij de bewoners van Seïr hadden vernietigd, hielpen zij elkaar in het verderf.24Toen Juda bij het uitkijkpunt in de woestijn gekomen was, keerden zij zich naar de troepenmacht. En zie, het waren dode lichamen, ter aarde neergevallen, en niemand was ontkomen.25Toen Josafat en zijn volk aankwamen om hun buit te roven, troffen zij een grote hoeveelheid [last]dieren, bezittingen, kleding en kostbare voorwerpen bij hen aan, en zij plunderden voor zichzelf [zo veel], dat zij [het] niet [meer] dragen konden. Drie dagen [lang] roofden zij de buit, zo groot was die.
; Ez 39:10,1710zodat zij geen hout uit het veld hoeven te halen en niets uit de bossen hoeven te hakken, maar vuur kunnen stoken van de wapens. Zo zullen zij hun plunderaars plunderen en beroven wie hen beroofd hadden, spreekt de Heere HEERE.17En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Zeg tegen alle soorten vogels en tegen alle dieren van het veld: Verzamel u en kom, kom van rondom bijeen, bij Mijn offer, dat Ik breng, een groot offer voor u op de bergen van Israël, en eet vlees en drink bloed.)
.

Ook de dieren in dienst van de vijand zullen geoordeeld worden (vers 1515En zo zal de plaag die de paarden, de muildieren, de kamelen, de ezels en al de dieren die zich in die legerkampen bevinden, [zal treffen,] dezelfde zijn als die plaag.; Zc 12:44Op die dag, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schichtigheid slaan en hun ruiters met krankzinnigheid. Maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openhouden en alle paarden van de volken zal Ik met blindheid slaan.; 1Sm 15:33Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, [en] van kameel tot ezel.). Alle middelen die de satan heeft ingezet in zijn strijd tegen God en Zijn volk, zullen verdelgd worden.


Het Loofhuttenfeest

16Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren. 17Het zal geschieden dat er geen regen zal vallen op hem die uit de geslachten van de aarde niet zal opgaan naar Jeruzalem om zich voor de Koning, de HEERE van de legermachten, neer te buigen. 18Als het geslacht van de Egyptenaren, waarop geen [regen] is [gevallen], niet zal opgaan en komen, dan zal de plaag komen waarmee de HEERE de heidenvolken zal treffen die niet zullen optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. 19Dit zal de straf zijn voor de zonde van Egypte en de straf voor de zonde van alle heidenvolken die niet zullen opgaan om het Loofhuttenfeest te vieren.

Nadat alle vijanden zijn geoordeeld, dat wil zeggen de vijandelijke legers van de heidenvolken, kan het vrederijk aanbreken. “Al de overgeblevenen van alle heidenvolken” zullen jaarlijks optrekken naar Jeruzalem voor de feesten (vers 1616Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren.). Van al de feesten van de HEERE, die in Leviticus 23 worden genoemd, wordt het Loofhuttenfeest met name genoemd. Het is het laatste feest van de cycli van feesten. Het wordt gevierd als de hele oogst is binnengehaald. Het is het laatste en het hoogtepunt van alle feesten.

Het Loofhuttenfeest wordt hier genoemd omdat dit feest zelf zijn vervulling in het duizendjarig vrederijk vindt. Tijdens het feest wordt teruggedacht aan de woestijnreis van het volk en tevens de meer dan tweeduizend jaar dat het volk door de woestijn van de volken heeft gezworven. Alle volken, het restant ervan, de volken die de Heer Jezus ‘schapen’ noemt (Mt 25:31-4031Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.), vieren het mee, hoogstwaarschijnlijk door een afvaardiging die zij naar Jeruzalem sturen. Zij zullen de Messias aanbidden.

In het vrederijk moet nog geregeerd worden om de zonde te beteugelen. Het is nog niet de volmaakte toestand. Op geslachten die niet naar Jeruzalem opgaan om de HEERE te aanbidden, zal geen regen vallen. Het gevolg is dat er voor hen geen oogst zal zijn (vers 1717Het zal geschieden dat er geen regen zal vallen op hem die uit de geslachten van de aarde niet zal opgaan naar Jeruzalem om zich voor de Koning, de HEERE van de legermachten, neer te buigen.). Van de heidenvolken wordt Egypte speciaal genoemd (verzen 18-1918Als het geslacht van de Egyptenaren, waarop geen [regen] is [gevallen], niet zal opgaan en komen, dan zal de plaag komen waarmee de HEERE de heidenvolken zal treffen die niet zullen optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren.19Dit zal de straf zijn voor de zonde van Egypte en de straf voor de zonde van alle heidenvolken die niet zullen opgaan om het Loofhuttenfeest te vieren.).

We moeten uit deze verzen niet afleiden dat op het moment van de voltooiing van het koninkrijk van God er nog heidenen zullen zijn die zich zullen onthouden van de aanbidding van de ware God. De gedachte is eenvoudig dat er dan geen ruimte meer voor het heidendom binnen de sfeer van het koninkrijk van God is. Dat zien we nog eens nadrukkelijk in de twee volgende verzen die het slot van dit hoofdstuk en dit boek vormen, waar al het onheilige uit het koninkrijk verwijderd zal zijn.

De toepassing van het Loofhuttenfeest voor ons is dat de Heer Jezus het waardeert als we terugdenken aan wat Hij heeft gedaan op het kruis. Dat doen we op aarde in het bijzonder als we het avondmaal vieren en de dood van de Heer verkondigen. We zullen tot in alle eeuwigheid terugdenken aan wat Hij deed, want we zullen altijd het Lam zien staan als geslacht (Op 5:66En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.).


Alles is aan de HEERE gewijd

20Op die dag zal op de bellen van de paarden staan: HEILIG VOOR DE HEERE. En de potten in het huis van de HEERE zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar. 21Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen voor de HEERE van de legermachten heilig zijn, zodat allen die willen offeren, zullen komen en ervan nemen om erin te koken. Op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HEERE van de legermachten.

Terwijl buiten Israël het kwaad wordt geoordeeld, is binnen het volk alles “HEILIG VOOR DE HEERE” dat wil zeggen dat alles aan Hem gewijd is. Het hele leven zal doortrokken zijn van de heiligheid van de HEERE. Het volk zal dan de heilige natie zijn die God altijd voor ogen heeft gestaan (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.). Wat vroeger alleen op de tulband van de hogepriester stond (Ex 28:3636U moet ook een plaat maken van zuiver goud en daarin graveren, zoals men zegels graveert: DE HEILIGHEID VAN DE HEERE.), staat nu overal op te lezen, wat ook in de praktijk waar zal zijn. Eerder zijn paarden van de vijanden door de vloek getroffen (vers 1515En zo zal de plaag die de paarden, de muildieren, de kamelen, de ezels en al de dieren die zich in die legerkampen bevinden, [zal treffen,] dezelfde zijn als die plaag.), hier dragen paarden bij aan de verheerlijking van de HEERE.

Hetzelfde geldt voor de potten in het huis van de HEERE. Die potten worden als het ware opgewaardeerd tot een dienst die direct met het altaar te doen heeft, dat wil zeggen dat ze bijdragen aan de aanbidding van de HEERE. Alle gewone gebruiksvoorwerpen worden ingezet tot meerdere verheerlijking van God. Voor ons geldt dat nu al. Alles wat we doen, tot het gewone eten en drinken aan toe, behoort te zijn tot eer van God (Ko 3:1717En al wat u doet, in woord of in werk, [doet] alles in [de] Naam van [de] Heer Jezus, terwijl u God [de] Vader door Hem dankt.; 1Ko 10:3131Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets [anders] doet, doet het alles tot heerlijkheid van God.).

Wat geldt voor de potten in het huis van de HEERE, geldt voor “al de potten in Jeruzalem en in Juda” (vers 2121Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen voor de HEERE van de legermachten heilig zijn, zodat allen die willen offeren, zullen komen en ervan nemen om erin te koken. Op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HEERE van de legermachten.). Elk alledaags gebruiksvoorwerp zal aan de HEERE gewijd zijn en tot Zijn eer gebruikt worden. Elk voorwerp door het hele land heen zal zo heilig zijn, dat het in de tempel gebruikt zou kunnen worden.

Met deze voorstelling van zaken wil Zacharia tot het hart van zijn volk spreken. Hij wil dat ze aan die toekomstige tijd denken en er dan voor zorgen dat ze alles daarmee in overeenstemming brengen. Ook voor ons is het zaak om ernst te maken met het huis van God, de gemeente. Dit betekent dat we alles in ons hele leven, zeven dagen per week en vierentwintig uur per dag, daaraan toewijden. Alles in Gods gemeente moet gaan dienen tot meerdere glorie van Hem van Wie het huis is.

Alles wat steeds de dienst aan de HEERE in gevaar heeft gebracht, zal er dan niet meer zijn. De kooplieden – dat is de betekenis van de naam Kanaäniet – zullen er niet meer zijn om van de dingen van de Heer koopwaar te maken. De Heer heeft als eerste handeling in de tempel het huis van Zijn Vader van kooplieden gereinigd (Jh 2:1616en tot hen die de duiven verkochten zei Hij: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.). De tijd dat godsdienst koopwaar is, is voorgoed voorbij. Het oordeel over de rooms-katholieke kerk als economische macht geeft dat aan (Op 18:15-2415De kooplieden in deze dingen, die door haar rijk geworden zijn, zullen uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan, terwijl zij wenen en treuren16en zeggen: Wee, wee de grote stad, die bekleed was met fijn linnen, purper en scharlaken en versierd met goud, edelgesteente en parels; want in één uur is die zo grote rijkdom verwoest.17En iedere stuurman en iedere zeereiziger en [de] zeelieden en allen die op zee hun werk hebben, bleven in de verte staan18en terwijl zij de rook van haar brand zagen, riepen zij de woorden: Welke [stad] was aan die grote stad gelijk?19En zij wierpen stof op hun hoofden en terwijl zij weenden en treurden, riepen zij de woorden: Wee, wee de grote stad, waarin allen die hun schepen op zee hadden, door haar kostbaarheid rijk werden; want in één uur is zij verwoest.20Wees vrolijk over haar, hemel, en u, heiligen en apostelen en profeten, omdat God uw rechtszaak tegen haar berecht heeft.21En één sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee en zei: Zó zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en zij zal geenszins meer gevonden worden.22En geluid van harpspelers, toonkunstenaars, fluitspelers en bazuinblazers zal geenszins meer in u gehoord worden, en geen enkele beoefenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden, en geluid van een molen zal geenszins meer in u gehoord worden,23en lamplicht zal geenszins meer in u schijnen, en [de] stem van bruidegom en bruid zal geenszins meer in u gehoord worden. Want uw kooplieden waren de groten der aarde, want door uw toverij zijn alle naties misleid.24En in haar werd gevonden [het] bloed van profeten en heiligen en van allen die op de aarde geslacht zijn.).