Zacharia
Inleiding 1-3 Oordeel over de valse herders 4-5 De slachtschapen 6 God oordeelt Zijn afvallige volk 7 De HEERE Zelf weidt de schapen 8-9 Drie herders en de massa uitgeroeid 10-11 De stok LIEFLIJKHEID stukgebroken 12-13 Wat de Herder het volk waard is 14 De stok SAMENBINDING stukgebroken 15-17 Het oordeel over de antichrist
Inleiding

In dit hoofdstuk gaat het over de valse herders, die in het vorige hoofdstuk al even zijn genoemd (Zc 10:2-32want de afgodsbeelden spreken bedrog,
en de waarzeggers schouwen leugen;
ook spreken zij van valse dromen,
zij troosten [met] vluchtige woorden.
Daarom zijn zij weggetrokken als schapen;
zij worden verdrukt, want er is geen herder.3Tegen de herders is Mijn toorn ontbrand,
en de bokken straf Ik.
Ja, de HEERE van de legermachten zal omzien naar Zijn kudde,
het huis van Juda.
Hij zal hen maken
als Zijn prachtige paard in de strijd.
)
, tegenover de ware Herder van Wie Zacharia een type is (Zc 11:44Zo zegt de HEERE, mijn God: Weid die slachtschapen.). In Zacharia 10 gaat het vooral over de kudde, hier over de herders. Dit hoofdstuk beschrijft de eerste komst van de Heer Jezus en hoe het volk in zijn geheel Hem heeft verworpen.

De verzen 1-31Open uw deuren, Libanon,
opdat vuur uw ceders verteert.
2Weeklaag, cipressen, omdat de ceders gevallen zijn,
omdat die machtige [bomen] verwoest zijn.
Weeklaag, eiken van Basan,
omdat het ondoordringbare woud is neergevallen.
3Hoor het gejammer van de herders,
omdat hun pracht verwoest is.
Hoor het gebrul van de jonge leeuwen,
omdat de glorie van de Jordaan verwoest is.
beschrijven het oordeel over de valse herders, dat in de verzen 6,96Voorzeker, Ik zal de bewoners van het land niet meer sparen, spreekt de HEERE. Zie, Ik lever de mensen over, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning. Zij zullen dit land te gronde richten en Ik zal hen uit hun hand niet redden.9Toen zei Ik: Ik zal u niet [meer] weiden. Laat sterven wat sterft, laat uitgeroeid worden wat [dreigt] uitgeroeid te worden en laten zij die overblijven elkaars vlees verslinden. wordt aangekondigd. Het hoofdstuk mondt uit in de ene valse herder, de antichrist in vers 1717Wee de herder van niets,
die de kudde in de steek laat!
Het zwaard zal zijn arm [treffen]
en zijn rechteroog.
Zijn arm zal helemaal verstijven,
zijn rechteroog zal helemaal dof worden.
. De valse herders komen geleidelijk aan de macht na de terugkeer uit Babel en zijn duidelijk aan de macht als de Heer Jezus op aarde is. Het oordeel over hen vindt plaats in 70 na Chr.


Oordeel over de valse herders

1Open uw deuren, Libanon,
opdat vuur uw ceders verteert.
2Weeklaag, cipressen, omdat de ceders gevallen zijn,
omdat die machtige [bomen] verwoest zijn.
Weeklaag, eiken van Basan,
omdat het ondoordringbare woud is neergevallen.
3Hoor het gejammer van de herders,
omdat hun pracht verwoest is.
Hoor het gebrul van de jonge leeuwen,
omdat de glorie van de Jordaan verwoest is.

Libanon is voortdurend ten prooi gevallen aan invasies uit het noorden (vers 11Open uw deuren, Libanon,
opdat vuur uw ceders verteert.
)
. Maar het land zal nog een veel vreselijker invasie beleven. Hoe onwillig het ook is om zijn deuren te openen voor de koning van het noorden in de toekomst, ze zullen diens opmars naar Israël niet kunnen tegenhouden. God brengt hem naar Zijn land vanwege de gruwel van de verwoesting die in de tempel is opgericht. Ceders zijn een beeld van hoogwaardigheidsbekleders.

De verschillende soorten bomen die worden genoemd (vers 22Weeklaag, cipressen, omdat de ceders gevallen zijn,
omdat die machtige [bomen] verwoest zijn.
Weeklaag, eiken van Basan,
omdat het ondoordringbare woud is neergevallen.
)
, stellen mensen voor. Zij worden opgeroepen om hun gevoelens van verdriet te uiten. Met de “cipressen” worden de rijken bedoeld. De “ceders” en de “eiken van Basan” zijn de sterken, de regeerders en mannen met gezag (Js 2:1313tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
)
. “Het ondoordringbare woud” staat voor de massa van het gewone volk. De laatsten zullen niet meer zuchten onder het juk van ‘cipres’ en ‘eik’. Ceders van de Libanon en eiken van Basan zijn symbolische beschrijvingen voor de valse herders.

Het eerste deel van vers 33Hoor het gejammer van de herders,
omdat hun pracht verwoest is.
Hoor het gebrul van de jonge leeuwen,
omdat de glorie van de Jordaan verwoest is.
laat de symboliek los en spreekt over de personen, de herders. Zij zien zichzelf als de “pracht” of de heerlijkheid van het land. De “jonge leeuwen” zijn de prinsen, de bestuurders die zich wreed hebben gedragen. Van de “trots van de Jordaan” (vgl. Jr 49:1919Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen
uit de glorie van de Jordaan, tegen de sterke woonplaats;
want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.
En wie [daarvoor] uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.
Want wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?
En wie is die herder dat hij voor Mijn aangezicht standhouden zou?
; 50:4444Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen
uit de glorie van de Jordaan tegen de sterke woonplaats,
want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.
En wie [daarvoor] uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.
Want wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?
En wie is die herder die voor Mijn aangezicht standhouden zou?
)
blijft niets over, want die wordt verwoest (Jr 25:34-3834Weeklaag, herders, en schreeuw het uit!
Wentel u in de as, gebieders van de kudde!
Want uw dagen zijn aangebroken, dat men afslachten zal,
en uw verstrooiing, zodat u zult vallen als kostbaar vaatwerk.
35De [mogelijkheid tot] ontvluchten voor de herders gaat verloren,
de [mogelijkheid tot] ontkoming voor de gebieders van de kudde.
36Hoor het geschreeuw van de herders,
en het gejammer van de gebieders van de kudde,
omdat de HEERE hun weide verwoest.
37De vredige weiden worden vernield
vanwege de brandende toorn van de HEERE.
38Als een jonge leeuw heeft Hij Zijn schuilplaats verlaten,
want hun land is geworden tot een woestenij
vanwege de brandende [toorn] van de onderdrukker,
ja, vanwege Zijn brandende toorn.
)
. Dat is gebeurd door de Romeinen, die zich als macht in Israël vestigen.


De slachtschapen

4Zo zegt de HEERE, mijn God: Weid die slachtschapen. 5Hun kopers doden hen maar voelen zich niet schuldig; hun verkopers zeggen: Geloofd zij de HEERE, dat ik rijk geworden ben; en hun herders sparen hen niet.

Na het oordeel in de verzen 1-31Open uw deuren, Libanon,
opdat vuur uw ceders verteert.
2Weeklaag, cipressen, omdat de ceders gevallen zijn,
omdat die machtige [bomen] verwoest zijn.
Weeklaag, eiken van Basan,
omdat het ondoordringbare woud is neergevallen.
3Hoor het gejammer van de herders,
omdat hun pracht verwoest is.
Hoor het gebrul van de jonge leeuwen,
omdat de glorie van de Jordaan verwoest is.
komt in de volgende verzen de reden voor dit oordeel. Die reden is dat zij hun Messias hebben verworpen. Zacharia spreekt over “de HEERE, mijn God” (vers 44Zo zegt de HEERE, mijn God: Weid die slachtschapen.), iets wat toch vooral past voor de Messias. Dit maakt Zacharia tot type van de Messias. De profeet krijgt een opdracht van God als een type van de Messias. De Heer Jezus krijgt de opdracht van Zijn Vader om de schapen te weiden (Jh 10:1-4,7,9,11,14-181Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet binnengaat door de deur in de stal van de schapen, maar van een andere kant naar binnen klimt, die is een dief en een rover;2maar wie door de deur binnengaat, is een herder van de schapen.3Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten.4Wanneer hij al zijn eigen [schapen] heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.7Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen.9Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.11Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij,15zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg Mijn leven af voor de schapen.16En Ik heb [nog] andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar Mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.17Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem.18Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.).

De schapen worden “slachtschapen” genoemd, omdat ze daartoe door de Romeinen bestemd zijn (vgl. Ps 44:2323Maar om U worden wij de hele dag gedood;
wij worden beschouwd als slachtschapen.
)
. Dit is ook van toepassing op ons (Rm 8:3636zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –).

In vers 55Hun kopers doden hen maar voelen zich niet schuldig; hun verkopers zeggen: Geloofd zij de HEERE, dat ik rijk geworden ben; en hun herders sparen hen niet. wordt het volk nog als geheel gezien, het volk waar de Heer Jezus naar toe komt en dat Hij ziet als schapen die geen herder hebben (Mt 9:3636Toen Hij nu de menigten zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, want zij lagen afgemat terneer als schapen die geen herder hebben.). Er bevinden zich in het volk drie groepen: “kopers”, “verkopers” en “herders”.

1. De kopers zijn de nieuwe bezitters van Israël, de Romeinen, die zonder enig schuldgevoel de schapen hebben geslacht. Dat is vooral door de Romeinse veldheer Titus gebeurd tijdens en na de verwoesting van Jeruzalem. Flavius Josephus spreekt van 1,5 miljoen slachtoffers die in de strijd met de Romeinen omkwamen.
2. De verkopers leverden het volk uit aan de Romeinen. Dat is vooral Herodes. Valse leidslieden maken koopwaar van Gods volk, van de zielen van mensen. Ook de farizeeën en schriftgeleerden vallen onder de verkopers, ook zij spaarden het volk niet. Zij aten de huizen van de weduwen op en verrijkten zichzelf met de gaven van Gods volk.
3. De herders zijn de leidslieden van het volk. Zij hebben Gods volk uitgebuit.

Het volk is er slecht aan toe. Het heeft slechte burgerlijke overheden en slechte godsdienstige leiders (Jr 50:6a6Mijn volk – het waren verloren schapen.
Hun herders hadden hen misleid, hen naar de bergen geleid.
Zij gingen van berg naar heuvel.
Zij vergaten hun rustplaats.
)
.


God oordeelt Zijn afvallige volk

6Voorzeker, Ik zal de bewoners van het land niet meer sparen, spreekt de HEERE. Zie, Ik lever de mensen over, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning. Zij zullen dit land te gronde richten en Ik zal hen uit hun hand niet redden.

God geeft Zijn volk, de ongelovige massa, over in de hand van anderen (vers 66Voorzeker, Ik zal de bewoners van het land niet meer sparen, spreekt de HEERE. Zie, Ik lever de mensen over, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning. Zij zullen dit land te gronde richten en Ik zal hen uit hun hand niet redden.). Het oordeel wordt voltrokken door “zijn koning”, dat is de Romeinse keizer. Zo hebben ze het ook gezegd tegen Pilatus: “Wij hebben geen koning dan de keizer” (Jh 19:1515Zij dan riepen: Weg met [Hem]! Weg met [Hem]! Kruisig Hem! Pilatus zei tot hen: Moet ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning dan de keizer.). Een voorlopige vervulling van dit oordeel heeft plaatsgevonden in het jaar 70. De Romeinen hebben toen het land niet gespaard, maar te gronde gericht. God is niet voor Zijn volk tussenbeide gekomen en heeft hen niet uit de hand van de Romeinen gered. Het uiteindelijke oordeel zal in de toekomst voltrokken worden. In de toekomst zal het herstelde Romeinse rijk aan de valse koning van het volk, de antichrist, zijn macht geven.


De HEERE Zelf weidt de schapen

7Daarom weidde Ik de slachtschapen, omdat zij ellendige schapen zijn. Ik nam voor Mijzelf twee stokken – de ene noemde Ik LIEFLIJKHEID, de andere SAMENBINDING – en Ik weidde die schapen.

In vers 77Daarom weidde Ik de slachtschapen, omdat zij ellendige schapen zijn. Ik nam voor Mijzelf twee stokken – de ene noemde Ik LIEFLIJKHEID, de andere SAMENBINDING – en Ik weidde die schapen. spreekt Zacharia in de ik-vorm en is hij een type van de Heer Jezus. De schapen worden hier weer “slachtschapen” genoemd. Het oordeel over de schapen staat vast. Toch wordt de herder opgedragen hen te weiden. Zo komt de Heer Jezus tot Zijn volk, een volk waarover het oordeel vaststaat, om Zich te ontfermen over die schapen die aan het oordeel ontrukt worden. Tot de kudde van het volk Israël behoren schapen die Hij bij name kende. “De schapen horen Zijn stem; en Hij roept Zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten” (Jh 10:33Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten.). Hij roept ze uit de stal van Israël, terwijl de andere schapen in de stal, dat is het volk Israël, blijven.

De Messias voert, hoewel Hij de afloop kent, het door God gegeven bevel uit tijdens Zijn leven op aarde. Hij weidt de echte schapen van de kudde. Niet heel Israël is automatisch Zijn kudde, hoewel Hij voor allen als Herder is gekomen (Mt 9:3636Toen Hij nu de menigten zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, want zij lagen afgemat terneer als schapen die geen herder hebben.).

De “ellendige schapen” zijn de armen van geest, de boetvaardigen (Zf 3:1212Maar Ik zal in uw midden doen overblijven
een ellendig en arm volk.
Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen.
)
. Ze zijn diep neergebogen in de geest, verslagen door de eigen zonden, zonder enig verweer. Er is geen geestkracht meer. Zij zijn het overblijfsel te midden van de slachtschapen. We herkennen hen in de dagen van Johannes de doper in hen die tot hem komen om zich onder belijdenis van hun zonden te laten dopen. We zien hen ook in Jozef en Maria, Zacharia en Elisabeth, Simeon en Anna (Lukas 1-2).

Deze Herder heeft niet slechts één staf, Hij heeft twee staven. In de beide staven is te zien welk doel het weiden heeft. De eerste staf brengt tot uitdrukking wat God in Israël ziet, de aantrekkelijkheid van het volk voor Hem. De tweede heeft betrekking op de relaties van het volk onderling, de eenheid van het volk. Zo heeft Hij de kudde geweid en hen van voedsel voorzien.


Drie herders en de massa uitgeroeid

8Ik roeide binnen één maand drie herders uit, omdat Mijn ziel hen niet langer kon verdragen, en ook had hun ziel een afkeer van Mij. 9Toen zei Ik: Ik zal u niet [meer] weiden. Laat sterven wat sterft, laat uitgeroeid worden wat [dreigt] uitgeroeid te worden en laten zij die overblijven elkaars vlees verslinden.

De drie herders van vers 88Ik roeide binnen één maand drie herders uit, omdat Mijn ziel hen niet langer kon verdragen, en ook had hun ziel een afkeer van Mij. zijn de geestelijke leiders van wie de Heer Jezus het verdorven karakter aan het licht brengt aan het einde van Zijn leven op aarde. We herkennen hen in de farizeeën en Herodianen, de sadduceeën en een wetgeleerde (Mt 22:15-16,23,34-3515Toen gingen de farizeeën beraadslagen om Hem in een woord te verstrikken.16En zij zonden tot Hem hun discipelen met de herodianen om te zeggen: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van God in waarheid leert en U om niemand bekommert, want U kijkt mensen niet naar de ogen.23Op die dag kwamen er sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is;34Toen nu de farizeeën hadden gehoord dat Hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen.35En een van hen, <een wetgeleerde,> vroeg om Hem te verzoeken:). Hij is Zijn geduld met hen verloren en spreekt in heilige toorn het “wee u” over hen uit (Mt 23:13,15,16,23,25,27,2913Wee u echter, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u sluit het koninkrijk der hemelen voor de mensen; want uzelf gaat niet naar binnen, en hun die willen binnengaan, laat u niet toe binnen te komen. [Vers 1414Toen brak Ik Mijn tweede stok, SAMENBINDING, stuk, om [zo] de broederschap te verbreken tussen Juda en Israël. is als niet-authentiek weggelaten.]15Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u trekt de zee en het droge rond om één proseliet te maken; en wanneer hij het geworden is, maakt u van hem een zoon van [de] hel, tweemaal erger dan u.16Wee u, blinde leidslieden, die zegt: Wie bij het tempelhuis zweert – dat is niets; wie echter bij het goud van het tempelhuis zweert, is gebonden.23Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u geeft tienden van de munt, de dille en de komijn, en u laat het gewichtigste van de wet na: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw.25Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid.27Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u lijkt op witgepleisterde graven, die van buiten wel fraai schijnen, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn.29Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten en versiert de graftomben van de rechtvaardigen). Zij hebben hun afkeer van Hem steeds meer getoond en dat ondanks Zijn volmaaktheid als Herder, een taak die Hij zonder falen verricht. Hij heeft als gevolg daarvan ook een afkeer van hen (vgl. Js 1:13-1413Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
14Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
)
.

Vers 99Toen zei Ik: Ik zal u niet [meer] weiden. Laat sterven wat sterft, laat uitgeroeid worden wat [dreigt] uitgeroeid te worden en laten zij die overblijven elkaars vlees verslinden. is daar weer het gevolg van. Zijn afkeer om hen nog langer te weiden slaat niet op de ellendigen, maar op de kudde van de grote massa van het volk die niet wil luisteren. Zij kennen Zijn stem niet. Alleen zij die Zijn stem kennen, de ellendigen, voert Hij uit naar buiten. God geeft degenen die in de stal blijven, prijs aan het oordeel.

God spreekt over een drievoudige ramp.
1. “Laat sterven wat sterft” ziet op de dodelijke pest die zijn slachtoffers maakt.
2. Door oorlog zal het volk “uitgeroeid worden”.
3. Wie er dan nog over zijn, zullen in het grootste egoïsme in hun drang om in leven te blijven “elkaars vlees verslinden”. Ze zullen elkaar zelfs letterlijk eten (vgl. Gl 5:1515Als u echter elkaar bijt en opeet, kijkt dan uit dat u niet door elkaar verslonden wordt.) en zo elkaar uitroeien.

Dit is het resultaat omdat ze de Herder verwerpen en de Herder hen aan henzelf overlaat.


De stok LIEFLIJKHEID stukgebroken

10Daarop nam Ik Mijn stok LIEFLIJKHEID en brak hem stuk, om [zo] Mijn verbond te verbreken dat Ik met al die volken gesloten had. 11Op die dag werd het verbroken en zo hebben de ellendigen onder de schapen, die Mij verwachtten, erkend dat het een woord van de HEERE was.

Het verbreken van de stok LIEFLIJKHEID geeft het einde aan van Gods verhouding van liefde met Israël. Hij kan sinds de verwerping van de Heer Jezus niets lieflijks meer in het volk zien, met als gevolg dat ook de zegen voor de volken is uitgesteld. God heeft ook een verbond met de volken in Zijn hart (Js 56:6-76En de vreemdelingen die zich bij de HEERE voegen
om Hem te dienen en om de Naam van de HEERE lief te hebben,
om Hem tot dienaren te zijn;
allen die de sabbat in acht nemen, zodat zij hem niet ontheiligen,
en die aan Mijn verbond vasthouden:
7hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
)
.

De Heer Jezus was gekomen “om de beloften aan de vaderen te bevestigen en opdat de volken God zouden verheerlijken wegens de barmhartigheid” (Rm 15:88Want ik zeg, dat Christus een Dienstknecht van [de] besnijdenis geworden is ter wille van [de] waarheid van God, om de beloften van de vaderen te bevestigen,). Als Israël Hem had aangenomen, was dit vers voor de volken in vervulling gegaan. Dan zou het vrederijk gekomen zijn en zou er tussen de volken harmonie zijn.

Nu is de behoudenis tot alle volken gegaan om uit de volken een volk voor Zijn Naam te vormen, dat is de gemeente (Hd 13:47-4847Want zo heeft de Heer ons geboden: ‘Ik heb U gesteld tot een licht van [de] volken, opdat U tot behoudenis bent tot aan [het] einde van de aarde’.48Toen nu de volken dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het Woord van de Heer en allen geloofden die tot [het] eeuwige leven bestemd waren;). De gemeente is in het Oude Testament een verborgenheid. De belofte is echter niet verbroken, maar alleen uitgesteld. En uitstel is bij God geen afstel. Dat laat Zacharia 14 zien. Met “die volken” kan trouwens ook het volk Israël zelf bedoeld worden, waarvan de stammen ook “volken” worden genoemd (Dt 33:33Ja, Hij heeft de volken lief!
Al Zijn heiligen zijn in Uw hand,
Zíj zitten aan Uw voeten
en vangen [iets] op van Uw woorden.
)
.

Als God handelt naar Zijn Woord, is dat voor het overblijfsel altijd een bevestiging. Daarom is letten op Hem letten op het Woord. Door het kruis, de verwerping van de Messias, is het hele beeld, de hele loop van de geschiedenis, van Israël veranderd. De ellendigen zijn erin onderwezen dat de Heer Jezus moest lijden en in Zijn heerlijkheid ingaan, zoals de Heer hun uit de Schrift verklaart (Lk 24:26-2726Moest de Christus dit niet lijden, en [zo] in Zijn heerlijkheid binnengaan?27En te beginnen met Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond.).


Wat de Herder het volk waard is

12Want Ik had tegen hen gezegd: Als het goed is in uw ogen, geef [Mij] Mijn loon; zo niet, laat het na. Toen hebben zij Mijn loon afgewogen: dertig zilverstukken. 13Maar de HEERE zei tegen Mij: Werp dat de pottenbakker toe – een mooie prijs waarop Ik door hen geschat ben! Daarop nam Ik de dertig zilverstukken en wierp ze [in] het huis van de HEERE de pottenbakker toe.

Hier spreekt de profeet weer, waarbij we achter hem de Heer Jezus horen spreken. Christus vraagt hier aan het volk wat Hij waard is. Hij dwingt hen niet om antwoord te geven, maar ze geven wel antwoord. Het antwoord zou moeten zijn dat Hij alles voor hen is, dat ze hun leven en al hun onderhoud aan Hem te danken hebben. Maar het antwoord dat ze geven, spreekt van diepe minachting.

Judas Iskariot stelt de vraag naar de waarde van de Heer Jezus aan de leidslieden van het volk: “Wat wilt u mij geven? (Mt 26:15a15Wat wilt u mij geven? Dan zal ik Hem aan u overleveren. Zij nu betaalden hem dertig zilverlingen uit.). God gebruikt Judas om deze vraag te stellen. Zo brengt God hen tot een taxatie van Zijn Zoon. Het volk, bij monde van de leidslieden, schat Hem niet hoger dan de prijs van een (dode) slaaf (Ex 21:3232Als het rund een slaaf of slavin stoot, moet [de eigenaar] aan zijn meester dertig sikkel zilver geven, en het rund moet gestenigd worden.). “Zij nu betaalden hem dertig zilverlingen uit” (Mt 26:15b15Wat wilt u mij geven? Dan zal ik Hem aan u overleveren. Zij nu betaalden hem dertig zilverlingen uit.).

De waardering voor Wie de Heer Jezus is, wordt in de christenheid steeds geringer. Men twijfelt aan, of loochent zelfs openlijk, Zijn almacht, Zijn maagdelijke geboorte, Zijn verzoeningswerk, Zijn opstanding en zelfs aan Zijn bestaan. Ook nu klinkt de vraag in de christenheid, waarin we ook enerzijds de ellendigen vinden die op Hem en Gods Woord letten en anderzijds de massa van belijders: ‘Wat ben Ik waard, wat is jouw waardering van Mijn dienst?’ We moeten hier persoonlijk antwoord op geven.

In vers 1313Maar de HEERE zei tegen Mij: Werp dat de pottenbakker toe – een mooie prijs waarop Ik door hen geschat ben! Daarop nam Ik de dertig zilverstukken en wierp ze [in] het huis van de HEERE de pottenbakker toe. gaat de HEERE spreken. De HEERE zegt hier van Zichzelf dat Hij door hen op dertig zilverstukken is geschat. Hij spreekt ironisch van “een mooie prijs”. Hier zien we dat de Heer Jezus de HEERE is, Jahweh, de God van Israël. Hij is dezelfde als Jezus van Nazareth. Hij heeft die slavengestalte aangenomen (Fp 2:77maar Zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend.). Die prijs, een verachtelijke prijs, is Hij waard geacht (Ex 21:3232Als het rund een slaaf of slavin stoot, moet [de eigenaar] aan zijn meester dertig sikkel zilver geven, en het rund moet gestenigd worden.).

De HEERE werpt die prijs van Zich. Hij laat het geld dat door Judas in Zijn huis is geworpen naar de pottenbakker werpen als een getuigenis van de walging die Hij ervan heeft. Judas doet dit als uiting van zijn berouw dat hij zijn Meester heeft overgeleverd (Mt 27:3-53Toen kreeg Judas, die Hem had overgeleverd, berouw, toen hij zag dat Hij was veroordeeld, en bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug en zei:4Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren! Zij echter zeiden: Wat gaat ons dat aan? Dat is uw zaak.5En na de zilverlingen in het tempelhuis geworpen te hebben vertrok hij en ging weg en hing zich op.), maar zonder belijdenis van zijn afschuwelijke daad.

De oudsten en overpriesters kopen, na beraad, voor dat geld “de akker van de pottenbakker als een begraafplaats voor de vreemdelingen. Daarom wordt die akker bloedakker genoemd, tot op heden” (Mt 27:77Nadat zij nu hadden beraadslaagd, kochten zij daarmee de akker van de pottenbakker als een begraafplaats voor de vreemdelingen.). De akker van de pottenbakker is door de potscherven die de pottenbakker erop gooit waardeloos voor de akkerbouw. In de bestemming van het geld – de koop van een begraafplaats voor vreemdelingen – zien we de ironie van God. De hele aardbodem is voor Israël één grote bloedakker geworden, een begraafplaats voor Israëlieten die als vreemdelingen over de wereld zijn verstrooid en daar rondzwerven.


De stok SAMENBINDING stukgebroken

14Toen brak Ik Mijn tweede stok, SAMENBINDING, stuk, om [zo] de broederschap te verbreken tussen Juda en Israël.

Als de Heer Jezus tot Zijn volk komt, is dat uit liefde voor hen en om het verbroken volk weer een te maken. Maar die liefde wordt verworpen. Als Hij naar het kruis wordt verwezen, wordt daarom ook deze stok gebroken. De band van de broederschap tussen Juda en Israël is verbroken.

Hetzelfde zien we in de christenheid. Er is veel verdeeldheid onder de christenen, omdat Christus niet wordt gewaardeerd en er niet meer op Hem en Zijn Woord wordt gelet. De stok SAMENBINDING, dat wil zeggen de broederschap, gaat verloren als de stok LIEFLIJKHEID verbroken is en de Heer Jezus en Zijn Woord niet meer het bindende Middelpunt zijn. De Herder maakt er één kudde van. Als we Hem niet meer zien, wordt de kudde verstrooid. Dan worden we aan elkaar overgeleverd en eten we elkaar op (verzen 6,96Voorzeker, Ik zal de bewoners van het land niet meer sparen, spreekt de HEERE. Zie, Ik lever de mensen over, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning. Zij zullen dit land te gronde richten en Ik zal hen uit hun hand niet redden.9Toen zei Ik: Ik zal u niet [meer] weiden. Laat sterven wat sterft, laat uitgeroeid worden wat [dreigt] uitgeroeid te worden en laten zij die overblijven elkaars vlees verslinden.).


Het oordeel over de antichrist

15De HEERE zei tegen mij: Neem u nogmaals de uitrusting van een dwaze herder. 16Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat [dreigt] uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge [dieren] zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat [nog] overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette [dieren] eten en hun hoeven zal hij afrukken.
17Wee de herder van niets,
die de kudde in de steek laat!
Het zwaard zal zijn arm [treffen]
en zijn rechteroog.
Zijn arm zal helemaal verstijven,
zijn rechteroog zal helemaal dof worden.

In de verzen 15-1715De HEERE zei tegen mij: Neem u nogmaals de uitrusting van een dwaze herder.16Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat [dreigt] uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge [dieren] zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat [nog] overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette [dieren] eten en hun hoeven zal hij afrukken.
17Wee de herder van niets,
die de kudde in de steek laat!
Het zwaard zal zijn arm [treffen]
en zijn rechteroog.
Zijn arm zal helemaal verstijven,
zijn rechteroog zal helemaal dof worden.
bevinden we ons ineens in de eindtijd. Als Christus niet wordt gewaardeerd, zal het volk “een dwaze herder”, de antichrist, aannemen (Jh 5:4343Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.). Hem zullen ze waarderen. Ze krijgen iemand die niets voor hen doet, maar hen gebruikt om zichzelf te goed te doen.

Zacharia moet zich omkleden (vers 1515De HEERE zei tegen mij: Neem u nogmaals de uitrusting van een dwaze herder.). Hij moet zich nog een keer als herder kleden (vers 77Daarom weidde Ik de slachtschapen, omdat zij ellendige schapen zijn. Ik nam voor Mijzelf twee stokken – de ene noemde Ik LIEFLIJKHEID, de andere SAMENBINDING – en Ik weidde die schapen.). De uitrusting van de goede herder wordt verwisseld voor die van een dwaze herder, dat is de antichrist, de valse messias (Dn 11:36-4036Die koning zal handelen naar eigen goeddunken. Hij zal zich verheffen en zich groot maken boven elke god. Hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn tot de gramschap voltrokken is. Want wat vast besloten is, zal gebeuren.37En hij zal op de goden van zijn vaderen zijn aandacht niet richten, ook niet op het verlangen van de vrouwen. Hij zal ook zijn aandacht op geen enkele god richten, maar zichzelf boven alles groot maken.38En hij zal de god van de vestingen in zijn standplaats eren. Hij zal namelijk de god die zijn vaderen niet gekend hebben, eren met goud, met zilver, met edelgesteente en met kostbaarheden.39Hij zal versterkte vestingen maken met een vreemde god. Hen die hij zal kennen, zal hij in aanzien laten toenemen en hen laten heersen over velen en hij zal het land uitdelen als beloning.40Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.; Op 13:11-1811En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.). Hiermee beeldt Zacharia uit dat Israël de goede Herder heeft gedwongen Zijn werk neer te leggen als gevolg van hun zonden.

Daarna is het volk niet overgelaten aan zichzelf, maar het zal door de HEERE Zelf worden overgegeven in de hand van een dwaze herder (vers 1616Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat [dreigt] uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge [dieren] zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat [nog] overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette [dieren] eten en hun hoeven zal hij afrukken.
)
. In de plaats van de goede Herder komt een dwaze herder. Dwaas wil zeggen iemand die met God geen rekening houdt. “De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God” (Ps 14:11Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
. Deze herder heeft geen enkel moreel besef, kent geen enkele morele norm. Al Gods instellingen treedt hij met voeten.

Hij is het volkomen tegenbeeld van de goede Herder en te vergelijken met dieven en rovers en de huurling (Jh 10:8,10a,128Allen die <vóór Mij> gekomen zijn, zijn dieven en rovers; maar de schapen hebben naar hen niet gehoord.10De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.12wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen.). De dieven en rovers zijn openlijke tegenstanders. Zij doen wel stiekem hun werk, maar hun bedoelingen zijn duidelijk. Zij zijn erop uit de schapen “te stelen, te slachten en te verderven” (Jh 10:10:10a10De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.). Zij doen zich aan de schapen te goed en eten het vlees van de vette dieren. Ook verminkt hij hen door hun de hoeven af te rukken, zodat ze niet meer goed kunnen lopen.

De huurling lijkt om de kudde te geven en wordt pas openbaar als er moeilijkheden komen. Dan blijkt dat de schapen hem niet ter harte gaan. Hij laat de schapen in de steek, hij laat ze “achter en vlucht” (Jh 10:1212wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen.). Hij heeft geen enkele zorg voor de schapen. Als ze bedreigd worden, ziet hij er niet naar om. De jonge, onervaren dieren die verdwaald zijn en niet op eigen kracht weer bij de kudde kunnen komen, zoekt hij niet op. Als een schaap niet verder kan omdat het een gebroken poot heeft, zal hij niets ondernemen wat genezing kan bewerken. Wat wel op eigen kracht kan gaan, zal hij niet verzorgen om die kracht te handhaven. Alles wat een goede herder doet, doet hij niet.

De antichrist is werkelijk een “herder van niets”, een waardeloze herder (vers 1717Wee de herder van niets,
die de kudde in de steek laat!
Het zwaard zal zijn arm [treffen]
en zijn rechteroog.
Zijn arm zal helemaal verstijven,
zijn rechteroog zal helemaal dof worden.
)
. God spreekt het “wee” over hem uit, omdat hij “de kudde in de steek laat”. Dit “wee” wordt onderstreept door het oordeel waarmee God hem zal slaan. Zijn arm en zijn oog worden door het zwaard van het oordeel getroffen. Zijn arm is het symbool van de kracht waarop hij zich heeft beroemd. Zijn rechteroog is het symbool van zijn inzicht of verstand waarop hij heeft gepocht. Door het oordeel zal zijn arm “helemaal verstijven” en daardoor volledig onbruikbaar worden (vgl. 1Kn 13:44En het gebeurde, toen de koning het woord van de man Gods hoorde, dat deze tot het altaar in Bethel uitgeroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte en zei: Grijp hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem had uitgestrekt, verstijfde, zodat hij hem niet meer naar zich toe kon trekken.). Hij zal ook alle inzicht en verstand verliezen en in duisternis zijn weg gaan. Tevens legt dit een grote smaad op hem (1Sm 11:22Maar Nahas, de Ammoniet, zei tegen hen: Op deze [voorwaarde] zal ik [een verbond] met u sluiten, dat ik bij u allen het rechteroog uitsteek. Zo zal ik schande over heel Israël brengen.).


Lees verder