Zacharia
1 Datering en afzender 2 De toorn van de HEERE 3 Keer terug naar Mij 4 Volg het kwade niet na 5 Twee vragen 6 Bedoeling van wat God zegt 7 Een nieuw woord van de HEERE 8 De Man op het rode paard 9 De vraag om uitleg 10 Het antwoord 11 Verantwoording afgelegd 12 Hoelang is er geen ontferming? 13 Goede, troostrijke woorden 14 De HEERE zet Zich in voor Zijn stad 15 Gods toorn over de heidenvolken 16 De HEERE keert terug naar Jeruzalem 17 Uitbreiding, troost en verkiezing 18-19 Vier hoorns 20-21 Vier smeden
Datering en afzender

1In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet:

Evenals bij Haggaï wordt de datering van de profetie van Zacharia gedaan naar de regering van een heidense vorst. Dat geeft aan, zoals al bij Haggaï 1 is opgemerkt (Hg 1:11In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE, door de dienst van de profeet Haggaï, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester:), dat de tijden van de volken zijn aangebroken (Lk 21:2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.; Hg 1:11In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE, door de dienst van de profeet Haggaï, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester:; Dn 7:11In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, [had] Daniël op zijn bed een droom en kreeg visioenen voor ogen. Toen schreef hij de droom op. De kern van de zaken omschreef hij [als volgt]:; 8:11In het derde regeringsjaar van koning Belsazar verscheen mij een visioen, [te weten] aan mij, Daniël, na het visioen dat mij eerst verschenen was.). God heeft door het falen van het volk Zijn troon verplaatst van Jeruzalem naar Babel en de opvolgers daarvan. Babel is gevallen, de Meden en Perzen heersen nu over Israël met Darius Hystaspes aan het hoofd. Vandaar dat zijn naam wordt vermeld.

Zacharia begint met profeteren twee maanden nadat Haggaï is begonnen. Het mag wel als een bijzondere zegen worden gezien dat God na Haggaï een tweede profeet naar Zijn volk zendt. Het is het woord van de profetie dat van de HEERE komt, van Hem uitgaat en aan Zacharia gegeven wordt. Hoe dat woord van de HEERE tot hem is gekomen, wordt niet vermeld. Het kan zijn bijvoorbeeld in een visioen of in zijn hart of in een droom.

De naam Zacharia betekent ‘de HEERE gedenkt’; Berechja betekent ‘de HEERE zegent’; Iddo betekent ‘de bepaalde tijd’. We kunnen naar aanleiding van de betekenis van de namen zien dat de HEERE gedenkt en Zijn volk dus niet is vergeten, zoals het soms lijkt vanwege alle lijden dat over het volk is gekomen, en zegent op de, door Hem, bepaalde tijd.

In Ezra 5 wordt Zacharia de zoon van Iddo genoemd (Ea 5:11De profeten Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden onder de Joden die in Juda en in Jeruzalem waren; in de Naam van de God van Israël [profeteerden zij] tegen hen.), terwijl hier blijkt dat Berechja zijn vader is. Het kan erop wijzen dat Iddo zijn grootvader is en dat zijn vader in zijn jeugd is gestorven.


De toorn van de HEERE

2De HEERE is zeer toornig geweest op uw vaderen.

De profeet valt met de deur in huis. Hij wil zijn volksgenoten in hun geweten treffen. Zij zijn niet beter dan hun vaderen. Door de schuld van de vaderen is de tempel verwoest. Maar zij zijn ook nalatig in de herbouw ervan. Het is gemakkelijk om aan onze omstandigheden te wennen, zonder te letten op de hand van de Heer die ons in die omstandigheden heeft gebracht vanwege onze ontrouw.

De profeet weidt niet uit over de aanleiding van de toorn. Door er op deze manier over te spreken vraagt hij hun als het ware in hun herinnering na te gaan bij welke gelegenheden die toorn zichtbaar is geworden. Dat moet ertoe leiden dat ze ontdekken wat de aanleiding ervan is geweest. Dat zal hun een halt toeroepen in hun ontrouw aan de HEERE. De profeet waarschuwt op duidelijke wijze dat God niet met Zich laat spotten.

Ze zijn wel teruggekeerd naar het land van God, maar niet naar God Zelf. Hun ballingschap en de verwoesting van de stad en de tempel zijn duidelijke bewijzen van Gods toorn. Maar er is een weg terug en dat is de weg van bekering tot de HEERE met hun hele hart. Daarom volgt in het volgende vers op de toorn het aanbod van genade.


Keer terug naar Mij

3Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Keer terug naar Mij,
spreekt de HEERE van de legermachten,
dan zal Ik naar u terugkeren,
zegt de HEERE van de legermachten.

Omdat ze geen voorrang meer geven aan de bouw van de tempel, “daarom” moet Zacharia hen nu oproepen tot bekering. Het is een opdracht van de HEERE aan hem.

Drie keer spreekt Zacharia in zijn inleidende verzen over bekering: in de verzen 3,4,63Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Keer terug naar Mij,
spreekt de HEERE van de legermachten,
dan zal Ik naar u terugkeren,
zegt de HEERE van de legermachten.4Wees niet als uw vaderen, tot wie de vroegere profeten gepredikt hebben: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Bekeer u toch van uw slechte wegen en van uw slechte daden. Maar zij luisterden niet en sloegen geen acht op Mij, spreekt de HEERE.6Maar Mijn woorden en Mijn verordeningen,
die Ik Mijn dienaren, de profeten, geboden had,
hebben die uw vaderen niet getroffen, zodat zij zich bekeerden?
Zij zeiden: Zoals de HEERE van de legermachten Zich voorgenomen had met ons te doen, overeenkomstig onze wegen en onze daden, zo heeft Hij met ons gedaan.
. Hij doet dat juist tot hen die mogelijk denken dat zij zich toch bekeerd hebben omdat zij uit Babel zijn teruggekeerd. Bekering zien we gewoonlijk als iets wat alleen bij een evangelieboodschap aan ongelovigen hoort. Maar dat is niet juist. Hier horen we over de noodzaak van bekering voor het volk van God. Het is de oproep aan Gods volk om zich om te keren van de weg die zij gaan en met berouw terug te keren naar de HEERE. Dan zal Hij naar hen terugkeren met zegen en niet met vloek. Eerst moet het volk zich bekeren tot de HEERE, dan keert Hij Zich naar hen (Ml 3:77Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen,
en hebt u ze niet in acht genomen.
Keer terug naar Mij,
en Ik zal naar u terugkeren,
zegt de HEERE van de legermachten.
Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren?
; Jk 4:77Onderwerpt u dan aan God. Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten.; 2Kr 15:22En hij ging [de stad] uit, Asa tegemoet, en zei tegen hem: Luister naar mij, Asa, heel Juda en Benjamin! De HEERE is met u, zolang u met Hem bent. Als u Hem zoekt, zal Hij door u gevonden worden, maar als u Hem verlaat, zal Hij u verlaten.; Jr 3:1212Ga deze woorden prediken tegen het noorden, en zeg:
Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE,
Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken,
want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE,
Ik handhaaf [Mijn toorn] niet voor eeuwig.
; Ez 18:3030Daarom zal Ik u berechten, huis van Israël, ieder overeenkomstig zijn wegen, spreekt de Heere HEERE. Keer terug en bekeer u van al uw overtredingen, dan zal de ongerechtigheid u geen struikelblok worden.; Mi 7:1919Hij zal Zich weer over ons ontfermen,
Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,
ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.
)
.

Ook als gelovigen moeten wij ons soms bekeren. Dat betekent niet een ‘dagelijkse bekering’, alsof wij elke dag als boetvaardige zondaars tot God moeten komen alsof we nooit kinderen van God geworden zijn. Maar het Nieuwe Testament spreekt wel over bekering van gelovigen. We zien dat in de zendbrieven van Johannes aan de zeven gemeenten in Klein-Azië. In de meeste daarvan worden de ontvangers ervan opgeroepen zich te bekeren omdat er zonden in die gemeenten aanwezig zijn (Op 2:5,16,225Bedenk dan waarvan u afgevallen bent en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, Ik kom tot u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert.16Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van Mijn mond.22Zie, Ik werp haar op een bed en [werp] hen die met haar overspel bedrijven in grote verdrukking, als zij zich niet bekeren van haar werken.; 3:3,193Bedenk dan hoe u het ontvangen en gehoord hebt en bekeer u. Als u dan niet waakt, zal Ik komen als een dief, en u zult geenszins weten op wat voor uur Ik tot u zal komen.19Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.). We horen het ook als de Heer Jezus tegen Petrus, die al bekeerd is, zegt: “Als je eens bekeerd bent” (Lk 22:3232Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden; en jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders.).

Het is duidelijk dat ook voor gelovigen geldt dat hij moet belijden als er iets niet goed zit. Hij moet op de knieën voor God, en ook voor de naaste, als tegen die naaste is gezondigd. Er is altijd een weg terug, zowel voor de individuele gelovige als voor een groep gelovigen, een weg die altijd gaat via berouw en belijdenis. Dat deze weg er is, is het gevolg van het werk van Christus.

De weigering om te belijden is de oorzaak van de ellende. Niemand kan zich verschuilen achter de misleidende gedachte dat hij zich niet kan bekeren. Als God oproept tot bekering, houdt dat ook in dat Hij de kracht daartoe geeft. Hij stelt die kracht in de oproep ter beschikking. Het is aan de mens er gebruik van te maken.

De naam “HEERE van de legermachten” is kenmerkend voor de drie laatste profeten en wordt door hen samen meer dan tachtig keer gebruikt. In dit vers alleen al wordt deze naam drie keer gebruikt.


Volg het kwade niet na

4Wees niet als uw vaderen, tot wie de vroegere profeten gepredikt hebben: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Bekeer u toch van uw slechte wegen en van uw slechte daden. Maar zij luisterden niet en sloegen geen acht op Mij, spreekt de HEERE.

Hun vaderen hebben niet geluisterd naar de vroegere profeten (Zc 7:1212Zij maakten hun hart [als] diamant, om [maar] niet te [hoeven] luisteren naar de wet en de woorden die de HEERE van de legermachten door Zijn Geest gezonden had, door de dienst van de vroegere profeten. Daardoor is grote verbolgenheid bij de HEERE van de legermachten ontstaan.), dat zijn de profeten van vóór de ballingschap, en hebben zich niet bekeerd (Jr 25:3-83Vanaf het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda tot op deze dag – dit is het drieëntwintigste jaar – is het woord van de HEERE tot mij gekomen. Ik sprak vroeg en laat tot u, maar u hebt niet geluisterd.4Ook heeft de HEERE tot u al Zijn dienaren, de profeten, vroeg en laat gezonden, maar u hebt niet geluisterd en uw oor niet geneigd om te luisteren.5[Ze] zeiden: Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg en van uw slechte daden. Dan zult u eeuw uit en eeuw in blijven wonen in het land dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft.6Ga niet achter andere goden aan om die te dienen en u voor hen neer te buigen. Verwek Mij niet tot toorn door het werk van uw handen, dan zal Ik u geen kwaad doen.7Maar u hebt naar Mij niet geluisterd, spreekt de HEERE, zodat u Mij tot toorn verwekte met het werk van uw handen, uzelf ten kwade.8Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten: Omdat u niet naar Mijn woorden hebt geluisterd,; 2Kn 17:1313Toen de HEERE Israël en Juda door de dienst van alle profeten, van alle zieners, gewaarschuwd had: Bekeer u van uw slechte wegen en neem Mijn geboden [en] Mijn verordeningen in acht, overeenkomstig heel de wet die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u gezonden heb door de dienst van Mijn dienaren, de profeten –). Slecht voorbeeld doet slecht volgen en daar waarschuwt de profeet dan ook voor. God vereenzelvigt Zich hier met de profeten die in Zijn Naam hebben gesproken. Hij zegt niet dat ze niet naar de profeten hebben geluisterd, maar dat ze niet naar Hem hebben geluisterd. Niet luisteren naar Gods profeten staat gelijk aan het niet luisteren naar God (vgl. Mt 10:4040Wie u ontvangt, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij heeft gezonden.).


Twee vragen

5Uw vaderen, waar zijn zij?
En de profeten, leven zij voor eeuwig?

Het is alsof Zacharia met deze twee vragen de te verwachten tegenwerpingen tegen zijn oproep wil ontkrachten. In het volgende vers komt het antwoord op deze vragen.

Zowel de vaderen als de profeten zijn er niet meer. Voor Zacharia en zijn tijdgenoten is het belangrijk de les van het verleden te leren. In het algemeen is er ook nu weinig kennis van de geschiedenis. Men geeft zich geen rekenschap van de lessen die in de (kerk)geschiedenis te vinden zijn. Geschiedenis moeten we zien in het licht van het Woord van God. Gods hand in de geschiedenis is alleen te toetsen aan dit Woord. Zo gebeurt het in dit eerste hoofdstuk.

Waarvoor God heeft gewaarschuwd, is ook letterlijk in vervulling gegaan. Het oordeel heeft de vaderen weggenomen en de profeten zijn gedood. Maar zij zijn niet beter dan hun vaderen. De profeten leven voort in hun woorden, want Gods Woord gaat nooit verloren. De woorden van de profeten zijn vervuld aan de vaderen. Ze moeten erkennen dat God heeft gedaan waarmee Hij heeft gedreigd en dat Hij Zijn oordeel over hen heeft voltrokken (Dt 28:4545Al deze vervloekingen zullen over u komen, u achtervolgen en u treffen, totdat u weggevaagd wordt, omdat u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam geweest bent, door Zijn geboden en Zijn verordeningen, die Hij u geboden heeft, in acht te nemen.; Jz 23:15-1615En zoals al die goede dingen u overkomen zijn, die de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft, zo zal het [ook] gebeuren dat de HEERE al die kwade dingen over u zal laten komen, totdat Hij u weggevaagd heeft uit dit goede land, dat de HEERE, uw God u gegeven heeft.16Als u het verbond van de HEERE, uw God, dat Hij u geboden heeft, overtreedt, en andere goden gaat dienen en u daarvoor neerbuigt, dan zal de toorn van de HEERE over u ontbranden en zult u spoedig verdwenen zijn uit het goede land dat Hij u gegeven heeft.; Kl 2:1717De HEERE heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen, /ain/
Hij heeft Zijn woord vervuld,
dat Hij in de dagen van weleer geboden had.
Hij heeft afgebroken, en niet gespaard,
en Hij heeft de vijand over u verblijd;
Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders opgeheven.
)
.


Bedoeling van wat God zegt

6Maar Mijn woorden en Mijn verordeningen,
die Ik Mijn dienaren, de profeten, geboden had,
hebben die uw vaderen niet getroffen, zodat zij zich bekeerden?
Zij zeiden: Zoals de HEERE van de legermachten Zich voorgenomen had met ons te doen, overeenkomstig onze wegen en onze daden, zo heeft Hij met ons gedaan.

De waarheid van God die gepredikt is, blijft onverminderd van kracht (Js 14:2424De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Voorwaar,
zoals Ik [het] Mij voorgenomen heb, zo zal het gebeuren,
en zoals Ik [het] besloten heb, zal het tot stand komen.
)
. Gods “woorden” en “verordeningen” treffen altijd doel. Dat hebben de vaderen ondervonden toen ze zich niet bekeerden. De bewijzen daarvan zijn geleverd, niet in de laatste plaats door de wegvoering in ballingschap. Dat zullen zij ook ondervinden als ze zich niet bekeren. Het Woord van God is levend en blijvend tot in eeuwigheid (1Pt 1:23-2523u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend Woord.24Want: ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van [het] gras. Het gras verdort en de bloem valt af,25maar het Woord van [de] Heer blijft tot in eeuwigheid’. Dit nu is het Woord dat u verkondigd is.). Wat God zegt, gebeurt, of het nu om zegen gaat of om vloek.

In dagen van de grootste ontrouw in de gemeente blijft het onze steun. De erkenning van de waarheid van Gods Woord is de eerste stap op weg naar de zegen.


Een nieuw woord van de HEERE

7Op de vierentwintigste dag van de elfde maand – dat is de maand Sjebat – in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet:

Het eerste nachtgezicht krijgt Zacharia drie maanden na zijn inleidende woorden. Hij moet alleen spreken als de HEERE hem dit opdraagt. Na drie maanden komt die opdracht. Elk nachtgezicht draagt bij aan het totale beeld van de toekomstige heerlijkheid van Israël. De nachtgezichten dienen als een bemoediging voor het volk om door te gaan met de herbouw van de tempel. We kunnen zeggen dat het belang van het visioen dit is: hoewel Israël nog niet in zijn beloofde positie is, denkt God er al aan.

De reeks van visioenen voert ons door de tijd van Gods handelen met Israël heen. Die tijd loopt vanaf de tijd van hun tuchtiging door God onder de heidense machten tot de tijd dat ze worden hersteld in hun land met hun herbouwde stad en tempel onder hun Messias-Koning. Het eerste visioen geeft het algemene thema van de hele reeks; de andere visioenen voegen details toe. Terwijl de wereld bezig is met zijn eigen werkzaamheden, zijn Gods ogen en het hart van de Messias gericht op de nederige toestand van Israël en op de tempel in Jeruzalem.


De Man op het rode paard

8Ik zag 's nachts, en zie, een Man Die op een rood paard reed en Hij stond tussen de mirten die zich in de diepte bevonden, en achter Hem waren er rode, bruine en witte paarden.

Wat Zacharia te zien krijgt, vindt ’s nachts plaats. Hij slaapt niet, hij ziet niet in een droom, maar is in een wakende toestand. Hij ziet een Man. Dit is de Heer Jezus (vers 1111En zij antwoordden de Engel van de HEERE, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij zijn het land doorgegaan, en zie, heel het land zit neer en is stil.), Die hier voor de eerste keer in het boek wordt genoemd. Hij zit op een rood paard. Achter Hem staan nog andere paarden, elk met een andere kleur. Aan het begin van alle visioenen staat de Heer Jezus. Om Hem gaat het, Hij bepaalt de toekomst en is het Middelpunt ervan.

De oproep “zie” is om de aandacht met nadruk te vestigen op het wonderlijke en tevens belangrijke van wat er te zien is. Het is ook bedoeld hem aandachtig toe te laten zien.

Rood is de kleur van bloed, van bloedvergieten (Js 63:2-42Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
3Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
4Want de dag van de wraak was in Mijn hart,
het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
)
. Maar de Man strijdt niet. Het is alsof Hij Zich erop voorbereidt. De paarden stellen machten voor, rijken die nog moeten komen. Maar ze staan achter de Man op het rode paard. Zonder Hem kunnen ze geen voet verzetten. Hem is alle macht in de hemel en op de aarde gegeven (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.).

Hij staat “tussen de mirten die zich in de diepte” bevinden. De mirten in de diepte zijn een voorstelling van het overblijfsel van Israël, waarmee de HEERE Zich verbindt. Hij staat tussen hen in. Het dal wijst op een toestand van vernedering. Mirten worden steeds vermeld in verbinding met het vrederijk. Ze lijken naar die tijd heen te wijzen. Maar nu is het nog niet zo, ze staan nog in de diepte en niet op de hoogte.

Mirten zijn altijdgroene bomen en horen bij het Loofhuttenfeest (Ne 8:15-1615Zij vonden in de wet geschreven dat de HEERE door de dienst van Mozes had geboden dat de Israëlieten in loofhutten zouden wonen tijdens het feest in de zevende maand,16en dat zij [het overal] zouden doen horen en een boodschap zouden laten gaan door al hun steden en in Jeruzalem, en [zouden] zeggen: Ga naar buiten, naar de bergen en breng loof van de olijfboom, loof van de olijfwilg, loof van de mirte, loof van de palmboom, en loof van [andere] dicht bebladerde [bomen], om loofhutten te maken overeenkomstig wat voorgeschreven is.) en in het Messiaanse rijk (Js 41:1919Ik zal in de woestijn de ceder zetten,
de acacia, de mirt en de olie[houdende] boom.
Ik zal in de wildernis de cipres plaatsen,
samen met plataan en dennenboom,
; 55:1313Voor een doornstruik zal een cipres opkomen,
voor een distel zal een mirt opkomen;
en het zal de HEERE zijn tot een naam,
tot een eeuwig teken, [dat] niet zal worden uitgewist.
)
. Ze kondigen een tijd van zegen in het vrederijk aan. Het herstel zal beginnen in de diepten, door vernedering en boetedoening.

Israël wordt nog altijd vernederd door de volken en is nog steeds de staart en niet het hoofd van de volken. Toch kan God die vrede al bewerken in de harten van hen die de plaats innemen in de diepte, van verootmoediging, onder de boodschap van de profeet, die het hart en geweten wil bereiken.

De paarden zijn engelenmachten – of winden of geesten (Zc 6:55Daarop antwoordde de Engel en zei tegen mij: Dat zijn de vier winden van de hemel, die eropuit trekken van [de plaats] waar zij voor de Heere van heel de aarde hebben gestaan.) – die de geschiedenis besturen van de wereldmachten na Babel. Zij krijgen de vrijheid de aarde te doorkruisen. Maar ze staan achter de Man. Er is niets in ons leven of in de geschiedenis wat gebeurt zonder Zijn toelating (Sp 21:11Het hart van een koning is in de hand van de HEERE [als] waterbeken,
Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
)
.

De paarden met de drie verschillende kleuren stellen de drie rijken na Babel, dat al gevallen is, voor. De rode paarden stellen het Medisch-Perzische rijk voor. Het rijk heeft dezelfde kleur als het paard waarop de Man zit, mogelijk omdat op dat moment het Medisch-Perzische rijk de Israëlieten gunstig gezind is (Ea 6:1-151Toen gaf koning Darius bevel en men zocht in het archief, waar men de schatten neerlegt, in Babel.2En in Achmetha, de burcht in het gewest Medië, werd een boekrol gevonden, waarin het volgende geschreven stond: Om in gedachten te houden:3In het eerste jaar van koning Kores gaf koning Kores een bevel: Het huis van God in Jeruzalem, laat dat huis [weer] opgebouwd worden op de plaats waar men offers brengt. De fundamenten ervan moeten gelijk blijven, zijn hoogte zestig el en zijn breedte zestig el,4met drie rijen gehouwen stenen en een rij van nieuw hout. De onkosten zullen uit het huis van de koning betaald worden.5Bovendien moet men ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis van God, die Nebukadnezar uit de tempel in Jeruzalem had weggehaald en naar Babel had gebracht, teruggeven om naar de tempel in Jeruzalem gebracht te worden, op hun plaats; u moet ze terugzetten in het huis van God.6Welnu, Tattenai, stadhouder van [het gebied] aan de overzijde van de Eufraat, Sthar-Boznai en uw ambtgenoten, u gerechtsdienaren aan de overzijde van de Eufraat, blijf daar weg!7Laat hen aan het werk [blijven] aan dit huis van God. Laten de stadhouder van de Joden en de oudsten van de Joden dit huis van God herbouwen op zijn [oorspronkelijke] plaats.8Ook wordt door mij bevel gegeven wat u moet doen voor de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te herbouwen. Uit het bezit van de koning, uit de belasting aan de overzijde van de Eufraat, moeten de onkosten aan deze mannen zorgvuldig en zonder ophouden vergoed worden.9En wat nodig is: jonge stieren, rammen en lammeren voor de brandoffers voor de God van de hemel, [en] tarwe, zout, wijn en olie volgens aanwijzing van de priesters in Jeruzalem; [het] moet hun dagelijks gegeven worden, zodat er [nergens] gebrek [aan] is.10Zo kunnen ze aangenaam [reukwerk] offeren aan de God van de hemel, en bidden voor het leven van de koning en zijn zonen.11Ook wordt door mij bevel gegeven dat van iedereen die dit bevel overtreedt een balk uit zijn huis zal worden uitgerukt, die zal worden opgericht; daaraan zal hij worden opgehangen. Zijn huis zal hierom tot een mesthoop gemaakt worden.12Moge God, Die Zijn Naam daar heeft doen wonen, elke koning en [elk] volk omverwerpen die zijn hand uitstrekt om [mijn bevel] te overtreden door dit huis van God in Jeruzalem te schaden. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, laat het zorgvuldig uitgevoerd worden.13Toen handelden Tattenai, de landvoogd van [het gebied] aan de overzijde van de Eufraat, Sthar-Boznai en hun ambtgenoten op deze zorgvuldige wijze, overeenkomstig wat koning Darius had toegezonden.14En de oudsten van de Joden bouwden en maakten goede vorderingen onder de profetie van Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. Ze bouwden en voltooiden het overeenkomstig het bevel van de God van Israël en overeenkomstig het bevel van Kores en Darius en Arthahsasta, de koning van Perzië.15En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar; het was het zesde regeringsjaar van koning Darius.).


De vraag om uitleg

9Ik zei: Mijn Heere, wat betekenen deze [dingen]? Toen zei de Engel Die met mij sprak tegen mij: Ík zal u laten zien wat deze [dingen] betekenen.

Zacharia vraagt om uitleg. Hij krijgt die van een engel. Zijn vragende houding is een goede houding voor een jongeman. Deze engel is waarschijnlijk degene door wie de HEERE Zijn mededelingen aan Zacharia doet, en niet de Engel van de HEERE (vgl. Op 1:11Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om Zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door Zijn engel gezonden en aan Zijn slaaf Johannes te kennen gegeven.; 22:66En hij zei tegen mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Heer, de God van de geesten van de profeten, heeft Zijn engel gezonden om Zijn slaven te tonen wat met spoed moet gebeuren.). De engel geeft niet zelf het antwoord, maar geeft aan waar Zacharia naar moet kijken om het antwoord te krijgen.


Het antwoord

10Toen antwoordde de Man Die tussen de mirten stond: Dit zijn degenen die de HEERE uitgezonden heeft om het land door te gaan.

Het antwoord op de vraag van Zacharia wordt door de Man, dat is de Heer Jezus, gegeven. Hij is de Bron naar Wie alle antwoorden, door wie ook gegeven, terug te voeren moeten zijn. In Zijn antwoord laat Hij Zijn grote belangstelling zien voor alles wat er op aarde gebeurt, vooral in verbinding met Zijn volk Israël en met de Zijnen (vgl. Jb 1:77Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.; 2:22Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.). De regeringsmacht is aan de volken gegeven voor een tijd, maar ze zijn wel verantwoording aan Hem verschuldigd (vers 1111En zij antwoordden de Engel van de HEERE, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij zijn het land doorgegaan, en zie, heel het land zit neer en is stil.).


Verantwoording afgelegd

11En zij antwoordden de Engel van de HEERE, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij zijn het land doorgegaan, en zie, heel het land zit neer en is stil.

De Man op het rode paard (vers 88Ik zag 's nachts, en zie, een Man Die op een rood paard reed en Hij stond tussen de mirten die zich in de diepte bevonden, en achter Hem waren er rode, bruine en witte paarden.) blijkt hier, in tegenstelling tot vers 99Ik zei: Mijn Heere, wat betekenen deze [dingen]? Toen zei de Engel Die met mij sprak tegen mij: Ík zal u laten zien wat deze [dingen] betekenen., de Engel van de HEERE te zijn. Dit is een bijzondere manifestatie van de HEERE Zelf (vgl. Gn 16:7-137De Engel van de HEERE vond haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.8En Hij zei: Hagar, slavin van Sarai! Waar komt u vandaan en waar gaat u heen? Zij zei: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai.9Toen zei de Engel van de HEERE tegen haar: Keer terug naar uw meesteres, en onderwerp u aan haar gezag.10Verder zei de Engel van de HEERE tegen haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.11Ook zei de Engel van de HEERE tegen haar:
Zie, u bent zwanger;
u zult een zoon baren
en u moet hem de naam Ismaël geven,
omdat de HEERE uw verdrukking gehoord heeft.
12En hij zal zijn
een wilde ezel [van een] mens;
zijn hand zal tegen allen zijn,
en de hand van allen tegen hem;
en hij zal wonen tegenover al zijn broeders.
13En zij gaf de HEERE, Die tot haar sprak, de naam: U bent de God Die naar mij omziet! Want zij zei: Heb ik hier dan Hem gezien Die naar mij omgezien heeft?
; 22:11-2211Maar de Engel van de HEERE riep tot hem vanuit de hemel en zei: Abraham, Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.12Toen zei Hij: Steek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat u godvrezend bent en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt.13Toen sloeg Abraham zijn ogen op en keek om, en zie, achter hem zat een ram met zijn horens verstrikt in het struikgewas. Abraham ging erheen, nam die ram en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon.14En Abraham gaf die plaats de naam: De HEERE zal erin voorzien. Daarom wordt heden ten dage gezegd: Op de berg van de HEERE zal erin voorzien worden.15Daarna riep de Engel van de HEERE tot Abraham voor de tweede keer vanuit de hemel.16Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,17zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.18En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.19Daarna keerde Abraham terug naar zijn knechten. Zij stonden op en gingen samen naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen.20En het gebeurde na deze dingen dat Abraham de boodschap gebracht werd: Zie, ook Milka heeft Nahor, uw broer, zonen gebaard:21Uz, zijn eerstgeborene, Buz, zijn broer, en Kemuel, de vader van Aram,22Chesed, Hazo, Pildas, Jidlaf en Bethuel.; Ex 3:2-62En de Engel van de HEERE verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een doornstruik. Hij keek toe, en zie, de doornstruik brandde in het vuur, maar de doornstruik werd niet verteerd.3Mozes zei: Laat ik nu naar dat indrukwekkende verschijnsel gaan kijken, waarom de doornstruik niet verbrandt.4Toen de HEERE zag dat hij ging kijken, riep God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: Mozes, Mozes! Hij zei: Zie, [hier] ben ik!5En Hij zei: Kom hier niet dichterbij. Doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond.6Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken.; Ri 6:14,2214Toen wendde de HEERE Zich tot hem en zei: Ga in deze kracht van u, en u zult Israël uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden?22Toen zag Gideon dat het een Engel van de HEERE was. En Gideon zei: Ach, Heere, HEERE! Daarom, omdat ik een Engel van de HEERE heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, [zal ik sterven]!; 13:9-18,229En God verhoorde de stem van Manoach, en de Engel van God kwam opnieuw naar de vrouw toe, terwijl zij in het veld zat, en haar man Manoach niet bij haar was.10Toen haastte de vrouw zich en snelde [weg] en vertelde het haar man. En zij zei tegen hem: Zie, de Man Die op die dag naar mij toe kwam, is mij verschenen.11Toen stond Manoach op en ging zijn vrouw achterna. En hij kwam bij die Man en zei tegen Hem: Bent U de Man Die tot deze vrouw gesproken heeft? En Hij zei: Ik ben het.12Toen zei Manoach: Welnu, laten Uw woorden uitkomen. Wat zal de [leef]wijze van het jongetje zijn, en [wat] zijn werk?13En de Engel van de HEERE zei tegen Manoach: Voor alles wat Ik de vrouw gezegd heb, moet zij op haar hoede zijn.14Zij mag niets eten wat van de wijnstok afkomstig is. Wijn en sterkedrank mag zij niet drinken en evenmin mag zij ook maar iets onreins eten. Alles wat Ik haar geboden heb, moet zij in acht nemen.15Toen zei Manoach tegen de Engel van de HEERE: Laat ons U toch [hier] doen blijven en een geitenbokje voor U bereiden.16Maar de Engel van de HEERE zei tegen Manoach: Ook al doet u Mij [hier] blijven, Ik zal van uw brood niet eten. En als u een brandoffer wilt brengen, moet u dat aan de HEERE offeren. Manoach wist namelijk niet dat het een Engel van de HEERE was.17En Manoach zei tegen de Engel van de HEERE: Wat is Uw Naam? Dan kunnen wij U eren, wanneer Uw woord uitkomt.18Maar de Engel van de HEERE zei tegen hem: Waarom vraagt u zo naar Mijn Naam? Die is immers wonderlijk!22En Manoach zei tegen zijn vrouw: Wij zullen zeker sterven, want wij hebben God gezien.)
. Het is een verschijningsvorm van de Heer Jezus voordat Hij Mens is geworden. Hij vertegenwoordigt God en is Zelf God. Al de (engelen)machten, voorgesteld in de verschillende paarden, moeten verantwoording afleggen aan Hem. Hij leidt de geschiedenis, Hij heeft alles onder controle.

Alle machten voelen zich in rust; internationaal heerst er vrede. Maar op één plaats is die rust niet en dat is in Jeruzalem. Als daar geen rust is, hoe kan er dan rust zijn in de wereld? Dit moet ook het geweten van het volk aanspreken, want ook zij zijn in rust. De hemel is bezig met Jeruzalem en Juda, maar de heidenvolken en ook het volk van God zijn bezig met hun eigen interesses, ze zoeken hun eigen voorspoed en gemak.


Hoelang is er geen ontferming?

12Toen antwoordde de Engel van de HEERE en zei: HEERE van de legermachten, hoelang [is het nog dat] U Zich niet ontfermt over Jeruzalem en over de steden van Juda, waarop U deze zeventig jaar toornig bent geweest?

Het antwoord van “de Engel van de HEERE” heeft veel weg van een gebed tot de “HEERE van de legermachten”. We zien hier de Zoon van God Die op aarde bidt tot Zijn God in de hemel. Als Hij de berichten, de rapporten, krijgt van de ruiters op de paarden, brengt Hem dat tot bidden en smeken, tot voorbede. Want al lijkt alles in rust, de werkelijkheid is dat Gods huis en stad geen rust hebben.

Wat nu volgt in het hele boek, kunnen we zien als het resultaat van de voorbede van de Heer Jezus. Een opwekking is vaak het antwoord op het gebed van trouwe mensen, maar hier is dit het antwoord op het gebed van de Heer Jezus.

“Deze zeventig jaar” zijn die van de ballingschap (Jr 25:11-1211Dan zal heel dit land worden tot een puinhoop, tot een verschrikking. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen.12Maar het zal gebeuren wanneer de zeventig jaar voorbij zijn, dat Ik de koning van Babel en dat volk – spreekt de HEERE – hun ongerechtigheid zal vergelden, en [ook] het land van de Chaldeeën en Ik zal dat maken tot eeuwige woestenijen.; Dn 9:22in zijn eerste regeringsjaar, merkte ik, Daniël, in de boeken het aantal jaren op waarover het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia geschied was: zeventig jaar zouden na de verwoesting van Jeruzalem voorbij moeten gaan.). De ballingschap is voorbij, maar de mensen vragen zich af waarom God nog steeds boos op hen is, terwijl toch de afgesproken tijd van hun straf is verstreken. Het antwoord komt in de volgende verzen.

Met betrekking tot de gemeente heeft God in de negentiende eeuw in een aantal landen in gelovigen belangstelling gewerkt voor de gemeente als Zijn huis, waar de Heer Jezus in het midden wil zijn van de twee of drie die als gemeente willen samenkomen tot Zijn Naam (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Die werking van Gods Geest is een antwoord op de voorbede van de Heer Jezus. Zijn zorg voor de gemeente is groter dan de onze ooit kan zijn.


Goede, troostrijke woorden

13De HEERE antwoordde de Engel Die met mij sprak [met] goede woorden, troostrijke woorden.

Het antwoord op het gebed wordt gegeven in “goede woorden, troostrijke woorden” (vgl. Js 40:1-21Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
2spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
; 57:1818Ik heb zijn wegen gezien,
Ik zal hem genezen, Ik zal hem leiden
en hem vertroosting bieden,
namelijk zijn treurenden.
; Jz 23:1414En zie, ik ga heden de weg van heel de aarde, en u weet met heel uw hart en met heel uw ziel dat er geen enkel woord van al de goede woorden die de HEERE, uw God, over u gesproken heeft, onvervuld gebleven is. Alles is uitgekomen voor u, er is geen enkel woord van onvervuld gebleven.; Jr 29:1010Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats.)
. ‘Goede woorden’ zijn woorden waarin het goede voor iemand tot uitdrukking wordt gebracht. ‘Troostrijke woorden’ zijn woorden die iemand nodig heeft omdat hij zich in ellende bevindt.

Het bieden van perspectief geeft troost. Iemand die oprechte zorg heeft voor het volk van God, krijgt troost. Hij maakt de gevraagde ontferming kenbaar. De troost krijgt gestalte in wat God zegt met het volk te gaan doen. De troost van God wordt vergeleken met de troost van een kind door zijn moeder (Js 66:1313Zoals iemands moeder hem troost,
zo zal Ík u troosten;
ja, in Jeruzalem zult u getroost worden!
)
. Angst en onrust zijn weg, er is geborgenheid.

Dit geldt ook voor ons, persoonlijk en gemeenschappelijk. Leed maakt dat God in de omstandigheden komt en Zich aan ons doet kennen als “de Vader der ontfermingen en de God van alle vertroosting” (2Ko 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader der ontfermingen en [de] God van alle vertroosting,). God geeft vertroosting door de Schriften. Door de vertroosting van de Schriften hebben wij hoop op God (Rm 15:44Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben.). De Schriften getuigen van de Heer Jezus (Jh 5:3939U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen;), Hij is de inhoud ervan. God vertroost ook door de Heilige Geest (Hd 9:3131De gemeente dan door heel Judéa, Galiléa en Samaria had vrede, terwijl zij werd opgebouwd en wandelde in de vrees van de Heer, en zij vermeerderde door de vertroosting van de Heilige Geest.). Hij is de Voorspraak of Trooster. Gods Geest neemt op een bijzondere wijze uit de Schriften om te troosten.

God wil ook ons gebruiken om anderen te vertroosten (2Ko 1:44Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij hen kunnen vertroosten die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting waarmee wijzelf door God vertroost worden.; 7:1313Daarom zijn wij vertroost; en bij onze troost hebben wij ons nog veel overvloediger verblijd over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest door u allen verkwikt is.). Ware troost is spreken tot iemands hart (Ru 2:1313En zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, want u hebt mij getroost en u hebt naar het hart van uw dienares gesproken, hoewel ik niet ben als een van uw dienaressen.).


De HEERE zet Zich in voor Zijn stad

14De Engel Die met mij sprak, zei tegen mij: Predik: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Met grote na-ijver zet Ik Mij in
voor Jeruzalem en voor Sion.

De profeet moet prediken of uitroepen wat de HEERE tegen hem heeft gezegd. Het is niet alleen voor hem, maar het hele volk moet het horen en erdoor bemoedigd worden.

Jeruzalem is de plaats van Gods woning en troon, het centrum van Zijn regering. Die stad zal Hij niet blijvend prijsgeven. Sion is de naam van Jeruzalem met het oog op de zegeningen die de stad in het vrederijk zal ontvangen. Sion betekent ‘zonnig’, want daar zal de “Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn” (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. Sion, dat is de berg Sion, wordt vermeld samen met Jeruzalem als de locatie van de tempel. Hierdoor wordt bepaald en bevestigd dat alleen Jeruzalem als de hoofdstad van het koninkrijk van de Zoon des mensen in aanmerking komt.


Gods toorn over de heidenvolken

15Maar Ik ben zeer toornig
op die zorgeloze heidenvolken.
Ík was een weinig toornig,
maar zíj hebben geholpen het erger te maken.

God is “zeer toornig” op de volken die Hij als tuchtroede voor Zijn volk heeft gebruikt. Hij is zeer toornig omdat ze daarbij geen maat hebben gehouden, want ze zijn zo vermetel geweest om Israël te willen vernietigen (Js 47:66Ik was zeer toornig op Mijn volk,
Ik ontheiligde Mijn eigendom
en Ik gaf hen over in uw hand,
[maar] u bewees hun geen barmhartigheid,
[ja, zelfs] voor de oude maakte u
uw juk zeer zwaar.
; Jr 50:11-1811Omdat u zich verblijdt, omdat u opspringt van vreugde,
plunderaars van Mijn eigendom,
omdat u dartelt als een kalf [in pas] gemaaid [gras],
en u hinnikt als machtige [paarden],
12staat uw moeder zeer beschaamd.
Zij die u gebaard heeft, is rood van schaamte.
Zie, [Babel] is de minste onder de heidenvolken:
woestijn, dorheid en wildernis.
13Vanwege de grote toorn van de HEERE zal het niet bewoond worden,
het zal geheel en al een woestenij worden.
 Ieder die Babel voorbijtrekt, zal zich ontzetten
en sissen [van afschuw] over al zijn wonden.
14Maak u gereed tegen Babel, rondom,
u allen die de boog spant.
Beschiet het, spaar geen pijl,
want het heeft tegen de HEERE gezondigd.
15Juich erover, rondom:
het heeft zich overgegeven.
Zijn torens zijn gevallen,
zijn muren afgebroken,
want het is de wraak van de HEERE. Wreek u erop,
doe ermee zoals het [zelf] heeft gedaan.
16Roei de zaaiers uit van Babel
en wie de sikkel hanteren in de oogsttijd.
Voor het zwaard van de onderdrukker
zullen zij omkeren, ieder naar zijn volk,
en vluchten, ieder naar zijn land.17Israël is een opgedreven schaap,
leeuwen hebben [het] opgejaagd.
Eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden,
en ten slotte heeft deze, Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn beenderen verbrijzeld.
18Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga de koning van Babel en zijn land straffen, zoals ik de koning van Assyrië gestraft heb.
; 51:2424Maar Ik zal aan Babel vergelden
en aan al de inwoners van Chaldea
al hun kwaad dat zij Sion aangedaan hebben
– voor uw ogen – spreekt de HEERE.
; Ez 25:3,8,12,153Zeg tegen de Ammonieten: Luister naar het woord van de Heere HEERE: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat u ‘Haha!’ gezegd hebt over Mijn heiligdom, toen het ontheiligd werd, en over het land van Israël, toen het verwoest werd, en over het huis van Juda, toen zij in ballingschap gingen,8Zo zegt de Heere HEERE: Omdat Moab en Seïr gezegd hebben: Zie, het huis van Juda is als alle heidenvolken,12Zo zegt de Heere HEERE: Omdat Edom uit enkel wraakzucht gehandeld heeft tegen het huis van Juda en zij een zware schuld op zich hebben geladen door zich op hen te wreken,15Zo zegt de Heere HEERE: Omdat de Filistijnen in wraakzucht handelden en met hartgrondig leedvermaak wraak namen door verderf [te zaaien, gedreven] door een eeuwige vijandschap,; 26:22Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Haha! Ze is verbroken, de poort van de volken! Haar [macht] is op mij overgegaan. Ik zal vol worden, [de stad] is verwoest,; Ob 1:10-1410Vanwege het geweld tegen uw broeder Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.11Op de dag dat u aan de kant stond,
op de dag dat vreemden zijn leger als gevangenen wegvoerden,
buitenlanders zijn poorten binnentrokken
en over Jeruzalem het lot wierpen,
was ook u als een van hen!12U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,
op de dag dat hij een vreemde [voor u] was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten [tegen hen]
op de dag van [hun] benauwdheid.13U had de poort van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.
U had [uw handen] niet mogen uitstrekken naar zijn leger
op de dag van zijn ondergang.14U had niet op het kruispunt mogen staan
om degenen van hen die ontkomen waren, uit te roeien.
U had degenen van hen die ontvlucht waren niet mogen overleveren
op de dag van [hun] benauwdheid.
)
. Ze zijn zich niet bewust geweest dat ze alleen een tuchtroede in Gods hand waren, maar hebben hun eigen voordeel willen halen uit de gelegenheid die God heeft geboden om Zijn volk aan te vallen (Js 10:5,75Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
)
. Hier wordt ook duidelijk dat ondanks de wereldvrede die er op dat moment is, God toch toornig op hen is en die vrede daarom ook slechts van beperkte duur kan zijn.

Dat God maar “een weinig toornig” was, ziet op de duur van de toorn (Js 54:88In een stortvloed van grote toorn heb Ik voor u
Mijn aangezicht een ogenblik verborgen,
maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen,
zegt de HEERE, uw Verlosser.
)
, Gods toorn is slechts voor korte tijd. In vers 22De HEERE is zeer toornig geweest op uw vaderen. gaat het over de hevigheid van Zijn toorn.


De HEERE keert terug naar Jeruzalem

16Daarom, zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Jeruzalem teruggekeerd met barmhartigheid;
Mijn huis zal erin herbouwd worden,
spreekt de HEERE van de legermachten,
en het meetlint zal over Jeruzalem uitgespannen worden.

De HEERE keert met barmhartigheid terug tot Zijn volk waarvan Hij Zich eerst heeft moeten terugtrekken vanwege hun zonden (Hs 5:1515Ik ga en keer terug naar Mijn woonplaats,
totdat zij zich schuldig weten en Mijn aangezicht zoeken.
In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken.
)
. Hij denkt in Zijn “toorn aan ontferming” (Hk 3:22HEERE, [toen] ik Uw tijding hoorde,
heb ik gevreesd.
HEERE, Uw werk, behoud het in het leven in het midden van de jaren,
maak [het] bekend in het midden van de jaren.
Denk in [Uw] toorn aan ontferming!
)
. Zoals Hij eerst met oordeel tot Jeruzalem is gekomen, zo komt Hij nu met barmhartigheid.

Er is geen grotere bemoediging dan de handen te slaan aan een werk dat Gods volkomen belangstelling heeft en Zijn doel bevordert. Zo wordt de herbouw van de tempel hier voorgesteld. Het is een voorrecht daaraan te mogen meewerken. Eerst wordt het huis gebouwd, daarna Jeruzalem. Gods woonplaats staat voorop.

Aan wie “het meetlint” toebehoort, heeft het recht op wat wordt gemeten (Zc 2:11[Opnieuw] sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.; Jb 38:55Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers [wel].
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
; Ez 41:33Toen ging Hij naar binnen en mat de muurpost van de ingang: twee el. De ingang was zes el en de breedte van de ingang zeven el.; 45:66U moet [als] bezit van de stad een [deel] van vijfduizend breed en van vijfentwintigduizend lang geven, dicht bij het heilige hefoffer. Het zal bestemd zijn voor heel het huis van Israël.)
. Het meetlint duidt op Gods belangstelling om de juiste toestand van de stad waar te nemen en haar naar Zijn eigen, wijze plan op de juiste tijd te zegenen. Het meetlint is hier een symbool van herstel (vgl. Zc 2:11[Opnieuw] sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.; Jr 31:38-4038Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de stad herbouwd zal worden voor de HEERE, van de Hananeëltoren tot aan de Hoekpoort,39en dat het meetlint nog verder zal lopen, rechtdoor, tot aan de heuvel Gareb en zal afbuigen naar Goa.40Heel het dal met de dode lichamen en de as en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort naar het oosten toe, zal een heiligheid voor de HEERE zijn. Voor eeuwig zal er niets meer worden weggerukt of afgebroken.), terwijl het vroeger een symbool van oordeel was (2Kn 21:1313Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria uitstrekken en het paslood van het huis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals men een schotel schoonveegt: men veegt hem schoon en keert hem ondersteboven.; Js 34:1111Kauw en nachtuil zullen het in bezit nemen,
ransuil en raaf zullen daar wonen.
Hij zal er het meetlint van de woestheid over uitspannen
en het paslood van de leegte.
)
.


Uitbreiding, troost en verkiezing

17Predik verder:
Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Mijn steden zullen nog uitbreiden vanwege het goede,
de HEERE zal Sion nog troosten
en Jeruzalem nog verkiezen.

Zacharia moet nog meer prediken in opdracht van “de HEERE van de legermachten”. Hij moet verkondigen dat er niet alleen herbouwd zal worden, maar ook dat de steden zullen overvloeien van zegen. Niet alleen Jeruzalem, ook de andere steden zullen hersteld worden. God is een God van overvloed en Hij zal de steden van het goede doen overvloeien (Sp 5:1616Laten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden,
de waterbeken op de pleinen.
)
.

De vervulling van dit vers ligt in een toekomst die nog steeds moet komen. Nooit heeft het volk een tijd van dergelijke voorspoed gekend. De zegen die God voor Zijn volk bereid heeft, zal nog komen.

Het Perzische rijk zal nog enige tijd bestaan. Daarna komen nog het Griekse en het Romeinse rijk. Wat zal Zijn volk daaronder nog te lijden hebben. In het jaar 70 is Jeruzalem vertrapt door de volken en dat is tot op vandaag het geval. Maar wij zien wel in onze dagen dat God bezig is Zijn woorden aan Zacharia waar te maken. Jeruzalem is sinds 1948 weer in Joodse handen.

Zelf hebben wij, als leden van Gods gemeente, te maken met “het Jeruzalem dat boven is” (Gl 4:2626maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is onze moeder.). Daarover spreekt God ook goede woorden en troostrijke woorden. Het is als gemeente onze opdracht om op aarde de waarheid van God over de gemeente te laten zien.


Vier hoorns

18Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie: vier hoorns. 19En ik zei tegen de Engel Die met mij sprak: Wat betekenen deze [hoorns]? En Hij zei tegen mij: Dat zijn de hoorns die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.

Dan ziet Zacharia “vier hoorn”. Het gaat om de ‘hoorns’ en het getal ‘vier’. Met de vier hoorns worden de vier wereldrijken bedoeld. Nu is Babel er ook bij betrokken omdat het gaat om een overzicht van de hele geschiedenis (vgl. Dn 7:4-74Het eerste was als een leeuw, met vleugels van een arend. Ik bleef kijken totdat zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de aarde opgeheven, het werd als een mens op [zijn] voeten gezet en het werd een mensenhart gegeven.5En zie, een ander dier, het tweede, leek op een beer. Het richtte zich op naar één kant. Het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Men zei het volgende tegen het [dier]: Sta op, eet veel vlees.6Daarna zag ik, en zie, er was [nog] een ander [dier], als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug en het dier had vier koppen. En het werd heerschappij gegeven.7Daarna zag ik in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die ervoor geweest waren. En het had tien horens.). Alle vier hebben ze Israël gestoten met hun hoorns, dat wil zeggen in hun kracht, en wel om het volk te vernietigen. De inwoners van Juda, Israël en Jeruzalem als hoofdstad van beide rijken zijn allen door de volken weggevoerd en verstrooid.

God plaatst Zich achter de geschiedenis door te spreken over een verstrooiing die al geschied is door alle vier de rijken. Dat betreft dus ook van de rijken die nog komen moeten, want op dit moment is de macht aan de Meden en Perzen, het tweede rijk.


Vier smeden

20Vervolgens liet de HEERE mij vier smeden zien. 21Toen zei ik: Wat komen die doen? Hij zei: Dat waren de hoorns die Juda verstrooid hebben, zozeer dat niemand zijn hoofd kon opheffen. Maar dezen zijn gekomen om hun schrik aan te jagen en om de hoorns van de heidenvolken neer te werpen, die de hoorn opgeheven hebben tegen het land Juda om het te verstrooien.

Het visioen van de vier smeden bevat een boodschap van vertroosting. God zegt dat Hij Zijn eigen instrumenten heeft om de vier hoorns te vernietigen, namelijk Zijn smeden. Het zijn Zíjn werklieden, het zijn kunstenaars, bedreven in het bewerken van metaal.

We zien hier het beeld dat alle vijanden van Israël op hun beurt zullen worden omgebracht. Het kunnen de verschillende wereldrijken zijn die elk op hun beurt eerst het voorgaande wereldrijk overwinnen en daarna zelf door het volgende worden overwonnen. Zo heeft Babel Assyrië onderworpen en is Babel door de Meden en Perzen overwonnen.

De Heer Jezus zal dan het laatste rijk overwinnen (Dn 2:34,44-4534[Dit] zag u totdat er, niet door [mensen]handen, een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die.44In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.45Daarom hebt u gezien dat niet door [mensen]handen uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.). Dit is een troost voor overblijfsel in de dagen van Zacharia. God toont dat Hij het antwoord heeft op elke boze macht die Zijn volk aanvalt. Daarbij brengt de Heer Jezus de laatste slag toe aan de vijanden van Zijn volk. Dan zullen alle wereldrijken vernietigd zijn.

Juda is door God vanwege het gewicht van hun zonden aan de hoorns, de wereldrijken, overgeleverd. Ze zijn daardoor zo terneergedrukt, dat ze niet in staat zijn het hoofd op te heffen (Jb 10:1515Als ik schuldig ben, wee mij!
En als ik rechtvaardig ben, zal ik mijn hoofd niet opheffen,
ik ben verzadigd van schande; zie mijn ellende aan!
)
. Maar aan die situatie zal een einde komen. God heeft daarvoor Zijn smeden gereed die de hoorns zullen neerwerpen (Ps 75:1111Ik zal alle hoorns van de goddelozen afhakken,
de hoorns van de rechtvaardige worden omhooggeheven.
)
. Wie de stad, hoe ook in puin, aanraakt, raakt Gods oogappel aan. Daarom komt Gods oordeel over de volken.

Ook voor ons heeft God Zijn werktuigen. Die gebruikt Hij in opwekkingen. Elke opwekking is een openbaring van de kracht van God, door Zijn Geest. Dan wordt het kwaad overwonnen. Tegelijk levert dat een hernieuwde aanval van de duivel op. Wij leven al in het koninkrijk van God, maar het is nu nog een koninkrijk in verborgen vorm. We hebben werktuigen nodig die in Gods hand gebruikt worden om Zijn volk op te bouwen. Zij verweren zich ook tegen de vijand die nooit ophoudt met zijn aanvallen op wat van God is. Wat in de gemeente opbouwt, zal altijd overwinnen wat afbreekt.


Lees verder