Spreuken
1-5 Waar en tot wie de Wijsheid roept 6-9 Wat de Wijsheid roept 10-21 De waarde van de wijsheid 22-31 De Wijsheid is een eeuwige Persoon 32-36 De zegen van luisteren naar de Wijsheid
Waar en tot wie de Wijsheid roept

1Roept Wijsheid niet
en laat Inzicht Haar stem [niet] klinken?
2Op de top van hoogten, langs de weg,
[op] een kruispunt van paden, staat Zij.
3Terzijde van de poorten, voor aan de stad,
[bij] de ingang van de deuren, roept Zij luid:
4Tot u, mannen, roep Ik
en Mijn stem [klinkt] tot de mensenkinderen.
5Onverstandigen, begrijp [met] schranderheid
en dwazen, begrijp [met] verstand.

Nadat de verleidende en misleidende vreemde vrouw aan het woord is geweest (Sp 7), verheft nu de “Wijsheid” Haar stem (vers 11Roept Wijsheid niet
en laat Inzicht Haar stem [niet] klinken?
; vgl. Sp 1:20-2220Buiten roept de hoogste Wijsheid luid,
op de pleinen laat Zij Haar stem klinken.
21Zij roept boven het rumoer uit,
aan de ingangen van de poorten in de stad spreekt Zij Haar woorden uit.
22Hoelang zult u, onverstandigen, onverstand liefhebben,
zullen spotters spotternij voor zich begeren
en dwazen kennis haten?
)
. De Wijsheid wordt hier weer als een Goddelijk Persoon voorgesteld. De Wijsheid is Christus. Hetzelfde geldt voor “Inzicht”. Ook dat is een personificatie van Christus. De verzen 1-21 wijzen op de Heer Jezus. Hij heeft in Zijn leven als de Wijsheid tot de mensen geroepen en als het Inzicht Zijn stem tot hen laten klinken. Nu Hij in de hemel is, doet Hij dat door Zijn dienaren.

De vragende vorm waarin vers 11Roept Wijsheid niet
en laat Inzicht Haar stem [niet] klinken?
staat, benadrukt het feit dat niemand een geldig excuus heeft om de oproep van de Wijsheid of het Inzicht te negeren. Het antwoord op de vraag kan niet anders dan bevestigend zijn. Niemand kan zich aan Haar roepstem onttrekken, want die dringt tot iedereen door. Ze spreekt niet geheimzinnig, in het donker, zoals de overspelige vrouw in Spreuken 7, maar “roept” luid en “laat … Haar stem klinken”. ‘Roepen’ en ‘de stem laten klinken’ hebben beide de betekenis van de stem verheffen. We zien in dit vers weer het Hebreeuwse parallellisme, waarbij de tweede regel de eerste regel met andere woorden bevestigt.

De plaatsen waar Ze staat, zijn met zorg uitgekozen. Het zijn plaatsen waar Ze door iedereen gezien kan worden, “op de top van hoogten”, en waar veel mensen uit allerlei richtingen aanwezig zijn, “langs de weg” en “[op] een kruispunt van paden” (vers 22Op de top van hoogten, langs de weg,
[op] een kruispunt van paden, staat Zij.
)
. Ze laat Haar stem ook horen “terzijde van de poorten, voor aan de stad” (vers 33Terzijde van de poorten, voor aan de stad,
[bij] de ingang van de deuren, roept Zij luid:
)
. Dat zijn de plaatsen waar handel wordt gedreven en recht wordt gesproken, waar dus ook veel mensen zijn. Iedereen die de stad ingaat of uitgaat, hoort Haar. Ze staat ook “[bij] de ingangen van de deuren”, waarbij we kunnen denken aan de tempeldeuren of de deuren van de huizen. Ze is overal waar mensen zijn.

Ze roept tot de “mannen” en Haar stem klinkt “tot de mensenkinderen” (vers 44Tot u, mannen, roep Ik
en Mijn stem [klinkt] tot de mensenkinderen.
)
. Iedereen wordt aangesproken. De Wijsheid richt Zich niet slechts tot een uitverkoren groepje intellectuelen of godsdienstig ingewijden alsof Zij alleen ‘op niveau’ zou willen praten. Nee, Ze is voor iedereen beschikbaar en sluit niemand buiten. Het is ermee als met de zendingsopdracht om wereldwijd het evangelie te verkondigen en daarmee zonder uitzondering ieder mens te bereiken (vgl. Mk 16:1515En Hij zei tot hen: Gaat heen in de hele wereld en predikt het evangelie aan de hele schepping.).

Alle mensen weten wel wat goed en kwaad is. Ze doen echter niet het goede, maar het kwade. Dat houdt de Wijsheid alle mensen voor. Niemand die zich voor de rechterstoel van Christus moet verantwoorden, zal kunnen zeggen: ‘Ik wist het niet.’

De Wijsheid richt Zich te midden van alle mensen met een speciaal woord tot “onverstandigen … en dwazen” (vers 55Onverstandigen, begrijp [met] schranderheid
en dwazen, begrijp [met] verstand.
)
. Zij hebben Haar het meest nodig en zijn het meest geneigd Haar te negeren. In Haar genade zegt Ze tot de onverstandigen, de dommeriken, dat zij toch “[met] schranderheid” zullen begrijpen waar het in het leven om gaat. Ze wil dat zij zich bekeren van hun domheid en Haar in hun leven toelaten. Dan zullen ze leven en niet omkomen.

Hetzelfde geldt voor de dwazen. De dwazen zijn al veel verder van de Wijsheid verwijderd dan de onverstandigen. Toch betrekt de Wijsheid ook hen in Haar oproep. Het is nog niet te laat om “[met] verstand” te gaan begrijpen, dat wil zeggen om hun dwaasheid in te zien en bij zinnen te komen. Als ze tot zichzelf komen, zullen ze inzien en er inzicht in krijgen dat ze het oordeel tegemoet lopen en zich bekeren.


Wat de Wijsheid roept

6Luister, want Ik zal vorstelijke dingen spreken,
het openen van Mijn lippen [brengt] wat billijk is.
7Ja, Mijn gehemelte zal waarheid tot uiting brengen:
goddeloosheid is voor Mijn lippen een gruwel.
8Alle woorden uit Mijn mond zijn in gerechtigheid [gesproken],
er is niets verdraaids of slinks in.
9Ze zijn oprecht voor ieder die begrijpt,
juist voor hen die kennis willen vinden.

De Wijsheid roept alle mensen op om naar Haar te luisteren (vers 66Luister, want Ik zal vorstelijke dingen spreken,
het openen van Mijn lippen [brengt] wat billijk is.
)
. Zij is er voor iedereen. Er is geen bijzondere intelligentie nodig om te begrijpen wat Zij zegt, maar een gewillig hart. De inhoud van haar woorden is van de grootste zuiverheid en bijzonder waardevol. Wat Zij zegt, zijn “vorstelijke dingen”. Het zijn verheven dingen, dingen van uitstekende kwaliteit en van een edel, hoogstaand karakter. Als Ze Haar lippen opent, laat Ze horen “wat billijk is”, dat wil zeggen wat oprecht en terecht is.

Voorafgegaan door een bekrachtigend “ja” zegt Ze: “Mijn gehemelte zal waarheid tot uiting brengen” (vers 77Ja, Mijn gehemelte zal waarheid tot uiting brengen:
goddeloosheid is voor Mijn lippen een gruwel.
)
. Ze spreekt de waarheid, dat wil zeggen Gods waarheid, over alle dingen. Als de hoer de jongeling voorhoudt hoe haar slaapkamer er uitziet en hoe het er ruikt (Sp 7:16-1716Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
)
, liegt ze hem niets voor, maar spreekt ze daarover de waarheid. Het is echter niet Gods waarheid. In het licht van Gods waarheid kunnen mensen weten hoe de dingen zijn, of ze goed of slecht zijn, en hoe ze verband met elkaar houden.

Tegenover de waarheid die de Wijsheid spreekt, staat dan ook niet de onwaarheid of de leugen, maar de “goddeloosheid”. “Goddeloosheid” betekent dat er zonder God wordt geleefd, dat er met Hem geen rekening wordt gehouden. Voor de lippen van de Wijsheid is het spreken van goddeloosheid daarom ook “een gruwel”.

Het is van het grootste belang om naar de waarheid uit de mond van de Wijsheid te luisteren. “Alle woorden” die Zij spreekt, “zijn in gerechtigheid [gesproken]” (vers 88Alle woorden uit Mijn mond zijn in gerechtigheid [gesproken],
er is niets verdraaids of slinks in.
)
. Je kunt elk van Haar woorden absoluut vertrouwen. Het zijn woorden die aan ieder mens en elke zaak recht doen en mensen op de rechte weg leiden. In Haar woorden is niets van het tegenovergestelde aanwezig. Er is absoluut “niets verdraaids of slinks in”, niets wat tegen de waarheid van de Schrift ingaat of in strijd is met de gezonde leer.

Wie de juiste gezindheid heeft, begrijpt dat Haar woorden “oprecht” zijn (vers 99Ze zijn oprecht voor ieder die begrijpt,
juist voor hen die kennis willen vinden.
)
. Wie al op het pad van de wijsheid wandelt, is nog beter in staat Haar te begrijpen. Oprechtheid is nodig om de wijsheid te begrijpen, en niet intelligentie, geleerdheid of slimheid. De juistheid van Haar woorden wordt begrepen door allen die ernaar verlangen om kennis te vinden.


De waarde van de wijsheid

10Neem Mijn vermaning aan en niet zilver,
want kennis is verkieslijker dan bewerkt goud.
11Want wijsheid is beter dan robijnen,
en al uw wensen zijn er niet mee te vergelijken.
12Ik, Wijsheid, Ik woon [bij] schranderheid
en vind kennis door [alle] bedachtzaamheid.
13De vreze des HEEREN is het kwade te haten;
hoogmoed, trots en de verkeerde weg
en een mond [vol] verderfelijke dingen haat Ik.
14Bij Mij is raad en wijsheid.
Ik ben Inzicht, bij Mij is kracht.
15Door Mij regeren koningen,
verordenen vorsten gerechtigheid.
16Door Mij heersen vorsten,
en edelen, alle rechters op aarde.
17Ik heb lief wie Mij liefhebben,
en wie Mij ernstig zoeken, zullen Mij vinden.
18Rijkdom en eer is [er] bij Mij,
duurzaam bezit en gerechtigheid.
19Mijn vrucht is beter dan bewerkt goud en dan zuiver goud,
Mijn opbrengst [beter] dan het beste zilver.
20Ik loop op het pad van de gerechtigheid,
midden op de paden van het recht,
21om wie Mij liefhebben, in erfelijk bezit te laten nemen wat er is,
en Ik zal hun schatkamers vullen.

Als iemand de vermaning (of het onderwijs) van de Wijsheid aanneemt, wordt hij daardoor rijker dan hij ooit van zilver kan worden (vers 1010Neem Mijn vermaning aan en niet zilver,
want kennis is verkieslijker dan bewerkt goud.
; vgl. Ps 119:7272De wet uit Uw mond is mij beter
dan duizenden [stukken] goud of zilver.
)
. Het aannemen van vermaning leidt tot “kennis”. Het bezit van kennis is te verkiezen boven “bewerkt goud”. “Wijsheid” gaat de waarde van “robijnen” ver te boven (vers 1111Want wijsheid is beter dan robijnen,
en al uw wensen zijn er niet mee te vergelijken.
)
. Wat iemand ook maar aan aardse rijkdom zou kunnen wensen, het is niet te vergelijken met de Wijsheid en wat Zij oplevert. Door de waarde die Wijsheid voor het leven heeft, is Zij meer te wensen dan iets anders.

Haar woonplaats, waar de Wijsheid thuis is, is bij “schranderheid” (vers 1212Ik, Wijsheid, Ik woon [bij] schranderheid
en vind kennis door [alle] bedachtzaamheid.
)
. Dit houdt in dat Zij scherpzinnig is, dat Ze een scherp en helder inzicht bezit zowel in mensen als in dingen en gebeurtenissen. De juiste kennis om te handelen vindt Ze door “bedachtzaamheid” of nadenkendheid. Bedachtzaamheid is de bekwaamheid om goede plannen te maken en doordachte beslissingen te nemen. Ze laat Zich niet verleiden tot een overhaast en daardoor verkeerd handelen. Ze heeft de kennis om te weten wat Ze moet doen omdat Ze bedachtzaam is.

We zien deze eigenschappen – schranderheid en bedachtzaamheid – op volmaakte wijze bij de Heer Jezus. Hij wist altijd wat Hij op welke tijd moest doen. Zo betaalde Hij, om nodeloze aanstoot te voorkomen, de tempelbelasting, hoewel Hij daarvan als Koning vrij was en Hij ook Zijn discipelen als Zijn onderdanen daarvan vrij verklaarde (Mt 17:2727Opdat wij hun echter geen aanstoot geven, ga naar zee, werp een vishaak uit en neem de eerste vis die bovenkomt, en als je zijn bek opendoet, zul je een stater vinden; neem die en geef hem hun voor Mij en jou.). Wat de mens betreft, wist Hij wat er in hem was en liet Hij Zich niet bedriegen door uiterlijke schijn (Jh 2:23-2423En toen Hij in Jeruzalem was op het Pascha, op het feest, geloofden velen in Zijn Naam, toen zij de tekenen zagen die Hij deed.24Maar Jezus Zelf vertrouwde Zich aan hen niet toe, omdat Hij allen kende,). We zien hier enkele van de vele schatten van wijsheid en kennis die in Hem verborgen zijn (Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.).

Schranderheid en bedachtzaamheid (vers 1212Ik, Wijsheid, Ik woon [bij] schranderheid
en vind kennis door [alle] bedachtzaamheid.
)
functioneren alleen als ze bestuurd worden door “de vreze des HEEREN” (vers 1313De vreze des HEEREN is het kwade te haten;
hoogmoed, trots en de verkeerde weg
en een mond [vol] verderfelijke dingen haat Ik.
)
. Tegelijk is het zo, dat de vreze des HEEREN voert tot het haten van “het kwade”. Het kwade is te zien in de verleiding van de overspelige vrouw in het vorige hoofdstuk. Meer algemeen heeft het betrekking op het haten van hoogmoed, trots, een verkeerde weg en verkeerde woorden.

“Hoogmoed” en “trots” zitten in de mens, in het zondige vlees. Als we deze zonden hun gang laten gaan en ze niet oordelen als ze zich willen laten gelden, brengen ze ons op “de verkeerde weg”. Op die verkeerde weg zijn mensen met “een mond [vol] verderfelijke dingen”, dingen die God haat. Wereldse mensen kijken heel anders aan tegen de dingen die wij moeten haten. Zij spreken over ‘een andere manier van leven’, over het maken van ‘een andere keus’, en dwingen ons om hun manier van leven te tolereren en die zeker niet als kwaad en zondig te betitelen.

Wijsheid komt tot uiting in raad en wijsheid, inzicht en kracht (vers 1414Bij Mij is raad en wijsheid.
Ik ben Inzicht, bij Mij is kracht.
)
. Ze zijn bij de Wijsheid aanwezig. Inzicht is niet alleen als een eigenschap in Haar aanwezig, maar Zij is Inzicht, het is Haar Wezen. Wat bij Haar aanwezig is, is wat Haar kenmerkt. Bij Haar is “raad en wijsheid”. Bij Haar is ook “kracht” om alles te doen wat Zij naar Haar raad en wijsheid nodig acht. We zien hier weer dat de Wijsheid Christus is. Een van Zijn Namen is “Raadsman” (Js 9:55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
)
. De Geest Die Hem leidt, is “de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en sterkte, de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN” (Js 11:22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
)
.

De Wijsheid is ook de bron van alle aardse macht en gezag. Door Haar regeren de koningen (vers 1515Door Mij regeren koningen,
verordenen vorsten gerechtigheid.
)
, niet omdat Zij het toelaat, maar omdat Zij het bepaalt (Rm 13:1-61Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.2Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.3Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.5Daarom is het nodig onderdanig te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten.6Want daarom betaalt u ook belasting; immers, zij zijn dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam.). Zij stelt koningen aan (Dn 2:2121Hij verandert de tijden en gelegenheden,
Hij zet koningen af en stelt koningen aan,
Hij geeft de wijsheid aan wijzen,
de kennis aan wie verstand hebben.
)
. Een koning heeft meestal het besef dat hij goed of slecht kan regeren. Regeren kan alleen goed gebeuren door de Wijsheid. Wie niet naar de Wijsheid vraagt, zal slecht regeren, zoals we zien bij de koningen van Israël en sommige koningen van Juda.

De Wijsheid laat vorsten – mogelijk provinciebestuurders, lagere overheden – gerechtigheid verordenen. Deze vorsten schrijven zaken voor en leggen die schriftelijk vast; het zijn zaken die de gerechtigheid, het recht van God, dienen. Zonder de Wijsheid kunnen zij niets voorschrijven wat in overeenstemming met het recht van God is; door de Wijsheid kan dat wel.

Evenals de koningen heersen ook de vorsten door de Wijsheid (vers 1616Door Mij heersen vorsten,
en edelen, alle rechters op aarde.
)
. Dit geldt ook voor de “edelen”, de voorname mannen, als zij op een weldadige manier leidinggeven. Ook allen die overal op aarde hun functie als rechter uitoefenen, kunnen dat alleen op de juiste wijze, dus rechtvaardig in overeenstemming met het recht van God, doen door de Wijsheid. Uit zichzelf kunnen zij dit niet. Hoe wijs en rechtvaardig moet de Wijsheid zijn als de machtigste mensen op aarde niet zonder Haar op een rechtvaardige en weldadige wijze kunnen besturen.

Iemand zal alleen waardering voor de Wijsheid hebben als hij liefde voor Haar heeft (vers 1717Ik heb lief wie Mij liefhebben,
en wie Mij ernstig zoeken, zullen Mij vinden.
)
. Dan is er verbinding met Haar. Het gaat dus om de gesteldheid van het hart tegenover de Wijsheid. Waar liefde voor de Wijsheid is, wordt die liefde door Haar beantwoord met wederliefde. Liefde voor de Wijsheid blijkt uit het “ernstig zoeken” of ijverig zoeken naar Haar. Dit heeft Salomo gedaan (1Kn 3:99Geef dan Uw dienaar een opmerkzaam hart, om recht te [kunnen] spreken over Uw volk, om met inzicht onderscheid te [kunnen] maken tussen goed en kwaad, want wie zou over dit machtige volk van U kunnen rechtspreken?). De belofte voor wie dat doet, is dat hij Haar vindt, Haar aantreft, Haar in bezit krijgt (Jk 1:55Als nu aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die aan God vragen, Die aan allen mild en zonder verwijt geeft en zij zal hem gegeven worden.).

De Wijsheid stelt een rijke beloning in het vooruitzicht voor wie Haar zoeken, want Ze wijst erop dat “rijkdom en eer” bij Haar is (vers 1818Rijkdom en eer is [er] bij Mij,
duurzaam bezit en gerechtigheid.
)
. Zo maakt Ze het wel heel aantrekkelijk om ernstig naar Haar op zoek te gaan. Ze voegt er nog aan toe dat ook “duurzaam bezit en gerechtigheid” bij Haar is. Het mag duidelijk zijn dat het hier niet om aards bezit gaat, want dat kan iemand zomaar ontvallen (Sp 23:55Laat u uw ogen erover vliegen, dan is het er niet [meer],
want het vliegt direct weg, als een arend die naar de hemel vliegt.
)
. Het gaat om schatten in de hemel die niemand kan wegnemen (Mt 6:19-2019Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar mot en afvreter ze bederft en waar dieven inbreken en stelen;20maar verzamelt u schatten in [de] hemel, waar geen mot of afvreter ze bederft en waar dieven niet inbreken of stelen;).

Duurzaam bezit kan per definitie alleen eeuwig bezit en niet het tijdelijke bezit zijn en wordt daarom uiteindelijk in het leven na dit leven genoten en niet in het leven hier-en-nu. Ook gerechtigheid is iets wat zich niet in termen van goud of zilver laat vertalen. Goud kun je krijgen of erven, wijsheid niet. Wijsheid kan alleen gevonden worden door wie ernaar zoeken. Ook gerechtigheid is een kwaliteit die niet met de aarde, maar met God in verbinding staat. Het is een kenmerk van God in Zijn handelen met mensen. In de manier waarop Hij met mensen omgaat, is Hij altijd in overeenstemming met Zijn eigen rechtvaardige Wezen.

Wie de Wijsheid hebben gevonden, zullen Haar “vrucht” genieten (vers 1919Mijn vrucht is beter dan bewerkt goud en dan zuiver goud,
Mijn opbrengst [beter] dan het beste zilver.
)
. Haar vrucht is wat Zij voortbrengt, alles wat uit Haar voortkomt. We kunnen daarbij denken aan alle zegeningen die door genade ons zijn gegeven, zoals verlossing, verzoening, vergeving, rechtvaardiging, het zoonschap, het eeuwige leven. We kunnen ook denken aan de vrucht van de Geest (Gl 5:2222Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.), die Hij geeft aan ieder die met de Wijsheid in verbinding is. Die vrucht behoort Haar toe, maar Zij geeft die aan allen die Haar vinden. Die vrucht is beter dan bewerkt goud en dan zuiver goud”. Het is duidelijk dat het niet om aardse voorspoed gaat, maar om geestelijke vrucht.

Dat geldt ook voor Haar “opbrengst”. Opbrengst is een begrip van de markt, van de handel, een begrip dat hier geestelijk moet worden toegepast. Wat de Wijsheid oplevert aan vrucht en opbrengst, betreft geen materiële rijkdom, want Haar vrucht en opbrengst zijn beter dan wat goud en zilver in hun zuiverste vorm opleveren (vgl. Jb 28:1515Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden,
en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen.
)
. Het product van de wijsheid, wat uit de wijsheid voortkomt, is beter dan wat je met goud en zilver kunt verkrijgen.

De Wijsheid loopt (vers 2020Ik loop op het pad van de gerechtigheid,
midden op de paden van het recht,
)
. Het is de bedoeling dat wij Haar volgen zoals kinderen hun ouders doen, soldaten hun generaal, leerlingen hun leraar en schapen hun herder. Zij leidt Haar volgelingen “op het pad van de gerechtigheid”. Wie Haar volgen, wandelen op hetzelfde pad. Ze gaat hen voor “midden op de paden van het recht” en vermijdt daardoor een afwijking naar rechts of naar links. De volgeling van de Wijsheid is niet formeel en ook niet losbandig. Hij blijft van beide uitersten ver verwijderd. Hij volgt geen droog, doods systeem, en ook geen opgeklopte, vrijblijvende beginselen.

Het erfelijk bezit is het deel van allen die de Wijsheid liefhebben (vers 2121om wie Mij liefhebben, in erfelijk bezit te laten nemen wat er is,
en Ik zal hun schatkamers vullen.
)
. Het is geen verdienste, ook geen gift, maar een recht. Het is wel een geschonken recht, omdat het verbonden is aan de Heer Jezus Die dit recht heeft verworven. Het erfelijk bezit is Hijzelf. Van hen die Hem als hun erfelijk bezit hebben, vult Hij ook nog de “schatkamers” van hun hart (Lk 6:4545De goede mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort, en de boze brengt uit de boze [schat] het boze voort; want uit [de] overvloed van [het] hart spreekt zijn mond.). Wat Hij van Zichzelf in hun hart legt, is niet aan waardevermindering onderhevig.


De Wijsheid is een eeuwige Persoon

22De HEERE bezat Mij [aan] het begin van Zijn weg,
[al] vóór Zijn werken, van oudsher.
23Van eeuwigheid af ben Ik gezalfd geweest,
vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde [er was].
24Toen er [nog] geen diepe wateren waren, werd Ik geboren,
toen er [nog] geen bronnen waren, zwaar van water.
25Voordat de bergen waren verzonken,
vóór de heuvels, werd Ik geboren.
26Hij had de aarde en de velden nog niet gemaakt,
evenmin het begin van de stofjes van de wereld.
27Toen Hij de hemel gereedmaakte, was Ik daar,
toen Hij een cirkel trok over het oppervlak van de watervloed,
28toen Hij de wolken daarboven sterk maakte,
Hij de bronnen van de watervloed versterkte,
29toen Hij voor de zee zijn plaats bepaalde,
zodat het water Zijn bevel niet zou overtreden,
toen Hij de fundamenten van de aarde verordende,
30was Ik bij Hem, [Zijn] Lievelingskind,
Ik was dag aan dag [Zijn] bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap [vond Ik] bij de mensenkinderen.

In de vorige verzen hebben we de Wijsheid horen roepen. Haar roep is zonder uitzondering tot ieder mens gekomen. In de verzen 22-3122De HEERE bezat Mij [aan] het begin van Zijn weg,
[al] vóór Zijn werken, van oudsher.
23Van eeuwigheid af ben Ik gezalfd geweest,
vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde [er was].
24Toen er [nog] geen diepe wateren waren, werd Ik geboren,
toen er [nog] geen bronnen waren, zwaar van water.
25Voordat de bergen waren verzonken,
vóór de heuvels, werd Ik geboren.
26Hij had de aarde en de velden nog niet gemaakt,
evenmin het begin van de stofjes van de wereld.
27Toen Hij de hemel gereedmaakte, was Ik daar,
toen Hij een cirkel trok over het oppervlak van de watervloed,
28toen Hij de wolken daarboven sterk maakte,
Hij de bronnen van de watervloed versterkte,
29toen Hij voor de zee zijn plaats bepaalde,
zodat het water Zijn bevel niet zou overtreden,
toen Hij de fundamenten van de aarde verordende,
30was Ik bij Hem, [Zijn] Lievelingskind,
Ik was dag aan dag [Zijn] bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap [vond Ik] bij de mensenkinderen.
vertelt de Wijsheid Wie Zij is. We vinden in deze verzen een prachtige beschrijving van de Heer Jezus, want om Hem gaat het. Hij, de eeuwige Zoon, is de Wijsheid in Persoon. Als we de vraag zouden stellen hoelang God al wijs is, is het antwoord eenvoudig dat de Wijsheid net zolang heeft bestaan als God bestaat, dus eeuwig. Er is immers geen moment te bedenken waarop God niet wijs was om dat vervolgens op een zeker moment te worden. Hiermee wordt een afdoend antwoord gegeven op de vraag hoelang de Heer Jezus bestaat.

Dat blijkt uit het eerste wat de Wijsheid over Zichzelf zegt. Zij was bij God, de HEERE, nog voordat er iets van Gods werken zichtbaar was (vers 2222De HEERE bezat Mij [aan] het begin van Zijn weg,
[al] vóór Zijn werken, van oudsher.
)
. Vóór de grondlegging van de wereld was de Wijsheid als een onderscheiden Persoon bij God. De evangelist Johannes bevestigt dat. Hij schrijft: “In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God” (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.). “Het Woord” is ook de Heer Jezus.

Het is opmerkelijk dat de Wijsheid begint met te spreken over de HEERE, de God van het verbond met Zijn volk. Met Hem is Zij ten nauwste verbonden. Hoe nauw, dat zegt Zij vervolgens. De HEERE bezat Haar “[aan] het begin van Zijn weg”. Een verkeerde en misleidende vertaling zegt dat de HEERE Haar ‘schiep’ in plaats van ‘bezat’. Maar Christus, de Zoon, zegt als de Wijsheid dat de HEERE Hem bezat “[aan] het begin van Zijn weg, al vóór Zijn werken, van oudsher” (vgl. Mi 5:11En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.
)
.

Toen God Zijn weg met de wereld begon, toen Hij Zijn werken tot stand bracht, deed Hij dat door de Zoon, Die “van oudsher”, dat is van eeuwigheid af, bij Hem was. Christus is het begin van de schepping van God, wat betekent dat Hij aan het begin van al Gods scheppingswerken staat, dat Hij is begonnen met de schepping en die ook heeft voltooid (Gn 1-2; Jh 1:33Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Ko 1:16-1716want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.17En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.; Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.). Uit Hem is de hele schepping voortgekomen. Hij was bij God als de Wijsheid van al Gods werken. Al Gods werken zijn door Zijn wijsheid tot stand gebracht. De Wijsheid Zelf is dus niet geschapen, maar is van eeuwigheid bij God.

De Wijsheid is van eeuwigheid af gezalfd (vers 2323Van eeuwigheid af ben Ik gezalfd geweest,
vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde [er was].
)
. Zalving heeft te maken met de bestemming tot een bepaald doel. In het Oude Testament werden koningen en priesters gezalfd om te zijn waartoe ze waren bestemd. Op dezelfde wijze is de Wijsheid, Christus, door God tevoren tot een bepaald werk bestemd. Iets dergelijks zien we met betrekking tot het verzoeningswerk van Christus, waarvoor Hij door God tevoren als het Lam was “voorgekend vóór de grondlegging van de wereld” (1Pt 1:2020Hij is wel voorgekend vóór [de] grondlegging van [de] wereld, maar in [het] laatst van de tijden geopenbaard ter wille van u,). Het werk waarover het hier gaat, is het werk van de schepping. De Wijsheid was er vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde [er was]”.

Dat de Wijsheid “geboren” is – dat wordt twee keer gezegd: in vers 2424Toen er [nog] geen diepe wateren waren, werd Ik geboren,
toen er [nog] geen bronnen waren, zwaar van water.
en in vers 2525Voordat de bergen waren verzonken,
vóór de heuvels, werd Ik geboren.
–, wil zeggen dat Christus op een bepaald moment als Schepper is gaan handelen. Wat in God aanwezig is, wordt zichtbaar. Het is vergelijkbaar met wat er bij de geboorte van een kind gebeurt. Een kind dat geboren wordt, is al in de moederschoot aanwezig, maar wordt bij de geboorte zichtbaar. De Wijsheid bewijst Haar voorbestaan door te gaan handelen als er nog niets is, als er “[nog] geen diepe wateren” zijn en “[nog] geen bronnen …, zwaar van water” (vers 2424Toen er [nog] geen diepe wateren waren, werd Ik geboren,
toen er [nog] geen bronnen waren, zwaar van water.
)
. Hetzelfde geldt voor “de bergen” en “de heuvels” (vers 2525Voordat de bergen waren verzonken,
vóór de heuvels, werd Ik geboren.
)
die ook hun ontstaan te danken hebben aan Hem Die er was (Ps 90:22[Al] vóór de bergen geboren waren
en U de aarde en de wereld voortgebracht had,
ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God.
)
.

De nadruk in dit hele gedeelte ligt op het eeuwig (voor)bestaan van Christus. Het is van groot belang om daaraan vast te houden. Alles wat er is, is door Hem geschapen. Het heeft dus een begin, terwijl Hij dat Zelf niet heeft. Er is niet zoiets als ‘eeuwige materie’. Alleen de drie-enige God is eeuwig. De Zoon was er “toen de aarde en de velden nog niet gemaakt” waren (vers 2626Hij had de aarde en de velden nog niet gemaakt,
evenmin het begin van de stofjes van de wereld.
)
. Na de wateren en de hoogten van de beide vorige verzen lijkt het hier te gaan om de meer bewoonbare delen van de aarde. Met “de stofjes van de wereld” worden de bestanddelen bedoeld waaruit de aarde bestaat, waaronder ook de bodemschatten. Alles heeft een begin en dat begin is er door Hem.

Het Woord was in het begin, wat betekent dat Hij er was bij alles wat een begin heeft en dat Hij Zelf geen begin heeft. Hij is het begin van alles (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.). God is de grote Architect, Die alles gebouwd heeft door de Wijsheid. Hij heeft alles door de Zoon geschapen (1Ko 8:66dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.). Alles is door het Woord geworden. Dit gedeelte uit Spreuken 8 wordt in de eerste verzen van Johannes 1 verklaard.

De Zoon is ook betrokken bij het gereedmaken van de hemel (vers 2727Toen Hij de hemel gereedmaakte, was Ik daar,
toen Hij een cirkel trok over het oppervlak van de watervloed,
)
. Hij was geen toeschouwer, maar de Uitvoerder (Hb 1:1010En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.). Hij heeft de hemel zijn vorm, schittering en bekleding van zon, maan en sterren gegeven. De hemel is door Hem als een overkoepelende overspanning over de watervloed getrokken, zoals je met een passer een cirkel trekt (vgl. Js 40:2222Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,
waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.
Hij is het Die de hemel uitspant als een dunne doek
en uitspreidt als een tent om in te wonen.
; Jb 26:9-109Hij bedekt de aanblik van [Zijn] troon;
Hij spreidt Zijn wolk erover uit.
10Hij heeft een begrenzing afgetekend over het wateroppervlak,
tot aan de grens tussen licht en duisternis.
)
. In die overspanning heeft Hij de wolken sterk gemaakt, zodat ze het water kunnen vasthouden om op Zijn tijd en waar Hij wil dat water over de aarde uit te gieten (vers 2828toen Hij de wolken daarboven sterk maakte,
Hij de bronnen van de watervloed versterkte,
; Jb 26:88Hij bindt het water in Zijn wolken;
toch scheurt de wolk daaronder niet.
; 28:27-2927toen zag Hij haar, en peilde haar.
Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar.28Maar tegen de mens heeft Hij gezegd:
Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid,
en zich afkeren van het kwade is inzicht.
; 37:1111Ook maakt Hij de wolken zwaar van vocht;
Hij spreidt de wolk van Zijn licht uit.
)
. Ook “de bronnen van de watervloed” zijn sterk en kunnen opspringen door de kracht die Hij hun verleent.

De plaats van de zee is niet door evolutie bepaald, maar is hem aangewezen door de Zoon (vers 2929toen Hij voor de zee zijn plaats bepaalde,
zodat het water Zijn bevel niet zou overtreden,
toen Hij de fundamenten van de aarde verordende,
)
. Daarbij heeft Hij ook bevolen dat de zee zich aan de door Hem bepaalde grens houdt en die niet zal overtreden (Jr 5:2222Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,
of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?
Ik, Die het zand gemaakt heb tot een grens voor de zee,
een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.
Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen [uitrichten],
al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.
; Jb 38:10-1110Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
)
. Hij heeft de fundamenten van de aarde zodanig verordend, dat de aarde onwankelbaar staat (Ps 104:55Hij heeft de aarde gegrondvest op zijn fundamenten,
die zal voor eeuwig en altijd niet wankelen.
)
.

Al de scheppingshandelingen die zojuist door de Wijsheid beschreven zijn, getuigen van de Goddelijke wijsheid die daaraan ten grondslag ligt. Dat bewijst het voorbestaan van de Wijsheid vóór de schepping. God heeft Zijn werk uitgedacht en dat met Wijsheid, dat is door Zijn Zoon, uitgevoerd.

In vers 3030was Ik bij Hem, [Zijn] Lievelingskind,
Ik was dag aan dag [Zijn] bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
gaat het niet meer over de schepping, maar over de verhouding tussen de HEERE, Jahweh, en de Wijsheid. De Wijsheid was eeuwig “bij Hem”. Zij wordt door God geliefd, want de Wijsheid is de Persoon van Christus. Hij is het Woord dat in het begin bij God was (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.). In het Nieuwe Testament zien we diezelfde verhouding van liefde terug in de liefde tussen de Vader en de Zoon. De verhouding tussen de Vader en de Zoon is er een van eeuwige liefde (Jh 17:5,24b5en nu, verheerlijk Mij, U, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid die Ik bij U had voordat de wereld was.24Vader, wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad voor [de] grondlegging van [de] wereld.).

Terwijl er in de eeuwigheid geen tijd is, wordt het toch zo uitgedrukt, dat de Vader “dag aan dag” van Zijn Zoon genoot. Zo laat Hij ons delen in de gevoelens van Zijn hart voor Zijn Zoon. Het is tegelijk een voorbeeld voor ons om ons elke dag met de Zoon bezig te houden, Hem te zien en ons in Hem te verheugen. Er kan voor ons toch geen ander voorwerp van liefde en vreugde zijn dan Hij naar Wie het hart van God uitgaat?

Hij is vanaf alle eeuwigheid Gods “Lievelingskind” en Zijn “bron van blijdschap”. Deze uitdrukkingen geven aan hoezeer God Hem liefhad en hoezeer Hij Zich in Hem verheugde. Er is nooit een tijd geweest waarin dit anders was. God keek eeuwig met de grootste en diepste liefde en blijdschap naar Hem. De oorzaak daarvan is de volkomen eenheid in natuur, eigenschappen en verlangens die er tussen Hen is. Er was en is volkomen harmonie in gedachten en gevoelens. Alles wat God is, zag en ziet Hij in Zijn Zoon.

Dat veranderde niet toen de Zoon de Schepper werd, want Zijn scheppingswerk is de uitvoering van het voornemen van God. Toen Hij de hemel en de aarde schiep, was Hij als het ware met een spel bezig dat Hij met grote vreugde speelde. Het doet denken aan de voldoening die Hij had toen Hij na de schepping alles zag en toen constateerde dat het “zeer goed” was (Gn 1:3131En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.).

Door wat de Zoon heeft geschapen, ontstaat er een nieuw terrein waarin de Zoon Zelf Zijn vreugde vindt (vers 3131al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap [vond Ik] bij de mensenkinderen.
)
. Hij Die altijd de vreugde van Gods hart was en voor Diens aangezicht speelde, speelde ook in de wereld van Gods aardrijk. Vervolgens lijkt het alsof Hij daarin iets ontdekt wat Hem met blijdschap vult en dat zijn “de mensenkinderen”. Hij noemt hen “Mijn bron van blijdschap”.

Hij heeft een vreugde in al Zijn scheppingswerken, maar in de mens vindt Hij een speciaal welgevallen. Zijn vreugde in de mens blijkt op de duidelijkste wijze uit het feit dat Hij Mens is geworden. De engelen hebben gejubeld toen Hij de wereld schiep (Jb 38:6-76Waarop zijn haar pijlers neergezonken?
Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
7toen de morgensterren samen vrolijk zongen,
en al de kinderen van God juichten?
)
. Maar als de Zoon Mens wordt, zien zij Gods welbehagen in mensen en prijzen zij zonder enige jaloersheid Hem daarvoor met de woorden: “Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in mensen van [Zijn] welbehagen” (Lk 2:1414Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in mensen van [Zijn] welbehagen.).

God heeft in mensen Zijn welbehagen. Daarom werd Christus Mens. God heeft geen welbehagen in zondige mensen. Hij heeft behagen in die ene Mens, Zijn Zoon Jezus Christus, Die kwam als de uiting van Gods welbehagen in alle mensen, want Hij kwam om mensen te redden van het eeuwig oordeel. Ieder mens die zijn zonden belijdt en gelooft in Christus en Zijn verlossingswerk op het kruis, gaat delen in Gods welbehagen. God heeft behagen in ieder mens die met Zijn Zoon verbonden is door geloof in Diens werk.

De wereldgeschiedenis is geen toeval, waarin spontaan een keer de Zoon van God binnenkwam. Aan het begin van alle wegen van God staat de Wijsheid, de personificatie van de Heer Jezus. Dit is de diepe bedoeling van de wereld en zijn geschiedenis. In Hebreeën 1 wordt dit in een notendop weergegeven (Hb 1:2-32Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,). Christus is het middelpunt van Gods wegen.

Het kennen van Zijn Persoon geeft niet alleen antwoord op de vragen van ons hart, maar voert ons binnen in de wereld van de Vader en de Zoon. Daarvan krijgen we door het spreken van de Wijsheid vanuit die eeuwigheid hier een indruk. We zijn niet alleen toeschouwers in dit majestueuze en soevereine handelen van de Wijsheid, maar we in Zijn genade betrokken bij dit eeuwige plan van God. We zijn ingevoerd in het huis van de Wijsheid, zoals we in Spreuken 9 zien.

Het is deze Wijsheid Die elke handeling van God met deze aarde heeft begeleid, of het nu de schepping of de heilsgeschiedenis betreft. Alle dingen zijn door Hem en voor Hem. Deze heerlijkheid als Middelaar staat hier voor ons in de vreugde die God in Hem heeft. En Hij is niet een Middelaar van engelen, maar Zijn vreugde is met de mensenkinderen (Hb 2:1616Want inderdaad, niet engelen neemt Hij aan, maar Hij neemt [het] nageslacht van Abraham aan.).


De zegen van luisteren naar de Wijsheid

32Nu dan, kinderen, luister naar Mij:
Welzalig zijn zij [die] Mijn wegen in acht nemen.
33Luister naar vermaning en word wijs,
verwerp [die] niet.
34Welzalig is de mens die naar Mij luistert,
door dag aan dag te waken aan Mijn poorten,
door Mijn deurposten te bewaken.
35Want wie Mij vindt, vindt het leven
en verkrijgt de goedgunstigheid van de HEERE.
36Wie echter tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan.
Allen die Mij haten, hebben de dood lief.

Na de beschrijving van de Persoon van de Wijsheid en Haar werk moet de logische conclusie, ingeleid door “nu dan”, zijn dat de kinderen naar Haar luisteren (vers 3232Nu dan, kinderen, luister naar Mij:
Welzalig zijn zij [die] Mijn wegen in acht nemen.
)
. Daartoe roept Zij de kinderen die Haar natuur hebben, die wijs zijn, op. Allen die Haar “wegen in acht nemen”, prijst Zij “welzalig”, want zij laten zien dat ze niet alleen hoorders, maar ook daders zijn.

Ze roept op naar vermaning te luisteren, want op die manier kan iemand wijs worden (vers 3333Luister naar vermaning en word wijs,
verwerp [die] niet.
)
. Als een extra aansporing klinkt nog de oproep om de vermaning niet te verwerpen. Niet luisteren betekent verwerpen. Wie dat doet, toont dat hij een dwaas is. Hij zal de eeuwige straf niet ontlopen.

Wie naar de Wijsheid luistert, is “welzalig” (vers 3434Welzalig is de mens die naar Mij luistert,
door dag aan dag te waken aan Mijn poorten,
door Mijn deurposten te bewaken.
)
. Wie luistert, zal er alles aan doen om geen woord te missen dat de Wijsheid uitspreekt. Hij waakt “dag aan dag” aan de “poorten” van de Wijsheid, om elk woord dat Zij spreekt op te vangen en op te slaan. We kunnen bij de “poorten” en de “deurposten” denken aan de ingang van de stad en de tempel van God (vgl. Lk 21:3838En al het volk kwam ‘s morgens vroeg naar Hem toe in de tempel om Hem te horen.). Waken en bewaken wil zeggen dat we ergens met volle aandacht op gericht zijn. Het spreekt ervan dat er met grote concentratie wordt gewacht op wat de Wijsheid, het Woord van God, gaat zeggen.

Dit geduldige wachten op de Wijsheid, waakzaam en dicht bij Haar woning, wordt beloond met het vinden van het leven (vers 3535Want wie Mij vindt, vindt het leven
en verkrijgt de goedgunstigheid van de HEERE.
)
. Wijsheid en leven zijn op het nauwst met elkaar verbonden. Het doel van de wijsheid is dat het ware leven, dat is leven in gemeenschap met God, wordt geleefd. “Goedgunstigheid” wil zeggen aangenomen zijn door God. Het is het besef van de welwillendheid van of erkenning door God.

Wat een dwaas is iemand die tegen de Wijsheid zondigt (vers 3636Wie echter tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan.
Allen die Mij haten, hebben de dood lief.
)
. Zondigen betekent het doel missen, hier dus het missen van de Wijsheid, dat is Christus. Christus is het middelpunt van al Gods plannen. We zien dat in de Schriften. Wie tegen Hem zondigt, Hem dus mist, mist alles wat voor God belangrijk is. Dat gemis is fataal. Wie dit gemis accepteert omdat hij de Wijsheid niet wil, doet zichzelf enorm veel kwaad aan. Het bewijst haat tegen de Wijsheid en liefde voor wat zijn dood zal zijn. Zondaars sterven omdat ze tegen Christus kiezen (vgl. Hs 13:99Het is uw verderf, Israël,
[dat u zich keert] tegen Mij, tegen uw hulp!
)
.


Lees verder